In de Philippijnen.

I.

De kapitein had ons gezegd dat wij Vrijdagmorgen niet vroeger dan elf uur in Manilla zouden zijn, daarom maakte ik ’s morgens geen haast om vroeg uit mijn bed te komen. Om 7 uur werd ik echter wakker gemaakt door een bijzondere drukte aan boord van het schip en merkte ik dat wij stil lagen. Ik sprong gauw uit de veeren en begaf mij naar de badkamer. Nauwelijks was ik daar toen er flink op de deur gebeukt werd en gevraagd of Mrs. dr. Jacobs daar was. Op mijn bevestigend antwoord kreeg ik tot bericht dat ik boven op het dek verwacht werd, waar een heer was die mij wenschte te spreken. Ik antwoordde dat die heer een poosje moest wachten, want dat ik juist in het bad was gegaan, maar ’t was mij toch een raadsel wie mij daar, aan die rotsige punt van het eiland Luzon, wenschte te spreken. Geen tien minuten verliepen toen er opnieuw geklopt werd, nu met een dringende eisch dat ik boven moest komen, ’t Was mij een raadsel. Ik deed spoedig wat kleeren aan en vertoonde mij in mijn kimono in de salon. Tegelijkertijd kwam ook mijne metgezellin voor den dag, evenzoo gekleed en evenzoo gealarmeerd. Wij zonden een “jongen” naar boven om te zeggen dat de dames in de salon wachten en niet genoeg gekleed waren om boven te komen. Weldra verscheen een vriendelijk uitziend blond jongmensch, die zichzelf als dr. Nielssen voorstelde. Het was een Scandinavisch Amerikaan. Hij vertelde ons dat de haven van Hongkong voor pokken besmet was verklaard en alle van daar komende passagiers hier in Mariveles eene vijfdaagsche quarantaine hadden door te maken. Wij keken elkaar eens even aan en in dien blik gaven wij elkaar genoegzaam te kennen dat wij daartoe niet zoo gemakkelijk zouden overgaan. Ik stelde mij als zijn collega voor, vertelde hem dat wij beiden gevaccineerd en gerevaccineerd waren, dat wij Hongkong slechts als doorgangsstation hadden aangedaan etc.etc. Doch al spoedig bleek dat wij niet zooveel te redeneeren behoefden. Hij had reeds uit Manilla bericht ontvangen dat hij ons beiden even zoude onderzoeken, zoo noodig revaccineeren en dan moest laten doorgaan. Ik had in die revaccinatie niet veel zin, maar mijn reisgenoote stak heel gelaten haar armen uit en liet zich op beide eenige prikken geven. Dit geschiedde niet door den doctor, doch door een inlandschen vaccinateur, die het echter zeer hygiënisch en handig deed.

Onze medepassagiers waren allen aan wal gezet en daarvoor in de plaats kwamen nu een aantal reizigers, die daar 5 dagen geleden in quarantaine gebracht waren en nu verder konden reizen.

Mariveles had drie eeuwen geleden een anderen naam. Dit rotspuntje, wat nu een bloeiend dorpje is, dankt deze mooie naam aan een Philippino-meisje uit Manilla, Maria Velez genaamd, die met den gloed van hare mooie zwarte oogen het hart van een jongen priester tot kookhitte had gebracht. Deze jonge priester gooide zijn heilig gewaad van zich af en vluchtte met het 17-jarig meisje, tot zij op dit uiterste punt van Luzon aangekomen waren. Hier leefden zij vele jaren een leven van liefde en weldoen onder de nog vrijwel geheel natuur-bevolking, tot zij eindelijk ontdekt werden. De jonge priester werd voor zijn menschelijke misdaad gestraft met verbanning naar het meest onbewoonbare eiland van de Philippijnen, waar hij zijn verder leven onder de geheel wilde bewoners moest doorbrengen, geheel afgescheiden van de beschaafde wereld. Het mooie meisje werden de lange zwarte haren afgeknipt en zij werd uiterlijk zoo geschonden, dat geen man meer in de verleiding kon komen door haar zijne plichten te vergeten. Zij bleef echter onder de bevolking, op alle mogelijke wijze weldaden verspreiden en werd zoo geacht en vereerd dat men na haar dood het dorpje naar haar noemde en zoo heet het nu reeds 300 jaren Mariveles.

Tegen ongeveer tien uur ’s morgens passeerden wij Cavite, de plek waar in 1898 de Spaansche vloot door de Amerikanen in den grond geboord werd, waarna zij toen als overwinnaars Manilla introkken.

Precies om elf uur stoomden wij de Manilla-baai in en weldra lag onze boot vlak voor den steiger, waarlangs wij van dit ongewenscht logies verlost zouden worden. Verschillende heeren en dames stonden reeds van verre met tooneelkijkers naar ons uit te zien, waaronder mrs. Catt weldra vele oude vrienden en kennissen uit Amerika onderscheidde. Een der heeren-compagnons, die thans de zaak van haar man dreven, kwam het eerst aan boord om ons te verwelkomen en de zorg voor onze bagage overnemen. Door zijne bemoeiingen ontkwamen wij aan de lastige Amerikaansche douane-formaliteiten, die hier al even erg zijn als in Amerika. In twee groote automobielen werden wij door de ons verwelkomende heeren en dames naar het nieuwe “Manilla-hotel” gebracht, alwaar men twee ruime, gezellige kamers voor ons in gereedheid had laten brengen.

Dit nieuwe hotel is nog slechts 6 weken geopend. Het is een echt Amerikaansch hotel, met alle luxe en comfort aan die inrichtingen eigen. Het is gebouwd aan de “Luneta”, een inham in zee, zoodat het van drie kanten door de zee omgeven is. De kamers zijn allen groot en luchtig, met warm en koud water en met geriefelijke badkamers. Op elke kamer is een telefoon en in mooie nikkelen kannen staat steeds frisch ijswater.

Toen onze koffers gebracht en met behulp van een aardigen Philippino-jongen ontpakt en beredderd waren, verkleedden wij ons spoedig en gingen naar beneden om te lunchen. Daar wachtte ons niet alleen een echte Amerikaansche lunch met ijswater, verfrisschende dranken, in ijs afgekoelde vruchten, cocktails en allerlei Amerikaansche gerechten, maar daar waren ook tal van dames en heeren om ons welkom te heeten in Manilla en die ons voor allerlei bijzonderheden hunne diensten aanboden. Ook de waarnemende Gouverneur-Generaal, mr. Gilbert, was onder hen, die ons allervriendelijkst toesprak, zijn vrouw verontschuldigde die verhinderd was te komen, en die ons zijn hulp aanbood bij alles wat wij gaarne wilden zien en leeren kennen.

Na de lunch gingen wij het reuzengroote hotel in oogenschouw nemen, door den directeur persoonlijk rondgeleid. De leeszalen, conversatiezaal, groote en verschillende kleine eetzalen, kappers- en barbierssalon en nog zoo veel meer, zijn allen gelijkvloers. Met twee groote liften, aan elke zijde van het gebouw een, gaan de gasten naar de kamers, die allen op een der vier étages gelegen zijn. Daar boven—op het platte dak—zijn twee groote daktuinen. In de een speelt elken middag een klein orkest, wanneer men door de in ’t groen verscholen gemakkelijke stoeltjes en tafeltjes, als ’t ware wordt uitgenoodigd om zich daar neder te vleien en daar de thee te gebruiken. De andere is twee keer in de week ’s avonds van 9–12 in een balzaal herschapen, waar de jonge—en soms ook wel eens een oude—Amerikaansche officiertjes met de Amerikaansche mevrouwtjes onafgebroken two-steps uitvoeren. De hitte in de tropen schijnt toch nergens de danslustigen af te schrikken, want nergens op aarde wordt zooveel gedanst als overal in Azië.

’s Middags om 3 uur kwam een heer ons per rijtuig afhalen om een paar uur in en rondom de stad te toeren, om zoo een algemeenen indruk van Manilla te krijgen. Wonderlijk zoo gauw als de Amerikanen deze Spaansche koloniale stad in een Westersche Amerikaansche stad hebben omgetooverd. Uitstekende electrische trams snorren onophoudelijk door de nauwe straten in de stad en door de ruime, breede buitenwijken, waar de Amerikanen wonen. Café’s met de onmisbare ice-creams, zitten van ’s morgens tot ’s avonds vol, groote magazijnen, waar men van alles kan koopen voor even hooge prijzen als in New-York zelf, staan aan alle hoeken der straten, automobielen dreigen je overal van de been te rijden, groote inrichtingen en allerlei soort kantoren zijn er in reuzengebouwen ondergebracht, alles ademt er leven en vertier. Als men zou moeten opgeven waardoor Manilla zich bijzonder kenmerkt, dan zou het zijn door zijne vele kerken. Evenals Caïro door zijne moskeeën, menige Britsch-Indische stad door zijne tempels zich onderscheidt, zoo Manilla door zijne katholieke kerken en kerkinstellingen. Vijf verschillende katholieke orden hebben hier elk hunne kerken, kloosters, scholen, hospitalen enz. De Augustiner orde is de oudste, die waren hier reeds in de vijftiende eeuw.

Toen wij om vijf uur tehuis kwamen wachtten ons weder verschillende heeren en dames om ons te verwelkomen. Mrs. Catt heeft hier tal van oude bekenden en ook menigeen die zij niet kent, maar die in Amerika toch dikwijls bij hare talrijke lezingen onder haar gehoor waren. Onder al die heeren en dames was ook onze hoffelijke Spaansche vriend, mr. del Pan, die wij in Java ontmoet hadden. Hij bood zich aan om den volgenden dag met ons eenige bijzonderheden van de stad te gaan zien, doch daar wij reeds met een paar dames hadden afgesproken om ’s morgens vroeg met hen naar eene der vier openbare markten te gaan, waar vooral des Zaterdags veel vertier is, zouden wij hem telefoneeren, zoodra wij van daar teruggekeerd waren. Nadat al onze bezoekers vertrokken waren, bleven wij met een heele lijst van invitaties voor tea’s, garden-parties, dinners, autotochten, bals etc. achter. Men had ook een victoria met twee paarden en een auto ter onzer dispositie gesteld. Wij zagen direkt in dat het onmogelijk was aan al die uitnoodigingen gevolg te geven, die ons onophoudelijk in het gezelschap der aldaar wonende Amerikanen zou brengen, terwijl wij met de inboorlingen in contact wilden komen, zoodat wij na rijp overleg besloten voor vele van deze beleefdheden te bedanken en alleen de voor ons interessante te accepteeren.

Zaterdagmorgen om 8 uur waren de beide dames, met wie wij naar de markt zouden gaan, ieder in haar eigen rijtuigje, reeds voor het hotel om ons af te halen. Wij stapten ieder in een er van en waren weldra ter bestemder plaatse. Wat een gewoel en gekrioel van kleurige inlanders! Vrouwen waren er in overgroote meerderheid, zoowel bij de verkoopers als inkoopers.

Welk een vreemde, onhygiënische en ongemakkelijke kleederdracht hebben die vrouwen. Hunne wijd uitstaande lange rokken, alsof er een wijde crinoline onder gedragen wordt, zijn allen van onder van een breede wijde strook voorzien en zouden rondom op den grond slieren en van achter in een lange sleep uitloopen, als de vrouwen ze niet rondom in de hoogte getild, met beide handen vasthielden, of door een elastieken band om het middel opschorten. Worden de rokjes hoog genoeg opgetild, dan ziet men er onder uit bloote beenen komen, waaraan bloote voeten die in gekleurde muiltjes steken. Een loshangend jakje, met zeer wijd-uitstaande mouwen, daarover een in 6 diepe plooien gevouwen en wijd van de hals afstaande doek, maken de bekleeding van het bovenlijf uit. In het prachtig gitzwarte glimmende haar stak altijd een bloem of gekleurd lint. Het geheel maakt een indruk alsof de kleeding dezer inboorlingen sterk door Spaansche smaak beïnvloed is geworden.

De markt, zooals er vier op verschillende punten van de stad gehouden worden, is een toonbeeld van zindelijkheid en ordelijkheid. Wat zou ik graag onze Koloniale autoriteiten hier een lesje zien nemen! Hoe gunstig steekt deze markt bij de passars op Java af! Alles wat eetbaar is moet hier onder ijzergaas staan. Door opzichters en opzichteressen wordt nauwkeurig nagegaan of al het verkochte of ten verkoop aangeboden, van onbedorven kwaliteit is. Op verschillende punten in de overdekte markthal zijn waterkranen, waar handen, schalen, bakken enz., telkens weder gereinigd kunnen worden. Eene scrupuleuze zindelijkheid heerschte overal.

Vreemd keken wij op in den hoek waar de eierverkoop plaats vond. Daar werden door de koopsters ook de eieren op de hand gewogen en tegen het licht bezien, zooals men dat ook wel eens bij ons doet, maar hier geschiedde dat met een ander doel. Terwijl wij een ei met een kuikentje er in zouden afkeuren, worden die hier gezocht en veel hooger betaald. Een ei dat 18 dagen onder de kip heeft gelegen is onbetaalbaar. Dat is een lekkernij! Hoe ouder het kuikentje is dat in het ei zit, tot aan den 18en dag, des te meer brengt het ei op. Een andere lekkernij zijn eieren die een jaar of langer in een zoute kleimassa zijn bewaard gebleven, die worden zoo rauw uitgezogen alsof het de grootste delicatesse is.

Om elf uur waren wij van de markt in het hotel terug, waar mr. Del Pan ons met zijn auto wachtte. Het eerst gingen wij met hem naar het gerechtshof, waar nog tot één uur zitting was. Er waren slechts kleine misgrijpen aan de orde. Alles werd nog in de Spaansche taal verhandeld, doch over een jaar moet in alle openbare lichamen de Engelsche taal—en deze uitsluitend—gebruikt worden. De heeren zullen zich dus nog in het Engelsch moeten oefenen.

Van het gerechtsgebouw gingen wij eerst eenige kerken en kloosters zien. Er is een kerk met een daaraan verbonden klooster die meer dan 300 jaren oud is, en alle in dien tijd hevige aardbevingen weerstand heeft geboden. De geschiedenis van deze merkwaardige kerk is te lang om die hier te vermelden.

Daarna bracht de heer Del Pan ons naar de plaatsen waaraan geschiedkundige bijzonderheden verbonden zijn. Daar zijne voorouders in de geschiedenis van Manilla een groote rol hebben gespeeld, zijn vader en grootvader waren langen tijd Gouverneur-generaal onder het Spaansche bewind, wist hij ons menige merkwaardige bijzonderheid te vertellen.

Om één uur ging hij met ons in het hotel lunchen ten daarna bracht hij ons in aanraking met vele Philippinoosche dames en heeren.

In een zuigelingen kliniek, geheel door Philippino-dames op touw gezet en beheerd, waar een Philippino-vrouwelijke arts aan het hoofd staat, hadden wij gelegenheid met vele hoogst beschaafde en ontwikkelde vrouwen van dit eiland kennis te maken. Wij waren verbaasd over alles wat wij hier hooren en zagen. Elk kind dat om de een of andere reden de moedermelk moet ontberen en ziek of gezond is, kan in dit lokaal gebracht en hygiënisch gevoed worden. Hier komen daags 70 zuigelingen en tien zulke lokalen bestaan in Manilla. Deze goutte du lait club van vrouwen heeft buiten de stad zijn eigen farm met een dozijn gezonde melkkoeien, die onder veterinair toezicht staan. Volgens de albums met photographiën van de aldaar gevoede kinderen, werken deze dames met schitterend succes.

Tegen half vijf bracht onze vriendelijke gids ons in het clubgebouw der Philippinoosche heeren en dames. Hier bleven wij theedrinken en maakten met vele vrienden van den heer Del Pan kennis. Men inviteerde ons om den volgenden Zaterdag hun bal te komen bijwonen, doch daar wij dien avond reeds een invitatie hadden aangenomen om in de Elk Club, dat is een club van Amerikaansche heeren, te komen dineeren, meenden wij voor het bal te moeten bedanken. Maar daarvan wilden onze Philippinoosche heeren niets weten, wij konden na het diner komen en zooveel van onze dischgenooten medebrengen als wij verkozen. Zij overhandigden ons voor dat doel eene heele pakket introductiekaarten, waarop wij zelf de namen konden invullen.

Des Zondags’ morgens kwam men ons reeds vroeg halen voor een auto-tocht, omdat het weder zoo mooi was en men in dit jaargetijde elken drogen dag moet waarnemen als men groote toeren wil maken. Wij zouden naar Los Banos gaan, ongeveer 50 kilometer van Manilla gelegen. Los Banos is reeds sedert 300 jaren bekend door zijne heete zwavelbronnen. Het water komt in kookhitte van onder den berg Maquiling opbruischen.

Wij hadden nu ook gelegenheid wat meer van het eiland te zien. ’t Is opmerkelijk hoeveel Luzon op Java gelijkt, maar toch veel minder mooi, veel minder vruchtbaar, veel minder welvarend, veel slechter onderhouden er uitziet dan ons mooi eiland. Ook de menschen zijn van hetzelfde type als de Javanen en hunne dorpjes en woningen op dezelfde wijze gebouwd. Wij gingen door rijstvelden en suikerplantages, door boomgaarden met mango, kokosnoot, bananen en papajaboomen, over bergen en langs meren met steeds goede harde wegen voor de auto.

In één opzicht was er in de dorpjes hier een groot verschil met die in Java. In elk dorp zagen wij een groote omheinde plek, waarop een groot houten gebouw. Zijn dat scholen, of worden daarbinnen wedrennen gehouden, vroeg ik? Maar, o schande voor het Amerikaansch bestuur, men moest bekennen dat het de arena’s waren, waarin geregeld hanengevechten plaats vinden. Toen wij ’s middags tusschen 4 en 5 uur op den terugtocht waren, was er in al deze lokalen een druk vertier. Van alle kanten stroomden de mannen van het dorp, velen hunner met een haan onder den arm, de arena binnen. Voor een er van hielden wij halt om een kijkje te nemen. Binnen de omheining, doch buiten het gebouw, zaten tal van vrouwen voor een brandend vuurtje, waarop een pan, waarin vruchten gebraden of ander etenswaar bereid werd, om het aan eetlustigen voor enkele centen te verkoopen. Andere vrouwen verkochten vruchten of snoeperijen. Binnen in het gebouw waren de mannen en opgeschoten knapen van het dorp, die daar de zuur verdiende penningen van moeder of vrouw in een minuut, of soms in een deel er van verloren in weddenschappen. Want dat is het meest immoreele van deze hanengevechten, zij ruïneeren soms eene familie in eene ondeelbare tijdseenheid.

Wij traden naar binnen, nadat een der heeren uit ons gezelschap voor elk een kaartje 1e rang genomen had, waarvoor per persoon ongeveer 7 stuiver betaald moest worden. Dit entreegeld is voor de kas der gemeente, daarvoor wordt voor het gebouw en het politietoezicht gezorgd. Behalve op den 1en rang, waar buiten ons nog vier mannen zaten, was overigens het heele gebouw stampvol. Binnen de arena stonden eenige mannen, waarvan twee elk met een haan in de handen. Aan de rechterpoot dezer hanen was aan of boven de sporen een vlijmscherp scheermesje bevestigd. Onophoudelijk werden deze twee beesten tegen elkaar opgehitst. Dan eens liet men den een, dan weder den ander zijn tegenpartij een flinke snavelpik op den kop geven. Op de verschillende rangen werden door de verschillende toeschouwers op beide of een van beide hanen prijzen gezet. Toen de inzet hoog genoeg was begon het gevecht. De beide mannen met de hanen gingen tegenover elkaar op de hurken zitten en hitsten een paar keer de beesten tegen elkander op. Op een gegeven wenk lieten zij beiden hun slachtoffer los, die onmiddellijk met echte moordenaarslust op elkaar invlogen. Met de mesjes aan hunne pooten gaven zij elkander vinnige houwen; nog eer een minuut verstreken was lag reeds één zieltogende neer.

Onmiddellijk daarop traden twee andere helden met hunne hanen onder den arm het strijdperk binnen. Weder dezelfde voorbereiding en toen beide hanen losgelaten konden worden, ging één er van, zoo snel pooten en vleugels hem voeren konden, op den loop naar de uiterste hoek van het gebouw, waaruit hij slechts met de grootste moeite verdreven kon worden. Nog eens werd het met deze beestjes geprobeerd, maar ’t verstandige dier koos weder zijn leven boven de schande van een nederlaag. Zijn baas had nu het spel verloren en naar het scheen was het een zeer oneervolle nederlaag, want hij droop af alsof hem de grootste wandaad kon worden ten laste gelegd. Nog een strijd woonden wij bij en toen verlieten wij dit onverkwikkelijke schouwspel, vast overtuigd dat aan zulke menschbedervende uitspanningen zoo spoedig mogelijk een einde moet worden gemaakt. Het strekt het Amerikaansch bestuur niet tot eer dat het in dezen niet flink doortastend durft optreden.

In de “Manilla Times” die ons Maandagmorgen toegezonden werd, stond een groot artikel aan mrs. Catt en mij gewijd, waarin de hoofden van verschillende departementen van onderwijs en maatschappelijke instellingen werden verzocht om ons in onze onderzoekingen zooveel mogelijk behulpzaam te zijn, zoodat wij bij ons oordeel over het een en ander over juiste gegevens konden beschikken. Ook werden wij aangespoord om overal waar wij leemten of fouten meenden te ontdekken, dit aan de betrokken hoofden mede te deelen, omdat hier vele instellingen nog in proefstadium verkeeren. De geheele week brachten wij door met daags allerlei soort hospitalen, kloosters, doofstommen- en blinden-instituut, fabrieken en andere instellingen te bezien, terwijl wij ’s middags of ’s avonds een tea, een diner, een bal, een tuinfeest of iets dergelijks bij een of andere Amerikaansche familie of in een der vele clubgebouwen, waarin de Amerikanen zoo sterk zijn, bijwoonden. Onze dagen zijn geheel bezet en aan ’t eind der week hadden wij reeds een goeden kijk op de Amerikaansche wereld in Manilla en op de wijze hoe die zich hier het leven aangenaam en nuttig weet te maken.

Aan het eind van dit schrijven wil ik nog even gewagen van het groote openlucht concert dat hier elken dag bij goed weder, van 5 tot 7 uur, door het Manilla-orkest, bestaande uit 80 Philippino-mannen, ook onder een Philippino-dirigent gegeven wordt. Dit orkest heeft in 1904 op de St. Louis-tentoonstelling de eerste prijs behaald, en sedert noemt het zich “het beste orkest van de wereld”. Mijne lezers mogen gerust een beetje twijfel koesteren omtrent deze uitspraak, maar ontegenzeggelijk is het waar, dat de Philippino’s zeer musicaal zijn en deze musicaliteit is gedurende drie eeuwen onder Katholieken en Spaanschen invloed aangekweekt.

Na zoolang van goede muziek verstoken te zijn geweest, vonden wij twee het soms een groot genot een uurtje rustig op een der vele banken te zitten luisteren naar hetgeen ons hier geboden werd.

II.

Nu ben ik overtuigd, dat er onder mijn lezers en vooral onder de lezeressen zijn, die verlangen, eenige bijzonderheden te vernemen over het Philippino-bal, waarvan ik in mijn vorigen brief gewaagde. Ik zal daarom even uitvoerig als ik over ernstige bijzonderheden schrijf, ook dit bal beschrijven. Het is trouwens de moeite waard.

Toen ons diner in de Elks Club was afgeloopen, gingen 16 van de 24 personen, die aan dat diner hadden deelgenomen in drie groote auto’s met ons mede naar het nieuwe clubgebouw der Club Nacionalista, ter inwijding waarvan de Philippino’s dit bal gearrangeerd hadden. Toen wij om ongeveer half elf daar arriveerden, werden wij zeer hoffelijk door ’t bestuur van die club ontvangen en werd mrs. Catt en mij elk een zitplaats aangewezen, vanwaar wij het bal goed konden overzien. Ik weet niet wat meer was te bewonderen, de gracieuze wijze, waarop de dansende paartjes rondzweefden door de zaal, dan wel de bonte pracht, die wij aanschouwden in kleeding en haartooi. De dames waren allen in gekleurde toiletten, in het wit was er geen. Lange, wijde rokken, met nog wijdere breede strooken en met ellenlange sleepen in blauwe, gele, rose, roode en andere kleuren, daarover altijd een kort, zwart kanten overkleed, bij wijze van tunica, het bovenlijf in een camiso met zeer wijde mouwen en van zeer dun weefsel, altijd in dezelfde kleur als de rok en daarover de zes-dubbel gevouwen doek van dezelfde stof als de camiso, vormden het toilet der dames. Deze camiso’s, eene soort wijde, loshangende blouse, die juist tot het middel reikt, zijn zeer kostbaar. Zij worden van ragfijne zijde geweven en met bonte bloemen geborduurd. Soms zijn de bloemen er in geweven en de allerlaatste mode is de bloemen op de camiso’s te laten schilderen door schilders of schilderessen van naam. De goudgele bloote hals en armen hangen vol van schitterende diamanten en paarlen en deze versierselen verhoogden ook de pracht van de haartooi. Het prachtige, zwarte haar, in hooge, breede kapsels opgemaakt, waarop en waarin en waaraan bloemen hangen, vormde steeds een harmonisch geheel met het overige toilet. Dat bij elk toilet ook een passende waaier is, spreekt in dit land vanzelf. Ook in de waaiers wordt een luxe ten toon gespreid die voor ons nieuw is.

De heeren waren allen gekleed in lange, zwarte pantalon, wit vest en korte, witte rok, zonder slippen. Aan de wijze, waarop deze paartjes dansten, kunnen onze Europeesche dansmeesters een lesje nemen. Het heete klimaat werkt dat wel in de hand. Het was meer een zich voortwiegen op de tonen der muziek, dan wat wij gewoon zijn dansen te noemen. Duncan zou er plezier in gehad hebben. De dames hielden allen op gracieuze wijze hunne lange, wijde sleepen tusschen de vingers van beide handen, de heeren slipten hun rechter arm onder den linker damesarm rond haar middel, namen haar waaier in de rechter hand en al voortwiegelende, wuifden zij daarmede hun partner af en toe koelte toe.

Wij bevonden ons in een kring van voorname Philippino’s. De president van de club, die eerst het geheele bestuur aan ons had voorgesteld, bracht onophoudelijk heeren en dames bij ons, die door de een of andere daad naam gemaakt hebben. Zoo maakten wij kennis met den architect van het gebouw, een volbloed Philippino, zooals hij ons verzekerde, die zijne studies in Engeland begonnen en in Italië voortgezet heeft; die daarna heel Europa doorreisde en met zeer veel lof over ons Rijksmuseum sprak; daarna met een Philippino-generaal, die in den Spaansch-Amerikaanschen oorlog tegen de Amerikanen vocht, doch nu met den stand van zaken verzoend is. Ook deze generaal was van onvermengd ras. Toen ik mijne verwondering uitte over hun jeugdig uiterlijk,—de generaal en de architect waren beiden in de veertig en zagen er uit alsof zij vijf-en-twintig waren,—antwoordde de generaal, dat dit een gevolg Was van drie dingen, 1e zij rooken niet, 2e zij drinken geen alcoholische dranken en ten 3e, zij spelen of wedden niet. Deze drie zaken brengen het bloed in te snelle beweging en brengen rimpels en groeven op het gelaat, zoo verzekerde hij mij. Twee Philippino-damesdoktoren, die in Amerika gestudeerd hadden, werden voorgesteld, en ik vernam, dat beiden een zeer drukke praktijk onder dames en kinderen hier hebben en onder hunne collega’s zeer gezien zijn. Een beeldschoone, jonge vrouw werd voorgesteld, die aan het hoofd van een meisjesschool staat. Zij vertelde ons, dat zij op haar 20ste jaar weduwe werd en toen eerst naar Engeland en later naar Frankrijk reisde om zich in de Engelsche en Fransche taal te bekwamen, en daarna te Manilla terugkeerde, om op eigen initiatief en volgens eigen plan eene school voor meisjes te openen. Deze school is zeer druk bezocht en heeft den naam de liberaalste school in heel Manilla te zijn. Ik noem slechts deze personen, om de lezers een denkbeeld te geven van de soort menschen, die wij op dit bal ontmoet hebben; en om ook nog een idee te geven van de namen die hier inheemsch zijn, vermeld ik de namen der bestuursleden van de club Nacionalista, zooals ik die in het mooie balboekje, dat mij aangeboden werd, vermeld vind. De president was Leonardo Osorio, vice-president Pascual Ledesma, penningmeester Venancio Concepcion, 1e secretaris Emilio Mapua, 2e secretaris Alejandro Ruiz, en vier stemgerechtigde leden, Aguedo Velardo, Arcadio Arellanjo, José Lino Luna, Tomas del Rosario. Na ook nog vermeld te hebben, dat het balboekje tien nummers bevatte, waarvan vier two-steps en vier walzen en de beide andere rigodon, stap ik van dit bal af.

Als postcriptum—dat is immers het zwak van ons, vrouwen,—voeg ik er dan nog bij, dat de mooie Philippino-meisjes zeer coquet zijn, doch niet flirten, waartoe anders hare mooie, groote zwarte oogen zoo uitnemend geschikt zijn, en dat de manieren der dames en heeren, zooals wij die op het bal zagen, in de beste balzaal in Europa niet verbeterd kunnen worden.

Wij zijn hier in het regenseizoen en in den tijd der typhoons. Wat het eerste te beteekenen heeft, daarvan ontvangen wij hier duidelijk sprekende bewijzen. De eerste dagen van ons verblijf hier waren vol zonneschijn en alleen een enkele wolk ontlastte zich dagelijks boven de stad. Langzamerhand echter begon het regelmatiger te regenen, soms in zulk eene uitbarsting, dat men zich afvroeg, of er wel iets voor een volgend jaar zou overblijven. Daarna hield de regen plotseling op, de zon brak door en in een oogenblik waren pleinen en straten weder droog; een windzuchtje werkte dit opdrogen zeer in de hand. Later echter hield het droge weder geen vijf minuten stand; onverwacht kwam dan soms de wind van een anderen kant opzetten en ontlastte plotseling de heele hemel zich van al het water, dat hij bevatte. Uren achtereen blijft het dan doorkletteren, elke gietbui heviger dan de voorgaande en na acht of tien uren zijn pleinen en straten in meren en rivieren herschapen. Hoe lang deze hevige regens nog zullen aanhouden, een, twee, drie dagen of een week of langer, is niet te bepalen, maar allen verzekeren ons, dat na deze verfrisschende regens de natuur geheel verjongd te voorschijn zal komen en wij daarna meer zullen kunnen profiteeren van Manilla en de Philippijnen, dan zonder deze regens. Wij helpen het hopen. Op het oogenblik hinderen ons de regens nog niet, want de instellingen, die wij des morgens gaan zien, kunnen wij alle in een dichte automobiel bereiken, en de middag- en avond-amusementen zijn in dit jaargetijde alle binnenshuis.

Een werkelijke typhoon komt hier niet zoo dikwijls voor als men ons wel heeft willen doen gelooven. Sommigen verzekeren ons, dat zij in de tien of twaalf jaren, die zij hier doorbrachten, slechts een enkele typhoon bijwoonden; anderen noemen elke flinke storm een typhoon en verklaren, dat elk jaar twee of drie van zulke hevige stormen het verblijf op de Philippijnen onveilig maken. Wij zullen afwachten wat de 6 weken, die wij hier zullen doorbrengen, ons in dit opzicht te ondervinden zullen geven. In elk geval geven de regens ons thans, prachtige, koele nachten; nachten, zooals wij die in lang niet gekend hebben.

Sedert ik het bovenstaande schreef, zijn twee dagen verloopen en in dien tusschen tijd hebben wij een klein staaltje gezien van wat een goede typhoon te beteekenen heeft. Het regent nog steeds en soms komt de regen met zoo’n kracht neder, dat het schijnt, alsof hij alles onder zijn val verpletteren zal. En vannacht was het zoo hevig, dat wij alles in onze kamers moesten afsluiten. Aan eene zijde van het hotel, waar de wind recht op staat, regende het echter zoo door de ventilatie-openingen naar binnen, dat de gasten van daar allen hebben moeten verhuizen. Wij hadden tegen negen uur vanochtend een rijtuig besteld om eenige inrichtingen van onderwijs te gaan bezoeken, toen men ons kwam waarschuwen, dat de typhoonseinen uithingen, en dat er tijding was, dat op 300 mijl afstand een typhoon in de Chineesche Zee was, die met een snelheid van 75 mijl in het uur in de richting van Manilla zich voortbewoog. Wij rekenden uit, dat het dan nog vier uren zou duren, alvorens die hier was en wij in dien tijd heel wat konden doen. Wij zorgden evenwel om halfeen terug te zijn, juist op tijd vóór de regen met zoo’n geweld neerplofte, dat geen paard er door kon en wij in het dichtste rijtuig nog doornat zouden zijn geworden. En toen op eens, zonder eenige voorafgaande waarschuwing, kwam een storm van den zeekant opzetten, die elkeen, die op straat was, van de been gooide, alles wat los was in de lucht deed warrelen, en die ons in de gangen van het hotel zelfs met moeite liet staande blijven. Het duurde echter niet langer dan een half uur, toen was de typhoon, zooals men deze storm hier noemt, voorbij; den geheelen dag bleef het echter winderig en regenachtig buiten.

Dat de Vereenigde Staten het ernstig meenen met de opvoeding der Philippino’s tot zelf-regeering, blijkt niet alleen uit de vele verschillende onderwijsinrichtingen, die zij hier tot stand brachten, waarover ik later uitvoerig hoop te schrijven, maar nog meer uit de wijze, waarop zij nu reeds een groot deel van hetgeen in het belang der Philippijnen moet worden gedaan, in handen van het volk zelf gegeven hebben. In plaats van, zooals bij ons geschiedt, alle wetten en verordeningen van uit het moederland pasklaar naar de koloniën over te zenden, wordt over de innerlijke zakenregeling hier in het land zelf beslist. Als wij nagaan, dat voor onze koloniën alles bedisseld wordt in een Tweede Kamer, waarvan in den regel 98% nooit Java of een onzer Buitenbezittingen gezien heeft en waarvan 75% nooit de minste belangstelling in de ontwikkeling onzer koloniën getoond heeft, dan komt het mij voor, dat er voor ons veel te leeren valt in de wijze, waarop de Amerikanen de regeering der Philippijnen geregeld hebben.

Men heeft hier een Eerste en Tweede Kamer, een gouverneur-generaal, gouverneurs voor elk der provinciën en gemeenteraden voor alle steden en dorpen. Alleen Sulu-land en het land der Moro’s, deze nog onbeschaafde volkeren, worden van hooger hand geregeerd.

Toen wij de wensch te kennen hadden gegeven om goed op de hoogte te komen van de wijze, waarop de Philippijnen geregeerd worden, ontvingen wij spoedig daarna een boodschap van den president der Assembly, zooals de Tweede Kamer hier genoemd wordt, met de vraag, wanneer het ons gelegen kwam hem te ontvangen om ons alle gewenschte inlichtingen te geven. Nog dienzelfden avond ontvingen wij hem, alsmede Signor Antonio Torres, de secretaris van de Assembly.

Signor Sergio Osmena, de president, had alle brochures en gegevens medegenomen, die ons in genoemd opzicht van dienst konden zijn en verzekerde ons, dat hij gaarne bereid was, alle duistere punten voor ons op te helderen.

De Philippijnsche eilanden dan worden geregeerd ongeveer op de wijze, waarop in de Vereenigde Staten een Territory geregeerd wordt.

Vooreerst is er een gouverneur-generaal, die door de Vereenigde Staten wordt benoemd, en die naast zich heeft 8 personen, waarvan 4 Amerikanen en 4 Philippino’s zijn, die ook door de regeering in Washington D.C. worden aangesteld, die hem in de uitoefening zijner taak ter zijde staan. Deze 9 personen vormen te zamen “The Commission”, zooals zij hier genoemd worden, en werken in den geest van een Upper House of Eerste Kamer. Tegelijkertijd staan de 8 Commissioners aan het hoofd van vier departementen, die verdeeld zijn in: 1. Binnenlandsche Zaken; 2. Financiën en Justitie; 3. Handel en Politie; en 4. Openbaar Onderwijs, en oefenen dus zoo iets als een ministerstaak uit. Aan het hoofd van elk dier departementen staat een Amerikaan en een Philippino.

De Assembly, zoo iets als de Tweede Kamer, bestaat uit 81 afgevaardigden, een voor elk distrikt, waarin de gezamenlijke eilanden verdeeld zijn. Zij werden tot nu toe om de twee jaren gekozen, er is echter een voorstel in behandeling, om de zittingsduur tot vier jaren te verlengen, ’t geen alle kans heeft aangenomen te worden. De Assembly benoemt uit zijn midden een Speaker (voorzitter) en deze stelt zijn eigen secretarissen aan. Signor Osmena is sedert de 5 jaar, dat de Assembly in functie is, steeds opnieuw tot Speaker gekozen. Om tot lid van de Assembly gekozen te kunnen worden, moet men 25 jaren oud zijn en verder aan dezelfde voorwaarden voldoen, waaraan een kiezer voldoet. Kiezers zijn zij, die vóór 1898 burgers waren van de Philippijnen en daarna trouw hebben gezworen aan de nieuwe constitutie. Bovendien moeten zij kunnen lezen, spreken en schrijven in de Engelsche of Spaansche taal, of een eigendom bezitten dat 500 pesos (een peso = ƒ 1.20 ongeveer) waarde heeft, of minstens 30 pesos jaarlijks in de directe belastingen betalen. Ook allen die vóór 1898 tijdens de Spaansche regeering, eene officieele positie in staat of gemeente innamen, zijn kiezers. Ik behoef er zeker niet bij te voegen, dat al deze menschen, om kiezer te zijn, moeten zijn van het mannelijk geslacht. Er heeft al reeds eens een voorstel de Assembly bereikt om het kiesrecht in de Philippijnen tot de vrouwen uit te breiden, doch om de een of andere reden is dit voorstel toen niet in behandeling genomen. In begin October zal echter opnieuw zulk een voorstel worden ingediend en behandeld; de Speaker is van oordeel, dat het in de Assembly met algemeene stemmen zal worden aangenomen, doch door de “Commission” zal worden verworpen. Mocht dat het geval zijn, dan zal een dergelijk voorstel elk jaar opnieuw in de Assembly worden ingediend, tot ten slotte de “Commission” er haar goedkeuring aan verleent.

De macht van de Assembly gaat niet verder dan wetten en verordeningen voor te stellen en te verwerpen of aan te nemen. Vóór zij, in het laatste geval, echter tot wet worden verheven, moet de Commission er over geraadpleegd worden; keurt die af, dan is de wet verloren; keurt die goed, dan gaat zij naar het Congres in de Vereenigde Staten, die er al dan niet het veto over uitspreekt.

Nu zitten in het Congres in Washington D.C. twee afgevaardigden van de Philippijnen, die geen recht tot stemmen, maar wel recht tot spreken hebben. Een der afgevaardigden wordt door de Assembly gekozen; de ander wordt door de Commission aangewezen. Beiden moeten echter Philippino’s zijn en die door de Assembly wordt gekozen, moet de goedkeuring van de Commission, en die door deze laatste gekozen wordt, de goedkeuring van de Assembly hebben.

Deze twee mannen vertegenwoordigen in de Vereenigde Staten de belangen der Philippino’s en worden door de Vereenigde Staten betaald. Zij ontvangen jaarlijks ’n salaris van 5000 dollars en bovendien 2000 dollars voor den eersten keer, om in de voorloopig te maken onkosten te voorzien. Zoodra nu een wet, afkomstig van de Philippijnen, het Congres bereikt, dan zijn zij daar om dat ontwerp toe te lichten en te verdedigen. Men veronderstelt, dat de een daarbij het gezichtspunt der Assembly, de ander dat van de Commission vertolkt, vooral, wanneer deze beide lichamen niet in elk opzicht harmonieeren, Laat mij niet vergeten te zeggen, dat de Commission niet alleen het recht van aannemen of verwerpen van een wetsvoorstel heeft, maar dat zij een wet ook mag amendeeren.

De leden van de Assembly ontvangen geen vast jaargeld, maar 30 pesos voor elken dag, dat er een zitting plaats heeft en het lid aanwezig is. Voor elke zittingsduur wordt eenmaal het reisgeld vergoed.

Verder zijn de gezamenlijke eilanden in 38 provinciën ingedeeld; aan het hoofd van elke provincie staat een Philippino-gouverneur, die door de kiezers uit de provincie gekozen wordt. Over de verkiezingen moet evenwel de gouverneur-generaal zijn goedkeuring uitspreken.

Elke stad en elk dorp of dorpje heeft zijn gemeenteraad met een president, zooals hier de burgemeester genoemd wordt, en twee tot vier wethouders. Dezelfde personen, die kiezers zijn voor de Assembly, zijn dit ook voor de gouverneurs en gemeenteraden.

Men ziet, dat Amerika slechts den een of anderen dag de onafhankelijkheid der Philippijnen behoeft te verklaren, dan is het geheele land gereed om de regeering in eigen handen over te nemen. Daarnaar wordt sterk verlangd, want ondanks al het goede, dat de Amerikanen hier gebracht hebben, zijn zij door het volk toch niet geliefd. Het zijn alleen de ontwikkelde Philippino’s, die al het goede beseffen wat hier door de Vereenigde Staten tot stand wordt gebracht, doch de groote onontwikkelde massa ziet in hen slechts indringers, en wat meer zegt, menschen, die zij niet begrijpen en daarom met groot wantrouwen bejegenen. Langzamerhand wordt dit wel beter, nu zij de gunstige resultaten van al die nieuwigheden zien, maar het zal nog een heelen tijd duren alvorens er een verhouding van onderling vertrouwen tusschen Amerikanen en Philippino’s tot stand is gebracht. Met hoeveel voorzichtigheid de Amerikanen hier vele nieuwe verordeningen moeten invoeren en de bevolking gewennen aan een hygiënisch leven, daarvan vertelde de directeur van den Openbaren Gezondheidsdienst vermakelijke staaltjes.

III.

De wijze waarop de Amerikanen hier de opvoeding der Philippino’s hebben ter hand genomen wijkt zoo geheel af van die, welke wij in andere door ons bezochte koloniën zagen, dat ik meen daaraan grootendeels dezen brief te moeten wijden. De, ik zou het willen noemen, brutale durf, waarmede zij het Amerikaansch opvoedingssysteem plotseling hebben toegepast op dit Orientalisch volk, is alleen te verwachten van een volk, dat, zooals de Amerikanen, vast overtuigd is van de onfeilbaarheid van zijne opvoedingstheorieën. Elkeen die zich interesseert voor de ontwikkeling van de Oostersche volken, moet het oog gevestigd houden op wat de uitkomst zal zijn van deze proefneming, die tot dusver eenig is in haar soort. Door een 300-jarigen invloed der Spanjaarden waren de Philippino’s wel is waar min of meer geciviliseerd vóór zij onder het Amerikaansch beheer kwamen, maar zij waren toch op geen stukken na in ontwikkeling gelijk te stellen met eene of andere Europeesche bevolking. Deze menschen, waarvan een dozijn jaren geleden slechts een klein deel kon lezen en schrijven, zijn in 1901 plotseling begiftigd met eene bezending van duizend Amerikaansche onderwijzers en onderwijzeressen, die overal in de verschillende eilanden scholen openden volgens Amerikaansch systeem en daar onmiddellijk onderwijs begonnen te geven in de Engelsche taal. Langzamerhand zijn hier Philippino-onderwijzers en -onderwijzeressen gevormd en zijn de Amerikaansche thans meer werkzaam als inspecteurs en inspectrices van onderwijs, maar toch zijn er thans nog 683 Amerikaansche onderwijzers bij het lager onderwijs aangesteld. Over het geheel zijn er thans ruim 9000 mannelijke en vrouwelijke onderwijzers van het lager onderwijs over alle eilanden verspreid en nemen er ongeveer 500.000 kinderen aan het lager onderwijs deel.

Thee-uurtje op de veranda in het Staats-pension voor onderwijzeressen in Manilla.

Thee-uurtje op de veranda in het Staats-pension voor onderwijzeressen in Manilla.

Er zijn nu bijna 5000 openbare scholen, 245 scholen voor meer uitgebreid lager onderwijs, 38 hoogere burgerscholen, 13 vakscholen en één universiteit voor de bevolking in de Philippijnen. Hieronder zijn niet begrepen de nog steeds hier in werking zijnde en veel kinderen trekkende katholieke en kloosterscholen, benevens enkele private inrichtingen van onderwijs, deze laatste vooral voor de kinderen van hier levende Amerikanen.

Onder de leiding van den hoofdinspecteur van onderwijs, mr. Dehuf, bezochten wij systematisch de verschillende scholen hier, beginnende met eenige scholen voor lager onderwijs en langzaam opklimmende, eindelijk komende tot de universiteit. Daarna brachten wij een bezoek aan het Bureau van Onderwijs, alwaar wij op allerlei punten, die open vragen waren gebleven, antwoorden ontvingen.

Men heeft hier nog geen leerplicht, doch op zeer enkele uitzonderingen na, gaan alle kinderen van hun 5e of 6e jaar school. Alle onderwijs, ook dat op de vakscholen en universiteit wordt zoo goed als kosteloos gegeven. Zelfs de leerboeken en andere onderwijsbenoodigdheden worden kosteloos verstrekt. Van het eerste oogenblik dat het kind op school komt, ontvangt het zijne lessen in de Engelsche taal. In den regel begint het kind als het pas op school komt, met een soort Fröbelwerk. Het leert matjes vlechten van bamboevezelen of andere plantenvezelen, tot het in staat is de omslagen voor zijn eigen leerboeken te kunnen vlechten, die hem alsdan worden ter hand gesteld. In die maanden heeft de onderwijzer gelegenheid het kind de allereerste woorden Engelsch te leeren en hem althans een klein beetje met die taal vertrouwd te maken. Dan wordt het lezen en schrijven en rekenen enz. alles onmiddellijk verder in het Engelsch geleerd.

Aan elke school wordt een deel van den tijd besteed aan handwerkonderwijs. Matten vlechten, manden maken, borduurwerk, naaiwerk, houtsnijwerk wordt van den beginne in elke klasse onderwezen. Ook is aan elke school een tuin verbonden, waarin de kinderen in hunne vrije uren, onder leiding van een onderwijzer, kunnen komen werken. Elk kind kan daar een stukje grond ter bewerking krijgen en de opbrengst van dien grond mag hij of zij verkoopen of voor eigen familie gebruiken. De schooluren zijn van 7½ uur ’s morgens tot 12 uur met om 10 uur een half uur vrij. Aan elke school, van laag tot hoog, is een eenvoudige kookschool verbonden, waarin de kinderen, jongens en meisjes, leeren koken. Zooveel mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van de kookbenoodigdheden, waarover de Philippino’s in den regel beschikken en wordt op hygiënische wijze het voedsel bereid, dat deze menschen gewoonlijk eten. Van de lagere tot de hoogere scholen voegt men echter langzamerhand een of meer andere gerechten aan deze menu’s toe, om de bevolking aan wat meer behoeften te gewennen en om hen van datgene wat de eilanden opleveren, meer en beter te doen genieten. Deze kooklessen worden aan een afwisselend 25-tal kinderen van de school des morgens van 8 tot 10 gegeven. Op het oogenblik, dat het vrije half uurtje begint is men met de gerechten gereed en worden die aan de kinderen voor een minimum prijs verkocht. Voor een cent kan zoo’n klein ding zijn buikje vol eten. Maar hoe op dit alles de stempel van Amerika gedrukt is, zal elkeen onmiddellijk voelen als ik vermeld, dat de eerste twee dingen, die de jonge kinderen op school leeren bereiden, nadat zij hebben leeren rijst koken en bananas bakken, etc., is, het maken van ice-creams en vruchtenpuddings. Ik wist niet wat ik hoorde, toen ik de eerste keer in een lagere school de kleine 6-jarige jongens en meisjes, met de grootste aandacht een les in het maken van ice-cream zag volgen en was niets verwonderd, dat om tien uur de pan met dat lekkere koele goed het eerst was uitverkocht. Gelukkig kunnen de kinderen voor een cent een goede portie rijst en bananas, of een boterham met ei en tomaten krijgen en maar een kleine lik ijs of een klein stukje pudding, anders zou het er spoedig met hunne maagjes niet goed uitzien. Dit is echter maar een bijzaakje, er zijn daarnaast tal van goede dingen te vermelden.

Van de lagere school gaan de kinderen naar de meer uitgebreid lagere school. Hetzelfde onderwijs wordt daar voortgezet, en eenige vakken toegevoegd. In deze scholen mogen de kinderen gedurende de lesuren, ook onderling zich alleen van de Engelsche taal bedienen. In de lagere en meer uitgebreid lagere scholen wordt het vrije half uur niet alleen gebruikt om de geest rust te gunnen en de maag eenigszins te vullen, maar den kinderen wordt in dien tijd ook geleerd te spelen. Het is opvallend, dat de kinderen in de Aziatische landen zich niet weten bezig te houden. Spelen, zooals onze kinderen doen, kunnen zij blijkbaar niet. Allerlei spellen, die op aantrekkelijke wijze tegelijkertijd de physieke ontwikkeling van het kind bevorderen, worden hen op school geleerd. Later, bij het middelbaar en hooger onderwijs, worden zelfs de athletische spelen aangemoedigd, zoodat elk dezer scholen zijn eigen football- en baseball- en tennis- en cricket- en andere clubs hebben, die eens in het jaar met elkaar om de eer van het spel en om het tijdelijke bezit van een zilveren vaas of cup etc. strijden.

Daar alle onderwijs vrij is, en een kind hier niet veel kan verdienen en bovendien de ouders als zij willen, gemakkelijk in ’t onderhoud van het gezin kunnen voorzien, want de onderhoudskosten zijn hier even goed als op Java, zeer gering, nemen steeds meer kinderen aan het lager en meer uitgebreid lager onderwijs deel. Bijna alle kinderen van 12 tot 14 jaren, die men hier in de straten ontmoet spreken nu dan ook reeds Engelsch en kunnen zich op verschillende wijzen reeds nuttig maken en ruim genoeg in eigen onderhoud voorzien. Kunnen de ouders hen nog wat langer onderhouden, dan staan vele vakscholen voor hen open. De handelsschool neemt hen op en maakt stenografen, typewriters, boekhouders, handelscorrespondenten enz. van hen, en niettegenstaande deze school elk jaar eenige dozijnen van zulke jongelui aflevert, staan toch nog tal van kantoren te wachten, om hunne Amerikaansche klerken door deze Philippino’s te vervangen. Voor eenige honderden van deze jongens en meisjes is er op ’t oogenblik hier nog plaats.

Willen zij niet naar de handelsschool, dan kunnen de jongens naar de tuinbouwschool, of naar de school voor ambachten en beroepen. In deze laatste school worden zij tot timmerman, meubelmaker of smid, houtsnijwerker, beeldhouwer etc gevormd. Deze school levert jaarlijks vele flinke ambachtslieden af. De meisjes kunnen naar huishoudscholen, kantwerk-, borduur- of naaischolen gaan, alwaar zij ook de verschillende daar onderwezen vakken leeren, dat zij er door in eigen onderhoud kunnen voorzien.

Van de meer uitgebreid lagere scholen kunnen de kinderen naar de middelbare scholen gaan, waarvan er 38 over de eilanden verspreid zijn. Deze scholen staan met onze hoogere burgerscholen gelijk, behalve dat zij elken dag eenige uren besteden aan verschillend handwerk en aan gymnastische spelen. De jongens en meisjes, die deze scholen doorloopen hebben en daarna nog een cursus in stenografie en typewriten doormaken, zijn op de handelskantoren zeer gewild, vooral ook omdat zij de Engelsche taal grondig kennen en met meer oordeel werken. Na een middelbare school doorloopen te hebben, zijn de leerlingen klaar voor de normaalschool, waar zij tot onderwijzers en onderwijzeressen, ook tot die voor de verschillende handwerken, gevormd worden. Tot nog toe ontvingen al deze geëxamineerden onmiddellijk eene aanstelling en het plan is om al de Amerikaansche krachten bij het lager onderwijs door Philippino’s te vervangen. Zij zullen dan voorloopig nog wel onder Amerikaansche inspecteurs(trices) werken, waarvan elk toezicht over tien of twaalf scholen houden.

Damesorkest in Manilla.

Damesorkest in Manilla.

Van de hoogere burgerschool kunnen de leerlingen ook naar de universiteit gaan. Sedert drie jaren bezitten de Philippino’s een eigen Hoogeschool, die voor die in Amerika of Europa niet behoeft onder te doen. Aan de universiteit is verbonden een faculteit voor Medicijnen, een voor Veeartsenij, een voor Rechten, een voor Ingenieurs, een voor Pharmacie, een hoogere Landbouwschool, verbonden met een cursus in het boschwezen, en een school voor Vrije Kunsten en Wetenschappen. Laat men van deze universiteit niet gering denken. Zij voert de leerlingen op tot eene wetenschappelijke hoogte, die in niets voor onze universiteiten onderdoet. De beste Amerikaansche en een paar Duitsche professoren wijden er hunne krachten aan. Jaarlijks gaan van elke faculteit een paar van de beste leerlingen, die afgestudeerd hebben, op staatskosten voor twee jaar naar Amerika of Europa, om zich daar aan de beste bronnen verder te bekwamen. Uit deze jonge mannen en vrouwen hoopt men later de professoren voor deze universiteit te vormen. Uit den aard der zaak zijn nog niet veel van zulke krachten afgeleverd, dit jaar heeft voor het eerst de faculteit der Medicijnen twee goede operateurs naar Breslau en Weenen gezonden en zijn een paar ingenieurs naar de Vereenigde Staten gegaan.

Om een enkel voorbeeld te nemen. De studie in de medicijnen vereischt 5 jaar, als de leerling op geregelde tijden het overgangsexamen doet en daarna moet hij nog een vol jaar praktisch werken, als assistent in eene der daarvoor aangewezen hospitalen, alvorens het doctors-diploma wordt uitgereikt. De colleges zijn van 7.30 tot 11 uur ’s morgens en van 1 tot 4 uur ’s middags practisch werk in laboratoria etc. In het eerste jaar wordt Anatomie, Histologie, Zoölogie, Chemie en Embryologie onderwezen. In het tweede jaar: Anatomie, Chemie, Physiologie en Bacteriologie. In het derde jaar: Pharmacologie, Pathologie, Medische geschiedenis, Physische diagnosis en Clinische diagnosis. Algemeene Chirurgie en Chirurgische Pathologie, Clinische Microscopie en Protozoölogie. In het vierde jaar: Obstetrie, Pediatrie, Chirurgie, Interne ziekten, Tropische ziekten, Medische zoölogie, Medische Entomology, Clinische Microscopie en Hygiëne. In het vijfde jaar: Chirurgie, Experimenteele Chirurgie, Neurologie, Hersenziekten, Oog-, oor-, neus- en keelziekten, Obstetrie, Interne ziekten, Tropische ziekten en Hygiëne, benevens Medische Jurisprudentie. Als wij daaraan nog een jaar praktisch werk in een algemeen hospitaal toevoegen, dan meen ik dat dit program vrijwel met dat aan Europeesche Universiteiten kan wedijveren.

Ik wil niet te veel van het geduld van mijne lezers vergen, anders zou ik het leer-program van eenige andere faculteiten gaarne nog hieraan toevoegen. Ik nam dat der medicijnen, omdat ik daarover het best meen te kunnen oordeelen. Dat in alle genoemde scholen plaats is voor jongens en meisjes beiden, spreekt voor een Amerikaansch systeem van zelf; maar ook dat in al deze inrichtingen van onderwijs even zoo goed vrouwelijke als mannelijke leerkrachten worden aangewend is wel de vermelding waard. Men vertelde ons dat het aantal dames en heeren, in de verschillende takken van onderwijs werkzaam, ongeveer even groot is en in verschillende scholen waren man en vrouw, of duidelijkheidshalve echtgenoot en echtgenoote, aan dezelfde school werkzaam. Aan het bureau van onderwijs vernamen wij, dat gehuwde onderwijzers zooveel mogelijk aan dezelfde scholen worden geplaatst en altijd in dezelfde plaats. In plaats van gehuwde onderwijzeressen moeilijkheden in den weg te leggen, werkt men hier het gehuwd-zijn van het onderwijzend personeel zooveel mogelijk in de hand. Ook aan de Universiteit waren drie vrouwelijke professoren werkzaam.

De scholen, vooral de lagere, boden wel eens stof tot lachen. Als daar zoo’n klein 6- of 8-jarig vrouwtje voor de klasse moest komen om proeve van haar kennis af te leggen, dan vormde dat kleine menschje in haar lange, wijde sleepjapon, een aardig contrast met de naast haar staande slanke Amerikaansche onderwijzeres in haar hygiënisch witte, korte en nauwe japon. De onderwijzeressen doen alle moeite om de ondoelmatige kleeding der meisjes hier langzaam te doen vervangen door een beter voor dit land geschikte. Voor de gymnastiek en buiten-spelen moeten de meisjes in een kort, loshangend, waschbaar kleed gekleed gaan. Deze japonnetjes worden op school, tijdens de handwerklessen door de meisjes zelf gemaakt, de katoen-stof wordt door de school verstrekt. Hier en daar beginnen nu de kinderen reeds in zulke jurken op school te komen.

In de vacanties, die hier van half April tot einde Juni duren, worden er aan de Normaalschool en aan de Universiteit cursussen voor de onderwijzers gegeven, voor zoo ver die zich voor een of ander vak verder willen bekwamen, of het vroeger geleerde willen opfrisschen. Deze cursussen zijn niet alleen ook gratis, maar voor de onderwijzers die van andere plaatsen komen zijn verschillende pensions open gesteld, waar zij op staatskosten gedurende dien tijd kunnen verblijven.

Ook de leerlingen van Hoogere Burgerscholen, vakscholen, universiteit etc., wier ouders niet wonen in een plaats waar een dergelijke school is, kunnen in een staatspension gratis huisvesting bekomen. Voor meisjes staan deze pensions onder het bestuur van een Amerikaansche dame, voor jongens onder dat van een dito heer.

Aan het Bureau van Onderwijs is een afdeeling verbonden, die wij bij ons heelemaal niet kennen. Het is de afdeeling voor Corresponding Education, onderricht door correspondentie. Een dozijn dames en heeren waren op die afdeeling werkzaam. Alle onderwijzers, Philippino’s en Amerikanen, die eenige moeilijkheid hebben bij de verklaring van het een of ander, kunnen zich schriftelijk tot dit bureau wenden om inlichtingen. Ook voor zelfstudie kunnen zij voorlichting bekomen. Vooral voor de vele onderwijskrachten, die op afgelegen posten zitten, en die niet in contact staan met collega’s, is dit een niet te hoog te waardeeren gelegenheid voor verdere ontwikkeling.

In al de scholen en in alle bureaux voor onderwijs ontmoetten wij personen, bezield met de grootste enthousiasme voor hun werk. Elkeen voelde als het ware, dat zij hier een groot experimenteel werk verrichten, waarvan de uitkomsten op dit oogenblik nog niet te overzien zijn. Elkeen wilde ons gaarne alle inlichtingen verstrekken, en elkeen sprak met de grootste lof en bewondering over de leerlust, den ernst, het bevattingsvermogen van dit Oostersche volk. Er waren natuurlijk enkele pessimisten, die vreezen dat men hier bezig is een geleerd proletariaat te vormen; dat alle jonge mannen en vrouwen later doctoren en advocaten en ingenieurs willen worden en er voor landbouwarbeid en de verschillende ambachten geen krachten te vinden zullen zijn; dat de hersenen van deze menschen overvoed worden en de slechte gevolgen daarvan in de volgende geslachten gevoeld zullen worden, enz. Het antwoord op alle goede dingen, die de voorstanders hopen dat door de toepassing van hun opvoedingssysteem bereikt zullen worden, of op alle slechte gevolgen die de tegenstanders er van voorzien, zal eerst gegeven kunnen worden, wanneer wij eenige geslachten verder zijn en wij den toestand van dit volk dan in zijn geheel kunnen overzien. Zeer zeker zal over eenige geslachten de Engelsche taal hier over alle eilanden gesproken worden en de oorspronkelijke talen nog slechts als curiosum bestaan. Men is daarmede nu reeds een heel eind gevorderd. In de Assembly en bij de gerechtshoven wordt nu nog het Spaansch naast het Engelsch geduld, maar reeds bereikte een voorstel de Assembly om, te beginnen met ’s lands vergaderzaal, de Engelsche taal verplichtend te stellen.

Op één ding in de scholen moet ik nog wijzen, omdat dit zoo gemakkelijk kan nagevolgd worden en er m.i. zooveel goeds in schuilt. In de corridor van elke school vonden wij een groot, zwart bord, waarop met groote krijtletters een paar korte zinnen geschreven waren. Een dier zinnen houdt een les van wellevendheid in, de andere was een hygiënische raad. Natuurlijk waren die in de lagere scholen geschikt voor jonge kinderen, terwijl die in de middelbare en hoogere scholen voor volwassenen bestemd waren. Een week lang blijven zulke spreuken op ’t bord en worden dan door andere vervangen. Een groote opvoedende kracht moet op den duur van deze wenken uitgaan.

Onwillekeurig is deze mededeeling over het onderwijs zoo uitvoerig geworden, dat ik er in een dagbladartikel niets meer aan kan toevoegen. Ik zou over ditzelfde onderwerp nog wel bladzijden kunnen vullen en dan ook duidelijker doen uitkomen in hoeverre het geheele systeem van ons onderwijssysteem afwijkt en geheel een Amerikaansch karakter draagt. Voor hen, die daarin bijzonder belang stellen, zijn de gegevens hier te verkrijgen, als men zich wendt tot het Bureau of Education, Manila. Voor een gewoon courantenlezend publiek meende ik niet in nog meer détails te mogen vervallen.

Er is hier nog zooveel merkwaardigs waarin Amerika alle andere landen ten voorbeeld kan strekken, dat ik bij elk afzonderlijk punt niet te lang mag stilstaan. In den volgenden brief hoop ik het een en ander mede te deelen over de hier bestaande gevangenis, die door de Amerikanen in een reformatorium is herschapen en waarvan heel veel menschen met gefronst gelaat en met opgetrokken schouders gewagen.