Meer dan Rome is voor de Katholieken, meer dan Amritsar is voor de Sikhs, meer dan Jeruzalem is voor de Christenen, zelfs meer dan Mekka is voor de Mohammedanen, is Benares voor de Hindoe’s. Benares is een van de oudste steden in de wereld; lang voor Rome bekend was, had Benares reeds den roep van heiligheid. In deze stad te sterven beteekent zaligheid, ja, zelfs hij of zij, die sterft op een afstand van 50 mijlen rondom deze stad, is zeker in Siwa’s hemel opgenomen te worden. Men behoeft daarvoor geen Hindoe te zijn, Siwa verleent daarboven in zijne woning ook gastvrijheid aan Joden, Christenen, Mohammedanen en Boeddhisten, indien zij op de heilige plek, binnen Benares, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Hoe deze opvatting te rijmen is met het re-incarnatiebegrip der Hindoe’s is mij niet recht duidelijk.
Benares bezit ruim 1500 tempels en meer afgodsbeelden dan inwoners, ofschoon deze laatsten meer dan 200.000 bedragen, Iedere geloovige Hindoe gaat op zijn minst eens in zijn leven naar Benares om er te bidden in alle tempels en te baden in de heilige rivier. Welgestelde Hindoe’s bezoeken deze stad meermalen in hun leven en de zeer rijken hebben hier allen een eigen woning of paleis, waarin zij elk jaar eenigen tijd vertoeven om hunne ziel te zuiveren van alle begane zonden en als de tijd daar is, te sterven binnen de muren van de heilige stad. Elke Hindoe-Maharatja heeft hier zijn eigen paleis. Het aantal bedevaartgangers, dat jaarlijks van alle oorden van Indië komt, om aan alle goden offeranden te brengen en te bidden in de 1500 tempels, wordt ver over een millioen geschat. Het kost elken pelgrim 6 dagen hard werken om de ronde in de 1500 tempels te doen; hij heeft daarmede alleen een afstand van 45 mijlen af te leggen. Die dagen worden dan geheel aan bidden gewijd, voor slapen en eten blijft weinig tijd beschikbaar.
Niettegenstaande Benares met hare tot het uiterste gedreven nauwe, overbevolkte straten en bazaars, met haar druk-bewerkte tempels en godenhuisjes, en haar verscheidenheid van kleuren, grooter dan ergens elders, een schilderachtig geheel levert, en, om een van de schrijvers over Indië te citeeren: “geen andere stad in Indië, die zulk een atmosfeer van onsterflijke oudheid verraadt”, toch verwekt deze stad een indruk van diepen weemoed en gedruktheid.
De grootste aantrekking voor de pelgrims zijn niet hoofdzakelijk de vele tempels en goden, die Benares bezit, niet de zekere heiligheid, die deze stad omgeeft, omdat Siwa en Vishnu en Brahma hier geleefd en gewoond hebben, maar in hoofdzaak omdat de heilige rivier, de Ganges, hier een bijzonder heilige kracht bezit. Het water van deze rivier bezit een alles-zuiverende macht. Niet alleen neemt elke onderdompeling in dit water de zonden weg, die bedreven zijn, maar ook alle ziekten worden daardoor genezen. Er is een plek aan den oever van de rivier, het pokken-bad genaamd, waar poklijders gebracht worden om er dagelijks te baden, en dan allen genezen. Inderdaad is er iets van waar, dat dit water een tot nog toe onverklaarbare kracht bezit om ziektekiemen te dooden. Het Britsche gouvernement heeft herhaaldelijk proeven genomen en steeds bleek, dat cholera- en andere baccillen in dit water na eenige uren alle dood waren, terwijl baccillen, van dezelfde bron genomen, in volkomen zuiver water welig tierden. Ware dat ook niet het geval, dan zou het onverklaarbaar zijn, dat van deze stad uit pest en pokken en cholera en meer zulke plagen, niet jaarlijks over heel Indië verspreid werden.
Wil men de beteekenis van de Ganges voor den Hindoe zien, dan moet men ’s morgens vroeg opstaan en nog vóór de zon aan de Oosterkim is verschenen reeds in een bootje gezeten zijn, zich langzaam laten op en neer roeien en het leven aan de oever der rivier gadeslaan. Wij lieten ons op een morgen zeer vroeg naar de rivier brengen. Het was een rit van bijna een half uur. De stad begon te ontwaken. De langs den weg liggende slapers rolden hunne doeken, waarin zij zich neergelegd hadden, rond hunne lendenen en begaven zich op weg naar de badgelegenheid. Hier en daar was een arme vrouw bezig den weg schoon te vegen en de smeden begonnen den brand te steken in hunne houtvuren. Hoe dichter wij de rivier naderden, des te grooter werden de troepen menschen, die zich in dezelfde richting voorwaarts spoedden, om, zuiver uit godsdienstige overwegingen, een bad in de Ganges te nemen en hunne gebeden op te zenden ter verheerlijking van een hunner goden of van de rivier, of van de zon. Maar ook hoe meer wij de rivier naderden, hoe grooter werd het aantal mannen, dat in zelfkastijding of in heilige overpeinzing, de eeuwige zaligheid hoopte te verwerven. Mannen, liggende op een bed van spijkers, gezeten tusschen brandende vuren; mannen, staande op één been, of met één arm in de lucht; mannen, overladen met zware ijzeren kettingen; mannen, dagen achtereen vastende, geen water of voedsel tot zich nemende, in heilig stilzwijgen, allen met asch overladen en haren, die door tusschenvlechting van de eene of andere wollen stof verlengd zijn, soms tot 8 à 10 meter, en die dan in een torenhooge kroon rondom hun slapen zijn gelegd, of netjes een kring rondom hen vormen. Eén heilig man had zich van koemest en pauwenveeren een toren geplakt en die op zijn hoofd gezet. Al die heiligen hadden een kring van discipelen rondom zich, die naar hunne woorden luisterden, of die ook in heilig stilzwijgen zaten te staren naar de richting, waarin de meester staarde.
Van 47 ghats—plaatsen, van waar men de rivier kan bereiken, hier meestal breede, hooge, steenen trappen—komen de tallooze mannen en vrouwen om hunne vereering te uiten. Als zij de rivier bereiken, sprenkelen zij eerst water over hunne oogen en het hoofd en prevelen het eerste gebed. Dit luidt vertaald: “O, Ganges, ik groet uwe twee voeten, uwe twee voeten die zoo schoon zijn en welke door goede en slechte goden verheerlijkt worden. O, Ganges, gij geeft geluk en ten slotte verlichting aan allen”. Dan spoelen zij den mond met het heilige water. Daarna beginnen zij weder te bidden, eerst op het eene, dan op het andere been staande, en ten slotte laten zij zich neerploffen in het water. Daarna gaan zij weder staan met de beide handen vol water en dit laten zij langzaam wegvloeien, zich wendende tot de zon, een offer van Ganges-water aan de zon, en daarbij prevelen zij een van de oudste gebeden in de wereld: “Laat ons ootmoedig neerknielen voor de glorie van het Heilige Leven-gevende Licht; moge het ook onzen geest verlichten”. Dan gaan zij voort onder allerlei handengewring, onderdompeling en beenenbuiging hunne verdere gebeden te uiten. Als zij gereed zijn met baden wasschen zij hun doek, hun lendengordel en turban (zoo zij die dragen want vele pelgrims gaan blootshoofds), houden die dan uitgespreid in de hand tot zij door de zon gedroogd zijn, brengen dan met rood of geel of wit een merkteeken op hun voorhoofd, en daarmede is hun morgendienst afgeloopen. Vrouwen en mannen baden naast en door elkaar, alleen voor de weduwen is een afzonderlijke plaats aangewezen.
Tusschen al deze zwemmende en badende menschen in zijn breede steenen trappen ingericht voor de lijkverbranding. Onophoudelijk wonden de lijken, alleen in een doek gerold, door de lijkdragers—twee mannen—aangebracht. Zoodra het lijk aangekomen is, gaan een paar mannen, dikwijls familieleden, het hout in de nabijheid aankoopen en wordt dit opgestapeld, het lijk daarop gelegd en het vuur ontstoken. Is het lijk zoowat half verteerd, dan klooft het naaste mannelijke familielid met een bijl den schedel. Deze liefdedienst—want nu kan de geest gemakkelijker ontwijken en wordt niet door het vuur mede verteerd—wordt gewoonlijk door den zoon voor vader of moeder, door den vader voor zijne vrouw en kinderen verricht. Zijn er geen mannelijke familieleden, dan komen de vrouwen aan de beurt. De vrouwenlijken zijn in roode, de mannenlijken in witte doeken gehuld. Wij zagen in het oogenblik, dat onze boot voorbij roeide, drie lijken verbranden, en een geheele rij lag te wachten tot hunne beurt was aangebroken. De asch van de lijken wordt in de Ganges geworpen, doch de armen, die niet veel hout kunnen betalen, zijn dikwijls slechts half verteerd. De dienstdoende mannen breken dan de halfverkoolde beenderen in stukken en gooien ook die in de rivier. Soms zelfs—wij zagen het niet—worden heele stukken van een lijk onverteerd door den stroom meegevoerd.
Toen wij onze oogen afwendden van dit weinig verkwikkelijk schouwspel en ze een oogenblik richtten naar den anderen oever van de rivier, zagen wij een troep gieren zich te goed doen aan iets groots en diks, dat in het midden van ’t water dreef. “Dat is het lijk van een heilige koe”, zeide onze Hindoe-gids ernstig. “Heilige koeien worden zoo in de Ganges geworpen na haar dood.” En onmiddellijk voegde hij er aan toe: “Ook de heilige mannen worden niet verbrand, hunne lijken worden ook zoo in de Ganges geworpen; zij behoeven de zuivering van het vuur niet meer te ondergaan; zij hebben zich in hun leven reeds gepurifieerd.” Zulke mannen krijgen echter aan elk been een steen gebonden, zoodat zij zinken en niet door roofvogels worden opgegeten.
Als men bedenkt, dat hier menschen met de meest besmettelijke en afzichtelijke ziekten dagelijks tusschen de anderen komen baden; dat allen na het bad dit water drinken en er kannen vol van meeslepen, dan moet men aannemen, dat er iets in dit water is, waardoor ziektekiemen gedood worden, anders zouden de gevolgen onoverzienbaar zijn. Maar ook als de ziektekiemen geheel verwoest worden, dan nog verwekt het een indruk, die onze maag rechtsomkeert doet werken, als men lupus-, kanker- en syphilis-menschen zich in het water ziet onderdompelen en terzelfder tijd een geloovigen Hindoe met gretigheid daarnaast het water ziet verzwelgen.
Na dezen tocht in het vroege morgenuur moesten wij eerst eenige uren bekomen, alvorens wij ons in staat achtten de andere wonderen van Benares in ons op te nemen. Het was niet ons plan, om, evenals de bedevaartgangers, allen 1500 tempels achtereen onze opwachting te gaan maken; wij zochten er eenige uit, die bij de beschrijving onze nieuwsgierigheid hadden gaande gemaakt.
Toen wij wat later op den dag onzen tocht naar die tempels begonnen, zagen wij onophoudelijk de tallooze bedevaartgangers van alle zijden de stad binnenstroomen. Heele rijen achter elkaar loopende mannen, in saffraankleurige doeken gehuld, blootshoofds, doch met een langen stok met een bijl aan den top in de eene en een koperen drinknap of bedelnap in de andere hand, noemde de gids “bedelmonniken”. Mannen en vrouwen in roode, gele, groene, witte, paarse en andere kleederen wist de gids allen aan de kleur hunner kleederen te localiseeren van waar zij kwamen. Er waren er bij, die weken achtereen geloopen hadden om deze heilige plek ten slotte te bereiken. Het was een bijzonder heilige dag, daarom kwamen er meer pelgrims dan andere dagen.
Wij begonnen met den Durga-tempel, bijgenaamd de apentempel. Deze bijnaam vindt zijn oorsprong in het feit, dat meer dan 200 apen, bruine met korten staart en erg menschelijke gezichten, in en om dezen tempel leven en wanneer door trommelslag een dienst in den tempel wordt aangekondigd, allen komen aanloopen en aandachtig zitten te luisteren. Het waren erg menschelijke apen, die de koekjes en andere zoetigheden beleefd uit onze handen namen, zonder zenuwachtigheid te verraden. De jonggeborenen, die het aardigst waren en natuurlijk de meeste versnaperingen kregen, werden heel wijs door de moedertjes in den arm genomen en naar een afgelegen plaats gebracht, als mama dacht, dat zij genoeg gehad hadden. Eén aap zat onophoudelijk met een zakspiegeltje uit een of ander dames-étui in zijn voorpoot zich zelf te bewonderen. Een koekje kon slechts een oogenblik zijne attentie gaande maken; dan at hij het koekje op, doch zat, al etende, zich in eigen aanblik te verlustigen. Deze ijdele aap, lieve lezers, was een mannetjes-aap.
De Durga-tempel is gewijd aan Durga, de vrouw van Siwa. Zij wordt als zeer verwoestend en bloeddorstig voorgesteld. Zij bezit 18 armen en handen, in elke hand een zwaard of ander moordtuig houdende, waarmede zij de koppen van mannen en leeuwen afslaat. Aan haar gordel bengelen doodshoofden van mannen. Vroeger werd ter eere van Durga elken dag een mensch geslacht, om haar bloeddorst tevreden te stellen; sedert het menschenslachten verboden is, offert men haar elke week een geit. Geiten zijn hier duurder dan menschen. Elken dag een geit te offeren, zou te veel geld kosten; daarom moet Durga zich eens in de week met een geitje tevreden stellen. Het toeval wilde, dat wij in den tempel twee Hindoe jongemannen uit Calcutta aantroffen, die ook ter bedevaart waren opgekomen naar Benares. Zij bleken beiden zeer ontwikkelde, goed Engelsch sprekende jongelui te zijn. Zij begonnen een gesprek met ons, waarop wij hun vroegen, hoe ontwikkelde menschen een godin der verwoesting konden aanbidden. Glimlachend antwoordden zij: “Gij moet u dat anders voorstellen. Wij, Hindoes, verdeelen den tijd in verschillende perioden. Wij leven thans in de periode der verwoesting. Oorlog, doodslag en verwoesting van landen en steden is over de geheele wereld aan de orde van den dag. Durga regeert thans overal. Met aan haar offeranden te brengen, hoopt men haar moordlust te koelen, m.a.w. hoopt men de groote periode der verwoesting snel te passeeren. Het is slechts eene zinnebeeldige voorstelling”.1
Zoo weet de ontwikkelde Hindoe aan alle godenvereering eene hooge, poëtische verklaring te geven, maar de onontwikkelde, zooals onze gids, vat alles in zijne platte beteekenis op. Die vertelde ons, dat het geitje, dat elken Dinsdag geslacht wordt, met zijn kop aan een houten paal, die vlak voor Durga staat, vastgebonden wordt, dan door een man met één slag op de kop, de kop wordt afgehakt, “zooals Durga het ’t liefste ziet”. Den gewonen Hindoe is niets bekend van de philosophie van de Veda en de beteekenis zijner goden. Voor hem personifieert elk afgodsbeeld een werkelijken god.
Na den apentempel bezochten wij den koetempel. Deze tempel is eigenlijk niets bijzonders, alleen dat daarin eenige bullen in plaats van goden vereerd worden. Werkelijk levende bullen, die met bloemen en heilig gras gevoed worden, worden daar dagelijks door duizenden aangebeden en vereerd.
Toen naar den tempel van Ganesha. Ganesha is de zoon van Siwa en Durga en wordt voorgesteld als een kind met een olifantskop. Toen Ganesha geboren werd, had het wurm geen kop. Durga was daarover erg ongelukkig en toen kwam Siwa en zeide: “Ga naar buiten; het eerste levend wezen, dat gij ziet zal zijn kop verliezen en deze zal op den romp van Ganesha komen”. Durga deed alzoo en het eerste levend wezen dat zij zag was een olifant. Haar lieftallig kind hield in zijn jeugd, als vele kinderen, erg van zoetigheden; daarom worden hem nog heden tal van versnaperingen geofferd. Hij reed in zijn jeugd bij voorkeur op een rat, daarom zijn nu nog de ratten heilige dieren. De Britsche regeering heeft zeer veel moeite hier in Benares, waar altijd pestgevallen zijn en nu zelfs zeer vele, de ratten uit te roeien. Een Hindoe sterft liever aan pest, dan dat hij een rat zou willen zien dooden. Achter Ganesha was een bron, de Bron der Kennis. Drinkt men uit die bron—dat water is zeer duur—dan wordt men helderziend, alwetend. Ik wilde liever dom blijven, dan mij te wagen aan het drinken van dit sop. Dit water wordt nog aantrekkelijker gemaakt, als men hoort vertellen, dat het is het zweet van Vishnu, uitgezweet in een al te dolzinnig doorgebrachten nacht.
Wij bezochten nog eenige van zulke vermaarde tempels en hadden er toen genoeg van. Wij besteedden liever den ons nog restenden tijd aan het bezoeken van de Hindoe-school, door Annie Besant hier gesticht, en hare theosophische vereeniging. Hoe Annie Besant er toe kwam hier in deze fanatieke omgeving haar school te vestigen, zal, naar ik hoop, haar en hare volgelingen duidelijker en verklaarbaarder zijn dan mij. Het is waar, dat ook Buddha hier langen tijd vertoefde en zijne leer voor het eerst in Britsch-Indië verkondigde. Dat ook Paulus hier schijnt geweest te zijn en dat hier thans acht verschillende zendelingsinstellingen de leer van Christus trachten ingang te doen vinden. Waarom zou zij dan niet haar leer hier verkondigen, de universeele broederschap van hieruit over de wereld zich laten verspreiden?
De Hindoe-school en college van Annie Besant, die door vrijwillige gaven, bijna uitsluitend door Hindoesche beurzen, wordt in stand gehouden en waar de leerlingen in den zuiver Hindoeschen godsdienst worden onderwezen, bevat reeds meer dan 1000 mannelijke Hindoe-leerlingen en ongeveer 200 vrouwelijke. Zij staan beide—de jongens- en meisjesschool zijn streng gescheiden—onder oppertoezicht van een Engelschen directeur en directrice, doch de leerkrachten zijn voor verreweg het meerendeel Hindoe’s. In de zaal, waar de gebeden worden gezongen, hangt een levensgroot portret van Annie Besant.
Wij bleven in Benares een dag langer dan de meeste toeristen gewoon zijn te doen, niet zoo zeer om het vele belangrijke, dat hier te zien is, dan wel om den geest van de stad beter in ons op te nemen. Herhaaldelijk bezochten wij de stad op verschillende tijden van den dag, maar steeds weder overviel ons datzelfde gevoel van weemoed, dat wij ook gevoelden, toen wij in Jeruzalem die vele huilende en lamenteerende Joden voor een stuk oud en vervallen muur zagen staan, dien muur kusten en met hunne tranen bevochtigden; of toen wij daar in verschillende kerken der christenen soldaten vonden om den vrede te bewaren tusschen katholieken en protestanten voor een elkander betwist venster of een stuk balk.
Onwillekeurig vraagt men zich hier af, zijn dat menschen uit denzelfden tijd waarin ook wij leven, zijn het misschien eenvoudig bekrompenen van geest, of zijn het ongelukkigen, wier geest beneveld is? Benares met zijne afgoden en tempels, met zijne heilige rivier, zijne heilige apen, heilige koeien, heilige ratten en vooral met zijne bevolking en pelgrims, verwekte bij mij den indruk van een groot krankzinnigengesticht.
Lang vóór ik er nog aan dacht, deze groote reis te maken, las ik eens in een geïllustreerd tijdschrift een artikel over Calcutta. In dat artikel werd deze stad zoo mooi beschreven en de illustraties waren zoo aantrekkelijk, dat ik den indruk kreeg hier een stad met een groote aantrekkelijkheid te zullen vinden. Toen ik dan ook ’s morgens vroeg in Calcutta arriveerde en naar het hotel reed, dacht ik, dat de koetsier ons door eenige vuile buitenwijken voerde en dat ook het hotel niet in een van de mooie straten van de stad gelegen was. Doch nadat ik de stad in alle richtingen doorkruist heb, zoowat alle straten met de voornaamste gebouwen zag, vraag ik mij af: hoe kan iemand zoo’n moderne, Europeesche, onooglijke, oninteressante stad zoo mooi voorstellen? Waar heeft de schrijver al dat moois gezien, anders dan in zijne verbeelding? Er is in de heele stad niets de moeite van een bezoek waard. Het is waar: er is een interessant museum, en er is in den botanischen tuin, ver buiten de stad gelegen, een waringin-boom, die de grootste van de geheele wereld genoemd wordt, wat ik graag wil aannemen, want die eene boom lijkt wel een geheel bosch. Maar de stad, de stad met haar even oninteressant native gedeelte, met haar vuile haven en groote gebouwen, die alle den indruk geven alsof zij er slechts provisoir zijn neergezet, die stad is leelijk en biedt den bezoeker weinig aantrekkelijks.
Het is mogelijk, dat toeristen, die hun toer door Indië van hieruit beginnen, een anderen indruk krijgen, omdat voor hen het leven der inlanders dan nog vreemd is en zij hetgeen zij daarvan in Calcutta zien, met meer belangstelling in zich opnemen; doch voor ons, die in Calcutta onzen toer door Indië afsluiten, die het leven der inlanders in alle opzichten op verschillende plaatsen origineeler, interessanter, kleuriger en naïever zagen, biedt dit hier geen aantrekkelijkheid meer.
Indien wij hier lang genoeg zouden blijven, dan konden wij ons verblijf hier echter interessant genoeg maken, want nergens in Indië wordt een zoo intensief sociaal leven geleefd als in deze stad. De nationale beweging, waarover ik van uit Bombay reeds schreef, heeft hier haar wortels, wordt van hieruit gevoed en van hieruit worden hare vruchten over het gansche land verspreid. Ik schreef vroeger reeds, dat de nationale beweging tot leus heeft: Indië voor Indiërs, en dat zij beoogt van Engeland’s heerschappij verlost te worden. Die beweging is echter nooit sterk geweest en zal ook nooit zoo sterk worden, dat Engeland er iets van heeft te vreezen. Dat moet elkeen gevoelen, die met zijn oogen open eenige weken in dit land heeft gereisd. De bevolking bestaat te veel uit heterogene bestanddeelen. De Mohammedanen, die een vierde van de bevolking uitmaken, haten en wantrouwen de Hindoe’s, zooals deze wederkeerig hen doen. De Mohammedanen zouden niets meer vreezen, dan dat de heerschappij van het land in handen van de Hindoe’s zou komen. De Hindoe’s zelf zijn in vier groote kasten verdeeld, die ieder op zich zelf staan en die nooit op een voet van gelijkheid met elkander kunnen samenwerken. De Brahmaan, de hoogste kaste, de kaste der priesters, mag nooit de hand of ander lichaamsdeel aanraken van eene lagere kaste; als hij dit doet door toeval of anderszins, dan moet hij eerst eene zuivering ondergaan, alvorens hij weder met zijne kaste-genooten in aanraking kan komen. Een hoogere kaste mag niets eten, dat door iemand uit een lagere kaste is aangeraakt, en dit alles gaat zóó ver, dat wanneer ik het zou mededeelen, geen mijner lezers mij zou gelooven, die daarover niet vroeger het een en ander gelezen had. Dit staaltje b.v.: Een fabrikant vertelde ons, dat hij naast zijn fabriek een rij huisjes had laten bouwen voor zijn Hindoe-werklieden. Elk gezin bewoonde een éénkamer-woning gratis. Op zekeren dag komt ’n werkman tot hem en vertelde hem, dat hij die woning niet langer gebruiken kon; het kwam hem te duur uit. De eigenaar vroeg: “Hoe is dat mogelijk? Gij betaalt mij toch niets voor de woning.”—“Ja,” zeide de werkman, “dat is goed en wel, maar de man naast mij is van een lagere kaste en elken keer als de wind west is en de rook uit zijne woning zich vermengt met de rook uit mijne woning, dan is mijn eten onzuiver en mag het niet meer genuttigd worden. Heb ik, zonder het te weten, het toch genuttigd, dan moet ik eerst gezuiverd worden, en dat kost veel geld.”
Zulke staaltjes heb ik bij dozijnen vernomen. De afscheiding tusschen de kasten is zoo groot, dat in de eerstvolgende geslachten van overbrugging geen sprake kan zijn. Nu preeken de nationalisten wel, dat men voor een groot doel mag samenwerken, één algemeenen vijand gezamenlijk mag verslaan, maar de lagere kasten zijn onder de Britsche overheersching veel beter af, dan onder de regeering van hunne hoogere geloofsgenooten, zij zullen zich nooit laten gebruiken om tegen Engeland op te treden. Een troep heethoofden kan misschien hier of daar eens weer een muiterij op touw zetten, doch groote, ernstige gevolgen, kan die niet hebben. De leiders dezer beweging bestaan voor een groot deel uit jonge mannen, die juist door den invloed der Britten in staat zijn geweest gratis eene goede school te doorloopen waarvoor nu geene gepaste werkkring te vinden is. Dat de zoon van een waterdrager, een bullewagendrijver, een fabriekswerker, die heeft leeren lezen en schrijven in zijn moedertaal, Engelsch en Sanskriet grondig kent, die rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde heeft geleerd, geen lust heeft zijn vader in zijn vak op te volgen, is duidelijk. Deze jonge mannen hebben hoogere aspiraties, waaraan, voorloopig althans, niet kan voldaan worden. Enkelen hunner studeeren verder en worden onderwijzers voor hun eigen kastegenooten, een heel enkele wordt gids voor vreemdelingen, nog zeldzamer, vinden zij een plaats als klerk op een of ander bureau; doch het meerendeel vindt geen geschikte bezigheid en vormt een klasse van ontevredenen, die in de nationale beweging het hoogste woord voeren. Door het in het leven roepen van goede industriescholen, waaraan in zeer vele plaatsen reeds is voldaan, hoopt men aan dit euvel tegemoet te komen.
Ook de vrouwenbeweging, die over heel Indië slechts eene sporadische is, en die op het oogenblik nog niet veel meer op haar program heeft dan tegengaan van de kinderhuwelijken, verbetering van het lot der weduwen, opheffing van het purdah-systeem, en scholen voor meisjes, vindt in Calcutta de krachtigste verdedigsters.
Doch om al deze bewegingen te bestudeeren, er meer dan een oppervlakkigen indruk van te verkrijgen, zouden wij hier langen tijd moeten vertoeven. Wij bespraken onze passage op de boot, die ons van Calcutta naar Rangoon zal brengen voor den 12en Maart, en de week die ons nog rest, willen wij liever in een van de hooge bergstreken hier doorbrengen, om ten minste één van de punten te zien, waarheen de rust- en koeler klimaat-behoevende Engelschman zich begeeft als verlof, tijd en geld hem dit veroorloven.
Darjeeling, in het Himalaya-gebergte, dat 7100 voet hoog is, is ’t meest aantrekkelijke van deze plaatsen. De reis erheen is echter niet zoo eenvoudig als wij ons die hadden voorgesteld. Als men Calcutta om half vijf ’s avonds verlaat, dan spoort men tot half negen naar Damookdeah, daar gaat men op een stoomboot over en vaart gedurende twee uren op de rivier de Ganges. De rivier is daar niet zeer breed en beide oevers zijn bebouwd, een volle maan bescheen het water en gaf aan alles aan den wal wat wij passeerden, een phantastischen vorm. Zoo in gedachten verzonken, verbeeldde ik mij in een wereld te verkeeren van een halve eeuw geleden en een tocht te maken van Groningen naar Sappemeer in een trekschuit of barge. Door mijne reisgenoote werd ik uit mijn mijmering gewekt met de nuchtere vraag, of wij niet wat zouden gaan eten, waartoe op de boot tamelijk goede gelegenheid was.
Een vrouw uit de volksclasse van Thibet (Darjeeling).
Om elf uur zaten wij aan den overkant van de Ganges weder in een trein, doch moesten die om vijf uur ’s morgens weder verwisselen met het bergtreintje, dan ons om één uur in Darjeeling afleverde. Dat was, met het herhaaldelijk verwisselen van reisgelegenheid, een zeer vermoeiende tocht, waarop geen van ons beiden was voorbereid. Doch de tocht van Silliguri tot Darjeeling, den tijd dien wij in het bergtreintje doorbrachten, biedt zooveel schoons, dat wij onze moeheid geheel vergaten en geen berouw meer gevoelden over dit laatste uitstapje in Britsch-Indië.
Hoewel het Himalaya-gebergte veel grooter en daardoor grootscher is, vertoont toch de weg naar Darjeeling veel overeenkomst met den weg van Chur naar St. Moritz in Zwitserland. Van Darjeeling uit hebben wij bij helder weer ’t gezicht op den berg Everest, den hoogsten berg in de geheele wereld.
De bevolking in Darjeeling is een geheel andere dan die wij tot dusverre in Indië zagen. Hier predomineert het Mongoolsche type, dat eensdeels groote gelijkenis vertoont met het Chineesche type, anderdeels ons doet denken aan Eskimo’s en Laplanders. Wat vooral bij deze menschen opvallend is, is de gelukkiger, levendiger, vroolijker trek, die de vrouwen, op hunne gezichten vertoonen. Deze menschen komen allen van Thibet en Nepaule en zijn van geloof Boeddhisten. Zij werken hier in de theeplantages, die hier in menigte zijn, of verdienen de kost met het bij de straat curio’s van Thibet te verkoopen. Zij dragen geheel andere kleederen, zijn geheel anders opgesierd, mannen en vrouwen dragen hun haar als de Chineezen in een lange staart, maar hebben het andere hoofdhaar niet afgeschoren, en zij zijn over het algemeen zeer warm gekleed. Het is hier ook zeer koud, wij hebben alles, wat wij voor warme kleeding bezitten mede naar boven genomen, en toch moesten wij ’s morgens en ’s avonds dicht bij het vuur kruipen, om warm te blijven.
Groep Nepauleesche vrouwen in Darjeeling.
Natuurlijk dient men hier uitstapjes in de bergen te maken, maar wij willen den korten tijd dien wij boven zijn liever kalm doorbrengen om wat tot rust te komen en om, alvorens wij naar nog heeter streken gaan, eerst een paar dagen in een kouder klimaat te vertoeven. Wij bepalen ons dus tot wandelingen in de naaste omgeving om telkens weder terug te keeren naar de bazaar, de plaats waar alle volkstypen, die hier zijn, samenhokken en een interessant geheel vormen. Want de menschen uit Thibet en Nepaule zijn niet de eenige rassen die hier wonen, de Bhoteas zijn even talrijk en dan zijn er nog Lepcha, Aka, Dhimal-, Mechi-, Murmi- en Urava-rassen. Met de photographieën die wij van die rassen gekocht hebben in onze hand trachten wij de menschen, die wij in de bazaar zien, te identificeeren.
Morgen gaan wij naar Calcutta terug en nadat wij daar nog een dag blijven om onze zaken te regelen, gaan wij ons inschepen naar Burma. Daarmede is dan onze reis door Britsch-Indië afgeloopen en op Amerikaansche wijze kunnen wij dan zeggen: We have done British-India. In den waren zin des woords hebben wij Britsch-Indië “gedaan” hetgeen mij spijt, want het is een land, dat langer oponthoud, dieper studie, nauwer kennismaking met zijn sociale en andere instellingen verdient. Maar voor alsnog is het niet goed mogelijk voor toeristen langer dan wij deden in Indië te reizen, daarvoor is het reizen er te vermoeiend, het klimaat te afmattend en zijn de hotels, in het algemeen gesproken te uncomfortable. Ook zijn de hygiënische omstandigheden nog niet van dien aard, dat men ergens het water durft gebruiken, melk durft drinken en ongekookte groenten of vruchten, visch of vleesch durft eten. Men moet den geheelen tijd op zijn qui-vive zijn, om niet door een van de vele vreeselijke ziekten, die hier inheemsch zijn, overvallen te worden.
Niettemin waren wij lang genoeg in Indië, om niet enkele zaken opgemerkt, en een algemeenen indruk verworven te hebben, en om niet over enkele onderwerpen althans een oordeel te durven vellen. Ik heb daarbij ook nog dit groote voordeel, dat ik reis in gezelschap van een zeer intelligente vrouw, een vrouw, met zoo’n breeden blik, helder verstand en algemeene ontwikkeling, als zelden geëvenaard wordt. Alles wat wij opmerkten, wat wij hoorden vertellen, werd altijd onmiddellijk gezamenlijk besproken en ons beider meening, indien die soms mocht afwijken, gewikt en gewogen. Om onze lectuur vruchtbaarder te maken, lazen wij nooit dezelfde boeken, doch verdeelden de lectuur en bespraken dan onderling het gelezene. Door deze wijze van handelen, zagen en vernamen wij twee in zes weken meer dan anderen doen, die veel langer hun verblijf rekken. Herhaaldelijk viel het ons beiden op, dat andere toeristen, die wij in verschillende plaatsen ontmoetten, en met wie wij over het geziene van gedachten wisselden, niet de helft hadden gezien of opgemerkt van hetgeen wij hadden gedaan en dat zij dikwijls niets anders dan een algemeenen indruk hadden, “that India is a dirty place.”
Dit laatste nu is, algemeen gesproken, volstrekt niet het geval. Men moet, evenals wij deden, slechts even te voren het Heilige Land en Syrië doorreisd hebben om te weten wat een “vuil land” is. Als men vandaar komt geeft Indië den indruk van een zindelijk land te zijn, waar, de omstandigheden in aanmerking genomen, van overheidswege alle voorzorgen genomen zijn om het land zoo bewoonbaar mogelijk te maken. Zelfs in de geheel Indische steden waar alleen de inboorlingen wonen in overbevolkte nauwe straatjes, waar men alleen achter elkander kan doorgaan, vonden wij nog altijd een zekere soort zindelijkheid, die gunstig afstak bij wat wij van dien aard in Syrië en Egypte zagen. Herhaaldelijk maakten wij elkander daarop opmerkzaam. Hoogstwaarschijnlijk moet dit toegeschreven worden aan de hygiënische voorschriften in den Hindoeschen godsdienst. De Hindoe is verplicht zich dagelijks te baden en zijn lendendoek te wasschen. Het kopervaatwerk moet elken dag geschuurd worden, andere is het voedsel, dat het bevat onrein en mag niet genuttigd worden. Elk jaar is er ’n dag waarop verondersteld wordt, dat de lente haar intrede doet, den dag, waarop de geheele natuur zich verjongt, op welken dag elke Hindoe, man en vrouw, nieuwe kleederen moet aantrekken en de oude, afgelegde kleederen moet verbranden. Die dag valt in het begin van Maart en is over het geheele land een algemeene feestdag. De jeugd vermaakt zich den dag tevoren om elkaar met verfkladden te besmeren, en er als de bontste harlekijns uit te zien. Groote vuren worden ’s avonds overal ontstoken en de “oude plunje” daarop verbrand. Deze enkele voorschriften, doch er zijn er meer, doen de Hindoe gunstig afsteken bij zijn Mohammedaanschen broeder in Arabië. Deze laatste draagt dikwijls zijn kleederen tot er geen stuk meer van heel is, en zij hem letterlijk van het lijf vallen, en van wasschen zijner kleederen schijnt hij geen begrip te hebben. In Indië passeert men nooit een vijver, meer of rivier, of men ziet er tallooze mannen, vrouwen en kinderen baden en zwemmen en hunne kleederen wasschen, die dan door de heete zon in een ommezien weder gedroogd worden.
Over het algemeen komt het mij voor, dat Engeland, in den korten tijd, dat het Indië in zijn beheer heeft, van het land gemaakt heeft wat het kon. Ik laat de financieele kwestie geheel ter zijde, ik weet volstrekt niet of Engeland te groote financieele offers van Indië gevraagd heeft, of op andere wijze aderlating op Indië heeft toegepast; om dat te beoordeelen zou ik over geheel andere gegevens moeten kunnen beschikken, dan mij ten dienst staan. Ik zag alleen de groote oppervlakten grond, die wij per spoor doorreisden, die nu door goede irrigatie in vruchtbaren bouwgrond zijn herschapen. Het is waar, er zijn nog duizenden en duizenden hectaren dorre, onvruchtbare woestijnen, die op een stroomend, frisch water wachten, maar alles kan niet op eens geschieden en ongetwijfeld zullen te zijner tijd ook deze streken onder handen genomen worden.
Door Engeland wordt bijna over het geheele land voor behoorlijk onderwijs zorg gedragen. Wel zijn er nog een 80% analphabeten in het land, maar het is niet zoo gemakkelijk om den Hindoe, en nog minder den Mohammedaan het nut van goed onderwijs te doen begrijpen. In enkele vorstenlanden heeft de vorst, de Maharatja, in zijn gebied het elementair onderwijs nu verplichtend gesteld en langzamerhand zal verplicht onderwijs over het geheele land wel wet worden. Er bestaan in Indië nu 5 universiteiten in verschillende steden, in Bombay, Madras, Calcutta, Allahabad en in Lahore, waar de vier verschillende faculteiten onderwezen en doctorsgraden verkregen kunnen worden. Er zijn tallooze middelbare scholen, kunst- en nijverheidsscholen, en in al deze inrichtingen van onderwijs zijn voor de meisjes-leerlingen dezelfde voorwaarden gesteld, als voor de jongens. Het schoolgeld is miniem, en die niet kan betalen wordt zelfs van die minieme som vrijgesteld, De meeste van die inrichtingen van onderwijs worden echter nog niet door meisjes bezocht, omdat de Hindoe-vrouw, evenals hare Mohammedaansche zuster zich nog aan de oogen der mannen onttrekt. Alleen daar waar de Parsees wonen, zagen wij de scholen ook door meisjes bezocht. Deze vrouwen zijn ook aan de verschillende universiteiten te vinden, waar zij vooral in de medicijnen studeeren en dan als doktoren voor de Hindoe- en Mohammedaansche vrouwen van onschatbare waarde zijn, omdat het die vrouwen verboden is, in tijd van ziekte een man te consulteeren. Een der Engelsche dames-doctoren vertelde mij, dat er onder die Parsee-vrouwen zeer bekwame doktoren gevonden worden, die soms ook uitstekende chirurgen blijken te zijn.
Verder geeft Engeland zich alle moeite, om de kunstschatten, waaraan Indië zoo rijk is, voor de toekomst ongeschonden te bewaren en ze ter leering en bewondering voor elken bezoeker open te stellen. Niet alleen dat daarvoor nergens een entrée geheven wordt, maar zelfs is overal met groote letters duidelijk gemaakt, dat de daarin aangestelde ambtenaren goed bezoldigd worden en het hun verboden is giften aan te nemen.
Naast deze en nog zoovele goede dingen, die hier onder en door het beheer van Engeland tot stand kwamen, wil ik ook nog met een enkel woord wijzen op ’t vele goede, dat hier door particulier initiatief geschiedt, zoowel door mannen als door vrouwen. Uit den aard der zaak kwamen wij tweeën niet zooveel in aanraking met de sociale instellingen, door mannen-initiatief ontstaan, doch op een paar door vrouwen tot stand gebracht en van overgroote beteekenis voor een land als dit, wil ik wijzen.
Als men thans door Indië reist, dan vindt men bijna overal, zelfs in het kleinste stadje, een Lady Dufferin’s hospitaal, waar alleen zieke vrouwen en kinderen worden opgenomen, die dan door vrouwelijke doktoren en goede verpleegsters worden behandeld. In de groote steden zijn deze inrichtingen door het gouvernement overgenomen, doch nu kan ten minste elke vrouw in Indië, wier godsdienst het verbiedt zich onder mannelijke geneeskundige behandeling te begeven, in tijd van ziekte door eene vrouw behandeld worden. In den regel staan deze hospitalen nog onder het oppertoezicht van eene Engelsche vrouwelijke dokter, met een paar Parsee vrouwen-doktoren tot hare assistenten, maar in sommige gevallen zijn toch reeds deze Parsee-doktoren met het geheele beheer belast.
Ook de ziekenverpleging staat overal zeer hoog, waar Engelsche verpleegsters overkwamen om hier haar liefdewerk te verrichten en de inlandsche vrouwen in deze taak te onderrichten. Overal is nog maar de groote tegenstand te overwinnen, dien de Hindoe toont om zich in een ziekenhuis te laten opnemen, of om zich in eigen huis te laten behandelen en verplegen en zoodoende een out-cast, iemand, die niet tot zijn kaste behoort, over den drempel zijner woning te laten komen en zijn lichaam te laten beroeren.
Een ander zeer groot werk wordt bijna uitsluitend door vrouwen uitgevoerd, hoewel zij daarbij financieel zeer krachtig door vele mannen gesteund worden. Dit is de verbetering van den toestand van de weduwen. Zooals men weet, werden vroeger de weduwen bij den dood van den echtgenoot levend met zijn lijk verbrand; sedert dit door de Britsche regeering verboden is, laten de familie en nabestaanden haar een langzamen dood sterven. Zij worden als verachtelijke wezens beschouwd, die ongeluk aanbrengen, overal waar zij zich vertoonen. Deze weduwen zijn dikwijls niet ouder dan vier of vijf jaar, in vele gevallen zijn zij weduwen alvorens zij ooit vrouw werden. Zij worden zeer jong, in enkele gevallen reeds vóór de geboorte, door de ouders uitgehuwelijkt en na intrede der puberteitsjaren aan den man afgeleverd, Sterft de man, ook zelfs nog vóór zij waren afgeleverd, dan zijn zij voor ’t geheele leven weduwen, want een ander huwelijk mag niet door haar gesloten worden. Aan allerlei gruwelen zijn zij blootgesteld en er is inderdaad in Indië niets zoo beklagenswaardig als het lot van deze kind-weduwen. Sedert een kwart-eeuw ongeveer heeft een Hindoe-vrouw, Panditha Ramabai, zelf eene weduwe van goede familie, zich het lot dier kinderen aangetrokken. Door eerst in Indië, daarna in Engeland en Amerika, voordrachten gehouden te hebben, waarin zij het lot van die kinderen beschreef, verkreeg zij geld en hulpkrachten, om verzachting aan te brengen. Men heeft nu in verschillende plaatsen in Indië zoogenaamde “homes” voor kind-weduwen, waar zij goed onderricht ontvangen en waar zij leeren, om, onafhankelijk van nabestaanden, op menschwaardige wijze in eigen onderhoud te voorzien. Door de publieke opinie onophoudelijk wakker te schudden en de menschen te wijzen op het onhoudbare van dezen toestand, hoopt men verbetering tot stand te brengen. Er is nu reeds een beweging over geheel Indië, om door de Engelsche regeering een wettelijken minimum-leeftijd vastgesteld te krijgen, waarop huwelijken mogen gesloten worden, en daardoor in de eerste plaats aan de vroege huwelijken paal en perk te stellen.
Men heeft mij vóór ik naar Indië ging en ook later per brief zoo dikwijls gezegd en geschreven, dat het goed was, dat ik eerst Britsch-Indië bezocht en daarna naar Java ging, omdat ik dan kon zien hoeveel beter Java door Nederland behandeld wordt dan Britsch-Indië door Engeland. Ik ben zeer nieuwsgierig of ik dat oordeel zal deelen. Het komt mij voor, dat Britsch-Indië, door de verdeeldheid zijner bevolking, voor zelf-regeering niet rijp is en nog lang de voogdijschap van een andere regeering zal noodig hebben. Dat de over hem gestelde macht wel eens fouten zal maken door het uitzenden van vertegenwoordigers, die niet voor hunne taak berekend zijn, of door het treffen van maatregelen, die te veel een Europeesch karakter dragen en met de Indische toestanden niet genoegzaam rekening houden, is licht te begrijpen. Daarvoor behoeft echter de Britsche regeering niet hard gevallen te worden.
Iets anders is echter de persoonlijke verhouding der Engelschen tegenover de inlanders. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten, zijn de Engelschen zeer te laken over dit hun gedrag. Iedere inboorling van Indië is voor hen een “native” en wordt door hen met de grootste minachting behandeld. Al heeft de man ook eene opvoeding in Engeland genoten, getoond een van de intelligentste menschen te zijn en hier eene hooge positie te bekleeden, dan nog wordt hij geboycott van hunne clubs, kan nooit verwachten bij een Engelschman geïnviteerd te zullen worden, en kan zelfs geen lid worden van eene leesinrichting, wanneer de Engelschen die voor hunne ontwikkeling noodig hebben. Toen wij tweeën eens voor ’n kleinen afstand onze plaats in den trein niet gereserveerd hadden en wij in de eerste klasse zochten waar nog een plaats open was, vonden wij een waggon, waarin slechts één heer zat. De stationschef, een Engelschman, zag ons instappen en kwam onmiddellijk mededeelen, dat wij daar toch niet konden gaan zitten: wij hadden dan te reizen met een native. Wij zeiden geen bezwaar te hebben en bleven waar wij waren. Het was echter als een loopend vuurtje op het perron bekend geworden, dat twee Europeesche dames waren gaan zitten in een waggon met een native, en elkeen kwam voor het venster om ons te bekijken en uit te maken welk soort menschen wij waren. Wij hebben over ons gezelschap niet te klagen gehad en met hem een interessanter gesprek gevoerd, dan met menig Engelschman mogelijk is.
1 De Hindoe gelooft, dat de wereld nu in haar vierde tijdsperiode verkeert, dat wij leven in de Kali-Yug, die 18 Febr. 3202 vóór Christus begonnen is en 432.000 jaren zal duren. Dat wij nu leven in de tijdsperiode van verwoesting. De eerste periode was Satya, de eeuw van waarheid, die duurde 1728.000 j. De tweede Treta, de eeuw van behoud, duurde 1296.900 j. De derde Dwapara, duurde 864.000 jaren.