In den trein door Rhodesia en aankomst in Zambesie.

Rhodesia, het grondgebied dat zijn naam ontleent aan zijn stichter Cecil Rhodes, grenst ten zuiden aan de Transvaal, ten oosten en westen aan Portugeesch Oost- en West-Afrika en ten noorden aan den Congo en Duitsch-Oost-Afrika. Door de rivier Zambesie is het in twee deelen verdeeld, het eerste Zuid-Rhodesia en het tweede Noord-Oost en Noord-West-Rhodesia. Het grondgebied van geheel Rhodesia is grooter dan dat van geheel Duitschland en Oostenrijk-Hongarije te zamen.

Dit grondgebied behoort niet tot de Unie van Zuid-Afrika. Het behoort aan eene Engelsche maatschappij, die er alleenheerschappij voert. Deze maatschappij heeft het indertijd, toen de Zuid-Afrikaansche Unie gevormd werd, voor vijf en twintig honderd duizend pond aan de Unie aangeboden, welk aanbod echter niet door de Unie werd aanvaard. Het heeft nu zijn eigen wetten en staatsregeling.

Drie keer in de week gaat er een trein van Kaapstad naar Bulawayo, de hoofdstad van Rhodesia, en verder naar de Victoria Falls, in Zambesie, en naar Livingstone, en vandaar neemt de Mashonaland-spoorweg de lijn over om de passagiers in nog eens vier en twintig uur naar den Congo te brengen.

In Kimberley, alwaar wij Zaterdagavond in den trein kwamen, neemt de Rhodesia-spoorweglijn de taak van de Kaapkolonie-lijn over. De treinen zijn comfortabel ingericht en voorzoover doenlijk op deze stoffige lijn, wordt er de noodige zindelijkheid betracht.

Toen wij Zaterdagavond in den trein kwamen, hadden wij een vrij vermoeienden dag achter ons en begaven ons dus weldra ter ruste. Wij wisten, dat wij den volgenden morgen om zeven uur in Mafeking zouden aankomen en daar ongeveer een half uur zouden stoppen. Wij wilden zorgen dan gereed te zijn om even een kijkje in Mafeking te kunnen nemen, de stad ons allen uit den Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo goed bekend, door zijne belegering en de rol door Baden-Powell aldaar gespeeld. Wij hadden daarvan in Kimberley zooveel hooren vertellen, ook natuurlijk van de bezetting van Kimberley. Het was voor ons heel interessant dezelfde toestanden en omstandigheden het eene oogenblik te hooren vertellen door de Britsch-gezinden, het andere oogenblik door de Afrikaanders. Hoe gevoelig zijn zij nog van beide zijden over de gebeurtenissen in Kimberley en wat willen de Engelschen gaarne allen lof aan Rhodes schenken, die hen gedurende de dagen van bezetting zoo in elk opzicht schijnt te hebben geholpen, terwijl de Afrikaanders juist aan zijn verderfelijken invloed hun val toeschrijven.

Maar over één punt zijn de Britten niet goed te spreken. Wil men met hen op goeden voet blijven, dan doet men goed het gesprek over “de concentratiekampen” te mijden. Dat is hun wondeplek. Wel is waar hebben zij er op gevonden, dat die waren opgericht om de vrouwen daarin te beschermen, maar zoodra zij met goed ingelichten te doen hebben en dat voorwendsel niet goed kunnen volhouden, dan worden zij boos en als zij beleefd zijn, vragen zij het onderwerp liever te laten rusten.

Toen wij Zondagmorgen een eindje buiten het station een kijkje in Mafeking namen, zagen wij natuurlijk niets bijzonders en niets dat ons nog aan den oorlog herinnerde. Wij kwamen daarom ook in den trein terug met geen ander gevoel, dan dat wij tegenover deze stad onzen plicht gedaan hadden, door zoo vroeg gereed te zijn en er even onze opwachting te maken.

Reeds spoedig merkten wij dien Zondag, dat wij steeds meer den equator naderden, de hitte in den trein was bijna onuitstaanbaar en voor de witte, roode en grijze stof, die in dikke rookwolken langs den weg opstoof, moesten wij zooveel mogelijk de raampjes gesloten houden. Dikwijls zuchtten wij elkander dien dag toe, dat de Victoria Falls al buitengewoon imposant moesten zijn om ons te vergoeden wat wij dien dag door de warmte en stof leden.

Toch was de reis hoogst belangwekkend. Wel is waar was het landschap eentonig door zijn altijddurende woestenij, met slechts weinige lage bergen op den achtergrond en zagen wij geen enkelen olifant, leeuw, tijger, rhinoceros of ander wild gedierte, die daar toch in menigte zijn, maar wij zagen steeds meer, bij elke halte, de inboorlingen in hun natuurlijken staat, nog zeer weinig door aanraking met de blanke bevolking bedorven en zoogenaamd beschaafd. Zij kwamen bij elke halte in groote groepen aan den trein, om vruchten, melk of eieren of wel de door hen vervaardigde nijverheidsproducten te koop aan te bieden. Deze laatste gaven ons geen groot denkbeeld van hun ontwikkelingsstaat en ook hunne uitrusting plaatste hen niet op een hooge trap van beschaving. De kinderen liepen geheel naakt rond en de grootere menschen waren dikwijls alleen gekleed met een leeren vijgeblaadje en eenige strengen koralen of koperen ringen, om verschillende deelen van het lichaam gewonden. Sommigen zagen er allerdwaast uit. Zoo liep een geheel naakte man met een oude heerensmoking om zijn naakte schouders, een ander had alleen een oud heerenvest aan, een ander jong mensch had een streng blauwe koralen om zijn hals, een blauw en geel gestreept jersey, zonder mouwen, om zijn body en een paar gele leeren beenbekleedsels van den een of anderen cavalerist om zijn beenen. Alle mannen en vrouwen droegen evenwel het een of ander om hun middel, om zedelijk voor den dag te komen. Met zekerheid kan ik verklaren, dat ik in mijn leven niet zooveel verscheidenheid van toiletten heb aanschouwd, dan den Zondag in den trein door Zuid-Rhodesia.

Hadden wij den heelen dag geen avontuurtje gehad, des avonds zouden wij toch iets hebben. De gloeiende heete zon had mijlen ver al het uitgedroogde gras, alle boomstronken en zelfs de hooge boomen op den achtergrond in brand gezet en tot wij ten slotte ons te slapen legden, gerustgesteld door den hoofdconducteur, dat er geen gevaar was, gingen wij aan beide zijden door een vuurzee, die den geheelen weg stralend verlichtte. Het was soms alsof op geringen afstand een heele stad in brand stond en omdat wij wisten, dat er geen menschenlevens en geen groote waarde door verloren ging, konden wij ons gerust de weelde gunnen er met welgevallen naar te zien.

Gelukkig bracht de avond de gewenschte koelte en des nachts was de temperatuur onverbeterlijk. Daarbij volle maan en een heldere sterrenhemel, die het hoornvee in de weiden juist genoeg verlichtte, om ons in elke koe een olifant of een rhinoceros te doen zien.

Op den geheelen afstand tusschen Mafeking en Bulawayo passeerden wij geen enkel dorp waar andere blanke bevolking woonde dan die door de spoorwegmaatschappijen was aangesteld of een soort politie vormde, en zelfs deze laatste was in vele dorpen nog uit de zwarte bevolking gerecruteerd. Men moet zoo’n zwarten politieman zien met bloote beenen in een kort khakibroekje, een los jasje aan en een zweepje in de hand (dat is zijn wapen) en dan een vilten hoedje op den zwarten kop, op en neer langs den stilstaanden trein loopen en al zijne zwarte medeburgers, die naar zijne meening te dicht bij den trein komen, met een zweepslag terug dringen. De waardigheid in zijne houding en gelaatsuitdrukking, waarmede hij toont, dat hij zijn taak hoog opvat, is allergrappigst.

Maandagmorgen om 8 uur, wij waren juist gereed, kwam de conducteur ons mededeelen, dat wij in Bulawayo waren en daar tot twaalf uur zouden blijven. Wij konden het nauwelijks gelooven. Niets had ons eenigszins kunnen doen vermoeden, dat wij een stad naderden en nog wel de hoofdstad van zoo’n groot grondgebied. Wij waren nog steeds in een woestenij en het houten stationsgebouwtje leek ook niet op wat wij verwacht hadden. Toch waren wij in Bulawayo en wij volgden den raad van den conducteur, om onze bagage stil in den waggon te laten,—hij zou dien afsluiten en er toezicht op laten houden—om rustig de stad in te gaan. Onze introductiebrief doet nog steeds wonderen.

Buiten het station stonden enkele dos-à-dos en andere kleine wagentjes gereed om de reizigers stadwaarts te brengen, doch wat ons het meest aantrok, dat waren de vele rickshaw’s, voor één of twee passagiers bestemd, en met een kleurling als trekdier. Mrs. Catt en ik namen direct in een van deze voertuigjes plaats en onze beide andere medereizigsters volgden in een tweede. Dat was een nieuwe sensatie. Deze lichte wagentjes op caoutchouc wielen worden door kleurlingen zoo snel voortbewogen, dat een paard het bijna niet sneller doet. Die mannen springen meer vooruit dan dat zij loopen, en hun lichte tred voorkomt, dat er veel stof opwaait. Het heerschap, dat ons voertuig voortbewoog, droeg door elk oor een ongeveer tien centimeter lang houtje, waardoor het onderste oorlelletje sterk naar onder toe verlengd werd. Ringen van hoorn, koper en zilver droeg hij om zijn armen en beenen, en eenige strengen gekleurde koralen maakten zijn halsversierselen uit. Overigens had hij niet veel kleeren aan.

Wij stapten vóór ’t Grand Hotel uit om daar ons ontbijt te nemen en wilden dan verder de stad zien. Als men in aanmerking neemt, dat er nog niet zoo heel veel jaren verstreken zijn sedert Lobengula met zijn vele vrouwen hier den scepter voerde en op de plek, waar nu groote koopmanshuizen en betrekkelijk groote hotels staan, de maïs groeide voor het onderhoud van den machtigen monarch, dan is alleen van uit dat oogpunt de stad reeds het bezichtigen waard. Maar alles verkeert er nog in een stadium van wording; alle winkelhuizen en kantoren en hotels waren, als het ware, zoo op een plek in de woestenij neergeworpen en alleen hier en daar een blok winkelhuizen duidt aan dat Bulawayo weldra een stad zal worden. Toch is er reeds een interessant museum....pje, een openbare bibliotheek, een theater......tje, een clubgebouw, een park, dat echter nog groeien moet, de aanleg is er, en nog het een en ander meer, wat een stad rijk moet zijn. In het midden van de stad staat een zeer groot bronzen standbeeld van Cecil Rhodes, vanwaar hij, zooals men zegt, “de wereld inkijkt.” Hij staat daar met ongedekten hoofde, wat de bijgeloovige inboorlingen met vreeze heeft bezield, omdat zij meenen dat, zoolang Rhodes zonder hoofddeksel daar stond, Allah het niet zou laten regenen.

Wij hadden om twaalf uur van deze heete, stoffige stad genoeg gezien om ons plan op te geven hier op den terugweg eenige dagen over te blijven. Nog eens vier uren hier te vertoeven bij het teruggaan zal genoeg zijn om den indruk te vestigen, dat er eens in het midden van Rhodesia een groote stad zal verrezen zijn, waar men, de tropische hitte niet in aanmerking genomen, even genoegelijk en comfortabel zal kunnen leven, als in andere wereldsteden. Maar dat zal nog wel enkele jaren duren.

Om ruim twaalf uur zette onze trein zich weder in beweging, om ons nu regelrecht naar Zambesie te voeren, naar de plaats, waar zestig jaren geleden Livingstone de grootste watervallen van de wereld ontdekte. Het landschap veranderde nu een beetje. Er kwamen wat meer boomen op de geel verbrande grasvlakten. Hier en daar zagen wij wilde abrikoos- of perzikboomen in vollen bloei, mimosaboomen met bloemen, driemaal zoo groot als de gewone soort, wilde olijfboomen en nog tal van andere soort boomen, waarvan wij den naam niet kenden en de vruchten nooit gezien hadden. Ook daar weder overal inboorlingen aan den trein, die soms door hun woest geschreeuw ons reeds van verre verkondigden, dat wij in een kleurling-dorp aangekomen waren. De mandjes, lepeltjes, grillig gevormd aardewerk, stokken, etc., die zij te koop aanbieden, geven door hunne asymetrische lijnen en onregelmatige afwerking geen grooten dunk van hun ontwikkeling. Al deze inboorlingen behooren tot de Zambesie-, Matabele- of Barotsestammen. Ik zou wat gaarne eenigen tijd in deze buurten blijven om wat meer van deze volksstammen te weten te komen, maar dat zou veel te lang duren, want heel gauw vertrouwen deze menschen de witmenschen niet en zoo lang kunnen wij hier niet blijven, daarvoor zijn wij ook niet naar Zuid-Afrika gekomen.

Ook dien avond zagen wij weder, doch toen op grooteren afstand, groote boschbranden en vertelde men ons, dat die na zulke heete dagen bijna steeds voorkomen.

Dinsdagmorgen om 7 uur waren wij aan het doel van onze reis. Zambesie bestaat ook al weder uit niets anders dan het groote hotel, dat aan den Rhodesian Railway Co. behoort, eenige huizen van spoorwegemployé’s en verder kleurling-hutten. Men spreekt echter altijd van de Victoria Falls en die maken dan ook wel de aantrekking van deze plaats uit.

Een blanke man met een paar dozijn kleurlingen maakte zich spoedig meester van onze bagage en van die van andere gasten en toen ging het door het mulle, roode zand, naar het op vijf minuten afstand gelegen hotel. In minder dan geen tijd hadden wij allen onze bagage in onze kamers en konden wij een verfrisschend bad nemen. Het personeel in dit hotel bestaat uit niets dan kleurling-mannen, geen vrouw doet er eenig werk. In de eetzaal zijn het Indiërs, die in nette, witte kleeding rondloopen, maar onze kamermeisjes zijn naakte jongens, enkel met een zwembroekje gekleed. Het zijn echter voorbeeldige kamermeisjes, zoo netjes doen zij hun werk, alleen voor het vasthaken van een vanachter sluitende japon of blouse niet goed te gebruiken.

Nadat wij ons ontbijt genomen hadden, waren wij allen frisch genoeg om onzen eersten tocht naar de wereldberoemde watervallen te ondernemen; onze verwachting was te hoog gespannen dan dat wij daarmede tot des middags konden wachten.

14 Sept. 1911.

De Victoria Watervallen.

De naam van deze watervallen, die inderdaad eenig in hun soort zijn, is eigenlijk Mosioatunya, zooals de inboorlingen ze gedoopt hebben, en dat beteekent: “rook, die geluid geeft”. Deze naam ontleenen zij aan de vochtige wolken, die zij wijd en zijd om zich verspreiden en aan het geraas, dat de val van het water vergezelt. Zoowel voor mij, als voor de beide Amerikaansche reisgezellinnen, die de Niagara-watervallen kennen, boden toch deze watervallen eene verrassing. Zij zijn bijna twee keer zoo breed en twee en half maal zoo hoog als de Niagara-vallen. Zij beslaan ruim anderhalve kilometer lengte en vallen van een hoogte van bijna een honderd en vijftig meter naar beneden. Maar deze enorme breedte en deze vreeselijke hooge val geven alleen niet de schoonheid aan deze watervallen. Het is veel meer de buitengewoon woeste, schilderachtige omgeving, de damp of wolk, die door het uitspatten van het schuimend water veroorzaakt wordt en de verrassend schoone regenbogen die zij geven; dit en nog veel meer te zamen, doen den toeschouwer den adem inhouden en vol bewondering stil staan. Eene beschrijving van dit stuk natuurwerk waag ik niet te geven.

Nog is niet uitgemaakt of deze prachtige rivierbedding door den eeuwenlangen val van het water ontstaan is, of dat door eene aardbeving plotseling dit natuurwonder tot stand kwam. Voor dat Livingstone, November 1855, de Victoria-vallen ontdekte, toen hij de Zambesie-rivier opvoer, had men er niet van gehoord en eerst nadat Cecil Rhodes met zijn Chartered Company den spoorweg door Rhodesia liet aanleggen, werden zij voor gewone toeristen bereikbaar. Thans worden zij het geheele jaar door geregeld bezocht, door Afrikanen, Engelschen en zulk soort menschen als waartoe ons clubje van vier behoort.

Den eersten morgen deden wij niet veel meer dan de watervallen rondloopen en van alle kanten bezien. Telkens waren wij door het veranderde aspect opnieuw verrast. Ook wisten wij soms niet wat meer te bewonderen was, de vallen zelf, of wel de grootsche omgeving waarin zij zich bevinden. Toen wij tegen half twee terug kwamen, was het te heet geworden om dien dag nog meer te doen, alleen tegen den avond, bij ondergaande zon en opkomende maan gingen wij nog eens een kijkje nemen. Heel lang vertrouwden wij ons toen niet te blijven, want de wilde beesten, die nog altijd in deze omgeving huizen, blijven bij dag wel op den achtergrond, maar of zij ’s avonds niet eens een sprong naar een nieuwsgierig en indringerig witmensch zullen maken, durft men ons niet verzekeren.

Met een clubje van nog zes Engelschen—vier heeren en twee dames—huurden wij den volgenden dag het kleine electrische bootje af om een tocht op de Zambesie-rivier te maken en op een van de vele mooie eilandjes in deze rivier te picnikken. Van dezen tocht hadden wij ons veel voorgesteld en ik kan er direct bijvoegen, dat onze verwachting ruimschoots werd overtroffen. Buiten ons tiental waren er nog vijf man in het kleine bootje, de kapitein (een Engelschman), en vier zwartjes om voor onze lunch en bediening te zorgen.

Om tien uur staken wij van wal en om half een landden wij op een eiland met een onuitspreekbaren inlandschen naam, na twee en een half uur lang langs de schoonste, belangwekkendste en voor ons vreemdste oevers gevaren te zijn. Behalve hier en daar een paar inlanders zagen wij geen menschelijk wezen, doch een prachtige, weelderige plantengroei; de meest tropische boomen, die men zich denken kan, versierden de oevers van deze schoone rivier. Ook was het toeval ons gelukkig. Wel wisten wij, dat vele hypopotami dit water hier onveilig maken en menig keer de lichte kanoe’s van de inboorlingen omver werpen, door er even een van hunne breede pooten in te zetten, maar het gebeurde toch maar al te dikwijls, dat zij zich op een afstand houden als een electrisch bootje met eenig geraas zich door het water, wat zij hun gebied achten, voortbeweegt. Vele reizigers zijn dan ook reeds bevredigd als zij de voetsporen van zoo’n beest op het eiland ontdekken, waar zij landen. Zoowel op onze heenreis als op onzen terugtocht zagen wij echter de monsterbeesten op eenigen afstand zich in het water voortbewegen en hun afschuwelijk leelijken kop boven het water uitsteken. Ook zagen twee onzer medereizigers een groote krokodil op een der vele rotspunten, die wij bijna rakelings passeerden. Daar deze beesten de kleur van de rots hebben, waarop zij zich bevinden, is het niet gemakkelijk ze te ontdekken, en alleen, wanneer zij zich bewegen, bemerkt men, dat er zich een levend gedierte op het stuk steen bevindt.

Terwijl de inlandsche jongens bezig waren het water voor de koffie te koken en onze lunch bereidden, begaven wij ons met den kapitein, als gids, rond het eiland, om als volgelingen van Robinson Crusoë te ontdekken, wat er op dit eiland te ontdekken viel en te zien of er geen onraad was. Wild gedierte en slangen zagen wij er niet, maar de kapitein raadde ons toch, niet door het hooge gras te loopen en vooral de voetpaden te volgen, die door de hoteldirectie daar waren aangelegd. Overal vonden wij de nu leege holen, waar een hypo of ander wild gedierte zijn nachtleger maakt.

Wat echter in hooge mate onze belangstelling gaande maakte, dat waren de wonderlijkste vruchten en zaden, die wij er vonden. Jammer, dat noch de kapitein, noch iemand in het hotel ons ook maar bij benadering kon zeggen wat soort vruchten het waren en waarvoor zij door de inlanders gebruikt worden. De domheid op dit gebied maakte ons boos. Toen wij den directeur van het hotel, die hier reeds jaren woont, vroegen, welke vrucht dit was, een vrucht, met een bast als mahoniehout en nog veel harder, waarin prachtige, vuurrode boonen zich bevinden, die ook als steenen zoo hard zijn, antwoordde hij: “O, weet u, dat is een vrucht, die groeit hier in menigte aan boomen, die gij hier heel veel zult vinden.” Dat was al de wijsheid, die hij in al die jaren van de vruchten uit zijne omgeving had opgedaan.

Tot drie uur ’s middags amuseerden wij ons op dit belangrijk plekje grond, waar wij echter geen van allen een wandeling op eigen houtje durfden ondernemen, doch steeds in groepjes samenbleven. Toen aanvaardden wij den terugtocht. In mijne wakende droomen zie ik reeds over eenige eeuwen dit nog bijna onbewoonde gedeelte van het donker Zuid-Afrika door tallooze Europeanen bewoond en overal aan de oevers van de Zambesie-rivier villa’s, met prachtige tuinen, de plaats innemen, waar nu nog het wild gedierte alleen huist en er de menschen op den achtergrond houdt.

De inlanders, die wij op onzen terugtocht op de rivier ontmoetten, gebruiken nog de primitieve uitgeholden boomstam als kanoe, die zij met hun breede, korte roeispanen, waarmede zij als het ware het water wegslaan, pijlsnel voortbewegen.

Een heel interessanten dag brachten wij in “het regenwoud” door. Dit boschgedeelte ligt aan de overzijde van de watervallen en door den altijd-durenden val en ’t uiteenspatten van het water, waardoor op zeer grooten afstand steeds een fijne stofregen valt, verkeert dit woud in de gunstigste of ongunstigste omstandigheid om steeds beregend te worden. Daardoor zijn er eeuwig-groene boomen, doch alleen zulke boomen, die onder zulke omstandigheden kunnen groeien. Voor oudere dames is het beste zich voor een wandeling in dit interessante regenwoud in een Mackintosh-mantel, met capuchon, en een paar hooge laarzen, met overschoenen, te kleeden, maar ’t jongere volkje loopt er ’t aangenaamst in een badkostuum, sandalen en ’n gummikapje op het hoofd. Men wordt er door en door nat, maar het gezicht op de watervallen, de prachtige plantengroei, de vreemde bloemen en vruchten, houden den wandelaar onophoudelijk in spanning. De drie uren, die wij voor deze wandeling bestemd hadden, waren om nog eer een onzer er aan dacht.

Nog tal van kleine onderzoekingstochten naar verschillende andere eilandjes werden door ons ondernomen in de kleine kanoe’s der inlanders, doch wij waren voorzichtig genoeg, steeds een witmensch als gids mede te nemen en ons op de eilandjes door een paar inlanders vooraf te doen gaan. Telkens werden wij op zulke tochten verrast door ’t geen wij er aan vreemdsoortige planten en vruchten vonden, die geen onzer thuis kon brengen. Van wilde beesten zag ik niet anders dan drie wilde bokken—bush-buck—zooals de gids ze noemde, en een heele boom vol spelende aapjes. Natuurlijk ook allerlei soorten vreemde en bont gekleurde vogels.

Een avond, toen wij juist allen aan tafel wilden gaan, werden wij geroepen, dat er een heele groep oerang-oetangs in den tuin van het hotel aan het spelen waren, die echter door ’t naar buiten vliegen van de hotelgasten verschrikt geworden, hals over kop het hazenpad kozen.

De dagen, bij de Victoria-watervallen doorgebracht, waren voorzeker hoogst interessant, en ieder, die er geweest is, geeft toe, dat hij deze tocht niet gaarne uit zijn leven zou willen missen. Maar men moet er iets voor over hebben. Het is niet alleen de drie dagen lange benauwend heete reis, maar ook het verblijf aan de Zambesie is afmattend, tengevolge van de gloeiende hitte gedurende den dag en doordat men in de lange avonden en nachten, wanneer men een beetje van de hitte van den dag zou kunnen bekomen, binnenshuis moet blijven voor het gevaar dat de wilde beesten opleveren. Men bekomt er eigenlijk niet. Niemand rekt zijn verblijf er dan ook langer, uitgezonderd diegenen, die er juist voor de wilde beesten-jacht komen, dan noodig is, om alles goed in zich op te nemen. Twee keer in de week, des Dinsdags en Zaterdags, kan men er per trein weder vandaan.

Het is goed gezien, dat de treinen, die teruggaan, juist dat gedeelte van den weg bij dag doen, hetwelk bij de komende treinen bij nacht is afgelegd, zoodat de reizigers tenslotte de heele weg door Rhodesia overzien kunnen. Laat mij er direct bijvoegen, dat zij dan weten, dat heel Rhodesia, beneden de Zambesie-rivier, niets anders dan één groote, woeste vlakte is, bewoond voor het overgroote deel door inboorlingen, en dat het als het ware wacht op energieke blanken, om het tot ontginning te brengen.

Wij passeerden nu weder andere kafferdorpen, zooals men hier alle plaatsen noemt, waar de inboorlingen wat meer opeengehoopt wonen, en konden hun oorspronkelijke nijverheidsproducten bewonderen en koopen. In een dorp werden werkelijk goed gesneden, houten figuren aangeboden, die alle wilde beesten voorstelden. Giraffes, leeuwen, olifanten, aardvarkens—deze laatsten vooral waren uitstekend nagebootst en voor six pence te koop. Alles kostte eigenlijk six pence, dat is waarschijnlijk het eenige geldstuk dat zij kennen. Zij hadden ook menschen gemaakt. Mannen en vrouwen, allen naar eenzelfde model. Wat opvallend was, was het model, dat zij zich gekozen hadden. Niet zichzelf of gewone toeristen hadden zij nagebootst, maar alle manpoppen waren zendelingen in lange, zwarte soepjassen, witte beffen en uitgestreken gezichten, (met alle respect voor het misschien nuttige werk wat deze mannen daar hopelijk verrichten), en alle vrouwpoppen waren nonnen of zusters, die met de zendelingen daar werkzaam zijn, om van deze natuurmenschen Christenen te maken. Niets was aan deze poppen vergeten; wij moesten de opmerkingsgave, zoowel als de gave, om het geziene weer te geven, bewonderen.

Als men bedenkt, dat in heel het groote, uitgestrekte land Rhodesia thans slechts 17.000 blanken en meer dan 300.000 inboorlingen wonen, die tot verschillende stammen behooren, en allen nog onder hun eigen opperhoofd staan, dan begrijpt men, dat deze menschen, als zij zich hun macht bewust en niet zoo goedaardig van karakter waren, die weinige witmenschen niet zoo onderdanig zouden dienen. Nu maakt men mijnwerkers, huisbedienden, winkelknechten, etc. van hen en betaalt hen bijna niet, want, zoo heet de verontschuldiging, die menschen kennen geen behoeften en door ze meer te geven, zou men ze maar bederven.

Toen wij weder wat dichter de bewoonde wereld naderden, verloren de inboorlingen, die wij aan de stations zagen, voor ons alle bekoring. Zij waren nu weder, zoo te zeggen, gekleed, en “a dressed native is not nice”, zooals Mrs. Catt, daarbij de neus optrekkend, opmerkte. Onze mooie, slanke, naakte mannen en vrouwen, met hun glad gepolijste, ebbenhouten huid, alleen met koraalsnoeren gekleed, waren oneindig interessanter.

Ten langen laatste, na drie, bijna niet door te komen, nachten, en drie en een halven dag arriveerden wij in Pretoria, vier dagen vroeger dan men ons er verwacht had.

In Pretoria.

Nu moet ik beginnen met een bekentenis. Niettegenstaande al onze voorzorgen om niet ziek te worden, door al het water door ons gebruikt eerst zelf te koken, zelfs het water, dat wij ’s morgens gebruikten voor tanden en mond, nooit ongekookte melk te gebruiken en van de maaltijden alleen dat te nemen, wat wij als volkomen onschuldig beschouwden, was ik toch de eerste, die door een koortsbaccil geïnfecteerd werd en had ik den laatsten dag in Victoria Falls een vrij hevigen koortsaanval te doorstaan, gepaard met maag- en ingewandlijden. Het idée om in Zambesie ziek te liggen, waar alle comfort ontbrak en waar geen dokter te krijgen was, benauwde mij zoozeer, dat wij gebruik maakten van den eersten trein den besten, dat was die, welke den volgenden morgen van mijn ziek-zijn vertrok, om regelrecht door naar Pretoria te reizen. De zorg van de beambten van den trein en van den restauratiewagen gedurende deze reis kan ik slechts roemen, zij deden alles om de reis zoo min mogelijk vermoeiend voor mij te maken.

Wij kwamen nu bijna een week vroeger in Pretoria aan dan men ons daar verwacht had. Dit gaf mij gelegenheid om rustig uit te zieken, mijn medereizigsters om van de vermoeienissen en schrik, die zij door mijn plotseling ziek worden gehad hebben, te bekomen, maar het bracht onze goede gastvrouwen in Pretoria een beetje in de war met haar program. Zij hadden zich voorgenomen om ons aan het station te komen begroeten, de beide dochtertjes van Lady van Boeschoten, de vrouw van den burgemeester van Pretoria, zouden ons daar bouquetten aangeboden hebben, een toespraak en zang van een koor jonge meisjes zouden wij in ontvangst hebben te nemen en dien dag zouden wij de gast geweest zijn van den heer en mevrouw burgemeester van de stad.

Door de goede zorgen van dr. Mary Hannan en een verpleegster, in een luchtige, rustige kamer van ’t Grand Hotel en door den goeden ziekenkost, die mij eenige keeren daags door onze vroegere stadgenoote, en mijne oude vriendin, mevrouw Bal van Lier, gezonden werd, kon ik den 6en dag reeds weder het bed verlaten en den volgenden morgen voor een deel aan den lunch deelnemen, die ons in het Grand Hotel door een veertig dames van Pretoria, waaronder alle vrouwen van de verschillende ministers en lady Methuen, de vrouw van den oppersten militairen autoriteit, werd aangeboden.

Maar ik zal over het program, ’t welk wij gedurende ons verblijf in Pretoria uit te voeren hadden, nog niet beginnen, doch eerst wat van Pretoria zelf schrijven. Pretoria is de hoofdstad van Transvaal en de stad waar na de totstandkoming van de Unie van Zuid-Afrika, de regeering zetelt. Wel houdt het parlement zijn zittingen in Kaapstad, maar de premier, de gouverneur en alle ministers wonen in Pretoria, daar worden de audiënties gehouden en het werk verricht. Nu was Pretoria oorspronkelijk een kleine stad, gebouwd in een dal, aan alle kanten door heuvels en verder door vrij hooge bergen omgeven, doch de stad breidt zich thans met groote snelheid naar buiten uit en is bezig ver over de heuvelketen zijn straten te verlengen. Een geregelde verbinding met zeer goede electrische trammen maakt het doenlijk vrij ver buiten het centrum te gaan wonen. Midden in de stad heeft men door het sloopen van eenige huizen en—o gruwel—, ook door het sloopen van een Hollandsche kerk, een flinke ruimte verkregen, die men bezig is tot een plein met een park te vervormen en waaromheen reeds nu eenige zeer fraaie monumentale gebouwen gebouwd zijn. Vooral het Paleis van Justitie, vlak tegenover het Grand Hotel gelegen, munt uit in eenvoud van vorm en mooie lijnen. Ook het Gouvernementsgebouw is een sieraad voor dit plein.

De stad schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid te bezitten, die voor ons, tijdelijke bezoekers, nog niet te verklaren is; elkeen, die wij hier ontmoeten, onverschillig of zij in Pretoria geboren zijn en de stad reeds van hare opkomst kennen, of dat zij hier nog slechts kort of zeer lang wonen, zeggen hetzelfde, dat zij Pretoria lief hebben en er niet aan zouden denken, de stad anders dan nood gedrongen te verlaten. Toch is het leven hier duur; alles in de winkels is veel duurder dan in Kaapstad en in de andere steden, die wij in Zuid-Afrika bezochten, en door de vrouwen wordt hier een vrij groote luxe in kleeding en sieraden ten toon gespreid. Nergens nog zagen wij in Zuid-Afrika zulke up-to-date toiletten en hoeden als hier, terwijl de winkeluitstallingen met vele groote Europeesche steden kunnen wedijveren.

Een van die bijzonderheden, die hier onmiddellijk opvallen is wel, dat de inboorlingen hier met slechts een enkele uitzondering hun oorspronkelijk karakter dragen, dat zij niet, zooals in de Kaapkolonie, zoo’n mengsel opleveren van verschillende rassen en zooveel nuances van wit, geel en zwart vertoonen. Het moet gezegd worden, dat, hoe dieper men in Zuid-Afrika doordringt, des te zuiverder het kleurling-ras zich vertoont. Of dit moet toegeschreven worden aan de hoogere zedelijkheidsopvatting van de boeren, die zich hier het eerst hebben gevestigd, of dat daarvoor dieper oorzaken te vinden zijn, waag ik niet te zeggen. In een native-school, een school voor inboorlingen, die wij hier bezochten, waar de leerlingen intern zijn, troffen wij onder de 160 leerlingen slechts één kleurlinge aan, een dochtertje van een Basuto-moeder en een Hollandschen vader, een kind dat zoo weinig zwart bloed vertoonde, dat zij in het geheel niet zou zijn opgevallen, als zij zich in een Europeesche omgeving bevond. Op die school vonden wij tusschen al die zwartjes twee volkomen Albino-meisjes, kinderen met was-witte huid, geelachtig wit haar en roode oogen. Deze twee zusjes stammen uit een gezin, waarvan alle kinderen even zwart als een kachel zijn. ’t Was een akelig gezicht deze witte was-gezichtjes met de licht-schuwe oogen, onder al die zwartjes aan te treffen.

Nu ik met die school begonnen ben, wil ik er meteen wat meer van vertellen. Het is een school uitsluitend bestemd voor kinderen van inboorlingen. Het begrip “kinderen” moet men echter breed uitmeten, want er zijn leerlingen van negen af tot ver over de twintig. Mannen en ook meisjes, die reeds de twintig jaar ver achter den rug hebben, zaten daar met en naast de heele jonge kinderen in de schoolbanken het a, b, c, te leeren en legden daarbij een ijver aan den dag, alsof zij door haast te maken wilden inhalen wat vroeger aan hen verwaarloosd is. Op deze school, die door de regeering gesubsidieerd wordt, moet toch nog voor elk kind een vrij hoog schoolgeld betaald worden. De hoofdonderwijzer vertelde ons, dat elk kind de school ongeveer twintig pond jaarlijks kost en dat zij daarvan tien pond, dus ƒ 120,00 jaarlijks zelf moeten betalen; dat zij tevens alle boeken en andere leermiddelen zelf moeten aanschaffen, dat is ongeveer twee pond voor elk kind, en dat voor zoover zij intern zijn, en dat zijn verreweg de meesten, zij nog jaarlijks vijftig pond kostgeld hebben op te brengen.

In hoofdzaak zijn de meisjes-leerlingen dochters van de hoofden der inboorlingen, maar de jongens worden gerecruteerd uit alle klassen onder hen. De oudere jongens en mannen komen bijna allen voort uit de armste bevolking, die eerst jaren in de mijnen hebben gewerkt om van het overgespaarde geld hunne opvoeding te kunnen betalen. Hieruit blijkt, hoe bij velen van deze menschen sterk de behoefte gevoeld wordt aan eene hoogere ontwikkeling.

Deze school is niet alleen bestemd om de kinderen te leeren lezen en schrijven en wat meer tot het elementair onderwijs behoort, maar de drie hoogste klassen vormen een opleidingscursus tot onderwijzer en onderwijzeres. Na volbracht examen worden deze jongelieden gebruikt om als onderwijzend personeel dienst te doen op scholen voor hun eigen ras. Ook onder het onderwijzend personeel van deze school waren een paar kleurlingen. Twee uren daags worden door de jongens besteed aan het leeren van alles wat tot het timmer- en cartonnagevak behoort, terwijl in die uren aan de meisjes handwerk- en huishoudonderricht gegeven wordt. De meisjes leeren er zeer goed naaien en alle handwerk, dat met de naald moet geschieden, en ontvangen er onderricht van het begin tot het einde in goed wasschen en strijken, zij leeren er koken en alle andere huishoudelijke dingen, zelfs leeren zij er debatteeren. Of dit nu juist voor een vrouw zoo noodig is aangeleerd te worden, daarvan ben ik nog niet overtuigd. Voor het debat mogen zij de onderwerpen zelf kiezen en dan wordt er een aangewezen, die het vóór, een ander die het tegen te verdedigen heeft. Een lijstje van de gegevens, die in deze week moeten worden besproken hing aan een van de muren, en wij konden niet laten, daarin even een blik te werpen. Het eerste punt van discussie was: “Waarom is het beter op een stoel te zitten dan maar gewoonweg op den grond te gaan zitten?” Een ander punt was: “Is het beter zijn dag in te richten naar de uren van de klok, of om de zon als dagindeeling te gebruiken?” Dan was er een vraag: “Waarom moeten wij leeren met lepel en vork te eten?” en ’n ander: “Is ’t beter voor den mensch om te werken dan om niets te doen?” Deze zelf gekozen vragen geven een goed inzicht wat in de hoofden van die leergierige zwarte jeugd omgaat.

Wij moesten natuurlijk in Pretoria ook de diamantmijn zien, de mijn die de Cullinan-diamant heeft voortgebracht. Deze mijn is van veel jonger datum dan die in Kimberley en daardoor zijn de machines die er gebruikt worden en is de geheele inrichting veel meer up-to-date dan in Kimberley. Ook de inrichting, waar de zwarte mijnwerkers binnen gehouden worden, de native-compound, zoodat zij, zoolang hun contract bindend is, de mijnen niet kunnen verlaten, is nog beter en nog doeltreffender ingericht dan die in Kimberley.

Een van de bijzonderheden, die in Pretoria bezichtigd moeten worden, is zeer zeker de woning waarin president Kruger gewoond heeft. Dit huis wordt geheel in denzelfden toestand gehouden als toen het nog door den gestorven president gebruikt werd. Een van de kamers is geheel ingericht in aandenken aan zijn sterven. Alle kransen, hem toen vereerd, hangen in gedroogden toestand daar aan de wanden en het opmerkelijkst in die kamer is de schilderij, Kruger voorstellende als hij ten hemel vaart, toegewuifd door zijne landgenooten en vereerders. Voor ons, nuchtere beschouwers en onwillekeurige critici, maakte het een vreemden indruk, dat het bovengedeelte van het lichaam, dat uit de wolken zichtbaar is, Kruger voorstelt in gekleeden jas. Maar wij mogen in deze woning niet critiseeren, want alles getuigt er van eene oprechte liefde en piëteit voor den dierbaren afgestorvene, die door vele zijner landgenooten zoo hoog geacht en innig geliefd was.

Nu ik over president Kruger schrijf, wil ik een enkel woord wijden aan den oud-president Burgers, den man, die vóór Kruger aan het hoofd stond van Transvaal en die het tegen Kruger moest afleggen, omdat zijn veel moderner opvattingen van het leven in dien tijd voor de Boeren van Transvaal veel te vooruitstrevend waren. Was die man toen aan het hoofd gebleven, dan zou voorzeker veel anders gegaan zijn in Transvaal dan het nu gegaan is. Burgers was een man, die naar Europeesche begrippen op de hoogte van zijn tijd stond, doch hij werd door zijne achterlijke landgenooten toen niet begrepen. Nu hij dood is, en alles onder andere leiding gekomen is, worden vele van zijne denkbeelden uitgevoerd en zijn lieve, oude weduwe en vele in Pretoria wonende kinderen hebben nu ten minste het voorrecht te zien en te hooren, dat men thans begint in te zien, wat het land in dien edelen man verloren heeft. Het is geen wonder, dat wij in dat gezin de meest vooruitstrevende personen van Pretoria aantreffen. Voor zoover ik de geschiedenis van Zuid-Afrika gevolgd heb, heb ik altijd met de grootste sympathie aan dien edelen, flinken president Burgers gedacht en daarom voel ik mij gedrongen, nu ik in Transvaal ben, deze paar woorden aan hem te wijden.

De dierentuin met het daaraan verbonden museum in Pretoria is ongetwijfeld de beste, die wij in Zuid-Afrika hebben gezien. Wil men goed op de hoogte komen van alle soorten dieren, die in Zuid-Afrika in wilden staat leven, dan mag men een bezoek aan dien tuin niet achterwege laten. Hadden wij in Rhodesia geen leeuw gezien, hier zagen wij eenige zeer mooie soorten. Het verschil bestond alleen daarin, dat zij nu netjes in een hok zich vertoonden; maar wij vonden het toch achteraf wel zoo veilig een leeuw in een hok dan in de Rhodesische bosschen te ontmoeten.

Behalve de afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, die in Pretoria bestaat, zijn er nog tal van andere vrouwen-vereenigingen, die echter meest alle het een of ander philantropisch werk verrichten en die zich ook hier somtijds verdeelen in twee groepen, waarvan een alles doet gedreven door een christelijk, de ander door een menschelijk gevoel. Zoo zijn hier dan ook twee tehuizen voor ongehuwde moeders en hare kinderen, doch in beide tehuizen worden alleen de blanke ongehuwde moeders opgenomen. Voor de zwarte zusjes wordt nog in het geheel niet gezorgd; het zal nog een heel langen tijd duren voordat de Zuid-Afrikaansche bevolking zal inzien, dat de zwarte menschen eveneens onze broeders en zusters zijn, die echter nog op een lager trap van ontwikkeling staan en daarom juist onze hulp en steun in de eerste plaats noodig hebben. Over het algemeen beschouwt men de zwarten nog als slaven, die voor een heel klein loon al het vuile en al het zware werk moeten verrichten. Men behandelt hen met geringschatting, ja, in vele gevallen met de grootste minachting. Ik heb hierover reeds in vroegere brieven geschreven, maar onwillekeurig kom ik er op terug, omdat het mij telkens weder opnieuw treft en ik een groote sympathie voor dat zachte, goedaardige volk niet kan onderdrukken en het mij hindert, dat door eene verkeerde behandeling van de zich boven hen voelenden, dit volk misschien geheel bedorven en zijn karakter misschien geheel verwrongen zal worden. Ik hoop, dat die menschen bijtijds zullen leeren inzien, waarop zij als mensch recht hebben en dat zij alleen voor eene goede menschelijke behandeling hunne arbeidskrachten in dienst willen stellen van hunne blanke medemenschen, die lang niet altijd in ontwikkeling en natuurlijke beschaving boven hen staan.

II.

In korte trekken zal ik nu eerst vertellen wat wij in Pretoria verricht hebben, hoe wij er ontvangen werden en hoe het werk door ons gedaan er op prijs gesteld werd.

De dag, waarop ik voor het eerst een half uur aan den ons aangeboden lunch in het hotel kon deelnemen, was ook bestemd om de eerste openbare vergadering te houden, waar mrs. Catt en ik zouden spreken. Het spreekt van zelf, dat ik dien avond nog niet het hotel kon verlaten en nog veel minder een uur kon staan en een toespraak houden. Mrs. Catt moest dus alleen gaan, en werd geassisteerd door een der hier wonende Engelsche dames, Mrs. Bigger. De burgemeester van Pretoria—Van Boeschoten—had voor dien avond bereidwillig het presidium aanvaard en de stadsgehoorzaal ter beschikking gesteld. Om het vele Hollandsch sprekende publiek, dat opgekomen was om mij te hooren, tevreden te stellen, annonceerde de president bij den aanvang van den avond onmiddellijk, dat ik wegens ziekte verhinderd was dien avond te komen, doch mij bereid had verklaard na mijn herstel een avond alleen voor de Hollandsch sprekende bevolking te zullen spreken. Dit maakt dan nu, dat ik niet met mrs. Catt tegelijk naar Johannesburg kan vertrekken, doch aan mijne belofte getrouw, 2 October eerst de Afrikaanders voor het kiesrecht moet winnen. Dat mrs. Catt met haar voordracht weder succes had en velen warm maakte voor deze groote hervorming, spreekt natuurlijk van zelf.

Dinsdag waren wij voor een diner de gasten van mevrouw Louis Botha, waar wij weder bijna alle vrouwen van de andere ministers en eenige voorname dames van Pretoria ontmoetten. Laat mij er direct aan toevoegen, dat op alle diners, luncheons en tea’s, stilzwijgend op mrs. Catt en mij de verplichting rust, dat wij een toespraak moeten houden en dikwijls waren na afloop van zoo’n eetpartij nog andere gasten genoodigd, om naar onze toespraken te luisteren. Achtereenvolgens gaven alle ministersvrouwen een dergelijke gelegenheid om ons te fuiven, of te wel om de vrienden en vriendinnen uit te noodigen “to meet mrs. Catt and dr. Aletta Jacobs”. Woensdag was voor mij zelfs een zeer vermoeiende dag; eerst hadden wij bij mevrouw Hull, de vrouw van den minister van Financiën, een lunch gehad en vandaar werd ik om half vier in eene vergadering verwacht van de Zuid-Afrikaansche Vrouwen Federatie, eene vereeniging, die hare takken heeft over geheel Transvaal en die uitsluitend uit Afrikaander vrouwen bestaat. Met enkele uitzonderingen zijn dit allen conservatieve, godsdienstige vrouwen, die allerlei soort philantropisch werk verrichten en, hoewel zij beweren de politiek geheel buiten de Federatie te houden, toch bij de verkiezingen de candidaten van de Afrikaanderpartij op allerlei gebied zeer sterk helpen en in hunne statuten onder het hoofdstuk “doel van de Federatie” dit stuk politieken arbeid zelfs hebben voorgeschreven. In de vergadering van deze vereeniging mag alleen “de taal” of Hollandsch gesproken worden. Om die reden was ik er alleen genoodigd te spreken en mrs. Catt niet. De presidente, mevrouw Faure, die niet alleen presidente van de afdeeling Pretoria, maar ook van de Nationale Federatie is, en die zeer sterk voor het vrouwenkiesrecht gevoelt, had mij uitgenoodigd dien middag te spreken over “vrouwenkiesrecht in verband met het doel der Federatie en met het werk door die vrouwen verricht”. Ik had het succes de aanwezige vrouwen zoo sterk voor dat vraagstuk te interesseeren, dat men mij verzocht op hunne jaarvergadering in Heidelberg te willen komen om daar voor de afgevaardigden van geheel Zuid-Afrika, want ook in de andere Staten van de Unie bestaan zulke bonden, dat onderwerp te behandelen. Op die jaarvergadering zal ik dan eindelijk de vrouwen onder mijn gehoor krijgen, die het eigenlijk in handen hebben om de vrouwen van Zuid-Afrika politiek te ontvoogden; want zoodra deze vrouwenbonden er zich voorspannen en het kiesrecht aanvragen, zullen zij het van deze regeering verkrijgen.

En dat is gemakkelijk te verklaren. De Afrikaanderpartij is in de regeering verre in de meerderheid, doch bij de toenemende immigratie is het te voorzien, dat die meerderheid op den duur zal afnemen. Geeft men nu den vrouwen het kiesrecht, dan verdubbelt de Afrikaanderpartij haar stemmen, terwijl onder de immigranten vele ongehuwd zijn, hunne vrouwen in het moederland achterlaten of soms hun geheele leven als coelibatair in het nieuwe land doorbrengen. Zoolang echter de Afrikaander Vrouwenbond zich niet voor het “kiesrecht aan de vrouw verklaart,” vreezen de mannen, dat zij het stembiljet ongebruikt zullen laten en dat de Britsche vrouwen, die in hoofdzaak de leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht uitmaken, het zullen gaan gebruiken om haar partij te versterken. Van mijn succes in Heidelberg hangt dus veel af en aan alle kanten word ik aangespoord om deze gelegenheid aan te grijpen en te probeeren wat ik bereiken kan.

Dienzelfden avond, dat ik in de Pretoriasche afdeeling van den Vrouwenbond sprak, moest ik nog naar een diner en een nieuwe toespraak houden.

Vrijdagavond boden de Mayor en Mayoress ons een feestavond aan, waar 400 gasten genoodigd waren, en Zondag waren wij de gasten van de Country-club. Zaterdag brachten wij den geheelen dag door op de farm van generaal en mevrouw Smuts, den minister van Binnenlandsche Zaken. Dit interessante echtpaar had ons uitgenoodigd van Zaterdag tot Maandag bij hen te komen, maar daarvoor hadden wij geen tijd.

Wij hadden ook nog een tea-party op het buiten van Semmie Marks, bekend als de rijkste man in Zuid-Afrika, en daar hadden wij gelegenheid te zien wat er met geld en geduld van eene Zuid-Afrikaansche farm te maken is. Dit buiten deed ons in vele opzichten denken aan eene Engelsche buitenplaats, maar alles was er op nog grooter en uitgebreider schaal aangelegd.

Gedurende ons geheele verblijf was de gouvernements-auto met chauffeur geheel te onzen dienst gesteld en elken morgen om 9 uur kwam de chauffeur vragen, waarheen wij dien dag wilden gaan en op welken tijd wij wenschten, dat de auto voorkwam.

Maandagmorgen moest mrs. Catt naar Johannesburg vertrekken, omdat zij daar dien middag een comité-meeting moest bijwonen en bleef mevrouw B. met mij in Pretoria, waar ik dien avond nog moest spreken, en ook mevrouw B. eene korte toespraak zou houden.

Minister Malan, minister van Onderwijs, had voor dien avond het presidium van de vergadering op zich genomen en van de in Pretoria aanwezige ministers waren er vele in de stampvolle zaal aanwezig. Het succes was, dat de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht dien avond vele nieuwe leden verwierf en de voorzitter van dien avond bij zijn woord van dank meende openlijk te moeten verklaren, dat hij veel geleerd had en voortaan als een warme voorstander van een spoedige invoering van vrouwenkiesrecht beschouwd kon worden.

Dinsdagmorgen vertrokken mevrouw B. en ik naar Heidelberg, alwaar ik Woensdagmorgen voor de jaarvergadering van de Zuid-Afrikaander Vrouwen-Federatie moest spreken. Wij hadden nu eens gelegenheid om een van de kleine Zuid-Afrikaansche steden te zien en de toestanden daar te leeren kennen. Heidelberg is een van de mooiste stadjes en zal later zeker een zeer mooi oord worden. Het is in een mooi dal gelegen en door aardige berggroepen omgeven. Het onderscheidt zich gunstig van andere zulke stadjes, doordat er nog al veel boomen geplant zijn. Er zijn ook eenige zeer goed gebouwde en met mooie tuinen omgeven villa’s, maar... het hotelwezen is er nog meer dan primitief. Wij waren er uitgenoodigd bij eene familie te komen logeeren, maar, onbekendheid met den toestand der hotels aldaar had ons doen besluiten die uitnoodiging van de hand te wijzen en liever in het “Grand Hotel” onzen intrek te nemen. Maar o, wat heeft ons dat berouwd. De bedden waren bevolkt, ook zonder dat wij er in lagen en alles was er verder zoo vuil, alsof er in geen eeuw een schoonmaak had plaats gevonden. Wij durfden niets van onze bezittingen hier of daar neerleggen, uit vrees, dat het op de plek zou blijven vastkleven en wij namen ons voor in het hotel eene volledige hongerkuur in toepassing te brengen. Het grappigste was, dat toen wij ons beklag gingen indienen over dezen toestand van zaken bij de vrouw van het hotel, deze ons met een blik van de grootste onverschilligheid opnam en antwoordde: “Voor gij Zuid-Afrika verlaten gaat, zult gij nog wel meer van die beestjes ontmoeten.” Gelukkig is het warm in Zuid-Afrika en kan men zich een nacht behelpen ook zonder veel peluwen en dekens. Zoo goed als het kon richtten wij ons in voor dien nacht en bereidden ons op niet-slapen voor. Dat mijne metgezellin nu en dan eens even insliep, moest zij betalen met aan hals, armen en gezicht onmiskenbare teekenen te vertoonen, dat zij in nauwe aanraking is geweest met dat zekere soort van platte beestjes, die men bij ons in een “Grand Hotel” niet verwacht en ook zelden aantreft.

Woensdagmorgen werd de jaarvergadering van de Vrouwen-Federatie door ds. Louw met een gebed, het voorlezen van een stuk uit den Bijbel, het houden van een korte toespraak en het zingen van een psalm geopend, waardoor de aanwezigen in de stemming kwamen, die zij voor haar werk meenden noodig te hebben. Er waren ongeveer 40 afgevaardigden uit de verschillende afdeelingen tegenwoordig en verder een vrij groot aantal belangstellenden, waaronder een achttal predikanten en eenige onderwijzers.

Nadat alle gewone punten van de agenda,—openingswoord van de presidente, voorlezen der notulen, verslag van secretaresse en penningmeesteresse, etc.—waren afgehandeld, kreeg ik het eerst het woord voor mijne aangekondigde rede. Ik kon de aanwezigen wijzen op het werk van vrouwen uit andere landen, die voor hetzelfde doel werken als waartoe zij zich geroepen voelen en op het feit, dat al die vrouwen geëindigd zijn met in te zien, dat zij met het kiesbiljet honderdmaal vlugger en duizendmaal beter het werk kunnen volbrengen dan zonder dit. Ik wees hen op de nieuwe plichten der hedendaagsche vrouwen en vertelde hen, dat hunne grootmoeders en overgrootmoeders misschien de eerste vrouwen in de wereld zijn geweest, die bij de regeering hebben aangedrongen om kiesrecht. Het waren de vrouwen van de voortrekkers, die in 1843 reeds eene deputatie zonden naar de Engelsche vertegenwoordiger in Natal, om het recht voor de Zuid-Afrikaansche vrouwen op te eischen een stem te hebben in alle zaken, die de welvaart en het welzijn van het Zuid-Afrikaansche volk betroffen. Deze laatste wijsheid had ik opgedaan van den premier Botha.

Mijne woorden werden met groote instemming van al de aanwezige heeren en vele der aanwezige vrouwen aangehoord en luide toegejuicht, maar onmiddellijk nadat ik geëindigd had, stond mevrouw De la Rey, vrouw van den generaal De la Rey, op om te zeggen, dat ook zij met belangstelling en voor een groot deel met instemming mijne woorden had aangehoord, dat ook zij meende, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen eenmaal door den Heer geroepen zullen worden voor dat grooter werk, die breedere taak waarop ik hen gewezen had, maar dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen hebben te wachten, totdat de Heer haar roept. Tot dusver had zij die roepstem nog niet vernomen en meende daarom die taak nog niet te mogen op zich nemen. Door haar man te steunen in moeilijke tijden had zij steeds zeer veel bereikt en zij meende, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen eerst moesten probeeren hoever zij het door het bewandelen van den weg, door God haar gewezen, in Zuid-Afrika konden brengen. Zij vond gelukkig niet veel instemming.

Na haar nam mevrouw Brandt, de vrouw van den bekenden predikant uit Johannesburg, het woord en zeide, dat zij met groote instemming mijne woorden had aangehoord, alleen op één punt niet zoover wilde gaan als ik. Ik had aangeraden, dat de Vrouwen-Federatie zich zou uitspreken vóór vrouwenkiesrecht en zelfstandig een adres aan de regeering zou zenden, waarin zij op een spoedige invoering er van zou aandringen. Mevrouw Brandt was van oordeel, dat daarmede voor vrouwenkiesrecht zeer veel gewonnen, maar de Zuid-Afrikaansche Vrouwen-Federatie daardoor in stukken gescheurd zou worden. De vrouwen op de afgelegen farms wisten nog te weinig van deze zaak en zouden hoogstwaarschijnlijk afgeschrikt worden door zulk een maatregel. Zij raadde liever de afgevaardigden aan, mij uit te noodigen in hunne afdeelingen het vrouwenkiesrechtvraagstuk te komen bespreken, daarmede zou zeer zeker veel gewonnen kunnen worden. Daarop volgden onmiddellijk vele uitnoodigingen, maar daar de meesten een dag of meer reizen vereischen om er te komen, kon ik die uitnoodigingen niet alle aanvaarden. Wij moeten den 23en October in Durban scheep gaan, en wanneer ik die uitnoodigingen zou hebben aanvaard, zou ik misschien nog een maand langer hier moeten blijven. Alleen de uitnoodiging van Germiston en Potchefstroom heb ik aangenomen, indien het ten minste den afgevaardigden van daar gelukt, in den loop der volgende week een vergadering bijeen te roepen.

Des middags namen wij den terugtocht aan, omdat ik dien avond in Johannesburg nog moest spreken. Eerst om half zeven arriveerden wij in Johannesburg zoo dood vermoeid na een slapeloozen nacht en een dag van groote beslommeringen, dat het mij onmogelijk was mijn plicht aldaar voor dien avond te vervullen. Ik moest dus mrs. Catt verzoeken alleen het woord te voeren en mij te verontschuldigen. Ik was voor niets anders in staat dan een frisch bad te nemen en naar bed te gaan.