Ik zat naast de vrouw des huizes en had aan den anderen kant den jongen oogarts. Mrs. Catt zat tusschen den gastheer en den ingenieur. De anderen zaten daartusschen verdeeld. Ieder gast zat op een mooi zwart houten Chineesch krukje. De gastheer en ook de andere heeren merkten met trotsch op, dat de Chineezen gewoon zijn aan tafel te zitten, doch wanneer wij in Japan ergens zullen worden uitgenoodigd, dat wij dan op den grond plaats zullen moeten nemen.
Op iedere plaats lag een porseleinen lepeltje, zooals wij voor medicijnlepeltje gebruiken, en twee ivoren stokjes. De vrouw des huizes en ook de gastheer schepten beiden met zoo’n klein lepeltje het een en ander in verschillende kommetjes en ieder kreeg zoo’n mooi Chineesch kommetje, zooals wij tehuis op onze buffetten hebben staan, voor zich. Het leek mij zoo’n raar mengsel en daarom vroeg ik wat dit alles was. Het was een groote vrucht, den Chineeschen naam weet ik niet meer, het meest gelijkende op pompelmoes, daarvan wordt de kap afgesneden, het binnenste uitgehold en dit vermengd met stukjes varkensvleesch, kip, streepjes van het binnenste van bamboe (’t geen hier veel gegeten wordt), meloenzaad, boontjes, deze laatste waren de vruchtjes van witte leliën, en nog andere roode en groene vruchtjes meer. Dit alles wordt dan weder in de vrucht gedaan en gezamenlijk gekookt. Deze heele vrucht wordt op tafel gebracht en daaruit krijgt elkeen het zijne. Achter elks kommetje stond een heel klein kopje, waarin soja was gegoten en waarin men zijn tusschen de stokjes geknepen stukje van het een of ander doopte, alvorens het te nuttigen.
Nu begon men te eten. Mrs. Catt en ik deden wanhopige pogingen om onze stokjes in de hand te houden en daarmede de stukjes van den rommel in ons kommetje naar den mond te brengen. De vrouw des huizes hielp mij een beetje. Ook mrs. Catt kreeg hulp van haar buurman. Wat was ik blij als ik zoo’n stukje beet had en naar mijn mond had gebracht, maar ik vertrouwde mij niet om er eerst mede naar het sojabakje te gaan en het daar in te dippen, zoo’n lange reis kon ik het niet vasthouden. De nattigheid, die onder in het kommetje was, werd met het lepeltje genuttigd. Dat proces ging beter.
Toen kwam het tweede gerecht. Elk kreeg een schoteltje met gekookte haai-vinnen. Die smaakten eigenlijk net als gekookte vinnen van andere visschen, misschien iets slijmeriger, maar men zal wel Chinees moeten zijn om er het fijne van te proeven. Bij de Chineezen gelden haaivinnen voor een groote delicatesse. Wij twee hadden onze schoteltjes nog niet half leeg, toen de anderen reeds lang klaar waren en het volgende gerecht werd opgediend. Dat leek mij zoo raar, zoo wit vleezig en zoo slijmerig, dat ik mijn buurman eerst vroeg “wat is dit?” “Dat zijn kikvorschen,” zeide hij. Ik moet al een heel bedremmeld gezicht gezet hebben, want oogenblikkelijk liet hij er op volgen, “maar het zijn geen kikvorschen, die in slooten en plassen leven, deze worden door de families zelve op de rijstvelden gekweekt.” Wij hadden ’s morgens zooveel levende kikkertjes in de markthalletjes aan touwtjes zien bengelen, in gezelschap van muizen en ratten, dat ik bevreesd de vraag opperde: “Eet men hier ook muizen en ratten?” “O ja,” was het eenvoudige antwoord, “muizen, vooral wanneer die een tijd lang goed gevoed zijn, beschouwen wij als een lekkernij; maar ratten, evenals honden en katten, worden alleen door de arme menschen gegeten, dat is een grof voedsel”.
Ik kon mijn stukjes kikvorsch niet meer naar den mond brengen, hoeveel moeite ik er ook voor deed. Mrs. Catt had echter haar bordje reeds leeggegeten, zonder te weten wat het was, toen de gastheer haar stralend vroeg of zij ook zoo’n liefhebster van kikvorschen was. In het zuiden van Frankrijk at men alleen de achterpooten, maar de ruggen waren juist het lekkerst. Mijn lieve, goede reisgezellin had een oogenblik moeite haar maaginhoud binnen te houden, en kon met geen mogelijkheid van het verdere diner nog iets nuttigen. En toen kwam juist het fijne. Ieder kreeg een schoteltje met hartjes en levertjes. Men zeide mij, dat het de hartjes van nachtegalen waren, maar ik wil hopen, dat zij van minder edele vogeltjes afkomstig zijn. Daarna werd de pièce de résistance opgediend. Elk kreeg weder een bakje, zooals in het begin, driekwart gevuld met rijst, lekker korrelig gekookt. In ’t midden van de tafel werden een dozijn grootere bakken gezet, elk gevuld met iets anders. Dat was een formeele rijsttafel, maar zonder de sambals. Geen enkele kruidenij werd aan tafel gebruikt en door niemand werd iets gedronken. Er stond trouwens geen glas en geen drinken.
Elkeen pakte nu met zijn stokjes, waarmede al het voorgaande gegeten was, uit de verschillende bakjes wat hij of zij wilde hebben en at dat met de rijst. Mijn buurman bediende mij. Ik vroeg alleen een stukje eendvogel, wat hij met zijn stokjes op mijn rijst deponeerde, en toen hij mij nog wat wilde geven, vroeg ik een gebakken ei. Maar, o, wee, toen ik dat in mijn bakje had, zag ik, dat het een ei met een kuikentje was. Onze Chineesche tafelgenooten verorberden zoo’n gevuld ei met bijzonderen smaak, ik vergenoegde mij met een beetje van mijn stukje eend te eten en wat rijst uit het bakje in mijn mond te schuiven. Dat is eigenlijk het eenig wat de Chineezen heel onsmakelijk doen, het eten van rijst met de stokjes. Zij kunnen de rijst niet met de stokjes pakken, daarom zetten zij het bakje aan den mond en schuiven de rijst met de stokjes naar binnen. Het leek heel veel op slobberen. Messen worden aan tafel niet gebruikt, alles wordt in de keuken zoo klein gesneden, dat men het zoo kan eten. Zij vinden het zeer onbeschaafd van de Europeanen om zich aan tafel van messen te bedienen. Voor toespijs kregen wij een heel dun rijstkoekje met een stukje vette ham er boven op. Daarna kreeg elkeen weder een klein kopje thee en daarmede was het diner afgeloopen. In de binnengalerij stonden vruchten en zoetigheidjes op tafel; ieder bediende zich zelf daarvan.
Weldra was het acht uur en toen vroeg de gastheer ons of wij plezier hadden met het heele gezelschap mede naar een theater te gaan, waar een echt Chineesch stuk, uit het Chineesche volksleven gegrepen, door amateur-artisten gegeven zou worden. Wat konden wij meer wenschen! Voordat wij de woning echter verlieten, bood de vrouw des huizes, door middel van haren man, ons elk een paar ivoren, met zilver gemonteerde, stokjes aan, als aandenken aan ons eerste Chineesche diner. Zij had in elk glazen doosje haar miniatuurkaartje gelegd, in de hoop, dat wij haar nooit zullen vergeten en haar nog eens van ons zullen laten hooren. Van alles wat ik van deze reis mede naar huis zal brengen, zal niets zoo’n waardevol souvenir voor mij zijn, als deze twee stokjes, omdat zij mij telkens weder den dag zullen te binnen roepen, die van onze geheele reis de merkwaardigste is en die mij China en de jong-Chineezen zoo van nabij heeft leeren kennen.
Het stuk, dat opgevoerd zou worden, gaf ons een blik in toestanden, zooals die vóór de revolutie in China heerschten en die nu gaandeweg aan het verdwijnen zijn. Het was het huiselijk leven van een mandarijn, die zich verrijkt had met de zuur verdiende gelden van het arme volk. Hij is nu oud, verkoopt zijn plaats aan een collega en vertrekt met zijn gezin naar elders. Zijn eenige zoon is een groot speler, besteelt zijn vader en verliest al het geld van papa. De oude mandarijn sterft van verdriet. Als de zoon geen geld meer bezit om te spelen, verkwanselt hij zijn zusje aan een slecht befaamd huis en ten slotte hangt hij zichzelf op. De moraal van het stuk: onrechtmatig verkregen goed gedijt niet. Dat lag er dik op. Het gaf ons echter een blik in zoovele huiselijke zaken in China, waarvan men wel leest, maar die men anders nooit voor oogen krijgt en het werd meesterlijk gespeeld door jonge studenten, die het opvoerden ten voordeele van de kas der politieke vereeniging, waartoe ook zij behooren.
In het eerste tooneel zien wij den ouden mandarijn met zijne dochter en de vrouw van zijn zoon. Ieder der huisgenooten heeft een eigen bediende, die hem of haar als een schaduw volgt en als zij stil zitten, onophoudelijk koelte met een waaier toe wuift. Dan komt de zoon tehuis, die voor zijn vader kruipt, maar zijn vrouw en zuster als een tyran behandelt. Daarna ontvangt de vader bezoek van een anderen mandarijn, die in rang beneden hem staat en wij zien de verschillende plichtplegingen van deze twee tegenover elkander. Dan licht de eerste zijn opvolger in hoe hij de 100.000 dollars, die hij hem voor de plaats betaald heeft, gemakkelijk in korten tijd weder uit het volk kan terugwinnen. Dat gaf natuurlijk menig staaltje van brutale uitzuigerij van deze Manchu-ambtenaren te zien en te hooren.
In het tweede bedrijf heeft de vader bemerkt, dat zijn zoon hem besteelt en het geld in speelhuizen verliest. Een typische scène tusschen vader en zoon, waarbij de vader zich zoo opwindt, dat hij neervalt, ziek wordt en sterft. De dokter-kwakzalver komt aan het ziekbed en verricht hocus-pocus-kunstjes. De vader sterft en alle formaliteiten, die bij zoo’n dood voorvallen, zien wij gebeuren. De priester komt, de duivel wordt verbannen, de familieleden komen, de begrafenis wordt voorbereid en alles wordt zoo aanschouwelijk voorgesteld, alsof het in werkelijkheid plaats vindt.
In het derde en laatste bedrijf is de zoon reeds geheel verarmd, zijn schuldeischers maken het hem lastig, de bruidsschat van zijne zuster heeft hij ook reeds verkwanseld en dan komen een paar kerels hem geld voor dat zusje zelf aanbieden. Hij hoopt met dat geld zijn verloren kapitaal terug te kunnen winnen, zijne zuster zal hij dan weder bevrijden en zoo brengt hij zijn geweten tot zwijgen en stemt met den koop in. Het meisje wordt dan gesluierd, aan armen en voeten gebonden en medegevoerd. Nauwelijks is zij weg of andere schuldeischers komen hem het pas ontvangen geld afhandig maken tot hij geen cent over heeft en radeloos hangt hij zich dan op. Wij krijgen dan een geheel ander beeld van wat voorvalt in het huis van een zelfmoordenaar.
Mrs. Catt en ik hadden elk een jongmensch naast ons zitten, die ons telkens de vertaling gaf van hetgeen de acteurs zeiden, zoodat geen woord van het geheele stuk verloren ging. Van het begin tot het eind waren wij door het stuk en het spel der jongelieden geboeid, wij gevoelden ons geheel tehuis in de wereld, die ons daar vertoond werd.
Om ruim elf uur was het stuk afgeloopen, waarna onze beide jonge cavaliers ons in het private stoombootje van onzen gastheer over de rivier naar het hotel brachten. Het was een prachtige sterrenhemel, van vele schepen werden weder goede en booze geesten aangenaam bezig gehouden, kleine bootjes met Boeddhistische nonnen en andere met monniken zwierven op het water rond, om de watergoden te heiligen, de eentonige Chineesche muziek werd van verschillende schepen gehoord, tal van kleine vaartuigjes met gekookte rijst, gebakken of gekookte visch, vruchten en andere etenswaren gondelden tusschen de groote schuiten door om nog wat te verkoopen, de hel verlichte stad bood een phantastisch beeld, dit alles stemde ons met een dankbaar gevoel en dit prachtig slot aan zoo’n heerlijken dag maakte ons overgelukkig.
Toen wij ten slotte in het middernachtelijk uur op onze kamer aangekomen waren, keken wij elkander eens goed aan en riepen uit: Wat een onvergetelijke dag! Maar, vroegen wij ons af, zal men ons willen gelooven, als wij onze lotgevallen van dezen eenen dag ook nog zoo eenvoudig mogelijk beschrijven? Zal iemand, die niet hier is geweest, die de Chineesche toestanden niet kent, onze beschrijving van het diner en alles wat er opgediend werd voor waarheid aannemen? Zal men realiseeren wat het beteekent, dat wij tweetjes hier in deze stad, die nog in staat van beleg verkeert, twee dagen lang hebben rondgedwaald om vrouwenkiesrecht en vrouwen-parlementsleden op te sporen en die niet alleen hebben gevonden, maar zelfs met deze Cantonneesche vrouwen-raadsleden hebben gesproken en met eenigen gedineerd en dat terwijl zelfs in Canton doktoren, leeraren, de hotelier, vele zendelingen en anderen ons niet eens wisten te vertellen, of er zulke vrouwen, eenig in haar soort, in deze stad bestonden en waar het gebouw is, waar de raadszittingen worden gehouden? Van den heer Tze Yin Pak hebben wij nu aanbevelingen mede gekregen voor partijgenooten in Shangai, Nanking en Peking, waardoor wij direct in aanraking zullen komen met de personen, die wij vóór alles willen leeren kennen. Treffen wij toevallig dr. Sun ergens aan, dan zullen wij ons bij hem aandienen, want hij weet van onze komst en de heeren wisten ons bepaald te verzekeren, dat dr. Sun ons gaarne zal willen spreken.
Ondertusschen zijn wij nu weer in Hongkong teruggekeerd, na een prachtigen tocht over de schilderachtige Paarlrivier. Van deze boottochten hoort men hier nooit zoo heel veel gewagen, doch inderdaad leveren zij meer natuurschoon en meer bezienswaardigs op dan een tocht langs den Rijn of den Donau, of welke andere bekende Europeesche rivier.
Morgen willen wij naar Shangai vertrekken en daar zullen wij vernemen, of het mogelijk is, dat wij naar Peking opgaan. Heel gemakkelijk zullen wij ons niet laten uit het veld slaan, want wij hopen te zeer Nanking en Peking te kunnen bezoeken. Voor den tocht naar Canton had men ons ook zoo bevreesd gemaakt, ieder vertelde, dat wij kans hadden er niet van terug te keeren en nu verheugen wij ons zoo, dat wij het plan hebben doorgezet. Maar toch zullen wij voorzichtig zijn, want de toestanden veranderen hier bij den dag. Toen wij in Canton waren, werd daar nog heel licht over het doodschieten van de twee generaals, leden van de Tung Ming Hui, gesproken en hier vernemen wij, dat de Nationale Raad en zelfs de Tung Ming Hui den president Yuan om opheldering hebben gevraagd en als die ophelderingen niet voldoende zijn er dan een leger naar Peking zal worden gezonden en daar de strubbelingen opnieuw zullen beginnen.
Ondertusschen rust op mij nog de taak om een beknopte beschrijving te geven van de allerzonderlingste stad Canton en van alle merkwaardigheden, die wij er zagen. Daaraan zal ik den volgenden brief wijden, want dit pakket moet heden verzonden worden.
Zooals ik reeds schreef, de stad Canton is de allerzonderlingste stad, die men zich denken kan. Verbeeldt u een stad van 2½ à 3 millioen inwoners, een viermaal grootere bevolking dan de stad Amsterdam, geheel bestaande uit straatjes, nauwelijks een paar meter breed, waar alleen de zonnestralen zouden kunnen doordringen als de zon zoo hoog aan den hemel staat, dat zij hare stralen verticaal naar beneden zendt, maar op dat uur van den dag ziet men van weerskanten van boven de huizen een mat rolgordijn uitspannen, om die enkele stralen op te vangen. Deze nauwe straatjes schijnen nog nauwer dan zij in werkelijkheid zijn, omdat elk huis een winkeltje is en deze winkeltjes alle hun naam en kwaliteit en wat de Chineesche letters meer mogen uitdrukken op lange, breede geverniste planken, die aan de intrede van het winkeltje naar de straat uitsteken of op breede linnen strooken, die in de lucht wapperen, hebben aangegeven. Deze planken of linnen banden zijn rood, groen of geel geschilderd en in sterk contrasteerende kleuren is de naam en reclame aangebracht. Sommige van deze straatjes zijn een mijl lang en bijna alle bevatten slechts één soort winkeltjes, waartusschen dan hier en daar een restauratie of een tempel, soms een schooltje gevestigd is. Men heeft de schoenmakersstraat of straten, de zilversmeden, de zijdeverkoopers, de straat waar zijden of ander borduursel verkocht wordt. In al die straten krioelt het den geheelen dag van menschen; als men, zooals wij, een heelen dag de stad van alle kanten doorkruist heeft, dan krijgt men het gevoel die millioenen menschen vrijwel allen gezien te hebben. In Caïro, Damascus en andere steden, heeft men een gedeelte van de stad, de bazaar, dat een beetje aan Canton doet denken, maar hier bestaat een stad met viermaal zooveel inwoners als Amsterdam, geheel uit zulke straten. Op verschillende plaatsen wordt de stad door kanalen of grachten, die in de rivier uitmonden, doorbroken en op die plaatsen doet zij iets aan Venetië denken, maar toch is het weder anders, want op deze kanalen, hoe nauw zij ook zijn, heerscht een levendigheid en vertier, die men elders mist.
In het begin gevoelt men zich totaal van streek, in deze nauwe straatjes, te midden van een zoo vreemd volk, met zulke vreemde gewoonten; men drukt den zakdoek voor den mond om de lucht niet in te ademen en de onwelriekende geuren niet op te snuiven en men vraagt zich verwonderd af, hoe de menschen hier kunnen leven en tieren. Maar weldra raakt men aan deze omgeving gewend, men laat zich kalm uren lang door deze drukke, schreeuwende menigte voortdragen en tracht aan beide zijden tegelijk uit te kijken, om toch vooral zooveel mogelijk van alles wat rondom geschiedt in zich op te nemen. O, wat had ik in Canton gemakkelijk voor een paar dozijn oogen werk gevonden, mijne simpele twee konden het in den regel alleen niet af; de dragers moesten nu en dan even staan blijven om mij tijd te geven naar beide zijden, voor en achter en naar onder en boven te kijken.
De marktplaatsen,—bijna elke lange straat begint en eindigt met ’n marktplaats—waren het onaangenaamste om te passeeren. De meest afzichtelijkste en onsmakelijkst opgemaakte dingen worden daar verkocht, terwijl de reuk, die deze dingen verspreiden, ongenietbaar is. Levende ratten en muizen en kikvorschen heb ik in mijn vorig schrijven reeds vermeld, stukken bloedig vleesch dat een uur in den wind stonk en visch, die met bloed is overgoten om het frisch te doen uitzien, en zulke walgelijke dingen zag men daar. Alleen de vruchten- en groentenstalletjes zagen er goed uit. De overheid in Canton, dat zijn nu de 120 jonge mannen en vrouwen, die den Raad uitmaken, heeft reeds het besluit genomen om deze primitieve marktplaatsen op te heffen en zestien markthallen, rondom de stad, maar buiten de nauwe straatjes gelegen, te bouwen. De stad zal rondom uitgebreid worden, de wallen geslecht en daarbuiten zal men trachten breedere straten, met moderne huizen, aan te leggen. De familie Tze Pak, waar wij gedineerd hebben, woont nu reeds buiten de oude stad.
Ieder winkeltje is tegelijkertijd de werkplaats, waar het te koop gebodene gemaakt wordt. Men kan, als men wil, van het begin tot het einde zien, hoe hetgeen men koopt, gefabriceerd is. En in elk winkeltje ziet men een hoekje of plaatsje met een kastje, waarvoor een lichtje brandt of een stokje staat te rooken. In dit kastje worden de geesten bewaard van de dierbare afgestorvenen. Dat wil zeggen, de eene geest, dien men mede naar huis neemt. Een Chinees bezit nl. drie geesten. Als hij sterft gaat er één regelrecht naar den hemel of de hel, al naardat hij het hier op aarde gemaakt heeft, een er van neemt hij mede in de kist en de derde wordt door de nabestaanden opgevangen en in een zeer kunstig gesloten doosje bewaard. Dat doosje wordt thuis in een kastje gezet, expresselijk en alleen voor dat doel dienende, zoodat de geest dagelijks verheerlijkt of geheiligd kan worden. Al is de overledene nog zoo’n onaangenaam mensch geweest en elkeen eigenlijk blijde was dat hij het heden met het hiernamaals verwisseld heeft, dan nog doet men na zijn dood alles om zijn geest tevreden te stellen en in een goed humeur te houden. Alle ongeluk in zaken, alle ziekten, alle huiselijke onaangenaamheden, worden altijd op rekening van de geesten van afgestorvenen geschoven, die over gebrek aan toewijding ontevreden zijn.
Op een oogenblik, dat wij juist een hoek van een straat zouden passeeren, moesten onze dragers even stilstaan, omdat er een groote lange processie voorbij toog. Het gold een begrafenis, d.w.z. het lijk werd naar “de doodenstad” gebracht, waarover later. Vóór de lijkkist, die door 12 man gedragen werd, liep een man met een voorgebonden zak, waaruit hij onophoudelijk ronde stukjes zilverpapier naar beide zijden van de straat strooide. Op onze vraag wat dat beteekende, vernamen wij, dat die stukjes papier verbeelden geld te zijn. Hij koopt met dat geld de geesten van de straat om, zoodat zij de ziel van den doode, die in de kist het lijk vergezelt, ongestoord zullen laten passeeren. Al de volgelingen van het lijk waren in oranjegele draagstoelen gezeten; de vrouwen droegen alleen een groot wit jakje over hunne gewone kleeding en een dito doek los over het hoofd gelegd. Mannen zagen wij niet bij den stoet. Dat was een bewijs, dat er een vrouw begraven werd. Mannen vinden het niet noodig het lijk hunner vrouwen naar het doodenhuis te begeleiden. Als een vrouw sterft, kan zij hem in niets meer van dienst zijn, over hare begrafenis maakt hij zich niet druk. Somtijds trouwt hij denzelfden dag reeds met een ander.
Laat men niet vergeten, dat er een oud- en een jong-China bestaat. Verreweg het grootste deel van de bevolking behoort nog tot oud-China; het kleiner deel, jong-China, heeft gebroken met tal van oude gewoonten en gebruiken, dat tracht zooveel mogelijk Europa, of nog liever Amerika, na te volgen. De menschen, waarmede wij in nauwer contact zijn gekomen, en verder waarschijnlijk zullen komen, behooren allen tot jong-China. Zoo kon het ook gebeuren, dat in het gezin van den heer Tze Pak, de vrouwen mede aan tafel zaten, in een ouderwetsch Chineesch gezin eten de mannen alleen en daarna pas de vrouwen.
De oranje-gele kleur van de draagstoelen, waarin de volgelingen van dien lijkstoet gezeten waren, toont aan, dat de familie tot den Boeddhistischen godsdienst behoort. Er zijn niet veel Boeddhisten meer in China. In het volkrijke Canton zijn er slechts eenige duizenden. Verreweg het meerendeel der bevolking is Confucionist. Dit schijnt, vooral voor de mannen, een zeer gemakkelijk geloof te zijn. De mannen behoeven slechts den god van den oorlog en den god van den rijkdom te heiligen, dan zal het hun goed gaan; de vrouwen hebben daarentegen tal van goden te ontzien, voor alle zaken hebben zij een afzonderlijk godje, dat zij bewierooken, met gekleurde papieren poppetjes vermaken en met zilverpapier omkoopen.
Het Boeddhisme is hier evenwel evenals op Ceylon zeer vervalscht; van het zuivere Boeddhisme, zooals wij dat in Rangoon zagen, is hier niet veel meer over. Het heeft hier geheel zijn philosophisch karakter verloren en een zuiver afgodendienst-vorm aangenomen.
Wij bezochten eenige voorname Boeddhisten-tempels. De dwaaste van alle is wel de tempel der 500 genieën. In dezen tempel zijn 500 levensgroote vergulden mannenbeelden, de discipels van Boeddha voorstellende. Er waren er met duidelijk Hindoe-type en met Chineesch type en één Italiaan. Elk van deze beelden gaf door houding en gebaren te kennen, wat soort discipel hij was. Boeddha zelf wordt in dezen tempel en de andere tempels die wij zagen geheel anders uitgebeeld dan de Burma-Boeddha. Hier is hij een vette, vroolijke dikzak, die het liefst met zijne kinderen speelt. De wijsgeer in hem raakt hier heelemaal op den achtergrond.
De tweede belangrijke tempel dien wij bezochten was de tempel der vijf genieën. Hier waren maar vijf mannetjes, maar ’t waren de vijf, die op rammen door de lucht waren komen vliegen en in Canton waren neergedaald. De versteende rammen liggen aan hunne voeten; maar ik betwijfel of iemand, zelfs met de sterkst werkende fantasie, uit deze steenklompen rammen kan herkennen. Deze tempel bevat een merkwaardige klok, die heel hoog in de lucht hangt en bijna niet in beweging kan worden gebracht. Deze klok is daar door de vijf genieën duizenden jaren geleden aangebracht, ter waarschuwing als de stad een ongeluk dreigt. Als die klok geluid geeft, dan volgt er gewis een of ander onheil. Tal van verhalen zijn daarvan in omloop, het een al griezeliger dan het ander. Den laatsten keer dat er geluid uit deze bel kwam, was in den laatsten oorlog met Engeland. Een Engelsche kogel raakte de bel, de heele omgeving hoorde het geluid, waarop de Chineezen zich maar gauw overgaven, toch wetende, dat nu ongeluk hun boven het hoofd hing.
Er is ook een tempel aan een medicinischen god gewijd. Die god geneest niet alleen alle bestaande ziekten, maar oefent ook alle macht uit over toekomstige ziekten. Men kon vroeger een bakje vuil water voor veel geld van hem koopen, dat gedronken, alle bestaande en komende kwalen als met een tooverslag het veld doet ruimen. De tegenwoordige regeering heeft echter aan dit gevaarlijke zaakje der priesters paal en perk gesteld.
De aardigste en kleinste tempel dien wij zagen is aan Boeddha zelf gewijd. Drie groote beelden van Boeddha, het verleden, heden en de toekomst voorstellende, stonden in het midden van den tempel. Er was echter ook een heilige kast, geheel van zilver, die bevatte een reliquie van Boeddha. Het was de nagel van een van zijn teenen!!! Pelgrims komen eens in het jaar om dat waardevolle ding te verheerlijken.
En zoo waren er nog tal van tempels, zonder eenige architectonische bijzonderheid, noch mooi beeldhouwwerk of van andere artistieke waarde. Men zegt, dat er meer dan 2000 tempels in Canton zijn. Ook de tempels der Confucionisten zijn de moeite van een beschrijving niet waard. Zij zien er alle even vuil en vies uit, niemand schijnt zich van een schoonmaak iets aan te trekken. In de voorhal van sommige tempels wordt gewoonweg een zaakje uitgeoefend of heeft een of ander werkman een tijdelijke werkplaats gemaakt.
Eén groote, hooge pagoda is nog in Canton; die wordt echter niet meer gebruikt; hij ziet er erg schilderachtig uit, doordat hij in den loop der tijden van onder tot boven begroeid is met gras en ander groen.
Meer merkwaardig dan mooi is de Clepsydra of de waterklok. Men vertelde ons, dat er slechts twee zulke klokken op de wereld bestaan, waarvan dan een in Peking en een in Canton is. Lang voor men van klokken ooit iets vernomen had, heeft een geniaal Chinees den dag en nacht in tweemaal twaalf uren verdeeld en een waterklok gemaakt, bestaande uit vier boven elkaar staande bakken. De bovenste bak wordt vol water gegoten en deze laat langzaam het water in de tweede lekken. Vandaar gaat het naar de derde en eindelijk komt het in de vierde bak. Als de onderste bak een zekere hoeveelheid water bevat, is het één uur, wat men buiten kan aflezen, en zoo vervolgens elk uur verder. Vroeger stond een wacht bij die klok, die elk uur dat verstreken was, luide in de stad verkondigde, zoodat de heele bevolking kon weten hoe laat het was. Men zegt, dat de arme menschen nog steeds deze klok als hun tijdmeter gebruiken.
Wij brachten ook een bezoek aan de doodenstad. Dat is een groot steenen gebouw even buiten de stad gelegen. Er zijn 200 kamertjes in deze woning, die door een gordijn kunnen worden afgesloten. In al die kamertjes staat een groote doodkist, de een mooier dan de ander. Als iemand sterft, dan moet hij na 24 uren begraven worden. Dat is een te korte tijd voor de familieleden om een goed graf te vinden. Want niet elk stuk grond is geschikt om een lijk te herbergen.... De grond mag niet te vochtig zijn, er mogen geen wormen of ander ongedierte huizen. Fung Shui mag er niet heerschen en zoo meer. Ook mogen er geen boomen groeien, want bladerengeritsel maakt de geesten zenuwachtig. Het liefst begraven de Chineezen hunne dooden tegen een hellenden, rotsigen bergwand. Zoo’n grafplaats wordt met groote zorg gekozen en dikwijls zeer duur betaald.
Zoolang men er nu nog niet in geslaagd is een geschikt graf te vinden, bewaart men de dooden in een van de kamertjes in de doodenstad. Voor drie maanden moet de huur van zoo’n kamertje te voren betaald worden, ook al verwijlt het lijk er korter. Die huur bedraagt tusschen de 5 tot 2000 dollars. Zoo’n kamertje wordt nu, zoolang het lijk er vertoeft, echt gezellig ingericht. Er worden door de familieleden een tafel en stoelen naar toe gebracht, de wanden worden behangen met op rijstpapier geschilderde figuren, mooie Chineesche vazen worden in de hoeken gezet, versche bloemen worden dagelijks aangebracht en elken morgen wordt een kommetje versch gemaakte thee op tafel voor de kist gezet, zoodat de geest, zoo noodig, zijn dorst kan lesschen. Sommige van deze kamertjes, waarin een rijke doode vertoefde, zagen er zeer weelderig en smaakvol uit.
Deze doodenvereering verliest echter alle poëzie, als men er de reden van verneemt. Het is niet de ware vereering. Men wordt niet door liefde en aanhankelijkheid voor den doode gedreven, alleen vrees dat de geest van den doode onheil zal aanbrengen doet de overlevenden alles doen om den geest aangenaam te stemmen. Elke Chinees tyranniseert zijn familie na zijn dood veel meer dan hij ooit in zijn leven bij machte is geweest te doen. Dat geloof aan het werk der geesten is algemeen verbreid en zelfs onder de verlichtste menschen bestaat altijd nog een twijfel; zij vinden het maar raadzaam de geesten der dooden te vereeren, men kan nooit weten. Gelukkig blijven zulke geesten niet eeuwig bestaan, na 16 jaar komen zij op de aarde terug in een lager of een hooger wezen, naar gelang zij het vroeger op aarde gemaakt hebben. Als een vrouw erg goed heeft opgepast, komt haar geest als man terug; een man wordt voor straf in een vrouw herschapen. De laagste vorm waarin men kan terugkeeren is een worm.
Met een zeker welbehagen bracht de gids, ook zonder dat wij het wenschten, ons naar het gevangenisgebouw. Dat is het treurigste wat men zich denken kan. Vele mannen en vrouwen, gezamenlijk in groote cellen van zware ijzeren pijlen, geheel gelijkende op wilde beestenhokken, ongewasschen, ongekamd, in lompen, met de afzichtelijkste huidziekten, worden daar weken en maanden, soms voor de minste kleinigheid, voor een ieder zichtbaar, gevangen gehouden. Men zegt, dat het pijnigen en kwellen der gevangenen onder deze regeering over heel China is afgeschaft, maar van zeer bevoegde zijde vernamen wij, dat het toch nog geregeld hier en daar wordt toegepast. Het door de straten van de stad voortdrijven van een armen gevangene, dien men zware ijzeren gewichten aan de beenen heeft gebonden, en wiens rug, zoodra hij staan, blijft, met een gloeienden ijzeren bout van een achter hem loopenden vent in aanraking komt, wordt nog dagelijks vertoond. En menschen met een breede, houten, vierkante schijf, voorzien van een gat, waar het hoofd net tusschen past, uren lang in de zon laten staan branden, zonder dat zij met hunne handen hun gezicht kunnen bereiken, was nog niet zoo heel lang geleden zelfs in Hongkong gezien. Gelukkig werd ons dat gezicht bespaard en ook zagen wij op den executiegrond geen menschen met afgesneden hoofd liggen. Tot nog voor zeer kort werden er dagelijks vele lieden in Canton onthoofd en dat wel op de meest primitieve wijze. Met een gewoon groot mes werden hun gewoon de koppen afgesneden op een voor een ieder zichtbaar stuk grond en dagen lang bleven de onthoofde lichamen daar liggen. Nu past men een beschaafder methode toe; men neemt de gevangenen mede even buiten de stad en schiet hen dood. Ons werd verteld, dat er kort geleden op één dag 50 stadgenooten in Canton waren doodgeschoten, doch als regel helpt men dagelijks niet meer dan tien tot twaalf naar de andere wereld. Dat de Jong-Chineezen verbetering van het strafwezen op hun program hebben is dan ook geen weelde.
Terwijl wij in alle tot dusver geziene Oostersche landen den indruk kregen dat het Oostersch klimaat de menschen, ook de inboorlingen, traag en lui maakt, bieden de Chineezen een geheel ander beeld. Onwillekeurig verkrijgt men in China de overtuiging, dat de Chineezen het nijverste volk der aarde zijn. Den geheelen dag, van ’s morgens tot ’s avonds, zagen wij nooit een plek waar de mannen of vrouwen lui neerzaten of lagen te slapen. Den geheelen dag waren allen druk in de weer, alles met een zenuwachtigen haast doende; zelfs toen wij velen midden op den dag in de open restauraties hun middagmaal zagen nuttigen, schenen zij ook dit met denzelfden haast te doen. Zij verdienen den naam, de werkbijen van de wereld te zijn.
Er zijn in Canton wel barbierswinkeltjes, open als alle winkeltjes, maar die zijn niet druk gefrequenteerd, want de meeste Chineezen gunnen zich geen tijd om van hun werk naar den barbier te gaan; vlugger gaat het, als de barbier bij hen komt. Overal ziet men dan ook midden op de straat een barbier zijn werk verrichten. Barbier is eigenlijk een zeer verkeerde naam voor deze beroepslieden, want bij een Chinees valt er niet veel te scheren. De meeste Chineezen hebben gladde, baardelooze gezichten. Eerst op ouderen leeftijd, zooals ook bij ons sommige vrouwen, beginnen bij den Chinees onder den neus en aan de kin wat haarstoppels te groeien. Maar geen Chinees zal zich die lang gewenschte teekenen van manbaarheid laten afscheren. Daar is hij veel te trotsch mee; met zorg worden die wijd uiteen geplante, stekelige borsteltjes gekweekt. De barbier heeft dan ook in den regel alleen het hoofdhaar te verzorgen, dat, nu de Chineezen hun staart hebben verloren, op Europeesche wijze gemillimeterd wordt. Bij vele oudjes, waar het hoofdhaar niet meer zoo vlug aangroeit, verraadt een zekere rare plek, op het midden van het hoofd, nog zeer sterk waar de staart gezeten heeft. Hoewel er in China nog wel enkele staartmenschen zijn, hebben wij toch in heel Canton geen enkelen staart gezien. Dat kenmerkt eenigszins de stad.
Nu zit ik voor het eerst op een Amerikaansche boot, die ons van Hongkong naar Shanghaï zal voeren. Dit is een van de kleine booten, die tusschen San Francisco en Hongkong varen, een die elk tusschen gelegen havenplaats aandoet. De boot is stampvol, alle hutten zijn tot het uiterste bezet, wij tweeën mogen blijde zijn, dat men ons samen in een hut heeft geplaatst en geen derde persoon bij ons heeft ondergebracht.
Vóór wij Shangaï Dinsdagmorgen verlieten ontvingen wij nog eerst een bezoek van den heer Volpicelli, den consul-generaal voor Italië, in Zuid-China. Deze heer was ons in Canton zeer van dienst geweest en nu kwam hij ons eenige introductiebrieven brengen voor zijne vrienden in verschillende steden van China, die wij waarschijnlijk zullen bezoeken. Hij vertelde ons, dat Zaterdag, een paar uur nadat wij Canton verlaten hadden, daar een opstand was uitgebroken, grooter en ernstiger dan er gedurende de revolutie was geweest. Een groote menigte rebellen had het huis van den gouverneur omringd en dreigden al de binnen de poorten zich bevindenden te dooden. Tegelijkertijd werd ook het raadsgebouw omsingeld, doch daar er des Zaterdags geene zittingen gehouden worden, konden zij daar niets uitvoeren, Vele dooden zijn er weder van weerszijden gevallen; misschien zijn er van onze pas gemaakte vrienden wel onder de gesneuvelden, doch toen mr. Volpicelli Maandagavond de stad verliet, scheen het hem toe, dat alles weder tot rust was gebracht. Deze heer, die reeds meer dan 30 jaar in China woont en het heele land en zijne bevolking kent, gelooft niet aan het voortbestaan van deze republiek.
Hoewel deze boot, de Persia, aan zindelijkheid niets te wenschen overlaat en ook alle comfort aanbiedt, die men op zoo’n kleine boot van nog geen 3000 ton verwachten kan, is het toch geen schip, dat mijne Amerikaansche reisgezellin met nationalen trots vervult. Dat men zich op Amerikaanschen bodem bevindt, bemerkt men dadelijk. In het midden van de eetzaal staat een enorm groot vat met gedistilleerd ijswater. Ieder kan zich daaruit naar believen bedienen. Een Amerikaan zonder ijswater is niet denkbaar. IJswater is het grootste gemis, wat zij op reis in vreemde landen lijden, ’s Morgens, vóór zij iets anders nuttigen, drinken zij een groot glas ijswater en verder den geheelen dag en bij alle maaltijden. Maar overigens zijn zij matige drinkers. Op de Persia, met zijn ruim 60 eerste klasse passagiers, voor verreweg het grootste deel mannen, ziet men den geheelen dag geen sterken drank gebruiken. Rooken doen zij evenwel als schoorsteenen. Nauwelijks had de boot Dinsdagmiddag de haven van Hongkong verlaten of de Bridge-tafeltjes werden in gereedheid gebracht. Als men niet in de eetzaal is om te eten, of in de hut om te slapen, dan speelt men bridge. Hoe kan het, in gezelschap van Amerikanen, anders. Maar ’t is goed, dat dit spel een beetje afleiding geeft, anders zouden er velen zeeziek zijn. De zee is zoo onstuimig, dat het onmogelijk is de gewone dekspelen te doen. Zelfs de kapitein moet met zeemansbeenen loopen, om zich staande te houden, als hij zich van het eene eind van het schip naar het andere begeeft.
31 Aug. Tot zoover was ik Woensdag den 28sten Augustus om 6 uur ’s avonds met mijn geschrijf gekomen, toen ik mij niet langer staande, of juister gezegd, zittende kon houden. De passagiers, die op het dek waren, waren langzamerhand allen naar binnen gestuurd en de uitgangen afgesloten. In de hutten, eetzaal en salon werden de patrijspoortjes dicht gedaan. Overal heerschte een benauwende, dampige hitte. Alleen de kleine electrische waaiers in de hoeken der salons brachten een klein beetje verademing. Er was nog net een hoekje op een van de banken in het salon open gelaten, waar ik mij kon laten neervallen, doch bijna oogenblikkelijk daarna kwam de steward al de daar aanwezigen verzoeken naar de hutten te gaan en ons in de bedden neer te leggen. Tusschen den hofmeester en den administrateur werd ik naar mijn hut geleid, want het was onmogelijk alleen staande te blijven. Mrs. Catt lag reeds in bed. Ik gooide mij gekleed neder en ontkleedde mij later gedeeltelijk, zonder op te staan. De nacht, die volgde, zal ik—en met mij alle aan boord zijnden—nimmer vergeten, Meer dan 14 uren lang hebben wij in het grootste levensgevaar verkeerd. Wij waren met die kleine, oude boot midden in een typhoon aangeland. Reeds toen wij Hongkong verlieten, hadden wij de typhoonseinen gezien. De kapitein verzekerde ons echter, dat die typhoon achter ons was en een andere richting nam. Hij kon gemakkelijk buiten den koers blijven. Een beetje onstuimige zee was alles wat wij er van merken zouden. Maar nu waren wij door te veel rechts te houden regelrecht in een andere typhoon geloopen, die onverwacht van een andere zijde was komen opzetten. Die was niet meer te ontloopen, wij moesten kalm afwachten, wat voor ons de gevolgen zouden zijn.
Het schip maakte de vreemdste bewegingen. Wij werden in onze bedden naar voren en achteren, naar rechts en naar links geworpen en dat met zoo’n geweldige kracht, dat wij ons slechts met de grootste moeite in onze bedden konden handhaven. Geen oogenblik vertrouwden wij het onze oogen te sluiten, uit vrees, dat wij in slaap zouden vallen en dan tegen den muur, of nog onzachter, tegen den grond geworpen zouden worden. En hoe zag die grond er uit! Alles wat in de hut aanwezig was, lag in een chaos dooreen, onze handtasschen hadden zich van hunnen inhoud ontdaan, de daarin aanwezige fleschjes gebroken en ammonia en glycerine en brandspiritus en brillantine en tandpoeder en andere poeder hadden zich vriendelijk vermengd en over onze kleederen uitgestort. De waterglazen waren naar beneden gevallen en gebroken, de waterkaraf hield zich beter, maar gulpte bij elke wending van het schip een vroolijk straaltje over onze over den grond verspreide bagage. Later voegde zich daarbij nog het zeewater, dat uit ongeziene hoeken naar binnen drong.
Nu en dan was het alsof het schip hoog boven de zee werd opgetild en dan even daarna met een geweldigen slag in het water neerplofte, wat ons het gevoel gaf, alsof wij dan regelrecht naar den bodem der zee zonken. Wij hielden ons moedig. Om wakker te blijven en afleiding te hebben, bleven mrs. Catt en ik onophoudelijk in gesprek. Wij namen ons voor in geval wij naar den grond gingen, geen reddinggordels aan te doen om te trachten het leven te redden. In zulk weder was het beter in eens te verdrinken, dan tegen een der rotsen te pletter te slaan.
Donderdagmorgen om 8 uur vertelde mrs. Catt mij, dat haar bed door het van boven inkomende zeewater drijfnat was—zij lag in de bovenste kooi—en dat zij wilde probeeren op te staan om te zien wat er gaande was. Zij en twee heeren-passagiers waren de eenige moedigen, die hun bed hebben durven verlaten en naar boven durfden gaan om den stand van zaken op te nemen en te trachten iets te eten te krijgen. Maar zij kwam spoedig terug. In de eetzaal lag alles wat zich daar bevond over den vloer. Al wat breekbaar was, was gebroken; de buffetten waren geheel ledig. Van de zware piano waren de touwen, waarmede hij vastgebonden was, gebroken en het ding zelf was zoover van zijn plaats geschoven, tot hij ergens in een hoek vastraakte. In het salon lagen de boeken uit de kasten over den grond verspreid, de glazen deuren der kasten waren gebroken, van twee schrijftafels waren de pooten, die vastgeschroefd zaten, eenvoudig door midden geknapt en de tafels lagen met haar inhoud tusschen de boeken verspreid. Wat met mogelijkheid verplaatsbaar was, had zich losgerukt en verplaatst.
Met behulp van den hutjongen maakten wij nu de canapé in orde voor mrs. Catt, zoodat zij zich daar kon neerleggen. Dat ging echter niet zoo gemakkelijk, onophoudelijk tuimelden wij over den vloer, tusschen onze vuile rommel in en niet dan na menige blauwe plek opgeloopen te hebben, kwamen wij met ons werk gereed. Wij waren echter gelukkiger dan menige andere passagier. Een toch brak bij zoo’n val zijn arm, menige hoofdwond moest door den dokter verbonden worden en velen hadden belangrijke kneuzingen aan enkels, armen en beenen opgedaan. Men vertelde ons, dat een der aan boord zijnde bakkers van een trap viel en een schedelbreuk heeft gekregen.
Tot twaalf uur ’s middags bleven wij in die gevaarlijke en benauwde positie, waarin wij telkens gevaar liepen tegen een rotsblok te pletter te slaan. Toen waren wij op het zoogenaamde kalme middenpunt van de typhoon gekomen en moesten wij het tweede gedeelte nog door. Van dat kalme oogenblik maakten velen gebruik om op te staan en even naar boven te gaan om wat frissche lucht te krijgen. Welk een beeld gaf echter het bovendek te aanschouwen! Buiten en behalve dat alles, wat niet stevig vast zat, overal verspreid lag, vond men er ook tal van doode vogeltjes, terwijl meer dan honderd grootere vogels verwilderd boven het dek rondvlogen en door de passagiers zoo met de handen gevangen konden worden. Zij werden allen in een groot, leeg vat gedaan en ontvingen later, toen de storm voorbij was, hun vrijheid terug. Om één uur kwamen wij in het tweede gedeelte, dat tot ’s avonds 8 uur duurde, doch niet zoo hevig was als het eerste. Toen waren wij door de typhoon heen, maar de zee bleef toch nog onstuimig, zoodat menige passagier voor het verder deel der reis niet meer aan dek verscheen.
De kapitein en de officieren aan boord vertelden ons, dat zij nog nimmer zulk een weder hebben medegemaakt en dat het vorige jaar ongeveer in dezen tijd en op bijna dezelfde hoogte, het zusterschip van onze boot daar in een soortgelijke typhoon naar den grond is gegaan. Het was meer geluk dan zeemanswijsheid, dat ons niet hetzelfde lot heeft getroffen, want zoo’n wind speelt met een schip als met een zeepbel. Wij hadden Donderdagmiddag, tusschen 3 en 4 uur, in Shanghai kunnen zijn als alles normaal was gegaan; nu zaten wij Donderdagavond in het Formosakanaal en arriveerden eerst Zaterdagmorgen om tien uur in Shanghai. Doch, hoe ellendig wij dat lange verblijf op die onstuimige zee ook vonden, niemand uitte een woord van beklag, gelukkig als elkeen was, het levensgevaar ontkomen te zijn.
Een typhoon waar wij zoo bang voor waren en die wij tusschen Manilla en Hongkong zoo zorgvuldig hebben gemeden, hebben wij nu ook meegemaakt, maar dit is een ondervinding, waarvan de gedachte ons steeds met afgrijzen zal vervullen. Zoo’n langen tijd achtereen in levensgevaar te verkeeren en bij elk gekraak van het schip te meenen, dat nu het einde gekomen is, jaagt alle humor op de vlucht.
Bij het binnenkomen in Shanghaï, op de Yang Tse-rivier, zag ik tusschen de vele andere schepen een van onder tot boven met vlaggen getooid. Was dat geen bekend schip? Zag ik daar niet de Nederlandsche kleuren? Jawel, het was de “Holland”, die in deze verre haven den verjaardag van Koningin Wilhelmina verkondigde. De Amerikanen aan boord beweerden, dat het een Duitsch vaartuig was en velen vroegen verbaasd: “Is it really a Holland Dutch ship?”
Mrs. Chapman Catt en Dr. Aletta H. Jacobs te midden van een groep voorstandsters van vrouwenkiesrecht in Shanghai.
In Shanghaï werden wij aan de boot begroet door een Amerikaanschen heer, wiens dochter wij in Java ontmoet hadden. Zij had haren vader over ons geschreven, zoodat, toen hij vernam, dat wij onder de verwachte passagiers der “Persia” waren, hij ons was komen verwelkomen. Hij bood ons onmiddellijk voor den duur van ons verblijf in Shanghaï zijn auto ten dienste aan, zoodat wij geen kwartier na onze aankomst reeds per automobiel op weg waren naar onze respectieve consuls. Ik trof in onzen consul, den heer von Zeppelin, en zijn vrouw, allerliefste, voorkomende menschen, die mij zooveel mogelijk ten dienste stonden. Ter eere van den verjaardag der Koningin was er ’s middags een gardenparty, alwaar ik vele landgenooten, onze kranige zeeofficieren, en bekende Chineesche personen, trof. Het was toch weder aangenaam, in een, in hoofdzaak, Nederlandsche omgeving te zijn.
Zaterdagmiddag tuften wij per auto van den heer Kempfer een paar uren door de stad en naaste omgeving. Shanghaï is geheel iets anders dan Hongkong. Shanghaï is een groote stad, geheel Europeesch. Men vindt er weder auto’s door de straten snorren, electrische trammen, rijtuigen, met heusche paarden er voor, doch ook rickshaws en draagstoelen, al zijn deze beide laatste er ook niet in zoo’n groote hoeveelheid. Onmiddellijk viel het ons op, dat hier zoovele Chineezen nog hun staarten dragen. In Hongkong en Canton hadden wij er geen meer gezien, doch hier loopen er even zoovele Chineezen met als zonder staarten.
Terwijl wij aan de lunch zaten ontvingen wij bezoek van eenige Amerikaansche dames, die mrs. Catt in Amerika hadden hooren spreken en die haar nu kwamen uitnoodigen, hier in de Amerikaansche club een voordracht te houden over de vrouwenkiesrechtbeweging der geheele wereld. Eenigen van deze dames zijn reeds vele jaren hier en zijn bekend met de leidsters der vrouwenbeweging onder de Chineesche vrouwen. Mrs. Catt heeft die uitnoodiging aanvaard en de vergadering op a.s. Dinsdag, om 6 uur, bepaald.
1 September. Een kalme, aangename dag ligt achter ons. Het was verrukkelijk mooi weder, niet te warm, niet te koud. Om 9 uur gingen wij met eenige kennissen oud-Shanghaï, dat is de stad binnen de wallen, zien. Het is een vies vuil stukje stad, met eenige zeer schilderachtige gedeelten. ’t Theehuis, de tempel, etc. zijn, nu wij dat alles in Canton veel interessanter hebben gezien, geen bezoek waard. Om 12 uur kwam de heer Kempfer ons weder per auto halen, om eerst een uurtje in de omgeving te toeren en daarna te zijnen huize, met eenige Amerikaansche dames en heeren te lunchen. Na de lunch liet hij ons naar den, ook in ons land bekenden heer Wu Ting-Fang brengen, te wiens huize wij waren genoodigd te komen theedrinken.
Wu Ting-Fang, of dr. Wu, zooals hij gewoonlijk toegesproken wordt, was langen tijd ambassadeur in Washington, doch was minister van Buitenlandsche Zaken in het voorgaande Chineesche ministerie. Hij is een revolutionist, groot vriend van dr. Sun Yat-Sen en evenals deze laatste ook in Canton geboren en opgevoed. Ook zijn vrouw is een zeer vooruitstrevende dame, doch, daar zij slechts enkele woorden in een vreemde taal spreekt, konden wij van haar niet veel vernemen.
Dr. Wu is de eerste Chinees van bezadigden leeftijd, met wien wij over de toestanden hier hebben kunnen spreken. Hij is echter evenzoo optimistisch als alle zijne jonge geestverwanten, die wij in Canton ontmoet hebben. Hij sprak met de grootste kalmte over de moeilijke toestanden, waarin het land nu verkeert, vast en zeker overtuigd zijnde, dat die moeilijkheden overwonnen zullen worden. Hij gelooft in een oprijzing van China, zoo krachtig en zoo plotseling, alsof het een springveer is, die samengedrukt, opeens wordt losgelaten. De veerkracht is nog in het volk en nu het niet meer onderdrukt zal worden, zal het weldra de wereld verbazen door wat het vermag. Hij is ook een groot feminist, gelooft in gelijke politieke rechten voor mannen en vrouwen, maar vreest, dat de meerderheid der regeering in dit opzicht niet zoo vooruitstrevend is. Wij hoorden van hem voor het eerst, dat hier een vrouwenkiesrechtvereeniging bestaat, die ook in Nanking en Peking een vertakking heeft. De leidster der vereeniging is op het oogenblik in Peking, doch met de andere bestuursleden zal de vrouw van dr. Wu ons in contact brengen. Volgens dr. Wu werkt deze vereeniging nog niet tactvol; hij stelde het daarom op hoogen prijs als wij met deze dames wilden spreken en nagaan of hun organisatie goed geregeld is. Dat deze Chineesche vrouwen lid van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht moesten worden, leek hem als vanzelf sprekend en hij verwachtte daarvan, vooral voor de Chineesche vrouwen, veel goeds.
Dr. Wu, die met zijn familie—ook zijn getrouwde zoon en schoondochter wonen bij hem in—in een prachtig huis woont, liet ons daarna zijne geheele woning zien. Hij zeide, te weten, dat dames altijd gaarne in een vreemd land de inrichting der woningen wilden zien en dat een Chineesche woning toch nog iets meer origineels bezit dan de meeste Europeesche of Amerikaansche woningen. Twee van de kamers in zijn huis zijn geheel Chineesch ingericht, daarin duldt hij geen enkel Europeesch meubeltje of schilderij. In het maken van deugdelijke en zeer smaakvolle meubelen behoeven de Chineezen voor geen enkele natie onder te doen.
Na dit interessante bezoek begaven wij ons naar de Internationale Club, waar een jong Chinees, die in Amerika aan de Columbia Universiteit in de philosophie gestudeerd heeft en daar zijn doctorstitel haalde, op een dissertatie over Confucius, een voordracht in de Engelsche taal hield over het confucionisme. Deze oude godsdiensten, als men tenminste het confucionisme een godsdienst mag noemen, hebben toch zoo bijzonder veel aantrekkelijks. De afgodendienst, die er later aan verbonden is geworden, heeft met het zuivere confucionisme niets te maken. Het is een wijsgeerig stelsel, waarop niets valt af te dingen.
Het is op het oogenblik in Nanking, Hankow en Peking heelemaal kalm, zoodat wij gerust onze reis door dit deel van het binnenland kunnen vervolgen. Wij zullen echter eerst nog eenige dagen hier blijven.