Die nu meent, dat na al het goede, dat de Amerikanen hier tot stand hebben gebracht, de Amerikanen hier geliefd zijn, dat de Philippino’s zich gelukkig gevoelen uit de Spaansche macht in die van de Vereenigde Staten te zijn overgegaan, heeft het heelemaal mis. De Philippino’s haten de Amerikanen meer dan zij ooit de Spanjaarden hebben gedaan en van de belofte, om hen tot zelfregeering op te voeden, gelooven zij niets. Zij meenen trouwens, zooals ieder buitenstaander zou meenen, dat zelfregeering insluit onafhankelijkheid, doch in Amerika heeft men geen plan hen onafhankelijk te maken, alleen om hen homerule te geven.
Er zijn hier twee groote politieke partijen, die natuurlijk zooals overal, rechtsche en linksche vleugels hebben. De eene, verreweg de grootste en die ook alle gestudeerde Philippino’s onder hare leden telt, is de Nationalistische partij, die streeft naar onafhankelijkheid in den kortst mogelijken tijd. Deze partij heeft ook allerlei radicale hervormingen in haar program. Vele vrouwen maken deel uit van deze partij. De andere is de progressieve, zoo genoemd, niet omdat zij progressieve maatregelen wil trachten in te voeren, maar wijl haar streven is, langs progressieven weg tot zelf-regeering te komen. Uit deze partij kiest de Amerikaansche regeering steeds de Philippino-leden van de Commission, het lichaam, dat werkt als een Eerste Kamer, het lid, dat de Philippijnen in het Congres in Washington vertegenwoordigt, den burgemeester van Manilla, (den eenigen burgemeester door de Amerikaansche regeering aangewezen) en andere officieele personen. De progressieve partij bestaat voornamelijk uit (laat men niet vergeten, dat ik inlichtingen heb van leden der Nationalistische partij) groote grondeigenaars en strevers, menschen, die de huidige omstandigheden gebruiken om vooruit te komen. Onder het volk bezitten zij weinig aanhangers en in de Assembly zijn zij bijna in het geheel niet vertegenwoordigd. Hun partij is zoo zwak, dat, toen in 1911 er twee nieuwe vertegenwoordigers in het Congres gekozen moesten worden, waarvan, zooals ik in een vroeger schrijven uiteenzette, één door de Assembly gekozen en één door de Commission wordt aangewezen, doch die beiden de goedkeuring van Assembly èn Commission moeten hebben, de aangewezene door de Commission niet alleen niet de goedkeuring van de Assembly kon verwerven, doch hij kon daar, bij een 5 maal herhaalde stemming in verschillende zittingen, zelfs geen enkele stem op zich uitgebracht krijgen. Op eene vergadering, samengesteld uit een commissie van vijf uit de Assembly en eene van drie uit de Commission, waarvan ik het stenografisch verslag las, werd toen geprobeerd tot een vergelijk te komen, doch de waarnemende gouverneur-generaal, mr. Gilbert, bleef op zijn stuk staan om den door de Commission gekozene vertegenwoordiger en geen ander naar Washington te zenden, waarop de heer Osmena, de president van de Assembly, in onbewimpelde termen uiteenzette waarom deze man nooit de vertegenwoordiger van de Philippino’s kon zijn en waarom de Amerikaansche regeering verkeerd handelde met uit deze soort mannen hare medewerkers te kiezen. Als men het verslag van deze vergadering leest, dan krijgt men den indruk, dat daar staatsmanswijsheid en staatsmansrechtvaardigheid en welsprekendheid meer zetelde aan den kant der Philippino’s dan aan die der Amerikanen. Het gevolg was, dat geen der beide candidaten gekozen werd en de ouden nog voor twee jaar werden gehandhaafd. In 1913 zal dezelfde verkiezing weder gehouden worden en men vreest eene herhaling van het gebeurde.
Een andere groote grief, die de Philippino’s tegen de Amerikanen hebben, is het opdringen van de Engelsche taal en Engelsche gewoonten. Niet alleen wordt op alle scholen en zelfs in de gevangenis het onderricht uitsluitend in de Engelsche taal gegeven en verbiedt men den kinderen zelfs zich onderling van eigen taal te bedienen, maar reeds was een besluit uitgevaardigd, dat in 1912 de Engelsche taal de officieele taal moest zijn in alle vertegenwoordigende en openbare lichamen. In den aanvang van dit jaar werd dit besluit verlengd met 1½ jaar, zoodat nu in het eind van 1913 de Engelsche taal hier officieel overal zal worden ingevoerd. Proclamaties, die dit besluit inhouden, ziet men elke week in alle groote bladen en verder aan alle officieele gebouwen geplakt. Het verplicht ontblooten van het hoofd, zoodra het Amerikaansche volkslied gespeeld wordt, is mede, nu het niet vrijwillig geschiedt, een oorzaak, waardoor kwaad bloed gezet wordt. Tal van zulke, op zich zelf beschouwd kleinigheden, doch in gezamenlijk verband groote kwesties, geven den Philippino’s de overtuiging, dat de Vereenigde Staten nooit van plan zijn hun goedwillig de vrijheid terug te geven, maar dat zij trachten hun alle zelfstandigheid te ontnemen en hen tot Amerikaantjes op te voeden.
Om de slechte verstandhouding, die hier tusschen de Philippino’s en de Amerikanen bestaat, gaande te houden, werken de hier verschijnende dag- en weekbladen zeer sterk mede. Er is ononderbroken een opzettelijk verkeerd weergeven van soms de nietigste gebeurtenissen in beiderlei pers. In de Amerikaansche bladen wordt het eenvoudigste misdrijf of de kleinste verkeerde handeling van de zijde van een Philippino met schelle kleuren geschetst, met de sterk in het oogloopende strekking, somtijds zelfs in zoovele woorden gezegd, dat dit het karakter van een Philippino toont, of dat zulke menschen nog in geen drie generaties voor zelfregeering geschikt zijn. De een of ander fout begaan of dwaze redeneering gehouden in een of ander plattelands-gemeentebestuur wordt wekenlang in de Amerikaansche pers met allerlei vermakelijke commentaren vermeld, met geen andere bedoeling, dan de onrijpheid der Philippino’s aan te toonen en hen tot spot der zooveel wijzere Amerikanen te laten dienen. Van de zijde der Philippino’s wordt evenzoo gehandeld. Ook zij overdrijven alles wat de Amerikanen doen en zeggen, schrijven aan elk hunner handelingen kwade bedoelingen toe en wakkeren een wantrouwen tegen hen aan, waaruit op den duur niet veel goeds kan komen. In plaats van tegen de Amerikanen op te zien als een boven hen staand volk, zooals zij tegenover de Spanjaarden deden, zien zij met een zekere dédain op de Amerikanen neder en toen ik eens in een gezelschap van Philippino’s vroeg, waarom zij de Amerikanen van uit de hoogte beschouwen, antwoordde een hunner, dat de Spanjaarden een natie vormen met een mooi verleden, maar de Amerikanen behooren tot geen natie, zij zijn een samenraapsel van het schuim van alle andere natiën.
Deze weinige gegevens toonen genoegzaam aan, welke geest hier heerscht, en dat de klove tusschen Philippino’s en Amerikanen te groot is om die te kunnen overbruggen met tea-parties door mrs. Gilbert gegeven voor Philippino- en American-ladies te zamen, of door dergelijke onschuldige kleinigheden meer. Wij hoorden er voor het eerst van, toen wij, eenigen tijd geleden, op een avond een bezoek ontvingen van den heer Osmena, den president van de Assembly; den heer Torres, den secretaris en den heer Del Pan, lid van de Assembly, dien wij in Java ontmoet hadden. Over dit bezoek schreef ik reeds in een mijner vorige brieven. Bij dit bezoek zaten wij in een hoek van de hall van dit groote hotel en niemand anders dan wij vijven kon een woord van ons gesprek hooren. Ons gesprek liep over allerlei inlichtingen, die wij vroegen omtrent de wijze, waarop de Philippijnen beheerd worden, over de positie van de vrouw alhier enz. Bij dit onderhoud bleken de drie heeren hoogst ontwikkelde personen te zijn, die groote algemeene kennis bezitten en die aan groote kennis, zeer aangename manieren paren en aan wier hoffelijken omgang met vrouwen alle natiën een voorbeeld kunnen nemen. Den volgenden avond gaven de hier verschijnende Amerikaansche bladen een uitvoerig verslag van dit bezoek, met een in elk woord onwaar wedergeven van het gesprokene! De drie Philippino-heeren werden als idioten voorgesteld, die op de eenvoudigste vragen van ons geen of een allerdwaast antwoord konden geven en wij werden tegenover hen in het zonnetje gezet. Toen mrs. Catt daarop ging informeeren, hoe men aan een dergelijk onwaar verhaal kwam, werd lachend geantwoord, dat men bericht had ontvangen van het bezoek dezer heeren en dat het overige op het persbureau er aan toegevoegd was. Dat later de Philippijnsche pers het verhaal omkeerde en ook een uit den duim gezogen verslag gaf, waarin mrs. Catt, als Amerikaansche, een dwaze rol speelde, volgde als van zelf. Met dit feit als uitgangspunt begonnen wij onze onderzoekingen omtrent de verhouding van beide rassen, omdat wij gedacht hadden, dat die verhouding niets te wenschen overliet en de Philippino’s den dag zegenden, waarop zij uit de Spaansche overheersching in die der Amerikaansche waren overgegaan. Wij waren niet weinig ontgoocheld, toen wij de ware gevoelens leerden kennen.
Den 13en Augustus is een dag, waarop, vooral voor diegene, die ingelicht is, de verhouding goed duidelijk wordt. Dit is de dag, waarop Manilla door de Amerikanen in beslag werd genomen en daarom nu tot een algemeenen feestdag over heel de Philippijnen is verklaard. Alle scholen, banken, kantoren, winkels etc. moeten dien dag gesloten zijn, in parken en op pleinen spelen de muziekcorpsen ’s morgens en ’s middags en van alle openbare gebouwen wapperen de vlaggen. De militairen worden dien dag extra getracteerd en de gouverneur-generaal houdt een speech voor het volk. Niettegenstaande al dit geruchtmakend vertoon heerscht er in de straten en op de pleinen van Manilla een welsprekende stilte en kalmte, dit als gevolg van het al of niet gezamenlijk overeengekomene besluit der Philippinoos om dien dag zoo min mogelijk hunne woningen te verlaten. Waren de Philippinoos niet zoo verschrikkelijk bang om, wanneer zij nu onafhankelijk waren, in de handen der Japanners te vallen, wat zij boven alles vreezen, dan zouden zij zich onder Amerikaansch juk niet zoo mak gedragen. Japan, dat is het vreeselijke spook, waarvoor elkeen hier bang is.
Het weder is in de laatste dagen veel en veel beter, de storm is gaan liggen en de regen valt nog maar in buien, terwijl het soms uren achtereen en soms een heelen dag droog is. Van dit beter weder hebben onze vele vrienden hier direct gebruik gemaakt om ons nog het een en ander van andere plaatsen in Luzon te laten zien. Zoo waren wij l.l. Zondag uitgenoodigd om met een groep Philippinoos een tocht te maken naar Pagsanjan, een van de mooiste uitspanningsplaatsen op bereikbaren afstand van Manilla. Wij verlieten ’s morgens om 8 uur Manilla in een klein stoombootje en voeren eerst door de Pasig-rivier en daarna door het meer van Bay, tot wij des avonds om 7 uur, in plaats van ’s middags om 3 uur, te Pagsanjan aankwamen. Deze heele tocht is buitengewoon mooi. De oevers van de Pasig-rivier zijn van het begin tot het eind met een tropischen plantengroei bedekt, die na zoovele regens er bijzonder frisch en als verjongd uitzagen. Tengevolge van den Zondag bevolkten tal van kleine bootjes met inlandsche jeugd de rivier en toen wij op het vrij breede meer kwamen, zagen wij in plaats van de lage, groene oevers, rondom groene bergtoppen, soms van vrij groote hoogte. Het was een mooie, maar ook een vroolijke tocht; de Philippinoos houden van muziek en zang en zijn goede musici; mandolines waren medegenomen even goed als een copieuse lunch en allerlei versnaperingen, zoodat de dag om was alvorens er een van ons aan dacht. Laat mij niet vergeten op te merken, dat geen wijn of andere alcoholische dranken aanwezig waren en dat geen der heeren ook later in het hotel iets van dien aard dronk. Na een gezelligen gezamenlijken maaltijd in het hotel Pagsanjan legden wij ons allen vroeg ter ruste; vier en vier moesten één kamer deelen, alleen mrs. Catt en ik kregen er een voor ons beiden; den volgenden morgen werden wij allen om 6 uur gewekt om den tocht naar de gorges en watervallen, waardoor dit stadje zoo beroemd is, te ondernemen. Wij verschenen den volgenden morgen allen in badcostuum, ontbeten met een kop koffie en een stukje taart en toen ging ’t elk in een canoe de rivier op. In ieder van deze ranke bootjes, die bij de minste gewichtsverplaatsing dreigden om te tuimelen, zaten voor en achter een native-boy, die elk met een houten schop, tot roeispaan dienende, het vaartuigje pijlsnel door de nauwe rivier voort deed snellen. Wij zaten vlak op den bodem en moesten ons met groote moeite door den snelvlietenden stroom in evenwicht houden. Waar de rivier te ondiep was en het bootje amper tusschen de rotsblokken door kon, daar sprongen de jongens uit en trokken het vaartuigje over de nauwe en ondiepe plekken heen, een enkelen keer moesten ook wij uitstappen en werd het bootje over de rotsen heen getild; het was een exciting trip, die naast het onbeschrijfelijk mooie, wat zij te genieten gaf, ons ook telkens den vrij onschuldigen angst bezorgde om onderste boven te kantelen. Of het was doordat de dames zich beter in evenwicht konden houden, of omdat de aardige native-jongens zich met de heeren nu en dan een grapje veroorloofden, weet ik niet, doch zeker is, dat de bootjes der heeren herhaaldelijk zich van hunnen last ontdeden en den inzittenden heer een frisch morgenbad bezorgden en dat wij allen behouden aan het eind van den stroom landden en er ook den terugtocht goed afbrachten. De geheele afstand van vier mijlen lang werd verder opgevroolijkt door het aardige gezang van onze roeiers, die alle nationale (Philippijnsche) liederen voor ons zongen, waarin vele leden van ons gezelschap telkens lustig instemden. Toen wij om tien uur in het hotel teruggekeerd waren, werden spoedig onze kletsnatte badcostuums voor geregelde kleeding verwisseld, een zeer hartig ontbijt genomen, daarna het stadje met zijn levendige passar, de zeer oude kathedraal, het stadhuis enz. bezocht en daarop gingen wij per rijtuigen naar Santa Cruz. Het waren de meest primitieve houten karretjes, die men zich denken kan, met een bank, waarop nauwelijks twee personen konden zitten, de koetsier zette zich op het paard, dat er voorliep, en zoo gingen wij in tien van die rijtuigjes den landweg over. Om drie uur namen wij aldaar den trein, die ons om half acht ’s avonds weder in Manilla bracht. Het waren twee gezellige, vroolijke dagen vol van natuurschoon en bovenal, vol indrukken omtrent dit land en zijne bewoners, in wier midden wij ons al dien tijd bevonden hadden.
Van een ander tochtje wil ik nog ’t een en ander mededeelen. Ook hier waren wij de gasten van een Philippino-familie die ons voor een autotocht naar Antipolo uitgenoodigd had. Antipolo is een zeer wonderlijk oud dorpje, schilderachtig gelegen in de Mariquina vallei en zijne vermaardheid dankende aan zijne oude kerk, die het beroemde beeld van Nuëstra Senora de la Paz y Buen Viaja (Onze dame van Vrede en Goede Reizen) bevat. Sedert 1672 is dat beeld daar geplaatst en jaarlijks gaan duizenden pelgrims op om het te verheerlijken en zijn zegeningen af te bidden. Bij deze gelegenheden ontvangt het beeld kostbare geschenken, niemand komt met leege handen, zoodat nu de kleederen van het beeld bedekt zijn met vele honderd duizenden dollars waarde aan edelsteenen en is het geplaatst in een kast van massief zilver, die op zich zelf reeds een groote schat vertegenwoordigt.
Van dit beeld worden de grootste wonderen verteld. Zeven keer heeft het de reis vice versa van Mexico naar Manilla gemaakt en elken keer heeft het de stormen tot bedaren gebracht die dreigden het schip, waarop het zich bevond, ten ondergang te brengen. Herhaaldelijk is een kerk, waarin het in dien tijd geplaatst was, door brand vernield, terwijl het beeld ongedeerd bleef, ja, eens zelfs vond men het beeld den volgenden dag, na den brand, hoog in een boom staan op ruim 100 M. van de kerk verwijderd. Maar eens heeft het, en daarom heb ik het beeld mijne hulde onthouden, twaalf Hollandsche oorlogsschepen in den grond geboord. Het gebeurde in het midden der 17e eeuw. Twaalf Hollandsche oorlogsschepen probeerden de Manillabaai binnen te komen om er de Hollandsche vlag te planten. Zij waren reeds tot Cavite genaderd en de bemanning meende reeds de overwinning te kunnen bezingen, toen de Spanjaarden in radeloozen angst hun Senora de la Paz grepen en naar de haven sleepten. Op dat gezicht gingen onmiddellijk alle Dutchmen op de vlucht en lieten hun gewonden aanvoerder in de macht der Spanjaarden. Maar ook zij ontliepen hun gerechte straf niet, want de Senora liet een storm komen, welke de meeste schepen in de golven der Chineesche Zee met man en muis in den grond boorde.
Zoo zijn er nog tal van wonderen, die dit heilige beeld heeft verricht, maar wijl die ons niet zoo direct raken, zal ik ze onvermeld laten. Er is een heel boekdeel vol van. Het is niet te verwonderen, dat de duizenden pelgrims bij hun jaarlijksch bezoek, dat in een van de dagen van Mei valt, zich vol geloof tot deze heilige Maagd wenden, bij wier verschijning alle rozeknoppen zich openen en elke vogel een huldelied zingt, en dat zij dan vol troost huiswaarts keeren. Gelukkig zijn de eenvoudigen van geest!
De atmosfeer van heiligheid, die Antipolo omhult door de aanwezigheid van het Heilige Beeld, is in schrille tegenspraak met den werkelijken toestand, die in het dorp heerscht. Het is het centrum van alle mogelijke misdadigers. Al wat de Philippijnen aan slechte individuen oplevert, schijnt in dit dorp zijn opleiding te genieten. Het wordt beschouwd als het brandpunt van misdaad, wij hebben dan ook de voorzorg genomen om vóór zonsondergang den terugtocht te aanvaarden.
Van het gunstiger weder hebben wij gebruik gemaakt om plaatsen te bespreken op de eerste goede boot, die van hier naar Hongkong terug gaat en zoo zullen wij nu morgen met de “Prins Sigismund” van de Norddeutsche Lloyd, naar China afreizen. Ik zal dezen brief in Hongkong posten, de verschijning in “De Telegraaf” is dan voor mijne goede vrienden een bewijs, dat wij goed de zeereis volbracht hebben.