IV.

Even vast als de Amerikanen overtuigd zijn dat hun opvoedingssysteem de beste is in de wereld, even vast gelooven zij, dat hun strafstelsel, de inrichting hunner gevangenissen en de behandeling der gevangenen door geen enkel land geëvenaard worden. Zij hebben van hunne gevangenissen gaandeweg overal opvoedingsgestichten gemaakt, waarin de veroordeelden tot bruikbaarder menschen worden opgevoed en die elkeen die er een zekeren tijd moet vertoeven, als een beter en hooger ontwikkeld mensch verlaat dan toen hij er in kwam. De Amerikanen hebben in hun strafstelsel geheel gebroken met de opvatting, dat iemand, die misdoet, gestraft moet worden; hun systeem beoogt van de veroordeelden goede burgers te maken, die door geregelden arbeid, waarin zij belang stellen, door gezonde ontspanning en regelmatige rust, aan een regelmatig bestaan gewend worden, zoodat zij een andere opvatting van het leven krijgen en lust in werken daardoor ontstaat. Bovendien laten zij hen ’n ambacht grondig leeren, zoodat zij, in de maatschappij teruggekeerd, den strijd om het bestaan met eerlijke middelen kunnen strijden.

Hoe geheel anders is de opvatting van ons gevangeniswezen. Wij, en bijna nog overal in Europa, meenen, dat wij iemand, die de wet overtreedt, moeten straffen met dagen, maanden of jaren opsluiting in cellen, waardoor wij ’t lichaam van zoo’n veroordeelde verzwakken en zijn geest dooden. Wij ook laten hem arbeid verrichten, maar een arbeid, die nog eentoniger en geestdoodender is dan niets doen. Wij meenen, dat wij ons moeten wreken op een veroordeelde en vergeten daarbij, dat die veroordeelde ons later die wraak dubbelvoudig terugbetaalt, doordat wij in hem alle zachtere gevoelens tot zwijgen hebben gebracht. Zijn de uitkomsten van ons strafstelsel niet slecht genoeg om eens met de oude opvatting te breken en een proef te nemen met een geheel ander stelsel, of ten minste grondig te bestudeeren, welke de uitkomsten zijn, die de Vereenigde Staten met hun Reformatoria verkrijgen? Acht jaren geleden was ik in de gelegenheid in Amerika eenige van deze instellingen te bezoeken, doch ik heb den verderen ontwikkelingsgang van hun systeem niet bijgehouden. Hier vernam ik, dat zij op den ingeslagen weg steeds verder waren gegaan, omdat de verkregen resultaten schitterend waren. Toen de Amerikanen dan ook hier de contrôle over de gevangenissen van de Philippijnen hebben overgenomen, hebben zij onmiddellijk het geheele strafstelsel gewijzigd en alle oude, onmenschelijke gevangenissen afgebroken, en er reformatoria voor in de plaats gebracht, waarin zij met het in toepassing brengen van nieuwe methoden verder gaan dan ergens in de wereld, en dus ook op dit gebied proefnemingen op groote schaal verrichten.

Zooals ons hier alles gemakkelijk wordt gemaakt, zoo werd ook ons bezoek aan de Bilibid prison, zooals de Amerikanen deze gevangenis noemen, vergemakkelijkt. Het is eigenlijk een pleonasme van Bilibid prison te spreken, want Bilibid is ’t Spaansche woord voor gevangenis. Toen wij een dag voor ons bezoek hadden vastgesteld, behoefden wij slechts in de auto plaats te nemen om te 9 uur, toen wij aan de poort aankwamen, den directeur reeds wachtende te vinden, die ons zelf wilde rondgeleiden en de noodige inlichtingen geven.

Bij de overname van de gevangenissen vonden de Amerikanen daarin tal van personen, over wie nooit een vonnis geveld was; menschen die reeds lang van hunne vrijheid beroofd waren, zonder dat zij wisten waarom en zonder dat iemand van de rechters of van de gevangenisemployees kon vertellen, waarom die menschen daar zaten; anderen waren er, die lichte vergrijpen gepleegd hadden, waarvoor men hen gevangen had genomen, doch waarover nooit een vonnis was geveld, zoodat zij, noch iemand anders, wisten aan te geven, hoelang die opsluiting moest duren. Schandelijk was de rechtspraak in dit land door de Spanjaarden verwaarloosd. Men vond er, om een enkel voorbeeld te noemen, een man, een gezeten burger uit een provinciestadje, die steeds een deugdzaam leven had geleid en die gevangen was genomen op vermoeden, dat hij een moord had gepleegd. Of dat vermoeden enigen grond van waarheid bevatte, was nooit onderzocht en een vonnis over hem was nooit geveld. Bij onderzoek bleek nu, dat het vermoeden zijn oorsprong had gevonden in een droom van een oude vrouw uit het stadje. Zij had in haar droom gezien, dat die man een kind vermoordde. Deze droom had zij hare buren verteld en nog voor den dag om was, heette het, dat die vrouw den moord had gezien en daarop werd de man gevangen genomen. Het feit, dat er nooit een levend wezen in dat stadje gemist werd, dat de man dien nacht als een trouw echtgenoot aan de zijde van zijn vrouw had geslapen en andere bijgebrachte redenen, die de onschuld van dien man klaar en helder bewezen, konden hem niet uit de gevangenis redden; “de rechters moesten de zaak eerst onderzoeken” en daarvoor schenen zij nooit tijd te hebben. Tal van zulke verhalen hoorden wij niet alleen daar, doch vonden ze ook vermeld in de verschillende boeken, die wij over deze kolonie lazen. Het spreekt vanzelf dat, toen de Amerikanen het beheer in handen namen, er eerst een schifting moest gemaakt worden tusschen de personen, die in de gevangenis behoorden te zijn en degenen, aan wie de vrijheid teruggegeven kon worden. Ook werden tal van onbehoorlijk lange straffen voor kleine vergrijpen in mildere straffen omgezet Onmiddellijk was met den bouw van nieuwe gevangenissen begonnen, waarvan er nu 39 in de verschillende provinciën verspreid zijn; een er van doet dienst voor jeugdige veroordeelden.

Rijststampen in Manilla.

Rijststampen in Manilla.

Verreweg de grootste en de belangrijkste van deze gevangenissen is de Bilibid, die gezegd wordt de grootste van de wereld te zijn. Zij bestaat uit 50 verschillende gebouwen en kan 5000 veroordeelden bevatten. Er zijn over het geheele land 50.000 veroordeelden en alleen zij, die een vonnis hebben, waardoor zij meer dan twee jaren van hunne vrijheid beroofd worden, gaan naar Bilibid.

Dat de gevangenissen hier niet onder het departement van Justitie, maar onder dat van onderwijs ondergebracht zijn, geeft reeds de aard van hunne bestemming aan. Iemand die het niet vooraf wist, zou nooit vermoeden, dat Bilibid eene gevangenis is. Men vindt er geene gewapende wachters, er zijn nergens cellen, de kleeding der gevangenen wijkt niet in ’t oogloopend af, van de gewone, hier gebruikelijke en men passeert niemand die niet een of ander werk verricht. Alleen hebben de mannen aan den boord van hun jas of baadje een nummer en ziet men consequent drie verschillende kleuren van kleeding. Deze kleuren geven aan in welke klasse de dragers ingedeeld zijn. Zij beginnen allen in de derde klasse en kunnen door goed gedrag opklimmen tot de tweede en eerste klasse. Elke gevangene, die niet ziek is moet daags werken. Als hij ziek is, gaat hij naar het hospitaal der gevangenis.

Alle gevangenen komen bij hunne opname eerst bij den directeur. Deze spreekt hen vertrouwelijk toe, vertelt hun, dat hij op de hoogte is van hun misdrijf, dat hij en alle officieel daar aangestelde personen hun persoonlijk belang beoogen, en niets liever zien, dan dat hun verblijf in Bilibid in elk opzicht tot hun voordeel zal strekken en dat zij hun best moeten doen van de gunstige omstandigheden, waaronder zij daar geplaatst zijn, zooveel mogelijk te profiteeren. Daarna gaan zij in een desinfectie-bad, worden naar de methode Bertillon gemeten, gephotographeerd, ingeschreven, ondergaan het gewone systeem van identificatie en daarna blijven zij 5 dagen in quarantaine, gedurende welke hunne excrementen onderzocht en hun lichamelijke toestand opgenomen wordt. Door goede voeding en geestelijke en lichamelijke rust brengt men hen in die dagen in goede lichamelijke conditie. Zijn zij ziek bevonden, dan gaan zij eerst naar het hospitaal, zijn zij gezond, dan worden hun na die vijf dagen de orde en regels van die gevangenis voorgehouden en worden zij in een werkafdeeling geplaatst. De eerste week staan zij nog maar onder halve maatregelen, om met hunne omgeving eerst bekend te raken, daarna vangt hunne geregelde dagtaak aan.

Elke gevangene mag zelf bepalen, in welk vak hij wil opgeleid wonden, welk werk hij het liefste doet. Heeft hij in de maatschappij reeds een vak beoefend, dan wordt hem meestal geraden daarin voort te gaan, om het in dat vak tot de grootste hoogte te brengen. Weet de gevangene geen keuze te doen, dan treedt de directeur met hem in overleg en tracht uit te vinden, wat voor zoo iemand de meest geschikte arbeid is. Voor alle ambachten en voor elke in de eilanden bestaande industrie bestaat in Bilibid een in alle opzichten up to date werkplaats. In die werkplaatsen wordt het werk verricht onder geheel dezelfde voorwaarden of omstandigheden, als in elke groote fabriek of werkplaats, met dit verschil alleen, dat hier meer op het persoonlijk belang van elken werkman dan op winst gelet wordt, zoodat er wordt toegezien, dat dezelfde persoon niet te lang bij hetzelfde onderdeel van het vak geplaatst blijft en hij door op te klimmen langzamerhand het heele vak meester wordt. Wij zagen er achtereenvolgens de gebouwen, waarin de smederijen en het ijzeren machinewerk geplaatst zijn; die van de wagenmakerij, waar zoowel mooie, luxe rijtuigen, als eenvoudige boerenkarren gemaakt worden; de meubelmakerij, waar, van het prachtige narrohout, dat ze hier hebben, zeer mooie ameublementen gemaakt worden; de mandenmakerij, waar alle hier voorkomende en daartoe geschikte plantenvezelen gebruikt worden om er allerlei soort rieten meubelen van te vervaardigen; een goud- en zilversmederij, een zeepziederij, een schoen- en kleermakerij, een bakkerij, een hygiënische wasch- en strijkinrichting etc. Al deze ambachten en beroepen zijn elk in een afzonderlijk gebouw ondergebracht, en al het daar vervaardigde werk wordt gewoon op de arbeidsmarkt gebracht. Men werkt niet onder de gewone prijzen, de prijzen van de artikelen zijn zelfs iets hooger dan men hier gewoon is te betalen, maar daar al het afgeleverde van de beste kwaliteit is en in de uiterste volmaaktheid is vervaardigd, vinden alle artikelen steeds koopers. Heel dikwijls wordt op bestelling geleverd.

Voor gevangenen, die hunne vakopleiding in Bilibid gehad hebben is na hunne invrijheidstelling altijd gemakkelijk een goede patroon te vinden. Zij worden in de keuze van een patroon door den directeur bijgestaan, die ook voor hun verder leven hun goede vriend en raadgever blijft. Tot dusverre komen steeds de grootste tevredenheidsbetuigingen in van de patroons, die ontslagenen uit Bilibid in hun werkplaats hebben genomen; zij roemen hun uitstekend werk, hun ijver en hun goede trouw.

De dagindeeling van de gevangenen is zoo ingericht, dat behoorlijke rust en ontspanning hunnen arbeid afwisselt. Om half zes staan zij ’s morgens op, zij kleeden en wasschen zich, maken hun bed in orde en begeven zich naar de eetzaal. Om 6 uur is het ontbijt en om half zeven moet elk in zijn werkplaats aanwezig zijn, waar tot 11.30 gewerkt wordt. Deze vijf uur arbeid wordt echter door de meesten onderbroken door een uur school. Alle gevangenen zijn verplicht één uur daags naar school te gaan. Er zijn verschillende scholen, maar van die duizenden gevangenen, waarvan niet meer dan 25 in eene klasse gaan, kan in een uur slechts een deel onderricht ontvangen. De lessen gaan dan ook geregeld den geheelen dag door en worden telkens door eene andere groep leerlingen bijgewoond. Nooit gaan er echter uit een werkplaats zooveel tegelijk, dat daardoor het werk stilstaat. De onderwijzers in de school zijn ook gevangenen. Al het onderwijs wordt ook daar in de Engelsche taal gegeven.

Om 11.30 wordt het werk overal stop gezet; de gevangenen gaan zich dan wasschen, een schoon buis aandoen, en om 11.50 komen zij zich aanmelden voor hun middagmaal. Dit geschiedt geheel op militaire wijze. In precies tien minuten zagen wij in eene afdeeling 150 mannen bediend worden van hun middagmaal en zich, zooals alle Aziatische volken doen, op hunne hielen neerzetten om het sein van 12 uur af te wachten, waarop allen, in rechte lijnen neergehurkt, begonnen te eten. Hun middagmaal bestond dien dag in soep, een groot bord ongepelde rijst en een ander bord vol groentencurry. ’s Morgens krijgen zij brood, koffie en bananen, ’s avonds ook, maar dan worden de bananen dikwijls door andere vruchten vervangen. Elken dag krijgen zij 1¼ ons vleesch of visch, terwijl aardappelen, uien en meelspijzen het middagmenu afwisselend maken. Het eten zag er hoogst zindelijk en smakelijk uit; in de bakkerij vonden wij het brood zelfs zoo lekker, dat wij er met smaak een stuk van verorberden.

Na het eten krijgt elke veroordeelde eenige sigaretten en houdt tot 1.45 zijn siesta. Om twee uur begint het werk weder, dat tot 4.30 duurt. Daarna nemen alle gevangenen een bad. Dit dagelijksch bad is verplichtend. Zij kleeden zich dan in schoone kleederen, hun muziekcorps speelt een vroolijken marsch en op de tonen van dien marsch wordt op de uitgestrekte pleinen binnen de omheining van Bilibid twintig minuten gemarcheerd. Daarna vangt het avondeten aan en als dat is afgeloopen, is elkeen tot kwart voor negen vrij te doen wat hij wil. In de recreatiezaal staan sigaretten voor de heeren en men vindt er allerlei onschuldige spelen; er is een goede bibliotheek met boeken en tijdschriften; in het gymnastieklokaal kunnen zij zich onder leiding oefenen en velerlei athletische spelen doen; in de schoolgebouwen wordt een uur les gegeven aan hen, die zich voor een of ander vak bijzonder willen bekwamen, deze lessen zijn niet verplichtend; in de vergaderzaal worden nu en dan lezingen gehouden met of zonder lichtbeelden; door het eigen muziekcorps worden af en toe concerten gegeven en door een andere club worden voordrachtavonden georganiseerd. Op deze en andere wijze worden de avonden ten nutte gemaakt.

Om 8.45 begeeft zich ieder naar zijn slaapgebouw en om 9 uur moet elkeen in zijn bed liggen. Ook des nachts worden de gevangenen niet ingesloten. De slaapgebouwen waren precies zoo ingericht als wij dat hier in de kazernes hebben gezien. In elk groot slaapgebouw, waar van alle kanten de frissche lucht binnenstroomt, slapen 144 gevangenen. Elk heeft een ijzeren ledikant met stroomatras, twee lakens, een kussen met wit kussensloop en een wollen deken. Van elke zes is degeen, die de beste cijfers voor gedrag heeft, de hoofdpersoon. Hij moet toekijken, dat de anderen behoorlijk in hun bed liggen, hun bed netjes onderhouden en dat zij niets doen, wat niet geoorloofd is. Over 4 van zulke groepen is een hoogere bewaker aangesteld, terwijl in elk slaapgebouw twee gevangenen de volle verantwoordelijkheid dragen voor de goede orde van zaken. Deze twee worden alleen gekozen uit de eerste klas gevangenen, dat zijn zij, die een volkomen smetteloos gedragboekje hebben. Bovendien staat in elk gebouw elk der daar aanwezige gevangenen om beurten één uur op schildwacht. Hij is verplicht onmiddellijk één der laagste opzichters te wekken als er met een van de vijf onder hem geplaatsten het een of ander gebeurt. Ander toezicht wordt er ’s nachts niet uitgeoefend.

De vrouwenafdeeling is geheel afgezonderd van de mannenafdeeling. Deze staat onder toezicht van een directrice, die vroeger aan het hoofd van een hospitaal heeft gestaan. Zij is hare ongeveer 150 vrouwen niet alleen geheel meester, maar zij beheert dit heele gedeelte zonder eenige hulp, dan alleen van de gevangenen zelf. Met de grootste liefde en vertrouwelijkheid gaat zij met elk harer veroordeelden om en de directeur verzekerde ons, dat er niet een onder haar was, die voor de Matron niet haar leven zou willen geven. Toen de directrice eens, de eene maal in de vijf jaren die zij daar is, voor zes weken eene vacantie nam, dachten de vrouwen nooit dien tijd zonder haar te kunnen doorkomen. Zij heeft ze toen geregeld met brieven op de hoogte gehouden van haar doen en laten en haar ’t een en ander van hetgeen zij zag en ondervond medegedeeld. Bij haar terugkomst waren allen zoo uitgelaten van vreugde, dat zij onmiddellijk besloot haar nooit meer zoo lang alleen te laten. Sedert heeft zij Bilibid nooit langer dan eenige uren achtereen verlaten. De vrouwen maken in hoofdzaak kant en borduursels. Dit zijn de twee zaken, die hier bijna alle vrouwen kennen en waarin zij het tot eene groote hoogte gebracht hebben. Langzamerhand is dat werk hier door de kloosterscholen ingebracht en de Philippino’s schijnen een bijzondere handigheid en een bijzonderen smaak voor dit werk te bezitten. Wat wij in de gevangenis zagen maken, was wel het mooiste en fijnste, wat wij hier tot dusver van dit werk gezien hebben.

Overigens worden op de vrouwen natuurlijk dezelfde regelen toegepast als op de mannen.

Het zou mij te ver voeren, als ik ook nog ’t hospitaal, met het daaraan verbonden sanatorium voor longlijders, dat boven op het platte dak is aangebracht, ging beschrijven. Dit hospitaal met zijne verschillende afdeelingen en zijn operatiezaal is even zoo goed en zoo hygiënisch ingericht als elk nieuw Amerikaansch hospitaal. Hoewel er een vaste dokter is aangesteld, dienen de patiënten toch ook voor klinisch onderwijs aan de studenten der universiteit, die daar dagelijks hunne lessen aan het ziekbed hebben, terwijl er altijd eenige afgestudeerde studenten als assistenten van den fungeerenden dokter werkzaam zijn.

Tal van zaken heb ik bij de beschrijving onaangeroerd moeten laten, omdat het onmogelijk is een volledig overzicht van deze merkwaardige instelling in briefvorm samen te pakken; bij eene afdeeling moet ik echter nog een oogenblik stilstaan, omdat dit een geheele nieuwe zaak is, die nog nergens, ook niet in Amerika, bestaat. Het spreekt van zelf, dat men overal in Amerika en zelfs ook de directeur van hier met de grootste belangstelling de uitkomsten van deze nieuwe proefneming gadeslaat, waaruit niet alleen voor rechters en gevangenisspecialisten, maar ook voor psychologen zeer veel zal te leeren vallen.

Men heeft n.l. op een der vele eilanden, die de Philippijnen vormen, een landbouwonderneming gesticht, die de Iwahig Penal Colony genoemd wordt, waar elke zwaar of levenslang veroordeelde, die het door goed gedrag verdiend heeft, op eigen verzoek naar toegezonden kan worden. Deze kolonie is in het midden van het eiland Palawan gelegen, een lang, strookvormig eiland, dat het dichtst bij Britsch-Borneo ligt. Reeds zijn daar in de vijf jaren, dat de kolonie bestaat, 1200 veroordeelden, mannen en vrouwen, naar toe gebracht. Om ’t voorrecht te genieten naar de Iwahig Penal Colony overgeplaatst te worden, moet de zwaar veroordeelde drie jaren achtereen een smettelooze conduitestaat bezitten. Gedragen zulke veroordeelden zich ook nog gedurende drie jaren volkomen goed in de kolonie, dan wordt hun toegestaan hunne familie te laten overkomen en een gezin op te bouwen. De familieleden worden dan op staatskosten daarheen vervoerd. Een getrouwde man kan echter zijne vrouw, noch zijne kinderen dwingen zijne ballingschap met hem te komen deelen, dit moet door vrouw en kinderen geheel vrijwillig geschieden. Ook mogen de mannen- en vrouwen-veroordeelden op het eiland onderling trouwen, als beide personen althans niet met een andere man of vrouw reeds getrouwd zijn. Zoo hebben er zich in den loop der jaren verschillende gezinnen gevormd en worden er jaarlijks van 5 tot 8 wettige kinderen geboren. Van onwettige geboorten zag ik niets vermeld.

Als de kolonisten zich in de kolonie één jaar goed gedragen hebben en het landbouwwerk genoegzaam kennen, dan ontvangen zij een stuk grond, dat zij voor eigen rekening mogen cultiveeren. Zij ontvangen dan ook een voorschotsom om alle benoodigdheden te kunnen koopen en om hunne gevangeniskleeding voor gewone kleeding te verwisselen. Uit de opbrengst van den grond moet langzamerhand het voorgeschoten kapitaal terugbetaald worden.

Aan het hoofd van deze kolonie staat een directeur, die tevens de leider van het landbouwwerk is. Hij wordt in zijn werk bijgestaan door drie Amerikaansche en vier Philippino-assistenten. De overige opzichters benoemt hij uit zijne gevangenen.

Iwahig Straf-kolonie te Palawan. Woning van een gevangen-kolonist.

Iwahig Straf-kolonie te Palawan. Woning van een gevangen-kolonist.

Verder wordt deze gemeente geregeerd als elke andere gemeente in de Philippijnen. De kolonisten benoemen uit hun midden een president (een burgemeester) en gemeenteraadsleden, die alle gemeentebelangen onderling regelen. De directeur van de kolonie heeft echter het veto-recht.

Deze kolonie heeft een oppervlakte van 50 vierk. mijlen en eerst op zeven mijlen afstand van daar is een kleine staf van Philippino-politieagenten gestationneerd, die in tijd van gevaar telefonisch opgeroepen kan worden. In de vijf jaren, dat de kolonie bestaat, heeft de politie nog nooit dienst behoeven te doen. Het gedrag van de kolonisten was zoo goed, dat men dit jaar voor het eerst eenigen van de allerbesten een zesweeksch verlof heeft toegestaan, om in Baguio, het Tosari der Philippino’s, een rusttijd in een koeler klimaat door te maken. Ook deze proef is goed afgeloopen, heeft gunstige gevolgen gehad en zal nu jaarlijks herhaald worden.

Langzamerhand zal nu het eiland Palawan geheel in cultuur gebracht en door veroordeelden bevolkt worden. Daar het bijna allen levenslang of heel lang veroordeelden zijn, dus menschen, die een zware misdaad hebben bedreven, die de bevolking van de kolonie uitmaken, en het hun veroorloofd is onderling te trouwen en een nieuw geslacht te vormen, is het zeker voor onze herediteitstheorieën van het hoogste belang, om na te gaan wat uit deze bevolking groeit.

Iets, naar mijne meening geheel in tegenstelling met de humane geest, die in Bilibid heerscht en waarvoor de directeur mij ook geen voldoende verklaring kon geven, was het terechtstellen van zeven mannen, die achter een hek stonden te wachten tot zij geëxecuteerd zouden worden, Deze zeven mannen waren geboren criminalisten, onverbeterlijken, die allen gruwelijke moorden gepleegd hadden en in de gevangenis, zelfs onder het strengste toezicht, gevaar voor hunne medegevangenen opleverden. Hen wachtte de doodstraf door electriciteit. Het gezicht van die zeven wachtende mannen zal mij nog lang bijblijven.

Iwahig Straf-kolonie Palawan. Een gevangen-kolonist die zijn eigen stuk grond bezit.

Iwahig Straf-kolonie Palawan. Een gevangen-kolonist die zijn eigen stuk grond bezit.

Om nu niet zoo griezelig te eindigen zal ik tot slot een eigenaardig verzoek mededeelen, dat juist den directeur bereikte, toen wij ’s morgens in Bilibid aankwamen. Het was eenig in zijn soort en bracht den directeur in verlegenheid, zoodat onze komst een welkome gelegenheid was, om de vrouw, die het verzoek deed, weg te sturen, om het antwoord over eenige dagen te komen halen. Hij heeft nu tijd tot beraad.

De vrouw was vier jaren in Bilibid geweest, en was zes weken geleden ontslagen. Zij vroeg nu verlof om met den gevangene X., die tot twintig jaren veroordeeld is, waarvan nu acht om waren, te mogen trouwen. Die man wordt dus eerst in 1924 ontslagen en tot dusver was zijn gedrag nog niet van dien aard, dat men hem eenige privilegiën heeft kunnen toestaan. Hoe die man en vrouw liefde voor elkaar hebben kunnen opvatten, was den directeur een raadsel, daar de mannen en vrouwen in de gevangenis streng van elkander zijn gescheiden, en wat die betrekkelijk jonge en vrij knap uitziende vrouw kon bewegen zich wettelijk te binden aan een man, die haar pas over een dozijn jaren kan toebehooren, is onverklaarbaar. De directeur verzekerde ons, dat hem nog nooit een dergelijk verzoek bereikt had en dat hij geloofde, dat het eenig was in zijn soort. In hoever hij er een gunstig oor aan kan verleenen, zal afhangen van de uitkomsten van het onderhoud, dat hij dien avond met den man in kwestie hoopte te hebben.

Dengenen, die van Reformatoria eene studie maken en over deze belangrijke inrichting meer willen weten, raad ik aan zich te wenden tot mr. Geo Wolfe, director of Prisons, Manila.

V.

Langzamerhand begin ik te begrijpen, wat het te beteekenen heeft hier te zijn in het regenseizoen en in den typhoontijd. De regenmoesson duurt van Juni tot November en de typhoonmaanden zijn Augustus en September. Wij genieten nu van beide. Het regent nu reeds meer dan 14 dagen en soms zoo erg, dat men er bijna doof van wordt. Onophoudelijk klettert de regen in stroomen neer en het veroorzaakt daarbij soms zoo’n geraas, dat het onmogelijk is zich alsdan verstaanbaar te maken. Die de regens, zooals zij hier vallen, niet heeft bijgewoond, kan er zich eenvoudig geen begrip van maken. Men berekent den regenval hier niet in inches, maar in voeten; zooveel voet regen is er gisteren gevallen, vindt men ’s morgens in de couranten vermeld. Manilla staat dan ook reeds voor een deel onder water, met schuitjes moeten de menschen, die in dat deel wonen, zich over straat voortbewegen. Tal van diners en avondpartijen hebben reeds moeten worden uitgesteld, omdat het eenvoudig onmogelijk is het huis goedschiks te bereiken.

Heel erg ziet het er evenwel uit, wanneer deze regens vergezeld gaan van een typhoon. Ik heb ze hier nu bijgewoond, al waren ze dan maar van korten duur en niet van de hevigste soort. Het zijn hevige wervelwinden, die niemand weerstand kan bieden en elkeen tegen den grond werpen. Zoo’n storm doet boomen ontwortelen, hooge palmen middendoor breken, haalt telegraaf- en telefoonpalen omver, neemt de daken van de lichtgebouwde huizen en voert ze honderd meter weg; kleine vaartuigen worden in de rivier of in de zee opgenomen en onderstboven gekeerd en hij doet zelfs dit massief gebouwde hotel, waarin wij ons bevinden, schudden alsof het van papier is. Ik weet nu ook, waarom men hier geen glasruiten heeft: zij zouden in zulke oogenblikken in honderden scherven uiteenvallen. Daarom heeft men hier de vensters in kleine ruitjes verdeeld en met een soort micaplaatjes ingevuld. Deze plaatjes laten slechts een zeer gedempt licht door. Maar in gewone omstandigheden hindert dat niet, omdat de vensters nacht en dag openstaan en alleen in dagen, waarop de regen door alle openingen naar binnen wil dringen, gesloten zijn.

Wij ondervinden door dit weder de grootste teleurstellingen. De ergste is wel, dat wij geen gebruik durfden maken van de ons aangeboden gelegenheid om de voornaamste eilanden der Philippijnen te bezoeken. Wij hadden in het begin van ons verblijf hier, onzen wensch te kennen gegeven, om ook naar de andere eilanden van de Philippijnen te gaan, en informeerden naar de meest geschikte gelegenheid. De gouverneur-generaal had van onzen wensch gehoord en op een tea te zijnen huize vroeg hij ons, of wij genegen waren als inspectrices van onderwijs met een gouvernementstransportschip te reizen, dan zou hij ons een aanstelling bezorgen en konden wij met het eerstvertrekkende schip eene rondreis maken en alle voorname eilanden aandoen. Natuurlijk namen wij deze prachtige aanbieding volgaarne aan, ontvingen spoedig daarna onze stukken als staatsambtenaren en zouden 3 Augustus met de “Merritt” vertrekken. Alles was zoo zorgvuldig voor ons voorbereid, overal werd ons gedurende ons verblijf vriendelijke gastvrijheid aangeboden en het zou een eenige gelegenheid zijn geweest om in betrekkelijk korten tijd een goed overzicht te krijgen van de geheele eilandenreeks. Maar het weder is zoo fataal, typhoons volgen elkander zoo snel op, dat alle vrienden ons ten sterkste moesten ontraden in dezen tijd op zee te gaan. Wel zouden wij in anderhalven dag buiten de typhoonstreek geraken, maar in dat eerste anderhalve etmaal kon toch nog genoeg gebeuren. Het was zoo’n groote teleurstelling, dat wij deze gelegenheid moesten laten voorbij gaan en onder dankbetuiging onze stukken moesten terugzenden, dat wij den dag tevoren nog eerst, in een oogenblik waarin de regen het mogelijk maakte in een dichte automobiel even uit te gaan, ons naar het Observatorium begaven, om van de heilige vaders te vernemen, welk weder er in de eerstvolgende dagen te verwachten was. Maar ook deze goede oude heeren vonden het raadzamer in de eerste dagen geen zeereis te ondernemen en aan dien raad hebben wij ons ten slotte gehouden. En zoo zitten wij nu hier kalm af te wachten, wanneer regen en wind tot bedaren zullen komen en als er dan een goed schip vertrekt, dan zullen wij van de gelegenheid gebruik maken om weer naar Hongkong terug te keeren.

Heelemaal doelloos brengen wij onzen tijd daarom toch niet door. Mrs. Catt hield reeds twee keeren een voordracht over vrouwenkiesrecht. Den eersten keer sprak zij in de “Veertiendaagsche Club van Amerikaansche vrouwen” en had toen tot onderwerp: “De vrouwenkiesrechtbeweging in de verschillende landen”. Vele harer hoorders gevoelden zich na hare voordracht opgewekt om op de een of andere wijze hare eigen landgenooten in den kiesrechtstrijd te steunen en beraamden achterna plannen op welke wijze zij dat het best kunnen doen. Om hier tot eene organisatie te komen, heeft voor de Amerikaansche dames eigenaardige bezwaren, want zij behooren tot verschillende staten in Amerika en elke staat heeft daar zijn eigen organisatie. Zij zullen echter trachten op de een of andere wijze hare gevoelens in dezen blijk te geven.

Hare tweede voordracht was in de Club Nacionalista Philippino. De damesleden van deze club hadden ons voor een tea uitgenoodigd, vergastten ons op bandoline-muziek, zang en Philippino-gebak en een langen welkomstgroet van de presidente, een studentje in kunst en literatuur, in de Spaansche taal. Deze groet werd later in het kort voor ons vertaald in het Engelsch. Mrs. Catt sprak toen het jeugdig auditorium toe over “de nieuwe plichten van de moderne vrouw”. Een groep uit deze vrouwen heeft zich nu georganiseerd om een rapport over de wettelijke en maatschappelijke positie van de Philippino-vrouwen samen te stellen en om een of meer dames uit haar midden te benoemen om haar het volgend jaar te vertegenwoordigen op het internationaal congres te Budapest en daar het rapport uit te brengen. Twee meisjes-studenten, die tegen dien tijd hare studie voleindigd zullen hebben, hebben zich reeds beschikbaar gesteld, om op eigen kosten de reis daarheen te maken. Als het enthusiasme, zooals dat thans is gewekt, laaiende blijft, dan zal het plan zeker gelukken.

De Philippino’s die, zooals men weet, tot hetzelfde ras als onze Javanen behooren, en in uiterlijk zeer veel overeenkomst met hen vertoonen, staan in het algemeen genomen in geestelijke ontwikkeling veel hooger. Dit is in hoofdzaak het meest in het oogloopend het geval met de vrouwen. Hoogstwaarschijnlijk danken de vrouwen haar grootere vrijheid en hoogere ontwikkeling aan het feit, dat de Mohammedanen hier nooit grooten invloed gehad hebben, dat hier nooit polygamie is kunnen ingevoerd worden en dat de vrouwen zich nimmer hebben laten opsluiten of haar gelaat achter dichte sluiers hebben verborgen. Overal waar wij tot nog toe polygamie en opsluiting der vrouwen hebben aangetroffen, was de wettelijke en maatschappelijke positie der vrouw eene allerbedroevendste.

De vrouwen in de Philippijnen doen ons het meest denken aan de vrouwen in Burma, zooals wij die in Rangoon hebben aangetroffen. De vrouwen hier hebben echter in de laatste jaren van de goede Amerikaansche scholen kunnen profiteeren en daardoor staan de jongere vrouwen in de Philippijnen in geestelijke ontwikkeling boven hare Burmeesche zusters. Beiden zijn echter waardige vertegenwoordigsters van het Maleische ras, die zich niet door godsdienstprofeten de plaats hebben laten voorschrijven, waar de vrouw behoort te staan, noch “haar Roeping” door mannen hebben laten vaststellen; zij hebben haar eigen “Roeping” en eigen “Plaats” bepaald en die plaats is in de Philippijnen eene zoo in het oogloopende en een zoo goede, dat president Taft, toen hij in 1901 als gouverneur-generaal in de Philippijnen kwam, in zijn eerst uitgegeven rapport Over deze eilanden als zijne meening uitsprak, dat in alle eilanden hier de vrouwen superieurder waren dan de mannen en deze superioriteit zoowel bestond in geestelijke ontwikkeling, als in moreele levensopvatting en in energie en ijver.

Het is zeker vreemd, dat Spanje en de Katholieke kerk, welks macht hier ruim drie eeuwen gevoeld werd, nooit zoozeer hun stempel op de vrouwen als op de mannen hebben kunnen drukken; de vrouwen hebben veel meer den oorspronkelijken vrijen geest behouden dan de mannen. In de Philippino-revolutie van 1898, de opstand van dit Orientalisch volk, om zich van de Spaansche overmacht te ontdoen, omdat die macht hen niet tot verdere ontwikkeling liet komen, werd de rol, die de vrouwen daarin speelden, zeer sterk gevoeld en ofschoon de vrouwen meer een dicteerende rol achter de schermen hebben gespeeld, namen zij toch ook aan den wapenstrijd op menig eiland daadwerkelijk deel.

Wij waren ook een avond de gasten van de Spaansche heeren- en damesclub. Ook op dien avond maakte de gelegenheid tot dansen de hoofdzaak van het programma uit. Met vele Spaansche dames hebben wij toen kennis gemaakt, doch deze staan in geestelijke ontwikkeling niet op één lijn met hare Philippino-zusters. De tijd, dien deze laatsten gebruiken om zich wetenschappelijk te bekwamen en om zich in of buiten huwelijk economisch vrij te maken, gebruiken de eersten om allerlei Europeesche of Amerikaansche kunstjes aan te leeren en zich vooral zeer Europeesch voor te doen. Zij spreken bij voorkeur Fransch, kleeden zich bij Fransche modistes en leggen daarbij goeden smaak en groot weeldevertoon aan den dag. Toch kunnen zij hun Carmencita-natuur nu en dan niet geheel bemantelen. De Spaansche dames, zooals wij die hier ontmoet hebben, bezitten voor ons weinig aantrekkelijks.

Beter hebben wij ons geamuseerd toen wij in een vooravond de gasten waren van de 180 Philippino-meisjes-studenten, die allen van buiten Manilla komen en gezamenlijk in een van de dormitories door de regeering gehuisvest zijn. Alle meisjes, die geen ouders of familieleden in Manilla hebben en een van de inrichtingen van middelbaar of hooger onderwijs hier bezoeken, worden door de regeering in groote pensions ondergebracht, waar zij kosteloos voeding en huisvesting ontvangen. In de grootste dezer, waar, zooals ik schreef, 180 meisjes bijeen zijn, hadden de meisjes, met goedkeuring van de directrice, ons uitgenoodigd te komen. Er waren leerlingen van de normaalschool, aanstaande onderwijzeressen dus, studenten, in de pharmacie, medicijnen, rechten en philosophie, leerling-verpleegsters en studenten in allerlei afdeelingen van kunst.

De versnaperingen ons dien avond aangeboden waren alle door de meisjes zelven bereid, andere meisjes maakten muziek of dansten de native-dansen voor ons en ten slotte vroegen zij ons om haar iets te vertellen van meisjes-studenten uit Amerika en Holland. Zij waren ten hoogste verbaasd, dat wij in Holland geen vrouwelijke professoren hebben en dat wij eigenlijk niet veel verder zijn dan de Philippino-vrouwen, en nog hooger steeg hare verwondering, toen ik mededeelde, dat ons land met de ontwikkeling van ’t Javaansche meisje, dat met het Philippino-meisje zooveel punten van overeenkomst bezit, pas kort geleden een begin heeft gemaakt en dat verreweg het grootste aantal Javaansche vrouwen nog niet lezen of schrijven kan. Dat de Mohammedaansche godsdienst, die op Java beleden wordt, die de vrouwen en meisjes binnen de perken der woning houdt, grootendeels hiervan de schuld is, heb ik getracht haar duidelijk te maken, zoodat onze regeering geen al te poover figuur in dezen naast die van Amerika maakt.

De Philippinoos houden van muziek en plezier maken, elke gelegenheid wordt daartoe aangegrepen. Begrafenissen zijn hier familiefeesten. Met de vroolijkste en soms allerzonderlingste muziek worden hier de lijken grafwaarts gedragen en na de begrafenis keeren de treurende familieleden en vrienden naar de woning van den overledene terug, om er den heelen dag te smullen en den avond, soms tot den volgenden morgen, in dans en muziek door te brengen. Als men zoo’n woning passeert, gelooft men eerder dat er een bruiloft dan een begrafenis gevierd wordt. De kerkhoven zijn hier ook zeer eigenaardig. Men begraaft de lijken niet in den grond, maar in de nissen van dikke muren. Zoo’n Philippino-kerkhof bestaat uit een klein Katholiek kerkje. Daaromheen zijn cirkelgewijs drie of vier dikke wallen gebouwd, muren die een dikte hebben van een man’s lengte. De muren zijn vol nissen en elke nis bevat een lijk. Het lijk wordt uit de kist genomen en zoo in de nis geduwd. De sluitsteen van de nis bevat den naam etc. van den gestorvene. De huur van zoo’n nis bestaat in 5 pesos per jaar en moet voor 5 jaar tegelijk voldaan worden. Wordt na afloop van dien termijn de huur door de familieleden niet vernieuwd, dan werden, vóór de Amerikanen hier kwamen, de overblijfselen eenvoudig uit de nis genomen en buiten de muren op een hoop gesmeten; thans, onder Amerikaansch regime, worden ze gecremeerd. Op die wijze zijn er altijd nissen vrij om nieuwe bewoners te ontvangen en maakt de kerk een goed zaakje van de sterfelijkheid der Philippinoos.

Een allergekst contrast vormt de lawaaierige manier, waarop een lijk naar de begraafplaats gebracht wordt en het totale gebrek aan formaliteiten waarmede het in de nis geduwd wordt, zoodra het op het kerkhof is aangekomen. Geen priester om daarbij een laatste woord of een gebed uit te spreken is aanwezig, geen huilende of treurende familieleden doen zich gelden, de kist wordt eenvoudig voor de nis neergezet, geopend en het lijk er door een man uitgenomen, die voor het verder werk zorgt. Met de ledige kist, die voor zoo’n gelegenheid gehuurd wordt, aanvaardt men den terugtocht.

Het aanhoudende natte weder, dat ons zooveel binnen de muren van het hotel houdt, heeft toch ook wel eens zijn aangename zijde en bezorgde ons een dezer dagen een avontuurtje, dat ons steeds als wij er aan terugdenken, zal doen lachen en vroolijk stemmen. Door het vele tehuis zijn hebben wij langzamerhand met de meeste toeristen in het hotel kennis gemaakt en toen wij een avond vertelden van de verschillende bals, die wij hier bijgewoond hebben, vroeg een der heeren ons of wij dan niet ook eens kennis moesten maken met de bals, die er alle avonden op verschillende plaatsen buiten Manilla gehouden worden en waarop de Amerikaansche militairen zich met de Philippino-meisjes vermaken. Wij waren een groep van zeven, vier dames en drie heeren, en allen dachten, dat het zeer interessant zou zijn daar eens gezamenlijk heen te gaan. Het was tien uur ’s avonds, de mooiste tijd, die men voor zoo’n bezoek uitkiezen kon; de groote auto van het hotel kon 7 personen bevatten, er was dus geen reden om niet onmiddellijk de daad aan het woord te verbinden. De auto kwam voor en zooals wij daar zaten in onze lichte avondtoiletten en met dunne schoentjes stapten wij in. Eerst gingen wij naar de balzaal in St. Anna, welke door de militairen van het fort Mc.Kinley gefrequenteerd wordt. Het ging er geanimeerd toe. De dansmeisjes zitten rechts, de danslustige heeren links van de zaal. Alleen als de muziek begint mogen de heeren zich van links naar rechts begeven, om een meisje uit te zoeken, doch meestal treden de schoonen hen reeds halverwege tegemoet. Dan wordt gedanst, vier minuten lang, en dan scheiden de paartjes zich voor één minuut, doch niet voordat de cavalier uit zijn broekzak 20 centavos (ongeveer een kwartje) opgediept heeft en die aan zijn schoone ter hand gesteld. De helft van die som behoudt het meisje, de andere helft heeft zij aan den eigenaar van het lokaal af te dragen. Voor eene goede orde van zaken houdt de politie een oogje in het zeil. Zoo moeten de dames en heeren als er niet gedanst wordt elk in eigen afdeeling blijven, is het streng verboden alcoholische dranken te gebruiken en wanneer een dansend paartje al te zinnelijk zich voortbeweegt, worden zij door de politie uit elkaar gezet. In de balzaal kan er dan ook niets onbehoorlijks gebeuren, maar het brengt de jeugd van beiderlei kunne in nauw kontakt en als resultaat van zoo’n kennismaking volgt dikwijls eene voortzetting buiten de balzaal en uit deze intiemere verhouding wordt het aantal mestizos sterk vermeerderd.

Na dit bezoek zouden wij nog naar een andere dergelijke gelegenheid gaan, aan de andere zijde van Manilla gelegen. Weldra zaten wij weder in de auto en voort ging het in een stortregen en in het middernachtelijk uur. Manilla was in een oogenblik bereikt, wij stoven door de stille, nauwe straten van de oude stad en waren heel gauw aan de andere zijde er weder uit. Een dorp of voorstad gingen wij door, ’t was er zoo stil of het geheel was uitgestorven, toen een langen modderigen landweg over, door een ander native-dorp en daarna sloegen wij een zijweg in. Hier begon het. De auto begon te schudden alsof zij ons wilde uitwerpen, hokte, met rare, sissende geluiden en ging op eens niet verder. Het was alsof wij ons op een zinkend schip bevonden, dat van achter af langzaam naar beneden zakt. Eerst sprongen de heeren uit. Zij zonken tot aan de knieën in een dikke modderlaag en waren volstrekt niet zeker, dat zij toen op vasten bodem stonden. Met behulp van den chauffeur werd geprobeerd de achterwielen te lichten, doch er was geen beweging in het zware voertuig te brengen. Toen moesten wij er uit. Het zeildoek, waarmede de kap van den auto bedekt was, werd los gepeld en op den grond uitgespreid en daarop zouden wij gaan staan. Eerst was ik aan de beurt. Alleen op het zeildoek staande en de lichtste van de partij zijnde, hield het mij goed, ik zonk niet te diep in en stond droog. Toen kwamen mijne lotgenooten. Elken keer als er een mijn standplaats kwam deelen, zonken wij dieper en ten slotte kwam de modder aan alle kanten over de randen heen loopen en stonden wij tot aan de knieën in de natte massa.

De pogingen van de heeren om toen de auto te lichten, mislukten en eindelijk moesten wij van de sterke armen van een paar Philippinoos, die waren komen kijken, gebruik maken, om ons naar den hoofdweg terug te dragen en ons daar op een droog plekje neer te zetten. Doch hoe konden wij naar Manilla terug komen? Wij waren vijf mijlen van ons hotel verwijderd, geen voertuig bevond zich meer op den weg en de beide mannen, die ons gedragen hadden, waren de eenige personen die wij in het dorpje zagen. Deze mannen verstonden geen woord Engelsch en wij verstonden niets van ’t geen zij spraken. Ten slotte werd hun toch aan het verstand gebracht, dat wij rijtuigen moesten hebben en na eenig wachten kwamen zij dan ook, elk met een wagen, waarop zij in den morgen groenten naar de markt brengen, met een sukkelpaardje er voor, aanzetten. Op deze beide wagentjes verdeelden wij ons, voor den regen overdekt met de heerenjassen en groote palmbladen en toen ging het in een sukkeldrafje naar Manilla terug. Onderwijl zaten wij aanhoudend in angst, dat het paardje het niet halen zou, zoodat telkens de heeren uitstapten om te loopen, doch zij durfden ons toch midden in den nacht met deze mannen niet alleen te laten. Om twee uur kwamen wij eindelijk in het hotel terug, nat van boven en van onder, nat door de modder, waarin wij gestaan hadden, door den regen, die op ons neergekletterd had en door het transpireeren dat wij onder de heerenjassen gedaan hadden. In de wagentjes, waarin wij gekomen waren, zijn eenige werklieden met de noodige instrumenten teruggezonden, om den chauffeur te helpen zijn wagen te lichten om terug te kunnen keeren. Eerst tegen den morgen was die arme man komen aanzetten.

Van alles wat wij hier zien en beleven zal ik natuurlijk geen getrouw verslag kunnen geven, maar ik zou toch een onvergeeflijke fout maken, als ik brieven uit Manilla zond en met geen enkel woord gewaagde van datgene waardoor deze stad in ons land het meest bekend is. Ik durf wedden, dat er vele landgenooten zijn, die van Manilla niets anders afweten, dan dat er Manilla-sigaren vandaan komen en die nooit iets anders uit Manilla gelezen hebben dan “La Flor de la Isabela” op den binnenkant van sigarenkistjes. De bevoorrechten, die Manilla-sigaren kunnen rooken, kan ik de geruststelling geven, dat zij onder de uiterst hygiënische voorzorgen alhier gemaakt worden en dat de Amerikaansche regeering bij geen ander verbruiksartikel zoo’n groote mate van zorg ten toon spreidt als in de surveillance der sigarenfabrieken. Er is een afzonderlijke wet, gebaseerd op hygiënische voorschriften, waaraan de sigarenfabrikanten hebben te gehoorzamen. Al de groote fabrieken hebben dan ook hun eigen dokter, die dagelijks honderden werklieden surveilleert en onmiddellijk elk verdacht ziektegeval uit de gelederen verwijdert. Alleen de in elk opzicht gezonde jonge mannen en vrouwen kunnen in de fabrieken als werklieden aangenomen worden en deze zijn verplicht om zich twee keer in elke maand opnieuw aan een medisch onderzoek te onderwerpen. Bovendien nemen alle werklieden, vóór zij het werk aanvangen, telkens een desinfectiebad en doen een schoon pak kleederen aan. In de badkamers, de W. C., de gelegenheden waar de lunch gebruikt wordt, overal heerscht de uiterste zindelijkheid en met zware boete wordt elkeen gestraft, die met lippen of tong een sigaar aanraakt of die iets anders voor de bevestiging van het dekblad gebruikt dan het daarvoor bestemde vocht. Eenige doktoren, door de regeering aangesteld, hebben ten allen tijde het recht, elke sigarenfabriek binnen te gaan en den een of anderen sigarenmaker lichamelijk te onderzoeken, met het oog op zijn gezondheid. Wordt zoo iemand ziek bevonden, dan wordt de fabrikant beboet, eene boete die hooger wordt naarmate het meermalen voorkomt en zelfs, wanneer blijkt, dat bij zoo’n fabrikant geen voldoende toezicht uitgeoefend wordt, in gevangenisstraf kan worden omgezet. Geen wonder, dat Manilla-sigaren duur betaald moeten worden. In de meeste fabrieken geschiedt het sigarenmaken zoowel door mannen als vrouwen; voor zoover deze dezelfde taak te verrichten hebben, is de belooning ook dezelfde. In de fabriek, die wij hier bezochten, worden elken dag van het jaar eenige millioenen sigaren vervaardigd.