Port-Elisabeth is een geheel andere stad dan Kaapstad. Hoewel het slechts ongeveer 40.000 inwoners heeft, waarvan de kleinste helft kleurlingen zijn, gevoelen wij ons daar toch veel meer in Zuid-Afrika dan in Kaapstad.
De kleurlingen zijn er veel oorspronkelijker, leven meer in hun natuurstaat. Hollanders wonen er bijna niet. Het zijn Engelschen en Duitschers, die de blanke bevolking vormen. Natuurschoon is er niet veel. Ofschoon Port Elisabeth aan de Indische Oceaan ligt, mist het toch de mooie punten aan zee, die wij in Kaapstad konden bewonderen. Alleen aan de Schoenmakerskop vindt men eenige mooie rotspunten, die vooral bij opkomende zee, een mooi zeegezicht opleveren. De omgeving van Port-Elisabeth is heuvelachtig, doch hooge bergen mist men er. Het is er echter boschrijk, maar de bosschen bestaan in hoofdzaak uit laag geboomte.
Reeds in het hotel gevoelden wij ons in een andere omgeving. Werden wij in Kaapstad in het Mount Nelson hotel in eetkamer en slaapkamers uitsluitend bediend door Zwitsersche kellners en kamermeisjes, in het Grand Hotel in Port-Elisabeth bestaat het geheele dienstpersoneel uit kleurlingen. In de eetkamer was een geheele staf koolzwarte Indiërs, die in hunne witte kleeding met roode sjerpen, alleen de ober-kellner draagt een blauwe sjerp, en hunne witte hoofddoeken er zindelijk en netjes uitzien en veel attenter bedienen dan de soort waaraan wij gewoon zijn.
Het is duidelijk zichtbaar, dat Port Elisabeth van jonger datum is dan Kaapstad, alles ziet er nog zooveel nieuwer en frisscher uit. Er heerscht ook meer algemeene welvaart. Het gaat den menschen hier over ’t algemeen goed. Voor een groot deel leeft de stad van de struisvogelteelt en van den handel in struisveeren. Overal in de buurt zijn groote uitgestrekte struisvogelhoeven, waar honderden van deze vogels gehouden worden. Als men bedenkt, dat een paar struisvogels soms duizenden guldens vertegenwoordigen, dan kan men eenigszins de welvaart berekenen van een eigenaar van een groote struisvogelhoeve. Het onderhoud van die beesten is niet duur, terwijl hunne eieren, doch hunne veeren vooral, kapitalen opbrengen. Daarbij komt nog, dat deze beesten een zeer hoogen ouderdom kunnen bereiken, soms 150 jaar oud worden, zoodat, als er geen ongelukken gebeuren, het bezit van eenige struisvogels een vaste jaarlijksche rente afwerpt. Soms breekt er wel eens een ziekte onder die beesten uit, maar tegenwoordig is men wel zoo op de hoogte van de oorzaken er van, dat met goede voorzorgsmaatregelen dit zeer wel te voorkomen is.
Het geheele jaar door is er elken Maandag-, Dinsdag-, Woensdag- en Donderdagmorgen in Port Elisabeth eene publieke veiling van struisvogelveeren. Veerenhandelaars, die met huizen in Londen, Parijs, New-York, Weenen etc. direct in verbinding staan, koopen dan bij opbod en afslag, duizenden kilo’s struisvogelveeren. Het aantal kilo’s dat elken morgen gedurende het geheele jaar verkocht wordt, bedraagt tusschen de 1500 en 10.000 kilo’s. Men kan zich nu een denkbeeld vormen van den handel in dat artikel. Als de veeren verkocht zijn, dan worden zij verscheept naar alle oorden van de wereld.
Opgemaakte echte veeren, zooals wij ze gaarne allen hadden willen koopen, kan men goedkooper en beter in Londen of Parijs dan in Port Elisabeth verkrijgen, want al wat daar verkocht wordt, is eerst in die wereldsteden geweest om de behandeling te ondergaan, die noodig is, om ze tot sieraad te doen strekken op dameshoed of als boa. Hier kent men de finesse’s van dat werk niet.
Wij bleven een week in dit vriendelijke, doch oninteressante stadje en hadden elken dag een vergadering, tea, avondpartijtje of zoo iets door te maken, waar natuurlijk altijd over vrouwenkiesrecht moest Worden gesproken. Wij hadden ons echter vast voorgenomen, ons niet meer zoo te overwerken als wij in Kaapstad gedaan hadden en hadden daarom de werkzaamheden onderling verdeeld. De beweging voor vrouwenkiesrecht is hier geheel in handen van de Engelsche vrouwen, de Duitsche vrouwen bemoeien zich er weinig mede en Hollandsche vrouwen komen hier slechts zeer sporadisch voor.
Zoo sprak Mrs. Catt alleen op een openbare vergadering, die door den burgemeester van de stad gepresideerd werd. De zaal was stampvol met mannen en vrouwen uit alle kringen. De burgemeester maakte een poover figuur; hij las zijn drie minuten lang openingsspeechje met ’t papier in de hand voor en kon schijnbaar zijn eigen handschrift niet goed lezen. Van leiding der vergadering was geen sprake; gelukkig dat de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging naast hem zat, om hem voor al te groote fouten te behoeden. Hoe hij de gemeenteraadsvergaderingen zal leiden, waar hij geen kranige vrouw aan zijn zijde heeft om hem den weg te wijzen, is gemakkelijk uit zijn houding van dien avond op te maken.
Mrs. Catt hield eene van hare zeer overtuigende redevoeringen en bevestigde daarmede niet alleen, ook voor de bewoners van Port Elisabeth, hare reputatie, een eerste spreekster te zijn, doch overtuigde de weifelende mannen en vrouwen van de noodzakelijkheid van onzen strijd en van de gunstige gevolgen, die de invoering van vrouwenkiesrecht voor staat en gezin met zich zal brengen. Na hare rede voelden vele vrouwen, dat het hare plicht is aan dien strijd deel te nemen, of ten minste door haar lidmaatschap te bewijzen, dat zij het met deze beweging eens zijn.
Den volgenden dag sprak ik alleen ook voor een overvolle zaal, doch nu uitsluitend uit vrouwen bestaande, over de zedelijkheidskwestie in verband met vrouwenkiesrecht. Deze vergadering ging uit van de Christelijke vrouwenvereeniging, die strijdt voor zedelijke verheffing. Ook na deze lezing traden tal van vrouwen tot de bestaande vrouwenkiesrechtvereeniging toe.
Nog verschillende huishoudelijke vergaderingen met bestuur en leden werden door ons gehouden, om den vrouwen den weg te wijzen den strijd met vrucht te voeren, terwijl nog een vergadering in Uitenhage gehouden werd, waar Mrs. Catt alleen sprak, omdat daar geannonceerd was, dat ik in het Hollandsch zou spreken, doch de daar wonende Hollanders, of liever de taal sprekende Afrikaanders, niet opgekomen waren. Er was bovendien ook geen tijd voor twee spreeksters dien avond, omdat wij nog met den laatsten trein naar Port Elisabeth terug moesten.
Niet alleen met woorden, doch ook met geschenken van allerlei aard, bedankten de vrouwen van Port Elisabeth ons voor onze hulp. Zij zeiden, dat zij zich als kinderen gevoelden, die gaarne den goeden weg wilden bewandelen, doch vóór onze komst niet goed geweten hadden, hoe dien te vinden. Zij zullen nu flink aan het werk gaan en hopen spoedig vruchten te kunnen plukken, die zij dan niet zullen genieten zonder aan ons te denken.—Alles groeit snel in Zuid-Afrika; een boom, in ’t eene jaar geplant, geeft een of twee jaar later dikwijls reeds vruchten, misschien gedijt de vrouwenkiesrechtbeweging er even vlug.
Na er juist een week vertoefd te hebben, vertrokken wij Donderdag 31 Aug. des morgens ruim 8 uur. Ons doel was nu Bloemfontein, het kleine, vriendelijke stadje, de hoofdplaats van Oranje-Vrij staat, dat wij na eene reis van vier-en-twintig uur bereikten. De afstanden zijn hier groot en de treinen gaan niet zeer snel, zoodat wij nog menigen nacht in den trein zullen moeten doorbrengen. De treinen zijn echter zeer comfortabel ingericht en op vertoon van onzen introductiebrief kregen wij ook nu weder gereserveerde compartimenten. Geen oogenblik vonden wij de reis te lang; wij passeerden onophoudelijk iets, dat onze aandacht trok, doordat het land nieuw voor ons is.
In den beginne amuseerden wij ons met het gezicht op de tallooze struisvogels, die soms vlak langs de spoorbaan in hunne door ijzerdraad afgezette, oneindige vlakten ronddoolden en af en toe in groote groepen met den trein meerenden, alsof zij een race met den trein wilden houden. Soms zagen wij de struisvogelhanen hunne vrouwtjes het hof maken, door een zwierige wals voor haar uit te voeren, waarbij zij dan de vleugels uitspreidden, ze een beetje op en neer wuifden en ons een pracht van fraaie vederen vertoonden.
Later passeerden wij talrijke, voor ons nog zeer nieuwe, Kafferdorpen, waar de kindertjes in den echten natuurstaat rondliepen en de oudere bewoners net zoo veel kleeding aan hadden als voor onze begrippen van zedelijkheid noodig is. Sommige oudjes van dagen hadden het wel een beetje koud en hadden daarom een geelroode deken om de schouders geslagen. Het was mij reeds opgevallen, dat die geelroode kleur, geheel overeenkomende met de kleur van het zand in vele van die streken, een geliefkoosde kleur van de kleurlingen moet zijn, omdat ik zoovele van hen gekleed zag,—voor zoover hier van kleeding sprake kan zijn,—in het een of ander tooisel van die kleur. Men vertelde mij, dat de kleurlingvrouwen eenvoudig een witten lap nemen en dien in wat zandwater eenigen tijd laten liggen, om hem die fraaie geelroode tint te geven.
Niettegenstaande wij reeds om acht uur ’s morgens in Bloemfontein aankwamen, werden wij toch aan den trein opgewacht door eenige bestuursleden van de vrouwenkiesrechtvereeniging, die ons naar het Hotel Bloemfontein brachten, waar kamers voor ons gereserveerd waren. De ontvangst was zeer hartelijk, men was blijde met onze komst.
Bloemfontein is een klein stadje met een bevolking van ongeveer 10.000 blanken en een dubbel aantal kleurlingen. Deze kleurlingen leven bijna uitsluitend in twee groote buitenwijken, die ieder een klein dorp op zichzelf vormen. Mijne Hollandsche reisgezellin en ik konden den lust niet weerstaan om, nadat wij ons wat verfrischt en ontbeten hadden, een kijkje te nemen in de dichtst bijzijnde wijk. Wij hadden ons voorzien van een grooten zak chocolaadjes, om de kinderen en vooral de moeders goed te stemmen, want ons voornemen was om eenige photographische opnamen te maken, indien dat mogelijk bleek. Wij troffen het uitstekend, want tegen dat wij in Wijhoek, dat is de naam van een van de wijken, aankwamen, ging juist de school uit. Eerst schonken de kinderen ons geen bijzondere aandacht, maar toen zij merkten, dat wij hen gadesloegen en mijne vriendin hare camera gereed maakte, kwamen een paar van de oudste meisjes naar mij toe en vroegen beschaafd “will that lady photo us?”. Ik antwoordde in gedachte “ja” en direct daarop zei een der meisjes: “O, jij bent Afrikaander”. Het bleek toen, dat die schoolmeisjes ven 10 tot 14 jaar allen drie talen spraken, het Engelsch, de taal, en haar eigen zeer gecompliceerde Kaffertaal.
Wij beloofden haar elk een chocolaadje, als zij een groepje wilden vormen en even staan wilden blijven om gephotographeerd te worden en gaarne voldeden zij aan ons verzoek. Het was een aardige groep, al die onvervalschte natuurkinderen, met lei en boeken gewapend en bijna allen pen of potlood in haar dik kroezige haren. Zij droegen allen, zoo te zeggen, een jurkje over het overigens bloote lichaampje.
Toen wij aan het chocolaadjes uitdeelen waren, kwamen van alle kanten moeders, met hare kleinen op den rug gebonden, een chocolaadje voor hare bébé vragen en spoedig waren wij met dat volkje in een interessant gesprek. De jonge meisjes moesten daarbij dikwijls voor tolk dienen, want het taaltje van de oudere dames konden wij niet altijd verstaan. Het bleek meestal iets goedigs of vriendelijks te zijn, wat zij ons te zeggen hadden, en zij wilden weten van welk land wij kwamen.
Onderwijl wij ons met dat groepje onderhielden en eenige aardige photographische opnamen maakten, kwam een jonge man, netjes uitgedost, uit een der huisjes loopen en bleef schuchter op eenigen afstand van ons staan. Hij droeg geel lederen schoenen, een nauwen grijzen pantalon, dien hij met een paar knippen, zooals de heeren voor fietsrijden gebruiken, nog nauwer om de enkels had gemaakt. De pantalon werd met een damesceintuur om het midden opgehouden. Een bruin open jasje, een bont gekleurde cachenez en een grijze vilten hoed voltooiden dat toilet. O neen, hij balanceerde nog heel gracieus met een spiksplinternieuw wandelstokje; het geheele overige toilet droeg de sporen van kersvers uit een uitdragerswinkel gekomen te zijn. Hij riep ons iets toe, wat wij niet verstonden; daarop vroegen wij hem naderbij te komen en toen kwam het vriendelijk verzoek of Missus hem nemen wilde in dat ding, (hij wees op de camera), hij had voor ’t eerst een nieuw pak aan, gekocht van het geld, dat hij, ik weet niet waar, in een mijn had verdiend. Mevr. B. besloot direct aan dat onschuldig verzoek te voldoen en vertelde hem op welken afstand hij moest gaan staan. Toen kreeg hij vertrouwen in ons en vroeg ons raad, “of ’t mooier zou zijn als zijn jasje toegeknoopt of open stond, hoe hij den cachenez moest dragen en hoe zijn hoed moest zitten.” Toen wij hem eindelijk met zijn toilet in ’t reine hadden gebracht, was hij nog niet zeker hoe hij zijn stokje moest houden en hoe hij zijn gezicht moest trekken. Bij dat alles behielden wij beiden met groote moeite den noodigen ernst, maar toen intusschen nog een andere jonge man uit een ander hutje was komen aanloopen, met een oranje en rood gestreepte reisdeken om de schouders geknoopt, ons zeggende, dat hij vandaag voor ’t eerst een doek droeg, die hij voor zijn eigen verdiend geld gekocht had en daarmede nu zoo graag door Missus genomen wilde worden, konden wij den ernst toch moeilijk bewaren. Ook aan zijn dringende bede werd voldaan en nu kwam het aardigste. Beide mannen vroegen ons waar de Missus woonden en wanneer zij hun prent konden halen. Wij vertelden hun, dat wij elk een prent zouden sturen, als zij ons nauwkeurig hun adres opgaven.
Zoeloevrouwen dragen bier naar een bruiloft.
Met een potlood en op een stukje afgescheurd papier van een brief, in de negertaal geschreven, schreven de heeren Carrington Marrah en Jesetbelo hunne adressen en stelden ons die ter hand. Toen vroegen zij of zij niet vooruit moesten betalen, zij wilden dat gaarne doen en of wij anders goed ons adres wilden opgeven, opdat zij het geld konden sturen. Zij waren ten hoogste verbaasd, dat zij er niets voor hadden te betalen, en geloofden maar half, dat wij het met de toezending eerlijk meenden. Mevrouw B. vertelde hun toen nog eens, dat zij over eenige dagen beslist hun portret zouden ontvangen, en dat zij dan alleen aan het hun dan op te geven adres een bedankbrief moesten zenden.
Dat beloofden zij herhaaldelijk en met oogen, schitterende van trots en inwendige vreugde, namen deze zwarte broeders afscheid van ons en wij verlieten daarna deze voor ons hoogst interessante buurt.
Dienzelfden Vrijdagavond, den 2en September, woonden mevrouw B. en ik eene bijeenkomst bij, die meer dan iets anders ons den geest en het karakter van de Afrikaander bevolking van Oranje Vrijstaat deed kennen; een bijeenkomst, die in elk opzicht karakteristiek was, ons een inzicht gaf hoezeer de Afrikaanders hunne groote mannen weten te eeren en hoe diep de angel nog zit, hun door den oorlog in het vleesch geboord. Het was eene openlijke hulde van de Oranje Vrijstaatsche bevolking aan generaal Hertzog gebracht.
Het geval, in ’t kort weergegeven, is deze: Sedert 2½ jaar bestaat in geheel Zuid-Afrika een wet, die de Engelsche en Hollandsche taal op één lijn plaatst en waarbij het onderricht in beide talen op de scholen verplichtend is gesteld. Elk kind van Afrikaanders kan tot op zekere hoogte van het onderwijs alleen in “de taal” onderricht worden en is daarna verplicht Engelsch te leeren, terwijl elk kind van Engelsche ouders tot op diezelfde hoogte in het Engelsch onderwezen kan worden en daarna verplicht is “de taal” te leeren. Deze wet is in hoofdzaak aan de bemoeiing van generaal Hertzog te danken. Nu schijnen eenige Engelsche schoolinspecteurs niet erg de hand aan die wet gehouden te hebben en zij zijn dientengevolge ook door toedoen van Hertzog ontslagen. Misschien hadden die heeren nog meer op hun geweten, wat echter niet bewezen kan worden. Generaal Hertzog heeft zich nu echter in een openbare bijeenkomst zeer onvoorzichtig over die heeren uitgelaten, met te zeggen: “Als hij alles zeide wat hij wist, dan zou hij hen voor altoos tot schande maken.” De inspecteurs hebben daarop generaal Hertzog aangeklaagd voor laster, en hij zal ongetwijfeld veroordeeld worden, omdat hij niet kan waar maken wat hij geïnsinueerd heeft. Iedereen gelooft, dat hij gelijk heeft, maar aangezien men niet alles kan zeggen wat men weet, omdat de bewijzen niet zijn bij te brengen, ware het beter geweest, dat hij die woorden niet gebezigd had. Deze zaak is nu voor het gerechtshof aanhangig en de Afrikaanders wilden den geliefden generaal een bewijs van instemming met zijn woorden geven, hem openlijk toonen, dat, mocht hij veroordeeld worden, de Afrikaander bevolking hem blijft eeren en hoogachten en daarvoor was deze samenkomst georganiseerd.
Oud-Hollandsche woning in Zuid-Afrika.
President Steijn en mevrouw Steijn traden ’s avonds als gastheer en gastvrouw op en aan hen werden alle binnenkomenden voorgesteld, of wanneer het oude bekenden waren, en dat was meestal het geval, dan werd hun ouden president en zijn vrouw hartelijk de hand gedrukt. Toen mevrouw B. en ik werden voorgesteld, verwelkomden hij en zijn vrouw ons hartelijk in Oranje Vrijstaat en zeide, dat hij met onze komst zeer ingenomen was, omdat hij ’n groote voorstander van vrouwenkiesrecht, ook voor de Zuid-Afrikaansche vrouw, is. Daarop zeide hij tot zijne vrouw: “Houdt dr. Jacobs daar naast u en stel al onze bekende helden uit den oorlog aan haar voor.” Toen had ik het voorrecht achtereenvolgens de hand te mogen drukken en een paar vriendelijke woorden te mogen opvangen van zoovele helden, die in den Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo moedig hebben gestreden en wier namen mij van uit dien tijd familiaar in de ooren klonken.
Toen eindelijk generaal Hertzog verscheen, ging ’n lang en oorverdoovend applaus in de zaal op en onmiddellijk volgden de heer en mevrouw Steijn hun grooten vriend. Toen zij op de tribune hadden plaats genomen en aan het applaus een einde kwam, zond president Steijn den heer Wessels, zoon van den ons allen bekenden Wessels, naar de zaal, om den burgemeester van Bloemfontein, de heer Ehrlich, te verzoeken, met mij op de tribune plaats te nemen, en daarna werden ook mevrouw B. en de dames, die ons gebracht hadden, verzocht daar te komen.
Ik werd nu eerst aan generaal Hertzog voorgesteld, met wien ik eenigen tijd kon praten. Ook hij is een groot voorstander van vrouwenkiesrecht en vertelde mij, dat hij het steeds in zijn toespraken tot het volk inlaschte, omdat hij meende, dat in Zuid-Afrika de vrouwen, meer nog dan de mannen, aan het denkbeeld moeten worden gewend, dat de vrouwen ook door het uitoefenen van politieke functiën den staat moeten dienen. Ook hij had reeds van ons bezoek aan Zuid-Afrika gehoord en was met onze komst zeer ingenomen. In Johannesburg, waar wij hem weder zullen ontmoeten, hoopt hij aan onze vergaderingen deel te nemen.
Ik had nu van de tribune af een mooi overzicht over de stampvolle zaal, die, zooals mij medegedeeld werd, tweeduizend menschen kon bevatten. Mannen en vrouwen uit alle rangen en standen waren daar bijeen, vele boeren hadden met hun vrouwen een langen afstand per wagen afgelegd, om toch dien avond van hun Afrikaander gezindheid te doen blijken. Ja, zelfs waren er vele van deze vrouwen met haar bébé’s op den schoot, wien dan de weinige stoelen, die in de zaal waren, werden aangeboden, om zittende beter het kindje te kunnen dragen. Alle anderen stonden, kop aan kop, in de met bloemen en guirlandes versierde zaal.
Wat zag ik onder die allen vele gezichten, die mij de vroegere type van onze oude boeren te binnen riep. Wat een aantal mannen met lange baarden of met den ouderwetschen ringbaard waren daarbij. En die allen spraken “de taal”, die langzaam gesproken, woordelijk door mij verstaan kon worden; doch, wanneer zij onder elkaar snel spraken, mij een geheel vreemde taal scheen.
Nadat door een koor van heeren en dames ’t bekende lied “Vaderlandsliefde” gezongen was, waarin uiteengezet wordt, dat alleen hij, die zijn land en volk mint en boven alles stelt een groot man kan zijn, stond president Steijn op en sprak de aanwezigen toe. Hij moest een oogenblik wachten alvorens hij kon beginnen te spreken, zoo lang en warm werd hij toegejuicht. Het was duidelijk, dat deze groote man een groote plaats in de harten van zijn volk inneemt. Hij begon zijn ernstige speech met een echt Afrikaander aardigheidje. Hij zeide, dat, wanneer een Kaffer-boy erg zijn best doet en de tevredenheid van zijn baas verwerft, de baas hem dan ’s avonds dikwijls tracteert op “een pruimpie en een soopie”. Hij meende, dat de Oranje Vrijstaters dien avond ook bijeen gekomen waren, om hun boy, generaal Hertzog, hun tevredenheid met de uitoefening van zijn taak te toonen en hem op hun wijze “een pruimpie en een soopie” aanboden. Daarna zette hij het werk van generaal Hertzog uiteen, wat hij eerst in den oorlog en later in de regeering van de Zuid-Afrikaansche Unie voor zijn volk gedaan heeft, en hoe hij in elke hoedanigheid, die hij bekleedt, steeds de liefde voor zijn volk toonde en de Afrikaander-belangen boven alles stelde. Aan het einde van zijn toespraak zeide hij, dat hij zijn volk er op moest wijzen te trachten, de nieuwe omstandigheden, waaronder zij te leven hebben, moedig onder de oogen te zien, de belangen van geheel Zuid-Afrika steeds het hoogst te stellen en niet te vergeten, dat hoewel hun in dien moeilijken tijd veel is wedervaren, er toch ook veel goeds uit is voortgevloeid.
Toen hij geëindigd had en weer was gaan zitten, begon opeens spontaan de talrijke menigte het oude Oranje Vrijstaatsche volkslied te zingen, waarbij niet alleen tal van mannen en vrouwen in de zaal een traan uit het oog wegpinkten, maar dat ook den president Steijn zichtbaar weemoedig stemde.
Toen las de jonge dr. Pretorius, die de leiding van dien avond in handen had, een veertig telegrammen voor, genomen uit meer dan honderd, alle van mannen en vrouwen uit verschillende steden van de Zuid-Afrikaansche Unie, die het betreurden niet tegenwoordig te kunnen zijn, doch die per telegram toch van hunne sympathieke gevoelens wilden blijk geven. Hiervan waren sommige heel geestig gesteld en brachten veel vroolijkheid teweeg. Daarna las de heer Wessels een adres voor, onderteekend door twaalfduizend “burgers en burgeressen” (zooals de heer Wessels zich uitdrukte) van Oranje Vrijstaat, dat alles in een album, dat aan generaal Hertzog werd ter hand gesteld, was saamgebonden.
Dit adres, dat te lang is hier in z’n geheel te worden vermeld, gaf niet alleen den waren geest weder, die de mannen en vrouwen hier bezielt maar sprak meteen van de hooge gevoelens van liefde, eerbied en achting voor de groote mannen van Zuid-Afrika en bovenal voor generaal Hertzog.
Daarna stond Hertzog zelf op en sprak hij de aanwezigen toe. Ook hij werd hartelijk en langdurig toegejuicht en toen hij zijn speech, die van vaderlandsliefde tintelde, geëindigd had, viel onmiddellijk het koor weder in en zong het Zuid-Afrikaansche volkslied.
Toen was het tijd voor een gezellig samenzijn. Mij viel de groote eer tebeurt aan den arm van president Steijn, mevrouw Steijn volgde met generaal Hertzog, en mevrouw B. met den burgemeester, naar een andere zaal geleid te worden, waar ons met eenige groote mannen en vrouwen uit de aanwezigen een banquet werd aangeboden. De overige aanwezigen ontvingen ververschingen in de zaal. Al de gerechten en dranken, en ook de bloemversieringen in de zaal, waren door de Bloemfonteinsche vrouwen persoonlijk gemaakt en aangebracht, en door Bloemfonteinsche jonge meisjes werden wij bediend.
Zaterdagmiddag had om drie uur de eerste van onze vergaderingen plaats, ten huize van de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging. De aanwezigen waren allen genoodigden en bij de uitnoodiging was medegedeeld, dat ik dien middag in het Hollandsch over vrouwenkiesrecht zou spreken. Ik had dan ook dien dag alleen het woord en tevens het succes, dat vele aanwezigen zich na afloop van mijn toespraak als lid der bestaande vereeniging opgaven en beloofden Maandagavond op de openbare vergadering, waar mrs. Catt en ik samen zullen spreken, tegenwoordig te zullen zijn.
Des Zondags waren wij allen de gasten van den burgemeester van Bloemfontein, die ons op zijne uitgestrekte farm een mooi tuinfeest aanbood. Deze farm is ongeveer op een afstand van een uur rijden buiten Bloemfontein gelegen en gaf ons een goed idee van de grootte van zulke ouderwetsche hoeven, van de tallooze koeien, paarden en ander gedierte, dat daar leeft en van de vele Kaffer-bedienden, die er gehouden worden, en haast een klein dorpje op zichzelf, rondom de hoeve, vormen. Even vriendelijk als men ons per rijtuig had afgehaald, bracht men ons ’s avonds weder naar Bloemfontein terug. Wij hadden dien dag weer met tal van Bloemfonteinsche inwoners kennis gemaakt.
Maandagmorgen om twee uur werd ons door een vijftigtal van de voornaamste dames van Bloemfontein een lunch aangeboden, die ons van den goeden smaak en de vriendelijke gevoelens van deze vrouwen overtuigde. Vele van die vrouwen brachten ons onmiddellijk op de hoogte, dat zij geen voorstandsters van vrouwenkiesrecht waren, doch dat zij niettemin blijk wilden geven van haar dankbare gevoelens tegenover ons, die hier waren gekomen om haar vatbaar te maken voor datgene, dat, naar onze opvatting, in haar belang en dat van haar land zou zijn. Na deze inleiding vonden mrs. Catt en ik het noodig, om ook aan deze lunch ieder een korte rede te houden om deze vrouwen te trachten te overtuigen, dat zij dwaalden, en het gelukte ons, velen van haar inderdaad van die dwaling te overtuigen.
Maandagavond om acht uur was de groote stedelijke zaal reeds van onder en boven en in de deurgangen en overal, waar nog een man of vrouw ’n plekje kon vinden, om den voet te zetten, gevuld, toen wij, door den burgemeester voorafgegaan, de zaal binnentraden. De burgemeester presideerde die vergadering en op de tribune hadden naast ons de vrouw van den gouverneur en eenige andere vrouwen van positie plaats genomen. Ik sprak weder eerst een half uur in het Hollandsch, daarna mrs. Catt een uur in het Engelsch. Men applaudiseerde herhaaldelijk onder onze speech en aan het eind werden wij langdurig toegejuicht. Toen de burgemeester eindelijk, nadat er weder kalmte was gekomen, opstond en vroeg of er iemand van de aanwezigen was, die een woord van dank aan de spreeksters wilde brengen, stond het hoofd van de politie, de heer Du Toit, op, kwam op de tribune en sprak eerst in het Hollandsch en daarna in het Engelsch, niet alleen een woord van dank uit, maar lichtte onze toespraak met enkele voorbeelden uit zijne ondervinding in kwaliteit als hoofd der Bloemfonteinsche politie toe. Daarna stond een tweede heer uit de menigte op, om ook nog een woord van dank te uiten voor onze voorlichting, niet alleen voor de vrouwen, maar ook voor de mannen, in deze belangrijke kwestie. Niet alleen werd de vereeniging voor vrouwenkiesrecht in Bloemfontein dien avond vele leden rijker, maar het bestuur vertelde ons, dat zij krachtiger dan tevoren zullen werken om ’t enthousiasme, voor deze zaak door ons gewekt, vruchtbaar te maken.
Dinsdagmorgen waren wij alle vier genoodigd, om de lunch te komen gebruiken op “Onze Rust”, de hoeve van president en mevrouw Steijn. Toen mevrouw Steijn mij reeds Vrijdagavond die uitnoodiging gaf, vroeg ik haar, om dan dien dag geen andere gasten te noodigen, zoodat wij van het samenzijn met haar en haar man konden genieten. “Onze Rust” is op 12 mijlen afstand van Bloemfontein gelegen, die per auto in een uur kunnen worden afgelegd. Precies twaalf uur stapten wij voor de woning van den ex-president van Oranje Vrijstaat af en werden op “de stoep”, zooals men de veranda voor het huis noemt, door den ex-president, zijn vrouw, de oude moeder van mevrouw Steijn en de twee oudste dochters welkom geheeten. Na ons van onze stofmantels, stofsluiers, etc. ontdaan te hebben, kwamen wij allen op de veranda bijeen en begon onmiddellijk een zeer levendig gesprek. Nadat de president ons eenige interessante bijzonderheden uit zijn leven, vooral ook met betrekking tot den oorlog, verteld had, begon mevrouw ons, op ons verzoek, haar leven en hare ondervinding uit den oorlogstijd te vertellen. Met spanning luisterden wij naar alles wat de moedige, verstandige vrouw in al die lange maanden van spanning door gemaakt heeft, en uit hetgeen wij hoorden, bleek ons nog eens opnieuw, hoe in dien oorlog, meer dan in eenig ander van de laatste eeuwen, de vrouwen de grootste wreedheden hebben moeten doorstaan, en de vijand de overmacht misbruikte, om op de arme achtergebleven vrouwen en kinderen zijn verliezen te wreken, of wel door de behandeling hun aangedaan, den mannen eerder tot overgave te dwingen.
Groote schuur. Rondebosch. Kaapstad.
Als eenmaal de geschiedenis van dien oorlog naar waarheid zal worden geboekstaafd, dan zal het blijken, dat naast zoovele helden, even zoovele heldinnen te vermelden zijn. Dat dit door de Afrikaansche mannen sterk gevoeld wordt, blijkt uit het feit, dat op initiatief van president Steijn er een nationaal vrouwenmonument in Zuid-Afrika zal worden opgericht, dat gewijd zal worden aan de nagedachtenis van de moedige vrouwen, die in den Zuid-Afrikaanschen oorlog het leven lieten. De 12.000 pond, die daarvoor benoodigd zijn, zijn grootendeels bijeen, het stuk grond, waarop ’t verrijzen zal, is reeds aangewezen en de Afrikaansche beeldhouwer Van Wouw reeds naar Rome vertrokken, om daar het werk te volbrengen.
Tot vier uur ’s middags bleven wij in dit vriendelijk en harmonisch gezin, waarvan man en vrouw evenzeer te bewonderen en lief te hebben zijn. Niet alleen vonden wij in dien gastheer en gastvrouw warme voorstanders van vrouwenkiesrecht, en waren ook de beide dochters en de oude mama oprechte geestverwanten, maar zelfs het dertienjarig jongste dochtertje, dat de Oranje-school bezoekt en aldaar intern is, bleek een jonge geestverwante te zijn. Mama had geschreven, dat zij den dag van onze komst tehuis zou komen, doch daaraan kon zij niet voldoen, omdat zij geen verlof kon krijgen, maar nu had zij een brief geschreven, waarin zij haar leedwezen uitdrukte ons niet te kunnen ontmoeten, en dat in zulke warme, goed gekozen bewoordingen, dat mama den lust niet kon weerstaan, ons den brief voor te lezen. Het was waarlijk de degelijkste en flinkste brief, dien ik ooit van een zoo jong meisje onder de oogen heb gehad. Zij beloofde daarin niet te zullen rusten, alvorens de mannen haar ook als burgeres zullen weten te respecteeren, door haar de rechten te geven, die haar als zoodanig toekomen.
Woensdagmorgen vertrokken wij naar Kimberley, om daar dienzelfden avond nog eene meeting te houden. In Kimberley zijn wij weder in de Kaapkolonie, waar wij niet alleen bijna uitsluitend Engelschen ontmoeten, maar waar met Cecil Rhodes openlijk gedweept wordt. Ons program voor hier is: twee openbare vergaderingen, een bezoek aan een diamantmijn, een rit door de stad, een motortocht met den burgemeester als gastheer, een afternoon tea, een gardenparty en waarschijnlijk nog een openbaar debat van mrs. Catt met een tegenstander van vrouwenkiesrecht. Bovendien heb ik hier nog een toespraak te houden tot de Christelijke vrouwen, die voor zedelijke verheffing werken. Dit is een uitgebreide vrouwenvereeniging, die over heel Zuid-Afrika haar vertakkingen heeft. Nadat ik in Kaapstad voor die vereeniging gesproken had, heeft de presidente van daar aan alle afdeelingen, waar wij komen, geschreven, en zal ik nog wel overal door deze vrouwen worden aangezocht, om voor haar te spreken. De dagen, die wij in Kimberley doorbrengen, zijn dus weer geheel gevuld.
Kimberley is een eigenaardige stad, men riekt er de diamanten, zoo te zeggen. Niettegenstaande de aanleg van de stad eene zeer mooie is—ruime, breede straten, mooie alleeën, smaakvolle villa’s, één prachtig hotel en vele kleine hotels, smaakvol uitgestalde winkels—zou ik er toch voor geen geld ter wereld willen wonen. Het is een parvenu-stad; met uiterlijken schijn steekt men elkaar de oogen uit en al wie met De Beer’s mijnen in connectie staan, voeren er het hoogste woord. Het heele stadje bestaat uit ongeveer 13.000 witte en 20.000 gekleurde bevolking, die voor het meerendeel in of door de diamantmijnen leven. Het peil van beschaving en van moraliteit is precies zoo hoog als in zulk eene omgeving te verwachten is.
Het was dan ook niet te verwonderen, dat wij in deze omgeving tal van tegenstanders voor onze zaak zouden vinden en wij hier eene moeilijke taak te vervullen hadden. Van Kimberley was dan ook indertijd het adres van de anti-kiesrechtsters uitgegaan, dat aan de regeering was aangeboden en waarin gevraagd werd het kiesrecht aan de vrouwen niet te verleenen.
Toch was de zaal geheel gevuld met belangstellenden, toen wij ’s avonds binnentraden. Hier ontmoetten wij voor het eerst een burgemeester, die een tegenstander was en zich dan ook had laten verontschuldigen, dat hij de openbare vergaderingen niet kon presideeren en niet tegenwoordig kon zijn. Dat was jammer, want daardoor misten wij de gelegenheid: hem van zijne dwaling te overtuigen.
Mrs. Catt en ik kwamen spoedig overeen, dat ik dien avond; slechts een paar woorden zou zeggen, en zij dien avond alleen, zou spreken, en dat in de volgende vergadering wij de rollen zouden omkeeren, opdat wij meer gelegenheid hadden, ons beiden goed uit te spreken. Prachtig begon mrs. Catt hare toespraak in te zetten met de vraag: “What is the matter with Kimberley?” Zij zeide, als er iets vreemds, iets bijna ongeloofwaardigs van een of ander persoon verteld wordt, men dan in Amerika die vraag doet, en dat zij diezelfde vraag omtrent Kimberley gedaan had, toen men haar had medegedeeld, dat die stad tegen vrouwenkiesrecht was. Zij was goed op dreef en sprak bijna anderhalf uur, tot aan het einde met de grootste aandacht gevolgd. Wat zag ik van de tribune af menig gezicht af en toe schaamrood worden, als de spreekster rake woorden aan de zoogenaamde “bourgeois satisfaits” richtte en er op wees, dat de vrouwen in de wereld nog hoogere belangen te behartigen hebben, dan het geld door den man verdient, in eigen kring op te gebruiken.
Men had ons verteld, dat “the Beers people”, zooals al die hooge ambtenaren genoemd worden, met hunne vrouwen tegenwoordig waren en onze vrienden vreesden, dat de spreekster, die door hare woorden bitter zou hebben gestemd. Doch blijkbaar was dat niet het geval, want den volgenden morgen kwam reeds vroeg de prachtige auto voor van den hoofdambtenaar van de mijnen om ons te vragen, daarvan dien dag gebruik te willen maken om de mijnen te zien en, voor zoover wij er verder van profiteeren wilden. Ook hoorden wij des middags, dat al die dames die eerst geweigerd hadden deel te nemen aan de “gardenpartij”, die ons Vrijdagmiddag werd aangeboden, aan het bestuur der vereeniging voor vrouwenkiesrecht gevraagd hebben, alsnog van de partij te mogen zijn, omdat zij zoo gaarne nader met ons in kennis wilden komen.
Mrs. Chapman Catt en Dr. Aletta H. Jacobs met vele der Zuid-Afrikaansche afgevaardigden voor de vergadering in Durban tot oprichting van de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zuid-Afrika.
Donderdagmorgen om half tien gingen wij dan reeds per auto uit om de diamantmijnen, met alles wat er mede verbonden is, te zien en kwamen eerst om twee uur in ons hotel terug. Overal werden wij verwacht en van het moment, dat de stukken steen uit de mijnen losgewerkt, naar boven gebracht, gewasschen, gesorteerd, etc., etc. worden, totdat de diamanten naar het syndicaat in Londen worden afgezonden, hebben wij alles gezien.
Ook, en dat is niet het minst interessante, hoe er gewerkt wordt door de arbeiders, welk werkvolk er wordt aangewend en hoe dat behandeld wordt.
Al het ondergeschikte werk geschiedt door kleurlingen, van welke een paar duizend dwangarbeiders zijn. Voor deze menschen ontvangt de Staat een shilling per dag en per persoon, terwijl de voeding en huisvesting door den werkgever moet geschieden. Door elkaar kost zoo’n dwangarbeider den diamantmijnen een gulden vijftig cent per dag. Die menschen moeten daarvoor twaalf uur werken en zijn in hun vrijen tijd in een soort gevangenis ondergebracht, waar zij onder streng toezicht leven. Dat huis van bewaring hebben wij niet gezien. Die arme kerels dragen allen gevangeniskleeding, met een nummer op den rug.
De andere kleurling-arbeiders worden uit vrijwilligers gerecruteerd, die zich voor niet minder dan vier maanden moeten verbinden. In die vier maanden zijn zij hun vrijheid kwijt, zij mogen de poorten, rondom de mijnen, niet verlaten. Maar zij hebben er ruimte van beweging genoeg en verdienen een vrij hoog loon. Deze arbeiders werken in een 3-ploegenstelsel en lossen elkaar na 8 uur af. In die 8 uur verdienen zij van twee tot drie gulden daags. In de omheining, waarin deze kleurlingen wonen, het leven wat zij er leiden, de slaapgelegenheden, de winkels, waarin zij hunne benoodigdheden voor zeer lage prijzen kunnen koopen, het hospitaal, de keuken enz. alles werd door ons bezichtigd en zag er buitengewoon goed onderhouden en zindelijk uit. Als deze werklieden willen, dan kunnen zij in de vier maanden, zoolang hun contract bindend is, een mooi sommetje over houden. De directeur, die ons rond geleidde, vertelde ons, dat het verdiende geld maar al te dikwijls moest dienst doen om een of ander stuk vee te koopen. Voor dat stuk vee werd dan later eene vrouw gekocht, die dan verder het werk moest verrichten. Het eerste wat een kaffer in den regel koopt, als hij wat geld over heeft gespaard is eene vrouw; niet om haar lief te hebben en met haar een gezin te vormen, maar om eene slavin te hebben, die voor hem kan werken.
Eene zuster, die tot de Engelsche Katholieke missie behoort, die ik in Bloemfontein bezocht, vertelde mij, dat in geheel onbeschaafden staat de Kaffer niet meer werkt, zoodra hij eene vrouw heeft. Werken is in zijn oog iets laags, dat men alleen doet, door honger of hooger macht gedreven. Zoodra hij eene vrouw heeft, is hij de hooger macht en dwingt zijne vrouw tot arbeid! Wij zagen dan ook in sommige plaatsen vrouwen in de laatste maanden van zwangerschap en met een klein kind op den rug gebonden, het zwaarste werk verrichten, terwijl de echtgenoot als een opzichter stond toe te zien. Zoodra nu de eerste zaden van christelijkheid beginnen te ontkiemen, dan begint de man weder te werken en brengt zijn verdiend geld tehuis, maar dan meent de vrouw niets meer te mogen doen en is met de grootste moeite er toe te brengen, haar beetje huiswerk te verrichten en voor den man het eten te koken. Den geheelen dag slingert zij dan, met haar kind op den rug gebonden, voor hare hut om in niets-doen. Eerst het volgend stadium doet haar begrijpen, dat ook zij een taak te vervullen heeft en zijn zij eenmaal zoover, dan vormen zulke menschen soms heel gelukkige gezinnen, die de kinderen naar school zenden en dan door de ontwikkeling der kinderen, zelven ook een hoogere ontwikkeling bereiken. In één van zulke gezinnen vonden wij zelfs eene vrouw met een Singer-naaimachine, bezig lakens te zoomen voor hare bedden.
Donderdagavond hadden wij de argumenten te weerleggen van eenige anti-vrouwenkiesrecht-heeren tegen de rede van Mrs. Catt ingebracht en werden daardoor enkelen overtuigd, dat hunne argumenten niet steekhoudend zijn. Velen hunner moesten toegeven, “dat hun hoofd overtuigd was, doch dat hun hart nog tegenstribbelde.”
Vrijdag was mijn zwaren dag. Reeds om elf uur moest ik weder spreken over “vrouwenkiesrecht in verband met openbare zedelijkheid” voor een veertigtal christelijke vrouwen, eene vergadering, die tot bijna één uur duurde; toen snel lunchen, want om twee uur kwam de burgemeester met zijne vrouw ons met twee auto’s afhalen om eene tocht naar en door Kenilworth te maken (een prachtige rit, doch alles vol Cecil Rhodes-verheerlijking) en om vier uur bracht hij ons naar het hotel Alexanderfontein, zes mijlen buiten de stad, alwaar de “garden-party” gegeven werd. Alles wat in Kimberley voornaam is, was daar bijeen. Wij moesten ieder een korte speech houden en met vele tegenstanders spreken. Om half zeven kwamen wij tehuis, doodvermoeid, juist nog tijd vindende om ons om te kleeden, te eten en naar de vergadering te gaan, alwaar ik, voornamelijk voor Hollandsch sprekenden, dien avond alleen het woord had. Mrs. Catt was zoo moe, dat zij tehuis moest blijven. Onze lezingen hebben een zoo gunstig resultaat gehad, dat wij met de stellige overtuiging Kimberley vanavond verlaten kunnen, dat van uit die stad nooit meer een anti-adres aan de regeering zal worden gezonden, als vrouwenkiesrecht weder in het parlement behandeld zal worden. De opstelsters en eerste onderteekenaarsters van dat adres zijn nu leden van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht.
Hedenmorgen hebben wij weer per auto een paar uren in de omgeving van Kimberley rondgedoold en toen onze koffers gepakt en nu zitten wij den tijd die ons rest, vóór ons vertrek van hier, met brievenschrijven te vullen.
Vanavond om acht uur reizen wij in eens door naar Victoria-Falls, het grootste wonder der wereld, zooals men zegt. Dit is een reis, die van Kimberley af nog drie nachten en twee dagen duurt en die ons dwars door Rhodesia voert, tot op betrekkelijk korten afstand van de Congo. Volgens ’t geen wij over deze reis gelezen en gehoord hebben, kunnen ons allerlei avonturen overkomen, en verkeeren wij daarover in groote spanning. Sedert wij Kaapstad verlaten en tot deze reis besloten hebben, hebben wij aan de voorbereiding tot deze reis reeds menig uur van groot vermaak te danken. Ieder die er geweest is, of het van hooren zeggen heeft, gaf ons goeden raad, hoe wij ons moesten kleeden, wat wij voor voorzorgsmaatregelen hebben te nemen voor nachtelijke overvallen van leeuwen en olifanten, en voor slangenbeten; welke boot wij over de Zambesie-rivier moesten gebruiken om niet door een hypopotamus omver gesmeten te worden, enz. enz. Hoewel men ons den raad gaf, niet veel bagage mede te nemen, omdat het goederenvervoer er zoo duur is, zouden wij toch, als wij alles medenamen wat men ons aanprees, met ons vieren zeker een scheepslading hebben.
Toch zijn er genoeg praeparatieven gemaakt en de wonderlijkste inkoopen gedaan. Een uitrusting van Tartarin de Tarascon haalt niet bij de uitstoffeering van mijn medereizigsters.
En met het toilet zijn de voorbereidselen niet voltooid. Men heeft ons gewaarschuwd, dat het water op reis niet te drinken is en men wilde zelfs, dat wij blazen gevuld met gesteriliseerd water, van hier zouden medenemen. Wij hebben er de voorkeur aan gegeven een mand met keukengereedschappen te koopen, waardoor wij onderweg het water en de melk kunnen koken, onze eigen koffie en thee kunnen zetten en voor een deel voor ons voedsel kunnen zorgen. Ieder heeft voor eigen beddegoed en handdoeken te zorgen en een groote mand met fruit is voor allen te zamen gekocht. Sinaasappelen, mandarijnen, bananen, ananassen en appelen vullen een flinke aardappelmand, die mede in de wagen moet worden genomen. Doozen met chocolade en andere zoetigheden, voor een deel ons geoffreerd, voor een ander deel aangekocht, voltooien onzen proviandvoorraad. Mocht het nu blijken, dat wij van al die dingen niets noodig hebben, dan hebben wij van de voorbereiding en met het aankoopen toch reeds de noodige pret gehad.
Dat wij Kimberley over een paar uur verlaten, spijt ons geen van allen. Wel hebben wij hier zeer nuttig werk verricht en goede resultaten gehad en waren de menschen zeer voorkomend, maar ’t is niet alleen de zwaveldamp, die uit de mijnen opstijgt, die de lucht hier verontreinigt, het is iets anders, dat men voelt, niet ziet, doch dat onaangenaam aandoet. Niet alleen de geheele stad, maar ook de grond ongeveer 10 mijlen rondom Kimberley behoort aan de Beer’s maatschappij. Men leeft er geheel onder den indruk van diamantkoningen. Alles wat die grond nog ooit zal produceeren, eigenen zich de aandeelhouders van die maatschappij toe. Hier hapert iets in onze menschelijke verhoudingen en rechten.
Ik kon hier de gedachte niet onderdrukken, dat Kimberley de tweede stad in Zuid-Afrika is, waar wij aankomen, die geheel leeft en geheel bestaan kan van de ijdelheid der vrouwen. Als eens de vrouwen verstandiger worden en zich niet meer sieren met struisveeren en diamanten, dan is het met Port-Elisabeth en Kimberley gedaan. Wat zou er dan zelfs van geheel Zuid-Afrika worden, als deze twee producten,—voor zoover wij nu door Zuid-Afrika gekomen zijn, de eenige werkelijke Zuid-Afrika-producten,—eens geene marktwaarde meer bezitten? Dan zou in Zuid-Afrika weder een landbouwende bevolking de boventoon voeren, wat voor het land en de bewoners, naar het mij voorkomt, verreweg het beste zou zijn. In Port-Elisabeth werd ons gezegd, dat meer dan de helft van alle struisveeren door Amerikaansche handelaren wordt opgekocht, hier in Kimberley vernamen wij, dat tweederde van alle opgedolven diamanten naar Amerika gaan. Dat geeft te denken. Onze Amerikaansche reisgezellinnen zijn er volstrekt niet trotsch op, dat het land harer geboorte in dit opzicht bovenaan staat.