Ik zou eigenlijk boven dezen brief: “In Korea” moeten schrijven, maar daar dit land sedert 1910 eene Japansche bezitting is geworden, kan ik, ’t geen ik over Korea te zeggen heb, gevoegelijk onder bovenstaand hoofd rangschikken.
Wij verlieten Mukden met den nachttrein en arriveerden des morgens om 7 uur aan het eerste station in Korea. Al dadelijk toont dit land een groot verschil met China en met alle landen, die wij tot dusver gezien hebben. De huizenbouw, de vegetatie, de aan den weg liggende dorpjes en steden, doch vooral de menschen, verschillen van al het vroeger geziene. Deze menschen zien er uit, alsof zij nooit met de Westersche volken in aanraking zijn gekomen. Zij zijn gekleed, maar zoo vreemd, zoo leelijk, zoo slordig, alhoewel zindelijk, dat ik gerust kan zeggen, nooit menschen gezien te hebben, die zich smakeloozer kleeden dan dezen. De mannen zien er in hun witte, wijde, bij de enkels vastgebonden, broekspijpen en hun lange witte nachthemden, met op hun hoofd een bespottelijk klein hoog heerenhoedje, dat onder de kin is vastgebonden, precies uit als een clown in een circus. Zijn zij in rouw over een familielid, dan dragen zij als hoed een grooten rieten korf, die tot over hun schouders reikt en het geheele gezicht bedekt. Sommige menschen komen bijna hun geheele leven niet uit den rouw, want elke rouw duurt drie jaren en in een groote familie sterft er allicht één in de drie jaren. In zoo’n rouwtijd mag een Koreër geen feestelijkheden bijwonen en ook niet trouwen; in den trein vertelde ons een heer, dat het in zijne familie was voorgekomen, dat een man daardoor 15 jaar op zijne vrouw heeft moeten wachten,—en bruid en bruidegom mogen elkaar in dien tijd niet zien—en toen de tijd van trouwen eindelijk was aangebroken, stierf de bruid. De vrouwen dragen ook die lange, witte, wijde broekspijpen, daar overheen een rok, die eigenlijk een groote boezelaar is, zooals onze ouderwetsche dienstmeiden droegen, toen ze nog flink moesten werken in de gezinnen, een boezelaar, die van voor tot achter den geheelen omvang beschermt. Deze boezelaar is ook wit en tot onder de borsten opgeschort, en op een slordige manier met een band vastgemaakt. Daarover wordt een kort, wit jakje gedragen, dat meestal niet verder reikt dan tot aan de borsten, zoodat deze vrouwelijke waardigheden ongegeneerd, voor elkeen zichtbaar, naar buiten hangen. Loopen deze dames in zonneschijn, dan dragen zij over het hoofd een wit laken, of ook wel een gekleurde, wijde mantel, waarmede hun geheele gezicht en ook het lichaam bedekt wordt. Als zoo’n juffrouw onverwachts in een onzer dorpen zou verschijnen, dan zou zij ongetwijfeld voor een spook worden aangezien, zij zien er evenzoo uit. Mannen en vrouwen in Korea zijn leelijk; alleen onder de hoogere standen hebben wij een beetje knapper menschen gezien.
Hoewel deze menschen uiterlijk niet onze sympathie konden wekken, voelden wij toch een sterk medelijden met hen, omdat zij nooit tot welvaart hebben kunnen komen, doordat nu eens China, dan weder Japan, en dit laatste land vooral, den baas over hen speelden en hen uitmergelden, zooveel zij konden. De bevolking heeft zich altijd meer op landbouw dan op industrie en militairisme toegelegd, en is nooit bij machte geweest China of Japan te bestrijden, wanneer die met onmogelijke eischen tot hen kwamen. Tot voor 30 à 40 jaren woonden in hun land geen Europeeërs (een enkeling uitgezonderd) en gingen de Koreërs niet naar Europa, om kennis op te doen.
Thans is dit anders. Velen gaan naar Amerika of Europa, om onderwezen te worden. Zendelingen, vooral Amerikaansche zendelingen, hebben nu groote hospitalen en vele scholen gesticht, waarmede zij een enorm succes onder de bevolking hebben. Laat men hen ongehinderd doorwerken, dan zal binnen niet al te langen tijd de Christelijke godsdienst in Korea algemeen doorgedrongen zijn. Japan of de Japansche regeering schijnt dezen sterken Amerikaanschen invloed in Korea niet te wenschen en tracht de zendelingen op alle mogelijke wijze te bemoeilijken. Een van deze wijzen is de vervolging, die nu tegen tal van Christenen is ingesteld.
Toen wij Zaterdagmiddag in Seoul, de hoofdstad van Korea, arriveerden, was daar juist de behandeling voor het gerechtshof van 123 Christelijke beschuldigden afgeloopen. Tal van Amerikanen waren daarvoor uit Japan, Peking, Shanghaï en zelfs uit Manilla overgekomen, om deze gruwelijke zaak bij te wonen en te doen, wat mogelijk was, om de ongelukkigen te helpen. Aanvankelijk had men ook Amerikanen gevangen genomen, maar hoogst waarschijnlijk vreesde Japan moeilijkheden met de Vereenigde Staten en heeft daarom den Amerikanen spoedig de vrijheid terug gegeven.
Als men hoort en leest, zelfs in de Japansche, sterk verdraaide verslagen, wat hier op het oogenblik in naam der gerechtigheid geschiedt, dan gelooft men zich terug in de middeleeuwen en dan ziet men, dat de meerdere beschaving, die Japan en de Japanners zich in de laatste jaren verworven hebben, niets anders is, dan een oppervlakkig vertoon, een beetje aangeleerde manieren, doch dat hart en geest nog even verstokt barbaarsch zijn als bij alle andere Aziatische volken.
De 123 Christenen worden beschuldigd van politieke samenzwering en van eene poging om den gouverneur-generaal van Korea, een Japanner, te hebben willen dooden. Een jaar geleden zijn zij daarvoor gevangen genomen, zonder vorm van proces, en alleen met de grootste moeite en financieele offers hebben de vrienden en geestverwanten van deze ongelukkigen gedaan gekregen, dat ten slotte hun zaak voor een open gerechtshof in behandeling is gekomen. In het jaar, dat zij in de gevangenis te Seoul hebben doorgebracht, en men moet de gevangenissen hier kennen, om er al het verschrikkelijke van te begrijpen, heeft men alle contact met familieleden, vrienden en geestverwanten verhinderd en hen aan zulke folteringen blootgesteld, dat het een wonder is, dat niet allen aan de gevolgen zijn overleden. Slechts één van hen stierf en een ander is krankzinnig geworden. Zaterdag, voor het gerechtshof, waar alle gevangenen met groote korven-hoeden, zoodat niemand hunne gezichten kon zien, en zij van hunne vrienden geen troostende groet of sympathie-uiting konden opvangen, twee aan twee vastgebonden, werden voorgebracht, kwam de vreeselijke foltering aan den dag, die men deze ongelukkigen heeft doen ondergaan.
Onder hen bevindt zich een man van invloed en fortuin, baron Yung Chiho, een zeer vroom Christen, die aan het hoofd van de Christengemeente in Seoul staat, en die overal in Korea de oprichting van Christelijke onderwijs-inrichtingen zeer sterk met zijn geld steunt. Hij wordt beschuldigd aan het hoofd der samenzwering te staan, op grond van hetgeen hij predikt, waarin herhaaldelijk van een “nieuw koninkrijk” wordt gesproken, wat in de ooren der Japanners beteekent, een opstand tegen Japan om een nieuw koninkrijk Korea te stichten. Zijne volgelingen worden beschuldigd de tegenwoordige gouverneur-generaal te hebben willen dooden als begin van den opstand. Onder dezen bevonden zich 40 schooljongens, leerlingen van een zendelingenschool, waarvan 17 Zaterdag in vrijheid zijn gesteld, de eenigen, wien dat geluk te beurt is gevallen. Baron Yung en 6 anderen werden tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld, 19 tot 7 jaren, 40 tot 6 jaren en 43 tot 5 jaren. De veroordeeling geschiedde op grond van de bekentenis, die zij allen in den loop van het jaar hebben afgelegd, eene bekentenis, die door allen in de terechtzitting werd herroepen, omdat zij die in de gevangenis hebben afgelegd na de meest onduldbare folteringen, die zij te doorstaan hebben gehad. Die folteringen beschrijven, kan ik niet, zij zijn de gemeenste, de gruwelijkste, waarvan ik ooit gehoord heb. De familie en vrienden, die tal van getuigen hadden medegebracht, om de onschuld van de veroordeelden te bewijzen (enkelen van dezen bevonden zich in Amerika op den datum, dat de voorgewende aanval op den gouverneur-generaal zou hebben plaats gevonden) werd niet veroorloofd te spreken en zelfs de twee Japansche advocaten, een paar Japanners, die geheel te goeder trouw zijn, hebben geen verlof kunnen verkrijgen, om hunne verdediging uit te spreken. Deze twee zullen nu trachten de zaak voor een ander hof te doen behandelen en onderwijl zal de Amerikaansche pers groote ruchtbaarheid geven aan het voorgevallene, om daardoor indirect invloed op de Japansche regeering uit te oefenen. De Japanners vreezen op dit oogenblik niets zoozeer dan hun goeden naam in de Vereenigde Staten te verliezen, zij flirten met Amerika en wordt deze vervolging in alle bijzonderheden in Amerika bekend, dan zal dit ongetwijfeld kwaad doen aan de onderhandelingen, die beide landen onderling te voeren hebben.
Voor de Hollanders is de geschiedenis van Korea bijzonder interessant, omdat eenige onzer landgenooten daarin een avontuurlijke rol gespeeld hebben. Het was in 1627, dat eenige Hollanders daar voor het eerst voet aan wal zetten. Een Amerikaansch schrijver, Griffis, vertelt daarvan in zijne geschiedenis van Korea, “dat een groote, blauwoogige, rood-gebaarde robuste Hollander, Jan Weltevree genaamd, geboren in de stad De Rijp in Noord-Holland, in 1626 in Texel aan boord ging van het schip “De Hollandia”, met het doel schatten uit Japan te halen. In 1627 aan de kust van Korea aangeland, ging hij met eenige schepelingen aan wal om water te halen. Jan Weltevree werd toen door de Koreërs gevangen genomen en als “een Zuidelijke wilde” aan den koning van Korea ten geschenke gegeven. Deze witte man, die door den koning als een “geest” beschouwd werd, die van veel waarde was, werd niet gedood, maar, hoewel aan het hof gevangen gehouden, werd hij daar met vriendelijkheid en zekere eerbewijzen behandeld. Gedurende 27 jaren heeft hij den koning als raadsman in allerlei zaken gediend.”
“In 1653 verliet een ander schip het eiland Texel, ook bestemd voor Japan. Aan boord van dit schip, “De Sperwer”, bevond zich Hendrik Hamel, die later de geschiedschrijver werd van hunne avonturen en van die van Jan Weltevree. In 1654, gedurende een hevige typhoon, leed dit schip, nabij de kust van Korea, schipbreuk, waarbij 36 van de 64 opvarenden levend aan land spoelden. Deze werden eerst met rijstwater gelaafd en toen voor den koning gebracht, die hen door Jan Weltevree liet ontvangen. Hoewel Jan in de groote neuzen, roode baarden en witte gezichten, onmiddellijk zijne landgenooten herkende, kon hij in den beginne toch niet met hen praten, omdat hij zijn moedertaal vergeten was. Eerst na een maand omgang met deze Hollanders, kon hij zich weder verstaanbaar maken. Ondertusschen beproefden deze 36 mannen eenige malen te ontvluchten, wanneer zij een schip in zee zagen. Zij werden echter telkens in hun vlucht verhinderd en als gevolg van deze pogingen werden zij strenger bewaakt en meer als gevangenen behandeld. Zij moesten aan het hof den koning amuseeren, de soldaten drillen en het volk in allerlei industrie, die zij kenden, onderwijzen”.
Van het leven van deze Hollanders, waarvan herhaaldelijk deze en gene stierf, vertelt Griffis tal van bijzonderheden, totdat het ten slotte de weinig overlevenden in den nacht van 4 September 1667 gelukte te ontvluchten en met een kleine boot de kust van Japan te bereiken, waar zij door de Japanners, toen zij zich als Hollanders hadden bekend gemaakt, vriendelijk werden opgenomen. Den 20sten Juli 1668, stapten zij in Holland aan wal.
Dit boek van Hendrik Hamel, dat ook in andere talen vertaald is geworden, schijnt het eerste boek geweest te zijn, dat over dit land en zijn volk met werkelijke kennis van zaken handelt. Langen tijd heeft men gemeend, dat bij de beschrijving der menschen en toestanden de fantasie van Hendrik Hamel een groote rol heeft gespeeld, maar het blijkt ten slotte, dat alles naar waarheid is geboekstaafd en dat dit boek thans nog dienst doet om vele onverklaarbare zaken tot een oplossing te brengen. Griffis geeft onzen voormaligen landgenoot alle eer van zijn werk en schijnt geen enkel neergeschreven woord in twijfel te trekken.
Toen wij Zaterdagmiddag in Seoul aankwamen, had daar juist eene andere bijzonderheid plaats gevonden. Zes weken geleden was daar den broeder van den ex-keizer gestorven en die was dien dag op oude Seoul’sche of Korea’sche wijze begraven. Nog eenmaal kan eene dergelijke plechtigheid in dit land plaats vinden, als namelijk de nog levende oude keizer zelf sterft en begraven wordt. De begrafenis had plaats in de bergen op ongeveer 15 mijlen afstand van Seoul, daar moest het lijk gebracht worden door de volgelingen en niet voor Zondagavond kon de stoet van daar terugkomen. Wij zouden dus gelegenheid hebben de terugkomst te zien. Wij hoorden, dat men in Korea, evenals in China, twee of meer doodkisten in de begrafenisstoet opneemt. In een ligt natuurlijk het lijk, de andere kisten zijn leeg. Bij den ouden keizer in China, begroef men twaalf doodkisten, deze broeder van den ex-keizer van Korea had slechts een tweede kist, die hem vergezelde. De dragers van beide kisten loopen dan eens rechts, dan eens links van den weg, dan vlak voor elkaar, dan weer de een aan den een, de andere aan den anderen kant van den weg. Dat geschiedt om de straatgeesten in de war te brengen, zoodat die niet weten, tot welke kist zij zich te wenden hebben als zij met kwade bedoelingen naderen.
Wij hadden voor Zondag den geheelen dag een Engelsch sprekenden Korea’sche gids aangenomen, die ons alle bijzonderheden van Seoul moest laten zien en er voor moest zorgen, dat wij ’s avonds de terugkomst der begrafenis in al haar bijzonderheden konden waarnemen. Den geheelen dag brachten wij in tempels, parken, oude paleizen en in het museum door. Vooral dit laatste is een bezoek overwaard. Het museum is door de Japanners aangelegd en bevat tal van oudheden uit de geschiedenis van Korea. Verreweg het grootste deel van al het aanwezige is in oude graven gevonden of komt uit de paleizen der vroegere vorsten en aanzienlijken. Alles is met zorg gerangschikt, van Japansche en Engelsche etiketten voorzien, en ziet er goed onderhouden uit. Een groot verschil met wat wij gewend waren in China van dien aard te zien.
’s Avonds om acht uur, terwijl wij nog aan tafel zaten, kwam de gids ons waarschuwen om mede te gaan, want de begrafenisstoet was in aantocht. Door eene dichte volksmenigte, ik kan gerust zeggen, dat heel Seoul dezen prachtvollen avond op de been was, gingen wij in de rickshaws, ongeveer twintig minuten ver, tot wij even buiten de stad aangeland waren. Daar was een groot open veld, aan drie zijden met zeildoek omspannen, waarop met wit linnen bedekte tafels en vele stoelen stonden, en tal van in het wit gekleede priesters en Korea’sch en Europeesch gekleede heeren rondliepen. De gids ging naar een der heeren, die onmiddellijk daarna met hem terugkwam, ons vroeg uit de rickshaws te stappen en hem naar het veld te volgen. Daar werd ons elk een stoel aangeboden en konden wij de geheele ceremonie van nabij volgen. De Korea’sche heer, die vrij goed Engelsch sprak, vertelde ons, dat de daar aanwezige heeren, voor zoover zij geen priesters waren, allen behoorden tot de notabelen van de stad, die óf nog het bestuur van de stad uitmaakten, óf vroeger onder den ex-keizer eene staatsbetrekking hadden bekleed. Hij zelf was legercommandant geweest. Deze heeren en priesters waren allen daar, om den zoon van den overledene, die zijn vader begraven had, vóór hij de stad weder binnenging, hunne sympathie te betuigen. De stoet zou vóór het veld een oogenblik halt houden, de zoon zou uit zijn draaistoel stijgen en op de overdekte mat, in een der hoeken van het zeildoek neergelegd, de troostwoorden der vrienden in ontvangst nemen. Op de tafels brandden tal van kaarsen en door groote houtvuren werd de verlichting aangebracht.
Het werd ruim 9 uur alvorens de stoet naderde; eindelijk kwam de voorrijder, een man met een groot vaandel op een prachtig paard. Hem volgden dubbele rijen mannen en vrouwen te paard, die geheel in grauwe zakken waren gehuld en luidkeels weeklaagden. Aan beide zijden van dezen stoet liepen mannen met reuzen-groote roode lampions, die van onder en boven een blauwen rand vertoonden. Daar tusschendoor liepen mannen met fakkels, lange, brandende stukken hout, die zij meestal over den grond sleepten, zoodat de vonken wijd en zijd uiteenspatten.
Achter dezen stoet kwamen de draagstoelen. In de eerste zat de oudste en trouwste bediende van den overledene; in de tweede (zoo werd ons verteld) lag een stuk papier, waarop de naam en de bijzonderheden van den overledene geschreven stonden, in dien stoel zat dus zijn geest, en daarachter volgde de stoel van den zoon. Deze stapte uit en ging ons rakelings voorbij, naar de mat. Hij zelf was als priester gekleed en een werkelijke priester liep en stond aan elke zijde van hem. Elk der aanwezige heeren reikte hem successievelijk de hand en sprak een paar woorden, zooals ook bij ons geschiedt, de priesters spraken eenige gebeden uit en toen zette de stoet zich weder in beweging. Bij het tweede gedeelte van den stoet liepen aan weerszijden vroegere Koreasche soldaten als lampions- en fakkeldragers. Deze hadden groote, witte lampions met roode randen. Tusschen de stoeldragers en fakkeldragers in, liepen in het wit gekleede, met zwarte hoofddoeken bedekte vrouwen, die luide weeklaagden. Een allerdwaast, fantastisch gezicht, leverde het geheele schouwspel op, dat toch iets bijzonder tragisch had, omdat het volk merkbaar voelde, dat met dezen doode een stuk van hun geschiedenis grafwaarts daalde. Alleen nog de oude 67-jarige keizer is van het oude vorstenhuis over, een man, die door het geheele volk geliefd wordt, om zijn eenvoudigheid en goedhartigheid.
Al die weeklagende vrouwen, al die lampion-, stoel- en fakkeldragende mannen, alle inzittenden in de draagstoelen, (achter den zoon van den overledene volgde een heele stoet mannelijke familieleden en nabestaanden) hadden op diezelfde wijze 30 mijlen afgelegd, sedert den vorigen morgen, zonder dat zij gerust, gegeten of gedronken hadden; zij moeten allen over een groot uithoudingsvermogen beschikken, om die taak te hebben kunnen volbrengen.
De onderwerping aan Japan bevalt den Koreërs geenszins; Japan zal rechtvaardiger, beschaafder en wijzer moeten optreden, wil het op den duur de genegenheid van het volk verwerven.
Ik sloot mijn vorigen brief over Korea zonder veel van Seoul en het land zelf verteld te hebben, maar ons verblijf was er te kort om er veel van te zien. Het waren slechts indrukken, die wij in den trein en aan de stations en gedurende ons 1½ dag verblijf in Seoul opdeden. Maandagmorgen zetten wij onze reis naar Fusan voort, om van daar met de nachtboot door te gaan naar Shimoniseki, een havenplaats in Japan. Gedurende den geheelen dag hadden wij nog gelegenheid van uit onze waggonraampjes het mooie, vruchtbare land te bewonderen en de smakeloos gekleede menschen te zien.
Maar ook zagen wij de goede hygiënische zorgen der spoorwegmaatschappij, die hier een Japansche is. Aan verschillende stations, waar de treinen 5 minuten oponthoud hebben, wordt den passagiers der derde- en tweede klasse gelegenheid gegeven, zich frisch te wasschen. Een groote waschtafel met twaalf kranen, waaruit stroomend water in losse koperen bakken, vloeit, geeft tegelijkertijd een dozijn passagiers gelegenheid om zich te verfrisschen. Zeep en een handdoek moet ieder zelf medebrengen of is voor een kleinigheid te krijgen. Overal waar wij deze waschinrichtingen aantroffen, zagen wij mannen, vrouwen en moeders met kinderen, handen, gezicht en dikwijls ook het hoofd reinigen. Voor de eerste-klasse-passagiers waren voldoende en zindelijk onderhouden waschgelegenheden in den trein.
Van Fusan naar Shimoniseki is een boottocht van twaalf uren, maar deze overtocht van Korea naar Japan op het punt, waar de Gele Zee, de Japansche Zee en de Stille Oceaan samenstroomen, is dikwijls zeer onstuimig en de kleine bootjes, die dezen overtocht bewerkstelligen, zijn niet altijd in staat tegen de moeilijkheden op te tornen, die zich op hun weg kunnen voordoen. Wij kwamen na een onrustigen nacht veilig aan wal, maar de boot, die den volgenden nacht ging, heeft een zeer slechte reis gehad en heeft zijne passagiers in een geheel verkeerde richting gebracht, zoodat zij in plaats van ’s morgens in Shimoniseki ’s middags in Nagasaki aangeland zijn.
Wij zetten Dinsdagmorgen om 8 uur in Japan, het land van de Rijzende Zon, voet aan wal. Daar de trein pas om tien uur uit Shimoniseki zou vertrekken, hadden wij ruim gelegenheid om even per rickshaw het geheele havenstadje, dat uit een lange straat bestaat, in oogenschouw te nemen. Daar was niets bijzonders te zien; het was een Japansch havenstadje, met Japansche bewoners, waarvan, zooals in elke havenstad, velen zeer sterk een gemengde afkomst verraden.
Om twee uur kwamen wij aan het station Miyajima aan, onze eerste plaats van oponthoud in Japan. Miyajima is een eiland; om er te komen, moesten wij met het kleine electrische bootje van het Mikado Hotel oversteken, of met de groote veerboot van de spoorwegmaatschappij gaan. Het was mooi, stil weder, daarom verkozen wij de eerste.
Dit eiland is een heilig eiland en een van de drie mooiste punten van Japan. De laatste renommé verdient het ten volle, want moeilijk kan men zich op aarde mooier plekje grond voorstellen. Het is zeer berg- en rotsachtig, doch geen enkele van de bergen reikt hooger dan vijf à zeshonderd meter en dit geheel is met oeroude, dichte bosschen bedekt. Wij zagen oude kamferboomen uit de 7e en 8e eeuw; en oude waringinboomen, waarvan men den leeftijd niet kan aangeven. Maar bovenal gaven de mapleboomen, die zich thans in hun prachtige herfsttint vertoonen en waarvan er geheele lanen vol waren, iets onbeschrijfelijk schoons aan dit eiland. De aardige, schilderachtige Japansche huisjes, die zich over het geheele eiland nestelen tusschen het kleurige groen, met de veelkleurig gekleede vrouwen en de snoezige, spelende Japansche kindertjes, voltooiden het beeld, dat wij soms op oude Japansche prenten kunnen bewonderen en dat dan den indruk maakt, alsof de schilder zijn phantasie sterk heeft laten werken. Hier zagen wij het in werkelijkheid.
De heiligheid van het eiland vindt zijn oorzaak in het feit, dat het oorspronkelijk niets dan een grooten tempel, een Shinto-tempel, bezat, en er toen alleen eenige Shinto-priesters leefden. Thans bevat het ongeveer 3000 inwoners, die voor het grootste deel leven van de vele Japanners en vreemdelingen, die jaarlijks dit eiland bezoeken en er soms langen tijd vertoeven. Het Mikado-Hotel, waarin wij afgestapt waren, is een uitstekend geleid en schilderachtig gelegen hotel, dat als het ware de gasten lokt tot een lang verblijf. Wij begonnen onmiddellijk onzen tocht over het eiland en bezochten den vermaarden tempel. De groote poort, de Tor, zooals die hier genoemd wordt, reikt bij vloed ver in zee, en maakt dan een zeer eigenaardigen, grootschen indruk. Deze Tor komt bijna op alle Japansche illustraties voor. Iedereen, die wel eens over Japan gelezen heeft, heeft ook eene afbeelding van deze poort gezien. Allervreemdst zijn die Shinto-tempels. Zij onderscheiden zich in bijna elk opzicht van de Buddha-tempels, doch het onmiddellijk opvallend verschil is, dat er in deze tempels geen afgodsbeelden zijn. De Shinto-godsdienst, dat is in hoofdzaak de godsdienst der Japanners, bezit wel een legio afgoden, eenige honderdduizenden, maar die zijn niet in de tempels in beeld gebracht en behoeven niet aangebeden te worden. Het is eigenlijk de gemakkelijkste godsdienst, die men zich denken kan. Slechts eens in het jaar behoeven de belijders naar den tempel te gaan. Voor het overige bevat hun zedeleer slechts dit ééne voorschrift: “Volg uwe natuurlijke impulsies en gehoorzaam de voorschriften van den Mikado”. De Shinto-priesters zijn gewone menschen, die alleen ’s avonds en ’s morgens priesterdiensten vervullen, doch verder den geheelen dag houtsnijwerk, beeldhouwwerk, boetseeren, schilderen of zoo iets doen. Shinto is een Chineesch woord, dat “de Weg der Goden” beteekent. Het is een mengsel van de vereering der natuurverschijnselen en van voorvaders. Aether, lucht, wind, water, vuur, aarde en voedsel, evenals sommige bergen, rivieren, boomen en dieren zijn heilig voor de belijders van den Shinto-godsdienst. Terwijl wij in den tempel waren, werden er achtereenvolgens twee kinderen gedoopt. Gedoopt is misschien niet het goede woord, maar ’t geeft toch het best weder wat geschiedde. De moeders knielden met het jonge wicht op een mat neder, een priester prevelde eenige woorden, waarbij hij herhaaldelijk in de handen klapte, twee jonge meisjes, tempelmaagden, voerden eenige bewegingen uit, waarbij ook zij in de handen klapten, toen raakte de priester het hoofdje van het kind met een stuk papier, waarvan er honderden aan een langen stok bevestigd waren, aan, en de plechtigheid was afgeloopen. De moeder offerde daarvoor twee kopercenten. Wij lieten ons naderhand door den priester dien doop verklaren. Het papier, dat het hoofdje van het kind had aangeraakt, bevat den naam van een god of godin. De geheele plechtigheid beteekent, het kind een schutsengel te geven. De god, wiens naam op het papier geschreven staat, is daarmede tot petevader over het kind aangesteld.
Een bijzonderheid van dit eiland is, dat er niemand mag sterven of geboren worden. Als iemand ziek is en de dokters beginnen het ernstig in te zien, dan moet zoo’n lijder van het eiland verwijderd en ergens in een ziekenhuis opgenomen worden. Zwangere vrouwen mogen de laatste maanden niet op het eiland doorbrengen en bij eene ontijdige geboorte, wordt de moeder onmiddellijk met het, zoo mogelijk nog ongeboren vruchtje, naar het naastbijzijnde stadje overgebracht. Ook mogen er geen rijtuigen, van welken aard ook, op het eiland komen. Zelfs geen rickshaws of rijwielen, zelfs geen kruiwagen om de koffers der passagiers van het hotel naar de veerpont te brengen. Iedereen moet er loopen, alles moet er gedragen worden. Dit is de geest der heiligheid, die er heerscht. Er zijn natuurlijk tal van legenden aan dit eiland verbonden, waarvan de gewichtigste is, dat het aanvankelijk bewoond werd door drie godinnen, die daar door haren vader naar toegezonden waren, om er voor eeuwig te verblijven en zijne keizerlijke nakomelingen bij het regeeren van het land met goede ingevingen te dienen. Het is vreemd hoe in een land, waar de vrouwen zulk een belangrijke geschiedkundige rol hebben gespeeld, de vrouw in het dagelijksche leven zoo geminacht, achtergesteld en minderwaardig geacht wordt. Er is misschien geen volk in de wereld, dat zooveel godinnen aanbidt als de Japanners en waar al de machtigste en wijste regeerders vorstinnen waren. En toch is de plaats, die de vrouw hier wettelijk, maatschappelijk en huiselijk inneemt, een zeer lage. Polygamie is ook hier schering en inslag; wel is waar mag, evenals in China, elke man slechts één wettige vrouw hebben, maar het aantal bijwijven, dat hij kan nemen, is ongelimiteerd, de grens daarvan reikt zoover als zijn portemonnaie gaat.
Wij bleven tot Donderdagmorgen in Miyajima en vertrokken toen naar Kobe. De zee was ’s morgens zoo onstuimig, dat het electrische bootje niet kon gaan, zoodat wij met de veerpont overgezet moesten worden, ’s Middags kwamen wij in Kobe aan. Een mooie, groote havenstad, met vele schilderachtige punten, een paar mooie watervallen, sommige mooie bergwandelingen, eenige oude, doch goed onderhouden tempels en vele mooie winkelstraten met winkels, die men graag leeg zou willen koopen, als de beurs geen grenzen stelde. Het is alsof elk stuk werk, dat uit de handen van een Japanschen werkman komt, een kunstartikel is, alles ziet er even volmaakt artistiek uit.
Het Cloisonné-, Satzuma- en Damascenewerk, dat alleen menschen met een groote mate van artistiek gevoel en aanleg kunnen uitvoeren, is alleen te vervaardigen in een land, waar het volk artistiek van aard en met kleine loonen tevreden is, want een kunstartikeltje, dat nu voor tien of twintig yen (een yen is ongeveer ƒ 1,25) te koop is, zou anders honderden moeten kosten. Wij hebben het proces van deze drie kunstwerken gezien en de mannen bewonderd, die het uitvoeren. Het is op porselein of op metaal schilderen van de fijnste figuurtjes. Een klein bakje, waarin vijf tot achthonderd bontgekleurde vlinders of Japansche figuurtjes voorkomen, die door een loup gezien, alle de grootste volmaaktheid bezitten, is geene bijzonderheid. Doch ook het ivoorwerk is, wat het snijwerk betreft, eenig in zijn soort. Voeg daarbij het borduurwerk op zijde, linnen en katoen, het prachtige kantwerk, het goudlakwerk, het kunstbloemen maken en nog zooveel mooie zaken meer, wat alles hier voor de winkelramen te bezichtigen viel, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat twee vrouwelijke vrouwen, als mijne lieve metgezellin en ik, den anderhalven dag, die wij voor Kobe bestemd hadden, veel te kort vonden. Doch wij moesten Zaterdag verder, want sedert wij Hongkong verlaten hebben, heeft geen mail ons kunnen bereiken en wij wisten, dat in Yokohama ’n groot aantal brieven op ons lag te wachten. Wij besloten daarom regelrecht naar Yokohama door te sporen en vandaar uit Japan verder te bezoeken.
Wij hadden den extra-prijs van 3 yen boven onzen vaarprijs aan het station in Kobe betaald en daarmede het recht gekocht tot Yokohama een plaats in den observatiewagen in te nemen. Deze wagen, die achter aan den trein is gehaakt, een flink, ruim achterbalcon met vier zitplaatsen heeft, van gemakkelijke fauteuils is voorzien en groote, heldere spiegelruiten bezit, biedt den reizigers alle gelegenheid om op de meest gemakkelijke wijze van het prachtige landschap te genieten, dat onophoudelijk aan het oog voorbij trekt. De bosschen en bergen, de zee, de rivieren en de meren, de artistiek aangelegde tuinen, de kleine aan den weg liggende dorpjes, alles ziet er even verrukkelijk mooi uit. Men wordt den geheelen dag het uitzicht niet moede. De spoorwegmaatschappij heeft de voorzorg genomen, om op deze lijnen, waar zij observatiewagens verschaft, de zuiverste steenkool te gebruiken, zoodat men ongehinderd op het balcon kan zitten, zonder door zware rookwolken gehinderd te worden. Wij beiden droegen een licht linnen reispak, dat geen spatje vertoonde toen wij ’s avonds in Yokohama aankwamen.
Wij zijn hier in een bijzonder mooien tijd aangekomen. Het is de tijd van de bloeiende chrysanthemums en van de mapleboomen. Ik had gedacht hier veel mooier chrysanthemums aan te treffen, dan ik ooit in Holland zag, maar daarin ben ik zeer teleurgesteld. De gekweekte chrysanthemums zijn niets mooier dan de onze. Ik heb in de groote bloemenwinkels van Amsterdam dikwijls veel mooier gekleurde en gevormde soorten gezien, dan hier. De bijzonderheid is echter de mooi getinte en bijna overal voorkomende wild-groeiende chrysanthemums. Die verlevendigden thans bijna overal het landschap en veroorzaken een allerkleurigst effect. De mapleboomen, die zich thans in herfsttint vertoonen, zijn zoo schitterend mooi, dat ik telkens meen, kunstmatig aangebrachte tinten te zien. Het is zoo’n schitterend roodbruin, als wij bij onze herfstbladeren nimmer zien.
Wij genoten van dit alles nog eens recht, toen wij Zondagmiddag een automobieltocht maakten van Yokohama naar Kamakura. Het was een prachtige Octoberdag; een prachtige najaarszon vroolijkte over de bont getinte boomen en had tal van Japansche moedertjes met hare poppige kindertjes naar buiten gedreven. Die kleine kinderen zien er uit als bont gekleurde vlinders, ieder op zich zelf vormt een schilderijtje. Sommige heele gezinnen hadden zich nog eens op dezen mooien najaarsdag opgemaakt om van de mooie natuur gezamenlijk te genieten. Vaders en moeders met al hun kroost trokken soms gezamenlijk er op uit. Wij zagen een vader, die zijn twee jongste spruiten ieder in een mand gezet had en zoo aan een juk over zijn schouders medevoerde. Verscheidenen droegen in de eene mand de proviand voor dien dag buiten en in de andere, om ’t evenwicht te maken, zat de zuigeling. Maar in den regel gaat het kleintje op den rug van moeder of op die van broertje of zusje gebonden mede naar buiten.
In Kamakura was natuurlijk weder een oude tempel te zien, maar de bijzonderheid daarvan is, dat er een 16 meter hoog Buddhabeeld, een bijzonder mooi bronzen beeld, in aanwezig is. Er waren in Kamakura tal van tempels, die alle Buddhist-tempels zijn. Naast den Shinto-godsdienst bestaat in Japan de Buddhist-godsdienst. Het is echter een Buddhisme, dat van uit Burma naar Britsch-Indië, vandaar over Thibet naar China kwam en van China over Korea Japan bereikte. Op dien langen tocht, waarvoor vele eeuwen noodig waren, alvorens Japan bereikt werd, heeft het Buddhisme veel van zijn waar karakter verloren en een eigen Japansch karakter aangenomen. De Shinto-godsdienst en het Buddhisme schijnen zich altijd goed verdragen te hebben; vele Japanners zijn gedurende hun geheele leven Shinto’s, doch laten zich op Buddhistische wijze begraven. In den Hachimantempel, den tempel, die aan den God van den oorlog gewijd is, genoten wij vooral van het prachtige uitzicht. De berg Fuji, de hoogste en de heilige berg in Japan, was zeer duidelijk te zien.
Toen wij ’s avonds in het hotel teruggekeerd waren, wachtte ons beiden een groote bundel brieven, die zich gedurende zes weken hier opgestapeld hadden. Voor beiden was de inhoud van vele dier brieven ongeveer gelijkluidend. Men wenscht ons in het land terug, er is te veel te doen voor de thuis zijnde werksters, enz., enz., waardoor wij beiden den indruk kregen, dat het zelfzuchtig van ons zoude zijn, indien wij onze reis niet gingen bekorten en terugkeerden om de vrienden bij te staan in het werk, dat op het oogenblik in eigen land aller krachten vordert. Dientengevolge was Maandagmorgen ons eerste werk naar de verschillende kantoren te gaan om onze tehuisreis voor te bereiden. Mrs. Catt kan eerst op de boot, die 19 Oct. van hier vertrekt naar San Francisco afreizen en heeft die plaats besproken, terwijl ik dan den volgenden dag per Trans-Siberische lijn naar Holland kom. Wij hebben nu nog anderhalve week in Japan, die wij zoo goed mogelijk hopen te besteden. Tijd en lust om hier vergaderingen te beleggen en voor vrouwenkiesrecht te werken, ontbreekt ons geheel, zoodat wij de propaganda voor de goede zaak in Japan tot later zullen uitstellen. Japan is waard voor ’n tweeden keer bezocht te worden en via Rusland is de afstand zoo klein geworden, dat men tegen de reis niet behoeft op te zien.
Ik ga dezen brief nu eindigen, omdat de mail weldra gesloten wordt. Over ’t geen ik hier nog zie en wedervaar, zal ik nog het een en ander in een volgenden brief melden, al bereikt die dan ook Holland niet, vóórdat ik zelf daar aankom.
Ik wil dezen brief beginnen met een praatje over de kleeding der Japanners; dat is hier wel de moeite van eene korte beschrijving waard. Beginnen ook in de hoogere standen de heeren—en ook enkele dames—zich Europeesch te kleeden, verreweg het grootste aantal der bevolking draagt nog de typische Japansche kleeding. Die is voor de vrouwen schilderachtig mooi, maar onpractischer kan ik mij haast niets voorstellen. Zij is goed geschikt voor nietsdoende, thuiszittende dames, maar de vrouwen nemen hier aan heel veel arbeid deel en daarbij hindert hare kleeding op allerlei wijze. De mooie, lange kimono, met hare ellenlange mouwen, die door ’n breeden band om het middel vastgebonden wordt, hindert in elke armbeweging en maakt een geregeld loopen onmogelijk. Schuifelend, met binnenwaarts gekeerde voeten, moeten de vrouwen zich voortbewegen, anders slaat de kimono van onder open en laat dikwijls een paar ongegeneerde bloote beenen zien. Als schoeisel dragen de dames op straat houten klompjes, zoo eenvoudig als men zich maar voorstellen kan. Een vierkant plankje met een lint, dat tusschen den grooten en tweeden teen door gaat, en onder het plankje van voor en achter een paar klosjes, dat is alles. Als het regent en de straten zijn vol modder, dan worden klompjes gedragen, die minstens tien centimeter hoog zijn, zoodat de modder hoog moet spatten, wil zij de voetjes der kleine Japansche bevuilen. Allergrappigst trippelen ze op die hooge houtjes voort.
Hoeden worden door de dames niet gedragen; heur mooi zwart haar is altijd smaakvol opgemaakt en met gekleurde spelden, een bloem of een strik verfraaid. Alleen bij de vrouwen uit ’t volk ziet men soms hoofddoeken, die meestal van witte stof zijn, doch die met blauwe en roode bloemen of figuren geborduurd, aan het mooie gezichtje een frissche omlijsting geven.
De mannen dragen ook kimono’s, die oogenschijnlijk gelijk zijn aan die der vrouwen, doch op verre na niet zoo lang. Zij zijn meestal van een effen en stemmige tint, maar de band om het middel is dikwijls ook van een heldere kleur. Veel ziet men hier ook de divided skirt, de rokbroek zegt men bij ons, door de mannen dragen. Deze is precies zoo als zij een kwart eeuw geleden door sommige dames in Europa en Amerika gedragen werd en later op de fiets nog wel eens dienst deed. Of de vrouwen dit model uit Japan hebben overgenomen, of dat de Japanners het van de Europeesche dames hebben afgezien, weet ik niet met zekerheid te zeggen. Voor de laatste onderstelling pleit, dat men deze dracht het meest bij schooljongens en bij het onderwijzend deel der bevolking ziet. Het zou mij niet verwonderen, als het door de Amerikaansche zendelingen hier op de scholen was ingevoerd. Deze zijn het ook die begonnen de meisjes een eenvoudig rokje over de kimono te laten dragen en deze laatste een eind te bekorten, zoodat de kinderen vrij kunnen loopen. Deze rokjes zijn nu overal op de scholen ingevoerd, en worden ook door de onderwijzeressen gedragen.
Nu ik toch over kleeding schrijf, wil ik er wat over Europeesche kleeding aan toevoegen. Het wemelt in Yokohama van kleermakers, voor heeren zoowel als voor dames. Niemand komt hier, die zich niet in een paar dagen eenige pakken of japonnen laat maken. Of men ze noodig heeft of niet, men bestelt hier. In 24 uur maakt men hier een of ander zijden damescostuum, vol met de hand geborduurd garneersel en betaalt daarvoor niet meer dan men thuis voor maakloon gewoon is te geven. Geen Amerikaansche dame of heer gaat van hier, die niet eerst zijn heele garderobe vernieuwt. Het zijn allen Chineezen, die dit meesterwerk leveren. Het borduren geschiedt alleen door mannen, die soms met vijf tegelijk aan één patroon werken. Ook deze borduurders zijn meestal Chineezen, alhoewel er ook vele Japanners onder hen zijn, doch de Chineezen leveren verreweg het knapste werk.
Nadat wij in Yokohama nog verschillende uitstapjes in de omgeving gemaakt hadden, togen wij naar Tokio, de hoofdstad van Japan, waar tegenwoordig ook de regeering zetelt en de keizer woont. Slechts een half uur behoeft de trein, om de menschen van Yokohama naar Tokyo over te brengen. En daar komt men dan in een geheel andere omgeving. In eerstgenoemde stad wonen duizenden Europeanen van allerlei landaard en zeer vele Chineezen, daar is het centrum van zakendoende menschen, de handelsstand deelt er de lakens uit, terwijl in Tokio de staatslieden, de regeeringspersonen leven, en de adelstand en de voorname Japanners er de hoofdpersonen zijn. Het geheele aantal Europeanen, dat in Tokio woont, is nog geen 150. Men verwacht hier dus een Japansche stad bij uitnemendheid te vinden, maar daarin wordt men teleurgesteld. De omgeving van het keizerlijke paleis, het paleis zelf mag men niet bezichtigen, de verschillende groote regeeringsgebouwen, de groote handelsbanken en kantoren, de groote winkels, de openbare bibliotheek, het post- en telegraafkantoor, etc., ziet er alles echt Europeesch uit of laat mij liever zeggen, zijn meestal trouwe nabootsingen van hetgeen Amerika op dit gebied levert. Er is natuurlijk nog een groot gedeelte oude stad, waar men het Japansche leven nog in ongerepten vorm kan bewonderen, maar dat zal niet zoo heel lang meer zijn, want Japan en de Japanners zijn haastig bezig zich te veramerikaniseeren en te vereuropiseeren. De Engelsche taal wordt op alle scholen onderwezen en voor de reeds opgegroeide jeugd zijn avondscholen, waar uitsluitend Engelsch onderwezen wordt. In alle winkels, in treinen en trammen spreken dan ook de bedienden en conducteurs min of meer goed Engelsch.
Er is op het oogenblik in Tokyo een koloniale tentoonstelling, waar de producten, de menschen en alles wat de koloniën opleveren, tentoongesteld worden. Dat is een zeer leerzame tentoonstelling, die een goed beeld geeft van het leven en de ontwikkeling der bevolking in de Japansche koloniën. Wij zagen er de Ainu’s, die in Yezo leven, het Noordelijkste punt van Japan, en die, volgens sommige schrijvers, de oorspronkelijke bevolking van Japan uitmaakten. Het is nog een zeer primitief volk. De mannen zijn breed en zwaar gebouwd, met lange, zwarte of grijze baarden, en zeer klein van gestalte. Zij gelijken precies op de kaboutermannetjes, die in steen zooveel in onze tuinen voorkomen. De vrouwen zijn leelijk en hebben bijna allen zware snorbaarden, waarvan de punten naar beneden hangen of over de wangen naar boven gekeerd zijn. Korea wordt nu ook onder de Japansche kolonies gerangschikt en was goed vertegenwoordigd. Wij brachten op deze tentoonstelling een heelen middag zoek, omdat het ons zoo’n goed beeld van den vooruitstrevenden geest der Japanners gaf. Den geheelen middag waren tal van onderwijzers en onderwijzeressen met geheele klassen kinderen in de verschillende afdeelingen aanwezig, om den kinderen aanschouwelijk onderricht te geven in hetgeen Japan op dit gebied vermag. Een der onderwijzers vertelde ons, dat voor alle scholen in Japan vrij entrée op deze tentoonstellingen is. Ook wij hadden slechts een minimum entrée te betalen.
Een anderen middag, toen wij met onzen gids tal van tempels en dergelijke merkwaardigheden gezien hadden en wij moede waren, bracht hij ons in het clubgebouw van voorname Japanners, de Mapleclub. De heeren dezer club veroorloven den gidsen overdag vreemdelingen daar te brengen om hun mooi gebouw te doen bewonderen en zich door de Geisha’s van thee te laten bedienen. Het was een typisch Japansch gebouw met grooten tuin. Wij kregen slofjes over onze schoenen, doch de gids moest zijne schoenen uittrekken, en zoo werden wij rondgeleid. Wij troffen het, dat eenige Geisha’s juist onderricht in muziek kregen en in een andere kamer vijf anderen dansles hadden. Het muziekonderricht werd door een man gegeven en kwam ons vrij primitief voor. Op onmogelijke instrumenten werden leelijke geluiden voortgebracht en nog leelijker gezongen. Maar de dansles was allervermakelijkst. Een oude vrouw gaf het onderricht. Dit vrouwtje was gewis tusschen de 60 en 70 jaar, maar was nog zoo lenig, vertoonde in elke beweging nog zooveel gratie, dat het hoogst interessant was, haar gade te slaan. Zij deed elke beweging voor en gaf steeds, in voor ons onverstaanbare taal, eene verklaring van de beteekenis der beweging. Een paar andere meisjes gaven de maat aan, spelende op een guitaar, maar het oude moedertje zong de melodie al dansende. Zij moet in hare goede jaren eene betooverende Geisha geweest zijn, want nog vertoonde zij, bij al hare gratie, mooie regelmatige gelaatstrekken. Er waren twintig Geisha’s in dit clubgebouw, waarvan er velen ware schoonheden zijn, die den heerenclubleden op alle mogelijke wijze het leven moeten veraangenamen. Wij zagen er zelfs twee kindertjes van tien jaren, die nog geen vollen dienst doen, maar voor het vak worden opgeleid. Toen wij alles gezien hadden, vlijden wij ons in een der vertrekken op Japansche wijze op den grond neder en ontvingen elk een geurig kopje groene thee met een paar rijstkoekjes, waarvoor dit huis bijzonder gerenommeerd is.
Toen wij in het hotel teruggekeerd waren, vroegen eenige daar ook vertoevende Amerikaansche dames ons, om ons met haar dien avond te vereenigen om in een der gerenommeerde theehuizen een Geishadans te laten organiseeren. Sommige theehuizen geven daartoe de gelegenheid en laten daarvoor van 10 tot 30 Yen betalen, onverschillig hoe groot het gezelschap is, dat komt zien en luisteren. Zoo’n voorstelling duurt ongeveer anderhalf uur. Om 9 uur ging het heele gezelschap dames met één gids in rickshaws (rikisha, zal ik in Japan moeten schrijven) naar het aangegeven theehuis. Zoo’n lange rij rikishaas is in Japan bij avond op zich zelf reeds een mooi gezicht, omdat elk voertuigje door bont gekleurde lampions verlicht wordt. Aan het theehuis aangekomen, werden wij door een bijdehante madam zeer hartelijk ontvangen. Zij liet ons allen ’n paar bonte slofjes over onze schoenen aantrekken, door lieve kinderen geholpen en daarna mochten wij den drempel van haar heiligdom overschrijden. Nu werden wij naar boven geleid, waar wij ons allen op den matten vloer neervlijden, met een klein bankje voor rustpunt voor de armen en toen werd ons door de poppige kindertjes de Japansche groene thee met Japansche rijstkoekjes voorgediend. Ieder kreeg zijn eigen mooi-gelakt blaadje met klein theepotje en kopje en koekjes voor zich en kon zich daarvan naar believen bedienen. Onderwijl hadden de Geisha’s zich voor den dans gereed gemaakt en waren de muziekinstrumenten opgesteld. Het was heel mooi en heel interessant, wat wij te zien en te hooren kregen, maar mrs. Catt en ik vonden het zeer veel gelijken op de Javaansche gamelang en de Javaansche danseressen, zooals wij het op Java gezien hebben. In elk geval houden beide nauw verband met elkaar. Tusschen de dansen van de Geisha’s in, gaven de kinderen, leerling-Geisha’s, ons verschillende van hare dansen te zien. Dat was echt mooi door den eenvoud en de gratie. Dit is echter volkomen gelijk aan wat in Zwitserland, door Dalcroze, is ingevoerd en van daar nu ook in ons land grooten opgang maakt. Het waren in beeld gebrachte fabeltjes of kindervertellingen, die allerguitigst aanschouwelijk werden gemaakt.
De gids zelf gaf ons van elken dans vooraf eene korte verklaring. Hebben Isidore Duncan en Dalcroze in Azië hunne eerste indrukken opgedaan, die hen leidden tot eene hervorming van den Europeeschen dans, is een vraag, die onwillekeurig tot ons komt, als men de pogingen van deze twee artisten gadeslaat en de volmaaktheid van ’t geen zij beoogen in verschillende Aziatische landen voor zich ziet.
Van Tokyo uit, gingen wij twee dagen naar boven, naar Nikko. Dit is een ander van de drie mooiste punten van Japan en in dit seizoen, door de tot den top begroeide bergen met Mapleboomen, zeer bijzonder prachtig. Wij hadden ons van het natuurschoon in Nikko zeer veel voorgesteld, omdat wij er aanhoudend van gehoord en gelezen hebben, maar wat wij zagen overtrof onze stoutste verwachtingen. Men staat eenvoudig ademloos te kijken naar alles rondom, en weet geen woorden te vinden, om zijne indrukken weder te geven. De natuur is daar onbeschrijfelijk grootsch. En in die schoone omgeving heeft Japan zijne prachtigste tempels, die als kunstgewrochten wedijveren met de schoonheid der natuur waarin zij zich bevinden. Ook de geschiedenis, aan deze tempels verbonden, is zoo belangrijk en geeft elk onderdeel eene historische waarde. Voor de Hollanders is het interessant te weten, dat de mooiste bronzen, reuzengroote candelabre, eene Hollandsche kandelaar is, een prachtig oud-Hollandsch model, die ruim 300 jaren geleden door de Hollandsche handels-compagnie in Japan den Shogun ten geschenke is aangeboden, met het doel, om in één der tempels van Nikko geplaatst te worden. De tweede in grootte en pracht is een kandelaar door de bewoners van Yezo den Shogun aangeboden; deze is ook in Holland vervaardigd en moest dienen als pendant van den eerstgenoemden. Vreemd is zeker, dat deze twee prachtige candelabres nimmer zijn opgehangen, doch door een steenen omhulsel beschermd, bij den ingang van den tempel tentoongesteld zijn.
De tempels in Nikko leveren een aardig mengsel van den Shinto- en den Buddhistengodsdienst. Het zijn Shintotempels met de Shinto Tori er voor, doch met de Buddhabeelden binnen in. Men kan in deze tempels tezelfdertijd de Godin van de Zon, of den God van den Wind, of een ander afgodje aanbidden en Buddha met zijne discipelen verheerlijken. Ook de priesters leveren zoo’n heerlijk mixtum. Het zijn mannen, die zich geheel aan het priesterschap wijden, geen ander werk verrichten om den kost te verdienen, doch die gewoon wereldsch getrouwd zijn en een of meer vrouwen en kindertjes bezitten. Deze vrouwen doen dan dikwijls dienst als tempelmaagden, dat is te zeggen, zij zitten in een wit gewaad op een mat voor een tempelingang en voeren min of meer een dans uit, als men een paar centen of een dubbeltje op de voor haar liggende mat gooit. Wij offerden het dubbeltje, toen stond de tempelmaagd op, die een hoogst zwangere vrouw bleek te zijn, voerde eenige ronddraaiende bewegingen uit, accompagneerde zich zelve met een in de rechterhand dragend belletje en maakte met de linkerhand eenige ongracieuse handbewegingen.
Het meer Churenji bij Nikko.
Ook in Nikko zagen wij, vooral den Zondag, weder tal van schoolkinderen met de hun begeleidende onderwijzers en onderwijzeressen. Elk deel van de tempels werd hun verklaard; telkens zagen wij eene klasse neerhurken en hoorden dan den voor hen staanden onderwijzer eene uitlegging geven van wat de volgende tempel voor historische beteekenis heeft en welke onderdeelen het meest te bewonderen zijn.
Een van de karakteristieke bijzonderheden van Nikko is de Roode Brug. Dit is een heilige brug, waar niemand over loopen mag. Alleen de vroegere Shoguns en nu de Mikado en bij heel enkele bijzonderheden de hooge priesters mogen hunne voeten op deze brug zetten. Aan deze brug is natuurlijk eene geschiedenis verbonden, die fabelachtig genoeg klinkt, doch die door de Japanners toch als waarheid wordt aangenomen. Heel erg verkort komt zij daarop neder, dat eene der Japansche heiligen, Södö Shöhun, eens in zijn droom vier wolken zag, die hem noodigden te volgen. Hij maakte zich onmiddellijk gereed, om dat bevel op te volgen en liep dagen achtereen over bergen en dalen tot hij ten slotte kwam voor den grooten, snelvlietenden stroom, waar nu de brug staat. Daar kon hij niet verder. Hij ging bidden om hulp. Na lang genoeg gebeden te hebben, verschenen twee roode draken, die van beide oevers zich verhieven en boven het midden van den stroom zich vereenigden. Onmiddellijk zag Shöhun, dat dit de brug was, waarover hij gaan moest, en aan de andere zijde gekomen, merkte hij de plek, om daar later een roode brug te bouwen. Dit is nu de mooie, boogvormige, prachtig roodbruin gelakte roode brug, die met het veelkleurige groen boven, en den witschuimenden stroom onder zich, een schilderachtig geheel vormt. De twee dagen, die wij in Nikko doorbrachten, waren juist genoeg om een onvergetelijken indruk achter te laten en den wensch te vestigen er nog eens voor langeren tijd te mogen vertoeven.
Toen wij van Nikko weder in het Imperial-hotel in Tokyo aangeland waren, vonden wij daar eenige kaartjes van Japansche dames, die onze namen in de lijst der gasten van het hotel vermeld hadden gezien en getracht hadden ons te bezoeken. Het was ons eerste werk den volgenden morgen, om deze visites te beantwoorden. Het eerste bezoek, dat wij brachten, was bij mad. Ma Tsuruda, die een private hoogeronderwijs-inrichting voor meisjes heeft, doch wier school door de regeering erkend is, zoodat de diploma’s aan haar school behaald, gelijk gesteld zijn met de regeerings-diploma’s. Hoewel mad. Tsuruda hare leerlingen, meisjes van 16 tot 20 of 22 jaar, hoofdzakelijk tot onderwijzeressen voor hoogere- en middelbare scholen opleidt, zijn er toch ook vele meisjes uit de voorname standen onder hare leerlingen, die eenvoudig de school bezoeken, voor meerdere ontwikkeling. Wij hoorden van deze interessante Japansche vrouw, die hare opleiding in Engeland heeft genoten, vele bijzonderheden omtrent het leven en het werken der moderne Japansche vrouwen, die op het oogenblik eene geheele hervorming door maken en over niet al te langen tijd met de Europeesche vrouwen op één lijn gesteld kunnen worden. Voor de politieke rechten der vrouw, wordt in Japan nog niet veel gevoeld, wat verklaard moet worden uit het feit, dat de politieke toestand van het land een zoo geheel bijzondere is en ook de mannen geen noembaren directen invloed op de regeering uitoefenen. Men gelooft nog heel sterk, dat de Mikado een godsgezant is en wat hij doet, of wat in zijn, naam gedaan wordt, door menschelijke inmenging niet verbeterd kan worden. Zooals de Mikado doet, heeft de god der Japanners het gewild en zoo moet het uitgevoerd worden.
Na ons bezoek bij mad. Tsuruda, begonnen wij toch een beetje hoop te koesteren, om in den korten tijd van ons verblijf in Japan, toch nog iets van een comité of vereeniginkje tot stand te brengen, die op de een of andere wijze aan den Wereldbond verbonden kan worden. Mad. Tsuruda werd daarover geraadpleegd en als antwoord zond zij ons niets anders dan een invitatie voor een lunch, die door 8 Japansche dames onderteekend was.
16 October 1912.
De acht dames die de uitnoodiging voor een lunch onderteekend hadden, waren aangegroeid tot achttien, waaronder Mme Osaki, de vrouw van den vorigen burgemeester van Tokyo. Wij hadden gehoopt dat men ons een huiselijk Japansch diner zou aanbieden, doch in plaats daarvan werden wij Donderdagmiddag om half één zeer officieel en Europeesch door de Japansche dames in het Imperial hotel ontvangen en had ook daar een half uur later de lunch plaats. Behalve madame Osaki, die in een prachtig zwart-kanten costuum verscheen, waren alle andere dames in Japansche kleedij. De houten klompjes van deze dames waren alleen van wat fijner hout en velen met paarlemoer ingelegd, de kimono’s waren van prachtige zware zijde en zeer stemmig van kleur, alleen de prachtige parelen en diamanten gaven uiterlijk eenig vertoon van rijkdom. Een der dames, madame Ishi, was 25 jaar geleden als jong meisje drie jaar in Holland geweest. Haar meisjesnaam is Watanabe. Haar vader, baron Watanabe, was een groot vriend van Holland en de Hollanders, hij sprak onze taal met groot gemak en was een bewonderaar van de Hollandsche literatuur. Hij wilde dat zijn eenige dochter goed Hollandsch zou leeren en daarom had hij haar naar haar oom gezonden, die toen gezant in Den Haag was. Maar madame Ishi heeft haar Hollandsch geheel vergeten en kon zelfs geen enkel woord meer verstaan. Alle aanwezige dames namen op de een of andere wijze aan de vrouwenbeweging deel, die hier in Japan voornamelijk daarin bestaat, dat zij het onderwijs der vrouwen tracht te bevorderen en den maatschappelijken werkkring der vrouwen uit te breiden. Daarnaast hebben zij allerlei patriottische en philantropische vereenigingen.
Na de zeer goede lunch, die echter in geenen deele een Japansch karakter droeg, kreeg Mrs. Catt gelegenheid om het doel van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht uiteen te zetten. Zij deed dat in zeer korte trekken, legde voornamelijk het gewicht van haar speech op het aanstaande congres in Budapest, waar vele Aziatische vrouwen vertegenwoordigd zullen zijn en waar wij bij bijna alle volkeren, die wij in het afgeloopen jaar bezocht hebben, van eenige vrouwen toezegging ontvingen, om in elk geval een volledig rapport van den maatschappelijken en wettelijken toestand der vrouw in haar land te zullen zenden. Japan, het leidende land in Azië, moest natuurlijk op dat congres ook vertegenwoordigd zijn en zeer zeker mocht een rapport van dat land niet ontbreken. Met een paar woorden wees zij even op het feit dat China niet alleen vertegenwoordigd zal zijn, maar dat de Chineesche vrouwen nationaal georganiseerd voor vrouwenkiesrecht strijden en aansluiting aan den Wereldbond aangevraagd hebben. Dit is voor Japan de grootste prikkel om ook aan het werk te gaan. Bij China achterstaan, dat kan dit fiere Japansche volk niet verdragen. Een rapport werd verzekerd en eenige dames beloofden, als niet onvoorziene omstandigheden het onmogelijk maken, zelf in Budapest te komen om het rapport voor te lezen of aan te bieden.
Daarna werden wij in den kring onzer gastvrouwen door twee weekblad-reporters gephotographeerd en toen werden wij onthaald op muzikale voordrachten. Ik weet niet wat meer te bewonderen was, den eenvoud en de gratie van de artisten, dan wel het sublieme werk dat zij leverden. Wij kregen een piano-solo van Schumann en van Chopin, liederen van Weber, Franz, Rubinstein en Mattei en een viool-solo van Max Bruch te hooren, zoo volmaakt in uitvoering en voordracht, dat daaruit gerust de conclusie getrokken mag worden dat de Japanners in muzikaal opzicht zeer zeker de eersten onder de Aziatische en in geenen deele de laatsten onder de Westersche volken gerekend moeten worden. Hebben de Japanners tot heden nog geen wereldberoemde muzikale artisten geleverd, ’t geen wij Donderdagmiddag te hooren kregen doet voor de toekomst veel verwachten. Het was zoo aardig die kleine handjes van de pianiste over de pianotoetsen te zien glijden en de kleine violiste haar klein viooltje te zien hanteeren; alleen de zangeres was een klein beetje grooter dan een gemiddelde Japansche, doch zij ontwikkelde een stemgeluid die een veel forscher gestalte zou doen vermoeden.
Om 5 uur spoedden wij ons naar Yokohama terug, omdat mrs. Catt beloofd had, daar dien avond in een literaire en muzikale club van uitlanders over de wereldbeweging voor vrouwenkiesrecht te zullen spreken. Toen wij daar ’s avonds om 9 uur in de Van Schaick-Hall binnenkwamen, was de zaal geheel gevuld met Amerikanen, Engelschen, Duitschers, Franschen, Hollanders en misschien nog andere nationaliteiten, die mrs. Catt een warm welkom boden. Door den president der club, predikant Dearing, werd zij bij het publiek ingeleid met een speech, die het gevolg had, dat mrs. Catt onmiddellijk vuur vatte en dien avond sprak, zooals zij in haar beste momenten alleen kan spreken. De heer Dearing toch deed mrs. Catt alle eer aan, maar gaf, zonder het te willen, blijk, dat hij van de geheele vrouwenkiesrechtbeweging niets begrijpt en nooit de moeite genomen heeft zich er in te verdiepen. Noch van de beteekenis, noch van den omvang, noch van den voortgang, van deze beweging had hij eenig begrip en dat toonde hij glashelder in zijn korte inleiding aan. Bovendien las hij zijne vijf-minuten-speech van een papier, en toen direct daarna mrs. Catt opstond en met haar heerlijk geluid de prachtig gevormde zinnen, zoo logisch gedacht en zoo samenhangend, van haar lippen deed rollen, moest zij onwillekeurig bij elkeen de overtuiging vestigen, dat het bespottelijk is, dat zulken vrouwen elke invloed op de regeering wordt onthouden, terwijl den mannen, uit het feit alleen, dat zij man zijn, die invloed in alle constitutioneele landen is gegeven. Mrs. Catt gaf dien avond het geheele gezelschap herhaaldelijk gelegenheid om te schaterlachen over de dwaze positie, waarin de hedendaagsche vrouw door de veranderde sociale toestanden is komen te staan en waaruit zij nooit zal kunnen komen, zoolang de regeering uitsluitend in handen van mannen blijft. Glashelder toonde zij aan, dat onze strijd niet gaat tegen mannen, doch dat wij te strijden hebben tegen vooroordeel, bekrompenheid, zelfvoldaanheid en dergelijke hoedanigheden bij mannen en vrouwen beiden.
Met een enkel woord wil ik hier nog iets over het Japansche tooneel zeggen. Het naïeve ouderwetsche tooneel, waarbij de acteurs met een gemaakt hoog geluid spreken, alsof zij menschen uit een onder- of bovenwereld zijn en waarop alleen middeleeuwsche toestanden aanschouwelijk worden gemaakt, staat op het punt te verdwijnen en voor de in Azië overal veelvuldig verrijzende cinematografen plaats te maken. Hier en daar is nog zoo’n theater te bewonderen. De stukken duren meestal den geheelen dag, doch een gewoon mensch heeft er genoeg van als hij er een uur naar heeft gezien en geluisterd. Begrijpen doet men er niet veel van, maar het oog wordt onophoudelijk geboeid door de schilderachtige tooneeltjes; de kleeding, de houding, de grimeering der acteurs—ook de vrouwenrollen worden door mannen vervuld—alles doet aan de ouderwetsche Japansche plaatjes denken. Elk tooneeltje is een schilderij. Maar naïef is alles in groote mate. Tooneelveranderingen, costuumverwisseling, alles geschiedt bij open doek; de man of mannen, die daarbij dienst doen, verschijnen in een zwart gewaad en met een zwarten sluier voor, wat beteekent, dat men ze eigenlijk niet zien moet, dat zij eigenlijk niet bestaan. Geesten komen natuurlijk ook ten tooneele, die houden zeer huiselijke praatjes en verdwijnen of worden verondersteld, dat zij verdwenen zijn, als een zwart doek hun gestalte bedekt. Het is voor de vele vreemdelingen, die Japan tegenwoordig overstroomen, jammer, dat dit stukje ouderwetsch Japansch leven op het punt staat van de aarde te verdwijnen. In Tokyo, de drukke havensteden en in Kyoto worden thans stukken van Bernard Shaw, Ibsen, Sudermann, Shakespeare, Molière in het Japansch vertaald opgevoerd, waarbij de censuur brutaalweg die momenten schrapt, die gevaarlijk voor de Japansche jeugd worden geacht. Dat zijn niet de scrabeuse punten, als men die bij zulke schrijvers meent te moeten zoeken, maar dat zijn de gedeelten, waarin de oudervereering niet haar deel krijgt, of waarin de vrouw niet genoeg op haar plicht, zich alles te laten welgevallen, gewezen wordt, of waarin de man niet als het superieure wezen verschijnt. In deze moderne stukken spelen nu ook vrouwen mede en het zijn de meisjes uit de gegoede kringen, die zich aan het tooneel, het nieuwe, willen wijden. Eenige zeer goede actrices zijn reeds gevormd.
In de theaterstraat te Yokohama.
Daar ik vóór mijn vertrek uit Japan Kyoto nog wilde zien, verliet ik mrs. Catt Vrijdagmorgen, om naar deze stad te gaan. Zij gaat Zaterdagmorgen en voor dien laatsten dag liet ik haar bij hare Amerikaansche kennissen achter. In Kyoto aangekomen nam ik onmiddellijk een gids, die mij voor de paar dagen die ik er verblijven moet zal vergezellen en overal rondgeleiden. Natuurlijk bracht hij mij het eerst naar een tempel, den oudsten tempel in Japan, ’n tempel vol van historische bijzonderheden; maar ik heb in de laatste maanden zoovele tempels gezien, die uit den aard der zaak alle in hoofdzaak overeenstemmen, dat ik mijn gids in zachte woorden te verstaan gaf, dat hij mij Kyoto met alle Japansche bijzonderheden moest laten zien, maar dat ik van tempels nu genoeg had.
Kyoto is van alle Japansche steden in menig opzicht de interessantste, want zij is geheel en al Japansch, vreemde invloeden hebben er nog niet veel verandering gebracht. Van 749 tot 1867 was Kyoto de hoofdstad van Japan en de residentie van den Mikado. Het hof is nu naar Tokyo overgebracht, maar Kyoto blijft toch de grootste aantrekking voor de vele vreemdelingen die Japan willen zien en het Japansche volk willen leeren kennen. De stad ligt bovendien in de mooist denkbare omgeving, zoodat de mooiste uitstapjes van hieruit gemaakt kunnen worden. Kunst en industrie, Japansche kunst en industrie wel te verstaan, hebben hier hun hoogtepunt bereikt en de zijde-, porselein-, brons- en ivoorwinkels stallen een pracht uit, die alleen een bezoek aan deze stad zouden rechtvaardigen. Het paleis en het kasteel, waar vroeger de keizer en de Shogun woonden, zijn nu voor het publiek te bezichtigen en zijn ter wille van de zeldzame schilderijen een bezoek waard.
Toen mijn gids wist wat mij eigenlijk het meest interesseerde bracht hij mij eerst naar een chrysanthemum-tuin, een publieke gelegenheid, waar de mooie najaarsbloemen in volle pracht aanwezig waren. Maar toch was ik daar zeer teleurgesteld, want onder al die vele bloemen, in groote verscheidenheid, was er niet een zoo mooi als ik ze in Holland dikwijls gezien heb. Daarbij kwam, dat men heel smakeloos, van elke plant een of ander figuur had gemaakt, door de bloemen onzichtbaar langs ijzerdraad te geleiden. Er waren scheepjes, violen, tempelpoorten, waaiers, parapluies, etc., het kwam mij voor dat de bloem door die gedwongen houding niet tot wasdom heeft kunnen komen.
Een korten tijd vertoefden wij in een wassenbeelden-vertooning, alwaar zeer plastische scènes uit de Japansche geschiedenis, of liever de Japansche mythologie, waren in beeld gebracht. Hoewel ik nog slechts kort geleden die geschiedenis las, was deze opfrissching van mijne memorie mij toch zeer welkom. Dat naïeve geloof der Japanners dat hun Mikado regelrecht van God, hun God, afstamt, geeft hun politiek leven een bijzondere kleur. Als men ziet hoe tal van eenvoudige landslieden dagelijks pelgrimstochten maken naar de begraafplaats van den pas overleden keizer, daar offers brengen en uren lang liggen te bidden, dan begrijpt men pas van welke beteekenis het is het eenvoudige volk in het geloof te brengen, dat God de oervader van de keizers der Japanners is. Hun geschiedenis, die vol is van onderlinge oorlogen, oorlogen zoo wreed en zoo bloedig dat men verbaasd is dat er nog Japanners zijn overgebleven, vertelt brutaalweg dat Japan in oorlog met andere volken steeds de overwinnaar is gebleven, wat natuurlijk een gevolg is van de hooge bescherming waaronder het land staat. Zelfs in oorlogen waarbij zij het onderspit hebben moeten delven, weten zij de geschiedenis toch zoo te verdraaien dat het eigenlijk voor hun eene overwinning is geweest. Tegenwoordig gelooven zij, dat Japan niet alleen het leidende land der Aziatische volken is, maar dat weldra ook Europa en Amerika bij Japan ter school zullen gaan. Alleen enkele pessimistische Japanners waarschuwen hunne landgenooten openlijk in de dagbladen om geen verkeerde stappen te doen, omdat zij vreezen dat Japan thans zijn hoogtepunt heeft bereikt en een stilstand of achteruitgang in ontwikkeling wel eens spoedig zou kunnen intreden.
Wij gingen daarna de Nyokoba, een gouvernementschool voor Geisha’s bezoeken. Dit is zeker wel het toppunt van brutaliteit. Een regeeringsinrichting voor dansmeisjes en Geisha’s! In geen land ter wereld treedt de prostitutie zoo schaamteloos op, wordt zij door de regeering zoo in de hand gewerkt en wordt zij zoo royaalweg beschouwd als een sociale instelling als in Japan. Maar laat mij er onmiddellijk aan toevoegen dat ook nergens de prostitutie zoo aantrekkelijk wordt gemaakt en dat het voor oppervlakkige toeschouwers lijkt, alsof zij al het walgelijke heeft afgelegd. In deze Nyokoba waren 570 leerlingen, meisjes van 8–15 jaar, die uit alle deelen van het land kwamen en die daar opgeleid worden, om, na een schooltijd van 3–5 jaar, aan den meestbiedenden bordeelhouder verkocht te worden. De ouders dezer kinderen hebben een maandelijks schoolgeld van 8 yen te betalen, waarvoor hun dochtertje dan kost, inwoning en onderricht ontvangt. Dat schoolgeld wordt echter gaarne betaald, want na eenige jaren daar geweest te zijn, brengt zoo’n kind van één tot twee duizend yen op. Voor dat geld moet zij dan drie jaar dienst doen en heeft zij gedurende die jaren niet het geluk, om, tengevolge van hetgeen van haar gevergd wordt, ziek te worden en in een hospitaal te sterven, dan heeft haar vader het recht, haar daarna opnieuw te verkoopen. Eenige jaren geleden hebben wij in het Maandblad voor Vrouwenkiesrecht een brief gepubliceerd, die door een groep van zulke meisjes tot eenige Amerikaansche vrouwen gericht was, met ’n noodkreet om haar te hulp te komen en de Japansche meisjes te redden uit een leven van diepste ellende, waarin zij vaak gestooten worden doordat de vader een opiumschuiver of speler is en dan zijn schulden betaalt met het geld, dat hij voor zijn dochter kan maken. Onwillekeurig kwam die brief mij voor den geest, toen ik deze Geisha-school, zooals de volksterm luidt, bezocht en die honderden jonge slachtoffers daar zag zich voorbereiden voor haar ongeluk. Het kwam mij voor, dat een sombere trek in al die lieve gezichtjes aanwezig was. Het is mogelijk, dat Japan’s moraliteit niet lager staat dan die van alle andere naties, dat de immoraliteit hier alleen openlijker optreedt, doch alvorens Japan onder de beschaafde volkeren kan gerekend worden, zal zijn opvatting der prostitutie toch zeker een totale wijziging moeten ondergaan. Op die school wordt voor de kleintjes ook elementair onderricht gegeven in rekenen, schrijven, lezen etc., doch het onderwijs is er voornamelijk op ingericht om de verschillende kunsten te leeren, die een Geisha aantrekkelijk maken. Muziek, zang en dans, zich kappen en grimeeren, zijn de hoofdfactoren bij het onderwijs. De meeste onderwijzeressen zijn oude vrouwen, vroegere Geisha’s, alleen voor zeer enkele vakken zijn mannen voor het onderricht aangesteld. Wij woonden er een muziek- en dansles bij. Bij deze laatste zagen wij een stuk van den beroemden Nö-dans instudeeren. Deze dans werd vroeger alleen op zeer bijzondere dagen aan het hof en voor de keizerlijke omgeving uitgevoerd, doch tegenwoordig wordt zij ook op het tooneel voor een betalend publiek gegeven, waarvoor dan altijd de Japanners uit alle deelen van het land overkomen. Er zijn nu reeds drie avonden in de Maand November voor Nö-dansen aangekondigd en de gids verzekerde mij, dat, wilde men op een dier avonden zeker zijn van een plaats in het theater, de kaarten dan nu reeds genomen moesten worden. Enkele van de leerlingen der Nyokoba, die bijzonder uitmunten in het dansen, worden ook wel aan theaterdirecteuren verkocht, maar dan is haar leven niet zooveel beter, want maar al te dikwijls moeten zij ook voor den directeur door dansen en op andere wijze het geld weder opbrengen, wat hij voor haar betaalde. Het spreekt van zelf, dat, in een land als hier, de prostitutie een gepatenteerd beroep is en de Staat van iedere Geisha een zekere belasting trekt, die hooger is, naarmate ook het meisje meer opbrengt voor den eigenaar.
Wij zijn gewend al die meisjes Geisha’s te noemen; de Japanner maakt echter een groot verschil tusschen een Geisha en een gewone prostituee. Geisha’s zijn de meisjes, die in de clubhuizen een bepaalde club heeren dienen, of in de theehuizen dienst doen, terwijl de prostituee ’s avonds achter hare tralies te pronk zit en elken binnenkomende moet dienen. Elke min of meer groote stad in Japan heeft een heele buurt, waarin deze huizen gevestigd zijn en waarbinnen alleen deze vrouwen zich vrij mogen bewegen. In andere straten mogen zij niet komen.
Morgenochtend ga ik Japan verlaten; ik heb er dan juist genoeg van gezien om den wensch levendig te houden, er nog eens terug te mogen komen. Want bij al het artistiek mooie wat het land te bewonderen geeft, heeft het ook een heerlijk klimaat, waarin men zich frisch en opgewekt gevoelt, en bezit het bijna overal goede hotels, met matige prijzen, waarin de bezoeker niet geëxploiteerd wordt. Laat mij er nog aan toevoegen, dat in geen land in de heele wereld de spoorwegmaatschappijen zoo goed zorgen voor de passagiers als in Japan. Aan elk station zijn steeds tal van spoorweg-aangestelden aanwezig, die uitstekend voor de bagage der reizigers zorgen en waarvoor men niet verplicht is te betalen. Een fooitje van ’n dubbeltje voor 5 à 6 stuks bagage, maakt deze mannen uiterst dankbaar en men kan zeker zijn, dat alles terecht komt, waar men het besteld heeft.