Van Bandoeng naar Djokjakarta is een lange, warme, stoffige reis in de overigens comfortabele wagens van de Staatsspoorwegen. De overgang van de Padangsche Regentschappen in de Vorstenlanden kenmerkte zich op meer dan eene wijze. Vooreerst toch onderscheidt zich de Soendaneesche bevolking opvallend van de Javaansche. De Soendaneesche vrouwen en mannen, hoewel, althans volgens mijne Europeesche begrippen, ook niet bedeeld met uiterlijk schoon, zijn toch nog Venussen en Adonissen, vergeleken bij hunne Javaansche zusters en broeders. De Javanen, ik bedoel natuurlijk dat soort, dat wij op de wegen zien, zijn niet alleen leelijk, doch bezitten ook een minder geciviliseerd voorkomen dan wij tot dusver van de andere inlandsche bevolking in onze koloniën gezien hebben. De vrouwen dragen hare dikke, lange haren niet netjes gekamd en opgestoken, hare sarongs en kabajaas zien er donker en onfrisch uit en de dikke siripruim tusschen de lippen voltooit den echt onbeschaafden indruk, dien zij verwekken. De mannen staan uiterlijk niets hooger.
Een ander groot verschil tusschen de Soendaneesche en de Javaansche vrouw is ook, dat deze laatste werkt. Men ziet hier in midden-Java minstens even zoovele vrouwen op het land werken als mannen. Ook op de passars treft men de vrouwen als verkoopsters en koopsters en op de wegen ziet men even zoovele zwaar-bepakte vrouwen als mannen. Het is duidelijk, dat hier weder mannen en vrouwen beiden werken. Mij werd verteld, dat de Javaansche vrouw, ook de gehuwde, in eigen onderhoud voorziet.
De thee- en vooral de kina-ondernemingen, die wij in de Preanger zoo veelvuldig zagen, missen wij in de Vorstenlanden. Zij hebben plaats gemaakt voor uitgestrekte velden met suikerriet, die in uitgestrektheid wedijveren met de rijstvelden. Het schijnt juist tijd te zijn van het overplanten der rijst, een eentonig, ongezond werk, dat bijna uitsluitend door vrouwen geschiedt. De fijne rijstsprietjes, die eerst op een beperkt veld in dichte bossen opschoten, worden nu een voor een op een kleinen afstand van elkander onder water in de voren geplant. De vrouwen staan daarvoor voorover gebukt tot over de enkels in het water, in de eene hand een bos sprieten houdende, met de andere een voor een het sprietje zijn plaats gevende. Ook als de rijst rijp is, wordt zij door vrouwenhanden geplukt.
In Djokja werden wij door mevrouw Ter Horst—De Boer aan het station ontvangen, die voor goede kamers in het hotel Mataram gezorgd had. Eenige leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hadden voor ons ieder een vaas geurende orchideeën in onze kamers geplaatst. Ik moest den volgenden morgen eerst naar Magelang, alwaar mevrouw Schriecke, toen de sociëteitszaal voor dat doel werd aangeboden, een vergadering voor vrouwenkiesrecht voor dien avond had uitgeschreven. Magelang is voornamelijk bevolkt, voor zoover het de Europeesche bevolking betreft, door militairen, en aangezien wij voor de zaak, waarvoor wij strijden, van de zijde der militairen slechts bij uitzondering instemming vinden, was de verwachting van de opkomst van het publiek en van het winnen van leden voor de vereeniging niet bijster groot. Ik had evenwel gemeend, dat ik de zoo laat tot mij gekomen uitnoodiging toch niet mocht afslaan, in elk geval moest probeeren ook in Magelang een paar zaadjes te strooien, in de hoop, dat er vroeg of laat hier of daar nog wel een tot groei en ontwikkeling kon komen. De vergadering was dan ook niet druk bezocht, doch het gelukte toch, niettegenstaande den sterken tegenstand door een debat van hardnekkige anti’s, nog ongeveer dertig aanwezigen te overtuigen, dat spoedige invoering van vrouwenkiesrecht noodzakelijk is en zij van die overtuiging konden doen blijken door als leden onzer vereeniging toe te treden, waarmede zij ons in onze taak in Nederland steunen.
Ik moest den volgenden morgen reeds weder vroeg afreizen en kon om die reden niet meer helpen de afdeeling Magelang in elkaar te zetten, doch mevrouw Schriecke heeft die taak op zich genomen en in betere handen kon ik die gewis niet achterlaten
Onder mijn gehoor in Magelang bevond zich ook de Regent van daar. Deze hoogst-beschaafde en zuiver Hollandsch sprekende man liet zich na de vergadering aan mij voorstellen. Hij vertelde mij, ’t geen ik reeds meer gehoord had doch steeds was het weder tegengesproken, dat de Javaansche vrouw het kiesrecht onder dezelfde voorwaarden als de man bezit. Beiden oefenen dit recht echter alleen uit bij de verkiezing van dessahoofden. Het is verbonden aan grondbezit. Nu zijn de meeste vrouwen op volwassen leeftijd gehuwd en hebben dan geen eigen bezit, zoodat vrouwelijke kiezers zeldzaam zijn, maar toch komen zij in bijna elke dessa voor. De Regent had in zijn dessa twee vrouwen die kiezers waren en die bij eene verkiezing nooit ontbraken. Dus ook de Javaansche vrouw is hare Nederlandsche zusters in dezen voor! Wordt het niet beschamend?
Hoe gaarne had ik den volgenden morgen even een bezoek gebracht aan het Instituut van den heer en mevrouw Van der Steur, dat in Magelang gevestigd is. Hoe verdienstelijk die menschen zich maken, door de opvoeding van vele honderden kinderen op zich te nemen, kinderen van Europeesche vaders en inlandsche moeders, kunnen alleen zij beseffen die hier ’n beetje zich hebben vertrouwd gemaakt met de ongelukkige positie waarin die arme slachtoffers van de in concubinaat levende ouders verkeeren. Door de opvoeding van die kinderen, waarvan anders niets zou terecht komen, op zich te nemen, verplichten zij de maatschappij op onbetaalbare wijze aan zich.
Toen ik om tien uur met den trein in Moentilan aankwam, stond mrs. Catt mij daar reeds met een auto te wachten, waarmede zij van Djokja was gekomen en waarmede wij nu samen ’n bezoek zouden brengen aan den tempel van Boro Boedoer en aan dien van Tjandi Mendoet.
Het is mij onmogelijk om van de Boro Boedoer, dit eeuwenoude monument eene beschrijving te geven. Elke beschrijving van dit meesterstuk van beeldhouwkunst uit de 8e eeuw, dat ons een beeld geeft van wat de Javaan in dat voor hem gouden tijdperk op kunstgebied vermocht, zou aan de waarheid te kort doen. De Buddhistische of Hindutempel overtreft in grootte en schoonheid alle dergelijke tempels in Ceylon en Britsch-Indië. Deze soliede, pyramidale tempel, uit blokken lavasteen gebouwd, waarbij noch cement, noch pilaren of bogen gebruikt zijn om het geheel samen te houden, is een van de wonderen der wereld. Het is vreemd dat dit toonbeeld van menschelijk kunnen niet door aardbevingen of door de beeldverwoestende Mohammedanen verwoest is geworden, zooals toch bijna overal elders de Hindu en Boeddhatempels door de Mohammedanen verwoest werden, zoodra zij er de macht toe kregen. Zou ook vroeger hier het Mohammedanisme reeds doortrokken zijn geweest van Hinduïsme en Boeddhisme?
Maar niet alleen de tempel is imposant, ook de omgeving waarin hij staat. Toen ik boven op den top van dezen kolossus zat en mijn blik liet dwalen over het uitgestrekte panorama, toen had ik een stuk Oostersch leven voor mij, zoo imponeerend, dat het mij onwillekeurig aan het droomen bracht. Het voerde mijn geest terug naar de interessante tijden van het verleden. In mijne verbeelding zag ik daar die duizenden pelgrims over de, tot aan den top met palmen begroeide bergen komen, om steeds weder op nieuw de hulde en dankbaarheid te betuigen aan de honderden steenen afgodsbeelden, waarvan elk een zittenden Boeddha voorstelt, den man die hun gebracht heeft innerlijken vrede.
Na de Boro Boedoer vallen, als van zelf sprekend, alle andere ruïnes van tempels, die wij op onzen tocht bezochten, zeer in de schaduw en toch is de tempel van Tjandi Mendoet, op eenige mijlen afstand van de Boro Boedoer gelegen, ook een zeer merkwaardig monument en een bezoek overwaard. Van de tempels in het laagland van Parambanan gelegen, die wij den volgenden morgen een bezoek brachten, is door aardbevingen en door den tand des tijds te weinig intakt gebleven om door gewone stervelingen nog genoegzaam geapprecieerd te kunnen worden. Er is juist zooveel van staan gebleven, dat men nog even den indruk krijgt van de groote macht van het kunnen in dien tijd en van de groote offers in geld en tijd en geestelijke en lichamelijke inspanning, die deze menschen voor hunne godsvereering over hadden. Ook al die tempels waren opgebouwd uit blokken lavasteen, die eenvoudig op elkaar gestapeld werden, zonder dat zij door eenig cement aan elkaar verbonden waren.
Een bezoek aan een pandjeshuis in Djokja, door een Chinees gehouden, deed ons nog eens sterk sprekend de waarde beseffen van den regeeringsmaatregel om langzamerhand al deze instellingen in onze koloniën onder Gouvernementsbeheer te brengen. Wat een enorm verschil in onkosten, doch vooral in zekerheid voor den inlander, dat hij zijne pandstukken terug krijgt, bestond tusschen deze Chineesche onderneming en een dergelijke onder Gouvernementsbeheer.
Op de kweekschool van inlandsche onderwijzers, waarvan de vóór-opleidingsschool vooral eene model-inrichting mag genoemd worden, zaten ook twee Javaansche meisjes. Deze twee schrander uitziende persoontjes, konden niettegenstaande hare gebrekkige vóór-opleiding en de minder gunstige voorwaarden waaronder zij het onderwijs mochten volgen, toch zeer goed met de mannelijke leerlingen wedijveren. Ook hier weder ontvangen de jongens onderwijs, kost en inwoning—en dit laatste zeer goed—vrij, benevens eene maandelijksche toelage van ƒ 10,–, terwijl de meisjes voor dit alles zelf moeten zorgen. Ik haast mij echter hieraan toe te voegen, dat onder dezen directeur van onderwijs met dit meten met twee maten langzamerhand gebroken zal worden en de toekomstige meisjesleerlingen ook tegemoetkoming in de te maken kosten zullen ontvangen,
Een groote teleurstelling trof ons hier. Er zou Zondagavond een gamelan en dansavond in de Kraton plaats hebben, door den sultan gearrangeerd voor den resident en zijne logees. De resident was goed genoeg om ook ons in deze uitnoodiging te betrekken, maar op den dag, dat het feest zou plaats vinden, sterft een van de 153 kleinkinderen van den sultan. Als men bedenkt dat deze oude sultan achtereenvolgens drie wettige vrouwen heeft gehad en een bescheiden aantal bijwijven, die hem te zamen eenige honderden kinderen schonken, waarvan nog over de 70 in leven zijn en dat die kinderen hem nu reeds met 153 nog in leven zijnde kleinkinderen vereerden, dan is het licht te begrijpen dat Kratonfestiviteiten nog al eens in de war gestuurd worden door den onverwachten dood van een dier nakomelingen. Ik vond het heel jammer, dat die prinses op zoo’n ongelegen oogenblik het leven verliet, een leven echter, dat voor een in de Kraton geboren prinses, naar onze Westersche begrippen althans, niet anders dan een doelloos, monotoon en in vele gevallen hoogst treurig bestaan kan zijn geweest.
Geheel anders als het leven in de Kraton voor de daarin geboren prinsessen, is het leven van de vrouwen in het huis van den Prins Paku Alam. Ik verheug mij zeer dit interessante gezin te hebben leeren kennen. Niet alleen de prins en zijn oom, doch ook alle prinsessen, zuster en nichten van den prins spreken onberispelijk Hollandsch, benevens eenige vreemde talen. Zij konden zich even goed met mrs. Catt in het Engelsch, als met mij in het Hollandsch onderhouden. In deze jeugdige prinsesjes begroette ik de moderne Javaansche vrouw, meisjes van het slag van Karthini, die niets liever zouden willen dan zichzelf te ontwikkelen, om deze ontwikkeling dienstbaar te maken tot verheffing harer Javaansche zusters. Zou de schrijfster van Hilda van Suylenburg wel gedacht hebben, dat zij hier, in het midden van Java, zulke lieve, jonge, hooge vereersters vindt in de prinsessen van het huis van Paku Alam?
Niet weinig was ik verrast, toen ik Maandagavond in de vergadering voor vrouwenkiesrecht, die door een zeer talrijk publiek werd bijgewoond, onder de aanwezigen ook den prins met vier prinsessen aantrof en dat ik met mijne voordracht ook het hart dezer lieve hoorsters trof. Behalve de vier prinsessen waren ook de beide Javaansche adspirant-onderwijzeressen van de kweekschool onder mijn gehoor, voor wie ook, hetgeen zij hoorden, niets bovennatuurlijks was. Ook deze meisjes betuigden mij later hare instemming met het gehoorde. Dat het Indische publiek ontvankelijk is voor rechtvaardigheid en gaarne genegen is de strijd voor vrouwenkiesrecht in Nederland te helpen steunen, getuige wel, dat na mijne voordracht 81 der aanwezigen als leden tot de vereeniging toetraden. Nog deze week zullen deze leden een bestuur uit hun midden kiezen en de Djokja’sche ledengroep der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht gaan vormen. Aan de flinke voorbereiding van deze vergadering, door de dames Ter Horst en Lokhorst, is dit prachtig resultaat voorzeker te danken.
Mevrouw Ter Horst maakt zich op velerlei wijze verdienstelijk in Java. Een van de meest sprekende is wel de permanente tentoonstelling van vrouwenarbeid, waarmede zij een tweeledig doel bereikt. Eensdeels houdt zij daarmede de oude Indische kunstindustrie staande en anderdeels verschaft zij daarmede aan vele vrouwen werk, omdat de zaken, op die tentoonstelling aanwezig, alle aangekocht kunnen worden. In dit artistiek ingerichte lokaal zagen wij menig stuk zeer mooi batikwerk, houtsnijkunst, leerbeschildering, graveerwerk, enz.
Djokja, zoo in het midden van Java gelegen, gaf ons menige gelegenheid om het echte Javaansche volksleven van nabij te leeren kennen.
Ook de temperatuur, die hier alleen midden op den dag erg warm is, is overigens zoo heerlijk, dat men zich geen aangenamer kan denken; zoodat, alles te zamen genomen, de zes dagen, die wij in Djokja doorbrachten, mede behooren tot de zeer interessante en zeer aangename, die wij in onze koloniën sleten.
Alvorens ik over ons verblijf in Soerakarta, dat hier kortweg Solo wordt genoemd, ga schrijven, wil ik toch even met een enkel woord aanstippen, hetgeen ik over de geschiedenis van de Vorstenlanden las in het boek van Cabaton. Deze Fransche schrijver verheerlijkt over het algemeen het Nederlandsch beheer in de koloniën en schrijft met zeer veel waardeering over de Hollanders. Over de Vorstenlanden schrijvende, merkt hij op: “Tot in het laatst der 18e eeuw waren de Vorstenlanden geheel in de handen van den Soesoehoenan (sultan) van Soerakarta, die bij een opstand der Chineezen in zijn rijk de hulp der Hollanders inriep. Deze kwamen onmiddellijk ter hulp, brachten de Chineezen tot rust en lieten zich daarvoor prachtig betalen. Zij stegen daardoor zoo hoog in de achting van den sultan, dat hij ook het conflict met een zijner broeders, die hem van den troon wilde werpen, aan hunne uitspraak onderwierp. De Hollanders, die niet geheel vreemd waren aan het oogenschijnlijk geheel onschuldige conflict der twee broeders, spraken een oordeel uit, dat beide partijen bevredigde, doch dat vooral de toekomstige plannen der Hollanders diende. Zij verdeelden het rijk in twee deelen en gaven den Soesoehoenan het stuk, dat ⅔ deel van het geheel besloeg en waarvan Soerakarta de hoofdstad bleef; het overblijvende derde deel, met Djokjakarta als hoofdstad, viel zijn oom ten deel, met den titel van Sultan. De Sultan bleef onderdaan van den Soesoehoenan, hij moest elk jaar met een indrukwekkende ceremonie hulde komen brengen aan den Soesoehoenan, daarbij zijne sandalen uittrekken en voor hem nederknielen.
“Het was de bedoeling der Hollanders verdeeldheid te brengen tusschen deze vorsten, want bij de ceremonie van huldebetuiging waren steeds een groot aantal Javanen tegenwoordig, die dan een prachtige gelegenheid hadden om te conspireeren, ten einde zich gezamenlijk weder van de heerschappij van Nederland te ontdoen. De Sultan werd daarom herhaaldelijk opgestookt om zich toch aan die vernederende huldebetuiging te onttrekken, waarmede hij zich de ondergeschikte van den Soesoehoenan toonde, met dat gevolg, dat na eenige jaren de Sultan zich op het aangegeven tijdstip in een Hollandsche uniform aan den Soesoehoenan presenteerde. Ten gevolge van het principe, dat, wie een Hollandsche uniform draagt, op Java niet mag knielen voor welken sterveling ook, bleef ook de Sultan voor den Soesoehoenan staan, die daarop in groote woede de samenkomst verliet.
“De twee vorsten bleven voor een tijd vijandig, beiden zich onafhankelijk van elkander gevoelende, waarmede de Hollanders volkomen hun doel hadden bereikt. Om de Sultan nog meer onder hun macht te krijgen, stelden zij in beide rijken aan het hof een onafhankelijken prins aan, die wel is waar onderdaan van den Sultan of Soesoehoenan is, doch die, behalve zijn verplichte tegenwoordigheid bij enkele hofceremoniën, even vrij zich kan bewegen in het uitgestrekte gebied als zijn zoogenaamde meester. Deze twee prinsen,—die van Soerakarta draagt den titel van Pangeran Adipati Mangku Negoro en die van Djokjakarta dien van Pangeran Adipati Paku Alam—ontleenen hun macht aan Holland en zijn steeds voor Holland vol dankbaarheid geweest”.
Daar de Hollandsche gidsboeken een beetje anders het verhaal opdisschen van onze macht in de Vorstenlanden en niet alle lezers van “De Telegraaf” het boek van Cabaton in handen krijgen, heb ik gemeend hun geen ondienst te bewijzen met eens mede te deelen, hoe schrijvers van andere natiën over ons beleid in Indië denken. Als Cabaton gelijk heeft, dan moet ik met hem instemmen en zeggen, dat wij “slim” zijn geweest.
Van Djokjakarta naar Soerakarta vereischt met den sneltrein nog geen anderhalf uur. Doch hoe betrekkelijk klein de afstand ook is, die de beide hoofdsteden der twee keizerrijken scheidt, er bestaat toch in heel veel opzichten een groot verschil tusschen beide. Opvallend in Solo is de groote overeenkomst der mannelijke bevolking met de Sinhaleezen, zooals wij die op Ceylon zagen. Ook hier dragen de mannen hunne lange haren in een knot opgebonden en boven op het hoofd een kam, precies als die der Sinhaleezen, Hun sarongs en vooral de snit hunner baaitjes zijn geheel aan die hunner Ceylonsche broeders gelijk en evenzeer vertoonen zij dat sterk vrouwelijk type. Er is hier tusschen de mannen en vrouwen weder bijna geen verschil op te merken. Telkens vragen wij ons af: is dat nu een man of eene vrouw? In de Kraton in Djokja hadden wij ook enkele zulke typen opgemerkt, maar dan waren het meestal kleinzonen van den sultan van Djokja; hier vinden wij dat Sinhaleesche type onder bijna al de mannen in de straten.
Een groot deel van den arbeid buitenshuis valt in Solo den vrouwen ten deel. Die vindt men hier in alle mogelijke werk en op de drukbezochte passars zagen wij bijna uitsluitend vrouwen. Zelfs de geldwisselaars in de straten, die in alle andere Oostersche landen, die wij tot nu toe bezochten, mannen waren, zijn hier vrouwen. Het is alleen kopergeld, dat zij voor zich in groote stapels hebben liggen, centen en halve stuiverstukken, die zij dan in rijen van tien of vier naast elkaar uittellen om den wisselaar snel te kunnen bedienen. Meestal waren het jonge meisjes of jonge vrouwen, die dit vak, het embryonale bankiersvak, uitoefenen. Op een laag tafeltje hebben zij haar centen uitgeteld en daarachter zitten zij op haar gekruiste beenen. Het schijnt, als de meeste bankierszaken, een voordeelige handel te zijn, want die Javaansche geldwisselaarsters zagen er niet alleen schrander, doch over het algemeen ook properder en beter gekleed uit dan de andere vrouwen.
O, wat is het toch afschuwelijk leelijk, die bijna algemeene gewoonte hier, om de tanden tot op het tandvleesch af te vijlen en dan den mond zwart te kleuren. Als die vrouwen dan nog de siripruim, die zij tusschen de lippen houden, een eindweegs buiten den mond laten hangen, dan is hiermede het meest afzichtelijke beeld, dat men van een vrouw kan maken, bereikt.
Een geheel anderen indruk dan in het huis van den prins Paku Alam in Djokja, krijgt men hier in de woning van den onafhankelijken prins Mangku Negoro. Hoewel ook het huis Mangku Negoro min of meer in Europeeschen stijl ingericht is, verschilt het toch hemelsbreed van dat van zijn prinselijken broeder. Wij woonden hier eene receptie bij, waarop de prins in kolonels-uniform zijne gasten ontving. Zijne vrouw schijnt ziek te zijn, daarom werd zij vervangen door eene der zusters van den prins en een zijner dochters. Daar ik echter de Javaansche taal niet meester ben, kon ik mij noch met den prins, noch met zijne dames onderhouden en moest alles, wat ik graag wilde weten van een zijner Europeesche employees vernemen. De oom en broeders van den prins, die tegenwoordig waren, droegen allen een uniform, die mij heel veel aan die van de Schotsche Hooglanders herinnerde. Nadat alle gasten aanwezig waren, ging de prins ons voor om eene wandeling door het geheele groote huis en door de tuinen te maken. Jammer dat de verlichting, vooral in de tuinen, niet groot genoeg was, om ons een goeden indruk van het geheel te geven. Toen wij weder in de ontvangstzaal teruggekeerd waren, werden wij uitgenoodigd ons in groepjes neer te zetten op de gemakkelijke canapé’s en fauteuils en toen kwamen tal van bedienden, allen in uniform gekleed en met een kris achter in hun ceintuur, met zilveren bladen, volgeladen met glazen, gevuld met limonade en whisky-soda binnen en werden ons deze ververschingen aangeboden. Deze bedienden kwamen rechtop geloopen binnen en droegen de bladen op hunne handen boven hunne hoofden. Hier is dus gebroken met het afschuwelijk systeem van kruipende bedienden. Na de verkoelende dranken werden verwarmende dranken, port en jenever, rondgediend en daarna verlieten wij allen tegelijk deze ceremonieele bijeenkomst.
Als men zich, op welk uur van den dag ook, voor een poosje nederzet op het balcon van het hotel Slier, dan ziet men de dwaaste vertooningen voorbijtrekken. Toen wij voor het eerst zoo’n optochtje van eenige mannen zagen, waarvan een paar iets op een zilveren blad of op de handen droegen, waarover door andere mannen een gouden pajong werd gehouden en die geëscorteerd werden door eenige mannen in uniform, die elk een man achter zich hadden, die hun ook een pajong boven het hoofd hield, dachten wij natuurlijk, dat wij met een heel bijzondere zending te doen hadden. Niet weinig waren wij verwonderd, toen wij vernamen, dat zoo’n optocht in den regel niets anders beteekende dan dat een stuk van een of andere lekkernij, een koek of vrucht, van de Kraton naar den Rijksbestierder werd gebracht en dat al zulke boodschapjes nog met den noodigen ouderwetschen luister geschieden.
Wil men het echte Javaansche leven leeren kennen, dan moet men naar Midden Java gaan, daar ziet men onophoudelijk zaken, die met den echten kinderlijken eenvoud dezer menschen in volkomen harmonie zijn, doch die in onze Westersche oogen eene amusante comedie lijken.
Tijdens ons verblijf in Solo, was de Soesoehoenan afwezig; hij bezocht zijn ziek kind, waarvoor boven in de bergen genezing gezocht wordt. Er bestaat onder de nakomelingen van den Soesoehoenan tuberculose, een zijner kinderen is daarvoor nog in Zwitserland. Mij werd verteld, dat de dochters en kleindochters van den vorst tot hun tiende jaar geregeld de lagere school bezoeken in Solo en daarna door een gouvernante thuis verder onderricht worden. Het opgroeiende geslacht, jongens en meisjes beiden, leert nu dan ook de Hollandsche taal.
Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht was de verwachting niet groot. In de eerste plaats bevat Solo een geheel andere Europeesche bevolking dan Djokja en in de tweede plaats moest de vrouw, die hier alles geleid en geregeld had en van wie de geheele bezieling uitging, juist eenige dagen te voren Solo verlaten om met haar man en kinderen naar Holland af te reizen. Toch werden er na de lezing nog 29 nieuwe leden gewonnen, waarvan er twee bereid waren het correspondentschap te aanvaarden en zoo den band met de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Holland te vormen.
Maar nu zou ik haast vergeten, iets te vertellen van een receptie ten huize van den Rijksbestierder, die toch zeer de vermelding waard is. Alleen het bezichtigen van het groote, mooie marmeren paleis met zijne vele kunstschatten, zijn heerlijke marmeren badkamers, zijn verborgen deuren en zijne merkwaardige eetkamer en nog zoo veel meer, hield ons meer dan een uur bezig. Dit heele paleis met zijne phantastisch uitgedoste bedienden, honderden in aantal, het corps inlandsche muzikanten, dat droomerige muziek speelde, de ververschingen, die werden aangeboden en de wijze, waarop zij werden aangeboden, het costuum van den Rijksbestierder en dat der heeren en dames van zijn huis, dat alles deed denken aan een van de Arabische vertellingen uit de duizend en één nacht. Van de verknochtheid aan ons koninklijk huis gaf de Rijksbestierder opvallend blijk, door de vele bustes en portretten, geschilderde en gephotografeerde, van de Koningin, de Koningin-Moeder en den Prins. In de meeste kamers zag men de Koningin op de een of andere wijze vertegenwoordigd.
Nu moet ik nog even wat vertellen, waarvoor ik vooraf verontschuldiging vraag. Ik heb echter al zooveel wat ik hier zie en bijwoon en hoor in de pen moeten houden, om den lieven vredes wil al meer verzwegen dan gezegd, dat dit kleine tafereeltje, dat ik hier zag en op mij zoo’n diepen indruk maakte, hier wel geschetst mag worden. Lieve lezer, verbeeld u dan te zijn in een mooie, breede allee van tamarinda-boomen, pisangboomen, kokosnootpalmen en velden met rijp suikerriet op den achtergrond. Het is midden op den dag, de zon zendt hare stralen regelrecht naar beneden, zelfs door het dichte geboomte. Alles en allen zijn onder den invloed der hitte. Slaperig sukkelen onze kleine paardjes voor het wagentje voort, ons meer dan genoeg tijd gunnende onze omgeving goed in ons op te nemen. Een, twee, drie, neen meer groepjes van vrouwen zitten onder de boomen, allen twee aan twee. De voorsten hebben allen lang, dik loshangend haar en de achter haar zittende vrouwen woelen daarin met de vingers van beide handen om al de levende have daaruit te vangen, zoodat er niet een kan ontsnappen, die dan met graagte verorberd worden, zooals geen aap in Artis haar verbeteren zou. Bij een groepje krijgen de twee, oogenschijnlijk moeder en dochter, ruzie. Het jonge meisje keert zich met een ruk om en tracht een deel van de vangst uit moeders vingers los te krijgen, waarna zij met eene schittering in hare groote zwarte oogen, het tusschen hare vingers geperste wild uit moeders hand in den mond steekt en.....smult.
O, hoe dikwijls heb ik het hier op Java reeds betreurd, geen kodak bij mij te hebben. Ik zag reeds zoo dikwijls iets, dat ik zoo gaarne in beeld wilde vereeuwigen, waar ik het door woord niet durf doen.
En hiermede stap ik van de Vorstenlanden af, want het zal zeker niemand interesseeren wat wij hier zagen in de suikerfabrieken, in een batikschool, en van de kunstnijverheid van midden-Java. Dit is alles reeds zoo herhaaldelijk beschreven, dat ik er gerust over zwijgen kan.
Wij gaan nu naar Semarang, doch met een kloppend hart, want wij zijn bang voor de hitte, die ons daar wacht.
Van Solo naar Semarang is slechts een reis van eenige uren, de trein brengt ons echter in dien korten tijd in een geheel ander soort stad dan wij tot dusver op Java gezien hebben. Het is een stad, die een bijzonder prettigen indruk maakt, zoowel door de vele mooie huizen, die allen door goed onderhouden en smaakvol aangelegde tuinen omgeven zijn, als wel door de zindelijkheid en goed onderhouden straten, en ook door zijne mooie omgeving. Het is mogelijk, dat mijn smaak door het zien van zoovele steden in de tropen bedorven is, want ik moet bekennen, dat ik, in afwijking van al mijne gidsboeken en van zoovele bewonderaars van Batavia, laatstgenoemde stad maar niet mooi heb kunnen vinden en in geen geval zoo, dat ik haar verkies boven vele andere steden op Java of Sumatra. Batavia maakte op ons, want mijne reisgenoote denkt er ook zoo over, den indruk alsof de gegevens er zijn om er een mooie stad van te maken, maar dat men nog maar steeds met den opbouw niet begonnen is. Semarang is daarentegen af, de stad staat er en mag zich laten zien en bewonderen.
Maar, behalve dat de stad als zoodanig een bezoek waard is, biedt zij overigens voor toeristen niet veel merkwaardigs. Ook bleven wij er niet lang genoeg om sociale instellingen te gaan zien. Het nieuwe hospitaal moet, zooals mij gezegd werd, het beste van heel Java zijn. Ce n’est pas jurer gros voor dengene, die hier en daar eens een kijkje genomen heeft, maar ik wil daarmede het nieuwe hospitaal in Semarang niet afbreken, want ik heb het niet kunnen gaan zien, doch heb gehoord, dat het up to date is.
Voor onze vergadering kwamen wij er in den slechtsten tijd van het jaar, want door de vacanties zijn bijna alle onderwijskrachten naar boven in de bergen en ook vele gezinnen waren uit de stad. Het is echter onmogelijk om op zoo’n rondreis door Java overal in een geschikten tijd te komen en daarom hebben wij de vergadering toch maar doorgezet en hadden het succes bij de ruim dertig daar reeds bestaande leden nog ruim twintig nieuwe overtuigden te maken en uit dat aantal den volgenden dag eene afdeeling samen te stellen met een uitstekend voltallig bestuur. Mevrouw Wallbrink, die hare sporen op dit gebied reeds verdiend heeft, liet zich de benoeming tot presidente welgevallen en zal daarin gesteund worden door de vice-presidente, Mejuffrouw Haverbult, terwijl de beide secretaressen, mevrouw de Vreede en mevrouw Van den Ende, en de penningmeesteres, mevrouw von Hombracht, de overige werkzaamheden op zich namen. Over dit gedeelte van ons verblijf in Semarang waren wij dus alleszins voldaan, doch overigens dreef ons de warmte zoo snel mogelijk verder.
In Soerabaja hoopten wij ten slotte besliste informatiën te bekomen omtrent onze verdere route, want nog steeds was het vaag, hoe wij het best van hier naar Manilla konden komen. Wij kenden wel den gewonen weg, per paketvaart naar Singapore, van daar naar Hongkong en dan naar Manilla, maar wij wilden coûte que coûte Singapore vermijden, deze zoo weinig interessante, heete stad, alwaar wij met op bovengenoemde wijze te reizen drie dagen zouden moeten verblijven, om de aansluiting naar Hongkong met een goede boot te krijgen, en dan, wij wilden zoo gaarne zonder veel tijdverlies nog wat meer van onze koloniën zien. Onze Manillasche vriend, die wij op onzen tocht naar Sindanglaja ontmoet hadden, had ons beslist gezegd, dat wij over Celebes konden gaan, met die boot ook Borneo hier en daar aandoen, van Menado naar Sandaken in Britsch-Borneo konden komen en vandaar met eene andere boot naar Zamboanga in de Zuid-Philippijnen. Eenmaal in de Philippijnen zijnde, zou het zeer gemakkelijk zijn de verdere verbindingen te vinden. Met zeer veel navraag, getelegrafeer en getelefoneer hadden wij ten slotte die geheele reis voor elkaar, maar een gewichtige schakel ontbrak. Over de boot of de verbinding van Menado met Sandaken liepen de inlichtingen spaak, niemand kon ons iets positiefs daarover berichten, terwijl het negatieve bericht was, dat men niet geloofde, dat er eene goede verbinding was. Deze reisroute werd daarom opgegeven.
Er zou evenwel een boot van de Java-China-Japanlijn den 15en van Soerabaja vertrekken, deze gaat gedurende een week langs de oostkust van Java lading innemen, gaat dan naar Semarang en vertrekt 24 Juni van Semarang naar Makassar en vandaar regelrecht naar Hongkong. Op deze boot hebben wij van Semarang af passage besproken. Wij zullen nu dan toch nog Makassar zien, daar blijft de boot twee dagen stil liggen, en dan gaan wij naar Hongkong, zonder Singapore aan te doen.
Maar nu loop ik met mijn verhaal vooruit. Ik dien eerst nog over Soerabaja en veel andere plaatsen te spreken. Soerabaja is een handelstad, de eerste handelstad van Java. Dat merkt men in de drukke, stoffige straten, aan de hooge, leelijke gebouwen, dat handelskantoren zijn, aan het gekrioel van Chineezen, Javanen, Arabieren, Europeanen. Mooi is Soerabaja niet. Een aangenamen indruk verwekt de stad ook niet. Hier gaat men wonen om er zaken te doen, om er geld te verdienen. Lukt dat laatste in voldoende mate, dan gaat men er gauw weder uit om òf in Europa, òf in een beter oord op Java de nog restende levensdagen te profiteeren van het zuur gewonnen kapitaal.
Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht hadden wij niet veel verwachtingen. Het was ook hier vacantie op school en daardoor velen afwezig. Maar het viel mee. De vrij groote zaal van het Logegebouw was geheel bezet met dames en heeren, waarvan na afloop 39 lid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht werden. Mevrouw Ingerman, die alles zoo uitstekend had voorbereid, presideerde de vergadering, maar daar zij op het punt staat Indië voorgoed te verlaten, konden wij haar hier niet voor een blijvende kracht behouden. In de vergadering, den volgenden morgen met verschillende leden gehouden, werd besloten eene afdeeling Soerabaja te vormen, waarvoor de dames Broekman en Broese van Groenou (ik wou dat deze laatste talrijke familie nog tienmaal talrijker was) het presidium en vice-presidium op zich namen, mevrouw Soesman het secretariaat en mevrouw Derx het penningmeesterschap. Een tweede secretaresse zal spoedig aan dit bestuur toegevoegd worden. Hiermede zijn de vergaderingen voor vrouwenkiesrecht in onze koloniën voor ons afgeloopen, alwaar de vereeniging nu tien centrale punten heeft, vanwaar verder propaganda en opvoedende kracht kan uitgaan.
Wij hadden nu nog bijna een week over, alvorens wij in Semarang aan boord van de “Tjimanoek” behoefden te zijn en wij besloten die dagen te gebruiken om de mooie omstreken van Soerabaja te gaan zien. Het zijn wel ver afgelegen omstreken, maar Soerabaja beschouwt ze toch als te behooren tot zijn gebied en van Soerabaja uit zijn ze ook het gemakkelijkst te bereiken.
Met den trein van 3.48 verlieten wij Soerabaja Zaterdagmiddag en kwamen, na ruim twee uren door tal van dessa’s gespoord te zijn en met weldra een prachtig uitzicht op de Welirang- en Ardjoeno-bergen, om 6 uur te Lawang aan. Vooral het laatste uur, toen de zon als een groote vuurbol achter die bergen onderging en ze met een krachtig gouden licht overgoot, was ’t landschap onbeschrijfelijk mooi. Onwillekeurig komt de gedachte op, hoe lang zal die berg zijn mooien spitsen kop nog mogen behouden, wanneer zal het vuur, dat ontegenzeggelijk in zijn binnenste woedt, dat heele phantastische bovenstuk in duizend deelen heinde en ver om zich heen werpen en een nieuwe kraterzee vormen?
Lawang, dat 1700 voet hoog ligt, wordt voornamelijk bezocht door Soerabajers, die slechts over een paar vacantiedagen kunnen beschikken en in die dagen toch even willen bekomen van de onaangename hitte in de stad. Het is gemakkelijk te bereiken, bezit een uitstekend hotel met goede keuken en wat nog meer zegt, een aangenaam koel klimaat en tal van mooie wandelingen. Wij hadden ons echter voorgenomen ons door al deze aantrekkelijkheden niet te laten verlokken, doch Zondagmorgen door te gaan naar het op 4000 voet hoog gelegen Nongo Djadjar, waarvoor wij reeds van uit Soerabaja reisgelegenheid en kamers besteld hadden.
Om 8 uur Zondagmorgen stond onze équipage voor. Het was een op vier hooge ijzeren wielen staande houten bak, waarvan den bodem uit wijd van elkaar liggende latten bestond en waar op twee ijzeren pijlen een zitgelegenheid voor de reizigers was aangebracht. De heer en dame, eigenaars van het Lawangsche hotel, meenden ons gerust te moeten stellen, wij behoefden niet beangst te zijn, want, zeiden zij, de weg is steil en slecht en alles moet zoo licht mogelijk zijn. Onze bagage, die wij voor deze rondreis zoo beperkt mogelijk hadden gemaakt, en die alleen bestond uit onze reistasschen en een mantelrol, werd op twee bamboestokken geladen en door 4 koelies achter ons aangedragen. Toen wij opgeladen waren, vleide ’t koetsiertje zich aan onze voeten neder en daarna klommen twee palfreniers achter ons op het wagentje, die zich aan de ijzeren stangen onzer zitgelegenheid staande hielden en toen zetten onze halfdoode paardjes het op een loopen. Bang waren wij niet, maar wij moesten ons toch eerst een beetje oefenen om ons op onze hooge zitplaatsen te handhaven. De twee palfreniers stonden daar niet alleen om ons aanzien te verhoogen, wij leerden spoedig inzien, dat zij ook een andere bestemming hadden. De een toeterde op een automobielhoorn als er in de verte een kip op den weg liep, of als wij een stilstaanden wagen voorbij renden, of ook wel, als hij meende met die muziek ons te amuseeren. De tweede schroefde een houten plank tegen de ijzeren raderen aan, als wij een helling afgingen, wat door een zeer vernuftig toestel van achter het rijtuig beredderd kon worden.
Na een half uur rijden arriveerden wij in Poerwodadi, alwaar nog twee dito paardjes voor de beide andere gespannen en onze begeleiders met 6 mannen vermeerderd werden. De twee vóórpaarden toch luisterden niet erg naar de wenschen van onzen koetsier, zoodat twee mannen elk een bij den kop pakten en ze in de goede richting trokken. Twee andere mannen hielpen de kar van achteren opduwen en twee kwamen op een gezadeld paard achteraan, misschien met het doel om de een of ander onzer paarden te vervangen, als die er bij mochten neervallen, of wel om ons als rijpaard te dienen als onze équipage op den tocht mocht bezwijken. Het was zoo’n mooie optocht, dat mijn reisgezellin meende, dat alleen de gouden pajong nog maar ontbrak om den indruk te verwekken, dat de Soesoehoenan in hoogst eigen persoon kwam aanrijden. Tot tien uur voelden wij ons trotsch op onze hooge zetels en met onze schare volgelingen, doch toen kwamen wij in een dorpje waar halt werd gehouden en onze vier paarden, die niettegenstaande de pogingen van de drie mannen om ze op het rechte pad te houden, toch telkens probeerden ons op zijwegen te brengen, vervangen werden door twee.... zegge twee, koeien. Het waren geen ossen of bullen, lezers, maar twee melkgevende koeien, waarvan de een nog niet zoo heel lang geleden gekalfd had. Op onze vraag, wat dat te beteekenen had, vernamen wij, dat de weg nu zóó steil en slecht werd, dat de paarden ons niet meer naar boven konden trekken en daarom door koeien vervangen moesten worden. Mijn trots zonk beneden peil, maar toen ik mijn metgezellin aanzag, zag ik, dat zij haar gezicht een nog voldaner plooi had gegeven en stralend merkte zij op: “of course, two females can do better than four males”, en op mijn vraag, of zij zeker was, dat onze vier paarden tot het sterke geslacht behooren, antwoordde zij: “yes, females would never have given up their task”; voor deze heerlijke feministische ontboezeming, die ook mij weder in goede stemming bracht, beloonde ik haar met een Haagsch hopje.
Toen wij eindelijk om één uur in het hotel aangeland waren, konden wij ons niet voorstellen, dat wij vijf uren achtereen in dat onmogelijke wagentje gereden hadden. De weg was zóó mooi en zóó vol afwisseling, dat de tijd was omgevlogen. Toen Wij eerst door suikerplantages en rijstvelden, daarna door een dicht bosch en door verschillende dessa’s eindelijk aan de koffieplantages geland waren, zagen wij voor het eerst deze mooie boomen, met hunne mooi gevormde en als gepolijste bladeren, in volle bloei en in het begin van vruchtzetting. De witte bloemen en de roode besjes vormden met het donkergroen der bladeren een prachtig geheel. Zóó hadden wij dit nog niet gezien. Verder werd de weg zeer verlevendigd door tal van apen, die in de boomen speelden. Het waren thans in hoofdzaak groote zwarte apen met lange staarten, slechts enkele kaneelkleurige waren er onder.
Wij hadden den 12 mijlen langen afstand in vijf uren afgelegd; geraced hebben wij dus niet. Aan het hotel werden wij door den vriendelijken eigenaar opgewacht, die ons onmiddellijk naar onze kamers bracht, alwaar wij ons eerst wat konden verfrisschen, alvorens aan de lunchtafel te verschijnen. Een groote vaas heerlijke frissche, prachtige rozen stond in elk onzer kamers en van de veranda’s hadden wij zoo’n prachtig uitzicht op het Tenggergebergte, dat wij eerst eenigen tijd noodig hadden om van onze bewondering te bekomen. Dit geheele hotel is zoo schilderachtig mooi gelegen, dat ik er geen weerga nog van heb aangetroffen. Het bestaat uit tal van op zich zelf staande gebouwtjes, paviljoens, die op verschillende punten van den bergrug zijn gelegen en allen door overdekte wegen met het hoofdgebouw zijn verbonden. De groote tuin bevat een schat van bloemen, die het geheele jaar bloeien en waarvan enkele zeer zeldzame exemplaren zijn.
Behalve dit mooie hotel en een paar andere gebouwen waar Europeanen wonen, is Nongko Djadjar, een koffie-dessa met alleen inboorlingen. Tal van mooie wandelingen en grootere uitstapjes kan men van daar doen.
Wij begonnen direct Maandagmorgen met een tocht naar den Ramboetmajo waterval. Per rijtuig kan men daar niet komen, alleen te paard of per tandoe moet men gaan. Voor een rit te paard hadden wij nog niet genoeg moed verzameld, vooral niet nadat wij aan tafel te Lawang hadden gehoord dat een Zondagsruiter op een kleinen tocht driemaal onder zijn viervoeter was geraakt en zich erg gelukkig noemde zich als een gaaf mensch aan tafel te kunnen presenteeren. De draagstoelen moesten dus weder dienst doen. Om 7 uur vertrokken wij Maandagmorgen van het hotel. Elke draagstoel werd door 6 man gedragen, twee voor, twee in het midden en twee van achter. Het was moeilijk deze 6 man zoo te laten loopen dat wij niet onmenschelijk heen en weder en door elkaar werden geschud, elke verandering in hun gewonen pas verergerde het. Wij probeerden daarom maar spoedig ons te gewennen aan deze schommelingen, want het was een lange tocht dien wij voor ons hadden. Bijna onophoudelijk gingen wij door een dicht bosch vol groote zwarte apen, vogels en een soort eekhorens, die men hier boomratten noemt en tal van ander gedierte. Nu en dan piepten de Inlandsche huisjes door het dichte geboomte door. Het was een zeer mooie tocht. Zooals in den regel in zulke gevallen was ook hier de 300 voet hooge waterval op zich zelf de moeite van den tocht niet waard, maar de schilderachtige omgeving waarin hij zich bevindt en de weg daarheen loonde des te meer alles wat wij er voor gedaan en geleden hadden.
Het was reeds over één, toen onze dozijn dragers ons veilig, weder afleverden. Eerst nadat wij de lunch gebruikt en gezamenlijk in een onzer veranda’s zaten om van de vermoeienis te bekomen en van het prachtig uitzicht te genieten, kwam de vraag over mijn lippen: in welk land ter wereld is het mogelijk, dat twee dames, geheel ongewapend, met een dozijn mannen uit het volk, zes uren lang door een dicht bosch durven trekken, zonder een oogenblik vrees te gevoelen, dat haar iets onaangenaams wedervaren zal? Deze twaalf mannen wisten, dat wij geld en andere waarde in onze kleine taschjes bij ons hadden, dat wij hunne gesprekken niet konden volgen, dat wij slechts enkele inboorlingen, en dan nog meest kinderen op onzen weg zouden ontmoeten, en toch kwam geen enkel woord over hun lippen, deden zij geen enkele beweging, die ook maar voor een oogenblik eenige vrees bij ons deed opkomen.
Twee keer op dien heelen langen tocht zetten zij de tandoes neder; een keer vroegen zij om “persen” (fooi, drinkgeld) om koffie te koopen bij ’n uitstallinkje en den tweeden keer, op den terugweg, om djeroek van een voorbijtrekkenden jongen met een mand sinaasappelen te koopen. Beide keeren willigden wij hun verzoek in met hen voor het beoogde doel 50 cts. te geven, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonden. Onze dragers waren gedurende den geheelen tocht vroolijk en levendig, zóó zelfs, dat wij de opmerking maakten, dat zij in dit opzicht meer op Hindu’s geleken dan op de tot dusver ontmoete Javanen, maar geen onbescheiden woord merkten wij op en zeer zeker was de decente wijze, waarop zij zich onder het loopen van een deel hunner kleeding ontdeden en waarop zij, toen wij nabij een riviertje een oogenblik pauseerden, daar allen een bad namen, opvallend. Van een volk dat uit zich zelf zoo beschaafd is, moreel en hoog staat, kan met goede leiding wat goeds groeien. Op die leiding komt ’t echter aan. Van wat zoogenaamde kenners van Java en de Javanen ons hier soms willen wijs maken, dat de Javaan zoo te zeggen, alle denkbare ondeugden zou bezitten, is niets waar, kan niets waar zijn, want waar wij telkens en telkens weder met die menschen in aanraking komen, ontdekken wij deugden en bijna uitsluitend deugden in hen.
Dinsdagmorgen schraapten wij al onzen moed bijeen en bestelden twee rijpaarden, om een rit over de dorpjes Bodo en Toetoer te maken. Dit is een twee uur lange rit te paard, de weg heeft hier en daar een paar steile hellingen en is vrij wel te beschouwen als een proefrit. Zouden wij dien tocht goed volbrengen, dan bestond er ook geen bezwaar, om ons bezoek aan de Bromo, met een omweg over de “de Veths’ hoogte” en terug naar Tosari, te paard te doen. Wij hadden zoo genoeg van de tandoe’s, dat wij besloten, dien grooten tocht alleen te doen, als wij ’t te paard aandurfden.
Onze gastheer en gastvrouw, de heer en mevrouw Teves, hadden voor een paar makke beestjes en een paar goede geleiders gezorgd en alles verliep naar wensch. Het was een prachtige landweg, dien wij aflegden, langs groote groenten-, vruchten- en bloemkweekerijen, (hier groeien Europeesche vruchten en groenten uitstekend) door koffietuinen en maïsvelden, met steeds het uitzicht op ’t mooie gebergte. Het Tenggergebergte wint het in schoonheid van de Preanger Regentschappen, maar deze laatste zijn uitgebreider. Onze twee geleiders hadden goede instructies medegekregen, bij elke groote kromming of steile helling grepen zij het paard bij de teugels en geleiden het op het rechte pad. Verder holden zij naast de paardjes voort, die meer naar hunne uitroepen dan naar onze leiding luisterden. Wij kwamen zóó weinig vermoeid tehuis, dat wij onmiddellijk paarden bestelden voor den volgenden dag. Vóór wij echter ’s avonds naar bed gingen, begon mrs. Catt bang te worden en bestelde een tandoe in plaats van een paard voor de reis naar de Bromo.
Ongeveer half zes, het morgenlicht was nog niet doorgebroken, begonnen wij Woensdagmorgen onzen tocht. Ik voorop op een schimmel met een jongen achter het paard. Mrs. Catt in een tandoe, door 6 mannen gedragen, achter mij aan en gevolgd door twee koelies, die onze bagage aan een langen bamboestok droegen. De hotelier en zijne lieve vrouw hadden er voor gezorgd, dat wij vóór wij vertrokken toch nog een eenvoudig ontbijt kregen en verder hadden zij ons zooveel sandwiches en vruchten ingepakt voor een tweede ontbijt onderweg, dat wij er gemakkelijk een heelen dag op hadden kunnen teren, ’t Was jammer, dat het nog te donker was, want toen wij uittrokken was het de moeite waard geweest er een kiekje van te nemen. Spoedig daarna liet mijn paard de achterhoede in den steek en het kostte mij een uur studie, om uit te vinden, hoe ik zoo’n Javaansch paard aan het verstand kon brengen, dat het wat langzamer had te gaan, of dat het een oogenblikje moest wachten, om de anderen ons te laten inhalen. Mijn jongen vond het veel gezelliger met de tandoedragers te converseeren en onderweg wat kattekwaad uit te halen dan achter mijn paard te hollen en zoo was ik geheel aan de braafheid van het goede dier overgeleverd. Van angst kon geen sprake zijn, want mijn geheele aandacht werd in beslag genomen door het prachtige landschap, aan weerszijden van den weg. De Kletakpas, die ik overtrok, te beschrijven, is niet mijn bedoeling, ik wil alleen constateeren, dat ik nog nimmer zoo’n prachtige natuur gezien heb. Het was in dat vroege morgenuur, onder het opkomende daglicht, een onvergelijkelijk schoon gezicht. Om 7 uur arriveerde ik in het dorpje Kletak, waar het paard uit zich zelf, of op mijn verzoek, stilhield en ik kon afstijgen om op mijn achterhoede te wachten. Na meer dan een half uur kwam die aan en de jongens maakten ons duidelijk, dat zij nu eerst geld voor makan moesten hebben. Wij gaven het heele troepje elk een dubbeltje, en daarvoor zaten zij weldra allen met een verrukkelijk ontbijt voor zich. Heete koffie en een stuk van een pisangblad vol rijst met warm gebakken pisangs en allerlei andere lekkernijen die zoo’n restaurant aan den weg, kan opdisschen. Toen de heeren verzadigd waren mochten wij verder gaan. Nu was het landschap geheel veranderd; het mooie, dichte geboomte had plaats gemaakt voor, tot aan den top van den vrij steilen bergrug aangelegde kool-, aardappel-, uien- en maïsakkers, waartusschen een rijkdom van bloeiende, wilde kruid- en heestergewassen. In dit gebergte hebben de Tenggereezen bijna alle geboomte omgehakt en er moestuinen met Europeesche groenten voor in de plaats gebracht. Ook dit leverde een mooi gezicht, doch de Moengalpas haalt het in schoonheid niet bij de Kletakpas.
Toen wij ongeveer half tien op een punt gekomen waren van waar de weg zich in tweeën verdeelt en linksaf naar Tosari voert, het einddoel van onzen tocht, wilden de jongens ons met geweld dien weg opdrijven, in plaats van door te gaan tot de Bromo. Het kostte ons alle moeite om hen te dwingen, met ons door te gaan. Ik ging eenvoudig met mijn paard recht door, maar het duurde vrij lang eer de tandoedragers met hun kostbaren last en mijn jongen mij volgden. Om tien uur hield ik halt en wachtte hen op en toen zij aangekomen waren, maakten wij kennis met een echt staaltje van inlandsche nukken. Nauwelijks was de tandoe neergezet, of een der jongens gooide zich in het gras, trok heele leelijke gezichten en uitte allerlei rare geluiden. Ajoe, ajoe, ajoe; hij had overal pijn. De anderen zeiden, dat zij niet verder wilden gaan, den zieken broeder konden zij niet alleen laten, wel wilden zij ons terugbrengen naar Tosari. Ik zag heel gauw, dat de man kunstjes maakte, vertelde de mannen zoo goed mij mogelijk was, dat zij ons naar de Bromo moesten brengen en steeg te paard met het vaste idee, dat zij dan wel zouden volgen. Toen ik een kwartier op weg was en niets zag of hoorde naderen en ook op mijn geroep geen antwoord kreeg, bleef ik wachten, en toen zag ik na eenigen tijd mrs. Catt met mijn jongen te voet den steilen bergpas opklauteren. De koelies hadden haar aan het verstand gebracht, dat zij niet verder wilden gaan, doch dat de weg niet ver meer was. Door om beurten toen van het paard gebruik te maken, bereikten wij om elf uur de zandzee, waarin de Bromo zich bevindt.
Welk een schouwspel! Het is heel natuurlijk dat de Inlanders hier aan bovenmenschelijke invloeden gelooven en deze plek niet durven naderen, zonder offeranden te brengen aan de geesten die in de kraters huizen. De dikke, grijze, wittige rook, die onophoudelijk uit de Bromo opstijgt, verdicht zich onmiddellijk tot wollige wolken die slechts langzaam stijgen en boven den krater een dikke wolkenlaag vormen.
Gaat men naar boven, naar den top van den Moengalpas, dan krijgt men eerst een goed overzicht over het geheel. Het is een volstrekt eenig met niets te vergelijken natuurtafereel, dat men dan voor zich ziet. In die enorme, grijs-grauwe zandvlakte, die men de zandzee noemt, stijgen drie vulkanen op, waarvan twee, de Batok en Widodaren reeds uitgewoed hebben, maar daarom niet minder indrukwekkend zijn, terwijl de Bromo door zijn uitstootende rookwolken toont, dat het nog altijd laait in zijn binnenste. En daar achter, ver weg doch bedriegelijk dichtbij, steekt boven alles de Sméroe uit, die telkens met eenige tusschenpoozen eveneens doet zien, dat in zijn binnenste het vuur steeds woedt.
Hoewel het er niets op lijkt, in geen enkel opzicht er mede te vergelijken is, bracht toch dit schouwspel op den Moengalpas dezelfde, droomerige stemming bij mij teweeg, die ook de woestijn in Egypte, met zijn raadselachtige pyramiden en sphynx op mij uitoefende. Dit komt waarschijnlijk, door die indrukwekkende stilte, die veelzeggender is dan de grootste drukte.
Aan de zandzee hadden wij twee heeren te paard ontmoet, die uit Tosari kwamen en daar ook weder heengingen. Wij vertelden hun ons wedervaren en vroegen hun als zij aankwamen, onmiddellijk voor ons een tweede rijpaard te willen zenden, of een paar mannen voor de tandoe. Zij beloofden ons, onmiddellijk onze eigen tandoe op te zenden. Mocht het inderdaad waar zijn, dat de eene jongen ziek was, dan kon een van hunne jongens hem vervangen en zij zouden zoolang voor den zieken man zorgdragen. Zij geloofden echter, even als ik, dat de heele ziekte een voorwendsel was. Na ruim een uur kwam inderdaad den tandoe met alle zes jonge mannen aanzetten, de zieke man was heelemaal beter en op den geheelen terugweg hebben wij van ziek-zijn niets meer gemerkt. Zouden kinderen niet evenzoo handelen om te probeeren verlost te worden van een taak, die hen niet bevalt?
Tosari wordt het Darjeeling van Java genoemd. Het heeft met Darjeeling gemeen, dat het ongeveer even hoog ligt, het ligt slechts 1000 voet lager en verder wordt het ook bezocht door personen, die voor de gezondheid eens een koeler klimaat behoeven, of die eens een kouden neus willen halen. Maar overigens lijken die twee niets op elkaar. Ik wil hiermede niet zeggen, dat Darjeeling, in Britsch-Indië, mooier of belangwekkender is, maar het is geheel anders. Als men maar alleen bedenkt, dat men in Darjeeling het gezicht op sneeuwbergen heeft en de bergen er tot aan den top begroeid zijn met boomen en heesters, terwijl in Tosari de bergen bijna geheel van het oorspronkelijke woud ontdaan zijn, en de kale bergranden tot boven toe in goed aangelegde moestuinen zijn herschapen, dan voelt men al wel het verschil in het landschap.
Maar ook de bevolking in beide bergstreken verschilt hemelsbreed. In Darjeeling vijf of zes verschillende stammen, die alle in uiterlijk, kleeding en gewoonten van elkaar verschillen en aan de plaats eene groote levendigheid geven; in Tosari alleen de Tenggereezen, een interessant volkje, doch die stil voor zich leven en zich den toerist niet opdringen. Het verschil in levendigheid der beide plaatsen spreekt ook wel daaruit, dat men in Darjeeling na eene vermoeide wandeling, in welke richting ook, overal jinrickshaw-mannen met hun lichte voertuigjes vindt, die je voor een paar centen weder bergopwaarts voeren, terwijl in Tosari alleen paarden of tandoes bij vooruitbestelling te bekomen zijn.
Ik zou Tosari een rozenoord willen noemen, bij uitstek geschikt om overspannen zenuwen tot kalmte te brengen. Alles ademt er rust en vrede. Vooral de morgens zijn er heerlijk, ’s Middags hangt er voor een groot deel van het jaar een dichte mist, die het uitzicht belemmert en nat-koud aandoet. Wel wordt beweerd, dat die mist niet nat zoude zijn, en dat Tosari een droge atmosfeer heeft, maar wie dat gelooft moet wel nimmer de kille koude gevoeld hebben van die alles doordringende wolkenlaag. Toch is, niettegenstaande dien mist, Tosari het drukst bezochte plekje in Java. Er heerscht een mondaine drukte. Men speelt er tennis, men maakt er toilet, er wordt geflirt, er worden gezamenlijke uitstapjes ondernomen en verder alles wat in un monde où l’on s’amuse voorvalt. Tosari heeft eene veel grootere bekendheid dan Nongko Djadjar, alwaar men zich in alle eenvoud amuseert en waar men heengaat om van de prachtige natuur en van de hooge berglucht te genieten.
De Tenggereezen in het Tenggergebergte zijn een merkwaardig volkje. Zij hebben geen tempels, kerken of Moskeeën. Een bepaalden godsdienst bezitten zij niet. Voor een deel zijn zij nog Hindoes. Daaraan doen de gekleurde hoofddoeken der vrouwen en de aschmerken op het voorhoofd van velen hunner ook uiterlijk het meest denken. Zij hebben zich vroeger aan den invloed der Mohammedanen weten te onttrekken door op deze bergtoppen, die bijna ongenaakbaar waren, een schuilplaats te zoeken. Elk dorp heeft een soort priester, die als een soort wonderdokter ziekten bezweert en andere priesterlijke werkzaamheden verricht en eens in het jaar in de voorhoede loopt, als zij gezamenlijk naar de Bromo trekken, om daar aan de in de daarin huizende geesten te offeren. De Tenggereezen zien er uiterlijk veel onbeschaafder uit dan de andere Javanen, hun kleeding is minder proper, en hun geheele voorkomen geeft aan, dat daarboven gebrek aan water bestaat en dat het er, om veel te baden te koud is. Hunne huizen en dorpjes zien er van buiten echter opvallend netjes uit. Nog slechts een jaar verheugen zij zich in het bezit van een school, waarvan onmiddellijk een groot gebruik werd gemaakt, zoodat de opkomende jeugd nu tenminste lezen en schrijven zal leeren. Rijstvelden ziet men in het Tenggergebergte niet, omdat de Tenggereezen gelooven, dat het hun om godsdienstige redenen verboden is rijst te telen. Zij voeden zich veel meer met maïs en groenten, die er op groote schaal verbouwd worden.
Van Tosari wilden wij per auto naar Passoeroean terug om daar den trein te nemen, die ons naar Soerabaja zou terugvoeren. Maar de auto was voor reparatie afwezig en zoo moesten wij van Tosari naar Poespo per paard of tandoe en van Poespo naar Passoeroean per karretje. De ondervinding, den laatsten keer met de tandoe opgedaan, deed mrs. Catt ook besluiten, ditmaal het rijpaard als vervoermiddel te gebruiken. In allen eenvoud, met slechts één jongen voor beide paarden, verlieten wij ’s middags om drie uur Tosari en arriveerden anderhalf uur later behouden in Poespo. Onze paardjes waren zoo tam en kenden zoo goed den weg, dat wij niets anders te doen hadden, dan ons in ’t zadel in evenwicht te houden, verder konden wij onze oogen den kost geven en ons aan het mooie landschap rondom ons verlustigen. Nog voor het laatst wilde ik genieten van al het schoone, dat het Tenggergebergte den bezoeker biedt, en er zooveel mogelijk van in mij opnemen, om den indruk een blijvende te doen zijn.
In Poespo bleven wij den avond en nacht doorbrengen in het hotel, dat eene dependance is van het sanatorium in Tosari. Poespo is aanmerkelijk lager gelegen dan Tosari en daardoor minder koud. Ook verkeert het niet een deel van den dag in een nevelmeer. Het wordt als tusschenstation voor zieken en zwakken gebruikt, voor wie een direct opgaan naar het 6000 voet hoog gelegen Tosari, niet raadzaam is. Jammer, dat het hotel aldaar niet comfortabeler is, want het kleine dorpje bevat overigens alle gegevens om er eenigen tijd zeer aangenaam te verblijven. Het is er boschrijk, men heeft er prachtige vergezichten, de temperatuur is een zeer aangename en nog tal van andere gegevens wettigen het stichten van een goed herstellingsoord aldaar, maar dan moet er een modern hotel met moderne geriefelijkheden verrijzen.
Van Poespo over Pasrepan naar Passoeroean in een karretje, was den volgenden morgen een ware marteling. Het ding schudde zoo geweldig, dat wij ons met beide handen moesten vasthouden om er niet uitgeslingerd te worden. Hoewel de tocht slechts twee-en-een-half uur duurde, kwamen wij toch zoo geradbraakt in Passoeroean aan, dat wij moeite hadden ons staande te houden. Wij moesten er een uur wachten, alvorens de eerstvolgende trein ons naar Soerabaja zou brengen en dien tijd gebruikten wij om op een bank ons uit te strekken om zoo de trillende leden tot rust te brengen.
In Soerabaja viel ons de drukkende warmte weder erg tegen en reeds den volgenden morgen om 6 uur verlieten wij deze stad om naar Semarang terug te keeren, alwaar wij spoedig de boot verwachten die ons van Java voor goed zal wegvoeren.