Johannesburg.

Johannesburg zal wel worden het centrum en de hoofdstad van Zuid-Afrika. Het begint reeds op een wereldstad te gelijken. Zoo zou ik het niet aan de Johannesburgers durven zeggen, want die zijn vast overtuigd, dat hun stad reeds een wereldstad is. Zoo ver is de ontwikkeling van de stad echter nog niet gevorderd, maar het gaat er met rassche schreden heen. Er zijn reeds hotels, die met de beste Europeesche hotels kunnen wedijveren, drie à vier theaters en eenige music-halls bieden ’s avonds de noodige verstrooiing aan, al is het kunstgenot dat men er zou moeten smaken dan ook nog van zeer inférieur gehalte. Overal standplaatsen voor motorcars en huurrijtuigen, een geregelde en van goede wagens voorziene electrische tramdienst, breede, goed geasphalteerde straten met groote, mooie winkels, een zeer woelig, druk verkeer in de stad en de mooie buitenwijken, groote kantoren en officieele gebouwen, dat alles geeft inderdaad reeds een grootsteedschen indruk. Deze indruk wordt nog versterkt door het gezicht van zoovele hooge, rookende schoorsteenen buiten de stad, die bijna alle aanduiden, dat daar het goud aan den grond wordt onttrokken, of het zijn eenvoudig fabrieksschoorsteenen.

Cosmopolitisch is Johannesburg meer dan eenige andere stad in Zuid-Afrika. Het Hollandsch-sprekend publiek wordt er bijna niet aangetroffen, want de betrekkelijk weinige Hollanders, ongeveer een 300, die er wonen en de Afrikaanders, die er zich gevestigd hebben, beijveren zich allen om toch vooral Engelsch te spreken. De Duitschers, Franschen, Belgen, Italianen, Arabieren, etc. die er aangetroffen worden, spreken onder elkaar ten minste nog hunne moedertaal, maar overigens is de taal, die hier gesproken wordt, bijna uitsluitend Engelsch. In Johannesburg zetelt ook de zeer sterke Unionistische politieke partij, de partij der Britten en Uitlanders, die zeer sterk tegen deze nationalistische of Afrikaander regeering gekant is. Wanneer men zich hier in een gezelschap bevindt, hetzij van mannen of van vrouwen of gemengd, men kan zeker zijn, dat het gesprek onmiddellijk een politieke kleur aanneemt en dat de regeering wordt hard gevallen over alle daden, die het heeft verricht. En het is te voorzien, dat Johannesburg en omstreken steeds sterker Britsch-gezind worden, want alle goudmijnen en alle fabrieken en groote werkplaatsen zijn in handen van Britten en die employeeren bij voorkeur Britsche werkkrachten, voor zoover het werk niet door kleurlingen wordt uitgevoerd.

Eene andere bijzonderheid valt hier nog op te merken, waardoor Johannesburg zich van de meeste andere steden in Zuid-Afrika onderscheidt. Nergens treft men zoovele rijkaards aan, die nu in mooie, smaakvolle paleizen wonen en in de mooiste automobielen door Johannesburg’s straten tuffen, wie het zoo onweerspreekbaar is aan te zien, dat zij niet op zijden kussens in de wieg hebben gelegen en dat de weg tusschen zwoeger en genieter van ’s werelds goede gaven, niet zoo’n heele lange is geweest. Toeval, handigheid, geluk, misschien ook fijn verstand, schijnt hen in korten tijd van het eene uiterste tot het andere te hebben gebracht. Onwillekeurig wekt hier elke millionnair, of die er voor wil doorgaan, de gedachte zoodra men een poosje met hen gesproken heeft “ik zou willen weten hoe ge aan uw geld komt”, of “hoe hebt ge hem dat zoo gauw geleverd?” Slechts weinigen treft men aan, die de weelde met de daarbij behoorende waardigheid weten te dragen.

Ik hoop niet, dat ik hiermede den indruk wek, dat elkeen in Johannesburg een gemakkelijk bestaan lijdt en dat hier over het algemeen veel en gemakkelijk geld verdiend wordt. Niets is minder waar dan dit. De groote massa moet hier zeer hard werken voor een betrekkelijk klein salaris, klein vooral in verhouding tot ’t zeer dure leven. De goudmijnen hebben natuurlijk—en doen het nog—de meeste Europeanen, die hun geluk wilden beproeven, naar Johannesburg gelokt en die velen doen elkander in den strijd om het bestaan eene bittere concurrentie aan. Het schijnt hier volstrekt niet gemakkelijk te zijn eene goede en passende betrekking te krijgen. Toch schijnen de meesten, die hier een tijdje geleefd hebben, het aangenamer te vinden hier gebrek te lijden dan weder naar Europa terug te keeren. Het heerlijke frissche, opwekkende klimaat maakt het waarschijnlijk gemakkelijker hier armoede te lijden dan thuis.

Het klimaat is hier heerlijk, maar wij treffen het nu bijzonder. Johannesburg ligt ongeveer twee duizend meter hoog, de hitte van het klimaat wordt hier meestal door een frissche bries afgekoeld. Maar deze frissche bries brengt eenige zeer groote onaangenaamheden met zich, die wij hier misloopen. Rondom Johannesburg, waar de goudschatten uit den grond worden opgedolven, verheffen zich torenhooge bergen van fijn wit zand, het afval van de steen, die het goud bevatte. Deze zandmassa’s hullen Johannesburg, vooral in het droge seizoen, onophoudelijk in een stofwolk, waardoor niet alleen de huizen en straten bijna niet schoon te houden zijn en de kleeren, die gedragen worden, als zij niet uit waschstof bestaan, voor goed bederven, doch die het ademen bijna onmogelijk maakt en in elk geval op de gezondheid zeer nadeelig inwerkt. Wij kwamen hier juist na het begin van het regenseizoen. Flinke onweers- en regenbuien houden nu de zandmassa’s nat en compact genoeg om niet te verstuiven en houden het overigens zonnige klimaat aangenaam koel. Die regenbuien zijn volstrekt niet onaangenaam, zij komen met groote hevigheid op, maken in korten tijd van de straten meren en houden dan plotseling op om de zon weder gelegenheid te geven hare krachten te beproeven. In een oogenblik zijn dan de straten weder droog en kan men zijn autotocht of wandeling voortzetten.

Met deze goudmijnen rondom Johannesburg is toch niet de omgeving van Johannesburg bedorven. Na Kaapstad, die inderdaad een zeer prachtige omgeving heeft, is Johannesburg in dit opzicht te noemen. Er zijn hier zeer mooie omstreken, en als alles wat meer gevestigd is, als die omstreken niet meer zoo in disorde zijn door de in wording zijnde groote paleizen en heerenwoningen, die er gebouwd worden, dan zal een autotocht in de omstreken van Johannesburg een nog grooter genot opleveren.

Ook hier werden wij weder met groote onderscheiding ontvangen. Niet alleen boden de burgemeester en de burgemeestersvrouw ons den dag na mijne komst een officieele lunch in het Carlton-hotel aan, waar behalve wij vieren, de Amerikaansche en Hollandsche consuls en hunne vrouwen en een honderdtal andere dames en heeren genoodigd waren, maar ook de Amerikaansche Club en de Nederlandsche Vereeniging hadden een avond van ontvangst voorbereid, die inderdaad schitterend was. Op al deze gelegenheden werd weder van ons verwacht, dat wij eene korte rede hielden en bovendien had Mrs. Catt den avond, toen ik van Heidelberg terugkeerde, voor eene zaal, die meer dan duizend menschen bevatte, eene voordracht over Vrouwenkiesrecht te houden. Zij won ook hier aller sympathie en op onzen tocht door Zuid-Afrika heeft zij zich den roem verworven van eene spreekster “bij Gods Genade” te zijn. Een avond nog, toen ik in Germiston voor de Afrikaander vrouwen moest spreken, sprak Mrs. Catt in eene andere voorstad voor een Engelsch publiek.

In de Amerikaansche Club, de Martha Washington Club, die voornamelijk bestaat uit directeuren en hooge ambtenaren van de goudmijnen, had onze ontvangst een zeer huiselijk karakter en werden wij vergast op allerlei American-drinks en Amerikaansche kostjes. In de Nederlandsche Vereeniging, waarvan de sympathieke predikant Brandt de voorzitter is, werd ik ontvangen (Mrs. Catt was dienzelfden avond afgereisd, omdat zij zich verbeeldde de hooge lucht op den duur niet te kunnen verdragen en daarom zoo gauw mogelijk naar Durban wilde afreizen) door een jonge dame, die mij eene zeer fraaie bouquet bloemen met linten in onze nationale kleuren aanbood, namens de Hollandsche vrouwen in Zuid-Afrika en verder door het geheele bestuur, waarvan ds. Brandt toen eene zeer mooie en gevoelige toespraak hield. Er heerschte dien avond eene zeer gezellige geest, eenige landgenooten gaven mooie muzieknummers ten beste en ik sprak over de positie van de hedendaagsche vrouw in Nederland, en overigens had ik de gelegenheid met tal van oude landgenooten de kennismaking te hernieuwen of opnieuw aan te knoopen. De Nederlandsche consul in Johannesburg, de heer Baerveldt, bevindt zich op dit oogenblik in Nederland, maar zijn lieve, ontwikkelde, beschaafde vrouw, en de waarnemende consul, de heer Prior, beijverden zich, om mevrouw B. en mij toch alle gastvrijheid aan te bieden en ons zoo ter zijde te staan als zij aan landgenooten van den consul meenden verschuldigd te zijn. Hoewel mevrouw B. eene Duitsche van geboorte is en de heer Prior een Deen, geven zij zich alle moeite onze taal te leeren en correct te spreken.

Natuurlijk hebben wij hier ook een goudmijn gezien. De directeur geleide ons persoonlijk. Van het begin, dat de steen in de mijn wordt losgehakt en naar boven gevoerd, tot aan het oogenblik, dat de zuivere goudblokken gereed zijn om naar Londen te worden verscheept, hebben wij het geheele proces gezien. Het meest wat mij bij dit alles verbaasde was de minieme hoeveelheid goud, die uit een wagen vol steenen verkregen wordt. Microscopisch klein is het korreltje, soms niets meer dan een stofje, dat in de smeltkroes overblijft; doch al deze stofjes tezamen genomen, vormen toch ongeveer vier goudblokken, elk 50 pond wegende, die in één dag uit een mijn worden opgehaald. Aan een stuk ruwe steen ziet men niets bijzonders, het bloote oog kan met geen mogelijkheid er goud in ontdekken.

De compound, de plaats, waar de kleurling-mijnwerker verplicht is te vertoeven als hij niet werkt, is niet zoo goed en gezellig en gezond ingericht als diezelfde inrichting in de diamantmijnen, en ook het hospitaal was er lang niet zoo frisch. Verbazend groot is het sterftecijfer onder de mijnwerkers en zelfs onder de blanke employé’s van de goudmijnen.

Het is vooral tuberculose, die velen in korte jaren grafwaarts voert. Men stelt het leven van een mijnwerker gemiddeld op 7 jaren, dat wil zeggen, langer dan 7 jaren houdt zoo iemand het niet uit, voordat de tuberculose, vooral longtuberculose, hem reeds ten grave heeft gevoerd.

Treft dit lot een inboorling, een Kaffer, dan wordt die meestal onmiddellijk naar zijn kraal teruggestuurd, waar hij dan de ziekte verder kan verspreiden en een vroegen dood sterven. Van het lot van deze arme menschen trekt niemand zich iets aan. Zoolang zij gezond en sterk zijn, zijn die menschen goedkoope arbeidskrachten; zijn zij ziek, dan hoopt men, dat zij zoo gauw mogelijk dood gaan en niemand meer tot last strekken. Worden de blanke arbeidskrachten der goudmijnen tuberculeus, dan worden zij eerst op kosten der directie naar een der hier bestaande sanatoria gezonden; blijken zij ongeneeslijk, dan worden zij naar hun geboorteland teruggezonden met een kleine lijfrente.

De kaffers worden hier als mijnwerkers aangeworven, zooals men vroeger bij ons de soldaten voor Indië aanwierf. Er zijn mannen, die daarvan een beroep maken en onder allerlei mooie beloften en voorspiegelingen de Kaffers uit hun kralen naar de mijnen lokken. Zoo’n Kaffer moet zich dan voor één jaar verbinden en kan onder geen voorwendsel dat contract verbreken. Men kan gerust zeggen, dat een Kaffer, die een jaar in deze mijnen gewerkt heeft, als hij in dien tijd niet lichamelijk ten gronde is gegaan, dan toch zeer zeker zedelijk totaal bedorven is. De toestanden, die hier op zedelijk gebied heerschen, zijn allerbedroevendst. Het is mij echter onmogelijk daarover in een open schrijven uit te wijden.

Ons langer blijven in Johannesburg bracht ons in de gelegenheid het een en ander te hooren en te zien van het bezoek, dat door de leden van het parlement aan Johannesburg gebracht werd. De groote afstanden in Zuid-Afrika, het dure reizen en nog andere bezwaren zijn oorzaak, dat vele volksvertegenwoordigers, die toch de belangen van het geheele land dienen te behartigen, hun land slechts bij overlevering kennen, en velen onder hen niet verder zijn geweest dan in de staat (nu provincie genoemd), waarin zij wonen, of soms alleen het district kennen wat zij vertegenwoordigen. Daardoor weten de landbouwers en veetelers niets van de belangen der mijnwerkers of van de struisvogelboeren en omgekeerd. De man van het land kent de behoeften en verlangens niet van de stadsbewoners en de vertegenwoordigers der steden kennen de belangen der landelijke bevolking niet. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen, heeft de spoorwegmaatschappij voor een week een extra-trein ter beschikking gesteld om de leden van de volksvertegenwoordiging, benevens senatoren en ministers, dit jaar Transvaal te laten bezoeken en wel de daarin voorkomende steden Pretoria, Johannesburg en Potchefstroom. In die steden zijn zij dan de gasten van het gemeentebestuur en de burgemeesters. Voorzoover aan de feestelijkheden, aan dit bezoek verbonden, dames deelnamen, had de burgemeester ook mevrouw B. en mij een uitnoodiging gezonden, waardoor ik in de gelegenheid was met tal van interessante personen kennis te maken. Vooral was het mij aangenaam den heer Schreiner, oudste broeder van Olive Schreiner en vroeger eerste minister van de Kaapkolonie, te ontmoeten. Hij is de echte broeder van zijne wereldberoemde talentvolle zuster; een even groote idealist, feminist en strijder voor de rechten van de kleurlingen.

Aan het feestmaal, dat door den gemeenteraad en eenige invloedrijke en financieel-rijke mannen van Johannesburg aan de gasten werd aangeboden, namen geen vrouwen deel, maar toch werden wij om tien uur, toen het diner was afgeloopen, door de vriendelijkheid van den burgemeester in staat gesteld, de officieele speeches te hooren. Nadat door den burgemeester eerst op den koning en daarna op de Zuid-Afrikaansche regeering was gedronken,—getoast kan ik het niet noemen, want er werd eenvoudig gezegd: “The King” en daarna “South-African government”,—begonnen de speeches. De heer Hofmeyr, burgemeester hield een speech, die vol luimigheden in den aanvang was, aardigheden, die bij ons, stijve Hollanders, misschien een glimlach zou hebben verwekt, doch die de goedlachsche Zuid-Afrikaander in uitbundige hilariteit bracht. Het ernstige gedeelte van de speech, dat een groot effect had en door alle dagbladen sterk op den voorgrond wordt geschoven en met algemeene instemming wordt vermeld, komt daarop neer, “dat de beste volksvertegenwoordiger niet is, de man met het grootste verstand, zelfs niet de man met het beste hart, maar de man met het beste voorstellingsvermogen; hij, die zich geheel verplaatsen kan in de belangen en behoeften van anderen; hij, die zich voorstellen kan, dat er naast de belangen, die hij het best heeft leeren kennen, nog andere landsbelangen bestaan, die evenzeer behartigd dienen te worden”.

Hiermede was bedoeld de groote belangen van de mijndistricten en die van de landbouwdistricten.

Na den burgemeester sprak minister Malan, de minister van Onderwijs. Hij sprak over het groote belang voor Zuid-Afrika, om zoo spoedig mogelijk technische scholen in het leven te roepen. Zoowel gewone ambachtsscholen als een hoogeschool voor de opleiding van ingenieurs, moesten spoedig overal in Zuid-Afrika tot stand worden gebracht. Voor al het technische werk had men nu nog vreemdelingen noodig, of moesten de Zuid-Afrikaansche jonge mannen hun kennis in andere landen opdoen; Zuid-Afrika moet zorgen, dat het spoedig daarin zichzelf kan redden en ambachtslieden en mijningenieurs etc. zoo goed zou kunnen voortbrengen, dat ’t met de beste opleidingsscholen in het buitenland kan concurreeren. Hij vroeg daarvoor de medewerking der volksvertegenwoordigers.

Alle andere speeches hadden verder éénzelfde doel, éénzelfde strekking. Alle kwamen er op neer, dat er verbroedering moet komen tusschen de Britten en Afrikaanders, dat Zuid-Afrika thans aan allen behoort en dat beide partijen moeten medewerken, om de klove te dempen, die hen nog van elkander scheidt.

Men verwacht van zulke gezamenlijke bezoeken aan een of ander deel van het land, die in het vervolg elk jaar zullen plaats vinden, heel veel voor de verbroedering van beide partijen, die nu echter nog als een paar kemphanen tegenover elkander staan.

Met een enkel woord wil ik hier nog even vermelden, dat ook de kleurling-vrouwen zich beginnen te organiseeren en voor hun belangen strijden. Een eerste groote bijeenkomst, onder leiding van mevrouw Amos Burnett, een vrouw van gemengd ras, die een Europeesche opvoeding heeft gehad, had deze week plaats in Potchefstroom, waaraan vrouwen, honderdvijftig in getal, van Zulu’s, Amaxoses, Basuto’s, Pondos, Hottentots en andere rassen, benevens van gemengd ras, deelnamen. Ik kan hiervan niets anders mededeelen, dan wat de dagbladen ervan vermelden, doch alle beschouwen deze samenkomst als een zeer belangrijk teeken. Deze eerste keer werd niet veel anders besproken dan de wijze van organisatie, eenige godsdienstige arbeid, die ter hand zal worden genomen, en de belangen van het kleurling-meisje in huisdienst bij blanken. De Engelsche taal was de officieele congrestaal.

15 October 1911.

Durban.

Van Johannesburg naar Durban is weder vier-en-twintig uur in den trein. Maar, dat was nu eens een aangename reis. Precies acht uur vertrokken we ’s avonds van Johannesburg en daar er door de duisternis niets was te zien en wij een vermoeienden dag achter den rug hadden, legden wij ons al heel spoedig te slapen. Zoodra het morgenlicht aanbrak, was ik gereed om naar buiten te kijken en dat was de moeite waard. Aan beide zijden van den trein een prachtig landschap, dat onophoudelijk van aanzien wisselde. Wij waren in Natal aangekomen.

Natal was ons steeds als de mooiste Staat, provincie moeten wij nu zeggen, aangeduid. Maar ’t was er ook mooi. ’t Was er als in een mooi deel van Zwitserland, maar wijder, uitgestrekter, grootscher. Dan eens waren wij in een vruchtbare vallei, met overvloed van bloemen van allerlei kleur; bloemen, niet alleen op den grond, maar aan heesters en boomen; bloemen, zooals wij nooit te voren gezien hadden en waarvan niemand der medereizenden ons den naam kon noemen of de familie aangeven. Een oogenblik later was de trein op een bergrug aangekomen en keken wij neder op drie, vierdubbele rijen heuvelruggen, alle met nieuw groen gras begroeid, die door de roodzandige voetpaden en rijwegen er tusschendoor, de goudgele, in vollen bloei staande mimosabosschen, de paarse seringen, een prachtig bont gezicht opleverden. Van ’s morgens zes uur tot dat ’s avonds het nachtelijk duister plotseling het daglicht verving, zat ik uit te kijken, zonder een oogenblik de reis te lang of te vermoeiend te vinden.

Eigenlijk werd ik nog in Pieter Maritzburg verwacht en zou ik daar hebben moeten overblijven, maar ik was te lang in Johannesburg opgehouden en moest nu naar Durban doorsporen, wilde ik daar niet alles verzuimen. Om 8 uur ’s avonds waren wij op de bestemmingsplaats aangeland en zaten weldra in het fraai gelegen en goed ingerichte hotel, waar wij niet alleen Mrs. Catt, maar ook tal van nieuwe vrienden, die wij op onzen tocht door Zuid-Afrika gemaakt hadden, ontmoetten.

Hier zouden wij een van de vruchten plukken, die het allereerste gevolg van onze reis door Zuid-Afrika was. Wij hadden reeds onmiddellijk in Kaapstad opgemerkt, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen niet goed georganiseerd waren en van een vruchtbaar samenwerken van de vrouwen over het geheele land niets kon terecht komen, zoolang er geen nationaal verband bestond en elke plaats, waar een vrouwenkiesrechtvereeniging gevormd was, op zich zelf streed. Mrs. Catt, want dit was voornamelijk haar werk, drong er vooral op aan om in de week, die wij in Durban waren, aan het eind dus van onze toer, daar een nationale conferentie te houden, waar elke vrouwenkiesrechtvereeniging een of meer afgevaardigden zou zenden, om te trachten eene nationale vereeniging tot stand te brengen. Uit alle plaatsen had men aan ons verzoek voldaan. Kaapstad had drie afgevaardigden gezonden, die vier dagen en vier nachten moesten reizen om deze conferentie bij te wonen. Mevrouw de Villiers en mevrouw Murray van de Afrikaander partij en mevrouw Garret van de Britsche partij, hadden die lange reis van Kaapstad voor dit doel gemaakt. Uit Port Elisabeth, Grahamstown, Kimberley, vanwaar de afstand drie- en viermaal vier-en-twintig uren bedroeg, waren van iedere plaats twee afgevaardigden gekomen, de dichterbij gelegen afdeelingen, doch toch nog van vier-en-twintig uren afstand, hadden zelfs meer vertegenwoordigsters gezonden, allen doordrongen van het groote gewicht om tot samenwerking te geraken. Al die afgevaardigden hadden we natuurlijk in de verschillende steden reeds ontmoet en met velen waren wij goed bevriend. ’t Was dus een aangenaam gezicht, haar allen in ’t Marine-hotel terug te vinden en de laatste week van ons verblijf in Zuid-Afrika met haar door te brengen.

De Durbansche vereeniging voor Vrouwenkiesrecht had meer gewicht gehecht aan de komst van zoovele afgevaardigden uit eigen land, dan aan het feit, dat Mrs. Catt en ik de moeite hadden genomen over te komen en haar tot het laatste toe te helpen. Van daar, dat er meer ruchtbaarheid gegeven was aan de komst dier afgevaardigden en dientengevolge officieele uitnoodigingen en feesten ons niet bereikten, voordat wij reeds een paar dagen in Durban waren. Toen volgden de uitnoodigingen van den burgemeester en officieele en onofficieele personen elkander zoo snel op, dat wij voor velen moesten bedanken omdat er geen tijd voor was.

Maar dat weinige gewicht hechten vooraf aan onze komst, maakte ook, dat er voor Mrs. Catt en mij maar één openbare vergadering belegd was, maar dat men later nog allerlei vergaderingen wilde beleggen om ons weder aan het woord te brengen. Wij meenden evenwel voor Zuid-Afrika onzen plicht gedaan te hebben en de laatste dagen van ons verblijf in Durban te mogen besteden aan de voorbereidselen voor de groote zeereis, die ons wacht en aan het bezichtigen van de mooie stad Durban en hare mooie omgeving.

Voor de lezers, die hierin belangstellen, wil ik eerst even mededeelen, dat de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zuid-Afrika tot stand kwam: de voorloopige constitutie werd samengesteld en een voltallig hoofdbestuur gekozen. Werkt dit bestuur goed, dan zullen de vrouwen van Zuid-Afrika weldra in het genot van hare politieke rechten zijn. De groote afstanden en het dure reizen maken het werk hier wel wat moeilijk, maar de vrouwen beginnen er met een welgezinde pers en een regeering, die het werk der vrouwen voor vrouwenkiesrecht toejuicht en begunstigt, zij hebben dus een veel gemakkelijker taak dan de vrouwen uit de meeste andere landen. Van alle vrouwen die in Durban bijeen waren gekomen, ontvingen Mrs. Catt en ik de ondubbelzinnige bewijzen van waardeering en dankbaarheid, dat wij waren komen helpen en de eerste daad, die het nieuwe bestuur volbracht, was, ons te vragen hen verder van raad en steun te zijn. Mij werd gevraagd of ik, nu ik niet langer kon blijven, misschien een andere van onze spreeksters kon verzoeken over te komen en een van de afgevaardigden, die in Johannesburg aan het hoofd van een private meisjesschool staat, vroeg mij of zij misschien een Hollandsche onderwijzeres kon laten uitkomen op mijne aanwijzing, die tegelijk eene goede spreekster voor vrouwenkiesrechtvergaderingen in Transvaal zou zijn. Men deed natuurlijk ook alle moeite om ons nog langer te houden en ik gaf hen ten slotte de belofte om haar nu en dan voor de Afrikaansche pers propaganda-artikelen te doen toekomen.

Daar Durban bijna geen Hollanders of Hollandsch sprekende bevolking telt, moest ik er natuurlijk in het Engelsch spreken. Ik begon met het verhaaltje van Thugater en knoopte daaraan een korte vrouwenkiesrechtspeech vast. Daarna kreeg Mrs. Catt het woord, die bijna anderhalf uur alle aanwezigen in de goed gevulde, prachtige, stedelijke gehoorzaal geboeid hield. Zij gaf voornamelijk een résumé van ons werk in Zuid-Afrika en de indrukken, die wij hadden opgedaan en knoopte daaraan de vooruitzichten vast voor een spoedige politieke ontvoogding voor de Zuid-Afrikaansche vrouwen. Bloemen en vele openlijke bedankjes hadden wij beiden aan het einde in ontvangst te nemen.

Durban wordt in heel Zuid-Afrika de rozentuin van Zuid-Afrika genoemd. Wij zijn nu wel niet in den rozentijd hier, maar wij zien hier toch ook nu een zoo groote verscheidenheid van in bloei staande boomen en heesters en zoo’n schat van bloemen, dat ik mij best met dien naam kan vereenigen. Nergens ook in Zuid-Afrika kreeg ik zoozeer den indruk in een geciviliseerd tropisch land te zijn als hier. De temperatuur, de tropische boomen en vruchten,—vruchten, waarvan niet alleen ons Europeeërs en Amerikanen den naam en het bestaan onbekend waren, maar zelfs de Kaapsche en andere afgevaardigden hadden die vruchten nooit te voren gezien, omdat zij voor export ongeschikt zijn,—de huizenbouw, de kleederdracht der blanken etc. geven het tropenland aan. De vele kleurlingen, die nu weder geheel andere eigenaardigheden vertoonen met hunne vreemde, hoog opgebouwde coiffures, versierselen door neus en ooren, strootjes in hoofd- en baardharen gevlochten, en vooral de vele mooie Indische vrouwentypen en niet te vergeten—het meest gebruikte vervoermiddel—de rickshaw, verhoogen nog den indruk, dat wij in een tropenland zijn.

In Pretoria en Johannesburg is het niet fashionabel van de weinige daar in gebruik zijnde rikshaws gebruik te maken, maar hier in Durban zet iedere dame of heer zich onbeschroomd, zelfs ’s avonds in het gekleedste avondtoilet, in een rikshaw en laat zich door den allerdwaast opgetuigden kleurling naar de plaats van bestemming brengen.

Waarom die rikshaw-mannen zich zoo raar optuigen, weet ik niet. In het begin kan men niet nalaten, die lui van kop tot teen op te nemen, later went men aan het gezicht en stapt men, zonder verder voor zich zelf opmerkingen te maken, in de eerste de beste rikshaw die zich aanbiedt. Dikwijls hebben die mannen hunne zwarte beenen wit geverfd, alsof zij witte kousen en schoenen aan hebben, dragen zij een soort van gekleurd rokje met roode of groene lange franje, soms hebben zij zich met een vol klatergoud beplakt damescorset getooid en op het hoofd zetten zij de dwaast denkbare dingen. Groote horens zijn zeer gewild en daaromheen allerlei hel gekleurde veeren of vogelpennen, of andere dingen. ’t Is inderdaad niet te beschrijven hoe zot die menschen er uitzien, eenige photographische opnamen kunnen misschien eenigszins den indruk wedergeven, dien zij veroorzaken.

Durban wordt eigenlijk als een zeebadplaats beschouwd, doch wij zijn nu niet in het seizoen. Men zegt, dat het hier nu te heet is, doch wij vinden het lekker, aangenaam warm. Het frissche zeewindje maakt de 87 of 90 graden Fahrenheit in de schaduw heel goed te verdragen, vooral daar men hier niet loopt, doch voor elken kleinen afstand voor “een tikkie” (drie stuivers) in een rikshaw stapt. Hier is een mooi strand, een zeer mooi wandelhoofd, met groote, hooge palmboomen en een zeer lange wandelpier.

Een van de nieuwe middelen van bestaan, die hier een groote toekomst schijnt te hebben, is de walvischvangst. Vier jaren geleden is men daar voor het eerst mede begonnen onder leiding van den Noorschen heer Egeland. Dagelijks worden er gemiddeld tien tot vijftien van die beesten geschoten, zoolang het in het seizoen is en geoorloofd is ze te schieten. De heer Egeland, die ook als Noorsch consul fungeert, had de goedheid ons zelf rond te leiden en ons alles in de fijnste détails uit te leggen. Hoewel nu reeds zooveel mogelijk alles van het beest wordt gebruikt, de olie, de beenderen, het vleesch etc., krijgt men toch het gevoel, dat er nog veel verloren gaat en die dieren later nog wel winstgevender gemaakt kunnen worden. De huid gaat nog verloren; het uitgekookte vleesch wordt nog alleen voor meststof gebruikt, terwijl het een goed en smakelijk voedsel blijkt te zijn; de beenderen worden tot asch gebrand en dan ook tot meststof aangewend, terwijl men vermoedt dat ook die meer nut kunnen doen; een deel der kieuwen, of hoe die dingen mogen heeten, wordt nog alleen voor balein gebruikt, terwijl dat andere gedeelte verloren gaat en zoo meer. Men is echter nog niet ver genoeg gevorderd met deze industrie om het reeds in al zijne finesses te kennen. Toch wordt den aandeelhouders dit jaar 100 pCt. uitgekeerd en vinden 150 blanke, meest Noorsche, en ruim 200 kleurling mannen er een goed middel van bestaan door.

Den dag, die wij er waren, werden vier pas geschoten walvisschen binnengevoerd. De eerste was ruim 20 meter lang, en ongeveer 4 meter hoog. Het was een ellendig gezicht, dat groote dier met een meterlange harpoen dwars door den kop naar binnen gesleept te zien. Het wordt dan onmiddellijk in stukken gesneden en de olie er uitgekookt.

Hier zijn verder vele suikerplantages en enkele theeplantages. Tot eene bijzondere hoogte heeft zich de suikerteelt en theebouw echter niet ontwikkeld. De thee, die hier groeit, heeft geen smaak en geen geur en gaat niet verder dan de grenzen van het land en dan nog maar in de huizen der velen, die Indische of Chineesche thee niet betalen kunnen.

Over twee dagen gaan wij van hier en bijna op het laatste oogenblik werden wij in kennis gesteld met een heel leelijke verandering, die de Union Castle Co. voor onze reis gemaakt heeft. Dat men ons niet eerder met deze wijziging in kennis bracht, vindt een verontschuldiging, dat wij reizende en trekkende waren en de brieven ons niet altijd bereikten. Men zegt ons naar Bulawayo geschreven te hebben, doch daar wij, terugkomende van de Victoria Falls, niet in Bulawayo stopten, is die brief niet in onze handen gekomen. Men heeft eenvoudig voor de Dunvegan Castle, die Maandag zou gaan, de Avondale Castle in de plaats gebracht, een veel kleiner, ongeriefelijker en zeer oud schip. Nu heeft men, om ons tegemoet te komen, de vier dekhutten, elk een geheele hut, voor ons disponibel gesteld, maar de hutten zijn zeer klein en wij zijn geen van allen over deze wijziging te spreken. Er is echter niets aan te doen; eerst over een maand gaat er een andere boot van deze maatschappij en in Juli hebben wij in Londen onze plaatsen reeds genomen, zoodat wij niet met eene andere maatschappij kunnen gaan, zonder onze overtochtskosten te verliezen. Wij maken nu maar geen bezwaren, praten elkaar in, dat het nog wel zal meevallen, dat zoo’n kleine boot toch ook voordeelen heeft en wij hopen allen innig, dat onze voorspellingen zullen uitkomen.

Of mijne eerstvolgende brieven zoo geregeld elke week zullen komen, durf ik niet voorspellen, want wij gaan nu tot 18 November aan boord en ik weet niet, vanwaar ik de volgende brieven kan posten, zoodat zij wekelijks in Holland aankomen. Misschien is er aan de verschillende aanlegplaatsen daartoe gelegenheid.

21 October 1911.

Aan boord van de Avondale Castle.

24 Oct. 1911. De laatste twee dagen in Durban, waarin zooveel uitstapjes voorgenomen waren en nog aan zooveel afspraken moest worden voldaan, vielen leelijk tegen, omdat wij door hevige onweersbuien, storm en stortregens het hotel niet konden verlaten en gebonden waren in onze kamers te blijven. Een goede gelegenheid om de koffers te pakken en ons voor de langdurige zeereis voor te bereiden.

Toen wij gistermorgen moesten afreizen, was het weder nog niet weer bedaard en de hevige storm, die de zee recht woelig maakte, deed ons een beetje tegen de reis opzien. Maar er viel niet veel aan te doen, de boot zou om twaalf uur vertrekken en wij moesten mede. Wij hadden ons erg bang laten maken voor de Avondale Castle; het was een klein schip, een oud schip, niet zeewaardig schip en nog veel meer en enkele vrienden drongen er zelfs op aan, om ons vertrek uit te stellen, omdat men het gewaagd vond, met zoo’n schip een zoo groote reis te ondernemen. Het kon ons niet erg meer tegenvallen, hoewel de kleinheid van het schip en de nauwe, kleine hutten, ons toch een kleine schok gaven. Niettegenstaande men voor ons de vier beste hutten, en elk een geheele hut, gereserveerd had, moesten wij ons toch eerst aan het gezicht er van gewennen, alvorens wij er mede verzoend raakten. Zeer lastig was het al reeds, dat onze hutkoffers, in alle gewone booten in de hut passende, te groot waren voor deze hutten, zoodat wij onze bagage in onder- of bovenbed moesten opstapelen. Van eenige comfort was ook geen sprake. De Avondale Castle is een vrachtboot, die ook passagiers medeneemt. Het is jammer, dat de Union Castle lijn, als zij zulke booten onverwacht in de plaats van een goede boot stelt, niet de reiskosten er van verlaagt, zoodat de passagiers weten, waarvoor zij al de ongemakken te verduren hebben. Nu verbittert de omwisseling der booten menigeen aan boord en daarvan zal de Duitsch-Oost-Afrikalijn de rijpe vruchten plukken.

Het was te voorzien en iedereen had het ons ook voorspeld, dat wij het op deze geheele reis snikheet op de boot zouden hebben, zoodat wij alleen de dunste zomerkleederen gebruiken konden. Daarom hadden wij alle warme kleederen zorgvuldig weggeborgen. Het onweder, de regen en de storm heeft de temperatuur echter zoo afgekoeld, dat het er meer van heeft, dat wij ons op den weg rond de Noordkaap bevinden, dan in het warme seizoen in den Indischen Oceaan.

Spoedig na de lunch, gistermiddag, vonden al de met zeeziekte geplaagde menschen het raadzaam zich te bed te leggen, want nauwelijks waren wij in zee of de woeste golven deden ons kleine vaartuig op en neer en naar rechts en links slingeren en een enkele keer kwam zelfs een brutale golf ons opperdek geheel besproeien. Toch hielden mrs. Catt en ik het kranig vol in onze dekstoelen en lazen ieder een heel boekdeel uit.

Om eerlijk te zijn, moet ik evenwel bekennen, dat ik het theeuurtje liet passeeren en om 7 uur mijn diner maar boven liet brengen; ik waagde het niet naar de eetsalon te gaan.

Er zijn nog slechts weinige passagiers aan boord, omdat de meesten eerst in Lorenzo Marquez arriveeren, waar wij vanmiddag om vier uur landen. Een vlugvarende boot zou ons er eerder brengen, maar de Avondale Castle kon niet sneller tegen den wind inkomen. We zullen echter tot Woensdagavond in Lorenzo Marquez blijven, lang genoeg om van dit stadje eenige indrukken mede te nemen.

25 Oct. Het was half vier gistermiddag toen wij de Delagoabaai binnenstoomden, maar het werd toch vijf uur, alvorens wij in Lorenzo Marquez aan de aanlegplaats vastgemeerd lagen en ons aan wal konden begeven. Evenals in Europeesche havens bij het binnenkomen der booten steeds tal van stoere kerels staan, die niets anders dan ruwe arbeidskracht—een paar stevige armen en beenen—in ruil voor levensonderhoud hebben aan te bieden, zoo stonden ook hier eenige honderden groote, steviggebouwde Zulumannen gereed om aangemonsterd te worden voor het laden en lossen van het schip. Een klein deel kon maar gebruikt worden; sommigen bleven wachten of er misschien toch nog iets voor hen te verdienen viel, alle anderen dropen teleurgesteld af.

Lorenzo Marquez is een aardig Portugeesch stadje, dat een vroolijker, vriendelijker en meer afgewerkten indruk geeft, dan alle andere steden, die wij in Zuid-Afrika zagen. Het is klein, heeft ongeveer 10.000 inwoners, waarvan zoowat de helft blanken zijn, maar het vertoont eene levendigheid in winkeluitstalling, openlucht-café’s en straatverkeer, dat het den indruk maakt, alsof het minstens tienmaal zooveel grooter bevolking heeft.

Wij gingen eerst de stad doorkruisen, om een algemeenen indruk te krijgen en vanochtend, direct na het ontbijt, gingen wij weer de bijzonderheden zien. Wij begonnen met een tramrit door en rondom het stadje en zagen toen de talrijke mooie villa’s met prachtige tuinen. Daarna begaven wij ons naar den stadstuin, die tegelijkertijd een botanischen tuin is. Daar zagen wij een groote verscheidenheid van voor ons de vreemdste bloemen en planten, allen met de latijnsche namen gemerkt, zoodat wij tenminste de familie konden vaststellen.

Het schilderachtigste en amusantste was de marktplaats. Het was een gedeeltelijk overdekte hal, waar vleesch, visch, groenten, vruchten, bloemen en planten en bovendien alles, wat onze Nieuwmarkt oplevert te koop werd aangeboden. Het waren bijna allen kleurlingen die er kochten en verkochten. Om ongeveer elf uur kwam er plotseling een groote levendigheid op het open gedeelte van de marktplaats, door de aankomst van eenige dozijnen Zuluvrouwen, velen met een kind op den rug gebonden, doch allen voorzien van een groote ijzeren pan vol eten en eenige tinnen borden en een soort van houten lepels, die veel van platte houtjes hadden. Deze vrouwen zetten zich in een ronden kring op hare hurken neder en begonnen den inhoud van den ijzeren pot aan den man te brengen. Het was gekookte rijst of maïspap of vruchtenbrei, dat voor een of twee pennies een bordvol aan de mannen verkocht werd. De moedertjes hadden drukke nering en elken keer als een der mannen zijn bord geledigd had en verzadigd was, werd het bord door het moedertje eerst met haar voorvinger en daarna met haar rooden tong zorgvuldig schoongelikt, alvorens het opnieuw gevuld en het maal te koop aangeboden werd. De volgende kooper liet zich echter door deze wijze van reiniging niet afschrikken en hapte de pap of brei met groote smaak op.

Vroeger dan wij verwacht hadden, verlieten wij hedenmiddag de Delagoabaai weder. De lading was reeds om twee uur gelost en er viel niet veel in te laden, zoodat wij met een bijna geheel leeg schip de reis voorloopig moeten voortzetten. Even vóór den Johannesburgtrein om vier uur binnen kwam, die verscheidene passagiers voor ons medebracht, brak plotseling zulk een hevig onweder los, als wij in ons land zelden bijwonen. Van twee kanten zette het vuur van den hemel ons telkens in een lichtgloed en de daarop volgende donder barstte met zoo’n geweld vlak boven onze hoofden los, dat het ons allen in zenuwachtige spanning hield, en de regenvloed, die met dit onweder vergezeld ging, bracht al de nieuwe passagiers drijfnat aan boord. Niettegenstaande wij vastgemeerd lagen, bracht toch de storm de zee zóó in beweging, dat het schip onophoudelijk heen en weer bewoog. De storm was zóó hevig, dat de kapitein het veiliger vond vooralsnog de haven niet te verlaten, doch wij hoorden, hoe de loods hem wist over te halen toch maar te gaan, omdat het toch minstens twee uren zou duren, alvorens wij de baai uit waren en tegen dien tijd zou het weder reeds lang bedaard zijn.

26 Oct. De storm was echter na twee uur niet bedaard en was na afloop van het diner nog zóó hevig, dat alles, wat niet vastzat, van het dek af vloog, als het niet tijdig door de stewards in veiligheid was gebracht. De golven sloegen onophoudelijk over het schip en het was voor ons, die op het opperdek huisden, onmogelijk van de eetkamer naar onze hutten te komen zonder door een stortzee drijfnat gegooid te worden. Niet alleen de deuren, maar ook de raampjes van onze hutten moesten gesloten blijven, omdat de golven zelfs daardoor naar binnen ploften. Het schip hield zich onder deze omstandigheden, zooals een klein, bijna ongeladen schip zich in zulke omstandigheden gedragen moet, het—om het poëtisch uit te drukken—dobberde op de baren.

Onder onze medepassagiers is er tot dusver slechts één de vermelding waard. Het is een nog betrekkelijk jongmensch, die reeds vijf keer de heele wereld doorreisde, in alle vijf werelddeelen was en die grondig doorzocht. Hij is reizend agent voor eenige groote Engelsche huizen, voor zoover hij met zijn reizen zijn levensonderhoud verdient, maar voor zijn persoonlijk genoegen bestudeert hij verschillende sociale toestanden in de verschillende deelen van de wereld. Het is een genot met dien man te spreken en daar hij aan tafel mijn buurman is, maakt hij elken maaltijd tot een geestelijk genoegen. Hij voorziet Mrs. Catt en mij voor onze verdere reis van de meest waardevolle inlichtingen. Jammer, dat hij ons in Mombasa reeds verlaat, omdat hij van daar per trein naar Nairobi wil, om Centraal Afrika te bestudeeren en dan in Mombasa terugkeert, om van daar naar Britsch-Indië te gaan.

Met vele onzer medereizenden maken wij niet eens kennis, omdat er velen onder zijn, die gerangschikt kunnen worden onder “vlottende bevolking”. Zij komen in de eene haven aan boord en verlaten ons in de volgende weder.

27 Oct. Vanmorgen, om tien uur, kwamen wij voor de baai van Beira aan, doch door den lagen waterstand konden wij de baai niet opvaren. Het anker werd uitgeworpen en daar lagen wij doodkalm te wachten tot de vloed zou opkomen, die ons vergunde verder te gaan. Om ruim vier uur kwam de loods aan boord en bracht ons toen weldra veilig tot dicht voor Beira. Doch het was reeds zeven uur, voor den Portugeeschen dokter en de Portugeesche politie zich overtuigd hadden, dat alles “wel was aan boord” en dat wij geen contrabande binnensmokkelden.

Deze kalme dag gaf al de zeezieken aan boord gelegenheid om te bekomen, en daar wij morgen niet eerder kunnen vertrekken, vóór de vloed ons weder ruim sop geeft, valt er voor hen in elk geval nog op een kalmen dag te rekenen. ’t Is te laat, om vanavond nog aan land te gaan, daarom vermaken wij ons maar met het gezicht op de lichten van Beira, het Portugeesche stadje, dat van verre zoo vlak en onbeduidend lijkt.

Toen zoo even ons orkestje, dat uit vijf personen bestaat, die ook als kellner, schoenpoetser, koperpoetser en meer dienst doen, zijne valsche tonen de lucht inzond, kwamen op die muziek tal van roeibootjes met zwarten bemand, van de landzijde aanroeien, en is nu het schip totaal omsingeld met stil luisterende negers.

28 Oct. Vanochtend gingen wij direct na het ontbijt, met een van de electrische bootjes, die onophoudelijk om het schip ronddolen, naar land om een kijkje in Beira te nemen. De zon stond reeds hoog aan den hemel en ofschoon het op het schip aangenaam frisch was, was het in het stadje toch snikheet. Beira is een heel eigenaardig Portugeesch stadje met nog geen 4000 inwoners, waarvan ongeveer het vierde deel Europeanen zijn. De inboorlingen gaan hier weder geheel naakt, alleen een broekje of, in de meeste gevallen, een sarong, dragende. Het zijn meerendeels groote, mooie, stevig gebouwde mannen; vrouwen zagen wij bijna niet. Al deze zwarten maken een bijzonder goedaardigen indruk en doen al het zware en vuile werk, dat hen door de witmenschen, voor zoo goed als geen betaling wordt opgedragen.

Waar zij die zwarten niet voor durven gebruiken! Wij passeerden hier en daar een kantoor, waarin eenige blanken zaten te schrijven. Boven hunne hoofden hingen een soort van zware gordijnen, die door een daaraan bevestigd touw, dat door een opening in den muur ging, door buitenstaande zwarte mannen heen en weder werd bewogen, zoodat op die wijze de kantoorheeren een koeltje wordt toegewaaid, zonder dat zij de geur, die de zwarte mannen verspreiden, in hun kantoor krijgen.

Beira lijkt in geen enkel opzicht op de kleine of groote steden, die wij in Zuid-Afrika zagen. Het heeft zijn eigen en eigenaardig aspect. De huizen, bijna allen houten gebouwen, zien er met hunne open voorgalerijen min of meer Oostersch uit en de heele stad is langs de wegen en op open plekken ruimschoots beplant met allerlei soort tropische vruchtboomen. Vooral de vruchtdragende cocosnootboomen, die wij hier voor het eerst opmerkten, trokken bijzonder onze aandacht. Verder tal van andere vruchtboomen, waarvan ik te voren het bestaan niet kende en van welks vruchten men eerst aan de smaak moet gewennen, om ze goed te kunnen waardeeren. Vele van de vruchten die wij hier aan den weg vonden, en die bij de maaltijden op het schip op de tafels verschenen, zijn zeer smakelijk, doch zij bezitten geen marktwaarde, omdat zij niet verscheept kunnen worden en niet te bewaren zijn. Zoodra zij rijp zijn, moeten zij genuttigd worden.

De groote eigenaardigheid van Beira is, dat het geene bestrating heeft; alleen een smal trottoir vlak langs de behuizing. Overigens bestaat de grond uit droog, wit zand, waar men tot over de enkels inzakt als men den weg wil oversteken. Het eenige middel van vervoer in de heele stad is een soort trolley, die door inlanders voortbewogen wordt. In elke trolley kan slechts één of twee menschen vervoerd worden. Door de heele stad zijn vierdubbele, smalle rails gelegd, waarover de trolleys gerold worden. Elke Europeaan heeft zijn eigen trolley en een jongen om hem voort te bewegen. Alleen van de hotels kan men soms één of meer dier dingen huren. Wij moesten natuurlijk van dat voor ons nieuwe vervoermiddel gebruik maken, alvorens wij tevreden waren en daarom stapten wij naar het hotel in Beira en verzochten ons voor eenigen tijd zoo’n ding te verhuren. Voor goed geld werd aan ons verzoek voldaan en weldra trollieden wij, twee aan twee, door Beira’s straten. Nadat wij op die wijze het stadje aan alle kanten hadden doorkruist, in eenige winkels waren afgestapt, om wat curiositeiten te zien en te koopen, lieten wij ons naar de haven brengen, waar wij weldra het bootje vonden, dat ons weder veilig naar onze boot terugvoerde.

Om vier uur was de lading binnen, die voor een deel uit rubber en voor een ander deel uit ruwe katoen bestond; dit laatste met de bestemming naar Rotterdam. Om vijf uur stoomden wij weg, nu door mooi weder begunstigd. Het kleine briesje is juist sterk genoeg, om het op het schip aangenaam koel te maken. Van overgroote hitte hebben wij tot dusverre aan boord nog geen last.

29 Oct. Toen ik vanochtend mijn hoofd voor het eerst naar buiten stak, lagen wij tot mijn groote verrassing, midden in zee, zooals het scheen, voor anker. Ik had er niets van gemerkt en door al de daaraan verbonden geluiden heen geslapen. Wij waren voor Chinde aangekomen. Het bootje van de Duitsch-Oost-Afrikalijn (die maatschappij schijnt meester van deze haven te zijn) bracht ons een paar nieuwe passagiers aan boord en kwam de passagiers afhalen, die voor Chinde bestemd zijn. De kapitein van dit scheepje kwam echter de mededeeling doen, dat de vertrekkende passagiers niet voor ’s avonds onze boot konden verlaten, omdat het onmogelijk was Chinde te bereiken, alvorens de vloed weder opgekomen zou zijn. Wij waren nog vijf mijlen van Chinde verwijderd, door den lagen waterstand was het onmogelijk, nader bij dit plaatsje te komen en zelfs het kleine, Duitsche bootje moest blijven liggen tot de vloed hoog genoeg was, om het terugkeeren mogelijk te maken.

Daar lagen wij nu, doodstil, en dat nog wel op een Zondag op een Engelsche boot. Er zijn onder de passagiers echter nog al veel Amerikanen, Belgen, Denen en Noren, zoodat de Zondagsheiliging niet zoo heel strikt wordt genomen. De Engelschen vormen eigenlijk hier een kleine minderheid. Het was toch een volmaakt rustige dag, zooals ik er langen tijd geen doorbracht.

Om acht uur werden eindelijk vanavond de vertrekkende passagiers overgeladen in het Duitsche bootje. Dat gebeurde op een voor mij geheel nieuwe wijze. Bij groepjes van twee en drie werden zij in een groote mand uit onze boot geheschen en in de kleine boot neergelaten. Net hoopjes pakgoed!

30 Oct. Nadat wij de passagiers van Chinde kwijt waren, koos onze boot weder zee en begaven wij ons op weg naar Mozambique. Daar hopen wij morgen aan te komen en aan wal te kunnen gaan. De kapitein kon ons echter daarvan niets verzekeren, hij en de eerste officier, de scheepsdokter en eigenlijk de heele bemanning, doen de reis voor de eerste keer en op al onze vragen, krijgen wij steeds ten antwoord: “Ik kan er U niets van zeggen, ’t is voor ons alles even nieuw als voor U”. Wij zitten nu in afwachting wat de dag van morgen ons voor verrassing zal brengen.

31 Oct. Het was inderdaad eene verrassing, die dezen dag ons bracht. Direct na het ontbijt kregen wij Mozambique in het gezicht, dat daar lag, romantisch mooi onder den strak blauwen hemel en aan het witte strand. Van verre gezien, leek het een stad van kasteelen, allen pas nieuw gebouwd. Maar wij wisten, dat Mozambique, eens de hoofdplaats van Portugeesch Oost-Afrika, meer dan vier eeuwen oud is en dat de meeste groote gebouwen daar reeds eenige eeuwen staan. Eerst passeerden wij het eilandje St. George, met niets dan een bijzonder groote en vreemdgebouwde lichttoren er op. Al de huizen, die er eens gestaan hebben, zijn door de zee weggespoeld. Daarna naderden wij Mozambique, het eeuwenoude stadje, dat gebouwd is op een eiland van koraalrif. Wij wisten niet, wat meer was te bewonderen, het gezicht op de stad, of de prachtige kleurschakeering, die de zee rondom het eiland te zien gaf. De sterk groene en violette kleuren gingen ongemerkt in elkaar over en gaven een kleureffect, dat zelden overtroffen wordt.

Nog vóór het schip voor anker lag, waren wij door talrijke zeil- en roeibootjes omstuwd, die de passagiers aan wal wilden brengen of die vol geladen waren met de mooist gekleurde en zeldzaamste schelpen en stukken rood en wit koraalrif, die de passagiers voor enkele pennies konden koopen. Geheele manden vol werden door velen voor een shilling gekocht. Het was een gejoel en gekibbel daar beneden onder dat zwarte volkje, om het eerst naar boven op het schip te komen, en dit geroezemoes werd nog versterkt door de tallooze kleine zwarte joggies, die soms geheel van de wal kwamen aanzwemmen, om een in het water geworpen penny van den bodem op te rapen. Sommige van deze duikertjes kwamen in een zeer primitief bootje, een uitgehouwen boomstam, aanroeien. Het roeien deden ze met de handen en zoo vlug, dat zij een gewone boot konden bijhouden.

Wij hadden spoedig één van de bootjes aangeklampt om ons aan wal te brengen en ofschoon de zon fel door onze witte blouses brandde, stapten wij toch moedig aan land, om de bijzonderheden van dit stukje wereld in oogenschouw te nemen. Onze Amerikaansche reisgezellinnen gaven het echter spoedig op, tenzij zij een rickshaw konden krijgen. Dit was niet gemakkelijk omdat deze dingen er niet te huren zijn, een witmensch heeft zijn eigen rickshaw en verhuurt die niet. Wij, twee Hollanders, stapten door en nadat wij de stad en daarna de buurt, waar de inlanders wonen, door waren, stonden wij plotseling voor een zeer groot gebouw, uit witte en gele kalksteen opgebouwd, dat rondom door een tuin met groote palmboomen, cocosnootboomen, peperboomen, in vollen bloei, en andere tropische boomen, omgeven is. Het was het gouvernements-ziekenhuis; dat zag er zoo belangwekkend uit, dat wij besloten naar binnen te gaan. Allervriendelijkst werden wij er ontvangen en tot onze verbazing bemerkten wij, dat in dit eeuwenoude gebouw de tijdgeest toch was doorgedrongen en er zijn goeden hygiënischen invloed heeft uitgeoefend. De republikeinsche regeering van Portugal heeft hier de verpleegsters, Fransche nonnen, tot de Franciskanerorde behoorende, nog niet verdreven en door zoogenaamde wereldsche verpleegsters laten vervangen.

Wij ontmoetten in dit gebouw een Engelsch jongmensch, die behalve de moderne talen, ook Portugeesch en drie inlandsche talen sprak. Hij bood aan ons te vergezellen en ons de merkwaardigheden van het stadje te laten zien. Hij had bovendien ook een rickshaw en een paar zwarte bedienden, om ons te trekken.

Gaarne maakten wij van dat vriendelijke aanbod gebruik en de paar zeer aangename uren in zijn gezelschap doorgebracht, hebben hem tot onzen vriend gemaakt.

Wij zullen de vriendschap met hem onderhouden, door hem op zijn verzoek, van tijd tot tijd geïllustreerde tijdschriften toe te zenden, om hem een beetje met de beschaafde wereld in contact te doen blijven.

Het meest interesseerde ons het oude kasteel, dat in het begin der 16e eeuw daar was nedergezet, en waarvan elke steen op de toen primitieve booten van Lissabon moest worden aangevoerd. Op architectonisch gebied moge dit stuk bouwwerk een meesterstuk zijn, de historische herinneringen er aan verbonden, strekken het land echter niet tot eer. Alleen ’t gezicht van de plek, waar de slaven nog niet zoo heel lang geleden verkocht werden, en de ondergrondsche gangen, waar zij, aan ketenen gebonden, wachten moesten tot zij voorgevoerd werden, veroorzaakten bij mij eene huivering op dezen snikheeten morgen. Nu wordt deze plaats gebruikt voor de zoogenaamde misdadigers, allen zwarte, dikwijls jonge mannen, die de wetten overtreden hebben, door ons witmenschen ingesteld, waarvan zij onmogelijk de beteekenis kunnen vatten en de waarde kennen.

Toen wij ’s middags door onzen jongen, sympathieken geleider aan boord teruggebracht waren, was ’t inladen van het schip afgeloopen en kon de reis worden voortgezet. De lading bestond hier in honderden tonnen copra, een stof uit cocosnoot verkregen en voor de bereiding van zeep gebruikt. Verder boonen, waaruit ricinus-olie geperst wordt, die hier aan struiken in het wild groeien, koffieboonen en ruw katoen. Katoenboomen komen hier overal in menigte voor.

Onwillekeurig vraagt men zich af, wanneer men dit smalle streepje grond, dat Portugal hier aan Oost-Afrika’s kust bezit, bekijkt en dat voor Duitschland en Engeland, die er rondom hunne bezittingen hebben, toch begeerenswaard lijkt, “hoe lang zullen deze twee groote mogendheden Portugal nog in het bezit er van laten?” Het antwoord, dat ik op die vraag kreeg, is nog al karakteristiek. Het was een Britsch officier, die het mij gaf: “Zoolang dat plekje grond Portugal nog geld kost, kan het gerust in het bezit er van blijven, zoodra het winstgevend kan gemaakt worden, zullen Engeland en Duitschland over de verdeeling er van wel tot overeenstemming komen.”

Op het oogenblik wordt dat grondgebied door een Engelsche mijncompagnie grondig onderzocht of er iets van waarde uit den grond of van de bergen te halen is. Het komt mij voor, dat het te hopen is, dat er niets gevonden wordt. Het goud en de diamanten, in Zuid-Afrika gevonden, hebben rijkdom, aan enkelen, doch ellende aan onnoemlijk velen gebracht.

1 Nov. Wij zijn nu op weg naar Zanzibar, de meest interessante van alle havenplaatsen, die wij aandoen. Wij hopen er morgen te landen.

De hitte op het schip was vandaag zeer groot.