Op den terugweg van Lapland.

Van Abisko naar Kiruna was slechts een paar uur sporen. Wij stapten daar tegen den middag uit den trein, alhoewel daartoe eenige moed behoorde, want de regen viel bij stroomen neder. Kiruna is nog een zeer jong stadje, hoogstens 10 jaren oud. Men vertelt dat de Lappen daar het eerst het groote ijzergehalte van de omliggende bergen ontdekten en reeds jarenlang groote rotsblokken, met de hulp van hunne rendieren, naar beneden brachten en voor geringe sommen verkochten.

Het waren ondernemende Engelschen en Schotten die het aandurfden de exploitatie van deze bergen op zich te nemen en die eene enorme uitgestrektheid grond rondom Kiruna van de Zweden kochten. Om het ijzer uit deze bergen echter te kunnen vervoeren, moesten zij eerst den spoorweg aanleggen, die van Kiruna naar Narvik voert, waar het de booten vindt, die het verder over de wereld verspreiden.

Al deze bergen bevatten van 70 pCt. tot 90 pCt. ijzer. In den regel wordt het ijzer in ijzermijnen aangetroffen; in Kiruna doet zich de eigenaardigheid voor dat daar ijzerbergen zijn en alle arbeid boven den grond plaats vindt.

De rotsblokken worden, evenals dat in ondergrondsche mijnen geschiedt, door dynamiet in stukken geslagen; doch door het groote ijzergehalte zijn deze stukken dan nog te zwaar om vervoerd te kunnen worden. Het werk der arbeiders bestaat nu hierin, dat zij met zware hamers deze stukken in kleinere brokken verdeelen en op de wagens laden, waarin zij naar de schepen in Narvik gebracht worden. Niets anders dan ruwe spierkracht is voor dit werk noodig. Toch zijn er geen Zweden genoeg te vinden, die dit werk willen verrichten. Het overgroote deel der werklieden bestaat uit Finnen, die door armoede hiertoe gedreven worden.

Het gemiddelde loon van deze mannen is 30 tot 36 kronen (20 tot 25 gulden) in de week, terwijl men de uitgaven voor een gezin van man, vrouw en drie schoolgaande kinderen op ongeveer 20 kronen in de week beraamt. Maar het zeer zware werk, het ruwe klimaat,—Kiruna heeft beslist 9 maanden winter en de drie zomermaanden zijn ook nat-koud,—en de slechte voeding, omdat groenten en vruchten bijna niet te krijgen zijn, maken dat de meeste mannen het werk na eenige jaren moeten opgeven, omdat dan hunne krachten zijn uitgeput en zij eerst langen tijd in gezonder omgeving moeten doorbrengen om de oude krachten te herstellen.

Er wordt door de directie wel voor de werklieden gezorgd. Zij werken in drie ploegen, elk van acht uur. In hun vrijen tijd vinden zij op twee plaatsen in het kleine stadje een bibliotheek, met goede boekwerken, dagbladen en tijdschriften. Op de scholen, waar de kinderen tot hun 14e jaar blijven, wordt door zeer goede en goedbetaalde onderwijskrachten, meest vrouwen, onderricht gegeven, ook in vreemde talen. Er zijn avondcursussen voor de volwassenen, waaraan elke werkman gratis kan deelnemen. Ook op hygiënisch gebied worden er goede voorzorgen genomen. Toch keeren de meeste werklieden na vijf of zes jaren, met vrouw en kinderen, en een kleinen, spaarpot, weder naar hun land terug.

Het stadje Kiruna ziet er precies uit als een westersch-Amerikaansch stadje; woningen, straten en winkels zien er uit alsof zij in een gauwigheidje zijn opgetrokken en de bewoners volstrekt niet van plan zijn er voor goed hun leven in door te brengen. Alles is er zichtbaar provisorisch ingericht.

Wij waren blijde toen het ’s avonds elf uur was en de Lapland-expres ons mede nam. De te voren bestelde bedden in den trein vonden wij reeds netjes voor ons gespreid. In twee nachten en een langen dag, bracht deze trein ons in Stockholm terug. Wij hadden daar juist tijd genoeg om onze achtergelaten bagage uit het Grand Hotel te halen, eenige noodzakelijke inkoopen te doen en zelfs nog om met een auto de nieuwe overdekte tennisbaan in oogenschouw te gaan nemen en daar de noodige inlichtingen over in te winnen, (iets wat wij eenige tennisliefhebbers in ons land beloofd hadden), om nog met den avondtrein de reis naar Holland door te zetten.

Na nog eens twee nachten en een dag reizen, kwam ik juist vroeg genoeg in Holland terug, om in Nijmegen de zomervergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht bij te wonen en de talrijke kiesrechtstrijdsters nog eens de hand te kunnen drukken, alvorens ik de zooveel grooter en langer reis om de wereld aanvaard.


Woensdagavond elf Juli ging ik naar London, alwaar ik den volgenden ochtend mrs. Chapman Catt in goeden welstand en in opgewekte stemming trof. Ook hier in Engeland, waar toch ook zoo vele groote vrouwen in den strijd voor Vrouwenkiesrecht leven, is zij de gevierde vrouw. Van de gelegenheid, deze groote vrouw in hun midden te hebben, profiteeren de Engelsche vrouwen in elk opzicht. Van allerlei vereenigingen, clubs of comité’s maakte men haar vice-presidente, eere-presidente of eere-lid en drukt men haar naam met vette letters op de agenda’s. Overal wordt zij uitgenoodigd om te spreken, of moet zij invloedrijke parlementsleden ontmoeten en hen overtuigen. Het is alsof iedereen gevoelt welk een inspireerende kracht er van deze vrouw uitgaat.

Zij, die deze vrouw niet van zoo nabij kennen en niet weten hoe kinderlijk eenvoudig zij tegelijkertijd is, zullen misschien niet begrijpen, hoeveel pret zij er in vindt, nu, na zich zooveel jaren ziek en ellendig gevoeld te hebben, in staat te zien alles te kunnen doen, dat haar amusant lijkt.

Nadat ik mij eenigszins verfrischt had, gingen wij twee er op uit, om onze reis naar Zuid-Afrika en van daar verder te regelen. Tal van bureaux moesten daarvoor bezocht, allerlei boeken en reisbeschrijvingen aangekocht en vele inkoopen gedaan worden, waarmede wij ons den geheelen dag bezig hielden.

Daar mrs. Catt nog tot 22 Juli in Londen spreekbeurten te vervullen en allerlei ander werk te verrichten had, besloten mevr. B. en ik om Zaterdagmorgen 15 Juli naar Madera af te reizen, daar een week te vertoeven, en dan de week daarna met de boot, waarop mrs. Catt en miss C. zich zouden bevinden, de reis naar Kaapstad voort te zetten.

Hiermede sluit ik de reeks brieven over Noorwegen en Zweden en begin mijn volgenden brief over een in elk opzicht geheel andere reis.

Aan boord van de Walmer Castle.

Zaterdagmorgen om 11.35 zou de extratrein van Waterloo-Station vertrekken, die de eerste- en tweede-klasse-passagiers voor de “Walmer Castle naar Southampton zou voeren. De derde-klasse-passagiers waren reeds om tien uur daarheen gebracht.

Een groote drukte vermoedende, zorgde ik reeds vroeg daar te zijn. De drukte was echter nog grooter dan ik verwacht had. Ofschoon ik reeds vóór elf uur aan het station was, ontlastte toch reeds een driedubbele file van rijtuigen en auto’s zijn inhoud: personen, die allen met hetzelfde doel naar Southampton gingen of er familieleden of vrienden begeleidden. Een onafzienbaar lange trein stond voor. De bagage werd zonder inschrijving, zonder contrôle, zonder afgifte van een bewijs (zooals dat trouwens overal en altijd in Engeland geschiedt), in een daartoe bestemde wagen gegooid, terwijl handtasschen mede in den wagon mochten worden genomen.

Op het moment, dat de trein zich in beweging zette, begon een koor van heilsoldaten, uit volle borst, een lied te zingen, dat tot afscheid moest dienen, voor een naar Zuid-Afrika vertrekkend bataillon ambtsbroeders en zusters. In ongeveer anderhalf uur werden wij in vliegende vaart en zonder ergens op te houden, in Southampton vlak voor het schip gebracht, dat ons eenigen tijd voor woning zal dienen.

Gastvrij werden allen er ontvangen. Voor de vele begeleidende vrienden, evengoed als voor de passagiers, stond een uitgebreide lunch gereed, die genoten kon worden in den tijd, dat de groote en kleine bagage aan boord en in de hutten werd gebracht en de mail uit alle oorden van Engeland binnenkwam. Toen om ruim vier uur de niet-passagiers het schip moesten verlaten, was eerst te overzien hoe groot het aantal was, dat straks, ook weder per extratrein, naar Londen teruggebracht zou worden. Van boven van het schip bezien leek die talrijke wuivende, lachende, groetende en soms weenende menigte, die daar stond afscheid te nemen van familieleden of vrienden, misschien voor langen, langen tijd, ons een heel leger. Het was goed gezien van de directie van trein of boot, om den trein eenige minuten vroeger te laten vertrekken vóór het schip zich in beweging zette; daardoor toch werd het afscheid voor de achterblijvenden minder zwaar. Men moet zoo’n afscheid meermalen hebben medegemaakt om het pijnlijke gevoel te kennen, dat de achterblijvende ondervindt die het schip in zee ziet verdwijnen, dat met zich voert die hij innig lief heeft en die hij misschien nooit zal wederzien.

Mijne metgezellin en ik bleven nog langen tijd op het dek, geboeid als wij waren door het mooie panorama, dat ons voorbij trok. De groene oevers van het eiland Wight waren, door de ondergaande zon, met een bijzonder mooi waas overtrokken. Eerst toen wij de krijtbergen en de “Needles” gepasseerd waren en in open zee kwamen, trokken wij ons in onze hutten terug om ons voor het diner gereed te maken.

Wij hebben elk een afzonderlijke groote comfortabele hut, waarin ruimte genoeg is om desnoods drie passagiers te herbergen. In zoo’n hut kan men het zeer goed zeventien dagen uithouden.

Na een kalmen nacht werden wij Zondagmorgen om zes uur onaangenaam gewekt door den misthoorn, die met steeds korter tusschenpoozen zijn onheilspellend geluid de lucht instootte. Tegelijkertijd werd ook de vaart van het schip verminderd. Wij lagen zelfs geruimen tijd geheel stil, om daarna met zeer langzame vaart verder te gaan. Om de vijf seconden hoorde men het onmuzikale stoomgeluid, wat herhaaldelijk door een gelijkluidend signaal van andere schepen beantwoord werd. Een dikke mist, die ons in dit drukke vaarwater had overvallen, was oorzaak van het oponthoud.

Eerst tegen ongeveer tien uur begon de mist op te trekken en kwam de zon ons verkwikken. Nu was het uitzicht weder vrij en konden wij zoo ver het oog strekte, ons verlustigen in den aanblik van lucht en water, water en lucht. Nu en dan passeerden wij een stoom- of zeilschip, doch steeds op zulk een grooten afstand, dat wij niets anders dan de omtrekken van het schip konden onderscheiden.

Ik had gedacht op deze boot veel Afrikaanders te zullen aantreffen, die van de kroningsfeesten uit Engeland terugkeerden, doch het is opvallend hoe, tenminste onder de eerste-klasse passagiers, het Engelsche element overheerscht, bijna alleen aanwezig is. Men hoort uitsluitend Engelsch spreken en de naamlijst der passagiers vermeldt bijna uitsluitend Engelsche namen. Ook naar het uiterlijk te oordeelen zijn het bijna alleen Engelsche heeren en dames die onze medereizigers zijn. Dat maakt de kennismaking moeilijker, want geen volk is zoo gesloten op reis als de Engelschen. De passagiers, die in Madera aan land gaan, zitten met de maaltijden aan een afzonderlijke tafel. Daartoe behooren wij twee en nog drie anderen. Een Engelschman, die acht jaar in het Portugeesch leger heeft gediend, en behalve de vaktermen, nog geen enkel Portugeesch woord verstaat. Hij gaat nu voor een jaar naar Madera, to kill time. Erg interessant is die tafelbuur niet. Doch een advocaat en zijne vrouw uit Madera zijn aardige praters. Zij hebben juist een zesweeksche rondreis gemaakt van Madera naar Lissabon, door Italië, Zwitserland, Frankrijk, en gaan over Engeland naar huis terug.

Over de nieuwe republikeinsche regeering in hun land zijn zij niet gesticht, hoewel zij toch republikeinsch gezind zijn. Volgens hunne redeneering is het Portugeesche volk nog niet rijp voor dezen democratischen regeeringsvorm en worden de bedoelingen van de tegenwoordige regeering door de ambtenaren niet goed begrepen, verkeerd opgevat en verkeerd uitgevoerd. Bovendien wantrouwt men zijn naasten vriend tegenwoordig, want spreekt men openlijk zijn gevoelen uit, dan heeft men kans aangeklaagd te worden, en als vijand van de regeering uit het land te worden verwijderd. Wij zullen daarvan in Madera nog wel het een en ander vernemen.

Woensdagmorgen om zes uur zou de Walmer Castle in Madera landen en daar vijf uur blijven liggen, waardoor ook de doorgaande reizigers gelegenheid kregen een kijkje in Madera te nemen.

Ik had mij voorgenomen vroeg op te staan om het binnenkomen, te kunnen gadeslaan en te kunnen genieten van den aanblik van het eiland van zee uit. Reeds om vijf uur stond ik dan ook boven op het dek, nog slechts de eenige passagier die gereed was. Ik overviel vele matrozen in hun morgentaak om het dek een rein en frisch aanzien te geven, alvorens het in Madera door kanongebulder begroet werd. Ik kwam juist vroeg genoeg om de eerste vage omtrekken van het uiterste punt van de rots, die Madera heet, in het flauwe morgenschemer te ontdekken. Zoo, nog half door nachtelijk duister omgeven, leek dit punt een uitgebreide ruïne van een oud kasteel. Aan den anderen kant van het schip passeerden wij drie andere groote rotsblokken, zoo zwart, als zwart maar zijn kan en die door de matrozen als het “eiland desertas” aangeduid werden. Geen menschelijk wezen woont er, nu en dan zoeken de visschers er tijdelijk een schuilplaats.

Heel langzamerhand begon de zon zich een baan te breken,—de nachten zijn hier heel lang,—en zond een gouden streep over een verder gelegen stuk berg, dat nu geel lichtend op den voorgrond drong. Voor het eerst, na eenige dagen, kwamen ook weder vogels om het schip vliegen, al waren het dan grootendeels maar meeuwen, en al was hun gekrijsch nu juist geen mooi morgenmuziek. Zeer voorzichtig en langzaam vaarden wij om het eiland Madera heen. Het naderende daglicht liet nu boven op de bergen boomen en groen onderscheiden, al schenen de tallooze kleine zeilscheepjes, die dicht langs de oevers bleven, ook van verre gezien, nog witte vlinders tegen den zwarten achtergrond van rotswanden. De geheele berg of reeks van bergen is van boven tot onder dun bezaaid met witte, rooddakige huisjes, die hier en daar aan den voet van den berg zich wat meer samenpakken en dorpjes vormen. Eindelijk, reeds van uit de verte, werd een groote huizenhoop merkbaar, nu hel beschenen door de inmiddels tot volle kracht gekomen morgenzon. Dat was Funchal, de hoofdplaats van Madera.

Straat in Funchal, Tobaggans.

Straat in Funchal, Tobaggans.

Nauwelijks was onze boot in het zicht, en nog vóórdat wij voor anker lagen, kwam van landzijde een zwerm groote en kleine bemande bootjes ons bestormen, die voor een deel kleine jongens aan boord hadden, om de pennies, door de reizigers in het water geworpen, op te duiken. Een misselijke exploitatie van kleine kinderen. Ik zou willen, dat geen enkele passagier zich liet verleiden, geld in het water te werpen, dan zou het met deze kinder-exploitatie gewis spoedig uit zijn. De andere booten bevatten allerlei soort kooplieden, die hunne waar op het schip wilden aan den man brengen. De kapitein moest voor en achter en aan beide zijden van het schip tegelijk zijn om te verhinderen, dat geen ongewenscht publiek naar boven kwam. Hij zelf met verschillende zijner officieren, stond de menschenmassa, die aan alle kanten op het schip naar boven klom, tegen te houden. Hij vertelde mij, dat zeer dikwijls dieven en ander gespuis mede aan boord kwam, en van de aanwezigheid van personeel en passagiers op dek van het schip gebruik maakten om de hutten der passagiers leeg te plunderen.

Ook bevonden zich vele kleine stoombootjes onder de ons omringende scheepjes, die de reizigers aan land wilden brengen. In een van deze bootjes begaven ook wij tweeën ons, na eerst op het schip door den kapitein in kennis te zijn gebracht met den vertegenwoordiger van het Mount Palace Hotel, waar wij gedurende deze week onzen intrek wilden nemen. Vertegenwoordigers van alle hotels waren namelijk mede aan boord gekomen en trachtten de in Madera aan wal gaande passagiers voor hun hotel te winnen.

Een ossewagen in Funchal.

Een ossewagen in Funchal.

Er behoorde eenige vaardigheid toe om van den trap van het schip in het beweeglijke kleine bootje te springen, wat door eenige passagiers zeer onvaardig geschiedde en dan tot lachscènes aanleiding gaf. In Funchal aan wal gekomen, werden wij al weder bestormd door tal van menschen, die ons op allerlei wijze naar boven wilden brengen, waar de tandradbaan begint, die tot aan de top voert, waarop het Palace Hotel gebouwd is. Wij kozen uit al deze voertuigen een sierlijk mandenwagentje, of liever mandesleedje, want er waren geen raderen onder, dat met twee groote, gele ossen bespannen was. Dat tochtje, dat ongeveer tien minuten duurde en ons door een groot deel van Funchal voerde, kostte 400 Reis (ongeveer een gulden).

Madera.

I.

Van het hooge terras van het Mount Palace Hotel, met een heerlijk uitzicht naar de zee over een weelderige planten- en bloemenschat, zit ik dezen brief in den vroegen morgen te schrijven. Wel beloofde Madera veel, toen ik van het dek van de Walmer Castle de lange, zacht golvende lijn van de baai, met zijne witmurige, rooddakige huisjes, overal verspreid, volgde, maar toch is mijne verwachting overtroffen, toen ik Madera wat nader leerde kennen.

Mag Madera voor een groot deel zijn beteekenis als herstellingsoord voor longlijders verloren hebben, als plaats voor een streng doorgevoerde rustkuur is het misschien eenig in zijn soort. Rust, kalmte, spreekt uit bijna elken boom, elke plant en uit elk huisje, dat tusschen wijndruifranken en suikerriet te voorschijn piept, en nog meer uit de traag voortsukkelende ossen voor de velerlei soorten voertuigjes en de nog tragere jonge mannen die zich als gidsen aanbieden. Het is alsof niemand haast heeft en niemand veel uitricht. Zelfs het kleine tandradbaantje, dat zes keer daags van Funchal naar den top van den berg voert, het eenige spoorlijntje in Madera, doet dit zoo bedaard, dat de inzittenden op verschillende plaatsen onder het rijden het treintje uitstappen, wanneer zij op het punt zijn aangekomen, waar hun woning ligt. Ook ons werd den eersten dag gezegd bij het hotel uit te stappen, wat ons eerst wat griezelig leek, doch waaraan ook wij ons spoedig gewenden.

Den meesten bezoekers van Madera moeten wel ’t eerst de groote rijkdom van plantengroei en de overvloed van bloemen opvallen. Zelfs in zoogenaamd het centrum van de stad is er geen enkel plekje tusschen de huizen, waar niet een of meer bloeiende planten tusschen de muren en over de daken, in blauwe, gele, roode of witte kleurenpracht naar beneden hangt, of waar de reuzenrozebosschen hunne prachtige trossen helkleurige rozen niet hoog boven den omheinenden muur laten uitsteken. En verlaat men de stad, dan wordt de verscheidenheid van kleur en geur van den bloemenschat overstelpend.

Deze bloemenrijkdom bestaat niet alleen in den zomer; integendeel, men beweert hier, dat er in den winter en het zeer vroege voorjaar nog veel grooter verscheidenheid en hoeveelheid bloeit. En wat in mijn oog dit alles hier zoo mooi maakt, is de zekere soort nonchalance, waarin bloemen en planten van allerlei aard dooreen groeien. Men heeft hier gelukkig de tuinen niet veel aangelegd; men heeft de natuur in vele opzichten vrij spel gelaten.

Allen, die beweren, dat men Madera kan zien in de vijf uren, die de meeste booten hier stil liggen, kennen Madera niet. In die vijf uren kan men een zeer oppervlakkigen indruk van het stadje Funchal krijgen, wat Madera-borduurwerk koopen en naar het schip terugkeeren, zonder iets te hebben genoten van het vele natuurschoon, wat hier te genieten valt. Een oponthoud van eene week, waarin elk uur van den dag goed besteed wordt met sight-seeing en met het bezoeken van eenige openbare instellingen, is juist genoeg om den indruk te verwekken, dat Madera oneindig schoon is en dat men die week tot een maand zou willen rekken, om al dat schoone voor goed in zich op te nemen.

Velen meenen, dat Madera in de zomermaanden ongenietbaar is door de warmte, die hier, door de vochtige lucht, benauwend zou zijn. Wij merken daarvan niets. Hier boven op den berg is het den geheelen dag en nacht aangenaam warm, doch niet te warm. Zelfs midden op den dag hebben wij verschillende wandelingen gedaan, zonder het te warm gevonden te hebben. Maar toch schijnt ’s winters het klimaat nog aantrekkelijker te zijn, alhoewel het dan hier boven des avonds en des morgens soms zoo koud is, dat een houtvuurtje moet worden aangelegd. In de stad wordt de temperatuur echter zelden, ook in den winter niet, lager dan 60 gr. Fahrenheit en is dan nog in het midden van den dag tien graden hooger.

Met zulk een klimaat kan de bevolking bijna den geheelen dag buitenshuis doorbrengen, wat de groote armoede, die hier heerscht, minder pijnlijk maakt te dragen. Want arm schijnt de bevolking in de hoogste mate te zijn. Van waar die armoede, vraagt men zich onwillekeurig af. Het eiland is niet overbevolkt: elk plekje grond is of kan vruchtdragend zijn; de dagelijks van alle landen aanleggende schepen brengen stroomen vreemdelingen, al is het dikwijls maar voor eenige uren, die meest allen op de een of andere wijze hier eenig geld besteden; de grond, de levensbehoeften en het meeste wat een mensch dagelijks noodig heeft, is niet duur; van waar komt dan zooveel armoede? Toen ik die vraag aan iemand, die het weten kon, voorlegde, was het antwoord, “de loonen zijn te laag”. Een werkman, die hier 14 of 15 uren daags ruwen spierarbeid verricht, hetzij als wegwerker of als veldarbeider, verdient niet meer dan een gulden. De vrouwen, die hier het fijne en misschien het fijnste borduurwerk maken wat bestaat, kunnen daarmede niet meer dan hoogstens dertig cent per dag verdienen, niettegenstaande zij dat werk verbijsterend vlug verrichten.

Toch moeten er nog andere oorzaken voor de armoede zijn. Het volk is ongeletterd. Bijna geen enkele volwassen man of vrouw uit het volk kan lezen of schrijven. Een vak hebben zij niet geleerd. De vrouwen borduren allen en leeren dit haar dochtertjes meestal reeds van het derde jaar af. Ik heb kinderen van zes en acht jaren zien zitten borduren, zoo vlug en zoo netjes, als bij ons geen groot mensch kan doen, ook al zoekt zij in handwerkjes haar levensgenot. Overal waar men een klein witkalkig huisje met een rieten dak ziet, kan men zeker zijn, vóór het woninkje moeder met dochters of dochtertjes te zullen vinden, die als machines zitten te borduren, zoo snel en zoo rythmisch ziet men de naald door de stof rijgen en den arm opwaarts gaan, om weer opnieuw neer te dalen en den volgenden steek te doen. Het is alsof alles op het gevoel gaat, want tijd om te bepalen waar de volgende steek gezet moet worden, laat men zich niet.

En de jongens gaan reeds vroeg met vader mede om of door veldarbeid of langs den weg wat geld te verdienen. Aan de opvoeding, ontwikkeling der kinderen, werd tot dusver geen zorg besteed. Dan mag zeker ook als bron van armoede gelden, het vreeselijk misbruik dat hier gemaakt wordt van alkoholische dranken. Op elk uur van den dag kan men hier dronken menschen aantreffen en voor de toonbanken der openstaande kroegen ziet men, naast en tusschen de mannen, jongens en jongentjes, die men nog zoo graag naar de schoolbanken zou willen zenden.

Wat is hier voor hervormers handenvol werk! Zou de nieuwe regeering overal in Portugal zooveel wat verbetering behoeft vinden als hier in Madera? Het schijnt dat zij snel wil ingrijpen en de fouten wel ziet. Maar er zal zeker nog wel eens misgetast worden. Zoo werd hier een school van religieuse zusters gesloten, alwaar 700 kinderen goed of slecht onderricht ontvingen, kinderen die nu op de enkele openbare school geen plaats kunnen vinden en zoolang moeten rondloopen, totdat er nieuwe openbare scholen gebouwd zijn. Ware het niet beter geweest eerst voor nieuwe scholen te zorgen en dan de niet goede te sluiten? Als de 700, nu bij den weg loopende kinderen eerst eenige maanden, die jaren kunnen worden, hebben gevagebondeerd, zullen zij dan weder gemakkelijk aan de schoolbanken gewennen?

Ook zag ik hier het stedelijk hospitaal, waar al de religieuse verpleegsters op regeeringsbevel weggezonden zijn en waar nu twee zusters met eenige tijdelijk gehuurde bedienden de dienst verrichten, in afwachting van de verpleegsters, die van hoogerhand gezonden zullen worden.

En zoo zijn er tal van instellingen, die in overgangsvorm verkeeren; instellingen, waar religieuse mannen of vrouwen vroeger den dienst verrichten, die door de nieuwe regeering zijn weggezonden en waarin de open plaatsen nog niet door de plaatsvervangers zijn ingenomen. Van dezen toestand zijn de armen en lijdenden thans dupe, tenzij de dienst vroeger inderdaad zoo slecht was, als mij een medicus wilde doen gelooven, die mij verzekerde, dat het beter is, niet verzorgd, dan zoo verzorgd te worden, als het vroeger was. Van wat ik van dien aard vroeger in Italië en in sommige ziekenhuizen in Frankrijk zag, kan ik dit gelooven; doch de Portugeesche doctoren, met wie ik hier in aanraking kwam, staan op een hooger medisch- en beschavingspeil, dan de collega’s die ik in de hospitalen in Italië en Frankrijk aantrof, en dat waarborgt ook eenigszins een betere verzorging der zieken, zelfs al ging die uit van niet getrainde en onontwikkelde religieuses. De twee verpleegsters, die nu in het stedelijk ziekenhuis de geheele leiding der verpleging hebben, kunnen ook niet lezen of schrijven en kunnen derhalve niet anders dan door ondervinding het verplegen der zieken geleerd hebben. Die ondervinding kan nog niet heel groot zijn, want daarvoor zijn de beide meisjes nog te jong.

II.

Het eigenaardige plaveisel in Madera en de veelal zeer steil naar boven gaande straten hebben waarschijnlijk aanleiding gegeven tot de zeer bijzondere middelen van vervoer, waarvan men zich hier bedient. Heel Madera is geplaveid met eivormige, eigroote steentjes, wier ronde rugjes door het gebruik soms zeer glad en glibberig zijn. Ook liggen zij niet in een vlakke lijn, zooals bij ons de bestrating... zou moeten zijn, doch niet altijd is..., maar in geregelde golfvormige hoogten en laagten. Vandaar, dat men met gewoon schoeisel hier niet kan loopen, doch zich het best bedient van een soort tennisschoen met gummi zolen. De bevolking, voorzoover zij niet blootsvoets gaat, draagt een zeer elegante losse laars van wit of geel leer, waarvan de zolen uit één stuk gemaakt zijn. Het is een aardig gezicht, honderden van deze witte of gele laarzen, van allerlei grootte, des Zaterdagsmorgens op het marktpleintje uitgestald te zien, als de makers van dit bijzondere schoeisel uit alle hoeken van het eiland komen opdagen om hunne producten aan den man te brengen.

Om uitstapjes te maken of ook zelfs als men in Funchal eenige bezoeken wil brengen, bedient men zich van de reeds vroeger door mij beschreven mandensleetjes, waarvoor twee ossen zijn gespannen. Deze mandensleetjes hebben een leeren dak en rondom witte gordijntjes; als men deze gordijntjes een beetje op zij schuift, zit men er in als in een hokje van een wafelkraam. Heel elegant en voornaam ziet zoo’n equipage er niet uit. Met zoo’n voertuig gaat men steile straten op. Voor het afgaan bedient men zich van een geheel ander middel van vervoer, die men hier toboggans noemt. Het zijn sleetjes, maar ze gelijken in geen enkel opzicht op de sleetjes, waarvan men ’s winters in bergstreken gebruik maakt om van een hoogen sneeuwbaan naar beneden te sullen. Het zijn ook al weer lage rieten bankjes, waar twee of drie personen tegelijk op kunnen plaats nemen, en die van onder rusten op het benedenstel van een slede. Op zoo’n bankje gaat men zitten en laat zich naar beneden glijden, aan beide zijden geflankeerd door een paar mannen, die zorgen, dat men in de goede richting blijft. Naast deze twee prachtige vervoermiddelen is er een, die het in comfort wint. Het zijn de hangmatten, die door twee mannen op de schouders gedragen worden. Vooral voor groote tochten op de bijna onbegaanbare bergwegen, zit of ligt men in zoo’n hangmat recht genoegelijk. Als de tocht echter wat te lang duurt dan moet men nu en dan een poosje loopen, anders houden de beenen het niet uit.

En nu komen er ook reeds zeer primitieve auto’s, die in de stad of langs de zee rijden, want het is te gevaarlijk om met deze primitieve voertuigjes de steil oploopende, gladde bergstraten op of af te gaan. Voor groote uitstapjes kan men zich ook zeer goed van paarden of muildieren bedienen. Er is dan steeds een gids bij, die geen oogenblik zijn paard uit het gezicht verliest. Er zijn echter slechts een paar paarden in heel Funchal, zoodat men niet ten allen tijde er over beschikken kan. Als een ander clubje op denzelfden dag een uitstapje maakt, dan moet men eenvoudig wachten, want dan zijn de paarden genomen. De keerzijde van al deze primitieve eigenaardige middelen van vervoer is, dat zij zoo kostbaar zijn. Men kan in Amsterdam met een mooie landauer met twee paarden een paar uur gaan toeren, en betaalt dan nog niet de halve prijs wat hier een ossenwagentje of een hangmat voor een paar uur kost. En het is goedkooper van Madera naar Londen te reizen, dan hier voor een uitstapje van een dag zich van een hangmat of paard te bedienen. Men hoopt dat de nieuwe regeering ook voor den aanleg van wegen zal zorgen, zoodat Madera begaanbaarder wordt en er trams en electrische baantjes zullen komen, om het verkeer te bevorderen.

Vroeger bezat Madera zelfbestuur. De belastingen die door de burgers werden opgebracht, konden ten voordeele van Madera worden aangewend. Nog onder de vroegere regeering is hun echter dat zelfbestuur ontnomen. Zij hebben nu rijksbelastingen op te brengen en moeten afwachten, wat van regeeringswege voor het eiland zal worden gedaan. De vier volksvertegenwoordigers, die Madera naar het parlement zendt, moeten daar voor de behartiging van Madera’s belangen opkomen. Van de thans gekozenen schijnt niet veel heil te wachten. Portugal bezit thans algemeen mannenkiesrecht,—misschien zal blijken, dat ook algemeen vrouwenkiesrecht bedoeld is,—ieder die den leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, niet in de gevangenis zit en niet onder curateele staat, kan kiezen. Nu zijn hier zeer beslist de intellectueelen in de minderheid, als men maar nagaat, dat men met zekerheid kan zeggen, dat de analphabeten 85% zoo geen 90% van de bevolking uitmaken en dat deze menschen voor een deel geheel onder de plak van de grondeigenaars zitten of onder de leiding der priesters staan, wat vrijwel op hetzelfde neerkomt. Wat kan men in zoo’n geval van den uitslag der verkiezingen verwachten!

Van organisatie onder het werkvolk is hier geen sprake. Hoe zou dat ook kunnen, bij zoo weinig geestelijke ontwikkeling. Daarbij komt, dat de huisindustrie hier nog hoogtij viert. Slechts weinige fabrieken en groote werkplaatsen treft men aan. Een groote suikerfabriek is er. Die behoort een Engelschman toe. Daardoor is de teelt van suikerriet in de laatste paar jaren zeer toegenomen en zal hier waarschijnlijk spoedig een zeer grooten omvang aannemen. Dat mag ook wel, want met den verkoop van Maderawijn en dientengevolge met de fabricage er van, gaat het steeds slechter. Over de geheele wereld schijnt de Maderawijn zijn roem overleefd te hebben. Verder levert Madera zeer goed mandenwerk, dat voornamelijk in een dorpje, Santa Anna genaamd, door mannen en vrouwen thuis gemaakt wordt. En als ik nu nog het borduurwerk der vrouwen opsom, waardoor Madera in de geheele wereld bekend is, dan is daarmede alle industrieele arbeid genoemd, want wat er verder geproduceerd wordt is het noemen niet waard en dient alleen voor het gebruik der eilandbewoners en enkele kooplustige vreemdelingen.

Een ding is hier vreeselijk te betreuren en dat neemt veel weg van de charme van Madera. Het staat echter geheel in verband met het lage peil van ontwikkeling der bewoners en zal zeer zeker verdwijnen, wanneer door betere scholen en door verbetering der sociale misstanden een hoogere geest in de bevolking komt. Mannen, vrouwen, kinderen, alles en allen bedelen hier! Zelfs een kind, dat nog niet praten kan, heeft reeds geleerd zijn handje uit te steken en een biddend gezichtje te trekken, zoodra iemand passeert. Doordat bijna alle kinderen hier, zoo te zeggen, naakt loopen en lekkere, vuile gezichtjes hebben, kan men moeilijk weten of armoede of gewoonte de hand doet uitsteken. Zelfs vrouwen en meisjes, die zitten te borduren en wier huisjes en kleeding een zekeren welstand doen vermoeden, zullen toch de hand voor een penny uitsteken en een klagende stem opzetten, als men hen maar een oogenblik aandacht schenkt.

Een vrouwenbeweging verwacht men natuurlijk in Madera niet; maar toch zoo weinig als de zoogenaamd ontwikkelde vrouwen hier weten van hetgeen onder de vrouwen in andere landen,—en zelfs in Portugal,—voorvalt, dat gaat alle grenzen te boven. Ik heb hier reeds met zeer vele mannen kennis gemaakt en voel mij in de straten van Funchal als een oude bekende, doch nog geen enkele man of vrouw, die ik ontmoette, wist eigenlijk iets van het feit, dat dr. Angelo in Lissabon, als eerste vrouw, bij de laatste verkiezingen gestemd had en als kiezer op de kiezerslijst was ingeschreven. Toch vinden zij het van zelf sprekend, dat als iedere man van 21 jaar het kiesrecht mag uitoefenen, iedere vrouw dat recht dan ook zal moeten hebben. Wat de vrouwen evenwel met het kiesbiljet zouden moeten uitvoeren, dat weten zij al evenmin als de mannen het hebben begrepen. Waar ik zeker het allerminst had vermoed, dat ik over vrouwenkiesrecht zou spreken, daar kreeg ik er zeer ongezocht een gereede aanleiding toe. Ik was namelijk in het “Empress hospital”, een ziekenhuis voor teringlijders, door de keizerin van Brazilië in 1853 gesticht, ter nagedachtenis van haar aldaar aan tuberculose gestorven dochtertje. Na den dood van de keizerin van Brazilië viel deze instelling als erfdeel haar zuster, de koningin van Zweden, ten deel. Vandaar, dat dit sanatorium onder Zweedsche protectie staat en de katholieke zusters van de orde van St. Vincentius, die er de alleenheerschappij voeren, door de Portugeesche regeering niet kunnen worden weggestuurd. Toen ik daar, na afloop van het bezoek, wat handwerkjes kocht, bij wijze van gift voor de instelling, werden deze gewikkeld in een blad van “Votes for Women”, (voor lezers, die het niet mochten weten, zij hier vermeld, dat dit het weekblad van de suffragettes van Londen is), en toen ik zuster Claire vroeg of dit blad bij hen gelezen werd, gaf zij mij een bevestigend antwoord. Een Engelsche verpleegster, die vroeger langen tijd bij hen verpleegd had en tot de suffragettes in Londen behoort, zond hen geregeld wekelijks het blad toe, dat daar met groote belangstelling gelezen wordt.

Van het hospitaaltje zelf wil ik hier ter plaatse niets anders zeggen, dan dat het netjes en zindelijk onderhouden wordt, doch dat het niet meer voldoet aan de nieuwe eischen, die men aan een herstellingsoord voor tuberculose stelt. Het gebrek aan genoegzame hoeveelheid lucht en licht in de ziekenkamers wordt evenwel voor een deel vergoed, doordat de zieken bijna den geheelen dag in den grooten tuin in de open lucht kunnen doorbrengen. Of daarvan echter het noodige gebruik wordt gemaakt, waag ik niet te zeggen.

Vóór ik mijne brieven over Madera sluit, wil ik nog even met een enkel woord de bijzondere hoffelijkheid en voorkomendheid vermelden der bewoners, vooral uit de hoogere kringen. Ik heb nog in geen land zooveel ware beleefdheid en voorkomendheid opgemerkt. Zij doen het alles zoo eenvoudig en op zoo’n wijze, dat men zich heel niet bezwaard gevoelt, de beleefdheden te accepteeren. Het is alsof zij het voor eigen genoegen doen. Zonder de zoon des huizes hier in het hotel, zouden wij zeker niet zooveel hebben kunnen zien en doen in den korten tijd, dat wij hier zijn. Hij helpt ons in alles, maakt plannetjes voor nieuwe tochten en begeleidt ons als wij het wenschen. Hij bracht veertien jaren in verschillende landen door en spreekt alle talen. Wij hebben zeer den indruk, dat hij het prettig vindt met ons uit te gaan, maar ’t kan even goed zijn, na ’t geen wij hier van anderen ondervonden, dat hij uit buitengewone voorkomendheid dien schijn aanneemt.

Morgenochtend komt de “Saxon” en moeten wij dit heerlijke oord verlaten. Ik ben overtuigd, dat ik steeds met een gevoel van heimwee aan Madera zal terugdenken.

26 Juli 1911.

Aan boord van de “Saxon”.

I.

Het was Woensdagmorgen nog geen zes uur, toen wij van uit de slaapkamers van het Monte Palace Hotel de “Saxon” zagen binnenkomen. Wij waren reeds gekleed en onze bagage gepakt. Ik had den zoon des huizes, die reeds om half zes naar de pier was gegaan, een briefje voor mrs. Chapman Catt medegegeven, om haar te vertellen dat wij in een half uur daar zouden zijn om haar in die paar uren dat de boot bleef wachten, zooveel als mogelijk was, van Madera te laten zien. Wij haastten ons naar den tuin, om beiden een arm vol prachtige rozen, sweet peas, aronskelken, azalea’s etc. te plukken—, de eigenaar van het hotel had ons daarvoor verlof gegeven—en met dezen bloemenrijkdom in onze armen, zetten wij ons in een tobaggon om in acht minuten naar beneden te vliegen. Het treintje doet over dien afstand twintig minuten. Wij kwamen juist aan de pier, toen wij mrs. Catt en miss Cameron zagen aan wal stappen. In minder dan geen. tijd zaten wij met ons vieren in een ossewagentje, want er was geen minuut tijd te verliezen, de boot zou reeds om tien, in plaats van om elf uur verder gaan; daarna gingen wij in het treintje naar boven, wandelden even naar een van de zeer mooie views in Madera en gingen toen terug naar het Monte Palace Hotel, waar wij op het terras een copieus ontbijt namen. Nogmaals, nu door het bediendenpersoneel van het hotel, met bloemen overladen, tobaggonden wij opnieuw naar beneden. In twee sleden vlogen wij den steilen bergrug af wij waren aan den voet, voor wij er aan dachten. Onze twee Amerikaansche reisgenooten hadden grooten schik, nog nooit hadden zij zoo’n exciting trip, als dien morgen, gemaakt. In een van de primitieve autotjes gingen wij nu nog even een gemakkelijken rieten stoel voor elk van ons koopen, om op het dek van het schip te gebruiken. De linnen stoelen, die daar voor 5 sh. verhuurd worden, zijn zeer ongemakkelijk en alleen te gebruiken om er in te liggen, niet om ze ook eens als gewonen stoel aan te wenden, als men wil schrijven of heel netjes een bezoek ontvangen van een of ander medepassagier. Voor een prachtstoel, die voor alle doeleinden dienst kan doen, waaraan een werkmandje en gelegenheid om kopjes of glazen in te zetten, betaalden wij ieder 9 shillings.

Even vóór tien uur waren wij aan boord van ’t schip. Het kostte wel weer eenige moeite, om uit ’t kleine stoombootje op de trap van de groote boot te komen, want onze nauwe rokken lieten niet toe, dat wij een flinken stap deden. Half springende kwamen wij toch waar wij wezen moesten en wij bevonden ons weldra op het dek van ’t schip, dat ons nu veertien dagen tot hotel moest dienen.

Precies om tien uur staken wij van wal, zou ik willen zeggen, maar wij lagen eenige honderden meters van den wal en waren omgeven door een menigte kleine roeibootjes, wier inzittenden nog voor het laatst probeerden pennies van de passagiers los te krijgen, die zij wel vriendelijk uit het ondiepe water wilden opduiken.

’t Is dus nauwkeuriger als ik schrijf dat om tien uur het schip zich in beweging zette en zich een weg baande tusschen de tallooze kleine vaartuigjes door, om weldra in het ruime sop met volle snelheid Zuid-Afrikawaarts te stoomen.

Zoolang Madera in het gezicht bleef, kon ik het dek niet verlaten; ik wilde nog een laatsten afscheidsgroet brengen aan het lieflijke eiland, waar ik zulk een aangename en interessante week had doorgebracht. Toen ik daarna in mijn hut kwam, vond ik daar niet alleen al mijn bagage, maar door de goede zorgen van den heer Lopez, den zoon van den hotelier, bevonden zich daar ook de kleurige en geurige bloemen waarmede wij dien dag begiftigd waren.

Spoedig had ik mijn hut voor een veertiendaagsch verblijf in orde gebracht, de japonnen die ik onderweg noodig had in de hangkast gehangen, het ondergoed in de ladekast geborgen, een paar portretten opgehangen, toiletartikelen netjes uitgelegd en wat boeken en papieren op een hangertje geplaatst, en daarmede mijne hut een beetje een huiselijk aanzien gegeven. De bloemen in glazen en vaasjes verhoogden den vriendelijken aanblik.

Nu was het tijd geworden voor onze eerste lunch aan boord en daarbij bood zich een goede gelegenheid om onze medepassagiers eens op te nemen. Er waren er niet veel. Tusschen de 70 en 80 eerste klasse-passagiers waren aan tafel. De overgroote meerderheid waren heeren. De weinige damespassagiers waren over de tafeltjes, waaraan elk tien gasten konden plaats nemen, verdeeld.

Aan elk tafeltje zaten 2 of 3 dames. Wij vieren waren dus ook verdeeld; wij mochten niet tezamen zitten. Mijn Hollandsche medereizigster en ik zaten aan een tafel met 8 Engelsche heeren, waarvan een in Johannesburg mede-eigenaar van een diamant-mijn is en daar reeds 30 jaar woont, doch heel en al een jingo is gebleven. Twee jonge mannen, die voor het eerst naar Zuid-Afrika gingen, om daar in een handelsbetrekking geplaatst te worden, waren onze overburen. De een er van is een flinke jongen met energiek uiterlijk, de ander zal zich alleen door een kruiwagen en “good luck” een weg door het leven kunnen banen. Beiden zijn echter jongens van goeden huize, met aangename beschaafde manieren. Naast mij zit een echt Engelsch type, een man die in sport zijn levensdoel en levensgeluk zoekt. Hij is op weg naar Zuid-Afrika om leeuwen en olifanten te schieten. Het is een reus, die aan tafel met zijn lange beenen geen raad weet. Steekt hij ze voor zich uit, dan klagen zijn overburen, buigt hij ze netjes zijwaarts naar rechts en links, dan komen ik en zijn linker buurman er steeds mede in contact. Er is hem al reeds den raad gegeven, ze over zijn schouders te slaan. Naast hem zit een donker, miserig kereltje, ook een Brit, die zijn buurman op de leeuwenjacht wil vergezellen, doch er heelemaal niet het uiterlijk voor heeft. Praten doet hij ook heel weinig. Dan is er nog een oudere Engelschman, die vele jaren in Zuid-Afrika was, mede streed in dein laatsten Zulu- en Transvaalschen oorlog en nu teruggaat om z’n vrouw te halen, zijn zaken af te wikkelen, vandaar eerst naar Australië te gaan en dan voorgoed naar Engeland terug te keeren. Het is opvallend, hoe alle Engelschen, al zijn zij ook jaren en jaren lang in andere landen geweest, al bezitten zij ook hun tehuis in Zuid-Afrika, Australië of elders, toch altijd van Engeland als “home” spreken. Een dame hier aan boord, die haar tehuis, man en kinderen in de Kaapkolonie heeft en daar reeds bijna twintig jaar woont, vertelde ons toch, dat zij elke drie of vier jaar “must go home” anders kon zij niet gelukkig zijn. Toen ik haar vroeg wat zij haar “home” noemde, antwoordde zij onverwijld “Engeland”.

Maar den laatsten dischgenoot, behalve de purser, die mede aanzit, heb ik nog niet genoemd. Ik liet hem met opzet achteraan komen, want hij is een zeer bijzonder mensch. Hij is in ons land zeer goed bekend, heeft er tal van vrienden in de geleerde wereld en spreekt zeer beschaafd Hollandsch. Als reislectuur zag ik “Max Havelaar” in zijn handen, en de “Camera Obscura” naast hem liggen. Hij is een zeer ontwikkeld en aangenaam causeur, waardoor het een genot is, nu en dan een half uur met hem op het dek op en neder te wandelen.

Onder de andere eerste-klasse passagiers zijn zeventien Belgen, die langs dezen weg en met den trein door Rhodesia, Congo hopen te bereiken. Dwaze typen zijn onder hen. De een is een graaf! Hij bemoeit zich met geen zijner landgenooten, ook niet met andere mede-passagiers. Hij zit steeds en altijd te lezen, met zijn rug naar die andere menschen, in een toilet dat waard is aan de vergetelheid te worden ontrukt. Ieder ander maakt het zich overdag zoo gemakkelijk mogelijk, de heeren in witte linnen of flanellen pakken, de dames met dunne witte blouses en rokken, maar deze count zit steeds, zelfs reeds ’s morgens om 7 uur, in lakensche pantalon en morning coat en met bruine glacé handschoenen en met een hoed op zijn hoofd, alsof hij zoo een officieel bezoek aan een of ander overheidspersoon in een groote stad wil gaan afsteken.

Een andere Belg schrijft reisbrieven voor verschillende Belgische geïllustreerde bladen. Hij loopt den geheelen dag met een reuzencamera om zijn schouders, telkens en telkens een snapshot nemende, als hij een aardige groep bijeenziet. Men voelt zich geen oogenblik zeker als hij in de nabijheid vertoeft, want hij weet heel goed den oolijken kant van zijn taak te snappen en vereeuwigt een mensch op een oogenblik, dat hij zich juist ongemerkt geloofde. Van de overige Belgen is er een Vlaamsche, die graag Vlaamsch met ons klapt, en van al de Belgen het meest de gentleman is.

Buiten de genoemde Belgen en onze twee Amerikaansche vriendinnen, zijn al de andere medereizigers Engelschen, die, óf in Zuid-Afrika wonen óf er voor het eerst heengaan om er hun fortuin te zoeken.

In zoo’n Britsch gezelschap is het natuurlijk te verwachten dat er spoedig een gelegenheid gezocht zou worden om op de een of andere wijze aan sport te doen. Veertien dagen achtereen op een schip door te brengen, zonder land te zien, neen, wat meer zegt, zonder iets anders te zien dan lucht en water, want als wij nu en dan eens meenen ’n schip te zien passeeren, dan is het alleen een rookkolom, die zich tegen den horizon afteekent en anders niet; van de omtrekken van een schip is met den scherpsten kijker zelfs niets te bespeuren; en dan geen andere lichaamsbeweging te hebben dan het eentonig op en neer wandelen op het dek, is toch voor een Brit niet uit te houden. Toen dan ook Madera goed en wel achter den rug was, werd uit de vele heeren een sportcomité gekozen, dat wedstrijden en spelletjes moest verzinnen, waaraan allen konden meedoen, zoodat allen de noodige lichaamsoefening verkregen en er weldra een gezellige geest onder de verschillende gasten zou komen.

Die heeren kweten zich loffelijk van hun taak. Nog dienzelfden middag moesten wij allen inschrijven voor een bucketgame, (dat is een spel, dat beoogt om in den kortsten tijd 21 ringen van touw op een zekeren afstand in een houten emmertje te mikken), een quoitsgame, een bullet board game en nog meer zulke hoogst ingewikkelde spelletjes, die ons allen een grooten pret en nog meer lichaamsbeweging gaven, want daar het voornamelijk om dit laatste te doen was, moet ieder zijn eigen ringen, schijven, gummiballen, enz. oprapen en mag niemand daarin door de heeren worden bijgestaan.

Bovendien wordt er ’s morgens, gedurende ruim een uur, een net gespannen, waartusschen de heeren cricket kunnen spelen en wordt er ’s avonds voor de oude heeren en dames een bridge-drive en voor de jongelui een bal op het dek van het schip gehouden. De spelletjes gaan alle om de eer van het spel, om het champion-ship, geen inzet wordt er gevorderd, maar kleine prijzen worden uitgedeeld.

Na dien eenen dag van spelletjes doen, heerschte er direct een gezelliger geest onder de passagiers, ieder kende nu iedereen, het ijs was gebroken en de nadere kennismaking volgde van zelf.

Ik zal nog wel eens gelegenheid hebben over mijn medepassagiers het een en ander te zeggen; dezen eersten brief aan boord van de “Saxon”, wil ik eindigen met een paar woorden over het heerlijke weder en de vaste ligging van ’t in elk opzicht hoogst comfortabel ingerichte schip. Wij glijden als het ware tusschen de golven door. Mijmert men een oogenblik dan doet het kabbelen van de golfjes tegen het schip eerder gelooven, dat men op een mooien, warmen zomermiddag aan het zeestrand zit, dan dat men zich op een boot midden in den Atlantischen Oceaan bevindt. Prachtig zijn de dagen en prachtig zijn de avonden met een helderen sterrenhemel. Nog geen oogenblik was het te warm, niettegenstaande wij reeds met snellen spoed den Equator naderen. Men brengt op die wijze even gemakkelijk en met nog meer genoegen veertien dagen aan boord van zoo’n schip door, als dat men des zomers met goed weder veertien dagen in Zandvoort of Scheveningen woont; en dan heeft men hier nog het voordeel geen couranten of brieven onder de oogen te krijgen, die een mensch de noodige gemoedsrust kunnen ontnemen. Hier aan boord geschiedt niets, dat iemand zenuwachtig kan maken; de bediening is er zoo goed als men zich slechts kan droomen, de tallooze bedienden hebben al reeds aan iemands wenschen voldaan, nog vóór zij goed en wel overdacht zijn en zeer zeker nog voor zij zijn uitgesproken. Het eenige hoofdbreken, dat men hier heeft, bestaat in driemaal daags uit de lange lijst van goed toebereide, smakelijke gerechten een ontbijt, lunch en diner te kiezen. Gelukkig is er ook steeds een overvloed van de beste vruchten en behoeft men dus niet de Engelsche gewoonte te volgen om zich in hoofdzaak met vleesch, visch en gevogelte te voeden. Men kan hier heel goed geheel vegetarisch leven, indien men dat verkiest en waaraan Mrs. Catt zich voor een groot deel houdt.

29 Juli 1911.

II.

Ik had mijn vreugde over het aanhoudende, mooie weder in den voorgaanden brief wat te spoedig geuit, want nauwelijks een dag later begon in den namiddag een behoorlijke wind op te zetten, die des avonds, vergezeld van regenbuien, in een behoorlijk stormpje overging. Het schip hield zich goed, al slingerde het ook wat heen en weer en al voelde men het ook tegen de groote golven optornen en er zacht over naar beneden glijden. Onmiddellijk ontbraken er eenigen aan de dinnertable, maar eerlijk moet worden geconstateerd, dat er minstens even zoovele mannen als vrouwen ontbraken.

Er behoorde eenige moed toe, dien avond aan de bridge-drive deel te nemen, maar toch waren er van de twintig nog twaalf over, die het aandurfden. Een plekje werd uitgezocht, waar wij het rustigst konden zitten, waar noch de wind onze kaarten in zijn loop zoude medenemen, noch wij van de hitte zouden bezwijken en waar de schommelingen van het schip ons niet al te zeer van de wijs zouden brengen. Al deze eigenschappen waren voor ’t meerendeel bijeen in de hal van het schip, met aan één kant de deuren open. Met groote animo werd het spel gespeeld, en niemand onzer dacht er aan zeeziek te worden. Eene goede afleiding schijnt wel het beste geneesmiddel, of nog beter, voorbehoedmiddel voor zeeziekte te zijn.

De storm ging vergezeld van een benauwende warmte, voor een groot deel het gevolg van het feit, dat wij ons vlak bij den Equator bevonden. Des Maandags echter, toen wij den Equator passeerden, was het vervelend koud; door de nu en dan hevige regenbuien en den sterken wind was de lucht flink afgekoeld.

Een aardige afleiding in de eentonigheid van niets dan lucht en water en onze medepassagiers te zien, bracht het sein, waarmede de brandweer gealarmeerd werd en dat alle brandweermannen in ’n ommezien aan dek van ’t schip bracht om ieder de hun aangewezen taak te verrichten. Het had gelukkig geene andere bedoeling dan eene oefening voor de manschappen, doch het gaf ons eenige afleiding en de geruststelling, dat wij in geval van nood door deze flinke, jonge mannen spoedig in veiligheid kunnen worden gebracht.

Een Zondag op een Engelsche boot is nog erger dan een Zondag in een Engelsche stad. In een stad kan men ten minste in huis blijven en doen wat men verkiest, maar op een Engelsche boot, te midden van hoofdzakelijk Britsche onderdanen, moet men goed- of kwaadschiks aan de Zondagsheiliging mededoen. Alle spelletjes waren voor dien dag opgeruimd, het eentonig geklikklak van de touwen ringen in de houten emmers, nu en dan onderbroken door een bravogeroep en handgeklap, als er eens iemand vier of vijf van de zes ringen tegelijk ingooide, werd niet gehoord; evenmin het geschuifel der gummischijven en het hartelijk gelach als een goed geworpen schijf de kunstig in het midden van een cirkel geworpene van een tegenstander er uitmikte; de kaarten waren opgeborgen, geen dame durfde een handwerkje ter hand nemen en de vroolijke tonen der morgenmuziek werden niet gehoord. Men mocht lezen, liefst een stichtelijk boek en men mocht om half elf deelnemen aan de godsdienstoefening, waaraan de heele bemanning, die op dat oogenblik geen dienst had, verplicht was deel te nemen en die in de warme eetzaal van de eerste klasse gehouden werd.

Vele passagiers maakten van deze kerkgang gebruik, sommigen om daarmede een beetje de eentonigheid van den dag te breken. Des avonds om 8 uur had er in de eetzaal van de tweede klasse eene herhaling van deze plechtigheid plaats. Vóórdat de manschappen naar de kerk gaan, worden zij eerst aan eene behoorlijke inspectie onderworpen en hunne namen opgelezen, van den eersten officier af tot den eenvoudigsten jongen, zoodat niemand kan ontbreken of zich door gewetensbezwaren kan verontschuldigen. Wat een schijnheiligheid kweekt toch zulk een wijze van doen! Al deze stoere, flinke kerels te dwingen om in te gaan, ook al wijst hun eigen geest hun een anderen weg tot zaligheid aan.

Nu wij den Equator gepasseerd zijn, wordt ’t langzamerhand koeler en moeten de wollen jakjes dienst doen als men buiten, zittende, wil doorbrengen. Over warmte hoort men niemand meer klagen. Onaangenamer is evenwel, dat nu ook de dagen zeer snel beginnen te korten. Om half zes is het reeds heelemaal nacht en nog een paar dagen verder dan valt de duisternis reeds om vijf uur in. Van schemerlicht is geen sprake, plotseling gaat het daglicht in het avondduister over. De opkomende maan verzoent ons echter voor een deel met deze slechte bedeeling van daglicht. Een prachtige zilvergloed zendt zij over de zwarte oppervlakte der zee. Doch ook de sterren, die hier meer schijnen te schitteren dan op het land, alsof zij weten, dat onze weg niet door electrisch- of gaslicht verlicht kan worden, en alle hoop op hen is gevestigd, wedijveren met de maan in het zenden van zilveren stralen naar de golven der zee.

Het is nu ook de moeite waard, een tijdlang de zee gade te slaan. Overdag ziet men dan tallooze vliegende visschen uit het water opduiken, een eindweegs over de oppervlakte der zee vliegen, om dan plotseling in een opkomende golf weder onder water te verdwijnen. In het begin dacht ik niet anders dan dat het gewone zwaluwen waren, precies zoo zien zij er van verre uit. Soms komen zij in heele zwermen tegelijk en zien er dan uit als vele groote schuimvlokken; dan weder komt er een, grooter en grijzer gekleurd, en vliegt een eindweegs alleen.

Doch ook ’s avonds geeft de zee afleiding als men zich een oogenblik aan de zijde begeeft, waar de maan niet schijnt. Of dit nu de stuurboord- of bakboordzijde is, heeft mijn zeevaartkundige wijsheid nog niet uitgevonden. Aan die zijde van het schip is het donker en daar ziet men bijna onophoudelijk de phosphorlichtjes uit de zee opkomen. Soms zijn ze zoo groot, dat zij wel vijf-en-twintig electrische lampjes bij elkaar gelijken.

Gegokt wordt hier ook op het schip, al is het dan ook op een vrij onschuldige wijze. Elken morgen komen ’n paar heeren met een lijst en de vraag, of men voor een shilling wil deelnemen aan “the sweep”. Zooveel shillings als men inzet, voor zooveel nummers wordt men ingeschreven. In den regel worden 400 nummers verkocht. Velen nemen tien tot vijf-en-twintig nummers. Deze nummers zijn alle op witte beenen schijfjes geschreven en in een kom geworpen. In een andere kom bevinden zich een-en-veertig andere nummers, loopende van 356 tot en met 396. Het gemiddelde aantal mijlen dat de “Saxon” daags aflegt is 376. Er zijn twintig punten onder en twintig punten boven dit getal genomen. Nu trekt iemand een nummer uit de kom met 400 schijven, en tegelijkertijd een ander uit de kom met 41 schijven. Wiens nummer uit de kom met 400 schijven komt, heeft nu voortaan het nummer uit de kom met 41 schijven. Als er zoo 41 nummers getrokken zijn, dan zijn alle overblijvenden van onwaarde geworden. Deze 41 nummers worden nu geveild en daarop kan elkeen een bod doen. Ook de eigenaar dient zijn eigen nummer in te koopen, als hij het wil behouden. De eerste prijs valt ten deel aan dengeen, die het nummer bezit, gelijk aan dat van het aantal mijlen dat het schip heeft afgelegd,—om twaalf uur ’s middags wordt dit altijd geannonceerd,—het nummer dat er tien boven is, krijgt den tweeden, en dat, ’t welk er tien onder is, krijgt den derden prijs. De veiling van de nummers brengt soms enorme sommen op. Men biedt tot aan twee en drie pond voor een gewild nummer. De helft van die som krijgt de eigenaar, de andere helft gaat in den pot. Somtijds is de hoofdprijs vijf-en-twintig tot dertig pond. Er zijn gelukkigen, die met dit hazardspel hun heele reisgeld verdienen, doch er zijn ook die elken dag groote sommen verliezen. Ook de tweede klasse-passagiers hebben het twijfelachtige voorrecht aan deze speculatie te mogen deelnemen. Het komt mij voor, dat het in het belang van vele jonge reizigers zou zijn, als de directie zulk een beursspel op haar schepen verbood, in plaats van het, zooals hier geschiedt, in de hand te werken.

Welk een haat er nog bestaat tusschen de Engelschen en Afrikaanders, wordt ons hier op het schip in bijna elk gesprek duidelijk. De Engelschen aan onzen tafel durven beweren, dat indien wij “de Boeren” in Zuid-Afrika een beetje “menschelijk” vinden, wij dit dan hebben toe te schrijven aan den beschavenden invloed der Engelschen. Zij hebben de brutaliteit, te beweren, dat de Boeren vóór den oorlog niet veel hooger dan de Hottentotten stonden en Engeland nu bezig is menschen van hen te maken. Dat ik hun in dit opzicht van antwoord dien en hun raad over den Z.-Afrikaanschen oorlog, liefst zoo weinig mogelijk te bluffen, is zeker te begrijpen. Zij voelen niets van het ergerlijke figuur, dat zij in dien tijd gemaakt hebben.

Doch ook bij de enkele jonge mannen uit de Boerenfamiliën, die wij hier aantreffen, bestaat nog de diep ingewortelde haat tegen de Britten; het is er nog ver af, dat alle in Z.-Afrika wonenden, Britten en Boeren, zich als landgenooten gevoelen, die gezamenlijk hun land dienen op te bouwen, tot het misschien eens kan worden een Zuid-Afrikaansche republiek.

De directie van het schip heeft er slag van, de eentonigheid van de reis te breken. Tegen dat men moe wordt van het schijven werpen, cricketspelen etc, worden er wedstrijden met prijzen uitgeschreven voor allerlei soort flauwe spelletjes; als ik ze zou moeten beschrijven, zou iedereen ze kinderachtig vinden, doch zij bezorgen toch aan de toeschouwers en de medespelenden eenige dagen onschuldige vroolijkheid en groote afleiding. Niet waar, gij vindt het flauw, als ik meld, dat groote mannen, vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen, mededoen om een zeker aantal aardappelen, op een lange rij gezet, binnen een bepaalden tijd een voor een op te rapen en in een emmer te werpen; of dat een lange rij heeren plat op den grond gaat liggen, op den rug, en dat dan een ondiep schoteltje vol water op hun borst wordt geplaatst, dat zij liggende, over hun hoofd heen, achter zich op den grond moeten zetten. Soms storten zij het water reeds over hun borst uit, meestal komt het in hun gezicht en oogen terecht en slechts zelden bereikt het schoteltje met een behoorlijken inhoud den grond. Dan zijn er hanegevechten onder de heeren, of voor dames om geblinddoekt de oogen te teekenen in een groot op den grond met krijt geteekend varken, enz., allemaal spelletjes, zooals ik reeds zeide, te flauw om te beschrijven, doch die een algemeene vroolijkheid verwekken, vooral omdat zoowat niemand op de boot zich te voornaam of te ernstig gevoelt om er aan mede te doen.

Maar twee dagen zijn wij allen zeer bezig geweest door het te voren geannonceerde gecostumeerd bal; de costumes moesten aan boord vervaardigd zijn uit artikelen, die men toevallig bezat of aan boord kon verkrijgen. Dat gaf een algemeene drukte. Eerst de beraadslagingen en diepzinnige overpeinzingen wat men wilde voorstellen en hoe het uit den kofferinhoud was samen te stellen. Vele heeren kwamen bij de dames om hulp vragen. Iets geniaals bedenken konden zij wel, maar voor de samenstelling hadden zij onze hulp noodig. En vooral vrouwen, zooals mrs. Catt en ik, die niet aan de verkleedpartij zouden deelnemen, doch onze hulp gratis hadden aangeboden, hadden handen vol werk. In de eerste plaats hadden wij beiden ons eigen landgenootje te kleeden en te helpen bij ’t ontwerpen van ’t plan en de uitvoering. Mrs. Catt’s medereizigster wilde met een op het schip opgedanen vriend Romeo en Julia voorstellen en deze toiletten vielen zoo goed uit, dat wij ten slotte met groote cartonletters op den rug van den een Romeo en op dien van de ander Julia moesten plakken, anders zou niemand geraden hebben, wat hunne verschijning te beduiden had.

Mijne gezellin en ik hadden iets ernstigers en tegelijk propagandistisch bedacht. Van een lap wit tarlatan, die dienst moet doen voor muskietennet als wij in de tropen komen, was het embleem nagebootst van ons internationaal vrouwenkiesrecht-insigne. Het haar in Griekschen stijl opgemaakt en versierd met bordpapierbanden door iemand op het schip prachtig goud geverfd. Op dezelfde wijze waren groote en kleine gouden letters gemaakt en eerst op de borst en nog eens op de plooien van de rok kwam met groote duidelijke letters het “Jus Suffragii” uit. Een even kunstig gemaakte weegschaal in de hand, bordpapiergouden banden om boven- en onderarm, voltooiden het costuum en maakten van mijne medereizigster een statig, mooi, levend embleem van ons internationaal herkenningsteeken. Hadden er in de jury voorstandsters van vrouwenkiesrecht gezeten, dan was haar zeker een prijs ten deel gevallen; nu ontving den 1en prijs een levend pistache, een jong meisje, dat zich uit roze en licht blauw papier zeer schoon een costuum had vervaardigd, dat in zijn geheel en in alle onderdelen pistaches voorstelde.

Tal van geestige, al waren zij dan ook soms geen mooie, toiletten kwamen voor den dag. Mijn op leeuwen-dooden beluste buurman verscheen als “ridder van het bad”. Met bloote beenen in een paar afgetrapte sloffen en in een badmantel gehuld, als hoofddeksel een groote spons, twee nagelborstels als epauletten, een tandenborstel als dasversiersel, een flesch odol, scheergereedschap etc. als verdere attributen, maakten van hem iemand, die door iedereen werd uitgelachen, doch die niemand gaarne in zijn nabijheid had. Vele heeren waren als dame gekleed, waarbij de potsierlijkste jupe-culottes vertoond werden. De twee grootste en zwaarst gebouwde mannen onder de passagiers hadden zich als tweeling-broertjes verkleed met korte witte broekjes, bloote beentjes en lage schoentjes, buisjes, kraagjes en hoedjes van een paar lieve joggies van vijf of zes jaar. Daarbij waren zij onverbeterlijk gegrimeerd en liepen met een paardje op rolletjes, handje aan handje. Dat was een waar succes en ieder vond, dat de jury recht had gedaan, hun den eersten heerenprijs toe te kennen.

Aan deze en al dergelijke vermakelijkheden doen de tweede klasse passagiers met de eerste mede. Er wordt op deze booten lang zoo’n groote scheiding tusschen eerste en tweede klasse passagiers niet doorgevoerd als op bijv. de booten, die tusschen Europa en Amerika varen en afgezien, dat de eerste klasse hutten veel grooter en comfortabeler zijn, en bij de maaltijden wat grooter keuze van gerechten wordt gegeven, is de tweede klasse evengoed als de eerste.

Den avond van het gecostumeerde bal werd er onder het dansen lichte wijn en limonade geofferd en om half elf was er een souper met nog grooter lijst van fijne gerechten als bij de drie andere groote maaltijden van den dag. Geen extra betaling werd daarvoor geëischt.

Hoe goed afleiding werkt voor het voorkomen van zeeziekte, werd den dag en avond van het bal duidelijk. Den geheelen dag had reeds een tamelijke bries bestaan, die tegen den avond in een flinken storm overging. Noch dien dag, noch dien avond was er iemand zeeziek; men danste en walste op het dek, niettegenstaande er flinke zeemansbeenen vereischt werden om in een geregelden gang te loopen en men nam deel aan het souper, at en dronk allerlei dingen, die in geval van zeeziekte ongenietbaar zijn en voelde niets van de danspartij, die het schip met de golven der zee uitvoerde.

Nu moet ik dezen brief eindigen, want men komt mij daar zoo waar mededeelen, dat ik in een van de sportspellen den tweeden prijs behaald heb en nu een keuze moet doen uit de voorwerpen, die voor dat doel zijn uitgestald. Zoo zorgen mijne landgenoote en ik er voor, dat bij alle gelegenheden aan boord ons land geen slecht figuur maakt.

4 Augustus 1911.