De Arankola, het mooie, kleine, zindelijke bootje van de British India Steam Navigation Co., bracht ons in twee en een halven dag van Calcutta naar Rangoon. Dat waren twee heerlijke, rustige dagen, die mij lang zullen heugen. Wij waren de twee eenige damespassagiers eerste klasse en ook het sterke geslacht was slechts door vijf jonge mannen vertegenwoordigd. Het nette geriefelijke damessalonnetje was voor ons alleen, en elk onzer had een groote comfortabele hut. Wij hadden een gevoel alsof wij een private stoomboot hadden afgehuurd, waarvan het geheele personeel te onzer beschikking stond. De jonge mannen, vriendelijk en voorkomend en zich bij alles te onzer beschikking stellend, droegen er niet weinig toe bij om dat gevoel te versterken. Gedurende de drie groote maaltijden van den dag, waaraan ook de kapitein, eerste machinist en eerste officier deelnamen, zat het kleine groepje aan één tafel samen en werden wij door een talrijke zwarte bedienden-troep bediend. Dan was er een algemeen levendig gesprek, over Burma en de Burmeezen, over Britsch-Indië en het Engelsch beheer, dan werd het Engelsche gouvernement tot in de wolken verheven en dan voelden de Engelschen zich trotsch boven elke natie staande. Het is voor ’n vreemdeling onuitstaanbaar den blufferigen toon aan te hooren, waarop overal en altijd de Engelschman over zijn land en volk spreekt, maar aan den anderen kant ligt daarin toch ook veel te apprecieeren. Dat warme nationaliteitsgevoel heeft toch ook zijn goede zijde, al schijnt het vrijwel een gevoel van bekrompenheid.
Om half acht verlieten wij Dinsdagmorgen de haven van Calcutta en eerst om vier uur ’s middags bereikten wij den mond van de Gangesrivier. Al dien tijd brachten wij op deze rivier door en stoomden de hier en daar mooi met hooge palmen en groote in bloei staande boomen begroeide oevers voorbij. De overgang van de rivier in de baai van Bengalen was bijna onmerkbaar, omdat ook daar de zee kalm was, als op een meer. Het was een heerlijke rustige tijd, om lezende en droomende, starende in de helderblauwe wolkenlooze lucht, door te brengen. Het bracht ons weder in evenwicht en in staat van Burma en de Burmeezen in korten tijd zooveel mogelijk in ons op te nemen. Tegen ongeveer elf uur kwamen wij Donderdagmorgen in de Rangoon-rivier en kregen toen reeds heel spoedig den gouden top van de groote, wereldbekende pagode van Rangoon in het gezicht. Toch werd het nog bijna twee uur, alvorens wij in Rangoon aankwamen, alle formaliteiten waren afgeloopen en wij aan wal konden gaan.
Nu waren wij in Burma en alsof wij een blad hadden omgeslagen van een plaatwerk, zoo was op eens het beeld veranderd van hetgeen zich thans aan ons oog vertoonde. Vlak bij de landingsplaats stonden de rijtuigen met hunne bruine, naakte koetsiers en deze laatsten bestormden ons om ons naar het hotel te brengen. Van het bijna leege schip was niet veel te halen, de meesten moesten zonder vrachtje huiswaarts keeren. Wij moesten echter eerst zien of er niet een beter vervoermiddel te verkrijgen was, voordat wij ons in deze vierkante vogelkooi op groote bandlooze wielen, met een paard als een rat, nedervlijden. Al spoedig vernamen wij, dat deze “gharries” de Burmeesche rijtuigen waren en wij ons daarvan te bedienen hadden. Gelukkig zijn onze ingewanden reeds gewend om door elkaar geschud te worden, zulke tochtjes doen ons heelemaal geen kwaad meer, hebben zelfs dikwijls eene zeer heilzame uitwerking.
Wat een heerlijke, verkwikkende, opvroolijkende indruk gaat van Rangoon uit. Niettegenstaande het misschien een van de warmste plekjes op aarde is en men verwachten kan, dat elkeen hier gebukt gaat onder den deprimeerenden invloed van die nat-warme hitte, ziet men hier een levendigheid en een vertier, en wat het meest aantrekt, een lach op elks gelaat en een vriendelijke expressie in ieders oog, die onwillekeurig eene stimuleerende werking op ieder mensch moet uitoefenen. Nadat wij in het hotel onze kamers in bezit genomen hadden, begaven wij ons onmiddellijk de straat op, hoewel de zon nog wreed-brandend hare stralen op ons neder zond. Hier konden wij ons dus weder vergasten aan het gezicht van vrouwen in de straten, vrouwen, die niet alleen, zooals in Britsch-Indië, het zwaarste en vuilste werk verrichten, maar vrouwen uit alle rangen van de maatschappij, die zich op straat bevinden voor de verschillende dergelijke redenen als waarom zich ook bij ons vrouwen op straat bevinden. De Burmeesche vrouwen zijn zeer opvallend. Zij gelijken zeer veel op de Japansche en Chineesche vrouwen, zij behooren trouwens ook tot het Mongoolsche ras. In hare gele, rose, blauwe, mauve of anderskleurige zijden nauw om de beenen sluitende sarong, hare wit geborduurde kabaja, hare lange, dikke, zwart-glimmende haarwrong als een diadeem op de kruin van haar hoofd, waarin altijd eenige versche bloemen steken, en een nooit ontbrekenden vriendelijken lach in hare oogen, wandelt zij met hare gebloemde Chineesche pajong boven haar hoofd in de eene, en eene brandende sigaar in de andere hand, even vrij door Rangoons straten als de vrouwen van elke beschaafde Europeesche natie in eigen land.
Een Buddhistpriester met twee leerlingen.
Rangoon heeft eene bevolking van ongeveer 300.000 zielen en daarvan zijn slechts 80.000 Burmeezen.
De anderen zijn menschen uit verschillende Oostersche landen. Velen komen uit Britsch-Indië. Alle koelies bijv. zijn Hindoes uit de laagste kaste, want nooit zal een Burmees zich verlagen om koelie-werk te doen. Dan zijn er velen uit Thibet en China, uit Ceylon en Afrika en ook onze Maleiers ontbreken niet. Europeanen vormen slechts een klein deel en dat zijn bijna allen personen, die hier slechts een tijdelijke functie waarnemen. Doch zoodra men Rangoon verlaat en dieper het land intrekt, dan ontmoet men Burmeezen en niets als dezen.
Naast de Burmeesche vrouwen vallen in de straten van Rangoon de Boeddhistische monniken ’t sterkst op. Ik beschreef ze reeds in Ceylon, deze kaalgeschoren, bijna naakte mannen in hunne oranjekleurige doeken gewikkeld, die hun geheele leven nietsdoende doorbrengen. Kerken hebben de Boeddhisten niet, dus kerkdienst hebben zij niet te vervullen en zelfs bij een sterfgeval, huwelijk, geboorte of zulk soort omstandigheden in eene familie doen zij geen dienst. Als de hedendaagsche Boeddhist in zulke gevallen een priester verlangt, dan gebruikt hij daarvoor een Brahmaan. Vroeger heette het, dat de Boeddhist-monniken de opvoeding en het onderricht van de jongens tot taak hadden en toen was er in Burma geen man, die niet een of meer van zijne jongensjaren in een monnikenklooster had doorgebracht, daar had leeren lezen in eigen taal en de Boeddhistische wijsheid had opgezogen. Sedert er echter gouvernementsscholen zijn, zenden de meeste ouders hunne jongens naar deze scholen en wordt het zedelijk verplicht verblijf in een monnikenklooster voor elken jongen beperkt tot eenige dagen in zijn geheele leven. Als opvoeders der jeugd kunnen de priesters dus ook al niet meer beschouwd worden en hoewel de boeken van Fielding Hall, die met zooveel sympathie schrijft over het Boeddhisme, mij het mooie, poëtische in dezen godsdienst wel hebben doen gevoelen, is hij er toch niet in geslaagd mij eenige sympathie voor dit priesterdom in te blazen. Hun leven is zeer simpel, zij eten slechts eens per dag en gebruiken alleen voedsel, dat door de jonge priesters ’s morgens is opgebedeld. Zoo luidt tenminste hun voorschrift, doch of daaraan strikt de hand wordt gehouden, betwijfel ik, na hetgeen ik daarvan in Ceylon zag en uit den mond van een priester vernam. Het is een vreemd gezicht als men ’s morgens vóór twaalf in een der drukke straten van de Bazaar loopt en men ziet dan een lange rij Boeddhistische priesters één voor één achter elkaar loopend met een groote steenen bak op hun hoofd of om hun hals, gebeden prevelend, voorbij trekken; geen moedertje blijft dan achter haar toonbank daadloos, allen komen uit om in den steenen bak wat gekookte rijst, wat toebereide groenten, wat brood of iets dergelijks te werpen. Sommige van die kleine vrouwtjes staan reeds met hun zorgvuldig bereide gift op den rand van het trottoir te wachten, tot de monniken komen aanloopen.
Dit is niet de eenige wijze waarop een Boeddhist zijne zaligheid koopt. Als hij een rijk mensch is, dan laat hij een mooi Boeddhabeeld maken en bouwt daar een mooie pagode omheen, dat is de zekerste weg tot eeuwige gelukzaligheid. Men kan die ook verwerven door het bouwen van een klooster en als daartoe de middelen ontbreken door het plaatsen bij een boom of aan den voet van een berg van een kruik koel drinkwater voor de passeerende menschheid, of door rustplaatsen in te richten voor den vermoeiden voetganger. Er ligt een bijzondere soort vriendelijkheid in den godsdienstvorm van deze menschen. Zij aanbidden geen God; Boeddha was van meening dat er geen God was, die aanbidding verlangt, doch zij gaan naar hun pagoden om Boeddha te verheerlijken. Geen man, noch vrouw, noch kind komt daar zonder bloemen, zelfs de zuigeling op moeders arm wordt een roos in het handje gestopt, om aan Boeddha’s voeten neer te leggen. Al de pagode’s zijn elken dag vol veelkleurige bloemen, die des avonds worden verwijderd, om plaats te maken voor de frissche bloemen van den volgenden dag. Man, vrouw en kinderen komen gezamenlijk hunne offeranden—altijd bloemen en niets dan bloemen—brengen, knielen dan voor een der vele Boeddhabeelden in deemoedige houding neder en prevelen een soort gebed. Volgens Fielding Hall bidden zij echter niet, doch komt hetgeen zij zeggen daarop neder, dat het leven ellendig is, alleen verdriet en moeilijkheden baart en dat na den dood eerst het hooge geluk kan aanbreken en dat zij Boeddha danken, omdat hij hen dat geleerd heeft.
De Boeddhisten bidden echter ook wel, doch niet tot God of Boeddha zenden ze hunne gebeden op, maar tot de goede en booze geesten. Volgens hen is er leven in alles. Boomen en planten, bergen en rivieren, rotsen en steenen, alles leeft, in alles huist een geest. Deze geesten, die goede en booze geesten kunnen zijn, aanbidden zij. Zulk een geest kan een ziek kind gezond maken, een oogst doen mislukken, een vrouw de liefde van haar man terugbrengen, of een jongeling’s hart doen gloeien voor een of ander meisje. Die geesten beschikken over leven en dood, over welvaart en ellende. Hen tot goed vriend te houden, met hen op goeden voet te verkeeren, is politieke wijsheid en daarom doet een Boeddhist alles waarmede hij zoo’n geest meent te kunnen dienen.
Wij begaven ons den eersten keer in schemerdonker naar de Shwe Dagón Pagode, dat is de meest beroemde van alle pagode’s; dan krijgt men het best een algemeenen indruk en ziet niet de détails. Het miste zijne uitwerking op ons niet. Wij stonden letterlijk verbaasd. Het was zoo geheel iets anders dan alles wat wij tot dusver gezien hadden en de talrijke Boeddhisten, die met ons de hooge stoep opklommen om daar boven hunne hulde te brengen aan den grooten profeet en hunne bloemen aan zijne voeten te leggen, werkten er toe mede om den diepen indruk, dien dat alles verwekte, te verhoogen. Het was een schoon Oostersch beeld, dat ons met sympathie vervulde voor de Boeddhisten en hun grooten voorganger. Den volgenden dag gingen wij er bij helder daglicht heen en toen nam al dat klatergoud, al dat gekleurde glas, dat bij avond als diamanten en robijnen schittert, en al die honderden Boeddhabeelden, elk in een afzonderlijken pagode rondom de eenige groote tombe, die het een of ander stuk van Boeddha’s lichaam in haar binnenste herbergt, veel van het verheven gevoel weg, dat ons des avonds had bezield.
Rangoon is een mooie stad, veel mooier, veel Oosterscher en veel interessanter dan Calcutta. Er zijn zeer mooie rijtoeren in en om de stad te maken, die rondom de lakes is het schilderachtigst. Doet men dien tocht ’s avonds tusschen vijf en zeven, dan heeft men nog het voordeel om heel de élite van Rangoon aan zich voorbij te zien trekken, vooral op een avond als er in het midden van een der groote grasvelden, waarvan alleen de Engelschen het geheim schijnen te bezitten om ze fluweel groen te maken, een muziekkorps van een of ander Engelsch regiment een concert geeft. Dan hoopt zich daar heel de groote wereld van dit cosmopolitische stadje in een betrekkelijk kleinen cirkel bijeen, dan vindt men daar specimina van bijna alle orientalische volkeren. Wij lieten ons rijtuig op kleinen afstand halt houden om die bonte menigte beter te kunnen overzien. Op dat in-groene grasveld, onder hooge palmen van allerlei soort, werd het militaire muziekkorps omringd door Europeanen in hunne witte kleeding; Burmeesche vrouwen en mannen in hunne veelkleurige sarongs en witte kabaja’s, de vrouwen nog veel meer dan in de straten hunne haren met levende bloemen versierd; door geheele families Chineezen, hare staarten met gekleurde linten doorvlochten en mannen en vrouwen zóó gekleed in zijden broeken en jassen, dat wij ze niet van elkander konden onderscheiden; door Japanners in hunne eigen en eigenaardige kleederdracht; door vele Hindoes en Parsees en door de rijk met gekleurde koralen en gouden sieraden behangen Thibet-vrouwen. Hier kwamen al de rijke lui van Rangoon bijeen, menschen, die althans rijk genoeg om zijn eigen rijtuig, automobiel of rijpaard er op na te houden. Hier werd een stuk society-life afgespeeld, waarvan wij niet de volle beteekenis konden begrijpen, omdat wij bijna geen dier menschen kenden. Alleen van enkelen werd ons hunne beteekenis in de geld- en handelswereld medegedeeld.
Een van de bijzonderheden van Burma is wel het groote gebruik, dat nog gemaakt wordt van olifanten als arbeidskrachten in de houtwerken. Wil men dat echter goed zien, dan moet men dieper het land intrekken en de oerwouden bezoeken. Men had ons gezegd en ook de gidsboeken vermelden het, dat een paar mijlen van Rangoon verwijderd eenige houtzaagmolens zich van olifanten als arbeidskrachten bedienen en wij namen de moeite om een ochtend om zes uur op te staan en om half zeven te rijden naar een dier gelegenheden. Het was echter alleen ondergeschikt werk, dat daar door drie olifanten gedaan werd, het andere geschiedt alles machinaal. Dat hadden wij in Ceylon reeds veel beter gezien, zoodat wij dezen tocht vrijwel als een mislukten beschouwden. Bij de groote pagode is een zoogenaamde witte, heilige olifant. Het dier is echter heelemaal niet wit, alleen wat lichter grijs van tint dan zijne broeders. Men beweert echter, dat het beest bij de geboorte bijna wit was en bij de toeneming der jaren donkerder van tint is geworden. Het dier heet echter nog de witte olifant.
Behalve een overgroot aantal monnikenkloosters, bezit Burma ook nonnenkloosters. Die zijn echter slechts weinig in aantal. De nonnen gaan allen gekleed in een gele sarong met witte kabaja en daarover losjes een rose getinte, zeer dunne shawl. Zij vallen in de straten onmiddellijk op, omdat hare hoofden, evenals van de monniken, kaal geschoren zijn. Als men ze ’s morgens vóór twaalf uur in de straten ziet, hebben zij meestal ook een bedelpan op het hoofd en verzamelen daarin de goede gaven der eenvoudige burgers. Deze nonnen leven, als ’t kan, een nog doelloozer leven dan de monniken. Zij doen letterlijk niets, zelfs besteden zij den tijd niet aan het lezen der boeken van Boeddha. Zij meenen hemelsche zaligheid te verwerven door zich van alle wereldsche genoegens te spenen. Wat een hemelsbreed verschil met de Roomsch-Katholieke nonnen, waarvan wij juist hier in de lepragestichten de meest sympathieke staaltjes van zelfopoffering zagen. Lepralijders schijnen hier in grooten getale voor te komen, overal zijn hier tehuizen voor hen ingericht. Wij zagen zulk eene inrichting voor mannen en een voor vrouwen, waarin 350 lijders op de meest liefderijke wijze door Franciscaner nonnen verpleegd worden.
Moge het Boeddhisme ook veel aantrekkelijkheid bezitten en zeker de meest poëtische godsdienst zijn, mij bekend, de Boeddhist-monniken en -nonnen kunnen geen sympathie wekken. Terecht of ten onrechte schrijf ik den lagen stand van ontwikkeling van de Burmeezen aan hun invloed of althans aan hun voorbeeld toe. Niets-doen, in de volle beteekenis van het woord, geeft recht op vereering in dit leven en op eeuwige zaligheid hier namaals; dit is te gemakkelijk te verwerven dan dat in dit heete land, waar men zoo vanzelf energieloos wordt, niet tal van jonge mannen zich aangetrokken gevoelen om hunne lange haren te laten afscheren en in een gelen doek gewikkeld verder het leven te slijten. Tot daden, die eenige inspanning van geest of lichaam vereischen, komen deze menschen nooit; ook gelooven zij, dat elkeen bij de geboorte reeds is voorbestemd voor wat hem verder in het leven zal wedervaren en dat het doelloos is zich daaraan te willen onttrekken of dat te willen wijzigen. Van zulk een volk kan natuurlijk geen kracht uitgaan, zulke menschen brengen de wereld niet vooruit.
Ik bewonder mijzelf, dat ik hier nog de energie heb kunnen verzamelen dezen brief te schrijven, die, in letterlijken zin, in het zweet mijns aanschijns is ten einde gebracht. Over ’t geen wij hier meer zagen en ondervonden, hoop ik op de boot naar Penang gelegenheid te vinden het een en ander mede te deelen, want ’t is hier eigenlijk veel te heet om een vin te verroeren. Als ik hier lang bleef ben ik er niet zoo zeker van ook niet een Boeddhist-non te worden en het verdere van mijn leven in een zalig niets-doen door te brengen.
Ik zit nu aan boord van de “Dilwara”, die ons van Rangoon naar Penang zal brengen en ofschoon het ook hier snikheet is, zal ik toch trachten wat meer van Burma en de Burmeezen te vertellen dan ik in mijn vorig schrijven deed. Want dit land en volk is een ernstige studie waard, het is zoo geheel verschillend van alle andere volken. Eensdeels zijn zij eenige eeuwen bij anderen ten achter en anderdeels zijn zij andere natiën ver vooruit. Dit laatste vooral voor zoover het de positie der vrouwen betreft.
Ons plan was geweest, minstens drie weken in Burma door te brengen, naar Mandalay, de interessantste stad in Burma te gaan, vandaar naar Bhamo, een paar bergtoeren te maken en dan de Irrawadday-rivier afgaande, naar Rangoon terug.
Wij hadden de rondreiskaarten daarvoor reeds besteld den eersten dag toen wij arriveerden en nog vol energie waren. Toen ik echter den volgenden morgen na het ontbijt in de kamer van mijn reisgezellin verscheen om gezamenlijk uit te gaan, vond ik haar weder ontkleed op haar bed liggen, in Hindoe’s costuum, zooals zij het geliefde te noemen en vast besloten “den heelen dag geen vin te verroeren, omdat zoo’n hitte niet te verduren is”. Ik toog er toen moedig alleen op uit en vernam dat Mandalay op het oogenblik nog veel heeter dan Rangoon is, dat de booten op de smalle rivier, met de thans hooge oevers (omdat er weinig water in de rivier is) onuitstaanbaar zijn van de hitte en de muskieten, die aldaar bijzonder bijtlustig zijn, en dat wanneer wij het in Rangoon reeds te warm vonden, de voorgenomen reis sterk ontraden moest worden. Toen ik met dat bericht thuis kwam, besloten wij die reis op te geven en te trachten ons van onze reiskaarten weder te ontdoen. Met een verlies van 10% lukte ons dit. Wij moesten echter tot den 21en Maart in Rangoon blijven, omdat er geen boot vóór dien tijd naar Penang ging.
Wij hadden eenige introducties in Rangoon en ik had dien morgen genoeg vernomen om ons nieuwsgierig te maken. Met een opwekkend woord mijnerzijds en den prikkel om wat van Burma’s vrouwen te kunnen vernemen, gelukte het mijn reisgezellin genoegzaam energie te verzamelen om haar Hindoe’s voor een geciviliseerd toilet te verwisselen en met mij er op uit te gaan. Ik had ook een victoria bemachtigd, zoodat wij van de Rangoonsche gharrie verlost waren. Regelrecht lieten wij ons naar het gemeentehuis brengen, alwaar wij met den president en den secretaris van het gemeentebestuur een zeer belangrijk gesprek hadden. Het was waar wat wij vernomen hadden, dat de vrouwen van Burma het kiesrecht voor de gemeenteraden bezitten, evenals de mannen, en dat daarvan door hen geregeld gebruik wordt gemaakt, procentsgewijze evenveel als door de mannen. De vrouwen zijn ook verkiesbaar, doch voor zoover de heeren wisten, was er nog nooit een vrouw candidaat geweest voor een zetel in den raad. Maar sedert eenigen tijd begonnen de vrouwen zich te roeren, zij waren ontevreden met genomen besluiten, en de naam werd genoemd van een dame, die zich bij de volgende verkiezing candidaat zal stellen. Wij vroegen het adres van die dame en na nog tal van inlichtingen ontvangen te hebben, omtrent verschillende gemeente-instellingen, scholen, gevangenis, hospitalen enz., gingen wij die dame, Mah Illà Oung, opzoeken.
Mah Illà Oung.
Dat was een vrouw naar ons hart. Zij was thans weduwe, doch reeds bij het leven van haar man, die een van de hoogste posities hier in Engelschen dienst bekleedde, stichtte zij verschillende sociale instellingen en trachtte zij de Burmeesche vrouwen te vereenigen. Zij was reeds twee keer in Engeland en werd zoowel door koningin Victoria als door koning Edward en koningin Alexandra in particuliere audiëntie ontvangen, waarop zij hen over toestanden in Burma met betrekking tot de opvoeding der Burmeesche meisjes inlichtte. Vooral door haar toedoen is er ’n groote verbetering gekomen in de opvoeding der Burmeesche meisjes, die nu, voor zoover ’t de hoogere en middenklasse der bevolking betreft, allen naar school gaan. Haar ideaal is co-educatie voor jongens en meisjes, dat dan ook in de beide scholen, door haar in Rangoon gesticht, strikt wordt doorgezet. Haar scholen worden door 370 en 420 kinderen bezocht. De leerkrachten zijn grootendeels Burmeesche onderwijzeressen. Wij bezochten beide scholen en woonden een geheelen morgen ’t onderwijs in de verschillende klassen van een der beide scholen bij, dat in de hoogere klassen geheel in de Engelsche taal gegeven wordt. Het was een genot die kleine Burmeesjes en Chineesjes te hooren en te zien. Het onderwijs brengt de kinderen zoover, dat zij, zoo gewild, in Engeland of Britsch-Indië een van de universiteiten kunnen bezoeken om een doctorstitel te behalen, of met een tweejarigen cursus aan een school voor opleiding tot onderwijzeres het examen voor dit vak kunnen afleggen. Beide scholen staan onder de hoofdleiding van ’n directrice, dames (Burmeesche), die in algemeene ontwikkeling en helder oordeel, in kennis van talen en van literatuur voor de besten in Europa niet behoeven onder te doen. Deze dames hebben hare geheele opleiding in Rangoon ontvangen. Mevrouw Illà Oung vertelde ons, dat nu haar streven is, in Rangoon een universiteit te krijgen, zoodat ook de doctorsgraad in de verschillende vakken aldaar behaald kan worden. Zij hoopt, dat dan wat meer vrouwen voor doctor in de medicijnen zullen studeeren, waar groote behoefte aan is.
Mah Nee Nee.
Hier in dit land van pagoden en kloosters, van nonnen en monniken, hebben de vrouwen dezelfde rechten als de mannen. Huwelijken werden tot voor korten tijd zonder priesters en zonder burgemeesterbriefjes gesloten; meisje en jongen komen overeen om te zamen een gezin op te zetten en als de ouders het goed vinden, wordt daaraan op zekeren dag gevolg gegeven, meestal voorafgegaan door ’n eenvoudig huiselijk of familiefeest. Tegenwoordig helpt een Brahma’sche priester den band tusschen de jongelieden leggen. Doch ook nu nog behoudt het meisje in het huwelijk haar eigen naam en wat meer zegt, haar eigen bezit en recht op haar eigen verdienst. De meeste Burmeesche vrouwtjes verdienen, ook in het huwelijk, haar eigen onderhoud, evengoed als de mannen. Zij bezitten een stuk grond, dat zij zelf bebouwen, zij hebben haar eigen standplaats in de bazaar, waar zij zijde (dikwijls zelf geweven), zilver, houtsnijwerk of andere zaken verkoopen, zij gaan daags naar hunne kantoren of scholen, waar zij werken of onderwijs geven, of zij voorzien op andere wijze in eigen onderhoud. Even gemakkelijk als zij trouwen, kunnen zij ook scheiden, als een van beiden daartoe den wensch te kennen geeft en naar het bureau gaat, waar zij als man en vrouw staan ingeschreven. Als zij dan daar mededeelen dat hij of zij het huwelijk wenscht te ontbinden, dan wordt na eenige dagen ook de andere partij opgeroepen, vastgesteld wat ieder hunner vóór het huwelijk bezat en wat gedurende het huwelijk op beider naam is aangekocht of door gezamenlijke inspanning verkregen. Elk krijgt dan terug wat vóór het huwelijk het zijne was en het andere wordt verdeeld. Echtscheidingen in Burma zijn evenwel zeldzaamheden. De huwelijksband wordt om geen andere reden dan uit zuivere liefde gesloten en schijnt tegen een stootje bestand te zijn. Volgens de boeken van Fielding Hall gaat de hofmaking meestal van het meisje uit, doch toen ik een jonge Burmeesche schoone vroeg of dat waar is, gooide zij haar fijn besneden, zwart kopje op haar linker schouder, keek mij schalks met haar glinsterende zwarte oogjes aan en antwoordde bedeesd: “Ik geloof niet, dat meisjes daartoe den moed hebben”. Maar toen ik haar, zooals zij daar voor mij stond, goed opnam, toen wist ik, dat zij en Fielding Hall beide gelijk kunnen hebben; zonder het in zoovele woorden uit te drukken, kan de hofmaking toch heel goed van het meisje uitgaan. Zulke zwarte oogjes kunnen meer uitdrukken dan de mond onder woorden kan brengen.
Wij woonden in de school ook een godsdienstles bij. Men had het over zielsverhuizing. Die les werd in ’t Burmeesch gegeven, doch alles werd voor ons in het Engelsch vertaald. Wat ik daar hoorde, vind ik te belangrijk om er niet in het kort hiervan melding te maken. De Boeddhist gelooft niet aan een zielsverhuizing in den geest der Hindoe’s. Hun godsbegrip is ook anders. Dit werd den kinderen op de volgende wijze duidelijk gemaakt. Eerst werd verteld van de electrische kracht die licht geeft, licht dat soms op grooten afstand van de lichtgevende kracht schijnt. De kinderen moesten zich nu een soortgelijke macht denken, die leven geeft. Een levengevende macht was de hoogste macht. Men kon die macht God, Jehova, Allah, of hoe ook, noemen, de naam was onverschillig, het was die macht, die over de geheele wereld alles beheerschte. Het leven werd verder vergeleken bij het electrische licht, de uitwerking van die macht, die wij zien. Soms breekt door een of andere oorzaak het lampje, het licht gaat dan uit. Zoo ook met het leven. Maar al is het lampje gebroken, het licht bestaat als te voren. De lichtgevende kracht had niet opgehouden te werken, het licht was niet verdwenen, het had slechts een ander omhulsel noodig om opnieuw te schijnen.
Toen ik zooveel van Burma en de Boeddhisten vernomen had, wilde ik Rangoon niet verlaten, alvorens nogmaals een bezoek te hebben gebracht aan de Shwé Dagon Pagode en de honderden pagoden rondom. Ik koos daarvoor weder den tijd van schemerdonker. Het was alsof die tallooze zittende Boeddha-figuren nu alle vriendelijk glimlachten en alsof een liefelijke muziek klonk uit die duizenden klokjes, die onzichtbaar aan de groote en kleine pagoden hangen en door den wind in beweging worden gebracht. Ik zag die bloemen brengende mooie Burmeesche vrouwtjes, met hunne poppige bébé’s en de altijd vriendelijke en hulpvaardige mannen nu met andere oogen, ik voelde groote sympathie voor dit volk en zijne religie in mij opwellen. Jammer, duizendmaal jammer, dat onder den invloed van Amerikanen, Engelschen en andere Europeërs, dit volk langzamerhand zijne zeden en gewoonten begint te verliezen, en zij en wij meenen, dat zij van ons zooveel leeren kunnen. Zeker kunnen zij wat van ons leeren, maar daarnaast valt er voor ons ook zoo heel veel van hen te leeren.
Donderdag tegen den avond, nadat wij dus ruim een week in Burma hadden doorgebracht, begaven wij ons aan boord van de “Dilwara”. Dit is een oude boot, die oorspronkelijk dienst deed voor troepenvervoer van Londen naar Calcutta. Voor dat doel werd hij afgedankt en nu gebruikt de Britsch-India Steam Navigation Co. hem als vrachtboot tusschen Rangoon, Penang en Singapore, met een begrensde ruimte voor passagiers. Die begrensde ruimte is nu tot over de grenzen bevolkt, het is alsof Indië al de nog resteerende toeristen opeens heeft uitgeworpen en, bijeengepakt op deze boot, naar koelere streken zendt. Het is grappig, hoe wij vele toeristen die wij in Ceylon of in Indië in de vele hotels ontmoet hebben, thans hier bijeen vinden en hoe levendig de gesprekken zijn onder al die heeren en dames, die elkander op dit kleine plekje nu weder ontmoeten. Het is lang niet gemakkelijk een hoekje te vinden om rustig te kunnen schrijven. De medepassagiers zijn voor het meerendeel Engelschen en Amerikanen, die nu op weg zijn naar Japan, doch er zijn toch ook betrekkelijk vele Duitschers en eenige Oostenrijkers onder. Veel interessanter dan de eerste klasse passagiers zijn de tusschendekpassagiers. Van over de leuning van de brug zie ik juist op hen neer. ’t Zijn allen natives, zegt de eerste officier tot mij. Maar dan toch natives van bijna even zoovele tribes als er menschen daar beneden huizen. Dat is een gemakkelijker te vervoeren bende dan de 1ste klasselieden. Wij beklagen ons over alles, vinden de matrassen te hard, de hut te klein, geen gelegenheid genoeg om al ons hebben en houën te bergen, het ijs in onze dranken niet koud genoeg, de tien of twaalf gerechten, drie keer daags op de menu voorkomend, niet variëerend genoeg. De tusschendekpassagiers hebben allen precies zooveel ruimte, dat zij hun matje kunnen uitspreiden, waarop zij zich neervleien als zij gaan slapen, of waarop zij met gekruiste beenen neerzitten als zij wakende zijn. Die laatste toestand komt echter alleen voor, wanneer zij hun maaltijd gebruiken. Hun voedsel bestaat uit medegebrachte gekookte rijst, bananen en wat gedroogde visch of vleesch. Zij nemen niet kwart zooveel voedsel tot zich als wij gewoon zijn te doen en ze doen dat zonder omhaal van tafelbenoodigdheden. Geen borden, geen mes, lepel en vork, geen servet, geen drinkglas, niet van al die dingen die wij overbeschaafde menschen meenen noodig te hebben om ons voedsel in den mond te brengen. Zij zitten daar vlak naast elkander, geen speldruimte is er tusschen hen overgelaten, en zij lijken allen tevreden. In deze hitte zijn zij in hun element, hunne kleeren benauwen hen niet, behoefte aan beweging gevoelen zij niet.
Daar komen eenige jonge Engelsche athleten den eersten officier overvallen met de vraag, of er niet ergens een hoek gereserveerd kan worden, waar zij wat beweging kunnen nemen. Een Engelschman houdt het geen drie dagen uit zonder den een of anderen vorm van sport. De Duitschers kunnen zich onledig houden met musiceeren. Voor de ontstemde piano zit steeds en altijd een van de Duitsche heeren en vergast ons soms op de heele Wagnercyclus. Jammer, dat de piano niet bij machte is de goede bedoeling naar waarde weer te geven. Vreemd, dat verschil tusschen die twee groote naties, dat hier op dit kleine schip al bijzonder opvallend is. De krachtig gespierde Engelschman, wiens energie in hoofdzaak in armen en beenen huist en de min of meer smachtig uitziende Duitscher, intellectueel veel hooger staande, zijne genoegens en afleiding zoekend in geestelijk werk. Doch toen den tweeden avond een bal geïmproviseerd werd, waren Duitschers en Engelschen beiden in hun element. Niettegenstaande de hitte, en de meer dan beperkte ruimte, waren er toch nog steeds drie of vier paren te vinden, die op de tonen van de Waltzertraum-wals ronddwarrelden. Ons potsierlijk dik kapiteintje, met zijne veel te korte beentjes, was onvermoeid. Kon hij geen jong meisje of jong vrouwtje vinden om met hem op de tonen der muziek “rond te zwieren”, dan beproefde hij zijn geluk bij de ouderen. De bezitters van een kodak betreurden het allen, dat het avond was en zij hem niet konden vereeuwigen, zooals hij daar rondsprong. Er heerschte op dit schip zoo’n opgewekte toon, er was den geheelen dag zoo’n onoverdreven vroolijkheid, er was zooveel afleiding, dat de 2½ dag omvlogen.
Het was Zondagmiddag na de lunch toen het anker werd uitgeworpen en wij even buiten Penang stil lagen. De sloep met de doctoren voor de medische inspectie kwam aan boord. Ik schrijf doctoren, want naast mijne mannelijke collega liep ernstig en statig een klein Chineesch vrouwtje, in zwart zijden pantalon en wijd hangend jasje, haar glinsterende zwarte haren op Japansche wijze gekapt, die als de “lady-doctor” werd geïntroduceerd. Ik liet mij aan haar voorstellen, doch toen bleek, dat zij niets meer dan een “trained nurse” is, die door de regeering is aangesteld voor het medisch onderzoek der in Penang arriveerende vrouwen. Zij heeft haar opleiding in het hospitaal te Penang genoten.
Het bleek, dat op het schip toen het in Rangoon aankwam twee doodelijk afgeloopen gevallen van cholera en een van pest onder de tusschendekpassagiers waren voorgekomen en daarom al die menschen nu voor tien dagen in quarantaine gingen. Eerste en tweede klasse passagiers konden echter aan wal gaan. Hadden wij dat vroeger geweten, wij zouden niet zoo rustig en genoegelijk de reis op dit schip gemaakt hebben.
Het is loonend eenige dagen in Penang door te brengen. De stad met de geheele omgeving heeft zeer veel overeenkomst met Kandy in Ceylon. Er is ongeveer dezelfde plantengroei, dezelfde soort bergen en dezelfde soort villa’s voor de Europeesche bevolking. Maar de inlanders verschillen hemelsbreed van die op Ceylon. Naast enkele Indiërs, vindt men in Penang een overgroote meerderheid Chineezen, Maleiers en een mengsel van deze beide laatsten. Chineesch en Maleisch is de volkstaal, ook de kleederdracht dezer beide volken ziet men het meest aan den weg. Elke vreemdeling moet onmiddellijk getroffen worden door de groote zindelijkheid in de straten, zoowel in die, waar de Oosterlingen, als in die waar de Europeanen wonen. Alles ziet er keurig netjes en afgewerkt uit. De straten waarin in hoofdzaak Chineezen wonen, kenmerken zich duidelijk aan de gekleurde lampions, die aan elke woning hangen en aan de rood en blauw geschilderde plankjes met zwart of goud gemerkte namen in Chineesche letterteekens. Geheele buurten zijn door hen bevolkt en overal vindt men de kleine, nette gebouwtjes, meestal in een mooien tuin staande, waarin deze menschen ’s avonds bijeen komen en hun clubgebouw hebben. Opmerkelijk is het, dat zoovele Chineezen hier, blijkbaar pas kortelings, hunne staarten hebben afgesneden en er nu, zoolang hun haar nog niet rondom is bijgegroeid, bespottelijk uitzien. De meening van de Europeanen in Penang is, dat de republiek in China voor goed is gevestigd, en dat geen volk ter wereld zoo rijp is voor een republiek als de Chineezen. Men vertelde ons, dat alle Chineezen, waar zij zich ook ter wereld bevinden, georganiseerd zijn. Elk hunner behoort tot zijn eigen geheim genootschap, waarvan zij hulp en steun ontvangen in tijd van nood en die hen van de noodige voorlichting dient. De positie van een Chinees kan niet zoo nederig en slecht betalend zijn, dat hij zijne contributie voor zijn genootschap niet vóór alles betaalt, en aan de voorschriften getrouw blijft. Dat maakt het volk thans sterk. Zij zijn over de geheele wereld overal doodgemakkelijk te bereiken en daar al die genootschappen gefedereerd en republikeinsch zijn, kunnen de instructies gemakkelijk uitgedeeld en gehandhaafd worden.
Wij bezochten in Penang een Chineeschen Boeddhistischen tempel, die eene bijzondere vermaardheid bezit. Zoowel de omgeving als de tempel zelf is zeer schilderachtig. De tempel is in een rots uitgehouwen, van den top van den berg kan men het geheel overzien. Het Chineesche Boeddhisme in Penang draagt meer het karakter van dat in Ceylon dan van dat in Rangoon. Hier weder geen offers van bloemen aan Boeddha, doch offers in geld en goed. Hier geen voedsel bedelende monniken, maar priesters die een zekere welvaart bezitten. Wij zagen een groep van acht priesters of monniken hun middagmaal nuttigen. Zij zaten allen op een stoel aan tafel, de hoofdschotel was rijst, doch daarnaast een dozijn andere gerechten, die bij de rijst genuttigd werden, en alles werd met dunne stokjes zeer netjes en sierlijk naar den mond gebracht. Is dat een trap van vooruitgang in beschaving, vroegen wij ons af. Deze menschen zitten niet meer op den grond, zij eten hun rijst niet met de handen en zij bedelen hun voedsel niet. Het mag zijn, doch de tempel in Penang, hoe schilderachtig die er ook uitziet, verwekt niet half die sympathie als de Pagodes in Rangoon. In dezen tempel zagen wij ook weder de afbeelding van zoovele duivels en draken en andere dingen om bang van te worden, die gereed staan om de menschen na hun dood te straffen, wanneer zij in hun leven iets boosaardigs gedaan hebben. Hier was weder een Boeddhisme, zooals wij ook in Ceylon aantroffen. Dan is het niet meer mooi; zoo kan Boeddha het nooit bedoeld hebben.
Wij hadden in de twee dagen die wij in Penang doorbrachten, juist tijd om een algemeenen indruk te krijgen en niets meer, en deze is een zeer gunstige. Het is er echter het geheele jaar door zeer heet en dat maakt er het verblijf voor de Europeanen zeer afmattend.
Wij verlieten Penang Dinsdagmiddag aan boord van de “Calypso”, een Engelsche boot, en kwamen Woensdagmorgen in Deli aan. De Nederl. Paketvaart-Mpij. laat Dinsdags slechts een vrachtboot varen; wij zouden tot Vrijdag hebben moeten wachten, wilde ik aan mijn nationaliteitsgevoel voldoen om overal eigen ondernemingen te begunstigen, waar die te vinden zijn. Penang heeft een zeer pittoresque haven, maar om daar bij een beetje stormachtig weder aan boord te gaan of te landen, gun ik alleen mijne vijanden. Mrs. Catt noch ik dachten levend aan boord van de “Calypso” te komen, zoo ging de sampan, het bootje waarin de neger ons naar het schip roeide, op en neer en links en rechts. Dan eens zaten wij op de top van een golf, dan weder zakten wij zóó laag, alsof wij regelrecht naar den grond gingen. Op al onze zeereizen zijn wij beiden niet zoo nabij zeeziekte geweest als in dat kleine, nare ding. Tot overmaat van ramp bleek het dat de man niet wist welke van al die schepen de “Calypso” was, zoodat hij ons herhaaldelijk naar een verkeerde boot bracht. “Goddank”, ontviel mij, toen wij eindelijk het schip in de gaten kregen en wij naderbij kwamen. Er waren slechts drie andere passagiers aan boord, zoodat wij een hut voor het kiezen hadden.
Om half acht kwamen wij Woensdagmorgen in Belawan-Deli aan, en werden op dat vroege morgenuur aldaar reeds verwelkomd door mevr. Lievegoed, mevr. van Hengel en mej. Baanders, die ons beiden een heerlijke bouquet orchideeën aanboden. Ik gevoelde mij zoo dadelijk thuis in Sumatra, alles klonk zoo familiair en sympathiek in mijne ooren. Toen het treintje ons een uur later in Medan afleverde, vond ik daar op het perron zoo waarlijk de lieve, goede, oude vriendin en warme voorstandster van vrouwenkiesrecht, mevr. Kunst en hare schoondochter, benevens eenige heeren. In het hotel De Boer waren een paar rustige, frissche kamers voor ons in gereedheid gebracht en per automobiel en rijtuigen brachten allen ons gezamenlijk naar het hotel.
Medan gaf mij op het eerste gezicht den indruk, alsof ik in Baarn rondreed, alles ziet er niet enkel Europeesch, maar zelfs Hollandsch uit. De geheele ontvangst, onze kamers, het geheele hotel, alles was voor ons eene verrassing. In onze groote, ruime, luchtige kamer staat ’t bed in een groote vliegenkast; dit is nieuw voor ons, maar het lijkt mij wel zoo luchtig als de dichte gazen muskietnetten rondom de bedden in Britsch-Indië. Ook de rijsttafel om twaalf uur was “a new experience”. Wij hadden door Britsch-Indië ook wel tot vervelens toe twee keer daags rijst met kerry gehad, maar het was niet dat. Wij kregen een soepbord voor de rijst en daarnaast een ander bord, waarop de tallooze bijspijzen gestapeld werden, die door drie verschillende jongens achtereenvolgens werden aangevoerd. Wij namen van alles een beetje “just to try”, maar toen het oogenblik was aangebroken om er van te eten, wisten wij niet hoe er mede om te springen. “You ought to know”, klonk de stem van mijne reisgezellin verwijtend, en ik zette een gezicht als iemand, die “wist” en vertelde haar, maar naar mij te zien en mij na te volgen. De “jongens” wisselden echter heel rare blikken onderling, die mij duidelijk toonden, dat wij niet op het rechte pad waren, zoodat ik, alvorens ons voor de tweede maal op deze wijze in de oogen der Javanen te compromitteeren, eerst bij onze goede vrienden zal informeeren hoe wij in het vervolg met al die lekkere kostjes moeten omspringen. Want lekker was het, daarover waren mrs. Catt en ik het eens; zij, die anders niet van rijst houdt, kwam nu tot de ontdekking, dat zij in Indië rijst en niets dan rijst wil nuttigen.
Ook over de badkamers wil ik een woordje zeggen, want over een paar dagen zijn wij er aan gewend en dan maken zij geen indruk meer. “En hier zijn de badkamers”, zeide de hotelier tot ons, toen wij in de geheimen van het hotel werden ingewijd. Een viertal groote vertrekken met steenen vloeren, een waterkraan, aan de zoldering een douche en aan den muur een spiegel, maar het allereerste dat men in een badkamer verwacht,—een badkuip—ontbreekt. Men kan zich in deze vertrekken ongegeneerd begieten met koud water, wat ik vanmiddag, toen ik het van de warmte niet goed meer kon uithouden, deed, met het gevolg, dat ik kort daarna begon te transpireeren, zooals ik nog nooit in mijn leven heb gedaan, maar een bad nemen kan men niet. Ook over het gebruik van deze soort badkamers zal ik eerst nog de noodige inlichtingen moeten inwinnen, want het komt mij voor, dat zij zoo alle doel missen.
Kort nadat wij in het hotel aangeland waren, ontvingen wij een telegram uit Batavia, een welkomstgroet in Nederl.-Indië, van de ledengroep van de Ver. voor Vrouwenkiesrecht in Indië.
Onze goede vrienden in Medan lieten ons gedurende de heete uren van den dag tot rust komen, maar kwamen ons tegen vijf uur afhalen om een rijtoer in en rondom de stad te maken, zoodat wij ons konden oriënteeren en zij ons op de bijzondere plekjes opmerkzaam konden maken. Bij deze en latere tochten werd mijn eerste indruk nog versterkt, dat Medan en omstreken een bijzonder Hollandsch karakter draagt en alles er zoo netjes en welvarend uitziet.
Den tweeden dag van ons verblijf bezochten wij de tabaksonderneming van de Amst. Deli-Compagnie. De hoofdadministrateur, de heer v. d. Capelle, was zoo vriendelijk ons de auto te zenden om ons af te halen en hij zelf en zijne zuster vergezelden ons over de uitgestrekte bezittingen en legden ons de geheele tabakscultuur uit. Ongelukkig waren de droogschuren geheel leeg, doordat de tabak pas naar Holland was verzonden, doch wij zagen den nieuwen aanplant in verschillende stadia van ontwikkeling, en de heer v. d. Capelle gaf ons van het proces, dat de versch geplukte bladeren hebben door te maken, alvorens zij als dekbladen voor de fijne sigaren naar de markt gestuurd kunnen worden, zoo’n duidelijke verklaring, dat wij ons daarvan eene goede voorstelling konden vormen. Vooral troffen ons op deze onderneming de goede zorgen, die er voor de werklieden, de koelies, genomen worden. Aan hunne geestelijke ontwikkeling, hunne ontspanning, hunne gezondheid en hunne economische belangen wordt de grootste zorg besteed. Deze onderneming, die met zoo grooten voorspoed werkt, schijnt de nijvere mieren, die dien voorspoed helpen aanbrengen, bij de verdeeling der winsten niet te vergeten.
En nu zit ik reeds op de “Van Noort”, de boot van de Kon. Paketvaartmaatschappij, die ons van Deli naar Batavia zal voeren. Wij waren de week, die wij in Medan doorbrachten, zoo bezet, dat er voor het vervolgen van dezen brief geen tijd overbleef. Ik zal dus nu aan boord mijne aanteekeningen over dat verblijf uitwerken en aan hen, die er belang in stellen, mededeelen.
De dames in Medan hebben de geheele week voor de noodige afwisseling gezorgd, en ons verblijf aldaar tot eene van de aangenaamste gemaakt die wij in de laatste maanden doormaakten. Een van de eerste dagen bracht men ons in aanraking met de vrouw en dochter van den Chinees-majoor, die ons allervriendelijkst op een morgenbezoek ontving. Wij vonden vooral in de moeder eene vooruitstrevende vrouw, die goed Hollandsch spreekt en die zich voor verschillende zaken interesseert. Doch zij is toch te veel nog vrouw van haar land dan dat er van haar eenig initiatief kan uitgaan om den strijd op te nemen tegen verouderde zeden en gewoonten. Haar 16-jarig mooi dochtertje is verloofd met een jong man, dien zij nog nooit gezien heeft en dien zij, nadat het huwelijk voltrokken en zij voor goed aan hem verbonden is, voor het eerst zal ontmoeten. De moeder vertelde dat zij een dergelijk huwelijk indertijd geweigerd heeft, dat zij het doorgezet heeft haar man eerst te zien en hem toen de belofte heeft afgedwongen, dat hij nooit eene tweede, wettige vrouw naast haar zou nemen. Haar dochtertje ging echter op de oude wijze het huwelijk en daarmede voor haar het leven in. Ook de weduwe, of liever een der weduwen, van den overleden Chinees-majoor had den wensch te kennen gegeven ons te ontvangen en ook daar brachten wij een kort bezoek. Deze dame sprak echter slechts enkele Hollandsche woorden, zoodat een gesprek met haar niet goed wilde vlotten. Daar interesseerde ons meer de typisch Chineesche woning, met den eigen familietempel, waar nog eenige keeren daags offeranden geplengd worden aan de nagedachtenis van den eerst eenige maanden geleden gestorven heer des huizes.
Zondagavond, 30 Maart, hadden wij de eerste openbare vergadering, waar Mrs. Catt en ik over vrouwenkiesrecht zouden spreken. Het was een snikheete dag en ’t was alsof de avond nog zwoeler was dan de dag. Dat zal wel aan ons gelegen hebben, want wij hadden er tegen op gezien om in een temperatuur van zoo om en bij 90 graden Fahrenheit een lans voor de invoering van dat van zelf sprekend recht te breken. Wij waren bevreesd, dat niemand de moed zou hebben om bij die hitte in een zaal naar een voordracht over een, uit den aard der zaak, droog onderwerp te komen luisteren. Wat dit laatste betreft viel het echter bijzonder mede. Toen wij om kwart over negen, het uur waarop de vergadering zou beginnen, op het podium plaats namen, zagen wij voor ons een zaal vol dames en heeren, wier belangstelling in de publieke zaak groot genoeg was om de hitte in de zaal te trotseeren. Tot over twaalf uur bleef het geheele gehoor aandachtig luisteren, eerst naar onze voordrachten en toen naar de beantwoording van de ons gestelde vragen, en toen bij het sluiten der vergadering mevrouw Lievegoed, die deze bijeenkomst meesterlijk leidde, de aanwezigen attent maakte, dat allen, die wenschten het streven der leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederland te steunen, dit konden doen door als lid der vereeniging toe te treden, toen werden de daarvoor gereed gelegde lijsten zoo druk geteekend, dat de wenschelijkheid onmiddellijk bleek en ook werd uitgesproken, dat er een ledengroep in Deli en omstreken gevormd zal worden.
Toen wij den 1en April in den vooravond ook in Pangkalan Brandan, de groote petroleumonderneming, met de daar aanwezige Europeanen, dit voor ons zoo belangrijk onderwerp bespraken, bleek ook daar de belangstelling en de sympathie groot en werden ook daar vele leden gewonnen. Het was jammer, dat wij aan de uitnoodiging van de twee andere ondernemingen, om ook daar te komen spreken, niet meer hebben kunnen voldoen, anders was zeker de ledenoogst nog grooter geworden. De ledengroep in Deli begint nu met 86 leden te werken en zal onder de flinke leiding van mevrouw Lievegoed en enkele andere dames daar wel spoedig nog sterk in aantal winnen. Opmerkelijk is zeker, dat zoovele mannen zoo bereid gevonden werden ons pogen te steunen. Zij, die in Indië zelve invloed op onze wetgeving missen, voelen krachtiger dan de mannen in Nederland, hoe gemakkelijk in de regeeringslichamen de belangen verwaarloosd worden van hen, die niet vertegenwoordigd zijn.
De heer en mevrouw Du Pont, hoofdadministrateur van de onderneming “Pangkalan Brandan”, hadden daar alles prachtig voor ons geregeld en ons op de meest voorkomende wijze gastvrij ontvangen. Mevrouw Lievegoed vergezelde ons ook daarheen en leidde op even eenvoudige en goede wijze als zij dat in Medan had gedaan, ook deze vergadering.
Het was een verrukkelijke tocht van Medan naar Pangkalan Brandan, waarvoor de heer Van de Capelle ons een van de mooiste auto’s had afgestaan, zoodat wij nu eenige uren achtereen door de uitgestrekte tabaksvelden, rubberaanplantingen, pisang- en kokosnootbosschen vlogen, in plaats van drie uren in een primitieven trein door te brengen. Vooral des avonds, toen wij omstreeks middernacht langs de eenzame wegen huiswaarts keerden en de volle maan ons pad met een zilvergloed overgoot, toen schudden die wuivende pisangbladen en de mooi verlichte reusachtige kokosnootpalmen bij ons alle drie de fantasie wakker, zoodat wij zwijgend naast elkander zaten en alleen bij het voleindigen van den tocht den uitroep slaakten: “Hoe verrukkelijk!” Voor het eerst, na vele weken, ging ik dien nacht, heel laat, met een kouden neus naar bed.
Zou ik nog meer over Medan schrijven en over allen, die ons daar zoo voorkomend hebben ontvangen; over het allerliefste gezin van dr. Van Hengel; over de tallooze voorkomendheden van de goede mevrouw Kunst; over.... neen, ik noem niemand meer, want ik ben overtuigd, dat ik er altijd eenigen zou vergeten en onze waardeering voor al hetgeen men voor ons deed, kan ik toch nooit geheel in woorden uitdrukken.
Alleen met dezen totaalindruk wil ik eindigen: Medan is zoo’n aardig Hollandsch stadje, er heerscht zoo’n opgewekte geest, de temperatuur is er over het algemeen niet te heet (wij troffen het bijzonder heet en droog), de avonden en nachten zijn zoo aangenaam frisch, dat de Nederlanders, die aan de Oostkust van Sumatra familieleden hebben, niet bezorgd behoeven te zijn, dat hunne zonen of dochters, broeders of zusters, daar niet een gezond en genoegelijk leven leiden, en verzekerd kunnen zijn, dat de omgeving in het geheel op lichaam en geest eerder eene heilzamen, dan een deprimeerenden invloed uitoefent. In Medan en omgeving behoeft niemand te “verindischen”, zooals wij dat gewoon zijn te noemen: er bestaat alle gelegenheid om geest en lichaam jong en frisch te houden en, als de tijd van repatrieeren is aangebroken, als verbeterde uitgaven van het Hollandsche ras in het vaderland terug te keeren.