X.

Wij hebben niet voor niets gewenscht in Peking te komen. Peking is een merkwaardige stad, in menig opzicht afwijkend van alle andere steden. Door de herhaalde verwoestingen en ’t telkens opnieuw opbouwen der stad, heeft zij het oude karakter verloren en is nu een moderne Chineesche stad geworden, die echter niets van haar oriëntalisch aspect verloren heeft en niet nalaat bij een eerste bezoek een diepen indruk te maken. De oude monarchale macht en grootheid spreken uit bijna elken tempel, woning, straat. Reeds bij het in den trein naderen der stad worden ongewone, vreemde indrukken gewekt. De hooge, zwaar gebouwde muur, die de geheele stad omgeeft, de verblindende kleuren der hemelhooge pagoda, het dooreengewoel van de altijd druk doende Chineezen, die hier, bijna zonder uitzondering hun staart behouden hebben, de overal opdoemende veelkleurige tempels, zijn zoo indrukwekkend, dat zeker niemand den eersten indruk vergeten zal, dien hij bij zijn eerste bezoek aan deze grootste der oriëntalische steden ontving, Alleen wanneer men in het hotel des Wagons Lits is gearriveerd, gelooft men zich een oogenblik in Europa. Dit hotel bezit alle deugden van een goed geleid Europeesch hotel, met het voordeel, dat de bedienden allen Chineezen zijn, die de beste bedienden vormen die men ooit in een hotel kan aantreffen.

Peking is een stad van hooge muren, waarbinnen zich kleine steden gevormd hebben. Elke vreemde legatie is door een hooge muur omgeven, waarbinnen dan een Italiaansche, Japansche, Engelsche, Amerikaansche of andere stad bestaat. Vooral de Engelsche stad is de moeite van een bezoek waard. Binnen de hooge muur, die heel Peking omgeeft, is in het centrum een tweede muur met vier groote poorten, waar in hoofdzaak de hooge officieele personen wonen. Dit deel, wordt de keizerlijke stad genoemd. In het centrum nu weder van deze keizerlijke stad bevindt zich weder een 30 voet hooge muur, waarbinnen de verboden stad gelegen is. Daarbinnen bevinden zich de keizerlijke paleizen, de regeeringsgebouwen en de woningen voor allen, die tot het keizerlijk hof behooren. Geen vreemdeling mag daar een voet zetten, zonder zeer bijzondere redenen. Op ’t oogenblik huist daar nog de keizerin-weduwe, het jonge keizertje en de hofhouding. Reeds herhaaldelijk heeft de nieuwe regeering deze hooglieden doen weten, dat zij de verboden stad ontruimen moesten, en dat men het zomerpaleis, even buiten Peking gelegen, voor hun verblijf had afgestaan. Op al die sommaties antwoordt de keizerin-weduwe heel beleefd, dat zij het onthouden zal, maar telkens blijkt, dat zij geen enkelen maatregel getroffen heeft om van woonplaats te veranderen. Is het de regeering ernst om de poorten van de verboden stad te openen en daarbinnen de nieuwe regeering te vestigen, dan zal zij den een of anderen dag geweld moeten gebruiken om de keizerin en de geheele hofhouding van haar plaats te verwijderen. Nergens in China is ons nog zoo sterk opgevallen, hoe weinig kracht er van deze regeering blijkbaar uitgaat als hier in Peking. Een hof, dat stilletjes blijft, waar het zich thuis gevoelt, niettegenstaande herhaalde sommaties van de regeering. Eene bevolking, die ongestoord den staart blijft dragen, alsof er nooit een bevel is geweest om dit Chineezenteeken te verwijderen, de honderden en honderden Manchu’s, die hier dagelijks door de straten wandelen en oogenschijnlijk verreweg het grootste deel der bevolking uitmaken.

Het marmeren schip in het zomerpaleis te Peking.

Het marmeren schip in het zomerpaleis te Peking.

De Manchu-mannen zijn van de andere Chineezen uiterlijk te herkennen, door hun veel krachtiger en mannelijker voorkomen en hunne forscher gestalten. Ook schijnen zij geestelijk hooger te staan. De Manchu-vrouwen zijn onmiddellijk herkenbaar door hare bijzondere en eigenaardige coiffures en doordat zij nooit de voeten gebonden hebben. Het haar dezer schoonen is hoog en breed uit, boven op het hoofd, opgemaakt en met frissche bloemen of papieren rozen versierd. Zelfs oude vrouwtjes met gerimpelde gezichtjes, vergeten niet in haar kunstig zwart gemaakte en vet-glanzende haarstrik, eenige hard-roode of gele—soms beide kleuren tegelijk—rozen te steken. Het schijnt bij haar dagelijksch toilet te behooren.

Reeds den eersten dag, dien wij in Peking doorbrachten, was direct een vrij drukke en vermoeiende dag voor ons. Bij het ontbijt vernamen wij dat dien dag het zomerpaleis voor vreemdelingen te bezichtigen was. Dit paleis wordt slechts eens in de tien dagen voor dat doel opengesteld. Elke vreemdeling moet echter een bewijs van eigen ambassade vertoonen om toegelaten te worden. ’t Was Zondag, de bureaux derhalve gesloten, onmogelijk dus voor ons om zoo’n bewijs te bemachtigen. Wij vroegen den directeur van het hotel om raad. Een Engelschman, die ons gesprek hoorde, bood ons onmiddellijk zijn kaarten aan. Hij had voor zich en zijne dames den dag te voren toegangsbewijzen aan zijne legatie gehaald, maar nu was een zijner dames ziek geworden, waardoor hun tocht was uitgesteld; hij vroeg of wij van zijne kaarten gebruik wilden maken. Met deze valsche papieren gewapend zetten wij ons ieder in een rickshaw en lieten ons twee uren lang in aanhoudenden draf voorttrekken. Wij moesten voor dezen tocht de stad doorkruisen van het eene uiteinde tot het andere en daarna nog meer dan een uur ver buiten de stad. Het straatleven in Peking verschilt van dat wat wij in Nanking, Canton en andere Chineesche steden gezien hebben juist zooveel als het leven overal elders in een groote stad verschilt van dat in een provinciestad. Het was iets geheel anders, maar toch in zijn wezen op en top Chinees. Even buiten de stad zagen wij hier onophoudelijk kleine karavanen volgeladen kameelen, maar nog meer ezeltjes, de beesten, die men overal ziet waar kameelen zijn. Maar een Chinees op een ezel of op een kameel gezeten levert een geheel ander beeld dan een Arabier, die een dier beesten voor een rijpaard gebruikt. Ook ontmoetten wij langs den weg tallooze blinde bedelaars en de vreemd uitgedoste blinde bedelares, die zingend de wereld haar nood klaagt. Op onze heen en terugtocht passeerden wij tevens twee keer een bont toegetakelden bruiloftstoet en een nog gekker opgemaakte begrafenis. Bij deze laatste werd een oorverdoovend concert gegeven van trommels, bekkens en bellen. Ik heb nog in geen land een lijkstoet gezien, waarbij zoo weinig ernstige of medelijdende gedachten bij mij opgewekt werden als hier in China. Men maakt zich onwillekeurig vroolijk over dat vreemde gedoe en den weinigen ernst, die de deelnemers in den stoet zelven vertoonen. Het gemaakte, rumoerige gehuil der vrouwen, een gehuil dat is voorgeschreven en niet uit het gemoed komt, wekt lachlust en soms weerzin op. Maar wij waren op weg naar het zomerpaleis en daarvan moet ik het een en ander vertellen.

Dit paleis werd in het eind der 17e eeuw gebouwd door den keizer Kang-hsi, die het voor zijn eigen privaat gebruik inrichtte, wanneer hij zich geheel van de wereld wilde afzonderen. Het is een prachtig, weelderig ingericht paleis met vele even sierlijke bijgebouwen, maar vooral aan den tuin, waar een eeuwige zomer moest heerschen, is bijzondere zorg besteed. Van de heuvels en dalen, te midden waarin het paleis gelegen is, is een gelukkig gebruik gemaakt. De wild groeiende bloemen en planten heeft men daar tot een ongekende hoogte ontwikkeld. Overal heeft men daar de natuur door de kunst geholpen, tot ten slotte deze geheele omgeving eenig in haar soort is geworden. Het wordt met recht een aardsch paradijs genoemd. Het van wit marmer gemaakte groote schip, in den grooten vijver gelegen, en over een marmeren brug te bereiken, daarvan is de bezichtiging alleen de moeite van den vermoeienden tocht waard. Maar ook de vele tempelvormig gebouwde paviljoens, vanwaar steeds een mooi vergezicht te genieten valt, verdienen bewondering. Als inderdaad de hofstoet dit paradijs zal gaan innemen en dit dan waarschijnlijk voor het publiek gesloten zal worden, zal dit een groot verlies zijn. Het behoort tot het mooiste wat Peking ter bezichtiging aanbiedt.

Want ook hier zijn weder tal van tempels, de een merkwaardiger dan de andere, maar die bezitten noch artistieke, noch architectonische waarde. Er is een tempel des hemels en een van de aarde, een voor den landbouw, en een voor den regen, een Lama-tempel en een gele tempel en nog tal van andere tempels, waarvan wij trouw de voornaamste bezichtigd hebben, doch die alle een sterk onbevredigd gevoel bij ons achterlieten. Wij bezochten ze meer om den geest, die de menschen bezielt, die er hun gemoed komen uitstorten, beter te kunnen doorgronden, dan om ons kunstgevoel te streelen. Geeft het iemand geen denkbeeld van de geestelijke ontwikkeling van een volk, als men in den tempel des hemels o.a. verneemt, dat daar twee keer in het jaar de keizer zijn offeranden komt brengen in den vorm van het verbranden der lijken van menschen, die te voren geëxecuteerd zijn? Het zijn de onthoofde lijken van misdadigers, of wat men in China misdadigers gelieft te noemen. Tegelijk met het verbranden der lijken, laat Zijne Majesteit dan den inhoud van eenige reuzengroote gevulde urnen verbranden. De inhoud bestaat uit stukjes papier, waarop de naam en alle bijzonderheden van den verbranden persoon geschreven staat, zoodat men daarboven precies weet wiens geest komt aanzeilen, benevens papiertjes, waarop vermeld is, welke misdaad hij bedreven heeft en het verzoek hem in den hemel niet nogmaals voor de daden te laten boeten waarvoor hij op aarde reeds zijn straf ontving. Die papiertjes, die misschien nog wel meer boodschappen inhouden aan dengeen, die in den geest der Chineezen boven de wolken de lakens uitdeelt, worden verbrand, opdat de daarop geschreven opdracht met den rook hemelwaarts zal stijgen. Ook paarden en andere waardevolle beesten worden bij zulke gelegenheden verbrand, doch men vertelde ons, dat alle levende wezens eerst behoorlijk gedood worden.

In de Confuciustempel,—Confucius wilde geen tempels en geen priesters, maar zijn volgelingen waren met dien eenvoud niet tevreden,—worden eigenlijk meer de boeken van Confucius bestudeerd, dan dat er veel aan verheerlijking van zijn persoon gedaan wordt. Toch zagen wij ook daar groote bronzen urnen. Deze tempel staat in een grooten tuin, waarin vele eeuwenoude cederboomen; er heerschte daar zulk een rust en vrede, te midden van de woelige stad, dat het de Confucionisten in Peking daar onwillekeurig tot nadenken en studie moet brengen.

De Lama-tempel, waaraan een monnikenklooster verbonden is, met ruim 1200 jongentjes-leerlingen, kinderen, die allen tot een leven van nietsdoen worden groot gebracht, was natuurlijk een Buddhistentempel. Maar de Buddha der Chineezen lijkt al heel weinig op den Buddha der Burmeezen.

Er was juist een offerdienst, toen wij dezen tempel en al wat daarbij behoort, bezochten. Buddha ontving groote bakken vol rozebladeren, maar ook eenige manden appels, een paar schalen koekjes en twee bakken vol versch vleesch. Met een enorm leven van tromgeroffel en bekkenslag en het eentonig gedreun van die honderden jongentjes, die altijd door hetzelfde uitschreeuwden, werd dit alles den reuzengrooten, van hout gemaakten, Buddha aangeboden.

In één opzicht zijn al deze tempels aan elkaar gelijk. Zonder uitzondering zijn zij vuil. Het is, alsof er in geen jaren schoonmaak is gehouden. De vuile Chineezen, die de tempeldeuren voor je openen, grijnslachen, als men ze vraagt, of niemand met den schoonmaak van deze heilige plaats is belast. In de Hall der klassieken, oorspronkelijk gebouwd als een instituut voor onderwijs, maar later ook als plaats voor heilige doeleinden gebruikt, is zelfs een keizerlijke troon met houtsneewerk, dat zoo schitterend moet zijn, dat het als het grootste kunstwerk in China wordt beschouwd en ook die was zoo onder stof en spinnewebben begraven, dat wij van het mooie niets konden zien.

In de trom- en beltoren moet men de enorme groote koperen bel bewonderen. De legende, die aan het maken van die bel verbonden is, is waard overgebriefd te worden. In de 15e eeuw, onder de regeering van den keizer Yung-Loh, een Ming, werd een der hofbedienden, bekend voor zijne bedrevenheid in het mengen en gieten van metaal, belast, om een bel voor dien toren te maken, die een bijzonderen glans moest vertoonen en een mooi geluid moest geven. De pogingen om dit keizerlijk bevel uit te voeren, mislukten twee malen. De keizer was daarover zeer gebelgd, hij liet den armen man bij zich komen en vertelde hem, dat, als de derde keer weer mislukte, hij onthoofd zou worden. Die arme man bezat een zeer schoone dochter met amandeloogen, die in de zon schitterden en appelkleurige wangen en nog allerlei moois meer. Bij al haar schoonheid bezat zij ook alle huiselijke deugden en zij kon dichten. Alle jonge mannen waren verliefd op haar.

Dit mooie meisje, dat ook alle menschelijke deugden bezat bad tot een van de vele goden om haar vader te helpen. Die god gaf geen antwoord. Toen ging zij naar een waarzegger. Die vertelde haar, dat het volgend gietsel weder mislukken zou, tenzij het gesmolten metaal vermengd werd met het bloed van een levend meisje. Zij ging terug tot haar vader, en vertelde hem, dat zij nu zeker was, dat het derde gietsel een goed resultaat zou opleveren. Op den voorgeschreven dag werd het metaal, in het bijzijn van den keizer en het geheele hof, weder gesmolten, waarbij allen met spanning wachten, wat de uitslag zou zijn. Even vóór het metaal in den vorm zou gegoten worden, kwam plotseling het jonge meisje te voorschijn, die onder den uitroep: “Om mijn vader te redden” in de ziedende metaalmassa sprong. Iemand uit het volk wilde haar terughouden, doch hij redde alleen een van haar schoentjes. Haar vader werd krankzinnig, maar de klok was dezen keer volmaakt. En toen zij later werd opgehangen en de keizer voor het eerst de mooie, volle klank der bel vernam, toen hoorde hij duidelijk daarin de stem van het jonge meisje, dat vroeg om haar verloren schoen. En nog meent het volk, dat die bel duidelijk een meisjesstem verraadt en dat Koai nog steeds om haar schoentje vraagt.

Naast deze en dergelijke legenden zijn er aan elken tempel en toren ook zoovele historische bijzonderheden verbonden, waarvan vele even legendarisch klinken als de eigenlijke legenden. In de meeste Buddha-tempels vindt men in China een Chim-qua-Seung, een soort van hocus-pocusdoos van bamboe. Die doozen zijn van verschillenden vorm en ook de inhoud verschilt. Maar zij komen alle daarin overeen, dat iemand, die de goden of de geesten iets te vragen heeft, zulk een doos schudt en haar dan op den grond gooit. Uit de wijze, waarop de inhoud zich op den grond verspreidt, is ’t antwoord op te maken. De antwoorden, die deze doozen in den loop der tijden aan keizers gegeven hebben, zijn herhaaldelijk oorzaak geweest van den val van het keizerrijk of den dood van den vorst. De laatste Ming-keizer, Chung Chen, pleegde zelfmoord, nadat hij een zeer onbevredigend antwoord door den Chim-qua-Seung ontving.

Maar de verlichting, die nu wel langzamerhand een grooter deel van de Chineesche bevolking zal bereiken, zal aan al dat bijgeloof ten slotte wel een einde maken. Op het oogenblik zijn echter de Chineezen, die zich boven al die mysterieuse dingen hebben weten te verheffen, nog met een lantaarntje te zoeken. Zelfs onder de meest verlichten is altijd nog iets van dat bijgeloof te bespeuren.

Wij zijn niet gelukkig in het treffen van dr. Sun Yat Sen. Toen wij in Shanghai aankwamen, was hij juist naar Peking vertrokken en een dag nadat wij in Peking arriveerden, reisde hij af naar het Zuiden van het land. Hij is hier als een koning ontvangen, koninklijke eer heeft men hem officieel en onofficieel aangedaan. Gedurende zijn verblijf alhier hing van bijna elke Chineesche woning de republikeinsche vlag. Met den president Yuan Shi Kai staat hij op goeden voet, maar in de couranten, dit uitgegeven worden van de Tung Ming Hui, waarvan dr. Sun de voorzitter is, wordt de president op de gemeenste manier afgekamd. “The China Outlook” welke in Hongkong wordt uitgegeven, en over geheel Zuid-China verspreid is, “The China Republican”, welke in Shanghai gevestigd is en zelfs hier tot Peking reikt, zijn twee dagbladen die in het Engelsch geredigeerd worden en wier hoofd-redacteuren beiden vroegere private secretarissen van dr. Sun zijn. In beide bladen, die ons aanvankelijk dagelijks werden toegezonden en die wij hier nu verder in het hotel vinden, wordt dr. Sun op een onmogelijke, en mij persoonlijk zeer antipathieke, wijze opgehemeld en president Yuan’s gezag zoodanig ondermijnd, dat het op den duur onhoudbaar voor den president zal blijken te zijn. Nu heeft dr. Sun hier in Peking beweerd, dat hij in geen connectie met die bladen staat, doch dat is of royaal gelogen, of toch minstens zeer verdraaid. Hij zal niet regelrecht den inhoud dier bladen dicteeren, maar dat zij zijn geest ademen, of dat hij een algemeene gedragslijn heeft voorgeschreven, is toch wel duidelijk. Ongevraagd hebben beide redacteuren ons verteld, dat zij secretarissen van dr. Sun waren, doch nu voorloopig belast zijn met de redactie der dagbladen. Zij staan onophoudelijk met dr. Sun in betrekking; elke beweging van dr. Sun wordt hun onmiddellijk geseind.

Maar in China zijn de grootste onmogelijkheden mogelijk. Dr. Sun, de hoofdleider der revolutie, op wiens hoofd nog geen jaar geleden door den voormaligen regent een losprijs was gesteld, heeft hier, tijdens zijn verblijf, heel beleefd een bezoek gebracht aan den ex-regent en andere personen van koninklijken bloede. Dat bezoek is niet alleen zeer hoffelijk beantwoord, maar de ex-regent heeft zelfs een diner voor dr. Sun gegeven, waaraan alle prinsen en prinsessen hebben deelgenomen. Het toppunt van ridiculiteit werd bereikt, toen de ex-regent opstond en een toast wijdde aan het succes van dr. Sun’s onderneming en de hoop uitsprak, dat de nieuwe regeering mocht blijken in het belang van China te zijn. Dr. Sun heeft op die welgemeende woorden even welgemeend geantwoord, dat hij hoopte op de gelukkige samenwerking der Manchu-grooten met de tegenwoordige regeering.

Men spreekt hier in Peking, in de officieele buitenlandsche kringen, niet meer zoo ongelooflijk over het voortbestaan der Republiek, als dat wij dat in de havensteden hoorden. In China, waar alles op zoo’n geheimzinnige wijze geschiedt, kan men echter nooit iets met zekerheid zeggen, men weet nooit wat het volgend oogenblik zal brengen, en zeker weet men niet of er niet den een of anderen dag een contra-revolutie zal uitbreken, maar voor het oogenblik werkt de Nationale Raad rustig voort en houdt president Yuan de teugels krachtig in handen. De president is van kop tot teen militair, hij vestigt al zijn kracht in het leger; zoolang hij maar over de vereischte financiën kan beschikken om zijn militairen te betalen, is het land veilig. Het zal echter de vraag zijn, of het land de uitgaven voor zoo’n groot leger op den duur zal kunnen opbrengen, of het volk niet daarvoor nog meer dan door de vroegere regeering uitgezogen zal worden.

Hoe interessant dit land ook is, ik ben toch maar heel blij, niet als Chinees geboren te zijn.

XI.

Nu moet ik eerst van de vergaderingen en van de vrouwen vertellen, die wij hier in Peking ontmoet hebben. Het spreekt vanzelf, dat wij Maandagmorgen er direct op uitgingen om de presidente en andere bestuursleden der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht op te sporen. Dat bleek niet zoo gemakkelijk. Na lang zoeken—en de afstanden in Peking zijn zeer groot—vonden wij de woning der presidente en vernamen daar, dat zij niet thuis, maar den geheelen dag op kantoor aanwezig was. Dat kantoor is het bureau van de “Peking Times”, een dagblad, dat in de Chineesche taal uitgegeven wordt, waarvan zij de hoofdredactrice is. Het bureau van dat blad was niet moeilijk te vinden, maar daar vernamen wij, dat mrs. Tang Chuen Ying met twee andere dames was uitgegaan, iets wat zij zelden of nooit deed. Wij lieten onze kaartjes achter, met het adres van ons hotel. Teruggekomen in het hotel vernamen wij daar, dat drie dames ons een bezoek hadden gebracht en hare kaartjes afgegeven hadden. Het waren Mrs. Tang, de presidente, miss Wang en miss Sung, bestuursleden der vereeniging. Nog dienzelfden avond herhaalden zij haar bezoek. Geen van de drie sprak een woord Engelsch, zoodat wij ons van ’n tolk moesten bedienen. De vereeniging was zoowel uit Shanghaï als uit Nanking van onze komst verwittigd, maar daar men niet had opgegeven langs welke route wij kwamen, hadden de dames ons niet aan den trein kunnen verwelkomen. Wij werden nu uitgenoodigd Woensdagmiddag in het vereenigingsgebouw te willen komen, waar men ons een welkom wilde aanbieden.

Toen wij Woensdagmiddag om twee uur het vergaderlokaal binnentraden, wachtte ons daar een enorm groote, enthousiaste menigte. Gelukkig was er geen muziek, maar met een oorverdoovend handgeklap en Hu, hu-geroep werden wij ontvangen, dat zoolang duurde tot wij op het podium aangekomen en onze plaatsen hadden ingenomen. De presidente leidde ons bij het publiek van ongeveer duizend personen in, vertelde het een en ander van ons beiden, wat niet voor ons vertaald werd, en toen zij geëindigd had, stond heel de groote menigte op en boog voor ons. In de groote zaal waren alle zitplaatsen door vrouwen ingenomen, terwijl de galerij geheel gevuld was met mannen. Men stond letterlijk plat gedrukt tegen de muren. Toen moest eerst mrs. Catt en daarna ik een speech houden, die door een jongmensch, dat 5 jaar in Engeland was geweest, woord voor woord in het Chineesch werd overgezet. Het was een dankbaar publiek, dat na elken zin, dien wij uitspraken, nadat die vertaald was, warm applaudisseerde.

Sing Pey Zung in haar officiers uniform.

Sing Pey Zung in haar officiers uniform.

Daarop kreeg miss Sung het woord. Miss Sung is de Christabel Pankhurst van China. Een jong, hartstochtelijk persoontje, met iets bovennatuurlijks in haar fanatiek glinsterende oogen, begaafd met een redenaarstalent en sprekende gestes, die zelden geëvenaard worden. Het publiek hing aan hare lippen. Hoewel wij hare woorden niet konden verstaan,—de zin van hetgeen zij zeide, werd evenwel voor ons vertaald,—was het toch duidelijk, dat zij het publiek meesleepte. Zij vertelde, hoe de hoofdpersonen in de revolutie de vrouwen behandeld hebben, welke diensten zij van haar gevergd hadden en welke belooning zij haar daarvoor thans gaven. Zij zelf, miss Sung, werd door een generaal (zijn naam heb ik niet kunnen verstaan) aangewezen om een bom te gooien in het rijtuig van den onderkoning, den dag vóór de revolutie was uitgebroken. Haar daad werd evenwel verijdeld en zij in de gevangenis geworpen, waar zij onthoofd zou worden. Door een samenloop van omstandigheden ontkwam zij dien dood, doch toen zij na een maand door de revolutionisten in vrijheid werd gesteld, werd zij onmiddellijk in de voorste gelederen der vechtende soldaten geplaatst, waar zij steeds de gevaarlijkste diensten heeft moeten verrichten. Een heele reeks meisjes noemde zij op, die allen op die wijze gesneuveld zijn, zij was op wonderbaarlijke wijze gespaard gebleven. Miss Sung was een dergenen die als gewoon soldaat het leger diende, doch tot officier opklom.

Zij ging toen de argumenten na, die de mannen thans tegen de invoering van vrouwenkiesrecht gebruiken, waarvan het krachtigste is, dat China niet zoo iets nieuws kan invoeren, vóór dat de groote Europeesche mogendheden zijn voorgegaan. Dit argument hekelde zij op sarcastische wijze; China had niet geaarzeld de vrouwenkrachten op eene wijze in de revolutie te gebruiken, als nimmer te voren een Europeesche natie had gedaan, nu het op belooning dier diensten aankomt, aarzelt men andere landen ten voorbeeld te zijn. Zij gispte de handelingen van den president Yuan en van den Nationalen Raad, die bij al hunne besprekingen vergeten, dat er vrouwen in China bestaan.

Sing Pey Zung, de Christabel Pankhurst van China, in Europeesche kleeding.

Sing Pey Zung, de Christabel Pankhurst van China, in Europeesche kleeding.

Daarop kreeg miss Wang het woord. Miss Wang is onderwijzeres. Zij stond aan ’t hoofd van een groote meisjesschool in Japan, die zij, toen de revolutie uitbrak, verliet, om naar China over te komen en haar diensten aan de revolutionisten aan te bieden. Zij is een kalme, bezadigde spreekster, die de wetten van China voor de vrouwen besprak en ze danig gispte. Zij zette uiteen hoe het Chineesche meisje van af haar geboorte slavin is, een slavenleven, waaraan zij alleen kan ontkomen door haar land te ontvluchten. Ook zij gispte de handelingen van deze regeering, die de zaken in het land voor de vrouwen voorloopig niet wil wijzigen en die zeker niet de polygamie in China zal afschaffen, het kwaad, waaruit zooveel ellende voor de vrouwen voortspruit. Waar de hoogste man in het land thuis een wettige vrouw en dertien bijwijven bezit, en verder waar hij komt, zich meisjes laat brengen, waar alle regeeringspersonen polygamisten zijn, daar was voor de vrouwen niet veel heil te wachten.

Toen spraken nog een paar andere jonge vrouwen, die er beide op aandrongen, dat de Chineesche meisjes zouden weigeren te huwen en daarna sloot de presidente de vergadering. Wij werden toen uitgenoodigd met eenige uitverkorenen thee te drinken in een ander lokaal, waar men ons dan het een en ander van haar doen en laten zou vertellen.

Chineesche meisjesstudenten.

Chineesche meisjesstudenten.

’t Meest interesseerde ons, de wijze, waarop deze vrouwen het werk der vereeniging geregeld hebben. De Peking-afdeeling telt duizend leden. Zij hebben vier groepen gevormd, waarvan een het politieke werk doet. Die groep gaat nauwgezet de handelingen der regeering na, zendt verzoekschriften aan de regeering, waar die dienst kunnen doen, zorgt voor persberichten, hekelt den Nationalen Raad als hij de vrouwen vergeet, tracht nu en dan een persoonlijk onderhoud te verkrijgen met regeeringspersonen en doet tal van zaken meer, die in die lijn vallen. De tweede groep is de onderwijsgroep. Deze tracht scholen voor meisjes tot stand te brengen en waar een school is, trachten de leden, door met de ouders te spreken, deze te bewegen hunne dochters naar school te zenden. Ook geven de onderwijzeressen, leden dier groep, ’s avonds onderwijs aan vrouwen en meisjes, die daags in fabrieken en werkplaatsen arbeiden. Deze groep moet alles doen, om het onderwijs der vrouwen te bevorderen. De derde groep is de industrieele. Deze tracht de werkende vrouwen tot organisatie te brengen en waar zij de omstandigheden geschikt acht, de vrouwen tot coöperatieven arbeid aan te sporen en ze in die richting te vereenigen. Eenige coöperatieve groepen zijn reeds gevormd en een paar kleine vakorganisaties zijn tot stand gebracht. De vierde groep is de propagandistische groep. De leden daarvan doen alles om de propaganda voor vrouwenkiesrecht te bevorderen. Zij doen dat door ’t beleggen van vergaderingen, door huisbezoek, door strooibiljetten en alle ook bij ons gebruikelijke middelen.

De leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Peking, zijn niet slechts in naam lid: de meesten nemen op de een of andere wijze ook deel aan het groote werk, dat er verricht moet worden.

Ik vroeg ook hier, evenals in Nanking, wat de vereeniging dacht te doen als de Nationale Raad eens niet de wenschen der leden inwilligde. Zonder aarzelen antwoordde de presidente: “een bom gooien in de eerste vergadering, die het parlement zonder de vrouwen zal gaan houden.” Wij glimlachten en zeiden, dat zulke radicale middelen zelden doel treffen, toen Miss Sung het woord nam, zeggende: “Men heeft ons vrouwen in de revolutie gebruikt om bommen te maken en te werpen, wij zullen ze ook voor eigen vrijheid weten aan te wenden.” Mrs. Catt vroeg of die militante strijdwijze uit eigen boezem voortkwam, of dat zij daartoe gedreven werden door wat de couranten haar van uit Engeland berichten? De presidente beantwoordde die vraag met op hoffelijke wijze te zeggen: “Wij hebben dat geleerd van onze Amerikaansche en Europeesche zusters”. Wij hebben haar toen verteld, dat alleen in Engeland een groep vrouwen op militante wijze optrad, maar dat verreweg de meeste Engelsche strijdsters voor kiesrecht en die uit alle andere landen den vreedzamen weg volgen. Zij schoven toen de schuld op de Chineesche pers, die haar nooit berichten over die vreedzame maatregelen bracht, maar alleen mededeelde, welke handelingen de Engelsche suffragettes bedreven. Wij hebben haar toen eenige vreedzame methoden aangeraden en wezen haar er op, dat de vrouwen nooit de ruwe wegen, die de mannen dikwijls inslaan om hun doel te bereiken, moesten volgen. Zelfs de Engelsche suffragettes hadden bij al haar militant optreden, nimmer bloed vergoten.

Den volgenden dag woonden wij eene vergadering bij van de besturen der verschillende groepen, waarin de verkregen resultaten van het verschillend werk werden besproken en men elkaar nieuwe wenken gaf. Wij kregen daartoe gelegenheid met de hoofdpersonen in het werk nader bekend te worden. Als men hoort en ziet wat al deze vrouwen doen, welke groote offers aan geld, tijd en krachten zij aan de zaak—de wettelijke en sociale verheffing der vrouw—brengen, dan moeten wij allen beschaamd staan tegenover onze Chineesche zusters.

Na afloop van deze vergadering brachten eenige van deze dames ons naar een nabijzijnd lokaal, waar eene vergadering gehouden werd van de Tang Ming Hui en waar het woord gevoerd werd door den vecht-generaal Chang, den revolutionist bij uitnemendheid. De generaal, gekleed in een zwart pak met gekleede jas, zette na afloop van zijn speech den hoogen zwarten zijden hoed van ’t jaar nul op zijn veel te kleinen kop en toen zag hij er meer uit als iemand, die kleine kindertjes bang kan maken, dan als iemand, waarvoor een leger op de vlucht zal gaan. Hij scheen echter de gave van het woord te hebben, want de heele vergadering was warm gestemd en bracht hem eene daverende ovatie.

Vrijdag en Zaterdag maakten wij een tocht, die onvergetelijk is. Met een groep van vijf Amerikanen, twee heeren en drie dames, gingen wij gezamenlijk een bezoek aan de Ming-graftomben van Peking en de Big Wall (groote muur) brengen. Dit is een tweedaagsche toer. Wij hadden drie gidsen aangesteld, die alles voor ons in gereedheid moesten brengen. Vrijdagmorgen om acht uur verlieten wij het hotel, om, na een uur rijden in een rickshaw, aan een klein station aan te komen, vanwaar wij per trein naar Nankau gingen. Om half twaalf kwamen wij daar aan en vonden daar reeds voor elk een draagstoel met vier Chineesche koelies wachtende, die ons naar de graftomben zouden brengen. Mandjes, gevuld met een koude lunch, waren van uit Peking medegenomen. Drie uren lang werden wij in bijna aanhoudenden draf door de koelies voortgedragen, waarbij wij van voor naar achter, van rechts naar links en van onder naar boven geschud werden. De weg ging over bergen en dalen, door weilanden en over rotsblokken en door snelvlietende stroomen. Vooral door deze laatste hadden wij veel angst uit den stoel en in het water aan te landen, want de koelies sprongen daarbij dikwijls van steen tot steen. Een van onze dames-metgezellen viel op den terugweg dan ook, doch werd nog bijtijds door hare koelies gegrepen en kwam er met een paar natte voeten en een nat handtaschje, waaruit eenige kleinigheden in den stroom verdwenen, af. Om ongeveer twee uur arriveerden wij aan het begin van den zoogenaamden “Heiligen Weg”, waar een prachtige, vijfboogige poort van wit marmer, zeer mooi gebeeldhouwd, den ingang vormt. Deze poort is nog in volkomen staat aanwezig en laat niet na, een imposanten indruk te maken. Van af die poort gingen wij nu een uur ver langs een geplaveide straat, die evenwel niet onderhouden is, door een aan weerszijden door reuzenbeelden afgepaalden weg naar den tempel, waar de lijken der gestorven keizers eerst gebracht worden, alvorens zij in de graven nedergelegd worden. Ook hier was weder alles meer indrukwekkend door het beeld dat het ons gaf van den geest der Chineezen en van de hoogte van hun kunst in verloopen eeuwen, dan door de artistieke waarde der dingen, die wij zagen. Alleen het landschap, dat wij doortrokken, was zeer mooi en deed ons allen denken aan de bergen van Arizona, hoewel toch ook weder de bergen hier, zooals in elk land, iets bijzonders vertoonen, wat niet onder woorden kan worden gebracht, iets dat alleen eigen is aan elk land afzonderlijk. Om 7 uur kwamen wij ’s avonds in ons klein Nankau-hotel aan, bijna allen te vermoeid om ons het zeer goede diner goed te laten smaken.

In de nabijheid van de “Groote muur”.

In de nabijheid van de “Groote muur”.

Zaterdagmorgen werden wij allen om vijf uur gewekt om tegen zes uur aan het station te kunnen zijn, om van daar naar Ching-lung Chiao te vertrekken in een werkmanstrein. De spoorlijn van Nankau-lung tot Ching-lung Chiao is in wording, maar met een speciale vergunning wordt het toeristen vergund in een van de open bakken, waarmede de werklieden op de verschillende punten langs den weg naar hun werk gebracht worden, mede naar boven te gaan. Een snerpende koude bergwind deed ons in dat vroege morgenuur en in die open bak bijna bevriezen. Wij apprecieerden het ten zeerste, dat de gidsen wollen dekens uit het hotel hadden medegenomen om ons in te wikkelen. Doch wij vergaten spoedig het vroege morgenuur, koude en vermoeienis door de onbeschrijfelijk indrukwekkende omgeving die wij doortrokken. Elf mijlen lang, in welken wij bijna duizend meter stegen, en die wij in twee uren aflegden, gingen wij door een vreemde, wilde bergstreek, met een even wilden plantengroei. Wij waren op weg naar den Grooten muur. Dit is een muur, tien meter hoog en elf meter dik, die over een afstand van 2.500 mijlen, (ongeveer zes maal de afstand van Amsterdam naar Parijs) China van Mongolië en Thibet scheidt. Deze muur begint in Shan-hai-kwan in zee en eindigt in Suchoo in zee. In ongeveer 200 jaar vóór Christus begon de keizer Chin-shi-Hwang-ti dezen muur te bouwen. De steenen, voor den bouw gebruikt, zijn groote baksteenen, die in dien tijd in de zon werden gebakken. Zij zijn viermaal zoo groot als onze baksteenen. Alle troepen en karavanen, die sedert de laatste twee duizend eeuwen van uit Mongolië en Thibet, China wilden bereiken, moesten den eenen ingang der poort, die wij op weg waren te bezoeken, passeeren.

Op weg naar Ching-lung Chiao gaat de trein steeds dicht langs het pad, welke de karavanen nemen. Onophoudelijk zagen wij meters-lange kameelengroepen, langzaam en statig dat pad afkomen en andere, die naar boven trokken. In één groep telde een onzer heeren reisgenooten 146 kameelen, kleinere van 50 tot 70 kameelen waren er legio. Al die beesten die China introkken, waren beladen met ruw katoen en versche appels, die op den terugweg waren naar Mongolië of Thibet, droegen thee met zich. Schilderachtig was vooral het gezicht als wij hier en daar een kamp passeerden, waar halt gehouden werd en manschappen en beesten gelegenheid kregen te rusten en hun ontbijt te gebruiken. Honderden bruine kameelen zagen wij dan, met het licht van de vroege ochtendzon overgoten, liggen of grazen en daar tusschen in de begeleiders, in hunne hemelsblauwe, lange kleederen. Het was, evenals een onzer gidsboeken juist weergeeft, “het leven in de middeleeuwen aanschouwelijk voorgesteld.” Wij zagen op dezen weg meer kameelen dan wij in Egypte en Britsch-Indië in al den tijd, dien wij er doorbrachten, gezien hebben.

Om 8 uur waren wij aan het stationnetje, het voorloopige eind van de baan; daar wachtte voor ons elk een ezeltje om ons verder naar boven te brengen. Maar ’t waren Chineesche ezeltjes, zonder zadel, zooals zij door de Chineezen bereden worden. Wij moesten niet alleen als mannen te paard zitten, maar wij hadden voor onze voeten bijna geen steun. Een soort kussen lag op den rug van het kleine dier, en bij elk ezeltje liep een man om ons, in tijd van nood, tot steun te dienen. Voor ons dames was nog een ander groot bezwaar. Onze nauwe rokken moesten tot boven toe opgeschort worden, anders was het bestijgen en het berijden dier rijpaarden onmogelijk. Alleen mrs. Catt droeg een practische rok. Om onze beenennaaktheid een beetje te bedekken, legden de gidsen de meegebrachte dekens over ons, en zoo besteeg onze fantastisch uitgedoste groep den eeuwenouden wal, die in den loop der eeuwen nog wel bontere karavanen heeft zien passeeren.

Boven aangekomen, vervalt men onwillekeurig in diep gepeins. Niemand van de heele vroolijke groep sprak in den beginne ’n woord. Daar stonden wij boven op den grooten wal, in een van de vele wachttorens, vanwaar men een onmeetbaar vergezicht heeft tot diep in Mongolië, vanwaar de bergen van Thibet aan den horizon verrijzen en geen sterveling China kan naderen, zonder reeds van verre door de op wacht staande Chineezen bespeurd te worden. Wat hebben die ouden zich beveiligd voor indringing van ongewenschte gasten! Maar niet alleen in een historisch opzicht was dit vergezicht indrukwekkend, ook als landschap was het grootsch. Uren lang zou ik in een van die wachttorens hebben kunnen zitten droomen. Op elken bergtop is een wachttoren gebouwd, die boven over den steenen muur met elkander in verband staan. Als men van uit den trein die spitse bergketen ziet en op elke punt een toren, dan lijkt het, alsof er geen verband tusschen die punten mogelijk is, maar boven aangekomen, ziet men, hoe dat kunststuk tweeduizend jaren geleden tot stand werd gebracht. Thans is China bezig midden door dien muur een spoortrein aan te leggen, die dwars door Mongolië Siberia zal bereiken, en de Trans-Siberische route voor China met eenige dagreizen zal verkorten.

Chineesche schuiten.

Chineesche schuiten.

Op dezelfde avontuurlijke wijze als wij naar boven gekomen waren, daalden wij ook weder naar beneden. De hotelier van het Nankau-hotel had onze lunchmandjes weder gevuld en liet ons dien aan den trein brengen, zoodat wij in eens door naar Peking konden terugkeeren. Dat wij allen meer dan vermoeid daar laat in den middag aankwamen, behoeft nauwelijks gezegd te worden.

Wij gebruikten nog een paar dagen om tot rust te komen, vóór wij verder reisden, in welken tijd ik een lunch bij onzen Hollandschen ambassadeur, een tea bij de Italiaansche legatie en een diner bij den Amerikaanschen vertegenwoordiger medemaakte. Den overigen tijd gebruikten wij voor het bezoeken van eenige belangrijke bazaars en voor echt vrouwelijk winkelen. Men kan dat laatste nergens zoo gezellig doen als in China, waar tal van de curieuste dingen in de winkels te zien en te koop zijn.

XII.

Toen ik mijn vorigen brief eindigde waren wij van plan den volgenden morgen af te reizen om naar Tientsin te gaan. Kort nadat de brief verzonden was, ontvingen wij bericht van den Amerikaanschen ambassadeur, dat hij voor ons had aangevraagd een zitting van den Nationalen Bond bij te mogen wonen en dat dit verzoek voor den volgenden morgen was ingewilligd. Wij besloten ons verblijf in Peking met twee dagen te verlengen en ons bezoek aan Tientsin op te offeren. De treinenloop in China is nog niet zoo goed geregeld als in Europa, één dag uitstel van een reis, beteekent voor het minst twee dagen, want slechts drie keer in de week loopt een sneltrein in de richting Peking-Mukden. Wij vonden het echter van meer belang om dit Chineesche parlement in werking te zien, dan om in Tientsin, een havenstad als Shanghaï en Hongkong, waar het Europeesch element overheerscht, eenige dagen over te blijven.

Vergezeld van een Chineeschen tolk, die ons van de Amerikaansche ambassade ter begeleiding was medegegeven, woonden wij Maandagmorgen een zitting van het Chineesche parlement bij. Dit lichaam houdt zijn vergaderingen op het oogenblik nog in de gehoorzaal van de Chineesche Juristenschool te Peking. Het was een vrij volledige vergadering, ongeveer 80 van de 120 leden waren aanwezig. Verreweg de meesten waren mannen van 30 à 40 jarigen leeftijd, slechts enkelen leken ouder en jonger. Niet alleen waren de meeste heeren in Chineesche kleeding, hoewel vrij van alle praal en pracht, maar er waren zoowaar nog vijf onder hen, die den staart nog lang en breed over den rug hadden hangen. Slechts zeer enkelen droegen een Europeesch costuum.

Daar iedere provincie het recht heeft vijf afgevaardigden naar dit parlement te zenden,—zooals men weet, is dit nog maar een voorloopig parlement—zagen wij de typen der Chineezen uit verschillende deelen van het land vrijwel allen voor ons. De Chineezen zeggen, dat zij uit vijf stammen bestaan en dat de kleuren der republikeinsche vlag die stammen vertegenwoordigen. Het zijn de eigenlijke Chineezen, de Mohammedanen, de Thibetanen, de Mongoliërs en de Manchu’s. De drie laatsten, die op het oogenblik strijden voor hun onafhankelijkheid, een onafhankelijkheid, die zichtbaar zal uitloopen op een indeeling bij Engeland, Rusland en Japan, hebben geen vertegenwoordigers naar den Nationalen Raad gezonden, en het zal de vraag zijn, hoelang de vijfkleurige vlag in China nog gehandhaafd zal kunnen worden. Het eigenlijke China (China proper) bestaat uit 18 provincies. Deze afgevaardigden vormen verreweg het meerendeel in de vertegenwoordiging. De Mohammedanen zijn eigenlijk ook Chineezen, die overal verspreid, doch meest in het Westen van het land wonen. Zij waren oorspronkelijk Joden, die later tot het Mohammedanisme zijn overgegaan en nu nog, heel eigenaardig, als een afzonderlijke stam beschouwd worden. Door hun sterk Joodsch type, vielen zij onmiddellijk in de vergadering op.

Men bediscussieerde, toen wij op de tribune de vergadering bijwoonden, den toestand in Thibet, doch door het niet geregeld bijhouden der dagbladen waren wij niet geheel op de hoogte van den tegenwoordigen stand der zaken aldaar en konden daardoor de waarde der gehouden speeches, waarvan de inhoud ons door den tolk verklaard werd, niet bepalen. Kalm en bezadigd was echter de toon van elken spreker, hoffelijk waren deze mannen in al hunne uitingen, eenvoudig en zeker leidde de president de discussiën, alles ging met een in het oogvallende waardigheid en kalmte. Ik heb in ons land, in Engeland, in Oostenrijk, in België en in Frankrijk parlementszittingen bijgewoond, maar nergens heb ik zooveel ernst bij de behandeling van ’s lands zaken gezien, zooveel intelligente gezichten onder de afgevaardigden geteld, als hier in dit Chineesche lichaam. Deze mannen waren zich zichtbaar bewust van den ernst der taak, die hun was toevertrouwd en van den moeilijken en ernstigen tijd, waarin hun land op dit oogenblik verkeert.

Op eene der zijbanken naast den presidentszetel zaten de vertegenwoordigers der verschillende departementen, waarin de Regeering hare werkzaamheden heeft verdeeld. De departementen van Oorlog, van Financiën, van Buitenlandsche en Binnenlandsche Zaken en dien van Onderwijs waren dien morgen alleen vertegenwoordigd. Er zijn elf departementen. Telkens als de afgevaardigden het wenschten, verstrekten deze vertegenwoordigers de noodige inlichtingen. Door zitten en opstaan, of door handopsteking, werd dien morgen over de verschillende voorstellen gestemd. Toen men later aan financieele kwesties begon en wij oneindige cijferreeksen te hooren kregen, vonden wij het tijd, om ons bezoek af te breken.

De tolk vertelde ons, dat kort geleden de godsdienstkwestie in den Nationalen Raad behandeld was, waarbij was besloten, den Christelijken godsdienst als nationalen godsdienst aan te nemen. Men was echter gestuit op het bezwaar tusschen de keuze der Christelijke godsdiensten, daarover kon men niet tot overeenstemming komen, zoodat de beslissing tot later is uitgesteld. De bovendrijvende meening was evenwel, dat China, evenals Engeland en Rusland, een eigen Christelijken godsdienst zou aannemen.

Toen wij Dinsdagmiddag Tientsin gepasseerd waren op weg naar Shan-hai-Kwan, was de drukte langs de spoorlijn opvallend. Niet alleen waren overal Chineesche troepen gewapend opgesteld, maar ook zagen wij buitengewoon vele Europeesche en Amerikaansche militairen. Wat was er gaande? Na verloop van eenigen tijd wist de Engelsche conducteur—de lijn Peking-Mukden is een Engelsche onderneming, doch is nu ook in staatsexploitatie—ons te vertellen dat dr. Sun Yat-Sen met gevolg in ’n speciale trein ons vooruit was op weg naar Shan-hai-Kwan, alwaar hij den nacht zou doorbrengen. De conducteur raadde ons bij het eerstvolgend station, een telegram te zenden naar het hotel om zeker te zijn goede kamers te vinden. Zouden wij dr. Sun nu toch nog ontmoeten? Het had er alle schijn van. In Pei-tai-ho, op nog ruim een half uur afstand van Shan-kai-Kwan haalden wij den trein van dr. Sun in, die aldaar was uitgestapt om een toespraak tot het volk te houden. Er heerschte daar een groote opgewondenheid en drukte en alles was met groen en vlaggen mooi gemaakt. Wij waren nu den trein van dr. Sun vooruit en arriveerden om 7 uur, zonder verdere bijzonderheden in Shan-hai-Kwan. Daar wachtte een bijzonder zenuwachtige menigte den held der revolutie. De hotelier kwam ons persoonlijk van den trein halen en ook hij vertoonde een opvallende nerveusiteit. Wij vernamen van hem, dat dr. Sun met gevolg, tezamen 18 personen, ’s avonds om 8 uur in zijn hotel zou aankomen, dat hij een diner en de noodige kamers in gereedheid had gebracht, maar dat hij nu vreesde dat niemand zou komen, omdat even voor onze komst een complot van Manchu’s ontdekt was, dat bezig was de laatste ijzeren brug, die wij zoo juist gepasseerd waren, in de lucht te doen springen. Dat plan was verijdeld, maar daar men andere onheilen vreesde, had men dr. Sun getelegrafeerd niet naar Shan-hai-Kwan te komen en liever terug te gaan of in Pei-tai-ho te blijven. Men had echter alle voorzorgen genomen om, in geval dr. Sun toch zou komen, alle aanvallen te kunnen afweren.

Van het station tot het hotel gingen wij door een dubbele rij Chineesche soldaten, niemand mocht doorgaan die niet zijn alibi kon bewijzen. Om ons moeilijkheden te besparen was de hotelier—een Oostenrijker—ons persoonlijk van den trein komen halen. Het hotel is een Europeesche inrichting, in 1900, na den bokseraanval, door de Europeesche mogendheden daar gebouwd, om in tijd van nood als vluchtheuvel te dienen voor de legaties. In tijd van vrede wordt het als gewoon hotel gebruikt

Om half negen kwam een telegram, dat dr. Sun niet zou komen en nu konden wij met een viertal heeren-reizigers, meest allen “mannen van zaken”, van het goede diner en de buitengewoon fijne vruchten profiteeren. Om half elf echter—mijne reisgezellin lag reeds te bed, terwijl ik met een der heeren in de hal van het hotel zat te praten,—komt opeens met eene bijzondere drukte dr. Sun met zijn heele gevolg aanzetten. Zijne vrouw en een zijner dochters en de vrouw van generaal Wang waren bij hem. Deze drie vrouwen zijn bijzondere Chineesche schoonheden. Slechts korten tijd vertoefden allen in de hal; toen vroeg de secretaris van dr. Sun naar de kamers en begaf het geheele gezelschap zich naar boven. Dr. Sun en eenige heeren kwamen spoedig terug, die na een kort gesprek met den hotelier weder naar buiten togen om ergens anders den nacht door te brengen. Wij weten niet, of dat geschiedde voor de veiligheid van degenen, die dien nacht in het hotel doorbrachten, of met het oog op eigen behoud. Wij sliepen echter dien nacht den slaap der onschuld en ontwaakten den volgenden morgen zonder dat ons een haar gekrenkt was.

Ik had ’s avonds twee keer slechts een betrekkelijk korten tijd gelegenheid dr. Sun te zien en zijne gelaatstrekken in mij op te nemen. Het spijt mij het te moeten zeggen, dat de indruk, dien hij op mijn maakte, een bepaald ongunstige was. Het was een echt Chineesch uiterlijk, niettegenstaande zijne Europeesche kleeding en Europeesche manieren. Het gezicht boezemde mij heelemaal geen vertrouwen in; de oogjes schitterden meer slim dan intelligent, het geheele type was dat van een man, in staat om gauwigheidjes te doen, in plaats van te handelen naar wijs beleid en met overdachte en eerlijk uitgevoerde middelen. Denkelijk beleef ik nog van dien man den val, zooals ik thans in China zijne vereering en verheerlijking heb gezien. Dat is nu echt vrouwelijk na een eersten en korten indruk geoordeeld, maar ik wilde dien indruk toch neerschrijven; de geschiedenis zal leeren, of ik goed of slecht geoordeeld heb.

Shan-hai-kwan is een zeer oud stadje, waar de “Groote Muur” die China hier van Manchurië scheidt, in de golf van Pe-Chili eindigt. In 1900, tijdens den bokseraanval, heeft men ook in ons land van dit stadje gehoord, omdat alle mogendheden hier toen hare troepen aan wal brachten en hare ammunitie opgestapeld hadden. Het is een druk Chineesch stadje, waar echter voor toeristen niets bijzonders te zien valt. Wij besloten daarom, nadat wij Woensdagmorgen reeds vroeg de stad doorgetoerd hadden, nog met den komenden sneltrein om half tien verder te reizen, om dienzelfden avond nog Mukden te bereiken.

Straat in Mukden.

Straat in Mukden.

Kort nadat de trein het station van Shan-hai-kwan verlaten heeft, gaat hij midden door den eeuwenouden muur en brengt de inzittenden daarmede uit China en in Manchurië. Spoedig bemerkten wij dien overgang. Niettegenstaande de vruchtbaarheid van de oneindig uitgestrekte velden, die wij doortrokken, heerschte toch in alle dorpjes langs den weg zichtbare armoede. De leemen hutten, de schamele kleeding, die volstrekt niet voldoende is voor het snerpend, koude klimaat, de hongerige gezichten, alles sprak van armoede en ellende. Aan elk station en overal langs den weg zagen wij nu Japansche soldaten opgesteld. Die soldaten langs de spoorlijnen hier en elders, dienen om de lijnen open te houden en om die te beschermen. Dit is sedert 1900, na den bokseraanval, zoo ingesteld. Het is echter opvallend, dat die taak overal onder de verschillende nationaliteiten verdeeld is, doch in Manchurië heeft Japan alleen de verdediging der geheele lijn op zich genomen. Ook troffen wij hier overal aan de stations veel Japanners.

Om tien uur arriveerden wij ’s avonds in Mukden, eerst aan het station van de Noord-China-lijn en tien minuten later aan het station van de Zuid-Manchuria of Japansche lijn. Aan dit station is een groot, op Europeeschen voet ingericht, Japansch hotel, het Yamato-hotel, verbonden, alwaar wij uitstekend gehuisvest zijn. Wij troffen daar tot onze groote vreugde, den heer Kempfer, den Amerikaan, die ons in Shanghaï elken dag zijn mooien, comfortabelen auto zond. Hij heeft ons tweedaagsch verblijf in Mukden zeer veraangenaamd.

Mukden is de hoofdstad van Manchurië, de stad vanwaar gedurende de laatste drie opeenvolgende eeuwen de regeerende vorsten van China kwamen. Slechts sedert 1906, nadat tusschen Japan en Rusland volledige vrede tot stand was gekomen, wonen hier Europeanen en hebben de groote mogendheden hier een consulaat gevestigd. De Europeanen wonen echter allen buiten de eigenlijke Chineesche stad, waar ook het Yamato-hotel gelegen is. In de stad zelf vindt men het leven van echt “oud China” onveranderd, nog aanwezig en daardoor vooral is Mukden voor toeristen zoo interessant.

Op ongeveer twintig minuten afstand van ’t hotel is een groote, nieuwe poort, de Russische poort, die daar tusschen 1903–1906, in den laatsten Russisch-Japanschen oorlog, door de Russen werd opgericht, die zich toen van hunne zege bewust bleken te zijn. Eerst na den grooten slag in Mukden, waarbij de Russen het totaal tegen de Japanners hebben afgelegd, is de vrede tot stand gekomen.

In de straten in de oude stad Mukden, zijn allerlei dingen, die de aandacht trekken. Het meest opvallend, omdat zij zooveel leven maken, zijn de glinsterend geschuurde, groote koperen waterketels, die overal langs een weg te hooren en te zien zijn. Deze ketels hebben van binnen een vuurtje, de rook komt uit een lange kachelpijp, die door het deksel steekt, naar buiten, waardoor het water verhit wordt en zoodra het water gaat koken, wordt dit door een soort stoomfluitje aan de buitenwereld kenbaar gemaakt. Dit water wordt verkocht om thee te maken. Een Chinees doet een paar theeblaadjes in zijn kopje, giet daar kokend water op en drinkt dan direct zijn kopje leeg. De vele koperen waterketels maken te zamen zoo’n spektakel, dat men in den aanvang denkt in een groot fabrieksdistrict aangeland te zijn.

De haartooi der Manchu-vrouwen is ook zeer opvallend. Ik schreef hierover reeds in Peking, doch hier in Mukden is de verscheidenheid zoo groot, dat geen twee vrouwen hetzelfde kapsel vertoonen. Wel komen allen daarin overeen, dat het haar hoog boven op het hoofd is opgemaakt en vol kleurige bloemen, koralen, zilveren en gouden pennen en linten zit, maar de wijze, waarop dit alles is aangebracht, verschilt van elke vrouw. Ik heb gehoord, dat zoo’n kapsel een week en langer duurt en dat deze vrouwen, als trouwens zoovele Aziatische menschen, in halfzittende houding slapen, of achter in de nek een hard kussentje aanbrengen, zoodat zij met het hoofd niet den grond of de mat waarop zij liggen, kunnen raken.

Even buiten de stad, langs een prachtigen boschweg, zijn de graftomben van de Manchu-keizers. Deze zijn vooral de bezichtiging waard om de schilderachtige omgeving, waarin zij zich bevinden.

Het mooiste en belangrijkste zagen wij echter den eersten dag van ons verblijf in Mukden, in het oude koninklijk paleis. Het paleis was eigenlijk niet te bezichtigen, omdat het een Chineesche feestdag, de eerste herfstdag was. Door bemiddeling evenwel van onzen goeden vriend, die eerst van den Amerikaanschen consul een introductie tot de Chineesche autoriteiten had verkregen en toen dezen had verteld, dat wij zulke belangrijke personen waren dat wij niet op gewone wijze ontvangen konden worden, verkregen wij permissie om ’s middags om 2 uur in het oude paleis te komen. Daar werden wij zeer hoffelijk, eerst in de receptiezaal met thee, koekjes, fruit en sigaretten ontvangen, daarna door het paleis geleid en toen werden ons de enorme schatten, die in dit paleis nog aanwezig zijn, vertoond, alsof wij de eene of andere grootheid waren. Een halssnoer van parelen, twee meter lang, waarvan elke parel zoo groot als een dikke erwt is, twee helmen, met op den top een duiveneigroote parel, degens met handvatsels van diamanten en robijnen, zijden mandarin-kleederen, waarvan de rozen met gekleurde edelsteenen geborduurd zijn, een collectie oud brons en oud Chineesch porselein, enz., alles van een onberekenbare waarde. Een enorme groote bibliotheek met oude Chineesche manuscripten was mede aanwezig. Onwillekeurig vraagt men zich af: waarom brengt de Chineesche regeering deze schatten niet in veiligheid, nu het toch voor iedereen duidelijk is, dat Japan op het oogenblik zit te wachten, waarop het Manchurië, zonder veel gedoe, gaat inpalmen? Hier in Mukden met Japan eenerzijds en den geest der bevolking anderzijds tegen zich, zijn deze kostbaarheden voor China geen oogenblik veilig.

Met den nachttrein, te middernacht, verlaten wij Mukden en nemen daarmede afscheid van China. Morgenavond hopen wij behouden in Seoul, de hoofdstad van Korea, aan te komen.