Aankomst in Kaapstad.

Het waren drukke dagen, die laatste dagen aan boord van de “Saxon”. Er moesten nog tal van spelletjes worden afgespeeld en sommige verslagen mede-passagiers wilden nog gaarne gelegenheid hebben, om revanche te nemen, alvorens men voor langen tijd, misschien voor altijd, uit elkaar zou gaan. Daarbij moesten de koffers gepakt en brieven geschreven worden, om familie en vrienden te doen weten, dat men veilig aangeland was, want de eerste naar Europa vertrekkende boot, zou reeds Woensdagsmorgens weggaan. Nu waren deze laatste dagen aan boord van het schip ook nog de minst kalme, omdat een vrij stevige bries de golven onstuimig opwaarts joeg en het nu door kolenverbruik veel lichtere schip rumoerig heen en weer slingerde. Men moest zeemansbeenen hebben, om op het dek een goed figuur te slaan, anders zwenkte men van de eene naar de andere zijde. Geen onzer was zeeziek, alhoewel er buitengewoon veel over moeheid, hoofdpijn en lusteloosheid werd geklaagd, maar dit mocht, o, heelemaal niet, aan den invloed van de schommelingen van het schip worden toegeschreven. Men went ten slotte aan alles; al zou in de laatste dagen het schip op haar kop zijn gaan staan, dan geloof ik nog, dat de meeste passagiers zich goed zouden gehouden hebben.

Met een enkel woord moet ik even spreken over het enorme groote schriftelijke verkeer tusschen Engeland en andere landen met Zuid-Afrika. Wij kregen daarvan een aanschouwelijke les. Maandagmorgen werd de geheele stuurboord-zijde (ik weet nu het verschil tusschen stuur- en bakboord) met groote zeilen belegd en daarop werden een paar meter hoog de zakken met brieven opgestapeld, die over Engeland naar de verschillende staten in Zuid-Afrika gezonden worden. Elke week komt er een even groote mail met duizenden en duizenden stukken in Kaapstad aan.

Het was jammer, dat wij reeds zeer vroeg in den morgen ’t doel van onzen tocht bereikten, wij hadden zoo gaarne ’t mooie gezicht op de bergen rondom Kaapstad van uit zee genoten. Wel hadden wij den avond tevoren den steward order gegeven ons te roepen, wanneer de bergen in zicht kwamen, als die wellicht, door maanlicht beschenen, zich toch aan ons wilden vertoonen. Maar wij werden niet in den nacht gewekt en vernamen Dinsdagmorgen, dat een dichte nevel de bergen had omsluierd, omdat zij zich eerst in den ochtendstond, staande in hellen zonnengloed, aan onze oogen wilden vertoonen. Midden in den nacht, ongeveer twee uur, bereikte ’t schip de landingsplaats en begon men onmiddellijk met het naar boven brengen van bagage en andere dingen, die in de maag van het schip al dien tijd een veilige plaats hadden gevonden. De drukte, het rumoer, het gepraat van het scheepsvolk maakten slapen onmogelijk en ik was blij, dat de steward om vijf uur kwam zeggen, dat het eigenlijk zes uur was in Kaapstad, dat hij eenige brieven voor mij had en dat het tijd was om op te staan.

De brieven bevatten welkomstgroeten van dames uit Kaapstad en een er van bracht een lange lijst van uitnoodigingen voor lunches, teas, avondrecepties etc. Ook mevr. Catt had een dergelijke lijst ontvangen, waaruit ons duidelijk werd, dat ons verblijf in Cape Town niet zeer rustig zal zijn, en men ons in de gelegenheid wil stellen met vele Zuid-Afrikaansche vrouwen in kennis te komen.


Spoedig waren wij alle vier gekleed en namen gezamenlijk ons laatste ontbijt aan boord. Toen wij boven op het dek kwamen, werden wij door eenige Zuid-Afrikaansche medepassagiers direct in beslag genomen, om met hen den eenigen mooien aanblik van den Tafelberg met zijn leeuwenkop en duivelseiland, met zonnegloed overgoten, te genieten, ’t Was verrassend schoon! Doch lang konden wij ons niet aan dit schouwspel wijden, want, ofschoon het nog geen acht uur was, waren er toch reeds vele dames uit Kaapstad daar, bijna allen de een of andere vereeniging vertegenwoordigende, om ons bij onze aankomst te begroeten. Niet weinig waren wij verrast, onder deze dames ook een heer aan te treffen, de heer en mevrouw De Villiers, die mij in zuiver Hollandsch toespraken, en die ons direct dien morgen voor de lunch te hunnen huize noodigden.

Het was ruim negen uur, toen wij eindelijk van de vele medepassagiers, die, voor zoover zij in Zuid-Afrika in een of andere stad wonen, die wij waarschijnlijk op onzen tocht zullen aandoen, met uitnoodigingen ten hunnent overlaadden, hadden afscheid genomen en wij ons naar het hotel Mount Nelson konden begeven, waar door de vriendelijke zorg van een der dames reeds kamers voor ons besteld waren.

De indruk die wij op dezen eersten tocht door de stad, in een open landauer en met een neger als koetsier, kregen, is een zeer gemengde. Wij kwamen alle vier tot de slotsom, dat wij ons iets geheel anders hadden voorgesteld. Dan eens deed een straat ons denken aan de Rue de la Fayette in de buurt van de Gare du Nord in Parijs, dan een eindje verder had de buurt iets van een of ander plekje in Cannes aan de Riviera, maar alles zag er uit alsof de stad reeds eeuwen en eeuwen oud is. Maar, natuurlijk, ik mag nog geen oordeel vellen, alvorens wij de stad in haar geheel kunnen opnemen.

In het hotel aangekomen, werden wij ook daar weder door andere dames verwelkomd en gaven de Hollandsch sprekende of “de taal” sprekende dames zich de moeite, om mij in mijn moedertaal te begroeten. Natuurlijk ontbraken ook de heeren- en dames-journalisten onder hen niet en werden wij om beurten een oogenblik in een hoekje genomen, om het een en ander van ons persoonlijk, van onze reis, ons land of iets dergelijks mede te deelen.

De verslaggever van de “Nieuwe Rott. Courant” was onder hen en hij kon mij gelukkig de laatste editie van de N.Rott. Ct. bezorgen, zoodat ik niet geheel zonder nieuws uit het land ben. Het is natuurlijk slechts de maileditie, maar ik kan er toch de voornaamste bijzonderheden uit vernemen.

Al deze bezoeken hielden ons tot bijna één uur staande; wij moesten nog onze koffers uitpakken, waren moe en hongerig en besloten daarom ons te laten verontschuldigen voor de eerste lunchpartij en voor de tea in den middag en liever te trachten voor de avond-receptie presentabel voor den dag te komen. Na eerst vlug wat gegeten te hebben, begaven wij ons naar onze kamers, ontpakten onze zaken en toen besloten mijne Hollandsche medereizigster en ik nog gauw een paar uur van den mooien zonnigen dag te profiteeren, alvorens ons voor den avond te kleeden. Onze Amerikaansche vriendinnen wilden liever tehuis wat rust nemen, hopende op meer zonnige dagen voor een wandeling door de stad. Laat mij hier direct bijvoegen, dat zij die rust niet gevonden hebben, want toen wij om vijf uur tehuis kwamen, waren zij nog geen oogenblik alleen geweest, doch hadden steeds nieuwe bezoekers te woord gestaan.

Wij twee doorkruisten voor deze eerste wandeling de hoofdstraten van de stad en ontvingen nu een geheel anderen indruk dan in den landauer van dien morgen. Flinke breede, ruime straten, met groote gebouwen en winkelhuizen, die met onze Amsterdamsche Waarenhäuser te vergelijken zijn, met bankinstellingen en groote kantoren en met electrische trams, vonden wij overal. Hadden de vele kleurlingen, die wij in de straten zagen, ons er niet aan herinnerd, dat wij in een tropenland waren, dan had zeer zeker een aanblik der straten en de daarin aanwezige woningen en winkels bij ons geen oogenblik den indruk verwekt, dat wij zoover van ons huis en ons in Zuid-Afrika bevonden. Een enkel winkeltje, dat tegelijk een café’tje was, en tot opschrift droeg “Hollandsch koffiehuis”, en waarin in een hoek op een stoeltje een groote pop in Zeeuwsch costuum zat, gaf ons al mede een huiselijk gevoel. De klacht, die ik in ons land eens van een boekverkooper hoorde, dat boekverkoop eene steeds minder lucratieve positie wordt, schijnt ook voor Zuid-Afrika te gelden. Alle boekhandelaren verkoopen tegelijkertijd allerlei andere artikelen, die met boeken slechts in een uiterst verwijderd verband staan. Bij de beide grootste boekverkoopers kon ik het laatste werk van Pierre Loti “La mort du Phylae” niet bekomen, doch wat meer zegt, men antwoordde mij in de eene zaak glimlachend, dat Fransche boeken in Cape Town niet gelezen worden, en in de andere, dat zij vier Fransche boekjes hadden, en of ik nu zelf eens zien wilde, of hetgeen ik wenschte, er bij was. Er moet echter nog een groote Hollandsche boekwinkel hier bestaan, waarin, naar men zegt, ook Fransche boeken te verkrijgen zijn.

Nadat wij tweeën geruimen tijd in de winkelstraten hadden zoek gebracht, gingen wij boven op een electrische tram eenige tochten naar verschillende hoeken van de stad maken. Doch ik zal over den indruk, dien ik daarbij van de stad kreeg, niet schrijven, alvorens ik nog eerst meer, en onder geleide van eene aldaar bekende persoonlijkheid, van de stad heb gezien.

Te huis gekomen, was het eerste werk wat te doen was, eene schifting te maken in de vele uitnoodigingen die ons reeds bereikt hadden, wilden wij althans tijd over houden om iets te doen in het belang van de zaak, waarvoor wij de reis ondernomen hadden. Onder de vele brieven, die ik ontving, waren er eenige van Hollanders en Afrikaanders, die mij verzochten mij vooral niet te laten overreden op de openbare vergaderingen in Zuid-Afrika, iets anders dan Hollandsch te spreken, vooral wanneer tegelijkertijd ook mrs. Catt sprak. Mondeling werd ik onmiddellijk ingewijd in de op het oogenblik op den voorgrond dringende taalkwestie, of de Hollandsche naast de Engelsche taal moet gehandhaafd worden, waarover vooral in de Kaapkolonie, veelal ten voordeele van de Engelsche taal beslist wordt.

Reeds den eersten avond, op de receptie, ons door de “Women’s Citizen Club” aangeboden, waarin de Engelsche vrouwen verre de meerderheid vormen, kon ik mijne gezindheid in dezen toonen. Door alle dames van het bestuur, die ons eerst in een afzonderlijk vertrek ontvingen, werd ik even apart genomen en er op attent gemaakt, om op dien eersten avond toch vooral alleen Engelsch te spreken, want dat ik anders door geen der aanwezigen zou worden verstaan. Ik had mij echter voorgenomen mij niet van de wijs te laten brengen en toen ik ’s avonds het woord kreeg en in het Engelsch even mijn dank voor de ontvangst en nog eenige lievigheden aan het adres van het bestuur en de vele aanwezigen had gezegd, deelde ik mijne meening mede, dat nu wij in een land waren, waar de beide talen, Engelsch en Hollandsch gesproken worden, die beide burgerrecht bezitten, na de Engelsche speech van mrs. Catt, ook ik mijne moedertaal moest gebruiken en vervolgde mijne toespraak in het Hollandsch. Hoewel ik meende, dat niemand mij zou hebben verstaan, bleek toch later, dat er tal van Engelsch-Afrikaanders waren, die mij heel goed gevolgd hadden, doch die uit voorliefde voor Engeland, in het dagelijksch leven ontkennen, iets van onze taal te verstaan.

Vrouwenkiesrecht-strijdsters in Kaapstad.

Vrouwenkiesrecht-strijdsters in Kaapstad.

Oververmoeid kwamen wij ’s avonds om elf uur te huis; wij gevoelden ons allen meer zeeziek dan wij ons ooit op de boot gevoeld hadden, en toen ik in mijn bed lag, had ik mij zelf te overtuigen, dat ik niet meer in mijn cabin heen en weer gleed, zoo draaide alles met mij in de rondte. Dien eersten dag in Zuid-Afrika, waarop ons zoo’n allerhartelijkste ontvangst was bereid, waarop ik tal van oude bekenden de hand heb gedrukt en nog veel meer nieuwe vriendschapsbanden heb aangeknoopt, die een heel nieuwe wereld voor ons opende en ons met geheel andere gewoonten en gebruiken, als waaraan wij gewoon zijn, in kennis stelde, zal zeer zeker nooit uit mijn geheugen verdwijnen.

9 Aug. 1911.

Ons verblijf in Kaapstad.

I.

Nauwelijks was ik den eersten morgen opgestaan, toen ik reeds aan den telefoon werd geroepen, omdat er iemand was om mij te spreken, die ons allen voor dien dag ten eten noodigde. Wij hadden evenwel voor dien dag reeds tal van zulke uitnoodigingen ontvangen, die wij moesten afslaan, omdat wij ons hadden voorgenomen, in de eerste plaats de invitatiën van de verschillende vereenigingen aan te nemen. Toen ik naar mijn kamer terug wilde gaan, werd mij een groot pakket brieven overhandigd, alle welkomstgroeten en uitnoodigingen inhoudende. Onder dezen bevond zich ook een van den burgemeester van Kaapstad, die ons een at home en receptie op het stadhuis aanbood, waarbij de besturen van alle vrouwenvereenigingen tevens waren genoodigd. Ook bereikten ons dien dag vele brieven uit andere steden van Zuid-Afrika, waarin ons verzocht werd toch vooral ook in hun stad te komen spreken over vrouwenkiesrecht. Ik behoef natuurlijk niet te zeggen, dat mrs. Catt evenzoo ruim met brieven bedacht werd. Wij beiden kwamen dan ook spoedig overeen, dat wij onmogelijk in twee maanden tijd aan al die invitatiën konden voldoen en besloten onmiddellijk een maand langer in Zuid-Afrika te blijven, nu het bleek, dat wij er zulk nuttig werk konden verrichten.

Woensdagmorgen om half elf hadden wij reeds een vergadering met het bestuur der Vrouwenkiesrechtvereeniging in Kaapstad en na afloop eene vergadering met de leden. Door de Christelijke Vrouwen geheel-onthoudersvereeniging werd ons een lunch aangeboden, en daarna een receptie door een vereeniging, die op een lijn staat met de in Holland bestaande Vereeniging tot verhooging van het zedelijk leven. Dienzelfden avond, om acht uur, had de eerste openbare vergadering plaats, uitgaande van de Women’s Citizen Club en gepresideerd door prof. Darell.

Mrs. Chapman Catt zette het doel van den Wereldbond en den stand van het vrouwenkiesrecht-vraagstuk in alle landen uiteen en ik sprak (in het Hollandsch) over de beteekenis van het kiesbiljet. Als men in aanmerking neemt, dat wij gedurende den dag op alle vergaderingen en recepties ook ’n kort woord hebben moeten spreken, dan geloof ik, dat die eerste dag door ons goed werd besteed.

Donderdagmorgen om half elf werden wij in eenige stichtingen van vrouwen ontvangen en zagen wij achtereenvolgens een huishoudschool, een tehuis voor vrouwen, een industrieschool, deze laatste echter nog in embryostaat. Daarna werd ons in de Alexandra-club, de club van de élite der vrouwen, die ons ook gedurende ons verblijf alhier het eerelidmaatschap der club heeft aangeboden, een schitterende lunch bereid. Na afloop was er een receptie voor alle leden der club. Om vier uur moesten wij echter weder een vergadering bijwonen van de vereeniging tot bevordering en nog meer tot steun van vrouwenarbeid, een vereeniging die heel veel overeenkomst heeft met onze Arbeid Adelt of Tesselschade-vereeniging, doch zich nog in den toestand bevindt, waarin die bij ons bestaande vereenigingen ongeveer een kwart eeuw geleden waren. Dien avond de tweede openbare vergadering, uitgaande van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht, die buitengewoon druk bezocht was. Geen staan- of zitplaats was over, velen moesten in de deuropeningen en gangen een plaats vinden en ook moesten velen onverrichter zake huiswaarts keeren. Deze vergadering werd door Sir James Innes, president van het hoog gerechtshof, gepresideerd en op de tribune hadden tal van mannen van naam en beteekenis plaats genomen. Mijn buurman was de Hollandsche spreker Viljoen, lid van het Parlement, de man die reeds eenige jaren geleden de eerste vrouwenkiesrechtsbill in het Zuid-Afrikaansch Parlement had aangeboden en verdedigd en die onze komst in Z.-A., ten doel hebbende de vrouwen aldaar tot den strijd voor dit recht aan te sporen, hartelijk toejuichte. Ik sprak dien avond het eerst, en had tot onderwerp, het belang van de invoering van vrouwenkiesrecht voor den Staat, het gezin en de vrouw. Daarna sprak Mrs. Catt ruim een uur lang over de gevolgen van het onthouden van het kiesrecht aan de vrouw. Gedurende al dien tijd hield zij de aandacht van haar gehoor geboeid en herhaaldelijk werd hare rede door handgeklap en bravo-geroep onderbroken. Zeer zeker won zij dien avond de harten van al hare toehoorders.

Vrijdagmorgen werden wij reeds vroeg door den auto van Sir en Lady Innes afgehaald om op hun mooie landgoed de lunch te gebruiken en later voor ’n vijftigtal aldaar genoodigden, allen dames uit de upper ten, over vrouwenkiesrecht te spreken en ook deze dames op haar plicht te wijzen aan den strijd voor deze hervorming deel te nemen. Tegen etenstijd kwamen wij terug en zouden voor het eerst een vrijen avond hebben, doch vele dames en heeren, die ons op de vergaderingen niet konden bereiken, maakten nu van ons vrij-zijn gebruik, om ons dien avond in het hotel op te zoeken, met het gevolg, dat wij nog vermoeider naar bed gingen dan de vorige avonden.

Zaterdagmorgen reeds vroeg eene vergadering met het bestuur en eenige invloedrijke leden van de Women’s Citizen-club, daarna stond een ons vriendelijk aangeboden auto gereed, om ons naar het buiten van mrs. Garrett Hay te brengen, waar voor talrijke genoodigden een lunch was bereid. Om drie uur werden wij van daar in een ouderwetsche Cape-car, een, die gebruikt was in den tijd, dat de boeren nog “uit trekken gingen”, afgehaald, om eene van de oudste, nog in volkomen goeden toestand verkeerende, Hollandsche boerenhofsteden te zien en er de thee te gebruiken. Deze hofstede wordt thans bewoond door het gezin van den heer en mevrouw Cloete-Van Warmelo, die er een wijn-farm van gemaakt hebben. Onze vroegere boerenwoningen van welgestelde boeren waren precies eender en geen enkel stukje huisraad troffen wij in deze woning, wat niet afkomstig was uit een boerenfamilie in Holland. Alles was nog in den toestand van ongeveer 250 jaar geleden; de Hollandsche zindelijkheid trad zelfs zeer sterk op den voorgrond.

Voor den Zondag waren mrs. Catt en de andere Amerikaansche dame, die zich in ons gezelschap bevindt, bij een Amerikaansche familie uitgenoodigd, en mijne landgenoote en ik waren bij onzen vice-consul voor dien dag gevraagd. Onze consul bevindt zich op dit oogenblik in Pretoria, alwaar wij hem later hopen te treffen. In den gezelligen huiselijken kring van den heer en mevrouw Loopuyt, waar wij tal van andere landgenooten ontmoetten, brachten wij een allergenoeglijksten dag door en bezochten de voor ons met zoovele historische herinneringen verbonden “Groote Schuur” en zijne omgeving, die thans tot woonplaats dient van den premier van het land.

Maandagmorgen gingen wij reeds heel vroeg naar de Zuid-Afrikaansche Universiteit, ook een nog in wording zijnde instelling. Het nieuwe gedeelte, dat alleen voor anatomische doeleinden zal worden gebruikt, moet nog gebouwd worden. Het zal bijna geheel worden gebouwd en ingericht als het desbetreffende gebouw te Amsterdam, waarvan ik den plattegrond zag. Om elf uur kwam mevr. De Villiers ons afhalen voor een auto-toer rond de Victoria-road. Ieder, die in Kaapstad bekend is, weet, wat deze toer beteekent. Het is de uitgestrektste en mooiste toer, die hier gemaakt kan worden. Men volgt geheel aan den achterkant van de bergen de zeekust, en heeft nu en dan de meest verrassende zeegezichten. Wij troffen het bijzonder goed met het weder, zoodat er niets ontbrak aan het effect wat deze toer kan geven. Toen wij om vier uur tehuis kwamen, hadden wij nog precies tijd om ons te kleeden, om aan de uitnoodiging van sir Frederick Smith, burgemeester van Kaapstad, gevolg te geven. In hem ontmoetten wij een warm geestverwant voor onze zaak, en hoewel hij van plan was geweest ons dien avond aan zijne talrijke gasten, waaronder velen uit de diplomatieke kringen, alleen voor te stellen als twee distinguished guests van Kaapstad, schemerde toch zijne ingenomenheid met de reden van onze komst naar Z.-Afrika door al zijne introduceerende woorden heen. Hij verzocht ons beiden, om ook dien avond over de zaak, waarvoor wij zoo veel voelen, eenige woorden tot zijne gasten te spreken.

Ik zal niet doorgaan met het en detail neerschrijven van het voornaamste wat wij hier elken dag zien en doen; ik heb alleen de eerste week wat uitvoerig beschreven, om te doen uitkomen, hoezeer onze komst hier door velen gewenscht werd, op welke wijze men ons hier eene ontvangst heeft bereid en hoe weinig tijd ons hier rest om onze correspondentie af te doen, en de instellingen te bezoeken, waarin wij bijzonder belang stellen, en die niet direct in verband staan met vrouwenkiesrecht. Maar ook het bezoek dier instellingen wordt ons bijzonder gemakkelijk gemaakt. Nauwelijks hebben wij den wensch geuit, om het een en ander te willen zien, of reeds den volgenden morgen bereiken ons de uitnoodigingen. Op die wijze zag ik hier hospitalen, verschillende inrichtingen voor onderwijs, o.a. een school voor kleurlingen, waar de zonen van de verschillende opperhoofden gehuisvest en onderricht worden. Wij zagen daar onder meer de twee oudste zonen van Lewenyka, den opvolger van Lobengula, die in de geschiedenis van Zuid-Afrika een zoo groote rol heeft gespeeld. De directeur van deze inrichting vertelde ons, dat, alvorens hij jongens opneemt, hij altijd eerst den vader een gedrukt stuk stuurt, dat ingevuld moet worden, zoodat hij een weinig op de hoogte is met de soort jongens, die hij krijgt. Achter de vraag: “Beroep van den vader?” had de vader van de twee Lewenyka’s met krachtige hand geschreven: “King”. Die twee prinsen zagen er niet “zoo zwart als mijn laars uit,” zooals de term luidt, maar nog veel zwarter. Zij hadden een blauw-zwarte huid, met blanke binnenvlakten van de handen. De flink gebouwde jongens hadden schitterende, groote oogen, en waren, uit een neger-oogpunt, bepaald een paar mooie menschen; over hunne intelligentie vernamen wij allerlei verrassende bijzonderheden.

Ook van den directeur van het Zuid-Afrikaansche Museum had ik eene uitnoodiging, en persoonlijk leidde hij mij drie uur rond in de vooral uit ethnologisch en sociologisch oogpunt zoo belangrijke verzameling van alles wat Zuid-Afrika tot dusver in dit opzicht heeft opgeleverd.

Eenige leden van het Hooger- en Lagerhuis hadden zich beschikbaar gesteld, om ons de parlementsgebouwen te laten zien. Het meest hiervan boeide mij het archief, wat in een der gebouwen is ondergebracht. Daar kreeg ik in handen: “het dagboek van Van Riebeeck”, bijgehouden tot eenigen tijd na zijne landing in “Capo de Goede Hoop”. Daar kreeg ik prenten in handen, gedrukt in Amsterdam, in het einde van de 17e eeuw, waarop de heldendaden van onze mannen in Afrika werden afgebeeld; met den Tafelberg en de hem nabijzijnde bergen, precies verkeerd geplaatst; daar zag ik de familieregisters van de vele eerste Europeesche bewoners van de Kaapkolonie, tot voor kort bijgehouden. Dat Afrika een vruchtbaar land is, laat geen twijfel, na de inzage van deze registers. Zoo hebben o.a. de drie gebroeders De Villiers, die hier ongeveer in 1670 uit Frankrijk landden, in die twee en een halve eeuw een familie van eenige duizenden nakomelingen. Zij zijn op dit oogenblik waarschijnlijk de talrijkste in Zuid-Afrika.

En wat ook in dat archief bewaard was, dat waren vele exemplaren van fraai gekleurde en goed geteekende nieuwjaarswenschen, door brave en gehoorzame jongelingen of jonge dochters aan hunne “Geagte Vader” of “Waarde Moeder” of “Lieve Grootouders” gestuurd, en waarvan de gedichten dikwijls duidelijk aangaven, dat zij van eigen maaksel waren. Zij brachten mij mijne kinderjaren te binnen, toen ook wij gewend waren zulke heilwenschen in gekleurde of gouden rand op nieuwjaarsdag onze ouders aan te bieden. De ons rondgeleidende heeren interesseerde het zeer, dat mijne landgenoote en ik hen op de hoogte konden brengen van veel, dat zij ons lieten zien, doch niet konden lezen of begrijpen.

Maar ook zag ik daar eenige exemplaren van oude Kaapstadsche couranten, uit het begin der 18e eeuw, waarin in goed, zuiver Hollandsch de berichten en mededeelingen gedrukt waren. Sommige van die bladen bevatten echter naast de Hollandsche ook Engelsche advertentiën. Opmerkelijk was het in een nummer van die courant eene wet te zien afgekondigd, waarbij verboden werd om slaven aan andere natiën te verkoopen en het zelfs tot plicht werd gesteld, om elk schip, dat de kust aandeed en slaven inhield, aan te houden, terwijl in datzelfde blad slaven te koop werd aangeboden en de slavenmarkt op zekeren datum geannonceerd.

Ook woonden wij in het hof van justitie een terechtstelling bij en hoorden later een van Kaapstad’s knapste advocaten een pleidooi houden, om “wat krom is rech te praat”.

Dat wij op deze wijze in de veertien dagen van ons verblijf in Kaapstad deze stad en hare instellingen en omgeving beter leerden kennen dan menig ander vreemdeling en zelfs beter dan menig andere Zuid-Afrikaander, is te begrijpen. Elken dag, als de zon scheen, bracht men ons per auto of trein naar een ander mooi of interessant punt; geen enkel oogenblik ging daar verloren, ieder beijverde zich om ons verblijf voor ons zelf en ook voor de inwoners van de Kaapkolonie, zoo vruchtdragend en aangenaam mogelijk te maken.

Mijne indrukken van Kaapstad zijn dan ook geheel anders dan op den eersten dag; deze zal ik in het kort in den volgenden brief neerschrijven.

II.

Kaapstad als stad is leelijk, doch zeer eigenaardig en interessant. Geen mooie straten, geen groote pleinen, geen mooie monumentale gebouwen. Alles ziet er haveloos en armoedig uit. Het is alsof er de hand niet aan wordt gehouden en wat eenmaal verveloos of door den tijd verbruikt is geworden, laat men niet weder opknappen of repareeren. Ook in de gezinnen valt datzelfde op te merken. Natuurlijk geldt dat niet voor de rijke familiën, maar zeer zeker wel in de huizen van de middelklasse der bevolking. Voor een deel moet dit op rekening gesteld worden van het bijna niet te gelooven feit, dat de eigenaren dikwijls te arm zijn om de reparatiekosten te kunnen dragen en voor een ander deel, dat er in Kaapstad en omgeving geen goede werkkrachten, die reparatiewerk willen verrichten, te vinden zijn. Als iets stuk is, dan moet het maar net zoolang stuk gebruikt worden, tot het geheel onbruikbaar is geworden, want om dat iets te laten maken, zou evenveel moeten kosten, als om het te vernieuwen.

Maar eigenaardig is Kaapstad in hooge mate. Naast de meest verouderde gebruiken, gewoonten, instellingen, enz., vindt men er sommige van de modernste soort. Naast de oude, afgebruikte, te vies om er in te gaan zitten, wagens, met afgewerkte voortsukkelende paarden, staan de nieuwste en mooiste automobielen in de straten en het is, alsof de hansom, die in Londen afgedaan heeft, in bootladingen naar hier zijn overgebracht. Electrische trammen doorkruisen zelfs de verst afgelegen buitenwijken, wat eigenlijk geheel op zichzelf staande dorpen zijn. Ook onderhoudt een geregelde spoordienst onophoudelijk het verkeer met de buitenwijken.

Kosmopolitisch is Kaapstad in hooge mate. Niet alleen treft men hier onder de witte menschen alle nationaliteiten aan, hoewel Britten en Nederlanders het grootst in aantal zijn, doch ook van de kleurlingen zijn hier alle nuances vertegenwoordigd. Het gele ras en de door herhaalde kruising reeds bijna niet meer zwarte man en vrouw, gaan hier door Kaapstad’s straten naast zwarten en zwart-blauwen in alle verscheidenheid. De kleine, fijn gebouwde, aapgelijke Bosjesman en vrouw, de Hottentot, de Zulu, de Basuto, de Kaffer en alle andere kleurlingen, probeeren hier in kleeding en gebruiken de Europeër na te doen en zien er daardoor dikwijls allerbespottelijkst uit. Ook enkele mooie exemplaren van het onvervalschte ras ziet men soms in hun oorspronkelijke gedaante, en dikwijls sta ik in bewondering zoo’n sterk gebouwde Zulu-vrouw, met haar kind op haar rug en een zware vracht op haar hoofd, gade te slaan. De meeste aantrekking oefenen evenwel de kleine, koolzwarte, schattige negerkindertjes uit. Ofschoon zij dikwijls te vuil zijn om aangeraakt te worden, kan ik ze toch nooit voorbijgaan, zonder ze even te liefkoozen, of een stukje bonbon te geven. Mrs. Catt heeft reeds den wensch geuit om op haar verjaardag van ons zoo’n klein nikkertje cadeau te krijgen, maar het mag dan niet grooter worden.

Heel mooi en schilderachtig zijn ook de Kaapsche Maleiers, vooral de vrouwen onder hen. Zoodra dezen in zekeren welstand leven, en zoo zijn er velen, dan gaan zij naar Mekka en eenmaal daar geweest zijnde, voelen zij zich ver boven haar andere rasgenooten verheven en toonen dat zichtbaar, door evenals de Turksche vrouwen, met bedekt gelaat langs ’s Heeren wegen te loopen. Het geheele hoofd is dan met een gekleurden, meestal zijden, doek omgeven en laat alleen oogen en neus vrij. In hunne hel-kleurige japonnen, roze, blauw, groen of wit, door stijfgesteven rokken uitstaande alsof er wijde crinolines onder gedragen worden, met halssnoeren van soms okkernootgroote koralen, en met allerlei andere versierselen, zien zij er recht mooi uit. De oudere dames dragen graag zware zijden japonnen, ook van opvallende kleur. Ontmoet ik een troepje van deze vrouwen, dan maak ik gaarne een praatje en probeer dan zooveel mogelijk “de taal” te spreken, maar zoodra zij merken, dat ik “de taal” niet meester ben en “hoog Hollandsch” spreek, zooals men hier ons gewoon Hollandsch noemt, dan antwoorden zij in haar gebroken Engelsch.

Olive Schreiner en Dr. Aletta Jacobs, voor den ingang van O. Schreiner’s huis.

Olive Schreiner en Dr. Aletta Jacobs, voor den ingang van O. Schreiner’s huis.

Dit spreken met kleurlingen, of het liefkoozen van de zwarte negerkindertjes, wordt hier echter als hoogst onwelvoegelijk beschouwd en herhaaldelijk ontvang ik afkeurende blikken van voorbijgaande witte menschen, omdat ik mij met een kleurling op een voet van gelijkheid onderhoudt. Al wat kleurling is, wordt hier met een soort van verachting behandeld, waarvoor men geen afdoende reden kan opgeven. Het idee, dat kleurlingen slaven zijn, met slavenkarakters en slavennatuur en dat zij in geen enkel opzicht op voet van gelijkheid mogen worden behandeld, omdat men hen dan totaal zal bederven, is van den aanvang den blanken kinderen ingeprent en in hen vastgeroest.

Dat de kleurlingen in de Kaapkolonie echter het kiesrecht bezitten en uitoefenen en men hen in dat opzicht met de andere mannelijke burgers van de kolonie op voet van gelijkheid heeft gezet en hen zelfs boven de blanke vrouwen heeft geplaatst, schijnt de witte menschen niet tot nadenking te brengen.

Maar naast hen die den kleurling verachten en vernederen, staat een kleine groep, die overdreven voor hen gevoelt. Ik zou deze menschen op een lijn willen stellen met onze gevoelssocialisten, menschen die zich socialist noemen omdat hun liefde gaat tot al wat zwak en teer is en lijdt en zij door onberedeneerde gevoelsmotieven aangetrokken worden door de nooden en behoeften van den arme, dien zij niet alleen ten koste van alles willen helpen, doch die ook in hunne opinie hoog boven de andere bevolking verheven staat. Van dat soort negervereerders bezit men hier ook. Vooral de familie Schreiner, met Olive Schreiner aan het hoofd, is een blinde vereerster van den kleurling. Haar geheele politieke overtuiging heeft tot ondergrond “hoe ’t best voor den kleurling te zorgen”. De negerkwestie is hier een groot politiek vraagstuk; het heeft moeilijkheden gebracht bij de vaststelling van de Unie en het zal steeds opnieuw moeilijkheden in de politieke kringen brengen. In de Kaapkolonie hadden de negers het kiesrecht, vóórdat de Unie der vier Staten tot stand kwam en men wilde en kon daar dit recht den negers niet weder ontnemen. In Oranje Vrijstaat, Natal en Transvaal beschouwt men den kleurling nog als een inferieur wezen en wil men hem geen politieke rechten verleenen. Deze drie Staten wilden niet toestaan, dat de Kaapsche neger aan de verkiezing van het Unie-parlement deelneemt, en zoo is er dan nu een toestand geschapen, waarin de neger in de Kaapkolonie wel mag deelnemen aan de verkiezingen voor de gemeenteraden en het Kaapsche gouvernement, doch niet aan de verkiezingen voor het Unie-parlement.

Oud-President Steijn van Oranje Vrijstaat met twee zijner dochters. Zijne vrouw en moeder zitten voor hem.

Oud-President Steijn van Oranje Vrijstaat met twee zijner dochters. Zijne vrouw en moeder zitten voor hem.

Zoo dom zijn de negers nu niet, dat zij zich deze verkorting van rechten laten welgevallen, en bijgestaan door de mannen, die hen willen steunen en helpen, omdat zij met hun lot zijn begaan, strijden zij tot verkrijging van de volle burgerschapsrechten. De drie andere Staten zullen echter in geen afzienbaren tijd toestaan, dat aan dezen eisch wordt voldaan.

Wil men mooie negers en vooral mooie negerinnen zien, dan doet men best een Woensdag- of Zaterdagmorgen vroeg naar de bloemenmarkt te gaan, waar de wild groeiende planten in groote verscheidenheid van kleur en soort door de van buiten komende kleurlingen ten verkoop worden aangeboden. Manden vol sneeuwwitte aronskelken, die hier pickflower genoemd worden om de groote hoeveelheid waarin zij op ’t land voorkomen; allerlei soort prachtige erica’s, men zegt er zijn hier tusschen de twee en drie honderd soorten; azalea’s, violen, mimosa’s, etc., etc., worden dan voor “a tikkie a bunch”, dat is drie stuivers een groote bos, door de negerbevolking ten verkoop aangeboden. Bloemen zijn hier zoo mooi en in zoo’n groote verscheidenheid van kleur, dat wij daarover dagelijks meer in verrukking komen. En wij zijn nog niet eens in het goede jaargetijde.

Het is hier namelijk winter, verschillende dames ziet men met mof en boa loopen, maar wij vinden het daartoe niet koud genoeg. Als de zon schijnt, is het zelfs warm en alleen ’s avonds of op een regenachtigen dag, gaan wij ons hier wat warmer kleeden. Het is voor ons hier als in een warme Aprilmaand.

Hoewel ik Kaapstad als stad niet bewonderen kan, is toch de omgeving van Kaapstad heel mooi. De weg van den Muizenberg naar Simonstad en vandaar naar Milner’s point, is zelfs indrukwekkend mooi en ik zelf heb nooit een idealer zeekust gezien dan die, waarop het oog rust, als men zich een oogenblik kalm op het witte zeestrand of op een rots neerzet bij Milner’s point.

Maar men behoeft niet zoo ver naar buiten te gaan om mooie plekken te vinden. Vlak bij de stad, in twintig minuten met een electrische tram te bereiken, ligt Camp’s baay en Sea point, waar men eveneens een prachtig zeegezicht heeft. Vooral bij opkomende zee en wanneer de zee een beetje woelig is, kan men daar uren staan droomen, wanneer de hoogopkomende golven tegen de rotsen te pletter slaan en tot hoog in de lucht een uiteengespatte, wit schuimende massa naar boven werpen, om daarna om en over de rots zich in haast te verspreiden.

Die niet van zee en bergen, doch meer van bosch en veld houdt, kan hier ook genieten. Al de hier vlak omliggende, met tram of trein in tien à twintig minuten te bereiken dorpjes zijn het best te vergelijken met Bussum, Hilversum, Baarn enz., behalve dat zij buiten hun mooie villa’s en bosschen en wandelwegen, steeds een mooien achtergrond van fraai gevormde bergen hebben en dat bloem en plant hier in veel grooter verscheidenheid en schoonheid voorkomen.

Van Riebeeck’s vloot in de Tafelbaai.

Van Riebeeck’s vloot in de Tafelbaai.

Boerenwagen op den trek.

Boerenwagen op den trek.

Men zegt ons hier, dat Kaapkolonie de mooiste van de vier Staten van de Unie is en dat alleen Natal voor een deel in natuurschoon de kolonie nabijkomt. Niettemin verkeert de Kaapkolonie thans in geen goede financieele en economische conditie, omdat in den laatsten tijd alles zich in Transvaal schijnt te concentreeren. Tal van huizen, zoowel in de stad als in de buitenwijken, staan leeg en alle neringdoenden klagen over slechte tijden. Handel en scheepvaart schijnen zich meer naar ’t oosten van het land te verplaatsen en men hoort zelfs door sommigen beweren, dat Kaapstad eenmaal een doode stad zal worden.

Onze tijd is hier nu langzamerhand verstreken, morgenochtend gaan mijne landgenoote en ik per trein van hier, mrs. Catt met hare landgenoote gaat per boot, en wij zullen ons Donderdag in Port Elisabeth weder vereenigen.

Ik heb de spoorreis verkozen, omdat ik daardoor meer van het land kan zien en in de gelegenheid ben een bezoek aan Olive Schreiner te brengen. In Port Elisabeth zullen wij ook ongeveer een week blijven, tal van vergaderingen zijn reeds voor ons uitgeschreven. Daarna gaan wij naar Grahamstown, Bloemfontein en Kimberley. Dan nemen wij eenigen tijd rust; dat wil zeggen, dan gaan wij geheel alleen veertien dagen voor pleizier op reis en gaan dan naar de Victoria-falls in Rhodesia, die als het grootste wereldwonder beschouwd worden. Wanneer wij van daar terugkomen, gaan wij naar Pretoria, Johannesburg, Pieter Maritzberg en Durban, waar reeds overal de voorbereiding voor onze komst in vollen gang is.

Van onzen tocht door Rhodesia stellen wij ons zeer veel voor, alles wat wij er van hooren, doet onze verwachting stijgen. Maar nu wachten ons eerst veertien dagen van hard werken, met vele vergaderingen, recepties, tea’s, etc.

22 Aug. 1911.

De reis naar Port Elisabeth en bezoek bij Olive Schreiner.

Dinsdagmorgen 22 Augustus 1911 om 11.30 zou de trein vertrekken, die ons van Kaapstad naar de Aar en vandaar naar Port Elisabeth zou brengen. Reeds vroeg waren wij in de weer om al onze zaken te pakken, onophoudelijk gestoord door de komst van dames en heeren, die ons nog voor het laatst de hand wilden drukken en ons bloemen en bonbons voor de reis aanboden. Wij zouden zeer zeker den trein gemist hebben, als wij niet, op het laatste oogenblik aan het station komende, tal van gedienstige vrienden daar vonden, die voor onze bagage zorgden en ons naar den op het punt van vertrek staanden trein brachten. Daar was in het midden van den trein een eerste klasse wagen voor ons gereserveerd en er werd mij een brief overhandigd van den directeur der Z.-Afrikaansche spoorwegen, die ons op onze geheele reis door Z.-Afrika van grooten dienst zal zijn. De inhoud van den brief luidt: “dat in het centrum van den trein een eerste klasse wagen gereserveerd moet worden voor dr. Aletta Jacobs en mrs. Boersma, waar zij in Z.-Afrika met den trein reizen en dat voor deze dames bijzondere zorg moet worden gedragen gedurende hare geheele reis”. Ook mrs. Catt ontving voor zich en hare landgenoote zoo’n brief.

Dit maakt het reizen voor ons hier veel gemakkelijker en het heeft veel te beteekenen, omdat wij nu de nachten in den trein rustig kunnen doorbrengen en niet bevreesd behoeven te zijn, dat onze deur telkens wordt opengegooid om een nieuwen passagier uit of in te laten. Als men bedenkt, dat Port Elisabeth, nog behoorende tot de Kaapkolonie, en op de kaart nog geen duimbreed liggende van Kaapstad, twee nachten en bijna twee dagen eischt om er te komen en dat wij verder op onzen weg misschien wel twintig nachten in den trein moeten doorbrengen, dan begrijpt men hoe ingenomen wij met het bezit van dezen brief zijn. Onze vice-consul, de heer Loopuyt, en de reeds vroeger genoemde sir James Innes, hebben zich blijkbaar voor deze attentie groote moeite getroost. Met Kaapstad achter ons moet ik verklaren, dat wij daar onvergetelijke dagen hebben doorgebracht, dat de gastvrijheid en vriendelijkheid der bewoners geene grenzen kent en dat wij tevens het gevoel met ons kunnen medenemen, dat wij daar nuttig werk verricht hebben en enthousiasme hebben gewekt voor de groote zaak, waarvoor de vrouwen in de eerste plaats hebben te strijden, het vrouwenkiesrecht. De dank, die ons daarvoor van alle kanten werd aangeboden, de verslagen en berichten over ons verblijf in Kaapstad in alle couranten en de brieven met uitnoodigingen, die ons nog steeds uit alle oorden van Z.-Afrika bereiken, zijn ons voor dat laatste een bewijs.

De reis van Kaapstad naar de Aar is waard per spoor gedaan te worden. Men gaat dan door een zeer mooi gedeelte van de Kaapkolonie. De eerste uren gaat men afwisselend door een streek met fraai gevormde hooge bergen, alle met dat eigenaardige blauw-violette waas omgeven, waarover ik reeds vroeger schreef en dat waarschijnlijk ’n gevolg is van den plantengroei op de bergen; dan weder gaat men door mooie dalen met mimosabosschen, thans in vollen bloei, of met hooge, nu in frisch blad staande, eucalyptusboomen, met peperboomen en rijk met vrucht beladen sinaasappel- en citroenboomen, met schapen, koeien en paarden in de weiden. Maar ook de heidevelden, vol met de meest verschillende heideplanten in bloei, een geheel ander beeld vertoonende dan onze heide, leveren aangename afwisseling. Tegen vier uur bereikten wij de Hex-rivierbergen, alléén op de toppen met een dikke laag sneeuw bedekt. Met een locomotief voor en een achter den trein werden wij de steile hoogte opgesleept en kon men zich een oogenblik in een van de fraaie gedeelten van Zwitserland wanen. De vorming der bergen is hier echter anders dan in Zwitserland en ook die in Noorwegen evenaart zij niet. Z.-Afrika’s bergen hebben hun eigen vorm en vooral ook hun eigen charme, die met niets, wat ik tot dusver in bergstreken zag, te vergelijken is.

Maar wat voor ons even interessant is als de mooie natuur, die wij passeeren, dat zijn de Kaffer-kraals, die wij voorbijtrekken, de dikwijls vlak aan den spoorweg grenzende struisvogel-farms, en de soms zeer eenzaam liggende groote boerenhofsteden.

Toen wij Woensdagochtend in den trein ontwaakten, bevonden wij ons midden in de Karoo (spreek uit “Keroe”). Toen ik in Kaapstad de beteekenis van dat woord vroeg, wilde men mij volstrekt inpraten, dat het een Hollandsch woord was, maar ten slotte wist een van de professoren van de Z.-Afrikaansche Hoogeschool mij toch in te lichten. De Hottentotten noemen ’n verdord boschje of boompje haroo, en daarvan is door de Europeanen ten slotte het woord karoo gemaakt. Dit is gemakkelijk te verklaren, als men bedenkt, dat in Oost-Indië de h veelal wordt uitgesproken als g en de Oost-Indische Compagnie hier vroeger veel menschen aan wal zette. De Karoo is ’n groote woestenij, waarop bijna niets dan kleine stoppels en allerlei soort cactussen groeien. Dor en droog ziet zij er uit, doch met de bergen op den verren achtergrond, en de soms prachtig in bloei staande cactussen en aloëplanten, biedt zij toch genoeg afwisseling.

Om elf uur bracht de trein ons Woensdagmorgen in de Aar, de woonplaats van Olive Schreiner. Zij zelf stond ons, als een welkomstgroet, met een bos riekende viooltjes, uit eigen tuin geplukt, aan het station op te wachten. Haar nichtje, Dot Schreiner, de dochter van haar broeder, den vroegeren eersten minister van de Kaapkolonie, die wij reeds van uit Kaapstad kenden, vergezelde haar. De ontmoeting was als van oude bekenden, er behoefde geen ijs gebroken te worden; zij was mij uit hare geschriften eene geestverwante gebleken en door Londensche wederzijdsche vrienden was ook ik haar niet onbekend. Zij is eene kleine vrouw, en tamelijk gezet. Als zij in een levendig gesprek hare lieve oogen op mij vestigde, dan riep zij steeds het beeld van onze sympathieke Helene Mercier mij voor den geest. Onwillekeurig moest ik telkens vergelijkingen maken tusschen deze twee groote vrouwen. Ook bij deze talentvolle Zuid-Afrikaansche vrouw sprak uit elk woord hare groote, alles overheerschende liefde voor de menschheid. Liefde, die het sterkst spreekt voor alles wat hulp en steun noodig heeft; eene liefde, die den sterken en machtigen hunne fouten, tegenover zwakken en hulpbehoevenden begaan, vergeeft, omdat zij die aan niet-begrijpen toeschrijft; hare machtige pen gebruikt zij om de zwakken te steunen, door de sterken te doen begrijpen. Wel is haar vertrouwen in de menschheid geschokt door alles wat zij doorleefd heeft, doch alleen dan, wanneer zij over den Zuid-Afrikaanschen oorlog spreekt en alles wat men haar toen heeft aangedaan, ligt bitterheid in haar stem. Overigens hoopt zij nog steeds op een betere wereld, met mensch-menschen, wanneer eenmaal de gouddorst der menschheid verzadigd zal zijn en men zich een gelukkig bestaan alleen kan denken in eene omgeving met toestanden, die zooveel mogelijk elkeen een menschwaardig bestaan veroorlooven. O, wat zou zij gaarne al haar tijd en krachten geven om op hare wijze en met haar pen het Evangelie, zooals zij dat opvat, op aarde te verkondigen, als zij niet door ander werk in beslag werd genomen.

En door welk werk en hoe? Deze vrouw is niet rijk, zij bezit niet eens zooveel en verdient niet zooveel met haar pen, en haar man ook niet, dat zij behoorlijk in haar kleine woning bedienden kan houden. Zij woont in eene woestenij. De Aar ligt midden in de Karoo en het is een zeer klein dorpje, alleen bewoond door wat spoorbeambten, hier en daar verspreid wonende boeren en kleurlingen. Te midden van eene groote, stoffige open vlakte staat het kleine witte huisje van Olive Schreiner en haar man, omgeven door een tuintje, door hen zelven aangelegd en hen zelven onderhouden. Bedienden bezitten zij niet, eenige uren daags komt een zwarte vrouw het allervuilste werk verrichten. Brood kneden en bakken, de wasch doen, het huis schoon houden, het eten koken en bereiden, kortom alles wat in een primitieve huishouding gedaan moet worden, verricht hier Olive Schreiner. Des zomers is het in de Aar zoo heet, dat het er onhoudbaar is, en daar er geen boomen staan, om schaduw af te werpen, zendt de zon hare gloeiende stralen regelrecht op haar huisje. Om dan eenigszins beschut te zijn, gaat zij dikwijls, zoo vertelde zij ons, onder de tafel zitten en laat zij door ’n afhangend tafelkleed de warmte tegenhouden.

Op mijn vraag, waarom zij daar bleef wonen, zoo ver af van alle beschaving en ontwikkeling, en zoo eenzaam en ongezond, terwijl uit alles bleek hoe hare geest zich verzette tegen de haar opgedrongen omgeving, antwoordde zij treurig: “ik moet”. Vóór den Zuid-Afrikaanschen oorlog bezat haar man eene farm in Transvaal en konden zij genoeg bedienden houden, zoodat zij veel van haar tijd aan schrijven kon wijden, maar in dien oorlog hebben zij alles, wat zij bezaten, verloren en nu oefent haar man den niet lucratieven werkkring uit van, in het Hollandsch uitgedrukt “makelaar in onroerende goederen”. Zijn werkkring ligt in de Aar en omstreken en nu is zij gedwongen om daar te wonen, of alleen van haar pen te gaan leven en haar man te verlaten. Daaraan wil zij evenwel niet denken en met haar man in de Aar leven, beteekent voor haar al haar tijd aan het huishouden wijden en slechts in de zoogenaamd verloren oogenblikken de gedachten, waarvan haar hoofd vol is, neer te pennen.

Daarbij komt, dat hare gezondheid zeer zwak is en door de ontberingen en zenuwstorende invloeden in haren verbanningstijd zeer veel heeft geleden. Zij is zeer asthmatisch en haar hart werkt niet goed. De atmosfeer in de Aar, droog en stoffig en heet, werkt niet gunstig op haar gestel. Zij was zeer dankbaar voor ons bezoek. Zoo nu en dan eens met geestverwanten te mogen spreken, eens weder wat nieuwe indrukken op te doen, was al het genot, dat haar nog af en toe ten deel viel. Hoe troosteloos mij haar heele omgeving en haar levensomstandigheden ook leken, zij zelve was, althans dien dag, zeer opgewekt en welgemoed. Zij had hare couranten en vriendenbrieven en leefde in gedachte het leven mede van de vrouwen in de geheele wereld. De groote strijd voor politieke rechten had niet alleen hare volle sympathie, maar zij voelde, evenals ik, dat deze strijd eerst ten einde volbracht moest worden, alvorens de vrouwen aan iets anders mogen denken. Zij zag met haar grooten vooruitzienden blik al de groote gevolgen, die de politieke vrijmaking der vrouw voor den Staat en het gezin te beteekenen zal hebben. Telkens trachtte zij mij over te halen om in Zuid-Afrika te blijven, totdat daar deze strijd gewonnen zal zijn. Zij was van meening, dat de Afrikaansche vrouw, vooral de Boerin, het kiesrecht maar behoeft te wenschen, om het in Zuid-Afrika een voldongen feit te doen worden en zij meende, dat ik, als Hollandsche, in staat zou zijn, die Boerenvrouwen te overtuigen. Terwijl wij bij haar zaten, telegrafeerde zij naar eene vriendin van haar in Graaff Reinet, een plaats niet ver van Port Elisabeth, om toch vooral eene bijeenkomst te beleggen en mij uit te noodigen, daar te komen spreken. Daar wonen vele Hollanders en daar is een centrum van tegenstand.

De levensgeschiedenis van Olive Schreiner is, in een paar woorden samengevat, deze: Zij is de dochter van een Duitschen vader en Engelsche moeder en in Zuid-Afrika geboren. In haar jeugd bracht zij een tijd in Londen door voor hare opvoeding. Later kwam zij, in 1880, weder naar Londen en bleef er toen bijna tien jaren. In dien tijd leerde zij vele groote mannen en vrouwen, vooral op literair gebied, persoonlijk kennen. Havelock Ellis, Bernhard Shaw, Eduard Carpentier, Zangwill, etc. zijn hare trouwe vrienden, met wie zij nog een levendige correspondentie onderhoudt.

Maar ook onder de Engelsche suffragettes heeft zij vele goede vrienden. Met Emmeline Pethick Lawrence en haar man dweept zij. Zij noemt zich gelukkig, omdat zij nog heeft mogen beleven den strijd, die door de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland gestreden wordt. Zij was ’t zich altijd bewust, maar zij had niet gedacht ’t te zullen beleven, dat vrouwen voor een groote zaak op groote wijze konden strijden, en in dien strijd haar mooi vrouwenkarakter behouden. “Deze strijd is grootsch,” zeide zij, “omdat hij zooveel offers eischt van de tegenwoordige vrouw, en de vruchten er van ten goede zullen komen aan de vrouw der toekomst. En wat dezen strijd nog grootscher maakt, is, dat de vrouwen uit de hoogere kringen der samenleving betrekkelijk de grootste offers brengen, ter verkrijging van een beter leven voor de vrouwen uit de lagere kringen.”

Laat mij verder gaan met Olive Schreiner’s levensschets.

Toen zij ongeveer 1890 in Zuid-Afrika terug kwam, moest zij in eigen levensonderhoud voorzien. Zij werd gouvernante in ’n Boerenfamilie, waarvan zij de vier kinderen moest opvoeden. Daar leerde zij haar man kennen, den heer Cronwright, met wien zij in 1894 huwde. In dien tijd hadden reeds verschillende boeken en tijdschriftartikelen van haar het licht gezien en bezat zij reeds als schrijfster een gevestigden naam. Om die reden wilde haar man niet, dat zij om zijnentwille haar naam opgaf en besloot hij zich Cronwright-Schreiner te noemen, terwijl zij haar naam behield. Uit dit huwelijk werd één kind geboren, dat zeer jong stierf. Het verder verloop van haar leven, dat zij in den oorlog al haar bezittingen verloren, enz., heb ik reeds boven vermeld.

Den geheelen dag, tot wij ’s avonds ongeveer 9 uur verder moesten gaan, brachten wij met haar door en wederzijds werd het betreurd, dat het bezoek niet langer kon duren. Er waren nog zooveel punten, waarover wij van gedachten wilden wisselen, nog zooveel vragen wilde zij doen, nog zooveel wilde zij weten van de positie der Nederlandsche vrouw en haren strijd voor verheffing, maar de dag was om, alvorens wij er goed aan dachten. Het afscheid was als van een paar oude, goede vrienden; treuriger echter, omdat het hoogstwaarschijnlijk een afscheid voor altoos is, en de vriendschap alleen door correspondentie onderhouden kan worden.

In den trein legden mijne reisgezellin en ik ons spoedig ter ruste, in de hoop een goede nachtrust te genieten. Wij sliepen veel beter dan den eersten nacht, aan de schokken en schommelingen van den trein eenigszins gewoon geraakt. Toen wij Donderdagmorgen ontwaakten, bevonden wij ons nog steeds in een groote, dorre omgeving, met onophoudelijk vlak langs den weg groote struisvogelhoeven. Hier en daar werden de eieren dezer vogels voor eenige pennies aan den trein ten verkoop aangeboden; wij hadden echter liever struisvogelveeren gekocht.

Nu en dan gingen wij weder Kafferdorpen voorbij en zagen wij de echte, nog door geen Europeaan bedorven en gekruiste, Zulu’s en andere rassen. Toen mijne reisgezellin van een troepje Kafferkinderen een foto wilde nemen, op een plaatsje, waar wij om water in te nemen even stopten, gingen zij allen in een rij staan en riepen de andere vriendjes: “Kom, kom, missus wil neem es”. Een stukje chocolade, aan elk hunner ter belooning gegeven, verdween onmiddellijk in de vuile mondjes van al de jongetjes, doch al de meisjes bekeken het, dankten ons met een lief lachje en verdwenen er mede naar moeder.

Om vier uur stoomde de trein Port-Elisabeth binnen en wij waren weldra omringd door eenige dames, die ons van den trein kwamen halen en naar ’t hotel brachten. Men had ons alle vier ’s morgens met de boot verwacht en dien dag een garden-party gearrangeerd in de mooie woning en tuin van den heer en mevrouw Macintosh, alwaar Mrs. Catt reeds was. In haast konden wij ons even wasschen en wat opknappen en nog vóór vijf uur waren wij reeds in het midden van Port-Elisabeth’s high-life.

Het laat zich aanzien, dat ons verblijf in Port-Elisabeth niet minder druk en vermoeiend zal zijn, dan dat in Kaapstad.