Op Sumatra’s Westkust.

I.

Den 22en April verlieten wij ’s morgens Batavia, om ons met de “Bantam” van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij naar Padang en de Padangsche Bovenlanden te begeven. Van Batavia naar Padang met de Kon. Paketvaart-Mij. is een tocht vol afwisseling, omdat men onophoudelijk dicht langs de kust vaart en tal van plaatsjes aandoet. Tegen ongeveer het middaguur verlieten wij Tandjong Priok en genoten nog eens van het gezicht op de mooie haven en de vele kleine eilandjes. Even vóór zes uur lagen wij stil op de reede van Anjer om tal van inlanders en eenige vrachtgoederen aan boord te nemen. Tevoren hadden wij nog bij daglicht het gezicht op Krakatou, het verlaten eiland, en het lange eiland genoten, want toen wij er later op den avond veel nader bij kwamen, was het te donker om er iets van te zien.

Om 6 uur den volgenden morgen lagen wij voor Kotô Agoëng stil, om menschen en goederen te laden en te lossen. Kotô Agoëng is een dorpje van de Lampongsche districten. Wij tweetjes stonden bij aankomst reeds kant en klaar en toen wij den kapitein onzen wensch te kennen gaven om aan wal te gaan, werd het stoomsloepje onmiddellijk neergelaten en werden wij aan wal gestoomd. Een klein roeibootje, bemand met twee inlanders, was achter aan ’t stoomsloepje gebonden, om ons uit de sloep zooveel verder te roeien en te trekken, tot wij droogvoets aan wal konden stappen. Wij moesten toch nog een ver sprongetje maken om niet door een opkomende golf verrast te worden, doch toen wij daar eindelijk aan wal stonden tusschen die tallooze toegestroomde inlanders, met wie wij geen woord konden wisselen, hadden wij toch voldoening van onze daad, al moesten wij elkander ook even glimlachend aankijken en ons zelf een paar avonturiersters noemen. Wij waren de eenige passagiers, die aan wal waren gegaan.

Het rijstplanten.

Het rijstplanten.

Eerst namen wij een kijkje op de passar, waar vooral de vrouwen zeer bedrijvig waren. Tal van jonge vrouwen zaten er neergehurkt, ieder in eigen kringetje, met in ’t midden een gat in den grond, daarboven een houtvuurtje en op dat houtvuurtje een pan gloeiend vet of olie, waarin allerlei soort bananen en ook sommige andere vruchten gebakken werden. Rondom ieder houtvuurtje een troepje inlanders, die de gebakken vruchten zoodra zij gereed waren, voor een of meer centen kochten en ze dan onmiddellijk nuttigden. Sommige oudere vrouwen kochten bij de verschillende gelegenheden eene kleine verscheidenheid van gebakken vruchten, die in een groot groen blad gerold, mede huiswaarts genomen werden. Ook kon men er hoopjes rijst of rijstkoekjes koopen, met of zonder een bestrooisel van geraspte kokosnoot. Wij zagen er meer soorten van ananas, dan wij ooit vermoed hadden dat er bestonden. Opmerkelijk was daar de stilte en kalmte, die onder deze menschenmassa heerschte. Men hoorde er nauwelijks eenig geluid.

Toen wij op de passar waren uitgekeken, gingen wij het dorp in. Een net en welvarend dorpje. Aan het eind van den langen hoofdweg stond de controleurswoning met het kantoor en de gevangenis, de eenige gouvernementsgebouwen, die daar bestaan, doch die zich onmiddellijk van alle andere gebouwen onderscheiden. De controleur zat in de voorgalerij en toen hij bemerkte, dat wij zijn erf opkwamen, kwam hij ons vriendelijk tegemoet. Hij is de eenige Europeaan, die daar woont en zijne kennismaking was voor ons bijzonder aangenaam, omdat hij uitstekend Engelsch sprak. Hij stond op het punt het gebergte in te gaan, waar sedert eenige avonden onheilspellende aardbevingsschokken vernomen waren, die de instorting van eenige bouwvallige woningen ten gevolge hadden gehad en waarover de inlandsche bevolking zich zeer verontrustte. Hij moest nu den stand van zaken gaan opnemen en zooveel mogelijk de bevolking geruststellen.

Over de daar wonende Lampongsche bevolking gaf hij ons eenige zeer wetenswaardige bijzonderheden. Er bestaat daar een soort overgangsvorm tusschen het matriarchaat en het patriarchaat. De Lampongsche jonge meisjes worden door de vaders voor een zekere som, soms 2000 à 3000 gulden, aan den toekomstigen echtgenoot verkocht en gaan dan van het ouderlijk huis in het ouderlijk huis van den man over. Zij moeten dan in het nieuwe tehuis ’t werk verrichten, dat haar door echtgenoot en schoonmoeder wordt opgedragen. In zekeren zin is zoo’n vrouw dan de slavin van haar schoonmoeder en van haar man. Kan de huwbare man echter de kostende som voor zijne bruid niet bijeenbrengen, dan begeeft hij zich in dienstbaarheid bij haar vader. De dochter en de jonge echtgenoot blijven dan in de woning van de ouders der vrouw en de jonge man wordt de slaaf van zijn schoonvader en misschien ook wel van zijne vrouw. De kinderen uit dat huwelijk dragen in zoo’n geval den familienaam van de moeder en behooren haar toe. Wanneer een vader geen zonen en maar één dochter heeft, dan wil hij alleen onder de laatste voorwaarde zijn dochter uithuwelijken, omdat anders zijn familie uitsterft.

Bijzonder interesseerden mrs. Catt en ik ons nu voor hetgeen wij vernamen, omdat daaruit bleek, dat onder de Lampongsche jonge vrouwen een geest van verzet zich begon te openbaren, nu de zaken niet meer gaan zooals zij dat wenschen. De som van twee à drieduizend gulden, die de vaders tegenwoordig voor hunne dochters eischen, kan n.l. in den regel niet door een jongen man opgebracht worden en om die reden worden de meisjes nu maar al te vaak uitgeleverd aan oudere of oude bokken, die voor een groen spruitje een groote som over hebben. De jonge meisjes van Kotô Agoëng en omstreken zijn nu sedert geruimen tijd een strike begonnen: zij zijn overeengekomen om niet anders dan een huwelijk aan te gaan, waarbij de nieuwe jonge man in dienst treedt van haar vader en zij de rechten behoudt op kinderen en ouderlijk erfdeel. De reden is duidelijk. De jonge vrouwtjes vertikken het langer om uitgehuwelijkt te worden aan oude snoepers; zij geven den jongen, frisschen echtgenoot de voorkeur. Deze strike der jonge dames heeft reeds zoo’n omvang aangenomen, dat de hoofden van Kotô Agoëng met den controleur eene vergadering hebben belegd, om te zien wat er in dezen gedaan moet worden, omdat er in de laatste maanden geen huwelijken meer gesloten worden. De controleur vertelde ons, dat er nog geen oplossing voor dit penible vraagstuk was gevonden.

Wij hadden gaarne nog eens een kijkje genomen in de peperplantages, waaraan dit district zijne beteekenis grootendeels ontleent, maar die plantages zijn ongeveer twee uur ver in het gebergte gelegen en alleen per paard of te voet konden wij er komen. Zoo lang durfden wij echter niet van het schip verwijderd blijven. Na nog een mooie verzameling eigengemaakte fotografieën van het district en zijn bewoners van den controleur Kriebel bewonderd te hebben, namen wij van onzen vriendelijken gastheer afscheid, die daar wel eenzaam leeft, doch zijne eenzaamheid met opgewektheid draagt en er al het interessante van gevoelt. Even voorkomend als wij aan land gebracht waren, werden wij ook weder naar het schip teruggevoerd.

Midden in den nacht kwamen wij in Kroë aan en vertrokken van daar ook weder nog vóór de dag was aangebroken. Van aan wal gaan dus geen sprake. Grooter was evenwel de teleurstelling, toen wij Woensdagavond ook eerst Benkoelen bereikten, nadat het nachtelijk duister reeds lang was ingetreden. In Benkoelen waren wij zoo gaarne aan wal gegaan en wij hadden daarop vrij zeker gerekend. Er was echter geen sprake van, want het aan wal gaan geschiedt, door de groote deining, die er bestaat, niet zonder gevaar en de afstand van het schip naar den wal is minstens een half uur roeien in een primitieve prauw. Aan boord blijven was dus de boodschap. Wij konden niets anders doen dan den volgenden morgen vroeg opstaan, om vóór wij Benkoelen verlieten, van het dek van het schip met een goeden scheepskijker een kijkje te nemen van het voor ons onbereikbare stadje.

Vrijdagmorgen, om zes uur, landden wij in Padang. Van het mooie binnenkomen konden wij ook al weder, doordat het daglicht nog niet was doorgebroken, weinig genieten. Alleen even vóór wij vastgemeerd lagen was het daglicht helder genoeg om ons een kijkje te gunnen en een vermoeden te geven van wat wij gemist hadden.

Niettegenstaande het zeer vroege ochtenduur, stonden er op den wal toch reeds drie dames op ons te wachten, die ons het welkom in Padang brachten, de zorg voor onze bagage namen en ons per auto langs den mooien weg van de Emmahaven naar de stad en in het gastvrije huis van den heer en mevrouw Kamerling afleverden. In dat vriendelijke, oude echtpaar, mevrouw vierde dien dag haar 72en geboortedag, vonden wij een paar warme voorstanders van Vrouwenkiesrecht, die daar in Padang de voorbereiding voor onze komst geheel geleid en met behulp van eenige andere dames ook verricht hebben. Een hartelijker ontvangst is niet denkbaar. Voor alles was gezorgd. Omdat wij kwamen op een oogenblik, dat de Juliana-feesten in volle voorbereiding waren, was het beter de vergadering voor vrouwenkiesrecht uit te stellen totdat wij het bezoek aan de Padangsche bovenlanden hadden gebracht en voor dit bezoek waren alle stappen gedaan, om het voor ons zoo gemakkelijk, aangenaam en vruchtdragend mogelijk te maken. Aan alle assistent-residenten en hotels in de verschillende plaatsjes was onze komst aangekondigd en gevraagd om ons het verblijf te vergemakkelijken. Wij besloten daarom, om maar direct Zaterdagmorgen naar boven te gaan, omdat wij vóór alles Zondag in Pajacombo, het eindpunt van de reis, wilden zijn.

Markt te Pajacombo.

Markt te Pajacombo.

Vrijdagavond hadden echter mijnheer en mevrouw Kamerling tal van Padangsche heeren en dames uitgenoodigd, om kennis met ons te maken en ons met dezen in kennis te brengen, van welke uitnoodiging een ruim gebruik was gemaakt. Wij kwamen hierdoor ook in de gelegenheid tal van bijzonderheden te vernemen aangaande den tocht, dien wij den volgenden morgen vroeg zouden aanvangen. Omdat twee logé’s voor onze lieve oudjes wat veel was, maakte mrs. Catt gaarne gebruik van de vriendelijke uitnoodiging van de buren der familie Kamerling, den heer en mevrouw de Keth, om daar te gaan logeeren.

Toen mr. De Keth ons den volgenden morgen vroeg naar het station bracht, bleek ook daar, hoe voorkomend de oude heer Kamerling alles voor ons had voorbereid. De stationschef was van onze komst verwittigd; hij had op verzoek een 1e klasse waggon met balcon vóór aan den trein gehaakt, (de locomotief staat achter den trein en duwt hem naar boven) en daarop een paar bankjes geplaatst, zoodat wij een onbelemmerd uitzicht genoten van den prachtigen weg, dien wij aflegden.

Eerst ging het eenige uren lang links, langs tuinen met klapperboomen, pisangpalmen, mangoboomen en zoovele andere tropische boomen waarvan wij den naam niet weten en hier zagen wij ook in groote verscheidenheid den varenboom, dien wij op Ceylon hadden leeren kennen, terwijl rechts reeds heel spoedig eene reeks van bergtoppen, het Barisangebergte, tot aan den top met palmen begroeid, zich aan ons oog vertoonde. Schilderachtig lagen tusschen dat veelkleurige groen de houten woninkjes met hunne donkerbruine, rieten daken, daken, die alle gracieus, boogvormig zijn, eene eigenaardigheid waardoor Sumatra’sche, inlandsche woningen zich kenmerken. Wat verder op kregen wij ook aan den linkerkant eene bergreeks, het Danaugebergte, totdat wij eindelijk de kloof van Anek naderden, en de trein tusschen eene nauwe bergengte met watervallen, gorges en snel vlietende stroompjes, zich naar boven werkte.

Als men den tropischen plantengroei, de donkerkleurige bevolking en de Sumatra’sche huisjes wegdacht, zou men zich in een van de mooie gedeelten van Zwitserland in den zomer verplaatst kunnen gevoelen, maar juist deze drie zaken maken dezen weg tot eene nog schilderachtiger.

De bruine, rieten daken der woningen waren langzamerhand verdwenen en in de plaats daarvan zagen wij nu wit geschilderde, houten huisjes, met zinken daken, die in de zon hel schitterden.

Opmerkelijk is overal de kalmte van onzen inlander, hetzij hij Javaan of Maleier is. Hoe sterk steekt die af bij de rumoerigheid van den Britsch-Indiër. Als in Britsch-Indië een trein aan een station stilhoudt, dan kan men van de drukte, het door elkaar geschreeuw, het lawaaiig doen van den inlander, niets hooren of zien van ’tgeen een doortrekkende reiziger soms gaarne hooren of zien wil en des nachts is die drukte aan de stations even groot als bij dag, zoodat de nachtrust, die men in de Britsch-Indische treinen zou kunnen genieten, daarbij zeer veel inboet. Als drie of vier Britsen-Indiërs bij elkaar staan, dan converseeren zij met elkaar op een wijze, die elkeen moet doen vermoeden, dat het onmiddellijk op een hevige kloppartij zal uitloopen, terwijl het toch niets anders dan een vriendelijk praatje geldt.

Hoe voornaam, stil, kalm haast, doet daarentegen onze inlander. In lange rijen staan zij achter elkander aan het loketje, om een plaatskaartje te nemen; geen luid woord wordt vernomen, ieder wacht kalm zijn beurt af. Als de trein stilstaat, stappen zij haast geruischloos in; wanneer men niet vooraf gezien had, dat er zoovele passagiers op het perron stonden te wachten, zou men zich niet kunnen verbeelden, dat er menschen uit of in den trein gestapt waren.

Toen wij te ruim twaalf uur in Padang Pandjang aankwamen, stond de hotelier van het hotel Merapi zelf op het perron, om de noodige hulp te bieden, terwijl de assistent-resident zijn rijtuig had gezonden, om daarvan gebruik te maken. Hij zelf was voor dienstzaken elders, doch mevrouw Tubergen, de vrouw van den assistent-resident, had er voor gezorgd, dat een vaas met geurige en wondermooie bloemen in onze kamer in het hotel ons een vriendelijke welkomstgroet in Padang-Pandjang bracht.

Ofschoon wij in het midden van den dag, waarop het dus het heetst is, aankwamen, was de temperatuur toch niet hooger dan op een matig warmen zomerdag in Holland. Na al die heete dagen, die wij in den laatsten tijd hadden doorgemaakt, leefden wij in Padang-Pandjang weer eens heelemaal op, tegen den avond moesten zelfs de doekjes voor den dag komen. Van het bordes van het hotel genoten wij ’t gezicht op den altijd rookenden Merapi. Er lag echter ’s middags zoo’n vlokkige witte wolk op den top van den vulkaan, als ware de kop met een groote slaapmuts overtrokken, zoodat wij van het al of niet rooken niet veel bespeuren konden. Tegen den avond herinnerde de zwaveldamp, die de atmosfeer had doortrokken, ons echter aan het bestaan en de nabijheid van dezen vuurspuwenden berg.

Het één bataillon groote garnizoen geeft vrij wat levendigheid aan het interessante plaatsje. Voor de kinderen van deze militaire ambtenaren is natuurlijk een Europeesche school met Europeesche onderwijzers noodig, het spoorwezen heeft er eenige ambtenaren, zoo ook het kantoor van den assistent-resident en door al deze Europeeërs ademt er een geest van civilisatie, waardoor het voor toeristen doenlijk is, er eenige dagen te vertoeven. Daardoor is het ook mogelijk, dat een tamelijk goed hotelletje zich er staande kan houden, en dat niet alleen toeristen, maar ook herstelde zieken, die een tijdlang een koeler klimaat en een mooie omgeving noodig hebben, om verloren krachten te herwinnen, zich daar kunnen ophouden. Maar over Padang-Pandjang ga ik later schrijven, want het diende ons alleen om er te overnachten, om den volgenden ochtend vroeg van daar naar Pajacombo te kunnen vertrekken, waar des Zondags de groote Passar gehouden wordt, waaraan deze plaats haar vermaardheid voornamelijk dankt. Wij zullen eerst Pajacombo en Fort de Kock bezoeken om daarna terug te keeren naar Padang-Pandjang en van daaruit eenige uitstapjes te maken en ’t merkwaardige van ’t stadje te zien.

II.

Pajacombo is voor ons een zeer interessant oord. Heerscht in geheel de Padangsche bovenlanden, onder de Minang Kabauers, ’t matriarchaat, hier in Pajacombo en zijne omgeving vindt men het nog het zuiverst bewaard. De woning, waarin die matriarchale families leven, hebben een zeer eigenaardige vorm, en geven van buiten reeds aan, uit hoevele gehuwde dochters het gezin bestaat. De stammoeder, de Indoea genoemd, bewoont het middengedeelte van de woning, van buiten herkenbaar door het middelste halfboogvormige dak; als de oudste dochter trouwt, dan wordt er rechts een kamer, half zoo groot als de oorspronkelijke kamer, waarin de Indoea huist, gebouwd en daarin huist dan de dochter; de tweede dochter krijgt, als zij huwt, links zoo’n uitbouwsel en zoo gaat het door tot alle dochters gehuwd zijn. Elk bijbouwsel heeft een kwartboogvormig dak. Van binnen in de woning ziet men echter slechts één groot vertrek, de familiekamer, die de ruimte van het geheele gebouw beslaat en daarachter, door gordijnen afgeschoten, de verschillende slaapgelegenheden der familieleden.

In zoo’n groot huis treft men in den regel alleen de vrouwen en kinderen aan. De stammoeder met één of meer zusters, haar eigen dochters en de dochters van de zusters en de kinderen van al deze vrouwen, wonen daar te zamen. Sterft de stammoeder, dan wordt zij opgevolgd door hare oudste dochter, en de zusters van de moeder, dus eigenlijk de tantes en veel ouder in jaren, noemen dan ook de nieuwe stammoeder Indoea en zijn haar gehoorzaamheid verschuldigd. Al het geld en goed dat zoo’n familie bezit, behoort den vrouwen toe en wordt door hen gezamenlijk beheerd; alle familiekwesties worden onderling opgelost; doch naar buiten uit, als er om de een of andere reden overheidskwesties te bedisselen vallen, of als er in moeilijke huishoudelijke omstandigheden een oordeel moet worden geveld, dan treedt de oudste broeder van de lndoea als raadgever op en hoewel hij buiten het familieverband leeft, is hij toch feitelijk het mannelijk hoofd van het gezin. Dit is echter alleen een eerebaantje, dat hem verplichtingen oplegt en waarvoor hij wel eens een douceurtje van de vrouwen kan krijgen, doch dat hem feitelijk geen rechten geeft op iets, wat de vrouwen toebehoort.

Al het werk in zoo’n gezin, waaronder behoort ook het bewerken van het land en de veeteelt, het weven der goederen, het bouwen der woningen en bijgebouwen, want zulke woningen uit bamboehout en -riet opgetrokken, moeten nog al eens vernieuwd worden, is het werk der vrouwen, al of niet bijgestaan door de buitenshuis wonende mannen. Zij ook brengen de opbrengst van het land, de tuinvruchten, de geweven goederen en andere dingen, die zij voor den verkoop maken, naar de Passar en verkoopen het daar.

Waar blijven de mannen uit zoo’n gezin?

Een Minangkabausch echtpaar.

Een Minangkabausch echtpaar.

Hierop is niet zoo eenvoudig het antwoord te geven, omdat de Mohammedaansche godsdienst, die hier in zeer verwaterden vorm beleden wordt, het zuiver matriarchale stelsel bedorven heeft. Volgens dezen godsdienst is het geoorloofd, dat een man vier vrouwen heeft en de Minangkabausche mannen, die ik gesproken heb, vatten het bijna allen zoo op, dat de godsdienst hun voorschrijft, vier vrouwen te trouwen en zij geen goed Mohammedaan zijn, als zij zich met minder tevreden stellen. Ook komt er nog bij, dat de vrouwen hier hunne mannen koopen, de moeder koopt den man voor hare dochter, en daar een man van twintig tot twee à drie honderd gulden kost1, al naar gelang hij een hoogere positie bekleedt, is het een voordeelig zaakje, zich viermaal te verkoopen. De vierde maal schijnt de man nog evenveel waarde te hebben als bij den eersten koop. Als regel woont de man nu om beurten bij de verschillende vrouwen en laat zich daar als een koning behandelen. In vele gevallen dient hij in het familieverband alleen als een noodzakelijk.... iets... zal ik het maar noemen, tot instandhouding van het ras. Buiten het familieverband bezit hij soms nog wel een maatschappelijken werkkring. Zoo ontmoetten wij op onzen tocht naar de kloof van Harau, een wondermooi uitstapje wat natuurschoon betreft, een dorpshoofd, die een beetje Hollandsch sprak. Hij noodigde ons in zijn woninkje, dat heel klein, doch uiterst zindelijk en in een goed aangelegden tuin met pijnappels, bananen, papaja’s, suikerriet, kokosnoten en andere vruchten, gelegen was. Ik vroeg hem, of hij geen vrouw en kinderen had, waarop hij lachend antwoordde: “Natuurlijk heb ik vier vrouwen en reeds acht kinderen”. En toen vernam ik, dat die vier vrouwen ieder bij hare respectieve moeders woonden en hij ze om beurten bezocht. Kan een van mijne Nederlandsche heeren-lezers zich een koninklijker en rustiger leven voorstellen, dan van dit dorpshoofd en zijne lotgenooten? Hij woonde in een heerlijk huisje, in een prachtige natuur, rustig alleen, zijn klein rijtuigje stond naast zijne woning en ’t paardje als een muis zoo groot, graasde rustig in een veld in de nabijheid. Als hij lust heeft, spant hij zijn paardje voor het karretje en laat zich naar eene zijner vrouwen rijden, waar hij steeds op een goede ontvangst kan rekenen. Na zich daar voor een of twee dagen een leven als “heer der schepping” te hebben laten welgevallen, spant hij weder in, om naar eene der andere vrouwen te rijden of om eerst eenige dagen in eigen woninkje rust te nemen om van de smullerij te bekomen. Van tandenkrijgende kindertjes, van humeurige vrouwen, heeft hij geen last en als men hem niet met open armen en lekkere schoteltjes ontvangt, dan blijft hij den volgenden keer wat langer uit om van een hartelijker welkom zeker te zijn.

Maar zooals dit dorpshoofd het leven had ingepikt, zoo leven niet alle gezinnen. Als een man wat geld of een goede positie bezit, dan bouwt hij een huisje en heeft één vrouw met haar kinderen bij zich inwonen. Zij doet dan zijne huishouding en vormt als het ware een nieuw familieverband. De andere vrouwen worden dan van tijd tot tijd bezocht.

Een Minangkabausche Moeder met hare dochters.

Een Minangkabausche Moeder met hare dochters.

Een koeli, of een man van dergelijke positie, heeft dikwijls maar ééne vrouw en woont dan bij de moeder van zijne vrouw in. In zoo’n gezin helpen de schoonzoons het familiebezit vergrooten. Hun wordt dan ook allerlei werk opgedragen. Maar in deze gevallen treedt het nadeel, wat zoo’n familieleven met zich brengt, aan den dag. Het maakt de mannen lui, onwillig om te werken. De opbrengst van hun arbeid komt de geheele familie ten goede en in gevallen waar twee of meer schoonzoons zijn, wil geen hunner meer doen dan de ander en komt toch dikwijls al het werk op de vrouwen neer.

Dat die vrouwen hier gewoon zijn het zware en verantwoordelijke werk te verrichten, ziet men dadelijk als men op een passardag in Pajacombo rondkijkt. De vrouwen komen daar allen met zware vrachten op het hoofd en dikwijls bovendien met volle handen; de mannen wandelen eenige passen vooruit met een klein vogelkooitje, waarin een grijs vogeltje, ik geloof een kwartel, in de hand. Ook op de markt zijn de vrouwen druk en bedrijvig om hare waren van de hand te doen en nieuwe zaken in te koopen, terwijl men de respectieve echtgenooten bijeengehurkt onder een schaduwrijke waringinboom vindt, bezig ’n strootje of sigaret te rooken, of ook wel in een afzonderlijk hoekje hunne meegebrachte vogeltjes onderling uit te wisselen of ze soms een soort hanengevecht te laten houden.

Minangkabausche dames in feestgewaad.

Minangkabausche dames in feestgewaad.

Op de Passar hadden wij Zondag gelegenheid om het wonderfijne weefwerk, vooral het goud en zilverweefsel, der vrouwen te bewonderen. Ook zilver-filigraanwerk was er te zien, doch dit muntte niet in fijnheid en artisticiteit uit, wij hebben dat in Padang reeds beter gezien.

De assistent-resident de Munick had een bijzonder interessant bezoek voor ons voorbereid in het gezin van eene weduwe van een vroeger districtshoofd en had ons een Hollandsch sprekend familielid als geleider medegegeven. De zeer oude, grijze Indoea en hare twee zusters ontvingen ons zeer hoffelijk en weldra kwamen ook alle gehuwde dochters met hare kleine kindertjes zich presenteeren. Nadat ons de woning in alle bijzonderheden getoond was, waarin wij vooral de vele mooie kussenbekleedsels bewonderden, werden wij uitgenoodigd een kop koffie met de dames te drinken. De goede Minangkabausche manieren schrijven voor, dat men zoo’n uitnoodiging moet accepteeren. Wij werden toen vergast op een kop koffie, gemaakt van gedroogde koffiebladeren, met veel bruine suiker en geen melk, daarbij werd een soort gekookte gemalen rijst met veertien verschillende zoetige bijspijzen opgediend, Het waren blijkbaar alle zeer lekkere zaken, maar zooveel kwee-kwee maakte ons een beetje wee, doch wij beiden hebben ons er toch moedig doorheen gewerkt. Wij beiden kregen een vork en een lepel om ons er van te bedienen, de anderen deden het veel netter dan wij, zonder die attributen.

De jongste dochter van het gezin, een werkelijk zeer mooi meisje, van 17 jaar, verkeerde in zeer tragische omstandigheden. Zij was drie maanden geleden gehuwd met een mantrie van de opiumregie. Hij was een jonge, knappe vent en zij zijn eerste vrouw. Een maand na het huwelijk werd hij door onze regeering naar de opiumregie in Medan overgeplaatst en toen hij daar kwam, wist hij niet beter te doen dan daar eene Japansche tweede vrouw te nemen. Hij had nu geschreven, dat ook zijn mooi Maleisch vrouwtje moest overkomen, dan zou hij eerlijk zijne gunsten tusschen deze twee rivales verdeelen. ’t Jonge vrouwtje heeft echter niet veel lust haar man te volgen en ziet er sterk tegen op om in partnership te treden met eene Japansche schoone, waarvan zij zeden en gewoonten niet kent. Zij pakte mijne hand met beide hare handen en zeide, dat zij liever met mij wilde medegaan en altijd bij mij wilde blijven.

Het is jammer, dat onze regeering nog niet bij machte is, aan de leergierigheid, de behoefte aan onderwijs der Minangkabauers naar behooren te voldoen. Er is in vele dezer plaatsen nog slechts een begin gemaakt met de oprichting van scholen. Hier doet zich het gelukkig verschijnsel voor, dat ook de vrouwen naar onderricht haken en zich daarvoor offers getroosten willen. Het schijnt niet hoofdzakelijk gebrek aan geld, maar ook gebrek aan goede leerkrachten te zijn, die de regeering verhindert in deze, hier sterk gevoelde, behoefte te voorzien. De Minangkabauers, zooals ik er verschillende in Pajacombo heb leeren kennen, schijnen sympathieke, intelligente menschen te zijn, vatbaar voor eene hoogere ontwikkeling. Ik wilde dat ik onmiddellijk genoeg scholen voor hen kon tooveren. Het is zoo jammer, dat er nu nog zoo velen van onderricht verstoken blijven.

Het is zeer te betreuren, dat men eigenlijk nog zoo weinig positieve kennis van het leven, de zeden en gewoonten der Minangkabauers bezit. Al de controleurs en assistent-residenten, wien wij er naar vroegen, gaven tegenstrijdige inlichtingen. Ook de boeken, die wij er over lazen, en er is nog zoo weinig over dit interessante volk geschreven,2 geven slechts weinig en dikwijls nog uiteenloopende beschrijvingen. Het komt mij voor, dat een vrouw-ethnoloog, die het vertrouwen van deze vrouwen heeft weten te verwerven en die eenige jaren onder haar gaat leven, heel veel wetenswaardigs van het leven en de zeden en gewoonten van deze menschen aan het licht kan brengen. Er komt nu weldra een openbare school met een paar onderwijzers en een onderwijzeres; als de regeering er nu in kon slagen een onderwijzeres voor deze school te krijgen, die de geschiktheid, de kennis en vooral ook den slag heeft om het vertrouwen van de Minangkabausche vrouwen te winnen en die de kennis, die zij daardoor opdoet, weet uit te werken, dan zal zij de volkenkunde kunnen verrijken met wat positiever gegevens dan nu bekend zijn omtrent dit merkwaardige volk. Omdat het hier vooral geldt, achter de geheimen van het huiselijk leven van een volk te komen, waarvan de gezinnen bijna alleen uit vrouwen bestaan, vrouwen, die van aard zeer gereserveerd zijn, zullen de heeren ethnologen nooit zoo goed als eene vrouw de ware gegevens kunnen bijeenbrengen. De eene morgen in dat gezin van de weduwe en hare zusters en dochters deed mij duidelijk zien, dat er nog heel veel voor ons onverklaarbaars in deze gezinnen bestaat, dat met een beetje tact aan het licht kan worden gebracht.

Toen wij op Prinses Juliana’s verjaardag des morgens vroeg waren opgestaan, om met den eersten trein naar Fort de Kock te vertrekken, stonden wij beiden niet weinig verbaasd, te vernemen, dat er dien nacht om ongeveer drie uur eene uitbarsting van de Merapi was geweest. Wij hadden er niets van gehoord en er rustig doorheen geslapen. Wij hebben zoo dikwijls tegen elkaar gezegd: konden wij nu maar eens een explosie bijwonen, nu is er een geweest, die wijd en zijd asch en sintels over de dorpen heeft verspreid en nu sliepen wij er rustig doorheen. Wij waren ontevreden over ons zelf!

In Fort de Kock was ter eere van Juliana’s geboortedag alles gesloten en in plaats van een drukken dag leek het ons er erg stil. Wij besloten daarom maar direct het uitstapje te maken naar het meer van Manindjoe en bestelden daarvoor in het hotel een extra goed voertuig met twee paarden. Direct na de lunch zouden wij vertrekken. De equipage kwam voor. Het was een klein houten karretje op twee hooge houten wielen, waarin wij moeilijk rechtop konden zitten en voor onze beenen was heelemaal geen plaats en daarvoor stonden een paar onbeschrijflijk kleine, minne paardjes. Ons werd verzekerd, dat het erg goed was en wij in de heele stad geen beter vervoermiddel zouden kunnen krijgen. Wij lieten ons bepraten en stapten in. Inderdaad hebben de sukkelpaardjes ons naar Matoër gebracht, maar over de 13 mijlen afstand deden zij ruim 4 uren. Gelukkig hebben wij in Britsch-Indië op kameelen en olifanten eene oefenschool doorloopen, waardoor onze inwendige organen aan door elkaar schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het er op dezen tocht nooit goed afgebracht. Herhaaldelijk zijn wij maar eens eindjes gaan loopen om de rijsttafel, die wij om één uur genoten hadden, in de plaats te houden, waar wij haar toen gedeponeerd hadden. Het is jammer, dat er in Indië nergens waar wij tot dusverre waren, goede huurrijtuigen en paarden te verkrijgen zijn. Vooral op deze reis, die zooveel natuurschoon biedt, verliest men zooveel als men zich op de meest primitieve wijze moet verplaatsen.

Gelukkig was de Passanggrahan, het regeerings-passantenhuis in Matoër, zoo goed en zindelijk en comfortabel, dat het ons spoedig het doorgestane leed deed vergeten en wij volop genoten van het vele natuurschoon, dat van uit dit Sumatrasche dorpje te genieten valt. Van verschillende punten zagen wij op het donkerblauwe, 600 meter onder ons gelegen meer van Manindjoe, dat met zijne rondom gelegen rijstvelden en koffietuinen en de blauwe bergenreeks een onbeschrijfelijk schoon gezicht levert.

De controleur Barthelemy had de vriendelijkheid een der inlandsche dorpshoofden, die gebrekkig Hollandsch sprak, te verzoeken ons den volgenden dag als geleider te willen dienen en deze goede leidsman maakte ons dien dag tot een waar genot. Eerst bracht hij ons naar eene der oudste woningen van het dorp, waarin eene uitgebreide matriarchale familie huisde en waarvan de gevel bijzonder door beeldhouwwerk en goudversiering uitmunt. Het huis, de daarbij behoorende rijsthuisjes en de tempel droegen hetzelfde versieringskarakter. Ook de baleh-baleh, het huis, waarin de gemeenteraadszittingen gehouden worden, was bijzonder mooi gebeeldhouwd en met goud opgesmukt. Daarna bracht hij ons in de woning, waarin hij leeft. Het was eene familie met een Indoea en zusters en dochters. Met een van deze dochters is hij getrouwd en daar hij geen andere vrouwen heeft,—eene tweede vrouw, die hij had, is gestorven—woont hij meestal bij vrouw, zusters, tantes en moeder in. Ook hier werden wij weder op koffie, uit koffiebladen gemaakt, vergast en wij kwamen tot de ontdekking, dat wij al een beetje aan den smaak begonnen te wennen en als wij nog veel zulke visites afsteken, het ten slotte nog lekker zullen gaan vinden.

Van daar bracht hij ons in eene woning, of liever buiten eene woning, waar de vrouwen van het gezin bezig waren suiker te bereiden uit suikerriet. Hier en ook bij de rijstbereiding wordt het zoo aanschouwelijk voorgesteld hoeveel goedkooper wij, cultuurvolken, suiker en rijst hebben, dan deze menschen. Zeven vrouwen waren reeds van het zonnegloren bezig uit een stapel suikerriet, door middel van een primitief persblok, dat door een os in werking werd gezet, het sap te persen en het daaruitverkregen vocht tot suikerkoeken in te dikken. Eene hoeveelheid suiker, waarvoor wij een gulden betalen, kost zulke vrouwen met elkaar een paar dagen arbeid. Bij de rijstbereiding kwam ik tot de zelfde gevolgtrekking. Alleen zoolang groote groepen vrouwen in ééne familie samenwonen en vrouwenarbeid niet met geld betaald wordt, kan een dergelijke productie zich handhaven; zoodra de invloeden van buiten het matriarchale huishouden zal hebben opgelost en de dochters gaan huwen, en buiten de familie gaan wonen, of een betaalden werkkring gaan zoeken, moet de productie in het klein van de eerste levensbehoeften plaats maken voor de machinale productie en moet het den menschen duidelijk worden, dat men veel goedkooper een pond machinaal bereide suiker kan koopen dan het zelf te maken.

Zoover als echter thans de stand van ontwikkeling van de Minangkabausche Maleiers staat hebben de vrouwen nog handen vol werk; men ziet ze van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bezig en men ziet het aan haar zelfrespectvol uiterlijk, dat zij ook zeer goed gevoelen van hoeveel belang zij voor de instandhouding van haar ras zijn. Zij brengen het volgend geslacht in de wereld en doen tegelijkertijd bijna al het belangrijke en verantwoordelijke werk, dat er voor maatschappij en gezin te verrichten valt. Alleen daar, waar de nieuwe tijd nieuwe werkzaamheden geschapen heeft, daar treedt de man op den voorgrond, die door den 19en en 20en eeuwschen tijdgeest beschouwd wordt als de rechthebbende op bijna al het buitenhuissche werk en op dat wat in kantoor en publieke aangelegenheden moet worden verricht.

III.

Onze inlandsche geleider bracht ons vervolgens naar een plek, die allermerkwaardigst is en ook in de Padangsche bovenlanden eenig is in haar soort. Het was de plaats, waar de hoofden van het district Matoër alle drie maanden hunne bijeenkomst houden. Het is een groot open terrein, in de rondte afgepaald met honderd en twintig zerken, even zoovele hoofden als er zijn; zerken, die alle zeer verschillen in hoogte en breedte. Tijdens eene vergadering zit elk hoofd voor zijn eigen zerk en naarmate zijn gezag of stand hooger is, naar die mate is ook de afmeting van den steen, waarvoor hij zit. Er is er een van naar gissing twee meter hoog en er zijn er die geen vijf-en-twintig centimeter boven den grond uitsteken.

In de inlandsche school op Matoër, waarvan het hoofd der school uitstekend Hollandsch sprak, konden wij ons, beter dan in eene der voorgaande scholen, die wij bezochten, overtuigen van de bevattelijkheid der inlandsche leerlingen. Hier liet het hoofd der school de kinderen eenige proeven van bekwaamheid afleggen. Het meest verbaasden wij ons over de vlugheid, waarmede de zeven en achtjarige joggies en meisjes, die nog slechts zeven maanden de school hadden bezocht, eenvoudige rekensommen met krijt op het bord uitrekenden. Geene der kinderen, die wij zelf uit de klasse mochten uitpikken, maakte een enkele fout in de eenvoudige vermenigvuldig- en aftreksommetjes, die wij hun opgaven, terwijl zij daarbij zeer duidelijke en gelijkmatige cijfers op het bord schreven. Trouwens over het mooie schrijven der inlandsche schoolkinderen verbazen wij ons steeds, daarmede kunnen de kinderen op onze scholen niet wedijveren. Het hoofd der school had voor eigen rekening de laagste klasse genomen; toen ik hem vroeg, waarom hij zelf de laagste klasse onderrichtte, gaf hij ten antwoord: “dat doe ik om twee redenen: de eerste is, omdat ik de eerste klasse het belangrijkste vind; als de grond eerst goed bereid is, gaat het volgend onderricht veel gemakkelijker; de tweede is, omdat het onderricht in de aanvangklasse het moeilijkst is en ik als hoofd der school het moeilijkst werk voor eigen rekening moet nemen”. Worden in Amsterdam niet de onderwijzeressen in de aanvangklassen geplaatst en meent de overheid daar niet, dat dit het minst belangrijke werk van de school is?

Wij bezochten in Fort de Kock o.a. ook de kweekschool voor inlandsche onderwijzers. Deze school, die acht-en-dertig jaar geleden met het oog op vijftig leerlingen was ingericht, bevat nu reeds honderd-en-twintig leerlingen. De jongelui zijn daar allen intern. Zij hebben ieder een eigen frisch en licht kamertje met ledikant, stoel, tafel, waschtafel en kast, dat hun gratis wordt verstrekt, alleen de kamerversiering moet door de jongens zelf worden aangebracht. Boven de zeer goede kost en inwoning, die het gouvernement dezen jongelingen kosteloos verschaft, ontvangen deze toekomstige onderwijzers maandelijks nog eene geldelijke toelage. Op deze school zijn ook enkele inlandsche meisjes, die voor onderwijzeres worden opgeleid. Aan inlandsche onderwijzeressen is zeer groote behoefte; in alle inlandsche scholen in Sumatra, die wij bezochten werd door het hoofd der school geklaagd, dat hij geen vrouwelijke leerkracht had, met een onderwijzeres aan de school zou hij beter de vrouwelijke leerlingen in de klasse kunnen houden, die nu op veel te jongen leeftijd de school verlaten, omdat zij dan niet meer dagelijks alleen met mannen in contact mogen komen. Een gevolg van de Mohammedaansche invloeden. Niettegenstaande de behoefte aan onderwijzeressen worden de meisjes aan de kweekschool toch niet met open armen ontvangen. Zij moeten bijzonder uitmunten, willen zij toegelaten worden, zij moeten zelf voor kost en inwoning zorgen en ontvangen geen maandelijksche toelage en bovendien werden er bij de laatste toelating zes meisjes geweigerd, die een uitstekend examen hadden afgelegd, omdat de klasse te vol zou worden en er voor een gesplitste klasse geen leerkrachten aanwezig zijn. Is dat niet meten met twee maten? Dit is natuurlijk niet aan de directie van de school te wijten, maar wel aan de directie van Onderwijs in Batavia. Hoezeer ook de Minangkabausche vrouwen naar onderricht verlangen, is er toch voor haar nog maar een begin gemaakt om haar te ontwikkelen.

Het had mijne reisgezellin en mij reeds lang gehinderd, dat wij er niet achter konden komen wat toch de naam Minang Kabau te beteekenen heeft, maar eindelijk gelukte het ons toch van een der inlandsche onderwijzers eene uitlegging te verkrijgen. Deze uitlegging, die ons door andere inlanders bevestigd werd, is te merkwaardig om haar niet hier mede te deelen. Zij luidt aldus: De Maleiers van de Padangsche bovenlanden lagen onophoudelijk in twist en tweedracht met een naburige groep Maleiers. Deze onophoudelijke twisten kostten beide partijen steeds menschenlevens, have en goed en daarom kwam men overeen door één flinken strijd de veete uit den weg te ruimen. De overwinnende partij zou werkelijk daarna de overmacht krijgen. Wat deden nu deze primitieve menschen? Zij lieten niet hunne flinke, gezonde, krachtige jonge mannen een strijd op leven en dood aangaan en zoodoende de beide partijen berooven van de beste elementen uit hunne samenleving, maar zij kozen beiden hun sterksten os en lieten die twee samen de zaak uitvechten. De os van de Padangsche bovenlanders overwon en sedert dien tijd noemen zij zich Minang, in het Maleisch overwinnaar, en Kabau, wat os beteekent. Ook de boogvormige daken ontleenen daaraan hun oorsprong. De middelste groote boog heeft den vorm van de beide hoorns van een kabau en de kleinere uitbouwsels stellen elk één hoorn, de helft van de twee, voor.

Wat mij in dezen oorlog zoo bijzonder trekt, is het feit, dat de Maleiers, die in dien tijd nog allen in matriarchaat leefden, vorstinnen bezaten, die het oppergezag uitoefenden, al werd zoo’n vorstin naar buiten uit toen reeds vertegenwoordigd door Radjas. Deze vrouwen moeten het dus geweest zijn, die het oorlogvoeren toen reeds in de ware beteekenis hebben opgevat, als een strijd om wie de physiek sterkste is, een strijd, die evengoed door een paar ossen als door gehuurde soldaten kan worden uitgevochten. Zouden wij alle Europeesche landen niet er toe kunnen brengen hunne veeten ook op die wijze te bevechten, het zou jaarlijks honderden millioenen aan leger- en vlootuitgaven sparen; gelden, die in alle landen zooveel beter dienst kunnen doen, en onze jonge mannen, die nu als kanonnenvleesch gebruikt worden, zouden dan voor nuttiger doeleinden kunnen strekken.

Fort de Kock is een heel mooi plaatsje met een heerlijk koel klimaat, maar bezit ongelukkig geen goede hotelgelegenheid, zoodat wij ons verblijf er zeer kort maakten en naar Padang Pandjang terugkeerden. Het eerste wat wij daar vernamen, was dat de Merapi dien morgen opnieuw eene uitbarsting had gehad, zoo mooi als slechts zelden gezien werd. Dat hadden wij dus weder gemist en ik vrees, dat wij er nu wel geene meer zien zullen.

Wij zagen in dat lieve, vriendelijke stadje allerlei andere dingen. Den geheelen dag stootte de Merapi nog mooie gele vlokkige wolken uit, die zich langzaam in het heelal oplosten. Nu en dan werd eens een klein pufje vernomen, dat aantoonde, dat de kolossus een beetje buikpijn had, maar tot eene regelrechte uitbarsting kwam het toch niet meer.

Hadden wij op Ceylon de kaneeltuinen gezien, hier konden wij ons verrijken met de kennis van het verder proces, dat de kaneelpijp ondergaat, alvorens het in Holland voor vijf cents een heele zakvol in de winkels verkocht wordt. Omdat die onschuldige kaneelstokjes, die in gemalen vorm meestal zoo—ongekookt en ongewasschen—genuttigd worden, een bron van ziekte kunnen opleveren, wil ik er op wijzen. Van dat de takken de rose-getinte boompjes verlaten hebben, totdat zij buiten in de zon gedroogd, gesorteerd en in bundels bijeengebracht zijn, gaan zij door tal van inlandershanden. Dan staan die bundels kaneelstokken open en bloot uren, soms dagen, voor een station opgestapeld en worden zoo naar de markt afgeleverd. Hoe gemakkelijk kunnen zij niet de overbrengers zijn van tal van besmettelijke ziekten, die min of meer onder de inlanders voorkomen. Ik weet wel, dat ditzelfde geldt voor vele andere specerijen, die in menig gezin ongewasschen gebruikt worden, maar ik wilde op dit eene voorbeeld wijzen, misschien zal dan wel de gevolgtrekking gemaakt worden, beter te doen, met al de specerijen wat zindelijker te werk te gaan.

Van Padang Pandjang uit zijn vele interessante uitstapjes te maken, die ons dubbel belang inboezemden, omdat overal de sawahs geel stonden, zoodat de vrouwen allen druk op het veld bezig waren om de paddi binnen te halen. Dit was bijna uitsluitend vrouwenwerk, slechts in enkele gevallen hielpen daarbij mannenhanden. Het schilderachtige, het poëtische van dit werk is reeds zoo dikwijls door daarvoor beter in staat zijnde pennen, dan de mijne beschreven, dat ik mij gerust ontheven kan achten voor Hollandsche lezers daarop te wijzen. Voor ons was het gezicht op die drukwerkende vrouwen daarom zoo vol interesse, omdat deze opgewekte, gelukkig uitziende menschen zoo’n heerlijk contrast vormden met de zwaarmoedige, met haar lot ontevreden uitziende vrouwen in Egypte en Britsch-Indië. Wil men zich overtuigen dat de vrouw slechts gelukkig kan zijn, als verantwoordelijke arbeid op hare schouders rust, dat de aard van de vrouw medebrengt, dat zij nuttig bezig is en dat zij zich alleen onder zulke omstandigheden tevreden kan gevoelen, men begeve zich naar de Padangsche bovenlanden en vergelijke deze werkzame vrouwen met die in de landen, waar de ontwikkeling der nijverheid of de heerschende zeden en gewoonten, haar alle nuttige werkzaamheden gaandeweg uit de handen hebben genomen. De geheele vrouwenbeweging, overal in de beschaafde wereld, die zich oogenschijnlijk beweegt op verschillende paden, heeft toch feitelijk geen andere oorzaak en geen ander doel, dan het willen terugwinnen van de beteekenis, die de vrouw in de oorspronkelijke wereld voor het ras bezat, het weder willen deelnemen aan het werk voor het algemeen, weder verantwoordelijk gesteld worden voor de helft van den arbeid, die gedaan moet worden tot instandhouding van het ras en den vooruitgang der menschheid.

Maandag 6 Mei, verlieten wij reeds vroeg Padang Pandjang, omdat wij nog dienzelfden dag in Padang moesten spreken in eene vergadering door warme voorstanders van vrouwenkiesrecht aldaar voor ons belegd. Was het niet, dat wij om die reden beneden moesten zijn, dan hadden wij ons verblijf in de bovenlanden nog wat gerekt, waar wij zulke heerlijke dagen hadden doorgebracht. Dat ons kort verblijf aldaar zoo vol afwisseling was, dat wij in dien korten tijd, om zoo te zeggen, alles zagen, wat er voor ons bezienswaardig en van belang was, danken wij grootendeels aan de niet genoeg te waardeeren vriendelijkheid van den gouverneur van Sumatra’s Westkust, die te voren de assistent-residenten en de controleurs der verschillende plaatsen, die wij gingen bezoeken, schriftelijk had verzocht, ons bij ons bezoek in elk opzicht van dienst te willen zijn. Aan dit schriftelijk verzoek hadden wij het te danken, dat deze heeren, die zich allen op de meest voorkomende wijze van deze taak hebben gekweten, van onze komst op de hoogte waren en ons daardoor zoo goed hebben kunnen helpen.

In Padang werden wij met de grootste hartelijkheid bij onze beide gastvrouwen en gastheeren ontvangen. De vergadering was tegen 7 uur uitgeschreven en toen wij op dien tijd in het logegebouw aankwamen, was de vergaderzaal reeds geheel gevuld met een belangstellend publiek, zoowel heeren als dames. Ook hier bleek, dat het vrouwenkiesrechtvraagstuk thans aller aandacht trekt, en dat men het slechts heeft te bespreken om uit de belangstellenden voorstanders te maken. Wel werd er na afloop der voordrachten van mrs. Catt en mij gebruik gemaakt van de gelegenheid om bezwaren te opperen of vragen te stellen, maar geen der aanwezigen scheen eenig bezwaar te hebben, wel wenschte men op enkele punten nadere inlichtingen. Van een kant werd de vraag geopperd, of niet de vrouwen het kiesrecht zouden deelachtig worden, ook zonder dat er voor gestreden werd, of wel de tijd rijp was voor de invoering ervan en of de mannen ’t ons niet zouden geven, ook wanneer wij er niet om vragen, doch deze illusie kon gemakkelijk en met succes bestreden worden. Het gevolg van deze vergadering was, dat er ook in Padang eene afdeeling tot stand kwam.

Van de vier dagen, die wij nog in Padang moesten vertoeven, alvorens de boot ons weder naar Batavia zal terugvoeren, maakten eenige goede vrienden gebruik, om diners, een gardenpartij, een automobieltocht enz., te arrangeeren, en stelden ons daardoor in de gelegenheid niet alleen met de ingezetenen van het schilderachtige stadje, maar ook met zijne mooie omgeving kennis te doen maken.

Maar van die gardenpartij moet ik iets meer zeggen. De heer en mevrouw Schlüter hadden die voor ons belegd. Hun prachtige tuin, die met lampions en lichtpotjes feeëriek geïllumineerd was, leende zich bij uitstek voor zulk een feest. Wat echter voor ons het bijzonder aantrekkelijke was en ons dien dag nooit zal doen vergeten, dat waren de Indische muziek en de Indische amusementen, waarmede wij voor het eerst kennis maakten. Midden op een groot groen grasveld, fantastisch beschenen door het licht uit de ontelbare lichtpotjes rondom geplaatst, speelde de gamelan en werd er door eene Javaansche schoone, in hofgewaad, getandakt, nu en dan in hare mooie, gracieuze bewegingen bijgestaan door een mannelijken tandakker. En was het fijne, Javaansche poppetje—’t was alsof zij van porselein was—moe dan zweeg de gamelan en dan keerden wij onze stoelen om en verlustigden ons in het gezicht van een groote groep mannen, die mêmantjakten, dat is krijgsdansen en schermutselingen uitvoerden, waarbij hun eigen opgewekt, melodieus gezang de maat aangaf. Wat steekt dat dansen van deze inlanders, dat eigenlijk niets anders dan elegante, rhytmische bewegingen is, toch hemelsbreed gunstig af bij onze danspartijen! Wat staan hunne amusementen toch veel hooger dan de onze!

De Indische bevolking, die op de muziek van de gamelan van heinde en ver was toegestroomd en in honderden zich driestweg in den tuin had gewaagd, schaarde zich zittende en staande rondom de gamelan en de dansende Maleiers en vormde in hare schilderachtige bonte kleeding een achtergrond, die niet mooier kon worden uitgedacht. Ook bij deze gelegenheid toonde de bevolking weder haar hoog peil van beschaving; uit deze tallooze menigte werd geen luide stem vernomen; stil, bijna geruischloos, waren zij binnengekomen en stonden daar even bewonderend als wij naar het tandakken en mêmantjakken te zien. Alleen als wij de uitvoerders door handgeklap toejuichten, waren het in hoofdzaak de inlandsche kinderen, die ons in dit tevredenheidsbewijs steunden. Onder deze vertooningen, waarbij ook nog de muziek van een Chineesch orkest gevoegd moet worden, werden de gasten onophoudelijk van spijzen en verfrisschende dranken voorzien, en ook daarbij werd van de aanwezigheid van zooveel inlanders, waaronder toch ook vele kinderen, niet de minste overlast ondervonden. Vergelijk met dit alles eens iets dergelijks in ons land!

Padang en de Padangsche bovenlanden hebben op ons beiden een diepen, blijvenden indruk gemaakt. Noch de prachtige natuur, noch de buitengewone omstandigheden, waaronder de bevolking daar leeft, noch de vele hartelijke menschen, die wij er hebben ontmoet, die ons vriendschappelijk tegemoet zijn getreden en ons bezoek zoo vruchtdragend hebben gemaakt, zullen ooit uit onze herinnering verdwijnen. Sumatra’s Westkust is alleen een bezoek aan onze koloniën waard.

Nu wij op het punt staan, Sumatra voorgoed te verlaten, wil ik met een enkel woord den indruk weergeven, dien over het algemeen de Maleier op mij heeft gemaakt, omdat wij dezen nu niet meer zullen ontmoeten en in hoofdzaak met den Javaan kennis maken.

Het is niet gemakkelijk, in een paar woorden te omschrijven, welke die indruk is en daarom neem ik mijn toevlucht tot eene vergelijking van de Maleiers, zooals wij die hier op Sumatra’s Westkust ontmoet hebben, met de inlanders in andere landen..

In Zuid-Afrika boezemden de inlanders mij groote sympathie in; ik gevoelde voor hen als een moederlijke vriendin. Ik beschouwde hen als kinderen, die met tact moeten worden opgevoed, waarbij er waren met moeilijke karakters, maar zoo zeer velen, die slechts goede leiding noodig hebben om tot bruikbare, zeer goede menschen op te groeien. Van de Afrikaansche inlanders is m.i. alles te maken; komen zij niet of niet goed terecht, dan kunnen wij dat toeschrijven aan de verkeerde leiding, aan de dikwijls verdervende omstandigheden, waaronder zij opgroeien.

In Britsch-Indië heeft de inlander mijn sympathie niet kunnen verwerven. De weerzinwekkende indruk, dien de Hindoe in het Zuiden van het land op mij maakte is wel langzamerhand wat verzacht, maar de druk-doende, schreeuwerige Hindoe en Mohammedaan in Britsch-Indië, de slimheid en geslepenheid in zijn optreden, zijn aanstellerige manier om zijn godsdienst en kaste aan de wereld te openbaren door middel van groene, gele en roode verf op zijn gezicht te smeren, maar vooral ook zijn geloof en ongeloof, zijn afgodsdienst enz. zijn zoo walgingwekkend, dat ik mij in geen enkel opzicht met deze menschen verwant kan gevoelen.

De Maleische bevolking in Padang, doch vooral in de Padangsche bovenlanden, hebben heelemaal niet den indruk verwekt, dat wij zoo ver boven hen staan. Hun zelfbewust, waardig optreden, hun kalme natuur, hun werkzame aard, (vooral wat de vrouwen betreft), hun getoonde behoefte aan ontwikkeling, stellen hen op nagenoeg één lijn met ons zelven, Wij mogen hen beschouwen als een jongeren vriend, die goede leiding noodig heeft, die intellectueel hoog genoeg staat, maar wien tot dusver de noodige opleiding onthouden is en die, zoodra de gelegenheid tot geestelijke ontwikkeling maar genoegzaam geboden wordt, met reuzensprongen zal vooruitgaan, om weldra in menschelijke ontwikkeling geheel met ons gelijkgesteld te kunnen worden.

Men zegt hier: “de Maleier is lui”; in Deli vindt men den Maleier ongenegen om koeliewerk voor ons te verrichten, maar dat laatste stempelt hem in mijn oog hooger dan den Javaan en den Chinees, die zich daarvoor wel gebruiken laten. Dat de Maleiers, en dit geldt alleen voor de mannen, lui zouden zijn, is ook voor een deel toe te schrijven aan de rechtsverhouding, waaronder deze menschen nog leven. Hun rechtstoestand dateert nog van vele eeuwen her, toentertijd was het misschien wijs en rechtvaardig, hunne wetgeving zoo in te richten zooals die nu nog is, maar met hunne tegenwoordige ontwikkeling en levensopvatting is deze dikwijls zeer in strijd.


1 Het komt mij voor, dat de controleur van Kotô Agoëng zich moet hebben vergist, toen hij mij den prijs van 2000 à 3000 gulden noemde voor eene bruid. Een bruid zal zeker niet tienmaal meer kosten dan een bruidegom. Het zal ook daar wel 200 à 300 gulden moeten zijn.

2 Toen ik dit schreef, kende ik nog niet het bestaan van het uitgebreide werk van mr. Willinck, omtrent het rechtsleven der Minangkabausche Maleiers.