Vrijdagavond, den 16en Aug., verlieten wij Manilla onder een prachtigen sterrenhemel. Den geheelen dag hadden wij het druk gehad, doordat onophoudelijk goede vrienden ons kwamen bezoeken om adieu te zeggen en velen ons een of ander als souvenir aan de gezellige dagen in deze stad doorgebracht, kwamen brengen, wat dan nog weder ingepakt moest worden. In welk ander land dan in Amerika of in een Amerikaansche kolonie zal het echter kunnen gebeuren, dat de Gouverneur-Generaal en zijne vrouw persoonlijk twee onofficieele personen goeden dag zeggen, en dat deze twee bovendien voor ieder van ons een doos met versche rozen naar onze hut op de boot hadden gezonden, om ons het verblijf in de hut op dit stuk onhebbelijke zee te veraangenamen? Wij waren door dit bewijs van eenvoudigheid en beleefdheid niet weinig verrast.
Voor het eerst op onze lange reis maakten wij nu eens gebruik van een Duitsche boot. De “Prinz Sigismund” is een van de kleine booten van de Nord Deutsche Lloyd; deze lijn onderhoudt een geregelden dienst tusschen Japan en Australië, waarbij op de heen- en terugvaart Manilla wordt aangedaan. De “Prinz Sigismund” was vol passagiers, zoodat mrs. Catt en ik een hut moesten deelen; de hutten zijn echter groot en zindelijk en gerieflijk ingericht. Ook het eten en de bediening laat op de booten niets te wenschen over. Maar toch in gerieflijkheid, zoowel als in alle andere zaken, kunnen deze booten bij onze Hollandsche booten niet in de schaduw staan. Het was niet ik, maar mijne Amerikaansche vriendin, die vanmorgen tot mij zeide, zullen wij niet probeeren om van Hongkong naar Shangaï weder een Hollandsche boot te krijgen, die zijn toch in elk opzicht de beste van alle, die wij tot dusver geprobeerd hebben. Om slechts een kleinigheid te noemen: op de “Prinz Sigismund” was geen gelegenheid om buiten te zitten als men zelf geen stoel had medegenomen. Het schip had geen enkelen dekstoel aan boord, ook niet om te verhuren, en de stoelen in den salon zaten allen vastgeschroefd, zoodat wij die niet naar buiten konden brengen. Op het dek kon men alleen staan of loopen, om een oogenblik ergens rustig te gaan zitten, gaf men den passagiers geen gelegenheid. Deze onhebbelijkheid hebben wij nog nergens zoo sterk aangetroffen.
Op den gezetten tijd, Maandagmiddag om één uur, stoomden wij de schilderachtige en drukke haven van Hongkong weder binnen. De gloeiende middagzon deed het groen der heuvels en het rood der zandbergen nog sterker uitkomen. Niettegenstaande wij op het dek stonden te smelten, bleef toch elkeen van het begin tot het einde dit binnenkomen aanschouwen. De “Prinz Sigismund” blijft 1½ dag in deze haven liggen; van deze gelegenheid maakten bijna alle eerste klasse-passagiers gebruik om aan wal te gaan om Hongkong te leeren kennen. Wij zullen hier tot 27 Augustus blijven, om gelegenheid te hebben Macao en Canton, deze twee merkwaardige steden in Zuid-China, die in de geschiedenis van China zoo’n belangrijke rol hebben gespeeld, te bezoeken. Woensdagmorgen zullen wij met de eerste boot naar Macao afreizen en daarmede onzen tocht door China beginnen.
Men verwachte echter niet, dat het mij mogelijk zal zijn, den lezers ook maar bij benadering een beeld te geven van een volk, dat in elk opzicht zooveel verschilt van het onze en dat daarbij op het oogenblik in dit oeroude land, met zijne oude gebruiken en instellingen, een nieuw leven is begonnen.
De Chineezen, een volk, dat met zijn 426 millioen, een derde van de geheele menschheid uitmaakt, moest eenmaal als de eerste onder de volkeren gerekend worden, omdat het toen in ontwikkeling en beschaving bovenaan stond. Langzamerhand is het evenwel zoo gedaald, dat het tot de laatsten is gaan behooren en elk volk het zich tot oneer rekent, “de Chineezen van Europa” genoemd te worden. Het idee, dat dit volk zich van zijne overheerschers trachtte te ontdoen en een republiek wou gaan stichten, bracht nog niet lang geleden een glimlach op elks gelaat; niemand geloofde hen tot zoo iets in staat. Toch hebben zij het feit volbracht, zich van de Manchu-regeering ontdaan en een republiek gesticht, maar of deze republiek genoeg levensvatbaarheid bezit om zich te kunnen handhaven, is voorloopig nog een open vraag. Het is niet alleen gebrek aan de noodige geldmiddelen, waardoor het voortbestaan van dezen democratischen regeeringsvorm bedreigd wordt; oneenigheid, wantrouwen, onderlinge jaloezie in eigen gelederen is een veel ernstiger factor voor den mogelijken ondergang van dit pasgeboren wicht. Een zeer ontwikkeld en vrijzinnig Chinees met wien wij dezen middag den politieken toestand van het land bespraken, sprak onomwonden zijn vrees uit, dat een wijd verspreide anarchie weldra zal volgen en dat de geheele opstand ten slotte zal eindigen in eene verbrokkeling van dit groote land.
Het reizen in China is voor toeristen nog maar voor een gedeelte mogelijk, alleen waar men met booten of per trein kan komen, en dat is, in verhouding tot de uitgestrektheid van het land, niet zoo heel ver, kan men gerust gaan. Van de prachtige bergen, duizenden dichtbevolkte steden, die ieder op zich zelf door de godsdienstige of heilige reliquien, die zij bevatten, een bezoek overwaard zijn, zullen wij niets kunnen zien. Wij mogen blijde zijn dat Canton en Macao, de twee merkwaardigste steden in het zuiden van het land, op dit oogenblik zoo rustig zijn, dat wij er onbevreesd kunnen heengaan. Weichow, dat wij in dezen tocht ook wilden opnemen, moesten wij opgeven, omdat daar de bevolking nog volstrekt niet rustig is en vreemden er niet veilig zijn.
Woensdag 21 Augustus. Toen de Hongkongsche toren, deze sta-in-den-weg op het kruispunt van de twee drukste straten, hedenmorgen met 7 slagen, die in staat waren heel Hongkong tot nieuw leven te wekken, het vroege morgenuur aankondigde, stonden wij met onze handbagage gereed om elk in een rickshaw te stappen om ons naar de werf te begeven, vanwaar de boot naar Macao afvaart. De rickshaws worden hier en in Japan Jinrikshaw genoemd, hetgeen beteekent “een door menschenkracht voortbewogen wagen”. Onze vlugge dravers brachten ons twintig minuten lang door de drukste straten van Hongkong, voorbij de vischhal, de vleeschhal, de groentemarkt, door dichtbevolkte volksbuurten en naar dat deel van de haven, waar ontelbaar vele booten liggen, die het verkeer in het binnenland onderhouden. Niettegenstaande het vroege morgenuur, was toch overal reeds zoo’n groote levendigheid en bedrijvigheid, dat het geheel op een groote mierenhoop geleek. Elkeen rende volbeladen naar en van de haven, mannen en vrouwen betwistten elkaar een zware vracht, en kinderen van 5, 6 tot 8 jaar oud, met een nog kleiner broertje of zusje op den rug gebonden, raapten den afval op en stopten al het bruikbare—en voor een Chinees schijnt alles bruikbaar—in een meegebrachten zak.
De Sui Ann, die ons in vier uren naar Macao zou brengen, was een mooi bootje, met een zeer mooi bovendek vol gemakkelijke stoelen. Wij hadden in het hotel zoo vroeg geen ontbijt kunnen krijgen en daarom vroegen wij op de boot, of men iets voor ons kon gereed maken. Wij waren zeer verrast, toen ons een ontbijt ten deel viel, beter, smakelijker en rijker van goede vruchten voorzien dan wij in lang genoten hadden. Wij waren weder de eenige eerste klasse passagiers.
Nauwelijks waren wij de haven uit en een eindje door het Lamma-kanaal gevaren, toen een bijzondere drukte van politiebootjes met Engelsche politie en militairen bemand, onze aandacht trok. “Wat beteekent dat?” vroeg ik den kapitein. “Houden zij oefeningen of is er iets bijzonders?” De kapitein glimlachte even en vertelde ons, dat in den afgeloopen nacht een troep zeeroovers, ongeveer 50 man sterk, het dorpje Cheung-Chau, op het eiland Lamma gelegen, letterlijk hadden uitgeplunderd en vier der politie-autoriteiten hadden gedood. Het leek ons bijna ongelooflijk, dat zoo iets zoo nabij Hongkong heeft kunnen gebeuren en dat deze mannen hebben kunnen ontkomen, zonder een spoor achter te laten. Maar toen wij wat verder tusschen de onophoudelijke heuvelenreeks doorvoeren, was het toch ook wel duidelijk, dat het zelfs voor een tienmaal grootere politiemacht niet mogelijk zou zijn deze misdadigers op te sporen. Het dorpje Cheung-Chau, door de Engelschen Dump-Bell-eiland genoemd, lag er zoo rustig, toen wij er voorbij stoomden. Op elken heuveltop—en het waren er zeer vele—stond een zendelingengesticht en aan den voet van den heuvel lagen de tallooze kleine visschershuisjes, zoo kalm, alsof er niets gebeurd was. Het zijn voornamelijk Amerikaansche zendelingen, die in den zomer naar dit eiland trekken. Ik had reeds van een onzer vroegere kapiteins vernomen, dat dit heele gedeelte, van Hongkong tot Macao, vroeger berucht was door de vele staaltjes van brutaal optreden der zeeroovers, maar dat zulke dingen nu nog konden voorkomen en dat nog wel op Britsch grondgebied, waar men zich zoo veilig waant, dat was meer dan ik verwacht had. Er schijnt echter nog steeds gevaar te bestaan, want onze kapitein zeide zeer geruststellend, dat geen schip dezen tocht maakt, zonder voorzien te zijn van de noodige gewapende Europeanen aan boord, om in geval van nood het leven en de have der aan boord zijnden te beschermen. Vandaag waren wij natuurlijk al heel veilig, omdat nu dit stukje zee van politie wemelt.
Maar wat klonk dat alles in disharmonie met de prachtige natuur, die ons daar omgaf. Wij gingen onophoudelijk dicht langs de kust en genoten van hetgeen wij zagen. De tijd vloog om, zoodat, eer wij er aan dachten, Macao reeds op het smalle, heuvelachtige eiland voor ons lag. Reeds bijna vier eeuwen verheugen de Portugeezen zich in het bezit van dit mooie stukje grond, waar zij echter dikwijls voor groote moeilijkheden staan. De alhier wonende Chineezen schijnen bijzonder revolutionnair gezind te zijn, waarvan trouwens op Java ook genoeg last wordt ondervonden. Mij werd ten minste in Semarang en Soerabaja verzekerd, dat het bijna altijd de Macaoërs waren, die daar de moeilijkheden onder de Chineezen teweegbrengen.
Daar lag dan Macao half cirkelvormig langs de zeekust, aan weerszijden geflankeerd door ouderwetsche forten. Het was alsof wij Nice of een der andere steden aan de Riviera voor ons zagen. Maar toen wij den hoek omgingen naar het achtergedeelte van het eiland, naar de binnenhaven, en daar de honderden Chineesche visschersvaartuigen zagen, visschersschuiten, zooals men ze nergens anders ziet, toen was het Europeesche beeld geheel verdwenen; het Chineesche leven, zooals dat voor een deel op het water afgespeeld wordt, lag voor ons. In dit waterleven spelen de vrouwen een groote rol. Booten, uitsluitend bemand met vrouwen, of booten, waarop de hoofdfuncties door vrouwen worden waargenomen, zagen wij er ontelbaar. Sommige van die vrouwen hadden haar baby op den rug gebonden en hanteerden de zware roeispanen alsof het veertjes waren. Barbiers, acteurs en bootmenschen behooren in China tot de laagste klasse der bevolking, zoo laag zelfs, dat het drie generaties vereischt, alvorens men uit deze klasse oprijst en een of andere burgerpositie kan innemen. Maar dat schijnt den Chineeschen bootvrouwen niet te deren; zij zien er gezond, krachtig en opgewekt uit en schijnen zich van de zorgen des levens niet veel aan te trekken. Men ziet ze steeds lachen en gekheid maken.
De stad Macao is verdeeld in twee gedeelten, een zeer druk en levendig lager gedeelte van de stad, waarin uitsluitend Chineezen wonen en het zeer fraai en hooger gelegen deel, waar de Portugeezen zijn gehuisvest en waar de officieele gebouwen zijn. Dit Portugeesche gedeelte lijkt geheel niet op een Orientale stad, het zijn alle Europeesche huizen, met prachtige tuinen, huizen echter, die in niets beantwoorden aan de behoeften van het heete klimaat. Wij bezochten in Macao de weelderig ingerichte woning van den gouverneur-generaal, met den daarbij behoorenden merkwaardigen tuin en kwamen tot de conclusie, dat de Portugeesche regeering haar vertegenwoordiger hier schitterend heeft gehuisvest. Wij zagen een paar Chineesche tempels, eenige bijzonder fraaie of liever oude Katholieke kerken, een Pagoda, de openbare tuinen, en maakten een rickshawtocht door de stad.
In het Chineesche gedeelte liepen de varkentjes in zoo grooten getale en zoo genoegelijk met de kippen samen in de straten, dat men telkens vreesde over ze te vallen. Varkens schijnen hier gewone huisdieren te zijn, want ze liepen in de open winkels en huizen rond alsof ze er thuis behooren. Men weet, dat de Chinees wel kip- en varkensvleesch, maar geen ossevleesch bij zijn rijst nuttigt; het laatste is verboden vrucht voor hem.
De Chineesche straten in Macao zijn vol speelhuizen; heele reeksen huizen geven naast het Chineesche opschrift ook in de Engelsche taal te kennen, dat zij “gambling houses” zijn. Bovendien zijn zij door hun opzichtig vertoon van groote gekleurde Chineesche lantaarns, beelden, die beschermgeesten van het spel voorstellen, en andere in het oog loopende dingen, direct van andere huizen te onderkennen. De Portugeesche regeering staat niet alleen dit spelen toe, maar verpacht die speelhuizen, of liever zij heeft het monopolie van het houden van die walgelijke inrichtingen voor 700.000 dollars aan een syndicaat verpacht, dat nu honderden van die inrichtingen in het Chineesche gedeelte van de stad heeft gevestigd, waar dag in dag uit, het geheele jaar door, zonder een dag rust, gespeeld kan worden. Deze huizen zijn altijd open, elke seconde van de 24 uren van een etmaal kan men er binnengaan en zijn geluk beproeven of zijn geld verliezen. Wij bezochten er een paar en sloegen eenige oogenblikken het spel gade. Mij werd verteld, dat nooit een uur van den dag of van den nacht deze huizen ledig zijn; ten allen tijde vindt men er menschen, die hun soms zuur verdiende penningen daar in een oogwenk verliezen. Het is geen roulette, maar een Chineesch spel, waarvan ik de finesses nog niet begrijp, dat daar gespeeld wordt.
Maar niets in de stad interesseerde ons zoo sterk als het leven in de binnenhaven, dat wij niet moede waren van het dek van de boot af gade te slaan, tot wij om 9 uur de reis naar Canton aanvaardden. Reeds om 6 uur ging de zon onder en daarmede begon ook de verlichting der tallooze schepen. Zij hadden alle één licht in den mast, maar sommige hadden, er zooveel, alsof zij aan het illumineeren waren. Bovendien zagen wij telkens vliegers in den vorm van mannetjes en vrouwtjes de lucht invliegen, die op betrekkelijk geringe hoogte in brand werden gestoken. Vuurpijlen vlogen onophoudelijk de lucht in en vuurknappers hoorde men telkens met langgerekt geraas ontbranden. Van verschillende booten bereikte een vervelende en eentonige muziek onze ooren en dat alles geschiedde met de goedige bedoeling om de geesten van afgestorven familieleden, die ’s avonds om de schepen dwalen, aangenaam bezig te houden en goedgezind te stemmen.
Het Chineesche volk is verschrikkelijk bijgeloovig; het zal de nieuwe regeering, als die zich weet te handhaven, nog heel veel moeite kosten, om alle hervormingen, die zij op haar program heeft, te kunnen invoeren. Hoeveel moeite het gekost heeft om de eerste telegraaflijnen en spoorlijnen hier tot stand te brengen, daarvan kan het volgend verhaaltje een denkbeeld geven.
De eerste telegraaflijn, die in China tot stand werd gebracht, verbindt Hongkong met Canton en is het werk van Engelschen. Nu gelooven de Chineezen vast, dat Hongkong de stad der “negen Draken” is en Canton wordt de stad der “schapen” genoemd. Canton ontleent dezen bijnaam aan de legende, waarin verteld wordt, dat eenmaal 5 geniën op rammen door de lucht kwamen rijden en in Canton nederdaalden. Onmiddellijk daarop versteenden de rammen; deze versteende beesten worden thans nog in een tempel verheerlijkt, doch de vijf geniën bleven in Canton nog langen tijd hunne wijsheid verkondigen. Bovendien wordt de mond van de Cantonrivier, waarover de telegraaflijn loopt, de “tijger’s mond” genoemd. De Chineezen waren nu van oordeel, dat de nieuwe telegraaflijn ontegenzeggelijk ongeluk moest aanbrengen, omdat zij de vijf schapen regelrecht in des tijgers mond of in de macht der negen draken bracht. Dat moest verhinderd worden en telkens werden de nieuwe telegraafpalen uit den grond getrokken en het werk der ondernemers zeer bemoeilijkt. Eerst nadat de Engelschen door een groote politiemacht het werk langs de geheele lijn lieten bewaken, kon het tot een einde gebracht worden.
Met den aanleg der spoorwegen ging het niet beter. Telkens werden de ondernemers bemoeilijkt bij het aanleggen van een nieuwe lijn, omdat Fung-Shui er tegen is. Fung-Shui is een denkbeeldig iets, een geest, die geluk of ongeluk aanbrengt, die zich overal kan nestelen. Als een spoorlijn loopt over een stuk grond waar Fung-Shui huist, dan kan men zeker zijn, dat er telkens ongelukken gebeuren. Wat Fung-Shui op zijn geweten heeft, zou een geheel boek kunnen vullen.
Maar over deze spokerijen schrijf ik vanavond niet meer, ’t is reeds bijna middernacht en morgenochtend komen wij reeds vroeg in Canton aan en dan moet ik vroeg gereed zijn.
Hebben wij vandaag een stuk Chineesch leven gezien, dat geheel verschilt van dat in Hongkong, het echte was het toch nog niet. Er liepen nog te veel Portugeesche soldaten en officiertjes en te veel Europeesch gekleede dames door de straten van Macao en er waren te veel Katholieke kerken, om ons niet elk oogenblik te herinneren, dat wij ons in eene Portugeesche kolonie bevonden.
22 Augustus. Om half zeven arriveerden wij vanmorgen in de haven van Canton, waar direct door allerlei bijzonderheden onze belangstelling werd gewekt. Voor het eerst zagen wij hier van alle schepen de nieuwe vlag van China wapperen, de vlag der Chineesche republiek. Het is een vlag uit vijf even breede strepen rood, geel, grijs, wit en blauw bestaande. Ook zagen wij hier voor het eerst Chineesche militairen, Chineesche douanen en Chineesche politie. Na dezen eersten dag van ons verblijf in Canton heerscht er in mijn hoofd zoo’n chaos van alles wat wij hier zagen, hoorden en ondervonden, dat ik er dagen lang van zou kunnen vertellen, als ik eerst alles goed gezift heb. Het is alles zoo vreemd, zoo geheel iets anders dan wij verwacht hadden, zoo in niets gelijkend op wat wij tot dusver gezien hebben.
Canton, een verbastering van den eigenlijken naam Kwang Tung, is de hoofdstad van de provincie van dien naam. Zij is echter tevens de eerste commercieele stad van China en de tweede stad van beteekenis van dit rijk. Zij ligt aan den voet van de Witte Wolken Bergen en aan de Paarl Rivier.
Canton was de eerste stad in China, die in handelsrelatie trad met Europa; al ons oud Chineesch porselein en andere Chineesche bijzonderheden, zijn uit deze stad ingevoerd. Men kan den handel met Canton tot op twee eeuwen vóór Christus nasporen, maar men vermoedt, dat hij reeds van vóór dien tijd dagteekent. Tegenwoordig komt voornamelijk nog het Canton-linnen, zijde, thee en porselein naar Europa.
Eerst in het midden der 17e eeuw kwam dit district, het Zuidelijkste van China, onder de Manchu-regeering. De Cantonneezen hebben zich echter nooit goedwillig onder den druk van deze overheersching gedragen, er heerschte altijd een revolutionnaire geest. Deze laatste revolutie, waarvan de Chineesche republiek een gevolg is, heeft van hieruit haar oorsprong genomen, had in Canton haar hart, waaruit steeds nieuw voedsel, in den vorm van geld en strijdkrachten, naar het revolutionnaire kamp gezonden werd. Dr. Sun Yat Sen, de eerste en provisoire president der republiek, is hier geboren en gekweekt en de Cantonneezen zijn er niet weinig trotsch op, dat de mannen van groote beteekenis in deze laatste omwenteling alle van hier afkomstig zijn.
Canton, de stad alleen, bevat tusschen de 2½ tot 3 millioen inwoners, waarvan echter een half millioen op schepen en schuiten in de rivier en in de kanalen door de stad huist. Dat leven op die schuiten is allermerkwaardigst. Zoo’n sampan lijkt niet groot genoeg om één mensch te huisvesten en er leven en tieren soms een dozijn menschen nacht en dag, hun geheele leven lang op. Generatie na generatie wordt op zoo’n schuitje geboren en verlaat het alleen na den dood. Dikwijls zagen wij er vier generaties tegelijk, waartusschen dan nog de kippen en zwijnen vroolijk ronddartelden. En, zooals ik reeds vroeger schreef, de meeste menschen op die schuiten zijn vrouwen. Deze vrouwen verdienen voornamelijk hun schamelijk stukje brood, zou ik willen zeggen, maar brood eten ze bijna niet, hun bakje rijst komt beter de waarheid nabij, met menschen en goederen van het eene schip naar het andere te brengen. Men moet ze hooren schreeuwen en kijven als er zich een vrachtje voordoet, om er het groote belang voor haar van te beseffen.
Al dadelijk toen wij vanochtend van de boot kwamen, bleek, dat het eenige vervoermiddel, waarvan men zich in Canton bedient, kan bedienen, de sedan-chair (de draagstoel) is. De Cantonsche draagstoel is echter bijzonder nauw, men past er net tusschen, hij wordt gedragen door twee, drie of vier man, die echter achter elkaar loopen en daardoor den stoel niet zoo doen schudden als op Java. Een stoel met twee dragers is erg burgerlijk, deftige menschen, zooals wij, moesten er drie hebben, zei onze kapitein, en officiëele personen, hooge oomes, laten zich door vier koelies dragen.
De kapitein van de boot had twee stoelen, met dragers, die aan de boot bekend waren, voor ons laten komen, om ons naar het hotel te brengen. Al spoedig werd ons duidelijk, waarom men zich hier alleen van dit vervoermiddel bedient. Onophoudelijk toch ging onze tocht door straten, waar onze stoelen juist door kunnen. Als er menschen van den anderen kant ons passeerden, dan moesten die zich tegen den kant wringen, of in de open winkeltjes gaan staan, om ons te laten passeeren. Zonder ophouden schreeuwden onze koelies om plaats te maken, om ons een doortocht te verleenen. Na een kwartier lang door deze nauwe straatjes, waarvan elk huis een open winkeltje is, heen gedrongen te zijn, daarbij herhaaldelijk over steenen bruggen komende, die over de kanalen liggen, die vele straten doorkruisen, kwamen wij ten slotte aan een breede brug, door een zwaar ijzeren hek gesloten en aan den binnenkant door Europeesche militairen en een Chineeschen politie-agent bewaakt. De poort werd van binnen geopend en er doorgaande bevonden wij ons aan den anderen kant op het zoogenaamde Victoria-eiland, Shameen genaamd. Dit is een aan alle kanten door de rivier ingesloten ruimte, waarbinnen de Europeeërs wonen en de consulaten gevestigd zijn. Het staat onder Fransche en Britsche regeering, van beide rijken zijn er militairen, die hier de wacht houden.
Op Shameen lag ook het Victoria-Hotel, het eenige Europeesche hotel, dat hier bestaat, doch nu in handen is van een Amerikaanschen eigenaar. Het hotel is vrij goed, doch bezit de pretentie van Amerikaansche prijzen te vragen, in geen enkel opzicht in verhouding van hetgeen het den gasten biedt en de goedkoope omstandigheden, waarin het hier verkeert. Wil men in Canton echter een of meer dagen vertoeven, dan moet men in dit hotel terechtkomen, tenzij men in de Chineesche stad in een Chineesch hotel wil gaan. Dat zou natuurlijk veel interessanter zijn geweest, maar daarvoor misten wij alsnog den moed.
Nu was het ons plan om in Canton in de eerste plaats uit te visschen wat wij hadden te gelooven van al de courantenberichten, die wij in het afgeloopen jaar gelezen en vernomen hadden, waarin de Cantonneesche vrouwen zoo’n groote rol spelen. Wij hadden gelezen, dat de vrouwen in Canton persoonlijk en daadwerkelijk aan de revolutie hadden deelgenomen, dat een regiment Cantonneesche vrouwen naar Nanking en Peking was opgetrokken, dat de vrouwen onder de nieuwe regeering in Canton het kiesrecht uitoefenden en er vele van deel uitmaakten van de regeering van Canton. Ook van een suffragette-optreden der vrouwen in Nanking, doch dit laatste hebben wij daar na te sporen.
Al deze feiten waren in Manilla, toen wij er naar informeerden, tegengesproken en in Hongkong had de Amerikaansche consul mrs. Catt zoo vast verzekerd, dat niets van dien aard in China tijdens de revolutie was voorgevallen, dat mrs. Catt zich verplicht gevoelde naar ons Internationaal Vrouwenkiesrecht-orgaan “Jus Suffragii” en naar de twee belangrijkste vrouwenkiesrechtbladen in Amerika te melden, dat van al deze sensationeele berichten niets waar was.
Onze consul was in zijne uitlatingen voorzichtiger; hij zeide, dat hij er niets van wist, dat hij het meest omtrent den politieken toestand in China uit de mail-editie van de “N. Rott. Ct.” leerde kennen, omdat de in China verschijnende Engelsche bladen den feitelijken toestand niet altijd uitvoerig vermelden. Hij was echter zoo vriendelijk mij eenige waardevolle introducties voor Canton te bezorgen, waarmede ik misschien de waarheid zou kunnen opsporen. Ook mrs. Catt had van haar consul eenige introducties ontvangen en verder had de Chinees, dien wij in Hongkong spraken, ons een paar brieven medegegeven.
Met deze brieven gewapend, begaven wij ons onmiddellijk na onze aankomst op weg. Twee voor het hotel staande draagstoelen, heel burgerlijk met slechts twee dragers, namen wij in beslag en lieten ons het eerst brengen naar dr. Mary Fulton, een Amerikaansche vrouw-dokter, die hier aan het hoofd van een Amerikaansch hospitaal staat, waaraan een medische school voor Chineesche vrouwen en een opleidingsschool voor verpleegsters verbonden is.
Na een vol half uur door al die schilderachtige, maar vuile, nauwe straten gedragen te zijn, zetten onze dragers ons neder voor een groote poort, die op ons geklop onmiddellijk werd opengedaan. Daar achter bevonden wij ons in een groote, vierkante ruimte, een groot, groen grasveld, rondom omzoomd met in bloei staande witte lelies en hooge palmboomen. Aan drie zijden van dit vierkant stonden vele kleurig onderhouden gebouwen, die naderhand bleken links uit het hospitaal, met de daarbij behoorende inrichtingen, in het midden de woonhuizen, en rechts uit schoolgebouwen van een Amerikaansche missionary te bestaan. Wij vernamen weldra, dat dr. Mary Fulton op reis was. Het is de vacantietijd en de dokter had deze drie maanden gebruikt, in hoofdzaak ter wille van de zeereis, om eens even naar de Vereenigde Staten te gaan. Zij was op de terugreis en zou binnen veertien dagen terug zijn. Haar schoonzuster, getrouwd met den broeder van dr. Mary stond ons echter te woord. Zij en haar man staan aan het hoofd van de onderwijsinstelling van dit Amerikaansch Zendelingeninstituut, maar zij kon ons geen inlichtingen geven omtrent alles wat wij wilden weten. Nadat wij de school, die juist begonnen was, vol van Chineesche kleine jongens en meisjes, die hier tot goede, deugdzame Chineesche Christenen worden opgevoed, vluchtig hadden bezichtigd, met een jonge Chineesche lady-dokter het keurig ingerichte, up to date-hospitaal voor vrouwen en kinderen hadden doorloopen, zetten wij ons weder in onze stoelen en begaven ons naar een ander Amerikaansch zendelingeninstituut. Ook daar wist men ons geen inlichtingen te geven en toen wij nog eerst een dokter aan het Canton-hospitaal hadden getracht te spreken en vernamen, dat deze dokter ernstig ziek was, begaven wij ons naar de woning van een Chineesche dame, wier dochter lid van den Raad van Canton zou zijn, zoo had men ons althans verzekerd. Deze dame ontving ons zeer vriendelijk, zij was een weduwe en onderwijzeres aan een school. Zij sprak een klein beetje Engelsch, te weinig om een geregeld gesprek te voeren en ons altijd goed te begrijpen, maar genoeg om ons toch eenige inlichtingen te geven. Haar dochter was werkelijk gekozen tot lid van den Cantonschen Raad, zij was ook eene onderwijzeres, maar de moeder hield niet van dit publieke optreden van haar dochter en daarom had zij haar eenige maanden geleden voor twee jaar naar Amerika gezonden, om daar een cursus in de philosophische Wetenschappen door te maken. Zij wist ons te vertellen, dat er vrouwen in den Raad zaten, maar dat was alles wat wij na een lang onderhoud te weten kwamen. Nog een ander Chineesch adres probeerden wij, doch vonden de geadresseerde persoon niet thuis. De afstanden in Cantor zijn groot, wij waren van 8 uur af reeds aan het dwalen, wij gaven daarom onzen dragers last om ons eerst naar het hotel terug te brengen, waar wij om half één aankwamen.
De hotelier stond ons buiten in groote vertwijfeling op te wachten en verraste ons met de mededeeling, dat wij een hoogst onvoorzichtige daad hadden verricht, door zonder geleide en in gewone draagstoelen de stad in te gaan en ons overal te laten ronddragen. De stad was nog vol gespuis, de koelies, die ons gedragen hadden, waren hem volmaakt vreemd, wij hadden evengoed in alle moeilijkheden kunnen geraken als veilig terug te keeren. Wij gaven daarom onze mannetjes een extra-belooning, omdat zij ons zoo goed en veilig overal gebracht hebben waar wij wilden komen en beloofden den hotelier verder zijn raad te zullen volgen.
Na een half uur rust en na onze lunch genoten te hebben, begaven wij ons weder op weg; nu echter onder het vertrouwde geleide van een Engelsch sprekenden Chineeschen gids. Wij zouden nu mijne speciale introducties beproeven. Eerst bezochten wij dr. Emilie Bossoni, een Italiaansche lady-dokter, die hier aan het hoofd van een Chineesch hospitaal staat, geen stad- of staatsinrichting, maar een privaat hospitaal, door giften en gaven onderhouden. Dr. Bossoni is een aardige babbelaarster, levendig en vroolijk als al hare landgenooten, maar de inlichtingen, die zij ons gaf, leken naar niets. Ook de onder haar werkende Chineesche jonge mannen en vrouwen wisten niets te antwoorden op de vragen, die wij hun stelden; zij hadden van dat alles nooit gehoord. Dr. Bossoni wilde ons volstrekt rondvoeren door haar hospitaal, maar na eenige oogenblikken werd mij dat te machtig. Alleen in Italië en onder Italiaansche doktoren kunnen zulke hospitalen, beter ware het ze lijkenhuizen te noemen, bestaan. De operatiekamer, waar armen en beenen en vingers, etc. geamputeerd worden alsof het een dood kalf geldt, een heele bak vol afgezette ledematen, had ze daar staan—’t was haar morgentaak geweest—leek meer op een ouderwetsch waschhuis bij een oude boerenwoning dan op een operatiekamer. Het hok, waarin de apotheek, als men de verzameling medicamenten, die daar stonden, zoo noemen mag, gehouden werd, zag er zóó smerig uit en stond zoo vol gebruikte pannen en potten, dat ik haar vroeg of zij dat heusch een plaats noemde, waarin medicijnen voor zieken klaar gemaakt konden worden. O ja, dat was de apotheek, en bij gebrek aan eert apotheker bereidde zij zelf de door haar voorgeschreven recepten. Ziekenzalen waren er niet; hokken, waar geen licht en geen lucht kon doordringen, waar het stonk en vreeselijk smerig was, herbergden zieltogende menschen. ’t Was te erg, ik wilde niet verder doorgaan, want ik ken zulke toestanden van hospitalen in Italië.
Nu restte ons nog één introductie, die wij voor het laatst bewaard hadden, omdat wij er niet veel van verwachtten. Het was een introductie van onzen Nederlandschen consul aan den Commissioner for foreign trade. Hoe ik dien titel in het Nederlandsch moet vertalen, weet ik niet, wij bezitten zulk een ambtenaar niet. Hij zetelt direct onder den gouverneur van de provincie Canton en zijn zittingslokaal is gevestigd op den grond, waar de gouverneur woont en zijne bureaux zijn. Wij begonnen te vreezen daar met een kluitje in het riet weggestuurd te zullen worden en ten slotte Canton te moeten verlaten, zonder veel wijzer geworden te zijn omtrent de zaken, die ons bovenal interesseeren.
Toen wij aan de buitenste poort, die de gouverneurswoning omgeeft, aangekomen waren, en onzen wensch te kennen gaven den commissioner—wij wisten zelfs zijn naam niet—te spreken, werden wij, na veel gedoe, tusschen een drievoudige rij soldaten doorgelaten, naar de tweede poort en daarna naar de eerste poort geleid. Daar ontving ons een Chineesch burger, die den introductiebrief in ontvangst nam en ons verzocht, een oogenblik te wachten. Spoedig daarna kwam hij ons halen, om ons naar binnen te geleiden. Reeds bij de deur kwam ons een vriendelijk, jong man, in Europeesche kleeding, tegemoet, zichzelf voorstellende als dr. Lou, de commissioner. “En wie van u is dr. Jacobs en wie is mrs. Catt?” vroeg hij onmiddellijk, na ons beide handen toegestoken te hebben. Wij keken hem verbaasd aan, want de introductiebrief sprak alleen van mij. “O, ik wist, dat gij komen zoudt,” zeide hij, “de Chineesche bladen hebben ons reeds van uw werk in Manilla en uwe plannen in China op de hoogte gebracht.” En nu vertelde deze ongeveer 30-jarige man ons, in volmaakt Engelsch, dat hij een groot feminist is. Hij heeft zijn opleiding gedeeltelijk in Amerika en gedeeltelijk in Engeland genoten. Weldra kwam ook mr. Li—ik schrijf deze namen maar zoo eenvoudig, zooals zij in de wandeling genoemd worden, maar feitelijk hebben deze heeren een veel langeren naam—, een man van ongeveer denzelfden leeftijd, zich bij ons voegen. Deze laatste is in Amerika uit een Chineeschen vader en ’n Duitsche moeder geboren, heeft in New-York gestudeerd en woont sedert 6 jaren weder in Canton. Hij is op het bureau van dr. Lou werkzaam en is tevens redacteur van “The China Outlook”, een in het Engelsch uitgegeven dagblad van de politieke partij van dr. Sun.
Met beide jonge mannen waren wij weldra in een belangrijk gesprek omtrent den politieken toestand van het land, waaruit bleek met hoeveel jeugdig optimisme zij bezield zijn. Zij twijfelen geen oogenblik omtrent het voortbestaan der republiek en toen wij hen op de bestaande moeilijkheden wezen, loochenden zij die niet, maar had niet elke republiek in den beginne voor groote moeilijkheden gestaan? Zij herinnerden mrs. Catt aan de eerste dagen der Amerikaansche republiek en spraken hunne verbazing uit, dat de Vereenigde Staten niet vooraan staan om elke jonge republiek onmiddellijk met uitgestoken handen te begroeten en te helpen de moeilijkheden te overkomen. Dr. Sun Yat Sen is hun afgod. Zij gaven toe, dat de tegenwoordige president met leede oogen aanziet, dat dr. Sun zoo vereerd wordt, maar dat dr. Sun’s leven in gevaar zou zijn, negeerden zij volkomen. Het is waar, dat de president twee hunner generaals heeft laten doodschieten, maar vergissingen zullen er nog wel eens meer gemaakt worden en dr. Yuan Shi-kai heeft daarna toch een ode gewijd aan den afgestorven vriend en zijn eigen zoon gestuurd, om hen te eeren bij hunne begrafenis. Hoe vindt men zoo’n naïeviteit? Over de financieele moeilijkheden, waarin de republiek thans verkeert, spraken zij zeer luchthartig. Dat geld zal weldra komen; kleine sommen hadden zij reeds van verschillende kanten kunnen krijgen, maar zij willen een groote som ineens, met het oog op moeilijkheden bij de aflossing. Weldra zullen echter de eerste belastingen geïnd worden en daarmede kunnen de groote gaten voorloopig gestopt worden.
Omtrent de bijzonderheden der Cantonneesche vrouwen verkregen wij alle gewenschte inlichtingen. Het is waar, dat een 50-tal jonge meisjes, meest studenten, onderwijzeressen, verpleegsters, in den revolutietijd de wapens hebben opgevat en een eigen regiment hebben gevormd. Zij hadden zich vooraf in het hanteeren der wapenen en andere militaire wetenswaardigheden geoefend, een kapitein uit hun midden gekozen en zich bij het leger gevoegd. Zij werden voornamelijk gebruikt om een deel van de stad te bewaken, zoodat zij meer defensief dan offensief behoefden op te treden. Nadat in Canton de groote strijd was afgeloopen, zijn zij naar Nanking getogen en hebben zich ook daar op dezelfde wijze verdienstelijk gemaakt. Wij waren het met de heeren eens, dat meer het feit van dit optreden merkwaardig was, dan dat deze fijn gebouwde, kleine, tengere vrouwtjes op die wijze veel daadwerkelijke hulp hebben kunnen verleenen. Dit regiment is nu ontbonden, doordat nu eenige hunner als militaire hospitaalverpleegsters dienst doen, anderen administratieven arbeid in het leger verrichten en anderen haar studie weder hebben opgevat.
Het kiesrecht der vrouwen is in China nog niet geregeld, zooals nog niets wettelijk geregeld is. Iedere provincie leeft nog onder een provisoir bestuur en regelt voorloopig haar eigen zaken. De provincie Canton nu heeft gemeend, de vrouwen, die in alle opzichten zoo’n werkzaam aandeel in de revolutie geleverd hadden, die steeds ijverige leden waren geweest van de geheime genootschappen, deel te moeten laten nemen aan de voorloopige provinciale regelingen en van de 120 zetels minstens tien door vrouwen te moeten laten bezetten. Men heeft verder gemeend, vrouwen zelf te moeten laten bepalen, welke vrouwen daarvoor gekozen moesten worden. De vrouwen van de provincie Canton hebben dus alleen gestemd voor de verkiezing van de tien vrouwen-leden.
De Provinciale Raad houdt elken middag van 1–5 zitting; de twee heeren zouden het op prijs stellen als wij zoo’n zitting wilden gaan bijwonen. Op onze verzekering, dat wij niets liever wenschten, gaf dr. Lou ons een introduceerend schrijven aan den president van den Raad, dien hij ook nog persoonlijk over ons zou spreken en bovendien gaf hij ons een brief aan den waarnemenden voorzitter van de politieke vereeniging Tung Ming Hui, waarvan dr. Sun de oprichter en voorzitter is. Hij wilde, dat wij dien heer gingen opzoeken, omdat wij van hem alle persoonlijke bijzonderheden omtrent de vrouwen-leden van den Raad zouden kunnen vernemen.
Het was toen half vijf; wij meenden nog een uurtje eenige bijzonderheden te kunnen gaan zien en daarmede onzen dag als welbesteed te kunnen eindigen. Van alle indrukken, die wij op onzen tocht door de stad ’s morgens en des middags ontvingen, van de stad zelf en van alles wat wij er zagen, zal ik later vertellen. Het is nu reeds lang over den tijd, dat ik in bed had moeten liggen en slapen.
24 Augustus.
O, wat een dag hebben wij gisteren doorgebracht! Nimmer zal ik dien 23en Augustus vergeten. Als wij van China niets meer zien en hooren, dan ’t geen wij gisteren beleefden, dan nog hebben wij meer gezien en een dieperen blik kunnen slaan in het leven der Chineezen en in de idealen van Jong China dan menig toerist, die hier weken lang vertoeft. Het was een zeer vermoeiende dag, maar voor niets zou ik hem uit mijn leven willen missen.
Doch ik zal trachten er veel van te vertellen. Reeds om half acht zaten wij ’s morgens weder in onze draagstoelen en gelastten onzen begeleider, om ons successievelijk te brengen naar tempels, pagoden, oude poorten, gevangenis en verschillende plaatsen waar een bijzonder voor Canton kenmerkende industrie wordt uitgeoefend. Wij hadden een lijstje gemaakt van de dingen, die wij wilden zien en lieten het aan den gids over in welke volgorde wij dat alles zouden bezoeken. Over dit alles zal ik in een anderen brief uitweiden, want de middag was veel interessanter en daarover moet ik eerst mijn hart luchten.
Om twaalf uur waren wij in het hotel terug, aten toen in haast een koude lunch, om vooral op tijd aan het Assembly-gebouw te zijn, waarvan wij ruim een half uur verwijderd waren. Het gebouw waar de raadszittingen gehouden worden is even buiten de oude stad gelegen, waar men thans is begonnen een nieuwe en nieuwerwetsche stad te bouwen. Het is een volkomen cirkelvormig, uit grijs zandsteen bestaand, gebouw, zeer eenvoudig en doelmatig ingericht. De hall, waarin de vergaderingen gehouden worden, is als in een circus, en daarboven loopt rondom een galerij voor ’t publiek, waarvan men van elke plaats alles wat in de Hall gesproken en gedaan wordt, evengoed kan hooren en zien. Thans zijn nog alle ingangen sterk met soldaten bezet en niemand krijgt toegang tot de galerij, die niet deugdelijke identiteitsbewijzen bezit. Wij waren om kwart voor één daar, gaven aan de poort het introduceerend schrijven voor den president van den Raad af en wachtten. Na een oogenblik kwam iemand ons halen en bracht ons bij den voorzitter. Hij sprak zeer slecht Engelsch, zoodat wij geen geregeld gesprek met hem konden voeren, hij had het bovendien zeer druk en kon niets meer voor ons doen dan de reeds aanwezige dames-leden te roepen en die aan ons voor te stellen.
Daar stonden wij nu, tusschen deze parlementsleden, de een uit Amerika, de ander uit Holland, beiden tot voorheen trotsch op onze natie en nu beschaamd over de kleinzieligheid, bekrompenheid van geest, achterlijkheid, en nog zooveel meer van ons volk, dat nog steeds de vrouwen laat strijden voor een haar toekomend recht en in plaats van haar energie, werkkracht, inzicht en tijd te gebruiken, in het directe belang van het volk, laat men die liever ongebruikt of geheel verspillen in den strijd voor dat recht. Hier in China had men een breeder inzicht in landsbelangen. Deze vrouwtjes strekten ons tot voorbeeld! Zes leden spraken wij, doch geen harer kende genoeg van een vreemde taal, om er een geregeld gesprek in te voeren. Onze gids diende tot tolk.
Een van de zes, die het meest tot mijn hart sprak, wil ik het eerst beschrijven. Zij was 52 jaar oud, doch haar mager, gerimpeld gezichtje deed een veel hooger leeftijd vermoeden. Zij was weduwe en moeder van vijf kinderen. Twee zoons waren getrouwd en een had zij nog thuis. Hare beide dochters waren studenten in Japan, de een studeerde voor doctor in de medicijnen, de ander in de philosophie. Als zij in Japan haar diploma gehaald zullen hebben, is zij van plan hen nog voor twee jaar naar Amerika te zenden ter voltooiing van de studie en om goed Engelsch te leeren. O, zij betreurde het zoo, niet regelrecht tot ons te kunnen spreken, zij had ons zooveel te vragen en zooveel te vertellen. Het kleine, tengere vrouwtje—zij reikte niet hooger dan mijn schouders—dribbelde op haar mismaakte klompvoetjes zoo grappig voort, uit hare oogen straalde echter zooveel energie, wilskracht en verstand, dat ik mij niets verbaasde, toen ik vernam, dat zij een vurige spreekster in meetings was en prachtige courantenartikelen schreef. Zij had voor hare kinderen den kost verdiend in een handelszaak, die nu door een harer zonen beheerd wordt. Het was een vrouwtje, zooals wij wenschen, dat alle volkeren er vele bezitten, of zooals mrs. Catt zegt: “One, that belongs to us”.
Dan was er een heel jong ding, zij leek waarlijk een kind van 12 à 14 jaar, maar zij was reeds 25 jaar. Een jong, vurig strijdster voor menschenrecht. Zij heeft ook in Japan gestudeerd, was juist benoemd tot leerares aan een groote meisjesschool, toen de revolutie uitbrak, waaraan zij van den aanvang af een groot werkzaam aandeel nam. Zij is nu lid van den Raad en geeft haar tijd, die over is, voor administratieve werkzaamheden ten behoeve van de politieke partij, waartoe zij behoort. Haar voetjes waren niet zoo misvormd, geen klompjesvoetjes, maar toch zoo klein als van een kind van 6 tot 8 jaar.
Twee dames waren echtgenooten van groote kooplieden in de stad, Zij waren, zooals men ons verzekerde, goede spreeksters en ware feministen. Zij vertelden ons, dat hunne respectieve echtgenooten zeer conservatief zijn en haar publiek optreden en haar lidmaatschap van den Raad ongaarne zien, daarom hadden zij beiden haar meisjesnaam weder aangenomen en waren daardoor in het publiek alleen onder dien naam bekend. De mannen konden zoodoende haar optreden niet beletten.
De twee laatsten waren beide onderwijzeressen. Een er van was getrouwd; op onze vraag of haar man het lidmaatschap goedkeurde, begon zij te lachen en antwoordde alleen, dat haar man haar als onderwijzeres getrouwd had en dus wist, dat zij een publieke persoonlijkheid was.
Onderwijl was de raadszitting begonnen, de dames moesten naar binnen en wij togen naar de galerij. Men had voor ons ieder een stoel in het midden van het gebouw neergezet. Op de galerij bevonden zich vele Chineesche toehoorders en toehoorderessen.
Welk een gezicht! Een oogenblik moesten wij lachen, niet realiseerende, dat wij ons in een Chineesche raadszitting bevonden. Het zag er voor onze westersche oogen zoo vreemd uit. Al die mannen, slechts zeer enkelen waren in Europeesche kleeding, zagen er uit alsof zij ’s morgens bij ’t maken van hun toilet zeer in den aanvang overvallen waren. Hun zwarte of gekleurde lage hakkelooze zijden schoenen geleken op pantoffels. De witte of lichtgrijze broek is precies als onze heeren de onderbroeken dragen en witte sokken. Over dat hing een lange witte of grijze nachtjapon; geen overdrijving: hij is precies van hetzelfde maaksel. De dames waren daarentegen allen in een zwart of donkergrijze lange broek gekleed, met daarover heen een nog niet tot de knieën reikend jasje. Als zij met gekruiste beenen zaten, kwamen hare beenen tot boven toe te zien, de mannenbeenen bleven steeds zedig onder het lange hemd verborgen. Telkens als de voorzitter, die met zijn secretaris op eene twee treden hooge tribune zat, even opstond, was het alsof wij een man pas uit zijn bed zagen komen.
Alle heeren zaten met een Chineeschen waaier, dat is een geheel uit veeren gemaakt en soms zeer kostbaar ding, onophoudelijk zich zelf wat koelte toe te wuiven, de dames hadden ook wel een waaier, maar werkten er niet zoo onophoudelijk mee. En aan enkele heerenarmen zagen wij een fijne bracelet, de vrouwtjes droegen manchetten.
Men vertelde ons, dat in den Raad de geldkwestie van de provincie Canton geregeld werd en dien middag de zouthandel, een groote bron van inkomen, besproken werd. Zeer bezadigd en kalm spraken de verschillende woordvoerders, wij konden natuurlijk niet verstaan wat zij zeiden, doch de korte inhoud werd ons even verklaard; slechts een enkele humoristische spreker bracht nu en dan een beetje vroolijkheid aan, alle andere namen hun taak ernstig op. Met zitten en opstaan werd over elk voorstel gestemd.
Van de 120 leden waren dien middag 97 aanwezig en van dezen kregen wij den indruk, dat China of althans de provincie Canton, op dit oogenblik door jong China geregeerd wordt. De meeste der daar aanwezige mannen en vrouwen waren tusschen de 25 en 35 jaar oud, weinig waren van 40 tot 55 jaar, daarboven niet eene, daarentegen waren er verschillende jonge mannen, waarvan wij vernamen, dat zij pas 20 of 21 jaar oud waren. Verreweg het grootste deel van dit bestuur bestaat uit gestudeerde jonge mannen en vrouwen, de intellectuals van het land, slechts eenige zijn handelslieden.
Tot drie uur bleven wij de zitting bijwonen, van het begin tot het eind geboeid door alles wat wij daar zagen en hoorden.
Ik weet niet of men in Holland weet hoe de toestanden hier op dit oogenblik zijn. Sedert ik op reis ben heb ik geen Hollandsche courant en slechts bij hooge uitzondering een Engelsch blad gelezen, het zou dus wel eens kunnen gebeuren, dat ik over toestanden en dingen schrijf, die men in Holland reeds weet, maar het komt mij voor, dat ik beter doe, alles wat ik hier hoor en zie te vermelden, op gevaar af dan, dat de lezers het voor den tweeden keer vernemen, dan dat ik ze onvermeld laat.
Nadat wij de vergaderzaal hadden verlaten, begaven wij ons naar den heer Tze Ying Pak, waarnemend voorzitter van de Tung Ming Hui. Wij troffen dien heer in het clubgebouw, omgeven door zijne zes secretarissen, waarvan twee dames zijn. Onophoudelijk kwamen er heeren inloopen, waarvan velen Engelsch spraken. Ook Tze Ying Pak sprak Engelsch en was op onze komst voorbereid. Hij is ongeveer 40 jaar oud, al de jongere lui noemden hem mr. Chair, een verkorting van Chairman.
Hij begon met ons uit te noodigen voor het verdere van den dag zijne gasten te zijn, onze gids en draagstoelen weg te zenden en verder op hem te vertrouwen. Wij namen volgaarne die uitnoodiging aan. Hij was zoo’n aardige, goedige dikzak, die onmiddellijk onze sympathie en ons vertrouwen won. Na met hem het clubgebouw doorgewandeld te hebben, zetten wij ons op het groote balcon met uitzicht op de prachtige rivier, waar zich gaandeweg verschillende jonge mannen en vrouwen, allen leden van de vereeniging, bij ons voegden. Elk die plaats nam, ontving, evenals wij, dadelijk een kop groene thee voor zich. Die thee wordt in porseleinen kommetjes met dekseltjes rondgediend, dat is te zeggen, een lepeltje theebladen wordt in het kommetje gedaan en daarop wordt kokend water gegoten. Verder ontvangt ieder een heel klein leeg kopje. Als men wat wil drinken, dan giet men een beetje thee uit het kommetje in het kopje en dat drinkt men zonder suiker of melk. Als men eenige keeren gedronken heeft, dan vult een bediende het kommetje opnieuw met water.
De jongelui toonden ons eene teekening voor een groot monument, dat men bezig is op te richten aan de overzijde van de rivier, vlak tegenover het clubgebouw, ter herinnering aan de 72 mannen, leden van Tung Ming Hui, die het vorig jaar in de revolutie gesneuveld zijn. Voor dit monument heeft elk lid der vereeniging naar vermogen bijgedragen.
Al deze heeren waren met het grootste optimisme omtrent den stand van zaken bezield, elk onzer bezwaren trachtten zij op de luchthartigste wijze te ontzenuwen. Zij spraken met ons over alle hervormingen die zij tot stand willen brengen en vertelden ons, dat zij in alles Amerika tot voorbeeld nemen. Er was in elke stad, waar hunne vereeniging eene afdeeling heeft, een studieclub opgericht, waar, onder goede leiding, studie wordt gemaakt van den regeeringsvorm in de Vereenigde Staten en van de wetten en instellingen der meest geavanceerde staten aldaar.
Wij vernamen van hen, dat het plan, om de regeering naar Nanking over te brengen, geheel is opgegeven, omdat men moeilijkheden met de groote mogendheden vreest, die in Peking allen hun kostbare regeeringsbureaux bezitten. Al deze jonge menschen hebben hunne studie en positie voorloopig opgegeven om zich geheel te kunnen wijden aan de werkzaamheden ter opbouwing van den nieuwen staat. Als het inderdaad mag gelukken de republiek staande te houden, van China te maken een modernen staat, dan zal dit te danken zijn aan de opoffering en toewijding, aan den frisschen geest en het jeugdig optimisme van de jonge mannen en vrouwen van het hedendaagsche China. Deze jonge mannen wilden ons volstrekt overhalen ons verblijf in Canton met 3 of 4 dagen te verlengen, dan wilden zij eene vergadering bijeen roepen, waar wij met behulp van een tolk, zouden kunnen spreken en een vereeniging van vrouwen stichten. Wij hebben evenwel alles voor onzen verderen tocht reeds geregeld en meenden bovendien, dat na ons gesprek de duistere punten per brief kunnen worden opgehelderd.
Om half-zes begaven wij ons naar de woning van onzen gastheer, omdat wij om zes uur moesten eten. Er waren vele gasten, doch niemand in avondtoilet, elk kwam blijkbaar in het pakje dat hij of zij den heelen dag gedragen had. Het was een echte Chineesche woning, in bouw heel veel gelijkende op de Europeesche woning in Java, met een voor- en achtergalerij, een binnenkamer en zijvertrekken, waar achter een gebouw ligt voor keuken en bediendenkamers. De inrichting der woning is echter geheel Chineesch.
De vrouw des huizes, een klein, bleek, ziekelijk uitziend poppetje, werd ons formeel voorgesteld, ook de andere gasten, waarvan de meesten reeds aanwezig waren. De een was een Chineesch officier van gezondheid, 35 jaar oud, die uitstekend Engelsch sprak. Trouwens, met alle heeren-gasten konden wij een goed gesprek voeren. Dan was er een ingenieur, die in Amerika gestudeerd heeft en nu de uitvoerder is van de nieuwe spoorlijn, die Canton met Hankow moet verbinden, waardoor de afstand van Canton naar Peking, met 6 dagen verkort wordt. Nu moeten de Cantonneezen nog eerst per boot naar Hongkong, van Hongkong per boot naar Shanghai, van Shanghai per spoor naar Nanking en van Nanking weder per boot naar Hankow, om vandaar verder naar Peking te kunnen komen. De reis duurt 9 dagen als alle booten net aansluiten en zal later in drie dagen kunnen worden afgelegd. Ook was er nog een jonge oogarts, die in Japan heeft gestudeerd en een van de hoofdambtenaren van politie, die ons mededeelde, dat onder de stadspolitie vele jonge mannen van goeden huize waren, die voorloopig hunne studie vaarwel hebben gezegd en nu de nieuwe omstandigheden dienen door een vertrouwde stadswacht te vormen. Wij kregen die mededeeling nadat ik had opgemerkt dat de politie overal in de stad zoo’n gunstigen indruk maakte, uit zulke flinke jonge mannen bestond met opvallend eerlijke gezichten.
Verder waren er drie dames, leden van den Raad, twee ervan hadden wij ’s middags reeds gesproken, de andere was een dochter uit een gegoede familie, ongehuwd, die zich aan allerlei hervormingswerk wijdt, doch geen bepaald beroep uitoefent. Ook was een van de secretarissen van de vereeniging aanwezig. Nauwelijks waren wij voorgesteld, toen ons elk een klein kopje thee door de gastvrouw werd aangeboden, dat men beleefdheidshalve aanneemt, als men geen lust heeft het te drinken dan proeft men er even van. Wij werden in de binnengalerij ontvangen, omdat men in de voorgalerij bezig was de tafel te dekken.
Er liep nog een ander persoontje rond, een jong, burgerlijk uitziend, vrouwtje, dat niet werd voorgesteld, doch in alles als gelijke werd behandeld. Zij zette zich naast den heer des huizes neder, en toen ik vroeg of zij een familielid was, zeide hij zeer verlegen “neen”. Even daarna vroeg mrs. Catt de vrouw des huizes of zij kinderen had, wat ontkennend werd beantwoord, doch waaruit wij begonnen te begrijpen, dat die tweede vrouw een bijzit is. Ook had ik reeds ’s middags in de Club opgemerkt, toen wij over de hervormingen spraken, die ingevoerd moeten worden, dat men sprak over: leerplicht, afschaffing van de meisjesslavernij, die nu formeel bestaat, verbod van opiumschuiven, verbod om de voeten te mismaken, betere strafwetten enz., maar niet van afschaffing van polygamie en toen ik dat onderwerp te berde bracht, er even een stilte ontstond en onze gastheer ineens over iets anders begon. Later vertelde de officier van gezondheid mij, dat polygamie in China zeer verbreid is en sommige mannen, zelfs uit de vooruitstrevende kringen, tien tot achttien vrouwen hebben. Wel kan in China een man slechts één wettige vrouw hebben, de andere zijn niets anders dan concubines en in elk opzicht ondergeschikt aan de wettige vrouw, maar zij wonen meestal in dezelfde woning, deelen met haar de gunsten van den man en dikwijls zelfs het echtelijk bed.
Als een vrouw geen kinderen krijgt, of alleen meisjes, ’t geen ’t zelfde is, want meisjes worden niet als kinderen beschouwd, dan neemt de man, soms met toestemming van zijn vrouw, een bijwijf. Krijgt hij bij deze vrouwen kinderen, dan behooren die hem en zijne wettige vrouw toe. Zoo’n kind noemt de eerste vrouw moeder, zijne vleeschelijke moeder is niets voor hem, die mag blij wezen, als zij zijne dienstmaagd mag zijn. Zoo’n bijwijf kan ook ten allen tijde zonder vorm van proces, worden weggezonden, zij moet dus heel voorzichtig zijn, om man en vrouw beide goed te stemmen. Zij zijn goedkoope dienstboden, daarom duldt menige vrouw hen in huis. Bij zoo’n Chineesch huwelijk gaat het heel vreemd toe. Alle bijzonderheden er van zal ik niet verhalen, maar wel moet ik even mededeelen, dat het niet noodig is, dat de man bij het huwelijk tegenwoordig is. Evenals bij ons met de handschoen getrouwd kan worden, kan ook de Chinees zich laten vertegenwoordigen. In den regel neemt men als vertegenwoordiger een haan. Wat hier echter erger is, een jonge man kan door zijn ouders uitgehuwelijkt worden, zonder dat hij er iets van weet, zijn toestemming is zelfs niet noodig. Het is daarom heel gevaarlijk voor een Europeesche vrouw, om met een Chinees te trouwen, hij weet dikwijls zelf niet, of zijne ouders hem in zijne afwezigheid hebben uitgehuwelijkt. Komt hij dan later met zijne Europeesche vrouw in China terug, dan is deze niets meer en niets anders dan zijne concubine, terwijl hare kinderen de andere vrouw toebedeeld worden. Enkele afschuwelijke voorbeelden werden mij daarvan verteld.
Dit huwen zonder toestemming van de betrokken partijen, zal wel spoedig gewijzigd worden, want daarvan ondervinden ook de mannen te veel de nadeelige gevolgen, maar het zal een groote krachtinspanning der vrouwen vereischen, om de feitelijke polygamie afgeschaft te krijgen, juist omdat die wettelijk niet bestaat. Het is zooveel moeilijker oer-oude gebruiken te wijzigen, dan wetten veranderd te krijgen. Nadat wij ons met de verschillende gasten geruimen tijd onderhouden hadden, werden wij verzocht in de voorgalerij te komen en begon het diner.