Wij, bewoners van een klein, dicht bevolkt land, kunnen ons moeilijk een voorstelling van de uitgestrektheid van Zweden maken, als wij bedenken, dat Zweden ongeveer hetzelfde getal inwoners heeft als Nederland.
Hadden wij van Trelleborg naar Stockholm, in een recht naar het Noorden opgaande lijn, reeds ongeveer 12 uur in een sneltrein doorgebracht, van Stockholm naar Abisco, verder in noordelijke richting, in een expres-trein, die den afstand in den kortst mogelijken tijd volbrengt, moeten wij nu van Dinsdagavond zes uur tot Donderdagmorgen acht uur doorbrengen, dag en nacht doorreizende. Dit wil dus zeggen, dat wij b.v. sneller van Amsterdam naar Rome kunnen reizen, dan van Zweden’s hoofdstad naar een der uiterste punten van het land.
Gelukkig zijn de Zweedsche wagons, en vooral de slaapwagens, zeer comfortabel ingericht en men kan hier, evenals in de Amerikaansche spoorwagens, op zoo’n langen rit allerlei werkzaamheden verrichten. Ik zit dan ook dezen brief in den trein te schrijven.
Nu ik meer over Zweden en de bewoners ga uitwijden, moet ik toch nog even op een stukje van het Congres van den Wereldbond terugkomen. Ik moet nog even met een enkel woord gewagen van de uitstapjes door ons allen gezamenlijk gemaakt naar Saltsjöbaden en Grypsholm en vooral van ons bezoek aan Upsala, met zijn oudste en grootste universiteit van Zweden. De twee eerstgenoemde tochten gaven ons een goeden indruk van de eenig mooie omgeving van Stockholm en van de plaatsen, waar de gegoede, misschien wel rijke, Zweden hunne zomerhuizen hebben. Zoowel aan de oevers van het Mälarmeer, als aan die van de baai der Baltische zee, bevinden zich tallooze kleine en groote villa’s, soms echte zomerpaleizen. Van menige villa had men aan de oevers Bengaalsch vuur ontstoken, toen wij ’s avonds met onze booten passeerden.
Dat het volk van Zweden, van hoog tot laag, de vrouwenbeweging sympathiek gezind is, daarvan kregen wij door deze en andere bewijzen een indruk.
Toen wij bijv. gedurende het congres in 90 open landauers, waarin alleen de vreemdelingen een plaats konden vinden, een tocht van 1½ uur door Stockholm maakten, werden wij het meest toegejuicht in Stockholm’s volksbuurten, waar men bijna algemeen naar buiten stroomde, ons toewuifde en succes wenschte. Het waren vooral ook de mannen uit het volk, de werklieden, die ons hunne goede wenschen toeriepen en van uit het gebouw van het Leger des Heils, waar, ons ter eere, de vlag was uitgestoken, hingen uit alle ramen de heilsoldaten, om ons met zakdoeken toe te wuiven.
Toen wij Maandagmorgen in Upsala aankwamen, als gasten van de afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht aldaar, waren wij niet weinig verrast, van bijna elke woning de Zweedsche vlag te zien wapperen en onze verwondering en waardeering steeg, toen wij zagen, dat van het gemeentehuis vele vlaggen wapperden en deze hulde ons bereid was op uitdrukkelijk verzoek van den burgemeester van Upsala.
Hadden wij ons gedurende het geheele congres kunnen verlustigen in den aanblik van een twintigtal jonge meisjes, die in hunne witte japonnetjes en met de studentenpet coquet op haar weelderigen haardos, als pages dienst deden, in Upsala werden wij opgewacht door ’n heel leger van zulke geestverwantjes, die met niet weinig trots ons in hunne mooie universiteit rondgeleiden en ons de vele inrichtingen in het belang van het onderwijs lieten zien. Ruim 200 vrouwenstudenten telt de universiteit van Upsala en ook onder de docenten zijn verschillende vrouwen.
Niet alleen is in Zweden alle onderwijs vrij, van het lager tot het hooger en hoogste onderwijs, maar voor zeer arme studenten zijn ook in de verschillende clubgebouwen kamers beschikbaar, waar zij gratis huisvesting en voeding vinden. De studenten zijn er verdeeld in clubs, zooals ook bij ons, maar zij kiezen hun club niet zelf, zij worden ingedeeld bij de club van hun provincie. Zij betalen in deze clubs geen contributie, alles is voor hen van hoogerhand ingericht op de meest praktische en comfortabele wijze. Zij hebben er hun eigen leeszaal, conversatiezaal, kunnen er goed en billijk hunne maaltijden gebruiken en hebben er een groote zaal om er ’s avonds te dansen, te musiceeren, onderling voordrachten te houden, of zich op andere wijze te vermaken. Meisjes- en jongens-studenten zijn er collegiaal bijeen. De meisjes-studenten hebben echter bovendien nog een eigen studentenclub, waar alleen meisjes-studenten in opgenomen kunnen worden, en waar zij van uit alle provinciën vereenigd zijn, evenals er ook vele zulke jongensclubs bestaan.
Merkwaardig is zeker, dat er aan de acacdemie ook een professor in de muziek is aangesteld, die in hoofdzaak zangonderricht geeft, waaraan alle studenten verplicht zijn deel te nemen. Vandaar zeker, dat de meisjes-studenten, en de oud-studenten, de dames-doctoren in de verschillende vakken, ons bij de feestelijkheden op het congres herhaaldelijk vergastten op hunne tallooze studentenliederen, en dat na afloop van het diner in Upsala, de vele met ons aanzittende heeren-professoren, docenten etc. ons zoo mooi vele oude Zweedsche liederen te hooren en te genieten konden en wilden geven.
De lunch in Upsala werd ons aangeboden in den botanischen tuin, in de open lucht, en als bijzonderheid daarvan moet ik even opmerken, dat alle ons daar aangeboden en zoo lekker gevonden gerechten, taarten, vleezen, koeken etc. etc. door een of andere der strijdsters voor vrouwenkiesrecht zelf gemaakt waren. Werd daarmede niet getoond, dat de strijd voor vrouwenkiesrecht, die zooveel meer tijd en energie van de vrouw in beslag neemt, als later het uitoefenen van het kiesrecht zal blijken te vorderen, de vrouwen toch niet ongeschikt maakt goede huisvrouwen te zijn, die het kooken en bakken, waarvoor de mannen zoo bang zijn, daarbij niet verwaarloozen of verleeren? Menig recept voor gerecht of taart, welke ons daar was aangeboden, werd ook door Hollandsche huismoeders, die dit congres bijwoonden, gevraagd. Als belooning voor de vrijheid, die de mannen haar toestonden, om voor dit congres naar Zweden te gaan, zullen zij hen zeker na de terugkomst op een nieuw en lekker schoteltje onthalen.
Had ik op mijn reis naar Stockholm, en van daar naar Dalecarlië, en zelfs langs de oevers der meren om Stockholm, den indruk verkregen, dat Zweden liefelijk mooi, doch niet imposant is, dat het zelfs niets specifiek Zweedsch heeft, dat het mij nu eens herinnerde aan gedeelten in Holland, dan weder aan sommige streken in Engeland, op mijn reis door Lapland krijg ik geheel andere indrukken. Op dezen tocht worden, hoe verder noordelijk wij komen, de bosschen dichter, de meren grooter en talrijker, watervallen vertoonen zich, en in plaats van heuvels, zooals aan de oevers van het meer Siljan, zijn hier inderdaad bergen zichtbaar. Dit alles ziet men toch ook in Zwitserland, Schotland en Noorwegen en andere berglanden, doch hier vertoont het nu een bijzonder, een Zweedsch karakter. De bergen zijn hier niet zoo hoog als in die andere berglanden, maar tot aan den top, dicht met pijn- en berkeboomen begroeid, nu en dan plotseling overgaande in een groote open vlakte, wat altijd een meer is. Van uit den trein ziet men niet, of die bergen bewoond zijn. Wanneer wij nu en dan een dorpje passeeren, zijn het altijd enkele houten huisjes, die dicht bij een meer gebouwd zijn. Ik had mij voorgesteld dezen tocht nu en dan te onderbreken en langs een der zijbaantjes de kustplaatsen te bezoeken. Dit werd mij echter door iedereen ontraden, om de eenvoudige reden, dat er niets bijzonders te zien zou zijn, dat die dorpjes alleen bewoond worden door een arme visschersbevolking, die niets eigenaardigs vertoont en dat er geen geschikt nachtlogies te bekomen is. Van één plaats spijt het mij bijzonder, dat ik er nu niet en dus wel nooit komen zal. Als men jarenlang zoo elken dag in de courant onder de weerberichten Haparanda ziet staan, als de plaats waar metereologische opnemingen geschieden, en men komt er dan, om zoo te zeggen, rakelings langs, dan voelt men zoo’n lust om het eens even aan den lijve te voelen, hoe de temperatuur, al is het dan ook in het midden van den zomer, daar op onze body inwerkt. Om er echter te komen, zou ik in Boden uit den trein moeten stappen, op een zijlijntje in drie kwartier naar Lulea sporen en van daar per boot in zes of acht uur naar Haparanda stoomen.
Noch in Lulea, noch in Haparanda, zou ik een geschikt hotel vinden en wat voor mij meer zegt, de boot die van Lulea naar Haparanda en terug gaat, is geen boot, waarop men eenig comfort mag verwachten. ’t Zijn eenvoudige goederenbooten, waarmede ook de visschersbevolking heen en weder trekt. Dit alles zou ik misschien toch nog er voor over gehad hebben, indien niet mijn tijd, die ik voor dezen tocht besteden kan, krap gemeten is en men mij voorspeld heeft in Abisko en Narvik mooiere en interessanter zaken te zullen beleven. Ik verkeer dus in hoop, en wordt die niet verwezenlijkt, dan maak ik, terugkomend, dat slippertje nog.
Het is nu acht uur ’s avonds, de zon staat nog zoo hoog aan den hemel, alsof zij nog lang niet denkt onder te gaan. Nog een nacht verder sporen en dan gaat zij inderdaad in het geheel niet meer onder, of liever gaat onder om in hetzelfde oogenblik weder op te gaan.
In den trein zittende, moet ik toch met een enkel woord melden, wat elken reiziger uit den vreemde hier onmiddellijk moet opvallen. Ik schreef reeds over de comfortabel ingerichte spoorwegcoupées en vooral de comfortabele slaapgelegenheden met gelegenheid om zich ’s morgens behoorlijk te verfrisschen. Ook de toiletten worden bijzonder zindelijk onderhouden, zoodat men er ’s avonds nog even goed als ’s morgens gebruik van kan maken. Dat men daar toch in ons land eens meer aandacht aan wijdde! Bijzonder valt ook de beleefdheid van alle beambten op; hier in dezen expres-trein spreken alle beambten ook behoorlijk Duitsch. Vandaag is gedurende den geheelen dag een restauratie-wagen aan den trein, waar ook alles weer even zindelijk en goed bereid opgediend wordt.
Ik ga nu nog op het balcon van den trein een beetje van den mooien avond met daglicht genieten, alvorens te gaan slapen, en hoop in een volgenden brief van Abisco en Narvik, de eindstations op deze route, te vertellen.
Nadat wij het station Boden gepasseerd waren, spoedig na middernacht, was ik te bed gegaan. Het was nog daghelder, de zon was even onder, om bijna op hetzelfde moment weder te voorschijn te komen, ’s Nachts om half drie werd ik wakker, doordat de felle zon, die toen reeds vrij hoog aan den hemel stond, hel en warm door het open venster juist mijn gezicht bescheen. Toen ik uitkeek, vond ik het landschap geheel veranderd. Geen groene boomen of begroeide bergen meer, wild en dor zag het landschap uit. Geen huisjes meer langs de meren, slechts hier en daar een eenvoudig houten huisje voor den baanwachter. Langzamerhand begonnen ook de bergtoppen nog sneeuwresten te vertoonen en tegen den ochtendstond waren wij in een streek aangeland, waar de sneeuw nog flink dicht op alle bergruggen ligt. Hoewel de zon om zeven uur reeds brandend heet is, is het toch frisch en zelfs koel, zoodra men even buiten de lijn komt, waar de zonnestralen vallen.
In het kamp van Laplanders.
Is dit nu Lapland? vroeg ik mij onwillekeurig af. Aan de kleine stations, waar eene kleine arbeidersbevolking woont om in de mijnen te werken, merkt men niets bijzonders. Men zou zich kunnen verbeelden in Sneek, Zuidbroek, Geldermalsen of een ander klein station in ons land te zijn, zoo eender zien de menschen er uit. De heertjes die hier en daar op het perron staan, zijn van hetzelfde type als dat soort heeren in Amsterdam of elders in ons land, de vrouwen zijn bijna allen uniform met een bont katoenen blouse, donkeren rok en witten matelot-hoed gekleed. Van Laplanders aan de stations geen sprake. De eenige als Laplandsche gekleede vrouw die ik aan een station zag, zag ik in Stockholm.
Laplanders.
Precies op tijd kwamen wij Donderdagochtend in Abisco aan. Dat was indrukwekkend. Een uitgestrekt vergezicht over de Tornetraesk en de Laplandsche bergketen, die nog geheel door sneeuw bedekt is. Door de felle zon beschenen, lag alles in een blauwen gloed.
Tornetraesk noemt men het zeer groote meer waaruit rondom de hooge sneeuwbergen opstijgen en waaraan Abisco ligt. Dit meer was nog vol ijsschollen.
Abisco is geen stad of dorp, het is een station. Het ligt midden in het Nationale Park; een zeer groote woesternij, om zijne bijzondere natuurschoonheid, zeldzamen plantengroei, zijn vogels, vlinders, insekten, enz. door de Zweedsche regeering aangekocht en tot nationaal eigendom gemaakt. Geen andere huizen staan er dan die tot het hotel behooren, een echt touristenhotel, van hout gebouwd en zonder eenige luxe. Toch ziet alles er door de zeldzame zindelijkheid, waarin het gehouden wordt, animeerend uit. Het touristenhotel behoort aan de Zweedsche touristenvereeniging en heeft eene directrice aan het hoofd. De prijzen zijn er, vooral de goede voeding in aanmerking genomen, bespottelijk laag.
Wij waren bij onze aankomst niet weinig verrast nog vele andere leden van het congres aan te treffen en spoedig waren wij overeengekomen gezamenlijk een wandeltocht naar een waterval, de Zilverval, te ondernemen, die op twee-en-een-half uur afstand van het hotel gelegen is. Vooral de wandeling er heen werd ons als zeer schilderachtig geroemd.
Met een club van zestien personen gingen wij op weg, nadat onze twee Zweedsche metgezellinnen, die hier bekend zijn en als gids wilden dienen, ons de noodige inlichtingen verstrekt hadden, omtrent kleeding en schoeisel. De weg zou hier en daar wat nat zijn, dikke schoenen of overschoenen werden dus aangeraden. Een muskietennet over de hoed, voor de vele muskieten, die soms in de bosschen krioelen, werd ook geraden. Verder warme kleeding. Sommigen kwamen nu direct uitgedoscht in wit, in blauw of in groen tarlatan gehuld, met ijzer beslagen bergschoenen aan de voeten en met alle mantels behangen, die zij bij zich hadden. Het bleek echter dat dit alles overbodig was, want hoe wij ook beschoeid waren, nat werden wij toch en door de ingespannen wandeling werden wij warm genoeg. Het was een zeer bonte groep. Alle talen werden gesproken.
Te Huis.
De weg, die geen weg was,—de Zweedsche metgezellinnen roemden de wijsheid der Zweedsche regeering om geen wegen aan te leggen, waardoor het oorspronkelijk karakter van het park behouden bleef,—liep dan eens over grasstoppels, keisteenen of mul zand, dan weder over natte sneeuw, waarin wij tot over de enkels inzakten en leidde ons nu en dan door een snelvlietend stroompje, waar wij òf moedig doorheen waadden, òf met behulp van steenen of boomstronken ons een weg baanden. Opeens echter, nadat wij bijna twee uur op die wijze voortgesukkeld hadden, werd het pad zoo moerassig, dat wij niet verder konden en onze geleidsters op den inval kwamen, langs de vrij steile wallen, tusschen de struiken door, naar boven te klauteren en langs den spoorbaan onze reis te vervolgen. Den geheelen weg over behielden wij het gezicht op het Tornemeer (traesk is de Laplandsche naam voor meer), met zijn schilderachtigen achtergrond van sneeuwbergen. Door de telkens veranderende bewolking zagen wij het elk oogenblik anders belicht.
Na een eind gaans op den spoorbaan daalden wij weder af om te onderzoeken of de weg begaanbaarder was geworden, en bereikten toen na korten tijd, het doel van onzen tocht. De Zilverval is indrukwekkend mooi, maar wat nog mooier en schilderachtiger is, is de omgeving waarin hij zich bevindt.
De mooie bewolkte lucht, die het Tornemeer zoo mooi had beschenen, werd dichter en dichter bewolkt, en verraste ons plotseling op den inhoud van een zijner, dien morgen zoo dikwijls door ons geprezen, wolken. Het was een regen die in stroomen nedergutste en niet van plan was spoedig op te houden.
In een half uurtje konden wij Björkliden bereiken, een klein station, waar een bakker woonde. Wij zouden dus misschien wat te eten kunnen krijgen. Toen wij daar druipnat aankwamen, was de bakkersvrouw dadelijk bereid koffie voor ons te maken en ons op koek en brood te onthalen. In een oogwenk was zij met alles gereed, maar zij kon zooveel natte dames niet in haar klein, zindelijk woninkje herbergen. Buiten, op geïmproviseerde banken gezeten en nog steeds in een stortregen, genoten wij van de heete koffie, lekkere koek en brood. En toen wij het goede mensch betalen wilden, vroeg zij van ieder vijf-en-twintig öre, zoowat 17½ cent. Wat zou een bakkersvrouw in ons land van zoovele vreemdelingen, die haar onverwachts in haar werk kwamen overvallen, en die zij wel nooit zal wederzien, in zoo’n geval gevraagd hebben?
De stationschef wilde ons ook van dienst zijn. De trein van Kiruna naar Narvik is eigenlijk aangelegd om de ijzererts uit Kiruna naar Narvik te voeren, waar het verscheept en dan door de geheele wereld gevoerd wordt. Elk uur passeert er zulk een ijzererts-trein. Hij zou den eerstvolgenden trein doen stilhouden, een derde klasse wagon aanhaken en ons in Abisko laten uitstappen. Het kleine wachtkamertje kon ons niet allen bevatten, maar vriendelijk liet hij ons dan maar van zijn bureau gebruik maken. In Abisko teruggekomen, konden wij bij een vroolijk knappend houtvuur onze natte kleederen drogen. Het regende nog steeds, een mooien zonsondergang of opgang was dus niet te verwachten. Wij amuseerden ons met naar de vele rendieren te kijken, die tegen den avond naar beneden komen en in groote troepen bijeenblijven. Beproefde men ze te naderen, dan verdwenen zij snel tusschen de heesters.
Den geheelen dag hadden een viertal Laplanders om het hotel gedwaald, om hun rendierenhuiden, tabakstasschen, lepels, vouwbeenen en nog allerlei andere zaken die zij uit deelen van rendierenlichamen kunnen maken, aan den man te brengen. Het waren de eerste werkelijke Lappen, die ik zag. Zij leken in hun bonte, blauw met rood afgezette, ruime jakken, die om het middel met een breede lederen riem waren vastgebonden en met hunne blauwe mutsen, net Fransche soldatenmutsen, met een dikken rooden pompoen op den top, op groote apen. Er waren twee oude en twee jonge Lappen bij.
’s Avonds werd het plan gevormd, om den volgenden dag gezamenlijk naar een Lappenkamp te gaan. Deze menschen kampeeren ver van de bewoonde wereld, hoog in de bergen, waar het koud genoeg is voor hunne rendieren en waar deze beesten het mos kunnen vinden waarmee zij zich voeden. De Lappen leven geheel van hunne rendieren en volgen hunne kudde, waarheen die trekt. Niet zij zoeken den weg waar zij zich nederzetten willen, de rendieren geven den weg aan.
Om naar het dichtstbijzijnd Lappenkamp te komen, moesten wij het electrisch motorbootje afhuren, dat ons van de eene zijde van het Tornemeer naar de andere, naar Pölnoviken, brengt. Meer dan veertig touristen, in het hotel aanwezig, wilden dien toer mede maken. Gelukkig was het weer opgehelderd en met een heerlijken zonneschijn staken wij ’s morgens om half elf van wal. Het was de eerste toer die dezen zomer met het motorbootje gemaakt werd, daardoor verkeerde de kapitein omtrent de landing nog in het onzekere. Na anderhalf uur van deze boottocht genoten te hebben, kwamen wij in de nabijheid van Pönoviken, waar echter het water nog zoo vol ijsschollen lag, dat van landing daar ter plaatse geen sprake kon zijn. Nadat wij een oogenblik in het onzekere verkeerden, wat nu gedaan kon worden, zagen wij een Lap met zijn kanoe naar ons toeroeien. Hij zou ons bij gedeelten aan wal brengen. Met zijn smalle boot kon hij gemakkelijk tusschen de schollen doorscharrelen. De moedigsten stapten het eerst in en weldra had hij ons allen gehaald. Het aan wal stappen ging weder niet zoo eenvoudig omdat wij tot aan de knieën in de losse natte sneeuw wegzonken, maar allen hadden dit koude voetbad er wel voor over. Wij waren nu in het Lappenkamp en zagen vele (mannen, vrouwen en kinderen van dit volkje bijeen. Zij waren allen in dierenhuiden gekleed, alleen het mutsje op hun hoofd was van een soort blauwe stof met rood afgezet gemaakt. Het lange blauwe buis wat zij dragen als zij in Abisco komen of naar de markt in de steden gaan, schijnt hun Zondagsch kleed te zijn.
Hoewel het nog een echt nomadenvolk is, en zij nog veel oorspronkelijks vertoonen, heeft toch de beschavende invloed van een spoorweg in de nabijheid, waardoor zij zelf naar de marktplaatsen kunnen gaan om daar hunne meer origineele dan mooie handelsproducten te verkoopen, in plaats van af te wachten dat ondernemende kooplieden bij hen komen, of ook doordat zendelingen tot hen zijn gekomen om christenen van hen te maken, veel van hun oorspronkelijken aard weggenomen. Men ziet in hunne primitieve tenten tal van huishoudelijke artikelen, die zij in de steden moeten gekocht hebben voor het geld, dat zij voor hunne rendierproducten ontvingen. Ook kunnen vele der jongere Lappen nu zeer goed lezen en schrijven. Zij vallen namelijk ook onder de schoolplichtwet. De Zweedsche staat legt daardoor gedurende een groot deel van het jaar beslag op de kinderen; zoodra die den 6-jarigen leeftijd bereikt hebben, besteedt men hen uit en laat hen naar school gaan. Daardoor ontwikkelen die kinderen zeer zeker geestelijk, maar men maakt ze ongeschikt voor het nomadenleven der ouders. Een begaafde Lap, die daarover zijne ideeën eens luchtte tegen een Zweedsche vrouw, heeft die vrouw geïnspireerd, dat gesprek in boekvorm weder te geven en dit boek heeft nu in Zweden bij velen den twijfel doen ontstaan, of het wel goed is, de kinderen van deze menschen schoolwijsheid bij te brengen. Het groote bezwaar van de Lappen tegen het schoolgaan der kinderen is, dat die kinderen dan niet van jongs af leeren skiën, bergklimmen, springen en alles wat zij noodig moeten kennen, om de rendieren op hunne moeilijke tochten te volgen. Op lateren leeftijd schijnen zij dat niet meer goed te kunnen leeren.
Nu velen hunner christenen zijn geworden, laten zij hunne kleine aap-menschen-kinderen doopen, trouwen zij kerkelijk en begraven zij hunne dooden. Daarvoor wachten zij een of anderen heiligen dag af en komen dan in groote groepen naar beneden, om op dienzelfden dag alle huwelijken van den laatsten tijd te laten sanctioneeren, alle kinderen, die in dien tijd geboren zijn te laten doopen, en slepen zij hunne, soms lang geleden gestorven bloedverwanten mede, om die meteen christelijk te begraven. Laat mij niet vergeten te vermelden, dat het een zachtaardig volk is, dat niemand kwaad doet en onderling ook in vrede schijnt te leven. Zou de opgedrongen beschaving hen niet kunnen bederven?
Heden, den 23en Juni is het midzomernachtfeest. Dit feest wordt in heel Zweden en door alle Zweden gevierd en duurt drie dagen. Vooral in Dalecarlië worden deze feestdagen buitengewoon gevierd en lokken vele vreemdelingen naar die mooie provincie. Het Johannesfeest, zooals het ook wel wordt genoemd, heeft ook hier zoo’n groote beteekenis, dat zelfs in de mijnwerken in Kiruna, drie dagen door niemand wordt gewerkt en alles wat met den mijnarbeid in verband staat, tot stilstand is gebracht. Hier in Abisco was reeds ’s middags een groote vlaggestok, geheel met lichtgroene takken van de zilverberken versierd, in den grond geplant; een groot groen gemaakt kruis met twee kronen er aan bevestigd en hoog boven in de Zweedsche vlag geheschen, door het personeel van het hotel. In een omgeving, waar men over bloemen beschikken kan, wordt zoo’n paal geheel met bonte bloemen versierd. Met zoo’n paal als middenpunt, wordt tot laat in den nacht of tot vroeg in den morgen door alle aanwezigen gedanst, alle oude Zweedsche gezelschapsspelen gespeeld en de vroolijkheid hoog opgevoerd. Van standverschil, van vreemde nationaliteit, wordt geen notitie genomen; als men staat toe te kijken, wordt men mede in den kring getrokken en moet mede zingen en dansen, ’t Is een onschuldig, vroolijk feest, zoolang er geen alcohol gedronken wordt. Hier in Abisco worden geene spiritualiën geschonken in het Toerist-hotel, de feestvreugde had daarom een beschaafd karakter, en oefende zelfs op den meest Stoïcijnschen Zweed, de meest aristocratische Engelschen, de lakonieke Duitschers en ons stijve Hollanders (er waren zeven Hollanders onder de gasten) een even opwekkenden invloed uit.
Jammer, dat de zon om twaalf uur juist achter een wolk wegkroop en ons niet liet zien, hoe het kunststuk volbracht werd, om op hetzelfde moment onder te gaan en weder op te komen.
Nu ik in het land van de middernachtzon ben, moet ik toch wat meer over die zon schrijven, dan ik tot nu toe deed. Het ergste is echter, dat ik nog steeds geen gelegenheid had, met eigen oogen te zien, dat de zon onder en opgaat, op hetzelfde moment. Tot dusver hebben wij ’s avonds regen of nevel gehad, of wilde het ongeluk, dat de eenige wolk, die de strak blauwe hemel bevatte, op het kritieke oogenblik juist voor de zon schoof. Dit neemt evenwel niet weg, dat helder daglicht, met een vroolijk schijnende zon om middernacht een verbijsterenden indruk maakt en de menschen met de dagverdeeling totaal in de war brengt. Men eet niet meer en slaapt niet meer op vaste uren van dag en nacht, maar den raad, door Baedeker gegeven, volgt men onwillekeurig, ook zonder die gelezen te hebben. Men gaat eten of slapen, als men er behoefte aan heeft, onverschillig welk uur de klok aanwijst.
Alleen den eersten dag verwondert men zich, als men ’s avonds om elf of twaalf uur een troepje ziet uittrekken voor een bergtoer, omdat zij liever den warmen dag gebruiken om te slapen. Of als men op een wandeling rondom het hotel des nachts nog allen druk aan den arbeid vindt en men nergens neiging tot naar bed gaan bespeurt.
Voor toeristen, die toch nooit zeer lang in deze omgeving blijven, zal zoo’n ongeregeld leven niet veel kwaad doen, op het personeel in de verschillende hotels hier zullen echter de korte zomermaanden, zonder nachten, zeer gewis een zeer afmattenden invloed uitoefenen.
Van Abisco vervolgden mijne trouwe metgezellin en ik onze reis naar het meer oostelijk gelegen dorp Narvik, het eindpunt van den Lapland-spoorwegbaan. Na ruim een uur sporen van Abisco, bereikten wij de Riksgraenzen, daar, waar Zweden’s rijk uit is, en dat van Noorwegen begint. Die overgang bemerkt men niet alleen door den scheidspaal, ook niet alleen doordat andere beambten den dienst in den trein overnemen, maar is bijna onmiddellijk merkbaar aan den overgang van ’t uitzicht. Wij zijn in Noorwegen! roept men onwillekeurig, nu Noorwegen onmiddellijk met zijn veel majestueuzer natuurschoon forsch inzet. Die hemelhooge kale bergen, met diepe ravijnen en breed en krachtig neerkomende watervallen kan Zweden ons niet bieden. Hier in deze Noorweegsche streek behoeven de Lappen niet zoo ver van de bewoonde wereld weg te schuilen; vlak langs den weg, waarlangs de spoorweg gaat, is het koud en onherbergzaam genoeg, om voor rendieren en Lappen een geschikt verblijf te zijn. Herhaaldelijk zagen wij deze leelijke menschen nu op de bergruggen, waarlangs de spoorbaan voert, maar zij waren nu niet zoo vies-vuil meer en hunne haren beter gesoigneerd. Toen de trein eenmaal midden op den weg, door een of andere hindernis, stilhield en eenige passagiers, door het toewerpen van koekjes en chocolaadjes, de Lappenkinderen naar den trein lokten, hadden wij gelegenheid de vlugheid te bewonderen, waarmede deze, soms nog zeer jonge kinderen, van boven naar beneden klauteren, langs den zeer steilen bergwand. Velen onzer zou het afdalen langs zulk een weg een onmogelijkheid zijn, deze kinderen komen als katten zoo vlug naar beneden. Zij springen, met naar weerszijden wijd uitgestrekte beenen, meer dan zij loopen. Van daar krijgen die beenen waarschijnlijk zoo’n raren leelijken vorm en loopen zij zoo potsierlijk als zij zich op den gewonen, rechten weg bewegen.
Narvik is een aardig, frisch stadje, dat zeer zeker toekomst heeft. Het is eerst in 1902 gebouwd, na den aanleg van den Lapland-spoorweg. De haven van Narvik is het geheele jaar vrij van ijs en is daarom in gebruik genomen om, het ijzer uit de Zweedsche mijnen van daaruit naar de Atlantische Oceaan en verder de geheele wereld door te zenden. Bijna huis aan huis is winkel of hotel. De 4500 inwoners van thans zullen zich zeer zeker spoedig vertienvoudigen.
Van Narvik wilden wij met een van de vele gelegenheden de Noordkaap om, doch daarvoor hadden wij vooraf niet de noodige inlichtingen kunnen verkrijgen. Het eerst begaven wij ons daarom, toen wij ’s avonds om tien uur aankwamen, naar een van de daar gevestigde stoomvaart-maatschappijen om alles te vernemen wat wij moesten weten.
Wij waren nog al fortuinlijk. De eerste passagiersboot, die dit jaar de Noordkaap om zou gaan, kwam Maandag om twaalf uur in Narvik, en zou vandaar dienzelfden middag om twee uur vertrekken. Als nog plaatsruimte op die boot was, konden wij medegaan. Den volgenden morgen, des Zondags, zou ook een passagiersboot van Narvik vertrekken, die in 24 uren een tocht maakt om de Lofoden en vroeg genoeg terug was om nog de boot naar de Noordkaap te halen. Wij besloten onmiddellijk met de boot, de “Salten”, den tocht om de Lofoden te ondernemen, omdat ons die door een medereiziger in den trein reeds vroeger als de meest interessante was beschreven en het natuurschoon op de reis om de Noordkaap niet opwoog tegen wat deze tocht te aanschouwen geeft.
In het zeer goede hotel in Narvik ontmoetten wij twee stadgenooten, die daar de boot afwachtten, die hen vandaar naar Bergen zou voeren. Toen zij vernamen, dat zij met ons den tocht tot Svolvaer, het station, waar wij de Lofoden zouden aandoen, konden maken en ook daar een boot zouden vinden, die hen in denzelfden tijd naar Bergen zou brengen, besloten moeder en dochter ons te vergezellen.
Nu zou ik willen, dat mijn pen in staat was den indruk weder te geven, die deze reis bij mij wekte. In een gemakkelijken rieten stoel gezeten, nu en dan eens wandelende van het achter- naar het voordek, trok een panorama onze oogen voorbij, dat een overweldigenden indruk maakte. Als ik eenvoudig de met sneeuw bedekte reuzenbergen, die van alle zijden uit de zee opstegen, noem, of schrijf over de hier en daar zóó enge fjorden, dat men de vrees in zich voelt opkomen, dat daar het schip nooit door kan, zonder aan beide zijden de angstig zwarte rotswanden te raken, of als ik tracht te schrijven over de soms liefelijker natuurtafereelen, gevormd doordat een stukje grond door de zon kon worden beschenen en daardoor een beetje groen vertoonde, waarachter dan direct weder de grillig gevormde, met sneeuw overdekte rotsspitsen opsteken, dan kan ik toch nooit den overweldigenden indruk weergeven, die dit alles bij mij verwekte.
Wij, vier Hollandsche dames, waren op het bootje wel de eenige buitenlanders, de anderen waren allen Noren of Zweden. Wij hadden een rechtmatige hoop bij het mooie, heldere zomerweder, waarvan wij genoten, nu eens een goeden zons-onder- en -opgang te zullen zien. Maar ’s avonds betrok de lucht plotseling weder en weldra viel de regen in stroomen neder en noopte ons het dek te verlaten en in de kajuit een droge plaats te zoeken. Toen het schip om half twaalf Svolvaer binnenliep, had de regen opgehouden en konden wij de drie kwartier, die wij daar zouden blijven liggen, gebruiken om aan land te gaan.
Svolvaer is een van de vele eilanden of schier-eilanden, want de achterkant wordt door een ononderbroken bergrug gevormd, die hoofdzakelijk van de vischvangst en al wat daarmede annex is, bestaan. Ik had er graag wat langer vertoefd om eens even een kijkje te nemen in het atelier van den in Noorwegen bekenden schilder Gunnaar Berg, die daar geleefd en gewerkt heeft en er gestorven en begraven is. Zijn huis en atelier, waarin vele schilderstukken van zijn hand, zijn gemeen goed geworden en voor een ieder toegankelijk.
Wij, vier Hollanders, maakten gezamenlijk een wandeling door het dorpje, onwederstaanbaar getrokken naar een zeker punt, vanwaar vroolijke dansmuziek ons lokte. Weldra stonden wij in een groote zaal waar, door een honderdtal jonge mannen en vrouwen, lustig gewalsd werd. Voor 50 öre (vijf en dertig cent) mochten wij mede dansen, doch daar wij alleen wilden toezien, konden wij binnengaan. Denk nu niet dat deze jonge menschenschaar zoo hoog in het Noorden en zoo ver van de bewoonde wereld, er op dat bal anders uitzag dan bij ons of ergens anders op een bal in een dorp. De jonge dames waren alle in witte of lichte japonnetjes gekleed en er werd gedanst als overal elders. Hadden wij wat meer tijd gehad, dan had ons Amsterdamsch studentje zeker 50 öre versnoept, zij vond het spijtig genoeg, dat zij dat moest aanzien, zonder er aan mede te kunnen doen.
Alhoewel de regen had opgehouden, was er toch geen zon te zien. Een dikke nevel lag tegen de bergwanden. Spoedig nadat wij Svolvaer verlaten hadden, begaven wij ons naar onze hut om tenminste een paar uur rustig te slapen, ten einde in staat te zijn den volgenden dag te kunnen genieten van ’t geen de natuur ons dan aan te bieden zou hebben. De kapitein van de boot had ons zeer hoffelijk zijn hut voor dat doel afgestaan; een zeer zindelijk bed en een tot bed ingerichte canapée zou ongetwijfeld een uitstekende slaapkamer uitgemaakt hebben, als alles op dit bootje niet zoo lilliputterig klein was geweest en wij niet van dat eenpersoons kamertje met ons beiden gebruik hadden moeten maken.
Ruim elf uur waren wij den volgenden morgen in Narvik terug. Bij onze aankomst zagen wij reeds in de verte de groote boot “Andenaes”, die met toeristen van Bergen uit de eerste reis van dezen zomer om de Noordkaap zou maken, binnenstoomen. Wij bleven derhalve met ons beiden op het havenhoofd wachten en waren weldra aan boord, om met den kapitein van “Andenaes” te spreken. Hij wilde ons medenemen, had nog vele hutten vrij, want voor deze eerste reis was de stroom der toeristen nog niet opgekomen. Spoedig was onze bagage aan boord gehaald en vernamen wij, dat de boot nog twee uur in Narvik zou stoppen. Van deze uren maakten wij gebruik om eenige inkoopen te doen, aan een bank Skandinavisch geld op te nemen, en ons met eenige Hongaarsche vrienden, die wij er onverwacht zagen loopen, kostelijk te amuseeren.
Toen wij Maandagmiddag om twee uur aan boord van de “Andenaes” stapten, ging juist de gong, die ons aan tafel riep. Ik ben geen gourmande, doch weet een goed diner te apprecieeren en daarom wil ik niet onvermeld laten, hoe buitengewoon goed dit diner en verder alle maaltijden aan boord van dat schip waren. Zoo hoog in het Noorden mag men geen groote aanspraken maken, vooral wat vruchten en groenten betreft, maar hier merkte men niet, dat al het genotene zeer zeker een groote reis achter den rug had. Ananassen en meloenen waren van dezelfde superieure kwaliteit als wij ze in Amsterdam zouden kunnen verwachten.
Daar wij tot Lödingen dezelfde fjord passeerden die wij juist twee keer achtereen waren doorgekomen, besloten wij na het eten een paar uur te gaan slapen, om daarna beter in staat te zijn van den avond te genieten. Toen wij tegen zes uur op het dek kwamen, was het koud en regenachtig. Wij waren in de nauwe Tjelsund, waar de grillig gevormde bergspitsen dicht genoeg bij waren om ze nog te kunnen bewonderen. De hoogste punten lagen echter in een dichte nevel.
Toen ik mij bij den kapitein beklaagde, dat er weder van een zonsondergang of van een middernachtzon niets te bespeuren zou zijn, begon hij te lachen en voorspelde met groote beslistheid, dat wij dien avond nog de mooiste zonneschijn te genieten zouden krijgen, die er te genieten valt.
Wij konden ondertusschen onze reisgenooten eens opnemen. Het was een vrij cosmopolitisch gezelschap. Amerikanen en Engelschen ontbraken natuurlijk niet. Verder vele Duitschers en Oostenrijkers, ook een paar Hongaarsche dames, die wij reeds in Stockholm op het congres voor vrouwenkiesrecht ontmoet hadden, Zweden, Noren, Russen en Finnen, en zelfs een paar Fransche heeren.
Ruim vijftig passagiers waren aan boord, die bijna allen deze reis uit belangstelling of “zum Erhohlung” maakten. Alleen een Amerikaansche moeder en dochter waren medegegaan, om wat overtollige tijd aan te vullen. Zij zouden eenige jaren in Europa reizende blijven en wisten eigenlijk niet goed, hoe en waar zij dien tijd zouden zoek brengen. Op dek zag men hen zelden; meestal zat mama te lezen en de dochter te borduren in de conversatiezaal van het schip. Toen op een gegeven oogenblik een der heeren het jonge meisje naar boven riep, om iets merkwaardigs te zien, dat wij passeerden, gaf zij lakoniek ten antwoord: “Thank you, I am satisfied. I only go to see the North Cape, I am told that is so beautiful”. Wat er ook te zien en te bewonderen was, zij bleef kalm borduren of lezen, ging op bepaalden tijd naar bed en zat altijd op het vaste uur aan tafel.
Even voor half twaalf kwam de kapitein ons allen plotseling zeggen, dat de zon in alle pracht aan den hemel stond. Wij waren in volle zee, geen bergtop kon zich tusschen ons en de vuurroode kogel stellen, om ons het gezicht te benemen. Om ongeveer half twaalf was de bol het kleinst en stond het dichtst bij ons, daarna werd zij weder grooter en verhief zich hooger aan de horizon. Het lichteffect, dat daarmede gepaard ging was betooverend schoon. Lang bleven allen van dezen prachtigen zomernacht in het hooge Noorden genieten en eerst tegen den ochtend kon men besluiten naar bed te gaan.
Dinsdagmorgen was er geen haast om op te staan, want het was koud en regenachtig en tegen de bergwanden hing een dikke nevel, die er alle schilderachtigheid aan ontnam. Eerst tegen den middag klaarde de lucht wat op en na het middagmaal konden wij de sneeuw- en ijsbergen weer in hun verscheidenheid van vorm waarnemen. Het was echter te koud en er was te veel wind om lang achtereen op het dek te vertoeven, zoodat dan ook telkens heele groepen personen zich weder in de verschillende salons begaven, om even weder warm te worden. Het was op zulk een moment, dat de kapitein ons allen boven riep, omdat wij bij “de Vogelberg” waren aangekomen.
In het eerst bespeurden wij niets bijzonders, een enorme bergkolos, midden in zee, waar wij rakelings langs stoomden en waarvan de zwarte rotsblokken met duizenden en nog eens duizenden witte puntjes bezet waren.
Wij begrepen eerst de bijzonderheid van dezen berg niet en ik vroeg reeds: “waar zijn de vogels van de vogelberg?” toen door een pistoolschot plotseling een zwerm witte en bonte vogeltjes de lucht invlogen, die het effect maakten van een dichte sneeuwmassa. Vogeltjes, niet grooter dan kleine rijstvogeltjes en daar tusschen door grootere exemplaren. Het waren verschillende soorten meeuwen. Toen ook nog de stoomfluit zijne schrille tonen de lucht infloot, waren de arme beestjes geheel van streek en vlogen krijschend kris en kras dooreen, ’t Was een merkwaardig gezicht zoovele duizenden vogels op die eene berg bijeen.
Toen wij van dit schouwspel genoten hadden, gingen allen spoedig in de salons terug om een beetje van de koude te bekomen. Dat duurde echter niet lang, want spoedig daarna kwam de kapitein ons weder zeggen, dat de Noordkaap in het gezicht was en dat daar de zon scheen. Ons aller verwachting was groot en elkeen rustte zich uit om den bergtop te beklimmen, om daar van de middernachtzon nog eens te genieten.
Door de drukte en de spanning, waarin allen verkeerden, vergaten velen zeeziek te worden, waartoe toch alle gelegenheid was, want wij waren in volle zee en die was vrij onstuimig. De eerste stuurman uitte tegen mij daarover zijne verwondering, “zoovele dames aan boord en hier niemand zeeziek, dat komt zelden voor.”
Vóór wij nog de Noordkaap bereikten, bleef het schip een half uurtje stil liggen, om alle liefhebbers van visschen daartoe een oogenblik gelegenheid te geven en weldra zag men tal van heeren en dames met een meters en meters lange lijn over de verschansing van het schip aan het visschen. De eene kabeljauw voor, de andere na, werd naar boven gehaald en weldra had de hofmeester een groote bak vol, die hij ons den volgenden middag, heerlijk toebereid, voordiende.
Toen stoomde het schip voort en bereikte zeer voorzichtig om 9 uur ’s avonds, den binnenkant van het hoefijzervormige rotsblok, dat Noordkaap heet. De wind was nog zóó sterk, dat het schip niet dichtbij genoeg kon komen om ons aan land te zetten. Een boot werd dus naar beneden gelaten, met twee matrozen en den eersten stuurman bemand, en op die boot zouden de reizigers aan land worden gebracht. Zeven heeren en vijf dames stapten het eerst moedig in, ofschoon het ranke bootje bijna niet dicht genoeg bij de trap van het schip kon gehouden worden, om gelegenheid tot instappen te geven.
Toen allen gezeten waren—’t was alsof op dat oogenblik gewacht was—begon plotseling een zóó krachtige wind op te steken, dat van voorwaarts komen geen sprake was. De twee matrozen en de stuurman, nog geholpen door twee inzittende jonge Duitschers, konden met hun vijven niet tegen de golven inroeien. Zij probeerden achter om het schip, langs de andere zijde te komen, doch dreven langzamerhand zoo ver af, dat de op het schip achtergeblevenen elk oogenblik dachten, dat het kleine vaartuigje met alle inzittenden, het volgende oogenblik tegen de rotsblokken te pletter zou worden geslagen. Spoedig werd een tweede boot, met enkel matrozen bemand, te water gelaten, die, aan het eerste bootje geketend, beproefde het voorwaarts te brengen, of het ten minste voor te pletter slaan tegen de rotsen te behoeden. Toen de storm al heviger werd en wij de twee bootjes dan eens op den top van een golf, dan weer er geheel onder, verder en verder in de open zee zagen afdrijven, ging de groote boot hen achterna en haalde weldra alle inzittenden veilig op het dek.
Vermakelijk was hierbij het gedrag van de twee Fransche heeren die mede in het bootje gezeten hadden. Van de inzittenden vernamen wij, dat zij hunne angst niet beter hadden weten te luchten, dan door onophoudelijk te vloeken tegen de matrozen en den stuurman, zonder hierbij, zooals de andere heeren deden, een hand uit te steken om de roeiers nu en dan een oogenblik af te lossen, om hen weder op adem te laten komen. Toen de groote boot hen te hulp kwam, stieten zij de inzittende dames op zij, om toch vooral het eerste de trap te bereiken om boven op dek te komen, doch toen zij eenmaal veilig daar waren, hadden zij beiden de meeste praats en vergaten geheel hun onbeschoft gedrag.
De storm bleef aanhouden en loeide onheilspellend in deze enge ruimte. Van aan land gaan kon geen sprake meer zijn. Hoog vlogen de golven op en verwekten door de toch hel schijnende zon prachtige breede en sterk gekleurde regenbogen, ’t Was interessant, maar angstig benauwend.
Wij zouden vijf uur aan de Noordkaap blijven liggen, om den passagiers gelegenheid te geven de bergspits te bereiken, daar van de middernachtzon te genieten en in het daar aanwezige restaurant een glas champagne, de eenige drank die er geschonken wordt, te drinken. Natuurlijk moesten ook daar de talloze briefkaarten gepost worden, die in den loop van den dag door elkeen geschreven waren, om toch vooral het stempel van de Noordkaap te krijgen. Van dit alles kon nu niets komen, en ook de post, die onze boot aan boord had en die, welke vandaar moest worden medegenomen, kon niet gewisseld worden.
Toen de storm nog steeds heviger werd, besloot de kapitein, tot aller groote blijdschap, om terug te keeren. Geen onzer had nog lust naar boven te gaan, of te wachten of het weer zich ook zou verbeteren.
Het was ruim elf uur ’s avonds, toen wij weder in volle zee waren en naar Hammerfest stoomden.
Om vijf uur waren wij den volgenden morgen in de haven van Hammerfest aangekomen. Wij zouden er tot tien uur blijven liggen, om kolen in te nemen en den toeristen gelegenheid te geven aan land te gaan. Ik maakte natuurlijk ook van deze gelegenheid gebruik.
Hammerfest lag nog in diepe rust, alle winkels waren nog gesloten. Een goede gelegenheid om het bergje te beklimmen, van waar een mooi vergezicht over gletschers en sneeuwbergen en de naburige eilanden de moeite loont.
Hammerfest, een stadje van nog niet meer dan 2300 inwoners, is reeds meer dan honderd jaren oud. Van half Mei tot einde Juli is er nooit nacht, de zon staat dan onophoudelijk aan den hemel. Dat neemt niet weg, dat zij in dien tijd zich wel eens achter de wolken schuil houdt, en dat zij, om van dezen onafgebroken arbeid uit te rusten, van half November tot einde Januari vacantie neemt en het stadje in dien tijd in volslagen nacht laat. Gelukkig dat de bewoners electrisch licht hebben, waardoor zij zich eenigszins kunnen schadeloos stellen.
Tegen acht uur waren alle winkels open en deden wij in een goudsmids- en een bontwinkel eenige inkoopen. Het trof ons, dat een jonge man, die in een van deze zaken in volkomen goed Duitsch ons te woord stond en vier jaar in Leipzig op school was geweest, zich in dit kleine, stille stadje, zoo ver van de bewoonde wereld, volkomen gelukkig gevoelde en niet liefst Hammerfest voor welke stad ook ter wereld zou willen ruilen. De onaangename traanlucht, waarmede alles in dit stadje doortrokken was, bleef nog lang in onze neuzen hangen.
Na een dag stoomen met hetzelfde nooit vervelende uitzicht op afwisselend groene bergen, zwarte rotsblokken en sneeuwbergen, kwamen wij ’s avonds om tien uur in Lyngseidet aan. Dit dorpje ligt in den uitersten hoek van Lyngenfjörd, vlak aan de zee, door hooge, groene bergen, die alleen op den top met eeuwige sneeuw bedekt zijn, aan drie zijden geheel ingesloten.
Na zoovele onherbergzame streken gepasseerd te zijn, leek dit dorp met weligen plantengroei eene verademing.
In twee booten, de eene met den kapitein, de andere met den eersten stuurman aan boord, werden wij aan land gebracht. Vele passagiers brachten toen gezamenlijk een bezoek aan het op ruim een half uur afstand gelegen Lappenkamp, Langzaam stijgende, langs een mooien landweg, kwamen wij tegen ongeveer elf uur bij de Lappen aan. Rendieren, oude en jonge menschen, en zelfs de wiegekinderen, waren nog in volle fleur en schenen van den tijd van den dag geen Ahnung te hebben. ’t Is ook mogelijk, dat onze komst verwacht werd en zij hoopten, nog iets aan die nieuwsgierige vreemdelingen te kunnen verdienen. Dan is hun hoop verwezenlijkt, want ik geloof, dat niet een der bezoekers vertrok, zonder voor een of meer kronen van de kunstig uit rendier-bestanddeelen gemaakte en zeer billijke souvenirs gekocht te hebben. Deze Lappen waren zeer beslist van eene hoogere ontwikkeling dan die wij in Zweden gezien hadden. Hun uiterlijk was veel meer menschelijk, de jonge vrouwtjes zagen er in ’t geheel niet zoo afzichtelijk en vuil uit en hun haren waren behoorlijk onder het Lappenmutsje weggestreken. De wiegekindertjes zagen er zelfs blank uit.
De wiegjes waren geheel van een rendiervacht gemaakt, met den lederen kant naar buiten, en hadden een vorm, het best te vergelijken met dien van een grooten houten klomp. Alleen van achteren was dan de opening nog met een kap overtrokken. Het viel mij op, hoezeer de vorm van deze wiegen overeenkomt met dien, welken ik door de roodhuiden in Amerika zag gebruiken.
Terwijl wij naar de Lappen stonden te kijken en hen van alle zijden opnamen, werden wij wederkeerig aangegaapt door de van heinde en ver toegestroomde dorpelingen. In open rijtuigjes waren zij ons op onzen weg gevolgd en een tiental van die wagentjes stonden en haie geschaard, toen wij het kamp verlieten. Toen ik dan ook eens onze bonte groep overzag, waarvan enkele heeren in sportcostuum, met kuitbroeken, anderen in lichte zomerpakken, waarover een bontjas voor de nachtelijke koude, dames in gekleurde tricot-mantels, gummi jassen, bontmantels of avonddoeken, met een verscheidenheid van hoofddeksels, kwam ik tot de conclusie, dat wij het bekijken voor deze eenvoudige menschen even zoo goed waard waren als de Lappen voor ons.
Om twaalf uur waren allen weder aan boord en werd de reis voortgezet. Maar niemand toonde lust om naar bed te gaan; het was nog te mooi op het dek van het schip. Dorstige kelen en hongerige magen konden nog gelaafd worden; het bedienden-personeel was nog voltallig in functie.
Donderdagmorgen om zes uur waren wij in Tromsö geland en konden wij allen tot negen uur aan land gaan. Tromsö is een zeer oninteressant stadje van 8000 inwoners. Het ziet er uit als honderden havenstadjes van diezelfde grootte. Op de vischmarkt, die in vollen gang was, zag ik enkele visschen, waarvan ik den naam niet kende. Het antwoord, dat ik op mijn vraag er naar kreeg, was van dien aard, dat ik er niet wijzer door werd. In de talrijke winkels, zelfs groote rijwielwinkels, zag ik niets uitgestald, dat mij bijzonder Noorweegsch leek. Dezelfde zaken, die men in elk land vindt, waren hier voor tamelijk hooge prijzen uitgestald.
Lang vóór negen uur waren dan ook reeds alle passagiers aan boord terug, eenstemmig van oordeel, dat Tromsö niets eigenaardigs vertoont en evengoed midden in Frankrijk, Duitschland, Engeland of Nederland kon gelegen zijn.
Nadat wij aan boord het ontbijt genuttigd hadden, gingen wij op het dek, want nu ging verder den heelen dag de weg door vele mooie fjörden. De zon scheen en maakte het dus mogelijk op het dek te blijven, zoodat wij niet onophoudelijk naar binnen behoefden te gaan om ons te verwarmen. Om 8 uur ’s avonds waren wij in Lödingen. De passagiers voor Narvik moesten daar de boot verlaten, omdat die tot Throndjhem doorging. Om elf uur arriveerde daar een goederenboot, die om twee uur naar Narvik zou stoomen en ons beiden meenemen kon.
Vrijdagmorgen om acht uur waren wij in Narvik terug. In bijna vier dagen hadden wij dus de Noordkaap-toer gemaakt Was het loonend? Die vraag, die mij zoo dikwijls gemaakt wordt, wil ik hier openlijk beantwoorden.
Indien men, zooals wij, op een mooien, zonnigen dag een toer van uit Narvik om de Lofoden heeft gemaakt, met een kleine boot, die klein genoeg is, om ook door het Trollfjörd te stoomen, dan heeft men aan natuurschoon meer gezien, dan de lange reis om de Noordkaap te genieten geeft. Daarbij moet men op die groote reis heel wat koude lijden en steekt men ook met het mooiste weder van wal, de mogelijkheid, ik geloof te mogen zeggen, de waarschijnlijkheid, dat men toch onderweg slecht weder zal krijgen, is niet uitgesloten. Bij slecht weder is het nergens aangenaam, zeer zeker dus niet op een boot, die er eigenlijk geheel op is ingericht, om onophoudelijk goed weder te hebben. Bovendien zijn de prijzen, die men den passagiers laat betalen, onbehoorlijk hoog.
In Narvik teruggekeerd, vernamen wij weldra, dat de trein, die ons naar Stockholm zou terugbrengen, niet voor Zaterdagavond van daar vertrok. De Lapland-express gaat n.l. maar drie keer ’s weeks. Bovendien gaat er elken morgen om ruim acht uur een treintje, dat alle tusschengelegen stationnetjes aandoet.
Wij kwamen overeen, om Zaterdagmorgen het boemeltreintje te nemen, dat ons om twee uur in Kiruna zou brengen. Wij konden daar dan de ijzermijnen bezichtigen en te middernacht de express oppikken, om Maandagochtend in Stockholm te arriveeren.
Er was evenwel in het zeer goede hotel Phoenix in Narvik geen kamer vrij en ook de minder goede hotels waren overvol, zoodat wij op raad van een der hotelhouders besloten den stationschef te verzoeken, aan een van de leeg terugkeerende treinen met ijzerertswagens een wagon te laten haken, waarin wij tot Abisco konden reizen.
Het kostte eenige moeite en vriendelijk aandringen om dit gedaan te krijgen, doch eindelijk werd toch een derde klasse wagon aan den trein van half twaalf gehaakt, waarin wij met ons beiden konden meegaan. Alleen de machinist, die meters ver van ons af was en door tientallen van ledige ijzerertswagens van ons gescheiden, en een man, die als opzichter over de wagens dienst deed, waren onze medereizigers. Overal op den weg hield het treintje stil, zonder dat er iets in- of uitgeladen werd. Er was trouwens ook niets uit te laden, dan wij twee nietigheden, die gezegd hadden tot Abisco te willen gaan.
In den trein kwamen wij tot het inzicht, dat Abisco en Abiskojokk twee verschillende stations zijn en wij in het laatste het gastvrije dak van het toeristenhotel zouden vinden. Wij moesten er dus op bedacht zijn, dat wij in Abiskojokk, waar wij eerst zouden arriveeren, onmiddellijk met onze bagage uitstapten, om niet te ver te worden meegenomen. ’t Was echter anders voorbeschikt. Niettegenstaande wij elke minuut gestopt hadden, stoomden wij om vijf uur met een behaaglijke vaart Abiskojokk voorbij, om kort daarna in Abisko stil te houden, waar onze wagon werd afgehaakt.
Daar stonden wij nu, met een station en eenige houten huisjes voor ons, maar geen hotel of herberg. Wij togen onmiddellijk naar den stationschef, die geen woord anders dan Zweedsch sprak en verstond, en die onze jammerklachten met een schaterlach beantwoordde. Wij begonnen er ook het komische van in te zien en met drie woorden Zweedsch, een paar Hollandsche, Duitsche en Engelsche woorden, regen wij zinnen aaneen, die den steeds lachenden man aan het verstand moesten brengen, dat wij met onze bagage in Abiskojokk moesten zijn. Hij had ons gelukkig begrepen en uit zijn rollenden woordenstroom begrepen wij dat onze bagage daar kon blijven, dat hij die met den avondtrein naar Abiskojokk zou zenden, en dat wij den terugweg te voet moesten afleggen. Wij stelden voor, ook tot den avondtrein te willen wachten, maar daarop antwoordde hij steeds: “Nei, nu marsch”, zoodat wij ten slotte maar midden over de rails, want een weg was er niet, den terugweg aanvaardden, en om zes uur eindelijk in het toeristenhotel aankwamen. De avondtrein bracht onze bagage prompt mede.
In het toeristenhotel werden wij door vele oude kennissen verwelkomd, kennissen, die wij bij ons vorig bezoek gemaakt hadden; en ook nieuwgekomenen, die wij van het internationaal congres te Stockholm kenden.