Van Bombay tot Jaipur.

14 Februari. Toen wij gisteravond aan het station aankwamen, stond de trein reeds gereed en de waggon, van onze namen voorzien, voor ons gereserveerd. Dat is hier door geheel Indië het geval. Als men tevoren opgeeft met welken trein men wil vertrekken, dan wordt een compartiment gereserveerd, van buiten en ook van binnen duidelijk met de namen voorzien van degenen, voor wie de wagen gereserveerd is, zoodat geen vergissing kan plaats vinden. Verzuimt men vooraf een plaats aan te vragen, dan is men volstrekt niet zeker, met den trein mede te komen; er schijnen niet meer eerste-klasse wagens mede te gaan, dan er plaatsen zijn aangevraagd.

Er zijn in Indië verschillende spoorwegmaatschappijen, die tegen elkander concurreeren in het verschaffen van comfort in de waggons. Wij troffen het gisteravond al bijzonder goed. De waggon was nl. wel anderhalf maal zoo breed en lang als onze waggons en maar voor twee ruime, gemakkelijke slaapgelegenheden bestemd, had flinke groote spiegels, goede verlichting, waarbij men gemakkelijk kon lezen, een electrischen waaier om verkoeling aan te brengen, vier soorten afsluitingen van de vensters, gewone glazen, houten jalouzieën, ijzergaas en rieten gordijnen, en bovendien een goede badkamer met alles wat daartoe behoort. En voor dit alles werd geen extra-betaling vereischt; onze gewone spoorkaart—wij hebben een rondreisbiljet door Indië—deed daarvoor dienst. De spoorwegmaatschappijen concurreeren hier nog goed; daarvan profiteeren de reizigers, want ook de prijzen voor de biljetten worden laag gehouden.

Olifanten in Jaipur.

Olifanten in Jaipur.

Men reist hier bij voorkeur bij nacht, omdat het overdag te heet is en er niet veel is uit te zien. Doch toen ik vanmorgen wakker werd, nadat het daglicht juist was doorgebroken en ik naar buiten keek, zag ik boomen vol apen en ook vele groote apen, die dicht bij den trein kwamen om zich aan de versnaperingen, die passagiers naar buiten wierpen, te goed te doen. Ruim een uur lang, tot wij in Ahmedabad aankwamen, zagen wij steeds geheele horden van deze beesten, die tamelijk mak bleken te zijn. In een land als hier, waar geen beest iets kwaads geschiedt, zijn alle beesten bijzonder mak. Wij verwonderen ons er al niet meer over, dat de vogeltjes overal vrij in de huizen rondvliegen, in een schoollokaal op den rand van het zwarte bord gaan zitten en in de hospitalen op de randen van het bed der zieken komen. Hier in Ahmedabad—de stad staat er voor bekend—zijn overal in de stad een soort van vogelhuizen op hooge palen gebouwd, allersierlijkste gebouwtjes, die steeds van voedsel en drinken voorzien zijn, waarvan echter niet alleen de vogels, doch ook de eekhorentjes en ander boomgedierte gebruik maken.

Wij bleven in Ahmedabad een dag over, voornamelijk omdat dit de stad is waar de Mohammedanen en de Jains in hoofdzaak wonen en hunne tempels hebben. Maar ook omdat dit stadje nog geheel Indisch is en op twee na het mooiste stadje van Indië wordt genoemd. Wij zijn hier nu weder in het midden van een Mohammedaansche omgeving, doch de Mohammedaansche vrouwen, die hier opvallend kleurig gekleed gaan, loopen allen ongesluierd. Wel wordt ons verteld, dat de vrouwen uit de rijkere kringen zich nooit op straat bevinden, omdat het hier te warm is om gesluierd te gaan en zij zich niet ongesluierd willen vertoonen. Die wel op straat komen, zijn terstond van de Hindoe-vrouwen te onderkennen, doordat zij de broek dragen, de zoogenaamde harembroek, zooals wij die ook in Syrië en Egypte zagen.

De moskeeën van de Mohammedanen zijn hier geheel anders dan die wij in Arabië zagen. Hier zijn zij van heel mooi beeldhouwwerk voorzien. De minarets zijn soms van onder tot boven gebeeldhouwd. Ook de graftomben zijn hier mooier. De Indische Mohammedaansche vorsten hebben bij het bouwen der tempels en graftomben blijkbaar over meer geld en goeden smaak kunnen beschikken dan hunne Arabische en Egyptische geloofsgenooten.

Voor het eerst zagen wij nu de tempels der Jains. Dat is een Hindoe-sekte, die echter niet Siwa aanbidden. Ik ben er nog niet achter kunnen komen wat de Jains eigenlijk gelooven. De boeken, die ik over Indië las, gaven er geen voldoende beschrijving van en Hindoes, die het konden weten, gaven mij steeds op mijne vragen alleen ten antwoord, dat het eene sekte van de Hindoes was, met een zeer gecompliceerd geloof. In hunne tempels—een er van hier is zeer mooi—zagen wij de beelden van Boeddha en Brahma verheerlijkt. Wij kregen den indruk dat het een mengsel van Boeddhisme en Brahmisme is. Overal in de tempels der Jains staan offervaten, waarin de geloovigen ’s morgens hunne offeranden, in den vorm van een handjevol rijst of een paar amandelen, soms zelfs een kokosnoot, komen brengen en dat daar bijeengegaard wordt. Al de arme moedertjes, zelfs te arm om eenmaal daags zelf een beetje rijst te eten, trachten toch een handjevol elken morgen bijeen te krijgen, om het den beelden van Boeddha en Brahma te offeren.

Hier worden nog enkele industrieën in den ouden vorm beoefend. Wij zagen zijde, met goud en zilver doorwerkt, met de hand weven. Heel mooi en hoogstwaarschijnlijk ook heel duurzaam, maar zeer kostbaar. Prachtige sarongs werden op deze wijze door mannen gemaakt, sarongs, die van 60 tot 100 gulden kosten. Ook zagen wij hier nog den goud- en zilverarbeid, alles met de hand en met zeer primitieve werktuigjes verrichten. Doch vooral het houtsnijwerk van Ahmedabad is door heel Indië bekend.

Achter den tuin van het hotel is een groote open vlakte, een kleine woestijn. Des avonds komen daar de apen bij honderden om versnaperingen te halen, die de toeristen hun aanbieden. Zij zijn zoo mak, dat zij vlak bij ons komen; een paar hadden zelfs den durf de nootjes en koekjes uit onze hand te komen nemen en vlak voor onzen neus te gaan zitten om ze op te eten. Moeder-aapjes, met hare poppige jongen in den arm, kwamen zoo vriendelijk om een versnaperinkje bidden, dat men een steenen hart zou moeten hebben om ’t ze te weigeren.

15 Febr. Vanochtend vertrokken wij om negen uur uit Ahmedabad en kwamen te ongeveer twee uur in Abu Road aan. Dit gedeelte, bij dag afgelegd, heeft ons toch niet berouwd. Wij hadden onophoudelijk wat te zien, al was het dan ook niet natuurschoon, wat te bewonderen viel. Wij zijn hier in het apenland en deze beesten trekken nog steeds onze belangstelling. Waren er geen apen, dan waren er kameelen of olifanten, die wij in menigte in de velden en bosschen zagen. Ook de massa armoedige dorpen met de armoedige en verdierlijkte bewoners, in uitgestrekte dorre velden, vielen ons op. Om ongeveer 12 uur hielden wij stil in het dorp Unjha, in een landbouwdistrict, waarvan de bewoners tot eene Hindoesekte behooren, die maar eens in de elf jaren een algemeenen trouwdag hebben, waarop alle meisjes beneden de elf jaren, ook als ze pas een week oud zijn, uitgehuwelijkt worden. Zijn er niet genoeg mannen te vinden, dan wordt een man omgekocht, die voor de leus met al de meisjes trouwt, voor wie geen echtgenoot beschikbaar was. Deze meisjes moeten dan later weder uitgehuwelijkt worden, ten voordeele—soms ook wel eens ten nadeele—van den man, aan wien zij voor het eerst waren gekoppeld.

Toen wij om twee uur in Abu Road aankwamen, hadden wij nog 17 mijlen af te leggen alvorens wij in Mount Abu, het doel van ons oponthoud, waren. Wij hadden naar het hotel getelegrafeerd om een automobiel aan den trein te zenden, om ons af te halen, doch in plaats daarvan stond er een zeer primitief wagentje, dat voor ons bestemd was. De automobiel was in reparatie, zoo heette het en daarom zond de hotelier een tonga. Het was een heel laag boerenkarretje, waarin wij weder van achteren met de beenen naar buiten moesten zitten. Er waren echter een paar vurige paardjes voor, die op dien afstand van 17 mijlen zesmaal werden verwisseld. De weg ging sterk naar boven—Mount Abu ligt ruim 1500 meter hoog—en het ging steeds door in galop. Het verwisselen van de paarden kostte geen minuut tijd: de koetsier lichtte even de stang op, de paardjes liepen dan van zelf uit het zadel en de nieuwe, die reeds klaar stonden, namen onmiddellijk hunne plaats in; zij werden even vastgemaakt en dan gingen wij weder verder. De tocht naar boven is zoo mooi en biedt zooveel bijzonders aan, dat vele reizigers, alleen om naar boven te gaan, een nacht hier overblijven. Ik zou er ook veel meer van genoten hebben, als het steil naar boven gaan het rijtuigje niet zoo sterk achterover had doen hellen, waardoor wij op onze achterbankjes steeds er op verdacht moesten zijn, om ons op onze plaatsen te handhaven. Toen wij ongeveer halfweg waren, zagen wij op eenigen afstand boven ons weder een geheel naakten man op één been staan. Zijn geheele lichaam was weder met heilige asch ingesmeerd. Heilige asch wordt gemaakt door het verbranden van koemest. Deze man stond daar op een rotspunt, met geen ander oogmerk dan zelfkastijding, want de weg wordt niet druk begaan en velen konden passeeren zonder hem op te merken. Hij deed het dus niet om bewonderd te worden, of om aalmoezen te krijgen. De koetsier vertelde ons, dat hij daar reeds in diezelfde positie stond, toen hij vier uren geleden met de tonga naar beneden reed.

Mount Abu is een druk-bewoond stadje. Door de hooge gezonde ligging zijn er vele scholen, waarin de kinderen van Engelsche ambtenaren onderricht ontvangen. Ook zijn er tal van sanatoria. Vele Maharatja’s hebben hier kasteelen, waarin zij een groot gedeelte van het jaar wonen.

Toen wij om half zes boven kwamen, stonden er reeds twee rickshaws voor ons gereed om ons naar een zeker punt te brengen, om den eenig mooien zonsondergang hier te aanschouwen. Eer wij nog goed wisten waar men ons heen voerde, waren zij reeds onderweg en keerden eerst om half acht huiswaarts. Morgen gaan wij hier de oude Jainstempels zien en dan morgennacht verder naar Jaipur.

16 Februari. Vóór wij vanochtend naar de Jainstempels gingen, lieten wij ons eerst door het stadje en naar het Gem-meer brengen, waaraan het stadje gelegen is. Toen wij aan het Gem-meer arriveerden, vroegen wij ons een oogenblik af, of wij niet in een sprookjeswereld verkeerden. Wonderschoon ligt dat meer daar, rondom door kunstig gevormde hooge rotsblokken omgeven, waarop hier en daar juist in deze omgeving passende kasteelen zijn gebouwd of ruïnes van oude tempels zich bevinden. Op verschillende punten van het meer kwamen de kleurig gekleede Mohammedaansche en Hindoesche vrouwen, met haar blank geschuurde koperen waterkannen op het hoofd, water halen. Tal van groote watervogels zaten op de rotspunten, die uit het ondiepe meer opstegen; olifanten, ossen en andere viervoeters kwamen er hun dorst lesschen en groote en kleine apen speelden aan den waterkant. Het was een plek om er een geheelen dag te vertoeven om het bonte leven gade te slaan.

Nergens vond ik ooit in mijn leven zooveel rotsblokken, die een diervorm vertoonen. Reuzenkikvorschen, leeuwen, olifanten, de kop van een ratelslang en nog meer zijn duidelijk in deze door de natuur gevormde rotsen te zien. Het verklaart een beetje de geest, die de Jains vroeger moet bezield hebben, toen zij aannamen, dat niet alleen al wat leeft een ziel heeft, maar ook boomen en planten, delfstoffen en mineralen. Daarin vindt ook hunne boom- en rotsvereering eene verklaring.

De Jainstempels zijn alleen een bezoek aan Mount Abu waard. Wij zagen er drie. Alle zijn in de elfde en twaalfde eeuw gebouwd. Zij zijn geheel van wit marmer en men beweert, dat het fijne beeldhouwwerk en de prachtige detailuitvoering ervan nergens in de wereld geëvenaard worden. Hier vonden wij voor al de Boeddha-beelden en voor de afbeeldingen van Parswanatha, de vrouw van Brahma en de godin der schoonheid, kwistig kruidnagelen als offerande gestrooid.

17 Februari. Om half vijf kwam de tonga gistermiddag reeds voor, om ons weder naar beneden te voeren, omdat de weg, die aan den eenen kant langs rotswanden, doch aan den anderen kant steeds langs een steilen open bergwand voert, waardoor men onophoudelijk een prachtig vergezicht geniet, in donker gevaarlijk is. Wij konden in het station nog iets te eten krijgen en wijl onze slaapwagen reeds gereed stond, konden wij er na het eten al vast gebruik van maken. Wij beiden lagen reeds in diepen rust toen wij om elf uur aangehaakt en met den sneltrein medegevoerd werden, die ons vanmiddag om één uur in Jaipur bracht.

Toen wij vanochtend ontwaakten, stond de trein stil in Ajmer, waar den reizigers gelegenheid gegeven wordt om te ontbijten. Vóór wij echter klaar konden komen om ons fatsoenlijk in het restaurant te vertoonen, zette de trein zich weder in beweging. Wij keken elkaar eens aan en troostten ons toen met ons een eigen ontbijt te prepareeren. Onze mand, die alles bevat om ons in zulke omstandigheden uit den brand te helpen, werd voor den dag gehaald, ons spiritustoestel in de badkamer in werking gesteld en met de thee, die wij in de theeplantage op Ceylon present hadden gekregen, een heerlijk kopje thee gezet, beter dan wij het in lang gedronken hadden. Met de biscuits, Haagsche beschuitjes en St. Nicolaasjes, die ons op de “Prinses Juliana” uit Holland waren gezonden, genoten wij een ontbijt, dat lekkerder smaakte, dan wat wij in het restaurant gemist nebben. Alles werd weder huiselijk afgewasschen en weggeborgen, om ons in tijd van nood weder te kunnen dienen.

Jaipur maakt een allerverrassendsten indruk. Het is de hoofdstad van Rajputana. In ’t midden van de stad woont de vorst van dat verheven land, met zijne duizend vrouwen, honderden bedienden en levende liefhebberijen. Het is de dwaaste stad, die men zich kan voorstellen. Alle straten zijn zoo breed en zoo goed geplaveid, dat men er in de grootste wereldstad naar zou watertanden. Alle huizen zijn hard-rose geverfd en zijn bijna zonder uitzondering grappig en bont beschilderd. De eenvoudigste hebben bloemschilderingen, het liefst bloempotten met een plant, die bloemen van verschillende kleuren, zelfs van geheel verschillende familie, bevatten. Bont opgetuigde olifanten, ossen en ezels zijn ook geliefde onderwerpen. De mooie en groote huizen vertoonen geheele geschiedenissen in prent gebracht in groote afmetingen op de muren. In de drukke straten ziet men allerlei vervoermiddelen zooals wij ze nergens hebben gezien. Heele karavanen kameelen en drommedarissen, alsof wij in Egypte zijn, loopen hier rustig naast volgeladen, mooi beschilderde olifanten en de apen loopen hier in de druk bevolkte straten, alsof zij er even goed als de menschen hunne boodschappen te verrichten hebben.

Jaipur levert voor ons weder een geheel nieuw gezicht, zooals wij nog nooit te voren gezien hebben, en dat ook met niets te vergelijken is. Om half vijf gingen wij vanmiddag naar het paleis van den vorst, die het op aanvrage van een toegangsbiljet voor vreemdelingen ter bezichtiging stelt. Even dwaas als de stad, even dwaas is ook dat reuzenpaleis. Het was meer vreemd dan mooi. Zoo ook de tuinen. Deze vorst is een groot liefhebber van vrouwen en dieren. Zooals ik reeds schreef, bezit hij duizend vrouwen; met drie er van is hij wezenlijk getrouwd, de 997 anderen zijn er maar, om hem in trieste oogenblikken wat op te vroolijken. Voor dat doel bezit hij ook een vijver met krokodillen en schildpadden, reuzenbeesten in hun soort, die allen zoo mak zijn dat de bedienden ze met een stuk rauw vleesch en door ze bij hun naam te noemen en een liedje te zingen, alle op het droge kunnen laten komen. Maar de grootste afleiding zoekt de vorst in het temmen van panters en tijgers, waarvan hij er eenige dozijnen bezit, die nu en dan, als hij op zijn staatsie-olifant, of staatsie-kameel een wandeltochtje onderneemt, met hem mede mogen wandelen, losjes aan een koord vastgehouden. Er was in dat kasteel en in die tuinen van alles te zien. Zelfs de 120 uit sandelhout gemaakte en met zilver belegde kisten, die alle als reiskoffers medegaan, wanneer zijne excellentie naar Engeland of ergens anders in Europa reist. Maar als men bedenkt, dat deze vorst een Hindoe is, en niets mag eten wat door iemand die geen Hindoe is, is aangeraakt, en hij dus al zijn voedsel en de gereedschappen waarin het bereid en opgediend moet worden, moet medenemen, dan zijn 120 zulke groote kisten nog niet zoo heel veel.

Toen wij tegen het vallen van den avond uit het paleis naar buiten kwamen, en nog eerst met het rijtuig de drukbevolkte straten van de stad doorgingen, toen leken al die framboze-ijs gekleurde huizen in de avondschemering alsof zij van albast waren en de feërique bevolking bracht mij Pierre Loti’s uiting over schilderachtig Jaipur te binnen: “tout l’Orient des féeries, processionnant à grand spectacle dans l’imaginable cadre de camaieu rose”.

18 Febr. Wij waren vanochtend reeds vroeg op weg om een bezoek te brengen aan Amber, op 8 mijlen afstand van Jaipur. Amber, de oude hoofdstad van Jaipur, bezit een prachtig paleis en levert een prachtig vergezicht over een groot deel van Rajputana, zoodat de vorst, toen hij nog daar woonde, bijna zijn geheele gebied overzien kon. Amber is nu grootendeels verlaten, het mooie marmeren kasteel, veel mooier en smaakvoller dan wat de vorst nu bewoont, staat leeg en doet alleen nog dienst om het door vreemdelingen te laten bewonderen. Zes mijlen van dezen weg kan men in een geciviliseerd rijtuig afleggen, maar de twee laatste mijlen moet men afleggen boven op een olifant. Vroeger werden deze lieve beestjes door den vorst voor de vreemdelingen beschikbaar gesteld; aan den voet van den bergtop, waarop Amber met zijn mooi paleis gebouwd is, stonden zij den reizigers dan het eerste welkom toe te balken; tegenwoordig moet men voor dit vervoermiddel, als voor anderen, betalen. Maar een olifantsrug is breed en kan een massa dragen. Met twee andere Engelsche dames in het hotel waren wij overeengekomen, samen zoo’n lief dier te huren. Nadat het zich netjes op zijn buikje had neergevleid, door eerst de achterpootjes naar achter uit te strekken, daarna zijn voorpootjes te buigen, werd er een ladder bij zijn body geplaatst en klommen wij zoo een voor een naar boven. Dat was heel niet moeilijk; wij zaten er als branies; maar toen het beestje daarna probeerde zijn beentjes weder recht onder zich te trekken en daarbij sterk naar achter en naar voren overhelde, konden wij toch eenige vrouwelijke gilletjes niet onderdrukken. Lezers, als gij nog nooit vier mijlen op den rug van een olifant hebt afgelegd, dan kan ik u moeilijk uitleggen, welke gewaarwordingen zoo’n rijtoer verwekt. Ik had achterna een heelen tijd noodig om al mijne inwendige organen eerst weder op hun gewone plaats te krijgen, ik had het gevoel alsof er niet één zat waar het wezen moest. Ik ben moedig genoeg, maar toch geloof ik, dat door deze schudding mijn hart een beetje naar der schoenen kant gezakt was.

Maar het bezoek aan het kasteel met zijn prachtige vergezichten was zoo loonend, dat wij ook onzen olifantentocht er voor over hadden. Hier in het hartje van Britsch-Indië, waar de bevolking een geheel andere is dan in het zuidelijk deel, komt ons de Hindoe-bevolking lang niet zoo weerzinwekkend voor. Dit is een veel flinker ras menschen, goed gebouwde mannen en vrouwen, die werken. Door de groote schaarschte aan water in de geheele omgeving heeft het volk zich steeds meer door nijverheid dan door landbouw en veeteelt gehandhaafd. De Jaipur-industrie, door geheel Indië bekend, heeft een groote hoogte bereikt. Vooral de geweven tapijten en gordijnen, het geëmailleerde goud- en zilverwerk, en het geciseleerde koperwerk zijn artistiek en in vergelijking van wat men voor zulk werk in andere landen zou moeten betalen, zeer billijk. Wij zagen verschillende werkplaatsen, waar dit werk werd uitgeoefend en waar.... o, schrik... kinderen van zes, zeven en acht jaar, allen bleekneuzige, holoogige jongetjes, werkzaam waren.

Van de naïeviteit der Hindoes moet ik toch even een staaltje vertellen. Wij passeerden een Hindoetempel en hoorden daarin zingen, mooier en anders dan wij van de Hindoe’s gewoon zijn te hooren. Al lang heb ik opgemerkt, dat alles hier een beteekenis heeft; zoodra ik iets hoor of zie waarvan ik niets gehoord of gelezen heb, vraag ik daarom de beteekenis daarvan. Wij waren den tempel binnengegaan, denkende dat er misschien dienst was, doch vonden er alleen één zingenden man. Ik vroeg wat die man daar deed en kreeg ten antwoord: “Zingen”. Ik zei dat ik dat wel hoorde, maar hij was alleen in den tempel, voor wien zong hij dan? “O”, was ’t antwoord, “hij is niet alleen, Siwa is daar; deze man is door de geloovigen aangesteld, omdat hij zoo mooi zingt, elken dag twee uur in den tempel te zingen om Siwa te amuseeren.” O, heilige onschuld.

Wij zagen vandaag weder verschillende mannen op straat zichzelf kastijden of in heilige overpeinzing onder een boom zitten.

De Maharatja van Jaipur wordt geroemd om zijne vrijzinnige denkbeelden. Hij doet verschillende dingen om zijn onderdanen te ontwikkelen. De zoölogische tuin en het museum van oudheden en hedendaagsche kunst en nijverheid, die voor elkeen openstaan, worden zeer druk door de Jaipursche bevolking bezocht. Het museum vooral is zeer interessant door zijn mooie verzameling oud-Indische kunst. In de school van schoone kunsten, die wij ook even een bezoek brachten, waarin de leerlingen ook alle onderricht, vrij van schoolgeld, ontvangen, wordt getracht de Jaipursche nijverheid weder op de hoogte te brengen waarop zij vroeger stond. Door voor de markt te gaan werken was zij in de laatste jaren sterk achteruit gegaan.

Hoewel wij nog gaarne een paar dagen in Jaipur waren gebleven, ook omdat het klimaat hier koel en aangenaam is, meenden wij toch ons verblijf niet langer dan twee dagen te mogen rekken. Daarom vertrekken wij nog heden, den 19en Februari, naar Agra, de trots van geheel Indië.

Van Agra tot Delhi.

21 Febr. Sedert twee dagen zit ik nu in Agra, de stad waarvan ik, zoolang ik in Indië ben, heb hooren gewagen. Bij elke goed- of afkeuring over ’t geen ik hier zag, bij elke waardeering van het een of ander, of geringschatting van iets anders, gaf iedereen, die in Indië bekend is, er gereisd heeft, steeds tot antwoord: “Wacht tot ge in Agra komt”. Mijne verwachting was dus hoog gespannen, de boeken, die ik er over gelezen had, hadden die spanning niet weinig verhoogd, ik vreesde derhalve zeer voor eene teleurstelling. Teleurgesteld ben ik echter niet.

Fort in Agra.

Fort in Agra.

De stad zelf, met ongeveer 20.000 inwoners—liefelijk aan de Jumna-rivier gelegen—is een niet zeer opvallende Indische stad. Maar de paleizen, moskeeën, graftomben en vooral en bovenal de Taj Mahal, geven haar eene bijzondere beteekenis.

De Taj Mahal is een wereldberoemd Mausoleum, dat door sommige schrijvers het fijnste en best uitgevoerde architectonisch kunstwerk wordt genoemd, door anderen als het prachtigst Mausoleum van de wereld wordt beschreven. Het was in 1652 voltooid, nadat er gedurende 22 jaren door 20.000 arbeiders aan gewerkt was. Met dat kunstwerk werd het hoogtepunt van kunstuiting in Indië bereikt. Voorafgaand daaraan was in Agra het nog steeds beroemde fort en daarin gelegen paleis, het Paleis van Akbar, voltooid. De van 1628 tot 1658 regeerende vorst, Shah Jehan, wilde zijn meestgeliefde vrouw, Arimand Banu, bijgenaamd Mumtaz-i-Mahal, (de trots van het Paleis), bij haar leven een graftombe schenken, zoo mooi en zoo kostbaar, als nergens in de wereld bestond. Daarin wilde hij, na zijn dood, alleen met haar rusten. Als Mohammedaansche vorst bezat hij meerdere vrouwen. Nog vóór het voleindigd was, stierf de vrouw in het kraambed van haar achtste kind. Haar lijk werd zoo lang naast de tombe bewaard, tot die gereed was.

Hoewel men het geheele kunstwerk, dat zich hoog boven zijne omgeving verheft, den geheelen weg over, als men er heen rijdt, voor zich ziet, en het zoo de aandacht trekt, dat men geen oog heeft voor den mooien weg, die er heenvoert, staat men toch op het oogenblik, dat men aankomt en het geheele gebouw door de prachtige poort voor zich ziet, langen tijd ademloos. Daar staat het in al zijn pracht en grootheid en het effect is overweldigend. Het zuiver-wit marmer, waaruit het geheel is samengesteld, komt machtig mooi uit tegen den blauw-azuren hemel en ’t groen van de pijnboomen, die ’t op eenigen afstand omgeven. Zoo van verre ziet men nog niets van de détailuitvoering, als fijn kunstwerk uitgevoerd, en van de schittering en verscheidenheid der ingelegde juweelen. Alles is in harmonie met het fijne, witte marmer, waarin het is uitgevoerd. Hoewel aan dit kunstwerk niets gespaard is, wat de waarde er van verhoogen kon, krijgt men toch geen oogenblik den indruk, dat het overvoerd is. De kosten ervan worden op 31.000.000 rupees geraamd. Zooveel geld voor een graftombe kon natuurlijk alleen besteed worden in een tijd, waarin de vorst van zoo’n land een jaarlijksch inkomen genoot, grooter dan dat, wat jaarlijks in de Britsche schatkist binnenkomt, een inkomen, waarvan hij geen kostbaar leger en nog kostbaarder vloot had te onderhouden, waarvan niets afging voor onderwijs of voor andere sociale doeleinden. In den democratischen tijd, waarin wij thans leven, kunnen zulke kunstproducten niet meer worden gebouwd. De menschen, die thans over zoovele millioenen hebben te beschikken, bouwen zich op andere wijze graftombes, waardoor zij zich eveneens onsterfelijk maken, doch waarvan op andere wijze door de navolgende geslachten genoten wordt. Een graftombe, zooals Carnegie, in Amerika, zich bij zijn leven bouwt, of een zooals Nobel, in Zweden, zich na zijn dood oprichtte, valt meer in onzen geest en is meer in overeenstemming met den tijd, waarin wij leven.

Gouden Paviljoen in Agra.

Gouden Paviljoen in Agra.

Hoewel ik met de Taj Mahal (wat niets anders beteekent dan de graftombe van Mahal) dezen brief begon, is toch het fort met het zich daarin bevindende Paleis van Akbar en de Paarl Moskee in Agra niet minder belangrijk en bewonderenswaardig. Het geheele fort is in rood zandsteen opgetrokken. Dit fort met paleis en moskee werd door Shah Jehan’s voorganger, den Molog Akbar, gebouwd.

De Paarl Moskee, die haar naam ontleent aan de in haar soort volmaakte schoonheid, dankt die schoonheid vooral aan de harmonie, waarin het geheel is uitgevoerd en het prachtige materiaal wat er voor gebruikt werd. Hoewel alle moskeeën een zekere gelijkheid vertoonen, is toch deze, geheel uit marmer gebouwd, door zijn sobere décoratie en zijne volmaakte lijnen, iets geheel bijzonders.

De “Taj Mahal” in Agra.

De “Taj Mahal” in Agra.

Ook het paleis van Akbar, Mogol Akbar beteekent de groote vorst, met zijn Jasmijntoren, zoo genaamd om de jasmijnbloemen, die op den geheelen toren, van boven tot onder zijn aangebracht; zijn Gem-moskee, een moskee, waarin alleen de koning en zijn liefste vrouwen mochten komen, om te bidden; zijn spiegelpaleis, een zaal waarin de vrouwen van den koning zich vermaakten en dat geheel met spiegelglas ingelegd is; de badkamers van den vorst en die zijner vrouwen, waarin het geurigste rozenwater door glazen pijpen binnenstroomde; het gouden paviljoen en nog zoovele bijzonderheden meer, houden den bezoeker een geheelen morgen in spanning. Meer dan dat, men zou hier weken willen vertoeven om er elken dag eenige uren te kunnen verwijlen.

Nadat men het paleis van Akbar, de paarl-moskee en de Taj Mahal gezien heeft, moet alles tegenvallen wat men verder hier te bezichtigen krijgt. De Vrijdag-moskee, schoon in haar soort, waar elken dag vele, doch Vrijdags talloos velen van de hier wonende Mohammedanen zich in allerlei lichaamskrommingen op den grond werpen om op hunne wijze hunne dankbaarheid voor het genotene in het leven uit te drukken en om te bidden voor meer, was nu het bezichtigen niet waard. Onwillekeurig maakt men een vergelijking bij het even te voren genotene en dan valt alles tegen.

Toen wij tegen den avond huiswaarts keerden, zagen wij op een dak een paar opgesmukte, van bordpapier of iets dergelijks vervaardigde reuzenpaarden. Goud- en zilverpapier, rood, groen en geel gekleurde ornamentage bracht een schitterend effect teweeg. Op één van de paarden zat een houten mannetje, op een ander een dito vrouwtje. Spoedig daarna passeerden wij eene woning, waar in plaats van paarden, een paar dito gefabriceerde en opgesmukte olifanten stonden. De koetsier deelde ons mede, dat dit teekens waren, dat in beide woningen een Hindoe-bruiloft plaats vond. Kort daarna passeerde ons, of liever wij passeerden een optocht van vele mannen, van trommelslag en blaasmuziek begeleid, met in hun midden een 7- of 8-jarig jongetje op een armoedig wit paard. Paard en jongen waren ook erg met groote lappen en klatergoud behangen, het kleine ventje had zelfs een goudpapieren kroon op zijn hoofd. Hij was de bruidegom die naar het huis van zijne bruid geleid werd. Wij gaven den koetsier order dezen stoet stapvoets te volgen. Voor het huis met de bordpapieren olifanten hield de optocht stil. De bruidegom werd van het paard getild, hem werd een soort zwaard in de hand gedrukt—het was misschien ook van papier—en daarmede moest de jonge held een stuk hout doorhakken om in de woning van zijne bruid te kunnen komen. Het stuk hout viel reeds in twee stukken nog voor hij ver genoeg was om het te kunnen aanraken. Hij had nu de veste veroverd waarachter zijne bruid verborgen was en mocht haar in zijn bezit nemen. Het werd ons veroorloofd binnen even een kijkje te nemen. Het bruidje was ongeveer 6 jaar, precies weten de Hindoe’s hun leeftijd nooit op te geven, zij was even zoo mooi en bont aangedaan als haar toekomstige heer en meester. Zoo’n Hindoe-bruiloft duurt vele dagen lang en gaat met tal van formaliteiten gepaard. Als alles afgeloopen is keert bruidegom en bruid elk naar hun eigen ouderlijk huis terug en vangt het kinderleven weder aan alsof er niets bijzonders met hen heeft plaats gegrepen. Deze kinderen, met hunne groote zwarte oogen, die veel grooter en zwarter lijken dan zij in werkelijkheid zijn door de brutaal zwart geverfde oogleden en wimpers, beseffen natuurlijk volstrekt niet, dat daar door hunne moeders—het zijn meestal de moeders die de huwelijken bekonkelen,—over hun geheel toekomstig leven is beschikt. Het bruidje moet nu voortaan de helft van het jaar bij hare schoonmoeder doorbrengen om die als eene slavin te gehoorzamen. Zoodra zij huwelijks-fähig is, hebben er nieuwe ceremoniën en feestelijkheden plaats, dan wordt zij in werkelijken zin uitgehuwelijkt en behoort den jongen man toe.

22 Febr. Gisteravond ontmoetten wij in de eetkamer mr. en mrs. Sydney Webb uit Londen, met wie wij overeenkwamen, dezen dag gezamenlijk door te brengen. Wij spraken af gezamenlijk naar Fatehpur-Sikri te gaan. Wij huurden een automobiel en vertrokken vanochtend om 8 uur van hier. Fatehpur-Sikri beteekent de stad van Victorie, doch is inderdaad een verlaten stad. Zij ligt op 23 mijl afstand van Agra.

Fatehpur-Sikri. Verlaten stad in de nabijheid van Agra.

Fatehpur-Sikri. Verlaten stad in de nabijheid van Agra.

De geschiedenis van deze stad luidt in het kort: Ruim 300 jaar geleden werd zij door de grootste mogol van Indië, Mogol Akbar, de voorganger van Shah Yehan, gebouwd. Vorst Akbar verkeerde in groote droefheid door den dood van zijne tweeling-kinderen, die zijn liefste vrouw Mariam Zamana hem geschonken had. Op een dag kwam hij door het armoedige dorp Sikri, waar een beroemde Mohammedaansche priester, Sheik Salim Chisti, in groote afzondering leefde. De vorst vroeg dezen priester raad hoe hij aan een troonopvolger kon komen en de priester antwoordde: “Kom en leef in Sikri”. De vorst volgde dien raad op en negen maanden later beviel Mariam van een zoon. Uit dankbaarheid maakte Akbar toen Sikri tot de hoofdstad, bouwde er een prachtig fort, een ongeëvenaard koninklijk paleis, een paleis voor Mariam en paleizen voor zijne andere vrouwen, een prachtige moskee, een hospitaal, scholen, woningen voor zijne bedienden, kortom alles wat een wijs en vooruitstrevend en artistiek aangelegd man, die onbegrensd over geld en arbeidskrachten te beschikken had, maar kon bedenken en noodig vond. Na 17 jaren, even vóór het geheel voleindigd was, verliet hij dit lustoord weder. De geschiedenis zegt, dat de ware reden waarom Akbar Fatehpur-Sikri verliet, nooit aan iemand is medegedeeld geworden. Sommigen gissen, dat het om gezondheidsredenen was, door gebrek aan goed water; anderen meenen, dat de heilige Sheik te veel gestoord werd in zijne heilige overpeinzingen door de rumoerige en overdadige feesten aan het hof van Akbar. Hoe het zij, thans verrijst daar midden op een groot plateau, ver boven zijne omgeving uitstekende, als het ware midden in de wildernis, een volmaakte stad, waarvan elk deel nog een bezoek overwaard is, een stad die thans geheel is verlaten. Alleen onder aan den voet van den berg zijn nog enkele huisjes door eene armoedige bevolking bewoond, die voornamelijk leven van den afval der bezoekers. Den geheelen dag brachten wij in die stad in gezelschap van die twee interessante kennissen uit Londen door en keerden ’s avonds dood vermoeid, doch zeer voldaan over onzen dag, huiswaarts.

24 Februari. Wij hebben een paar vermoeiende dagen achter den rug. Reeds vroeg zaten wij gistermorgen in het rijtuig, omdat wij, alvorens Agra te verlaten, eerst een bezoek wilden brengen aan het Mausoleum, dat koning Akbar voor zichzelf en zijne vrouwen gebouwd had. Hij, de groote vorst, ontegenzeggelijk de meest bouwlievende en artistieke man van zijn tijd, die gedurende zijn leven eerst een heele stad bouwde, een stad die thans nog om haar schoonheid en architectonische waarde algemeen geroemd wordt, die daarna deze stad verliet en zich in Agra een fort en daarbinnen paleizen en een moskee liet bouwen, eenig mooi in alle détails, die had natuurlijk ook een mausoleum gebouwd, dat de bezichtiging waard was. Even voorbij het dorpje Sikandra, op zes mijlen afstand van Agra, verheft zich het reeds in de verte schitterende Mausoleum. Rondom, op grooten afstand, is het door een rood zandsteenen, geheel opengewerkte muur omgeven, waarin op vier tegenover elkaar liggende zijden vier koninklijke poorten toegang geven tot het terrein, waarin de overblijfselen rusten van den grooten man en van de vrouwen die hij lief had. De graftombe is in drie hooge etages gebouwd, elke etage geeft een uitzicht, dat hoe hooger men komt steeds grootscher wordt, over de geheele omgeving. De koning moet hier zeker gedurende zijn leven veel en gaarne vertoefd hebben. Het geheel is ook weder uit rood zandsteen opgebouwd, doch geheel met wit en geel marmer ingelegd, wat een zeer mooi effect geeft. De ronde daken van de verschillende domes (ik weet niet of dat het meervoud is van dome), zijn alle met paarlemoer ingelegd, wat beschenen door de Oostersche zon, een schitterend kleureffect geeft. De kleine moskee, die hier bij een mausoleum nooit ontbreekt, is een juweel van eenvoud en schoonheid. Het geheele groote terrein buiten is nu met eeuwenoude waringinboomen begroeid en daartusschen bloeien en groeien nu een ontelbare menigte oranjeboomen, die aan de geheele omgeving kleur en geur geven. Wij kwamen juist in het hotel terug om gauw de bagage op te laden en meteen naar het station te rijden, waar de trein voor Gwalior reeds gereed stond.


Gwalior was eigenlijk niet in onze reisroute opgenomen, onze rondreiskaart loopt ook niet over dit deel van Indië. Het is een der vorstendommen en ligt geheel in het centrum van het land. Wij hadden Agra wat vlugger afgewerkt dan wij ons hadden voorgenomen en wilden den dag dien wij daardoor wonnen voor dit uitstapje gebruiken. Gaarne zouden wij op deze spoorlijn nog wat verder zijn gegaan om een der andere vorstendommen, Bhopal, te bezoeken, dat sedert ongeveer een eeuw steeds door eene vorstin geregeerd wordt. De Begum of Bhopal (Begum beteekent vorstin), die het bewind in handen heeft, wordt als zeer verstandig en zeer vooruitstrevend geroemd. Zij was reeds verscheiden keer in Europa, bezocht dan niet alleen Engeland, maar ook Italië, Frankrijk en Turkije en gaf over hare Europeesche reizen eenige zeer belangrijke boeken uit. Over hare laatste reis naar Engeland, tijdens de kroning van koning George, schreef zij eenige tijdschriftartikelen, waarin zij niet nalaat met veel enthousiasme te schrijven over den laatsten grooten optocht van de Engelsche vrouwen, ter verkrijging van vrouwenkiesrecht.

Als monarch is zij natuurlijk gekant tegen elk recht der burgers om invloed uit te oefenen op de wijze waarop een land geregeerd wordt, maar zij is van oordeel, dat overal waar dit recht aan mannen gegeven is, men het den vrouwen niet mag onthouden. Mrs. en mr. Sydney Webb, die eenige dagen haar gasten waren, vertelden ons zeer veel van haar. Maar een bezoek aan Bhopal zou voor ons alleen waarde hebben als wij met de vorstin in aanraking konden komen en hoewel dat zeer gemakkelijk tot stand was te brengen door de introducties die wij bezitten, is de tijd die dit alles in beslag neemt te lang om ons dit te vergunnen. Het begint reeds overal zeer warm te worden, midden op den dag is het buiten reeds bijna ondragelijk. Willen wij voor Calcutta en van daar voor Rangoon het niet veel te heet vinden, dan moeten wij hier en daar onze reis bekorten en nergens langer blijven dan strikt noodig is.

Om vier uur kwamen wij in Gwalior aan, de stad die den naam van den staat draagt. De trein voerde ons door een zeer barre streek, die nog vol leeuwen en tijgers en andere wilde beesten is. Voor Engelsche sportliefhebbers die hier in den jachttijd veel zijn, om van te watertanden. De leeuwenjacht is ook een groote liefhebberij van den tegenwoordigen Maharatja. Tot voor korten tijd waren de toeristen die Gwalior bezochten en eene introductie van eigen consul konden vertoonen waarin wordt verteld, dat zij behooren tot de “distinguished” mannen of vrouwen van hun land, de gasten van den vorst van Gwalior. Deze had, toen koning Edward in 1876 hem als prins van Wales bezocht, een mooi gebouw laten zetten, waarin de Engelsche koningszoon met zijn gevolg kon wonen, zoolang hij in Gwalior vertoefde. Sedert dien tijd gebruikte de vorst dit gebouw om zijne gasten, toeristen met eene aanbeveling, te herbergen. De tegenwoordige jonge vorst heeft er echter een gewoon hotel van gemaakt met een Europeeschen manager aan het hoofd, waarin nu elke toerist voor acht rupees per dag een buitengewoon goed onderkomen en een uitstekende tafel vindt.

Vanwege het mooie, sterke fort, dat nu evenals andere forten die wij hier zagen, voor het Engelsche leger gebruikt wordt, wordt Gwalior het Gibraltar van Indië genoemd. Doch daarover later.

Nadat wij ons door een goed kop thee verfrischt hadden, begaven wij ons onmiddellijk op weg om voor het te donker werd nog het een en ander te zien. Het eerst reden wij door den mooien tuin, waarin ook het hotel is gelegen van den Maharatja en kwamen zoo voor zijn mooi nieuw paleis. Wij lieten het rijtuig stil houden om het geheel beter te kunnen overzien en direct kwamen er acht verschillende bedienden uit het paleis snellen, waarvan één, aan zijne kleeding te oordeelen, de voornaamste, ons met velerlei eerbiedige buigingen, in een onverstaanbare taal, de Hindoestansche taal, aansprak. Ik gaf hem te beduiden, dat wij geen Hindoestani verstonden en vroeg of er niet iemand was die Engelsch of Fransch sprak. Na korten tijd kwam er een jonge man uit ’t paleis, meer of min Europeesch gekleed, die als tolk kon dienen. Ik vertelde hem, dat wij vreemdelingen waren, veel van den Maharatja gehoord hadden en heel graag zijn paleis wilden zien. Toen dit aan de bedienden vertolkt was, snelde een naar binnen en kwam spoedig daarna terug met het bericht, dat wij welkom waren. Wij zagen echter den Maharatja niet, wel zijn enorm groot, nieuw paleis, dat half Oostersch, half Europeesch in constructie en meubileering is. Het geheel verraadde goeden smaak en de beschikking over een zeer groot inkomen. Toen wij het paleis gezien hadden, sprong een der bedienden naast den koetsier op den bok en bracht ons rond. Eerst naar de stallen, waar een keur van mooie Arabische en Australische paarden stond; toen naar de 20 olifanten, waarvan een eenige dagen geleden de gelukkige moeder van een lieftallige spruit was geworden. Het jonge olifantje, even schalksch en speelsch als alle jonggeborenen, zag er zoo snoezig uit, dat ik het haast als een schoothondje zou hebben geliefkoosd, maar de jaloersche moeder liet een al te nauwe aanraking met haar kind niet toe. Daarna bracht de bediende ons naar den rozentuin en naar de allée, waarin de vorstin het liefst rondrijdt. Ook nu ontmoetten wij haar in haar rijtuig, doch de gordijntjes waren neergelaten, zoodat wij alleen konden zien, dat er twee dames in dat rijtuig zaten. Deze arme vorstin is op het oogenblik diep te beklagen. Zij is kinderloos. De vorst, die een troonopvolger moet hebben, voelt zich verplicht een tweede vrouw te nemen in de hoop daarbij kinderen te krijgen. Binnen eenige weken zal de dochter van den vorst van Baroda zijn tweede vrouw worden.

Deze vorst, Maharatja Sir Madeno Rao Sindhia staat als een ontwikkeld en vooruitstrevend man bekend. Hij doet veel voor de ontwikkeling van zijn volk. Er zijn in zijn rijk staatsscholen voor elementair en vakonderwijs, waarin het onderwijs gratis gegeven wordt. Wij zagen een school voor technisch onderwijs, waarin de leerlingen in smidswerk, goud- en zilverwerk, weven, horlogemaken en in andere vakken onderwezen worden. Wij zagen hier ook een gevangenis. Dit gebouw en de wijze waarop de 500 gevangenen er behandeld worden, heeft al de verschrikkingen van dit soort inrichtingen verloren. Ik had hier gaarne langer vertoefd en van een der hoofdpersonen meer bijzonderheden vernomen, doch wij kwamen reeds laat in den middag aan en hadden geen tijd te wachten tot de directeur ons te woord kon staan. De gevangenen waren nergens opgesloten in cellen, het waren allen frissche open ruimten, waarin licht en lucht vrijen toegang hebben. Alle gevangenen werkten. Het voornaamste bedrijf, dat zij leeren en daar tot een wonderbare hoogte uitvoeren is het maken van tapijten, een soort Smyrna-tapijten. Een der gevangenen leest hardop het patroon af en vijf of zes gevangenen die allen hetzelfde patroon verwerken, zeggen ’t na onderwijl zij uitvoeren wat de eerste opgelezen heeft. Zoo wordt voorkomen, dat er onderling gesprekken gevoerd worden, terwijl toch allen hunne stemmen kunnen laten hooren. Geen veroordeelde verlaat de gevangenis die niet grondig dit vak heeft leeren beoefenen. Ook allerlei andere vakken worden er onderwezen en in praktijk gebracht.

Vanmorgen waren wij reeds om 7 uur op weg om het beroemde fort van Gwalior met de zich daarbinnen bevindende paleizen, tempels, moskeeën, en andere oudheden te zien, die hier reeds van de 9e en 10e eeuw dateeren. Voor dit doel moesten wij weder van olifanten als vervoermiddel gebruik maken, die nog steeds door den vorst gastvrij ter beschikking van de reizenden worden gesteld. Wij waren nu reizigsters met ondervinding en oefening in dit vervoermiddel en maakten met meer gerustheid van dit rijpaard gebruik, hoewel de gevolgen voor maag en ingewanden vrijwel dezelfde bleven als bij den eersten keer. Het merkwaardigste, dat wij dezen morgen zagen waren de in de rotsen uitgehouwen afgodsbeelden, enkele van 15 tot 20 meter hoogte.

Straat in Delhi.

Straat in Delhi.

Maar ook de stad was zeer de bezichtiging waard en gaf ons opnieuw een beeld van de wijze, hoe de welgestelde Hindoes en Mohammedanen vroeger hun welstand ten toon spreidden. Ik kan daarover echter nu niets vertellen, want het is middernacht. Ik zit nu in Delhi, en ik verlang naar mijn bad en bed.

Van Delhi tot en met Lucknow.

25 Februari. Delhi, eens de hoofdstad van Indië, waar de Mohammedaansche regeering gevestigd was, en dat thans weder tot hoofdstad en zetel der tegenwoordige regeering verheven, is; Delhi, waar reeds drie keeren eene koninklijke Durbar is gehouden en dat slechts twee maanden geleden alle Indische vorsten met hunne vrouwen en gevolg, benevens duizenden belangstellenden en nieuwsgierigen heeft geherbergd; Delhi, dat in de Indische en Britsch-Indische geschiedenis zoo’n groote rol speelt en waar in 1857 de muiterij, die zoovele Engelschen het leven kostte, haar oorsprong nam; die stad had bij ons verwachtingen gewekt, waaraan Delhi niet heeft beantwoord. Wij dachten hier het culminatiepunt van Indische grootheid en belangrijkheid te zullen vinden, maar hierin zijn wij teleurgesteld.

Delhi is op het oogenblik niets anders dan een klein, vuil stadje, waarvan de Britten zullen trachten een stad van beteekenis te maken. Voor den gewonen toerist bezit het fort met de zich daarbinnen bevindende tempels, het paleis en de moskeeën de grootste aantrekking, doch dit was heden niet te bezichtigen, omdat het Zondag is. Wij begonnen daarom onzen dag met een rit door de stad en omgeving. De stad en omgeving bieden vooral den Britten vele historische bijzonderheden. Overal vindt men nog overblijfselen van den grooten opstand, een halve eeuw geleden. Oude tempels zijn toen ten deele verwoest, graftomben van vorsten en heiligen tot ruïnes gemaakt, machtige paleizen naar den grond gehaald. Neemt men de moeite om tot op den top van den “herinneringstoren aan de muiterij” te klimmen, dan overziet men het geheele veld, waar de opstand plaats vond en waar de slachtoffers grootendeels zijn gevallen. Deze herinneringstoren steekt sterk af bij de Kutab Minor, ook een herinneringstoren, den toren van victorie, 900 jaren geleden door de Mohammedanen gebouwd uit de steenen van verwoeste Hindoe-tempels, om hunne overwinning te vereeuwigen. De Kutab Minor, zoo indrukwekkend door zijn hoogte en elegantie, wordt beschreven als de schoonste in zijn soort in de geheele wereld. Een mijner boeken over Indië noemt het de zuiverste uitdrukking van krijgshaftige energie, evenals de Taj Mahal het symbool is van liefde en hartstocht, en de graftombe van koning Akbar majesteit en wijsheid uitdrukt,

De Delhi-poort in Delhi.

De Delhi-poort in Delhi.

Den geheelen weg over naar Kutab Minar, waar wij vandaag ook een bezoek brachten, is als bezaaid met overblijfselen van moskeeën en graftomben. Een paar bezichtigden wij nauwkeurig, maar voor het meerendeel hadden wij geen oogen meer. Wij zijn voorloopig over-verzadigd met deze dingen en alleen indien het fort ons morgen iets zeer bijzonders op dit gebied te genieten geeft, zullen wij in staat zijn het nog in ons op te nemen.

Met veel belangstelling zagen wij echter vandaag de plaats waar koning George in December j.l. aan alle personen van positie en rang in Indië audientie verleende, waar de duizenden en nog eens duizenden bezoekers in Delhi in tenten ondergebracht waren, waar alle Indische vorsten en de Begum van Bhopal allen met hun gevolg en olifanten en ander gedierte ieder hun afzonderlijk kamp hadden; hoe de ontelbare massa door dit kleine stadje, dat weldra een groote stad zal worden, gevoed en van water voorzien werd, en waar de koning en de koningin gehuisvest waren. Dat na afloop van de Durbar vele van de bezoekers ziek werden, verwondert ons, na hetgeen wij zagen, niet.

26 Februari. Vóór ik over vandaag ga schrijven, wil ik even de beteekenis van het woord Durbar geven. Er kunnen onder de lezers mijner brieven enkelen zijn, die even dom zijn als ik was, toen ik het woord voor ’t eerst hoorde en naar de beteekenis moest vragen. Het geleerde woord beteekent niets anders dan eene groote openbare officieele receptie; het wordt meestal alleen gebruikt wanneer het een koninklijke receptie betreft.

Vandaag zagen wij van 9 tot 2 uur het fort en alles wat in Delhi meer de moeite van een bezoek loont. Binnen het fort is vooral het paleis, door Sjah Jehan gebouwd,—denzelfde, die ook de Taj Mahal bouwde—schitterend schoon. Die man paarde aan een artistieken smaak en lust om dien aan de wereld te toonen, ook de financieele macht om het te kunnen uitvoeren. Dit kasteel van wit marmer, geheel met kleurig bloemwerk ingelegd, waarvoor hij honderden werklieden uit Florence liet overkomen, is eenig in zijn soort. De private audientiezaal is zoo weelderig met goud en juweelen ingelegd en de pauwhaantroon, die thans in het museum in Kensington is, moet zoo overweldigend mooi zijn, dat de zoon van Sjah Jehan dacht, dat zijn vader krankzinnig was en hem daarom, toen dit alles voleindigd was, in zijn kasteel in Agra gedurende 7 jaren gevangen hield. Daar stierf de kunstlievende man in een van de torens, die hem uitzicht gaf op zijn grootste meesterwerk, de Taj Mahal. Deze gunst, om stervende dit werk van zijn geest voor oogen te mogen hebben, was de eenige, die hij zijn zoon in die 7 jaren gevraagd heeft.

Over de moskeeën en andere architectonische kunstgewrochten wil ik niet meer schrijven; Britsch-Indië biedt op dit gebied den bezoekers een onuitputtelijken voorraad, de grootste verscheidenheid en de hoogste kunstuiting aan.

Na de tiffin, zoo noemt men hier de lunch, gingen wij nog een paar uur in het stadje om wat winkels te bezichtigen en het ivoorsnijwerk, wat hier dezelfde kunsthoogte als in Japan bereikt heeft, te zien vervaardigen. Naderhand gingen wij, zooals wij in elke stad gewoon zijn te doen, naar een winkel, waar goede fotografieën van alle bezienswaardigheden te koop zijn. Ik had reeds eene goede collectie uitgezocht, toen ik den winkelier vroeg, of hij ook fotografieën van de bijzondere inboorlingen had. Eerst gaf hij mij toen een pak fotografieën van de mannen en vrouwen alhier in hun verschillend beroep of met verschillend huishoudelijk werk bezig, toen een groot pak met de portretten van alle regeerende Indische vorsten en van vele hunner vrouwen en toen.... de portretten van alle goden. Niet alleen waren Brahma, Vishnu, Siwa, Kreshna, enz. enz., niet als foto’s van afgodsbeelden maar als portretten van menschen voorgesteld, maar er waren ook fotografieën van Mozes, Christus, Mohammed, en o, lezer, schrik niet.... ook van God. Voor die allen moeten levende personen geposeerd hebben. Mohammed was een zeer oud man, in een kleed van kemelshaar. Het portret van God stelde ook een zeer oud man voor, geheel naakt, zittende op zijn gekruiste beenen, met een langen, dunnen, grijzen baard, gedeeltelijk kaalhoofdig, gedeeltelijk met lange grijze haren. Er lag een verdrietige barre uitdrukking op het gelaat.

Toen ik dat portret in handen kreeg, waarop met Hindoestansche letterteekens den naam stond van wien het voorstelde, vroeg ik: En wie is dit?—Dat is de God der Christenen, was het antwoord. Ik kon een glimlach niet onderdrukken, en vroeg of dat portret in den hemel genomen was. Met een medelijdende uitdrukking op zijn gelaat over zooveel domheid, antwoordde de Hindoe mij: De goden zijn niet altijd in den hemel, zij komen van tijd tot tijd op aarde als zij bevelen hebben te geven of iets anders hebben uit te voeren. En onmiddellijk liet hij mij een andere fotografie zien, waar God in een gemoedelijk praatje met Mohammed is afgebeeld. “Zie,” zeide hij, “daar is God met den profeet Mohammed; bij zoo’n gelegenheid heeft men Hem gefotografeerd.” Ik ben overtuigd, dat de man geloofde wat hij zeide. Voor zoo’n Hindoe, wiens goden in beelden zijn uitgedrukt, die hij niet alleen zien, maar zelfs betasten kan; die op geregelde tijden naar de rivier gebracht worden om gewasschen te worden; wien men voedsel brengt, enz., voor zoo iemand is het heel natuurlijk, dat een god een belichaamd wezen is, met menschelijke vormen en behoeften.

Toen wij van dezen tocht thuis kwamen, hebben wij snel onze zeven zaken weder bijeengepakt en nu zit ik te wachten tot het rijtuig voorkomt om ons met den nachttrein naar Lahore te voeren. Dit is het verste Noordoostelijke punt, dat wij gaan bezoeken.

28 Febr. Wij hebben ons de moeite gegeven naar Lahore te komen, niet om nog meer tempels en moskeeën en forten en paleizen te zien, maar om een van de steden van beteekenis in het Noordoosten van Indië te leeren kennen en het stadsleven daar te aanschouwen. Een dag oponthoud is genoeg om daarvan een indruk te krijgen, vooral als men dien dag geheel buitenshuis doorbrengt. Lahore is eigenlijk een stad, die men in drie afzonderlijke steden verdeelen kan; de Engelsche stad, waar de Engelsche bevolking woont en waar alle officieele gebouwen gevestigd zijn; de Indische stad, de oude stad, waar de inboorlingen wonen, en het deel waar de militairen in hunne kazernes en officierswoningen leven. Dit laatste deel is weinig belangrijk, alles ziet er frisch en nieuw en hygiënisch uit. De oude stad doet zeer sterk denken aan het oude Caïro, en deze overeenkomst wordt nog sterker, doordat ook in Lahore vele Mohammedanen zijn en deze menschen hier weder zeer streng de voorschriften van hun godsdienst volgen. Wij zagen hier een graftombe, Ranjit Singh’s Mausoleum, wiens elf vrouwen levend met zijn lijk in het begin van de 19e eeuw verbrand werden. Op de graftombe is een groote marmeren knop met daaromheen elf gelijke kleinere knoppen aangebracht, vertegenwoordigende de asch van den vorst en zijn elf geliefden.

In Lahore behooren de Hindoe’s die er leven, grootendeels tot de sekte der Sikhs, eene Hindoe-sekte, die bijna uitsluitend hier in het Noorden van het land voorkomt. Hunne tempels, waarvan wij hier twee zagen, zijn zeer eenvoudig, waarin wij weinig karakteristieks vonden.

Het deel van de stad waarin de Engelschen wonen en dat nog zeer ver kan uitgebreid worden, is mooi en maakt een zeer florissanten indruk. De woningen, alle met fraaie tuinen omgeven, zien er frisch en Europeesch uit; de officieele gebouwen, alle in half Hindoeschen, half Europeeschen stijl opgetrokken, verraden goeden smaak en zijn uit een royale beurs gebouwd. Hier bezochten wij de kunstnijverheidschool, 40 jaren geleden door den vader van Rudyard Kipling, den bekenden schrijver over Britsch-Indië, gesticht. Britsch-Indië bezit vier van deze scholen, doch deze in Lahore is de beste en levert de meeste goede artisten af. Wij zagen er het fijnste ivoorsnijwerk verrichten, dat men zich denken kan. Lahore wordt beschouwd als het groote centrum van oude en moderne kunst en ontwikkeling in Indië. Wij brachten ook nog even een bezoek aan het museum, een van de fijnste musea in Indië, waar onze landgenoot, de heer Vogel, het archaeologisch deel van gecatalogiseerd heeft.

Wij zouden heel graag van Lahore uit een uitstapje gemaakt hebben naar Kashmir, waar we dichtbij waren, maar dit was onmogelijk met het oog op onze verdere reisplannen.

Een priester van de Sikhs in Amritsar.

Een priester van de Sikhs in Amritsar.

Vanmorgen kwamen wij om 10 uur in Amritsar aan. Dit is de heilige stad van de Sikhs. Het is zeker de schilderachtigste stad van alle, die wij in Indië zagen. De gouden tempel, waarvoor de meeste toeristen hier een deel van den dag doorbrengen, is de heilige tempel der Sikhs. Deze tempel staat midden in een grooten vijver, die de poel der onsterfelijkheid genoemd wordt. Rondom dien vijver staan verschillende andere tempels van minder beteekenis dan de gouden en eenige oude paleizen. De Sikhs zijn thans in een feestweek: het feest der aanbrekende lente, dat acht dagen duurt en voornamelijk zijn uiting vindt in een bedevaart naar den gouden tempel. Mannen en vrouwen uit alle oorden van dit district, vooral de landbouwende bevolking, komen in deze week in Amritsar om hunne offeranden in den tempel te brengen en een goeden oogst af te smeeken. De trein, die ons van Lahore naar Amritsar bracht, bevatte honderden bedevaartgangers. Voor dit voorjaarsfeest is elkeen, mannen, vrouwen en kinderen, geheel in witte gewaden gekleed, die van boven tot onder met rose verf bespat zijn; sommigen hadden rose en gele verfvlekken. Grijsaards hadden zelfs hunne lange witte baarden ook rose geverfd en de witte turban eveneens.

De gouden tempel, een tempel van wit marmer met een koperen dak, dat in het zonlicht schittert als goud, en met vier massief zilveren deuren, is mooi, maar kan geen vergelijking doorstaan met hetgeen wij op dit gebied reeds zagen. Zoo midden in het water maakt hij echter een goed effect. Er was juist een dienst begonnen toen wij aankwamen. Alle priesters en geloovigen zaten in een kring op den grond; in het midden was een rood fluweelen doek uitgespreid, waarop ieder, die binnenkwam, zijne offerande gooide of legde, en dan tusschen de biddenden ging zitten. De offeranden, die wij zagen brengen, bestonden uit bloemen, mandjes met zoetigheden of uit geld. Een enkele gooide een enveloppe neer, alle anderen een kleiner of grooter geldstuk. Aan de vier punten van den doek lagen hoopjes graan voor de rondfladderende duiven en andere vogels, die daarvan gedurende den bidstond gretig kwamen snoepen. De geheele tempel was van binnen ook met witte doeken, waarop rose en gele verfvlekken waren, behangen.

De Sikhs dragen, evenals de Sinhaleezen, lang haar, dat echter in een knot boven op den kruin van het hoofd is vastgemaakt door een eigenaardig soort kam. Doordat zij echter turbans dragen, valt dit lange haar bij hen niet zoo sterk op als bij de Sinhaleezen. Doch ook de Sikhs hebben, niettegenstaande zij bijna allen baard en knevel dragen, en zeer sterk behaard zijn, zeer zachte vrouwelijke trekken. Dit is heelemaal niet in overeenstemming met hetgeen zij eigenlijk zijn. Wij passeerden namelijk de sedert eenige jaren bestaande universiteit der Sikhs, een universiteit, door hen zelven uit eigen fondsen gesticht. Wij gingen naar binnen; de cursus was echter juist geëindigd, alleen een tiental mannen, naar gissing tusschen de 25 en 30 jaar, die studenten bleken te zijn, waren nog aanwezig. Wij dachten, dat zij de leeraren waren en vroegen om eenige inlichtingen. Zij waren allen bereid ons de noodige inlichtingen te geven. Zij vertelden ons—allen spraken uitstekend Engelsch—dat de Sikhs geen eigenlijke sekte der Hindoe’s waren, doch meer als een kaste beschouwd wilden worden. Zij waren een militaire kaste; zij noemden het een “Old Templars Knighthood”. Hunne priesters dragen zwaarden, hetgeen wij reeds opgemerkt hadden. De lange haren moeten kracht uitdrukken. Wij vernamen van deze jonge mannen, die allen een intelligent, zacht uiterlijk hadden, veel dat onze belangstelling gaande maakte. Een van hen offreerde ons een klein Engelsch boekje, waarin wij het een en ander over hunne tempels, zeden en gebruiken en de geschiedenis van den gouden tempel kunnen vinden.

Op onzen tocht door de stad zagen wij hier weder tal van heiligen, die in zelfkastijding of in heilige overpeinzing de zaligheid hiernamaals hopen te verwerven, of misschien wel een goed leven op aarde. Een betrekkelijk jonge man, met lange zwarte haren, zat geheel naakt tusschen vijf houtvuren, ver genoeg van hem verwijderd, om hem niet te kunnen verbranden, maar dicht genoeg om hem een warm lichaam te bezorgen. Rondom hem zaten tal van eenvoudige zielen in heiligen ootmoed te luisteren naar de woorden van wijsheid en bezieling, die van de lippen van dezen dwaas vloeiden.

Een eind verder zat een grijsaard met haren, die ver over den grond vielen. Dichtbij gekomen bleek het echter, dat er een soort vlas tusschen de haren gevlochten was, waardoor het zoo lang leek. Die man zat met een strak gelaat te staren in het verre verschiet. Hij zat in heilige overpeinzing en mocht niet gestoord worden. Naast hem stond een koperen bedevaartsnapje, waarin de voorbijgangers eene offerande konden werpen, als zij deze heilige wenschten te eeren. Men moet een bepaald aantal dagen of weken zichzelf gekastijd hebben, of heilige overpeinzingen hebben gehouden, alvorens het publiek iemand heilig verklaart.

Op dezen tocht in het Noordoostelijk deel van Indië zagen wij weder een geheel ander type van menschen, dan wij te voren gezien hadden. Vooral in Amritsar zagen wij, doordat de feestweek zooveel boeren en anderen uit Peshawar, Afghanistan, Kashmir en andere buurten naar den gouden tempel had gelokt, tal van nieuwe typen en ook geheel andere kleederdrachten. Hoevele verschillende turbans wij vandaag opmerkten, is niet te tellen.

29 Febr. De nachttrein bracht ons hedenochtend vroeg in Lucknow. Dit mooie provinciestadje biedt den gewonen toerist weinig belangrijks. Uit een geschiedkundig oogpunt is Lucknow natuurlijk zeer belangrijk. Hier was in 1857 het centrum van de muiterij en een geheelen dag kan men zoek brengen om alle punten te bezoeken, die nog de kenteekenen, van den gevoerden strijd dragen. Een rilling kan men niet onderdrukken als men de kelders ziet, waarin de vrouwen en kinderen maanden lang voor hunne veiligheid ondergebracht zijn, doch waarin zij door de hitte, benauwde atmosfeer, slechte voeding en nog slechter water als sneeuw voor de zon wegteerden. De begraafplaats, waar meer dan 2000 vrouwen, kinderen en grijsaards in dien tijd begraven werden, duidt maar te duidelijk aan, dat de sterfte onder deze beschermden grooter was dan onder de deelnemers aan de verdediging.

De native town in Lucknow kan ook op niets bijzonders bogen; een vergelijking met wat wij in Lahore en Amritsar zagen, is zelfs niet te treffen.

Een moskee in Lucknow.

Een moskee in Lucknow.

Wij zullen hier dan ook niet langer dan een dag vertoeven en vertrekken morgenochtend naar Benares. Het hotel—voor het eerst een werkelijk goed hotel in Indië, dat door een Duitsche eigenaar beheerd wordt,—lokt ons tot eenige dagen langer verblijf, enkel en alleen om wat uit te rusten. Wij durven ons die weelde echter niet veroorlooven.