In Palestina.

Wij hadden niet veel rust in Port Saïd genoten, want, nadat wij Zaterdagavond omstreeks middernacht in ons hotel waren aangeland moesten wij het Zondagmiddag om twee uur reeds weder verlaten. In dien tusschentijd moesten wij de verschillende kantoren afloopen om geld op te nemen, (onze credietbrieven geven bijna in elke stad voor ieder van ons een verschillend kantoor op); moesten wij onze vice-consuls over onze paspoorten spreken, moesten wij onze koffers bij Cook onderbrengen en moesten mrs. Catt en ik onze plaatsen bespreken voor een in Januari naar Colombië vertrekkende boot. Wij waren dan ook dood moe, toen wij op de boot aankwamen die ons naar Jaffa zou voeren, en wij namen ons voor in Jaffa een dag rust te nemen, alvorens wij onze pelgrimstocht door Jeruzalem zouden aanvangen. Wij zouden niet in zoo’n haast zijn afgereisd als niet de boot, die Zondagmiddag vertrekken zou, ons bijzonder was aanbevolen en een volgende boot van die lijn, de Khedivian lijn, eerst dagen later zou gaan.

Landingsplaats in Jaffa.

Landingsplaats in Jaffa.

Om ruim twee uur verlieten wij ons hotel en ofschoon de boot, die ons zou herbergen, geen tien minuten van ons hotel verwijderd lag, duurde het toch ongeveer een uur, alvorens wij er waren aangeland. Even moeilijk als men in Port Saïd binnenkomt, met even-zoovele moeilijkheden heeft men te kampen om er uit te komen. Even goed als wij den vorigen avond eerst in twee verschillende bureaux onze namen in een boek moesten inschrijven, daarmede verklarende, dat wij gezond zijn, geen contrabande invoeren en brave menschen zijn, doch daarna toch nog bij de douanen gevisiteerd werden, omdat men ons op onze eerlijke gezichten en op ons woord en handteekeningen niet geloofde, zoo moesten wij nu al diezelfde formaliteiten weder ondergaan, maar nu om het bewijs te leveren, dat wij niets uit het land uitvoerden. Goed dat wij een dragoman bij ons hadden, want wij zouden met ons zuiver geweten en in kinderlijke onschuld recht door naar het schip zijn gegaan. Voor het bewijs, dat wij gezond zijn en niets te verbergen hebben, moesten wij ieder vier stuivers betalen.

Op de boot troffen wij een ander soort passagiers dan op andere booten. Niet zoozeer onder de eerste klasse passagiers, die waren voor een deel toeristen als wij, voor een ander deel mannen en vrouwen, zendelingen en handelslieden. Maar onder de derde klasse en bovendeks- en tusschendekspassagiers was een groot verschil. Onder de eerstgenoemde was een heele bezending Turksche dames, waarvan geen stukje van het lichaam te zien was, zoo dicht waren zij van het puntje van hun hoofd tot aan de teenen in zwarte doeken gehuld. Dan waren er Bedouïnen en Fellahinen, Syriërs, Armeniërs en nog meer van dat soort in groote hoeveelheid.

Wij hadden op de boot een beter diner dan wij in lang genuttigd hadden en alles was er even zindelijk en goed. Om 7 uur hedenochtend landden wij in Jaffa, dat wil zeggen, zoo dicht bij als de boot ons brengen kon, want daarna moesten wij in roeibooten aan land gebracht worden. Het was gelukkig prachtig weder en de zee zoo stil, als men zich maar wenschen kan en toch is die landing in Jaffa niet geheel en al ongevaarlijk. De rotsige ondergrond, rotsen, waarvan de vinnige punten een halven meter hier en daar boven de zee uitsteken en de bijna steeds aanwezige branding hebben al menigen passagier het leven gekost. Wij hebben dan ook al vastgesteld, dat wij alleen bij kalm weder van hier zullen vertrekken en in geval van storm liever eenige dagen langer zullen blijven.

Wij hebben in de laatste weken veel gezien en ondervonden en toch, hetgeen wij vanmorgen zagen, toen wij van de landingsplaats naar het hotel gingen, heeft ons geheel in verbazing gezet. De indrukken, die ik in dezen eenen dag opdeed, zijn zoo vele en zoo intens, dat ik niet weet, waarover het eerst te moeten schrijven. De algemeene indruk is, dat het mij voorkomt, dat elke predikant of priester of rabbi, eerst naar Palestina gezonden moet worden en hier eenigen tijd moet doorbrengen, alvorens zijne opleiding als voleindigd beschouwd zal kunnen worden. Eén dag hier doet den bijbel beter begrijpen, dan jaren van studie doen. Het heele oude testament staat op eens levendig voor je geest. Een andere algemeene indruk is, dat de afstammelingen van Abraham, Izaak en Jacob in die meer dan 5000 jaar niet veel van uiterlijk zijn veranderd en dat de achter-kleinkinderen van de twaalf zonen van Jacob er uitzien, alsof zij nog in staat zijn hun broertje Benjamin voor een ezelsvel—of was het wat anders—te verkoopen.

Baedeker zegt, dat men hier de Mohammedanen, Joden en Christenen aan hunne kleeding kan herkennen; dat is maar goed ook, want, volgens hun uiterlijk zou men ze zeker allen onder de zonen van Israël rangschikken. En wat de straten en die menschen er allen vies en vuil uitzien, dat is niet te beschrijven. De Batavierstraat en Uilenburg in Amsterdam zijn er met hunne bewoners heilig bij. Toch is dat alles schilderachtig mooi. Als men daar zoo’n karavaan kameelen, zwaar beladen, door zoo’n nauwe straat vol kleurig gekleede mannen en vrouwen ziet gaan, of een troep ezeltjes, ieder met een Mohammedaan er op, of oude huisvaders op hun laag stoeltje voor hun winkeltjes ziet zitten, dan blijft men staan en zou graag van dat alles een afbeeldsel nemen, maar een fotografie of teekening kan onmogelijk de kleurschakeering en levendigheid weergeven, die het in werkelijkheid bezit.

In ons hotel “Hotel Jeruzalem”, hebben de kamers geen nummers, maar alle een bijbelsche naam. Mrs. Catt, die haar kamer naast de mijne heeft, logeert in Ruben en ik in Dan. De bijbelsche kennis van ons vier is niet toereikend om uit te maken waardoor mijnheer Dan zich beroemd gemaakt heeft, en terwijl ik vlijtig zit te schrijven, zitten mijne drie reisgenooten in den bijbel deze en dergelijke bijzonderheden na te pluizen. Het hotel is gelukkig zindelijk en goed en ligt in de buurt, waar de Duitsche bevolking woont, dat is in eene der voorname straten, als men ten minste dien term gebruiken kan.

Weeklagende Joden bij het stuk oude muur in Jeruzalem.

Weeklagende Joden bij het stuk oude muur in Jeruzalem.

Van het voornemen, om hier een dag rust te nemen, is natuurlijk niets gekomen. Den heelen morgen waren wij in de straten en op de markt en met een gids van hier hebben wij een contract afgesloten om ons door Palestina te voeren. Dat contract nam direct na de lunch een begin en om half twee waren wij dan ook reeds alle vier gereed, om per rijtuig de kolonie, door Rothschild uit Parijs dertig jaren geleden hier gesticht, te bezoeken. Deze kolonie is ruim acht mijlen buiten Jaffa gelegen en, ofschoon de weg allerbedroevendst was, bracht toch de geheele tocht ons een en al in verrukking. Het was heerlijk weder, niet te warm en niet te zonnig en daar zaten wij, met onzen Engelsch, Fransch en Duitsch sprekenden gids naast den koetsier om ons alles te verklaren, den geheelen weg over te genieten van alles, wat wij passeerden. Wij reden voorbij oude bronnen, groote oude graftomben, langs sinaasappelplantages; wij zagen uitgestrektheden land beploegen met ’n kameel of een os voor ’n ééntandsche ploeg bespannen; wij zagen Bedouïnen in hunne primitieve hutten, en licht en eenvoudig landbouwwerk verrichten; wij zagen kudden schapen en geiten, en menschen die zoo uit den bijbel in levenden lijve voor ons stonden; wij reden langs de vlakte van Sharon en zagen de vrouwen en meisjes water uit de bronnen halen en ezels en kameelen zich laven met het koele vocht; wij zagen de roos van Sharon in menigte bloeien en daarnaast de leliën van het veld en narcissen en irissen en dat alles eerst in mooi, helder daglicht en terugkomende in een prachtige avond-schemering. Nooit zag een van ons zoo’n mooien zonsondergang als hedenavond, waardoor de heuvels van Juda in een teer violette kleurschakeering gezet werden, waaraan wij ons oog niet konden onttrekken. Het was alsof wij in een sprookje leefden.

Straat in Jaffa.

Straat in Jaffa.

Maar in de kolonie Richon le Zion zooals die door Baron Rothschild gedoopt is, is alles werkelijkheid. Rothschild heeft hier ongeveer 30 jaar geleden ruim 600 hectaren bouwgrond gekocht en wat geld disponibel gesteld voor de Russische en Roemeensche Joden, die uit hun land verdreven werden.

Op dien grond en met dat geld zijn die menschen hier een wijndruiventeelt begonnen en hebben wijn gefabriceerd. Vier en twintig jaar geleden heeft Rothschild hen met geld geholpen om een wijnkelder te bouwen, geheel op denzelfden voet gebouwd en ingericht als die te Bordeaux, die de grootste en beste van de geheele wereld moet zijn. Deze hier volgt in grootte direct op dien te Bordeaux. De zaken gingen zoo goed, dat achttien jaar geleden Rothschild geheel kon worden afbetaald en alles nu aan de kolonie toebehoort.

Hoewel deze kolonie hoofdzakelijk uit Russen en Roemeniërs bestaat, zijn er toch ook enkele Duitsche, Fransche en Engelsche Joden onder. De kolonie bevat ongeveer honderd families. Zij werken coöperatief, dat is te zeggen, elke familie woont in eigen huis en bezit haar eigen stuk grond, dat groot of klein is.

De druiven worden in de fabriek bewerkt en naar gelang men inzendt, wordt men uitbetaald. In de fabriek werken losse arbeiders, die in loondienst zijn; dat zijn geen kolonisten, doch wel bijna allen Joden.

Eenige jaren geleden heeft de kolonie groote verliezen geleden, doordat zij voor haar wijn geen uitweg vond. In het land kon niet meer verbruikt worden en voor het buitenland had men geen afnemers. De kelder lag toen vol. In dien tijd zijn toen vele kolonisten begonnen hunne druiven uit te roeien en er sinaasappelen en amandelen en andere vruchten voor in de plaats te kweeken. Na de moeilijkheden, die de wijnfabricage het vorige jaar in Frankrijk ondervond, heeft Frankrijk allen wijn, die in voorraad was, van hier opgekocht en heeft ook voor dit jaar groote bestellingen gedaan. De geleden verliezen is men daardoor te boven gekomen en daar de nieuw aangekweekte vruchten ook een goeden oogst hebben geleverd en goed verkocht worden, hoopt men door het ongeluk nog tot meerdere voorspoed te komen. De wijnfabricage bedroeg dit jaar 35.000 hectoliter.

De kolonie, die een dorpje op zichzelf vormt, ziet er veel en veel zindelijker en beter onderhouden uit dan Jaffa. Ook zagen de kinderen en volwassenen er bijna zonder uitzondering frisch en gezond en flink uit. Wij hadden nog even gelegenheid de school te bezoeken, waar de kinderen degelijk onderricht genieten en waaraan ook een cursus voor mannen en vrouwen verbonden is. Wij zagen er de kinderen, jongens en meisjes, juist een les in tuinbouw ontvangen.

In Jeruzalem.

In Jeruzalem.

Er zijn hier in de buurt nog tal van Joodsche kolonies, die alle min of meer in denzelfden geest werken en die het ook allen goed gaat. De drie grootste hier zijn Duitsche nederzettingen. Zoo oppervlakkig beschouwd, is er nog plaats voor tal van Joden, die zich hier, dunkt mij, geheel tehuis moeten gevoelen. Er ligt nog zooveel vruchtbare grond onbearbeid, en als de grond hier bewerkt wordt, geschiedt dit op zoo’n primitieve wijze, dat er oneindig meer uit te halen moet zijn, dan er nu uitgehaald wordt.

Dinsdagmorgen waren wij reeds bijtijds gereed om direct na het ontbijt met onzen dragoman er op uit te kunnen gaan. Het eerst reden wij naar de laatst gevormde kolonie van Zionisten, waar ook het alom bekende Joodsche gymnasium gevestigd is. Deze kolonie, waarin Russen, Duitschers, Oostenrijkers, Roemeniërs, Engelschen, etc., etc. wonen, is nog maar 2 jaar oud. De huizen zijn geheel nieuw en zijn voor het grootste deel kleine of groote villa’s. Het is duidelijk, dat de kolonie, “Tal Abib” genaamd, hoofdzakelijk uit welgestelde Joden bestaat. Zij is gelegen aan de zeekust; de grond is er vruchtbaar, alle bewoners zien er welvarend uit, voor zoover wij ze zagen. Zij zijn geen landbouwers of vruchtkweekers, zij werken ook niet coöperatief, zij hebben financieel niets met elkaar uit te staan. Het zijn kooplieden, die hun zaken in geheel Palestina of daar buiten drijven, bankiers, doctoren, leeraren en zulk soort menschen. Het meest interessante in deze kolonie, maar geheel onafhankelijk daarvan, is het Joodsche gymnasium. Deze mooie, hygiënisch goed gebouwde, groote school, die ongeveer 6 jaar geleden door den heer en mevrouw Moser, uit Engeland, gesticht werd, wordt nu door het geld van dezen en ongeveer 800 leden uit verschillende landen in stand gehouden. Ieder lid, ook in Holland zijn eenige leden, betalen jaarlijks 250 frcs. contributie. Voor ieder kind wordt van 60 tot 160 frcs. schoolgeld jaarlijks betaald, naar gelang hunne ouders welgesteld zijn. Voor ongeveer 10 pCt. der leerlingen wordt niets betaald. Elk lid heeft het recht voor zijn contributie een kind gratis te plaatsen.

Er zijn op dit oogenblik 305 leerlingen, waarvan 206 jongens en 99 meisjes, terwijl er bovendien nog 40 leerlingen in een voorbereidende klasse zijn. Voor al deze leerlingen zijn 23 leeraren en leeraressen en een directeur. Veertig van deze kinderen zijn in Jaffa geboren, doch uit ouders, die naar Palestina geïmmigreerd zijn. Tachtig kinderen zijn elders geboren en met de ouders uitgekomen. Vijf-en-twintig kinderen komen uit andere kolonies, rondom Jaffa, en van vijf-en-zestig leerlingen wonen de vaders in het buitenland en zijn de moeders met de kinderen hier gekomen om hun een goede Joodsche opvoeding te geven. Deze laatsten zijn voor het grootste deel welgestelde Russen, die hunne kinderen in Rusland niet op goede scholen geplaatst kunnen krijgen. Verder zijn er op school nog een kleine honderd weezen uit verschillende landen, die bij families ondergebracht zijn. Men is echter nu bezig een mooi pension te bouwen, waarin 60 à 70 kinderen gehuisvest kunnen worden en dat uitgaat van de vereeniging of het comité, die de school in stand houdt.

De rivier “Jordaan”.

De rivier “Jordaan”.

Het leerplan is in hoofdzaak hetzelfde als dat van de Zwitsersche scholen en ook van de leeraren en leeraressen zijn de meesten in Zwitserland gevormd. De leerlingen kunnen het op deze school tot aan de Universiteit brengen, daarna moeten zij naar Europa gezonden worden. Men denkt er evenwel over ook een Joodsche Universiteit te bouwen. In Haïfa wordt reeds een Joodsche Polytechnische school gesticht.

Behalve in alle andere wetenschappen, ontvangen de kinderen hier nog onderwijs in Arabisch, Turksch, Duitsch, Fransch en Latijn en Grieksch en al het onderwijs wordt in de Hebreeuwsche taal gegeven, zoodat zij ook deze taal grondig moeten kennen. Voor vele kinderen is dat echter te veel en daarom is het Fransch, Hebreeuwsch en Turksch of Arabisch obligatorisch gemaakt, terwijl de andere talen facultatief zijn gesteld. Natuurlijk wordt er niet alleen de Hebreeuwsche taal, maar ook de Hebreeuwsche philosophie, godsdienst en historie onderwezen; de kinderen ontvangen hier een zuiver Hebreeuwsche opvoeding. Onder de leerlingen waren er vele echt mooie Joodsche typen en allen zagen er even opgewekt en frisch en gezond uit. De geheele school met alle leeraren en leerlingen maakte een gunstigen indruk en ’t is zeker, dat deze school een groote toekomst heeft. Wij alleen leerden bij dat bezoek veel en begrijpen de Zionisten en hunne drijfveeren beter dan ooit te voren.

Ik heb over deze school zoo uitgebreid geschreven, omdat het mij voorkomt, dat vele lezers daarin belang stellen en het hoogst waarschijnlijk een school is, die eenig is in de wereld.

Nadat wij deze school bezocht hadden, gingen wij naar de plaats waar Tabitha, ook wel Dorcas genoemd, gewoond heeft en hare graftombe nog bestaat. Er is nu een Russisch klooster, waar monniken en nonnen in vrede te zamen wonen. Zij behooren tot de Grieksche kerk.

Vandaar gingen wij nog even het huis zien, waar Simon, de looier, gewoond heeft, maar ik heb nog geen tijd gehad na te zien, waardoor deze heer zich beroemd heeft gemaakt. Mijne reisgenooten beweren, dat hij Jonas gastvrijheid verleend heeft, toen die door de walvisch uitgespuwd en aan land geworpen werd, maar dat komt met de tijdrekening niet overeen.

Toen moesten wij naar huis om te lunchen en ons haasten om nog den trein van één uur naar Jeruzalem te halen. Onze dragoman vergezelt ons daarheen en zorgt voor alles. Ik zit nu in den trein dezen brief te vervolgen; een zeer comfortable eerste klasse waggon, waarin wij alleen met onzen dragoman zitten. Op onzen weg passeeren wij allerlei interessante plaatsen en bovendien is de geheele tocht belangrijk door de mooie bergpassen. Nadat wij Jaffa achter den rug hadden en de vele sinaasappelkweekerijen voorbij waren,—ik hoorde, dat er jaarlijksch 700.000 kisten sinaasappelen, iedere kist 12 dozijn stuks bevattende, alleen uit Jaffa uitgevoerd worden,—zagen wij heele akkers met olijfboomen. De olijven, die van deze boomen komen, zijn klein en alleen geschikt om er olie uit te persen en zeep van te maken. Daarna werd ons reeds spoedig de plaats aangeduid, waar de Philistijnen gewoond hebben en de plek waar David Goliath met een steen doodde. Op die plek liep nu een jong schaapherdertje achter een groote kudde schapen en geiten en die zag er uit alsof hij vergeten had dood te gaan en er nog stond van uit den tijd van David. Toen zagen wij de plaats waar Samson geboren is en waar hij begraven werd en later de cave—ik weet op het oogenblik het Hollandsche woord niet—waarin Samson in liefde ontvlamde voor Dalila. Samson en Dalila zochten hunne liefde hoog, want die cave is boven in een heel hoogen, rotsigen berg, die moeilijk te bereiken is. De holte schijnt echter nog al diep te zijn, want de kruisvaders hebben er later een heele kerk in gebouwd; nu dient zij voor een schuilplaats voor herders.

Zoo zou ik wel kunnen doorgaan met alle oud-testamentarische gebeurtenissen te vermelden, waarvan wij de plaatsen zagen waar zij voorgevallen zijn, maar dat wij door ’t land van Juda en daarna door het land van Benjamin togen en nog zooveel meer, komt mij weinig belangrijk voor. De geheele afstand tusschen Jaffa en Jeruzalem, die ongeveer 54 mijlen bedraagt, is vol van deze merkwaardigheden.

Iemand, die Palestina bezoekt, moet van een goede dosis goed vertrouwen in de verhalen, die men hoort, voorzien zijn, wil men genieten van hetgeen men ziet en hoort. Wij hebben ons voorgenomen om aan de waarheid van geen enkel verhaal te twijfelen en voor vast aan te nemen, dat de ons aangewezen plaatsen en het feit, dat er zou zijn voorgevallen, onvoorwaardelijk de ware zijn. Onze dragoman is in groote bewondering voor ons kinderlijk vertrouwen en meent ons nu en dan eens te moeten waarschuwen, dat men omtrent deze of gene plaats of dit of dat feit niet de volle zekerheid heeft.

Om ongeveer half zes bereikten wij Jeruzalem, waar wij nu eens niet in een hotel onzen intrek gaan nemen, maar in de stichting van Mrs. Spafford, de Amerikaansch-Zweedsche kolonie, die in Selma Lagerlöf’s boek “Jeruzalem”, zoo phantastisch beschreven is. Ook dr. Abraham Kuyper schijnt, zooals ik juist hoor, over deze kolonie geschreven te hebben in zijn reisbeschrijving door dit land, maar ik heb dat boek niet gelezen. Eigenlijk is het station een weinig buiten de stad gelegen en moesten wij eerst het dal van Hinnom passeeren en de hoogte van Zion bestijgen, alvorens wij de Jaffapoort bereikten, waarmede wij in Jeruzalem waren. De Amerikaansch-Zweedsche kolonie ligt even buiten de stad. Onze ontvangst was daar zeer hartelijk en weldra waren wij in onze gezellige en comfortable kamers geïnstalleerd, waar ik dezen brief nu zit te voleindigen. De afspraak met onzen dragoman is om morgenochtend zes uur af te reizen naar Jericho en de Doode Zee, vanwaar wij dan Donderdagavond hier in deze woning terugkeeren. Deze tocht gaat geheel per rijtuig en wij hebben nu nog prachtig weder, vandaar dat wij zoo’n haast maken. Men kan in Jeruzalem nooit lang achtereen zulk mooi, zonnig weder verwachten, meestal regent het hier in dezen tijd van het jaar.

De doode Zee.

De doode Zee.

Ik word nu verzocht beneden te komen om een concert bij te wonen, dat eenige kolonisten hier geven. Ik hoop over deze kolonie ook mijne indrukken te schrijven, die natuurlijk geheel persoonlijke indrukken zijn en wel hemelsbreed zullen verschillen van die door dr. Kuyper hier opgedaan. Zeker is reeds, dat alles hier in werkelijkheid geheel anders is dan Selma Lagerlöf met haar groote phantasie en prachtigen stijl er van gemaakt heeft.

II.

Het was vanochtend, 22 Nov., nauwelijks half zeven, toen de twee rijtuigen, ieder met drie paarden bespannen, reeds voor de deur stonden om ons naar Jericho te voeren. Het daglicht brak juist door en alles voorspelde weer een prachtigen dag. Wij hadden een langen tocht voor ons en de weg is niet alleen zeer bergachtig, maar ook steenachtig en vol gaten en andere ongerechtigheden. Toch klaagden wij over niets, want wij hadden te veel te zien, dat onzen geest bezig hield. Langs den geheelen weg passeeerden wij steeds troepen Muzelmannen, die met hun beladen kameelen en ezels, soms te voet, doch meestal op kameelen of ezels gezeten, hun tarwe, rogge, vruchten of andere producten naar Jeruzalem voerden. Zij kwamen van het Oosten van den Jordaan en hadden een tweedaagsche reis achter den rug. Op verschillende plaatsen zijn open vlakten, die tot rustplaatsen voor de beesten en hun geleiders dienen; daar werden dan voor een poosje de dieren ontladen, de kleurig gekleede mannen strekten zich op den grond uit en de kameelen volgden het voorbeeld van hunne meesters of deden als de ezeltjes, die poogden om met de distels tusschen de rotsen hunne magen te vullen.

Onder die Muzelmannen waren enkele vrouwen, maar het is voor ons nog heel moeilijk om van deze menschen de mannen van de vrouwen te onderscheiden. Van één ding zijn wij zeker: als zoo iemand een broek draagt, dan is zij een vrouw; draagt het mensch rokken, dan is het meestal een man, maar kan ook wel een vrouw zijn. De snor of baard moet dan de oplossing geven, hoewel ook daarnaar niet altijd valt te oordeelen.

Met den Olijfberg links, passeerden wij rechts spoedig het graf van de Heilige Maagd, waar nu de Grieken een kerk hebben. Een eindje verder, aan de andere zijde, is de tuin van Gethsemané, waar nu Franciskaner monniken wonen. In dien tuin staan nog acht oude olijfboomen, die er reeds stonden in den tijd van Christus. De olie uit de olijven van deze heilige boomen wordt door de Franciskaners voor zeer hoogen prijs verkocht en over de geheele wereld geleverd. Daarna kwamen wij in Bethanië, een geheel Muzelman-dorp, met een menigte olijf-, vijge-, amandel- en sinaasappelboomen. Hier staat een ruïne van het huis, waarin Simon de lepralijder gewoond moet hebben. Vlak daarbij is de graftombe van Lazarus. Deze beiden worden door de Muzelmannen als heiligen beschouwd. Een eindje verder is de steen, waar Martha Jezus ontmoette, en zoo gaat het den geheelen weg door, vol van heilige steenen, bergpunten, ruïnes, enz.

De ruïne van de woning van den goedhartigen Samaritaan wordt nu als een schuilplaats voor schaapherders gebruikt. Dat deze Samaritaan een armen broeder, die ziek was, op zijn ezeltje liet rijden en in zijn hut wat te drinken gaf, heeft hem toch wel wat goedkoop eene eeuwigdurende vermaardheid bezorgd. Ieder van ons, die in de wildernis van Judea een armen zieken broeder of zuster zou tegenkomen, zou toch natuurlijk hetzelfde gedaan hebben, en dan zou er in geen enkele courant melding van worden gemaakt.

Maar ook, afgezien van al deze bijbelsche bijzonderheden, was hetgeen wij zagen, prachtig. Die kale bergen, met hunne diepe ravijnen en grillige vormen, namen bij elke bocht in den weg een ander aspect aan. In een van die diepe ravijnen is een Grieksch monnikenklooster, dat als een soort van gevangenis voor ondeugende monniken dienst doet. Alleen bij wijze van straf worden ze daarheen verbannen. Het is wel heel mooi en zeer interessant van boven van den weg af er op neer te zien, maar om er te moeten wonen, al was het ook maar voor eenige weken, lijkt mij een zware straf. In de daar dichtbij zijnde holten in de bergen wonen hermieten, die, zoo zegt men, van vier druiven per dag leven.

Toen wij van boven af op de vlakte van de Jordaan neerzagen, waar Jericho met hare vruchtbare tuinen gelegen is, was het duidelijk, dat Mozes, toen hij van de andere zijde van den berg Moab dit dal overzag, moet hebben uitgeroepen, dat dit het land van belofte was. Het was na zoo’n langen tocht door een wildernis, op welks rotsachtigen bodem van plantengroei niets te bespeuren is, eene verrassing opeens op zoo’n mooi vruchtbaar dal neer te zien. Het is echter duidelijk, dat Jericho nooit zooals de Bijbel te verstaan geeft, zoo groot als Jeruzalem kan geweest zijn. Het is nu wel heel klein, maar zelfs wanneer vroeger dit geheele dal bebouwd en bewoond is geweest, dan nog zou het kleiner dan Jeruzalem geweest moeten zijn, want het dal laat geen grootere uitbreiding toe.

Nadat wij in Jericho nog eerst even het waterreservoir hadden bezichtigd, waaruit nu de tuinen van Jericho besproeid worden, maar waar vroeger Eliza het zeewater in zoet water veranderde, kwamen wij in ons hotel aan, juist tijdig genoeg, om nog aan de lunch te kunnen deelnemen. Onmiddellijk na de lunch stonden de rijtuigen alweer gereed, om ons naar de Doode Zee en vandaar naar de rivier de Jordaan te voeren.

Ik had mij steeds voorgesteld, dat het water van de Doode Zee er zwart en vies zou uitzien, maar, ten minste vandaag, zag het heele meer er prachtig blauw en helder uit. Het water is niet zoo bijzonder zout, er is een sterk alcalische smaak aan. De Jordaan is een heel mooie rivier, of liever de oevers zijn heel mooi, maar het water ziet er vies, heel vies uit. Wij hebben natuurlijk een boottochtje op die rivier genoten en mijne Hollandsche reisgezellin heeft eenige fleschjes met het heilige water gevuld, waarmede zij eenige landgenooten wil gelukkig maken.

Ik geloof, dat ons gezelschap nog niet in de juiste stemming verkeert, waarin men dit land moet bereizen. Het landschap en de bevolking, met hare eeuwenoude gewoonten, kleeding, zeden en gebruiken, oefenen op ons nog een grootere aantrekking uit dan de reliquiën der heiligen. Wij doen echter ons best, om in de vereischte stemming te komen, en daar wij morgen weder naar Jeruzalem terugkeeren en onzen intrek weder in de Amerikaansch-Zweedsche kolonie nemen, hebben wij alle kans, dat het ons daar wel zal gelukken.

Het was nog nacht, de sterren stonden nog helder aan den hemel, toen wij vanmorgen Jericho weder verlieten. Wij waren blij, dat wij dat vuile stadje, waaraan zoovele belangrijke historische herinneringen verbonden zijn, “gedaan” (zooals de Amerikanen zeggen) hadden. Behalve de twee hotels, waarvan het grootste gesloten was, omdat het reisseizoen is afgeloopen, zijn er in Jericho woningen voor nog ’n 300 menschen, meest allen Bedouïnen en eenige Muzelmannen van zeer gedegenereerd type. De degeneratie zou een gevolg zijn van de groote hitte, waaronder deze menschen in den zomer leven. Het is te begrijpen, want zelfs nu, in de tweede helft van November, nu het ook hier laat najaar is, was de zon gistermiddag zoo heet, dat wij ’t, zittende in het rijtuig, bijna niet konden uithouden.

Nog tot voor twee jaren gingen de vreemdelingen Jericho bezoeken onder militair geleide, omdat het volkje er niet te vertrouwen is en er menigmaal vreemdelingen totaal uitgeplunderd werden. Zij staan nu onder controle.

De weg naar Jeruzalem terug was dezelfde als dien wij gisteren gekomen zijn, met dat onderscheid, dat wij nu aanhoudend bergopwaarts gingen en de rijtuigen meestal stapvoets moesten gaan. Wij wilden tegen de lunch in Jeruzalem terug zijn, vandaar dat wij reeds om zes uur in de rijtuigen zaten. Ook nu weder passeerden wij onophoudelijk groote kudden geiten en schapen, met Jozef of David als herder, en karavanen kameelen en ezels, op weg naar Jeruzalem.

Het is grappig te zien, hoe die kameelen hun arrogante domme snuiten de lucht in steken en met een air de dédain op ons nietelingen nederzien. Een aardig tafereeltje zagen wij afspelen. Een Bedouïn, begeleider van vier bevrachte kameelen, had zich een oogenblik te rusten gelegd op een van de open plekken langs den weg. In den regel worden de beesten dan in dien tusschentijd ontladen en kunnen ook zij zich nedervleien of hun ontbijt zoeken. Deze Bedouïn had de moeite van de ontlading zijner beesten niet genomen, doch toen de meester sliep, trachtten zij zich zelf stuk voor stuk van hun last te ontdoen, wat hun maar al te goed gelukte. Eenmaal van hun last bevrijd, zetten zij het op een loopen, zoo snel als die onelegante beesten zich maar verplaatsen kunnen. Maar het genot van onbeperkte vrijheid duurt nooit lang; dat ondervonden de kameelen ook, want weldra waren zij bij een ravijn aangeland, waar geen van allen overdurfde. De meester, die ondertusschen ontwaakt was, holde hen na en toen ook hij het ravijn genaderd was, deed hij als elke kwajongen zou gedaan hebben: hij koelde zijn drift door de beesten met groote en kleine steenen naar de domme koppen te gooien; telkens bukte hij zich weder om nieuwen voorraad steenen op te rapen, totdat hij blijkbaar genoeg redelijk verstand bijeen had, om in te zien, dat hij beter deed de beesten terug te brengen naar hun vracht, ze opnieuw te laden en verder te trekken.

Om half één waren wij in ons gemoedelijk, zindelijk en goed logement terug, waar wij weder door heeren en dames, oud en jong, hartelijk ontvangen werden. Nadat wij geluncht hadden, namen wij allen een paar uur rust en om vier uur begaven wij ons weder op weg, om het eerst de graftomben der koningen, zeer merkwaardige graftomben, onder den grond in de rotsen uitgehouwen, te bezoeken. Daarna gingen wij op den berg Zion en zagen er alle kerken en bijzonderheden, die daar te zien zijn.

Het meest van al impressioneeren mij de stadstooneeltjes, die wij zoo ongemerkt op onzen weg zien. Een oogenblik was ik diep bewogen. Wij hoorden een geweldig rumoer; eerst zagen wij in de verte een groote stofwolk en langzamerhand konden wij onderscheiden wat aan ons oog voorbijtrok. Een troepje soldaten voorop, een paar militairen te paard achteraan en aan de zijden soldaten, en daartusschen in de droeve, melancholieke gezichten van een honderdtal jongelingen, allen uit de dorpen opgehaald, om naar het oorlogsveld gezonden te worden. Al het woest getier, dat een krijgszang moest beduiden, door de soldaten gemaakt, kon den treurigen blik uit de oogen der jongelingen niet verwijderen; zij zagen er letterlijk uit alsof zij zich bewust waren naar de slachtbank gevoerd te worden. “Kanonnenvleesch,” die gedachte drong zich onwillekeurig aan mij op. Dit is tot dusver het eenige, wat wij hier van den oorlog gemerkt hebben.

Heden was het een interessante dag voor ons. Om half negen togen wij stadwaarts en begaven ons eerst naar de Harem-esh-sherif, of het “heilige der heiligen”. Om daar te komen, moet men toestemming vragen van de Turksche autoriteiten, en die kan men alleen krijgen met een introductie van den eigen consul. Om het gemakkelijk te maken, gingen wij maar alle vier voor Amerikaansche onderdanen door en, vergezeld van een vertegenwoordiger van den Amerikaanschen consul en een Turksch soldaat, en na onze voeten in een paar oude sloffen gestoken te hebben, konden wij dat “heilige der heiligen” binnentreden. Het is een zeer mooie, oude moskee, die het stuk rots bevat, “de heilige rots”, die, volgens de Mohammedanen, tusschen hemel en aarde zweeft. Zij vertrouwen dat zaakje echter toch niet goed, want het stuk rots wordt aan alle kanten van onder op door zware kolommen gesteund. Mohammed schijnt van deze rots naar den hemel opgestegen te zijn. Abraham heeft op die rots Izaäk willen offeren en de Mohammedanen gelooven, dat onder die rots de zielen der gestorvenen tweemaal ’s weeks bijeenkomen om gezamenlijk te bidden. En nog veel meer heeft hier plaats gevonden, zooveel zelfs, dat goedgeloovigen gelooven, dat de rots een tong heeft en bij zekere gelegenheden spreekt. Na Mekka is dit het heiligste stuk grond op aarde, en als het laatste oordeel komt, dan zal Gods troon op die rots gebouwd worden. Wij zagen er ook de plek, vanwaar God het stukje klei nam om Adam te vormen.

Na aldaar nog de Aksa moskee, nu in handen der Grieken, bezichtigd te hebben, de moskee, waar God Mohammed in één nacht van Mekka bracht, begaven wij ons naar “de kerk van het heilige graf”. Dit is een zeer merkwaardige kerk, die staat op de plek, waar men gelooft, dat Jezus gekruisigd werd, en op welke plek de Katholieken, Grieken en Armeniërs gelijke aanspraken doen gelden. Broederlijk deelen zij nu die kerk samen, en elk bezit een zeker stuk ervan in eigendom. Over het bezit van één venster wordt echter reeds 27 jaar gevochten en niemand gunt den ander de eer van dat venster te mogen schoonmaken. En nu staat daar reeds 27 jaar een Turksch soldaat op wacht, om op te passen, dat, alvorens is uitgemaakt wie recht kan doen gelden op dat venster, er geen van alle met de vingers aankomt. Neen, wat nog erger is: in de Paaschweek, als de kerk van alle drie geloovigen vol is, dan houden er duizend Turksche, dat wil zeggen Mohammedaansche soldaten, heidenen in de oogen der Christenen, de wacht, om te voorkomen, dat de drie verschillende soorten Christenen ruzie krijgen, omdat bijv. een Armeniër met zijn stoel op den Griekschen grond komt, of omdat een Katholiek misschien bij vergissing een Armenisch recht aantast. Ik hoop, dat mijn lezers het mij niet euvel zullen duiden, dat ik deze feiten, uit godsdiensthaat ontstaan, vermeld, maar zij hebben een diepen indruk op mij gemaakt en nemen al het mooie en heilige weg van wat wij daar zagen.

Wij zagen dezen morgen alle plaatsen, waar Jezus geleefd en geleden heeft, waar hij gekruisigd werd, van het kruis genomen en naar den hemel opgestegen is, en nog veel meer.

Vanmiddag gingen wij per rijtuig naar Bethlehem. Een mooie tocht, die ons een prachtig gezicht op het landschap gaf en waarbij wij weder tal van heilige plaatsen passeerden. In Bethlehem ziet men mannen en vrouwen nog geheel in de kleederdracht van twintig eeuwen geleden. Wij zagen hier natuurlijk de plaats van Jezus’ geboorte en op deze plaats meenen Grieken en Armeniërs gelijke aanspraken te kunnen doen gelden. Deze twee hebben hier nu gezamenlijk een kerk, waaronder de stal, waarin Jezus geboren is. Die stal is natuurlijk zeer donker en wordt door beide partijen met altijd brandende lampen verlicht. Iedere partij heeft er evenveel lampen en deze zijn van boven door een ketting bevestigd. Die ketting wordt vastgehouden door een ding, waarin vier spijkers zitten. Een van die spijkers is er uitgegaan, gebroken of wat anders; en nu betwist elk der partijen de andere het recht om die spijker te vernieuwen, en ook daar staat een soldaat nacht en dag op wacht om den vrede tusschen de beide partijen te handhaven en te voorkomen, dat niet een ervan die spijker vernieuwt. En in die kerk staat op nog twee andere plaatsen een soldaat op wacht om even zulke verheven redenen.

Terugkomende van Bethlehem hadden wij een klein accident, dat, zooals de gebruikelijke term luidt, treurige gevolgen had kunnen hebben, maar dat nog gelukkig is afgeloopen. Vlak bij een zeer diepen afgrond schrikten de paarden plotseling, en wij zouden met wagen en al naar beneden gerold zijn, als de koetsier niet met zooveel kracht de teugels had ingehouden, dat beide paarden naar de andere zijde overvielen en de een op den ander op den grond terecht kwam. Een oogenblik dachten wij, dat ook de wagen dien weg zou opgaan, maar dat gebeurde gelukkig niet. Wij kwamen allen met den schrik vrij, en behalve dat van een der paarden de knie ontveld was, had niemand verder letsel bekomen.

Wij waren vroeg genoeg in Jeruzalem terug om nog naar de “klaagplaats der Joden” te gaan. Dit is vooral des Vrijdagsavonds zeer belangwekkend, omdat de Joden daar dan in grooten getale bijeenkomen om gezamenlijk te weenen over het geleden verlies van Jeruzalem en te bidden, dat het hun teruggegeven mag worden. Voor een stuk ouden muur, dat bij den val van Jericho nog zou zijn staan gebleven, ziet men honderden Joden, mannen en vrouwen, bidden en lamenteeren, en de oude, vergane steenen onophoudelijk kussen. Aangrijpender schouwspel is haast niet denkbaar. Nooit zag ik zooveel stokoude, grijze rabbi’s bijeen. Er waren er onder, die bijna niet meer loopen konden en door twee jonge mannen beiderzijds ondersteund werden. De oudsten stonden vooraan en het dichtst bij den muur. Heilig fanatisme blonk in aller oogen. Is het denkbaar, dat nu reeds vele eeuwen lang de Joden zich hier telkens met hetzelfde doel weder verzamelen en daar zoo lamenteerende hunne gebeden opzenden? Met mijn nuchtere levensopvatting kan ik haast niet gelooven, dat dit menschen met gezond verstand zijn. Het geheel maakte op mij een diep-droevigen indruk.

Zaterdagmorgen bezochten wij weder tal van kloosters en kerken en des middags brachten wij tal van bezoeken bij Mohammedaansche dames, die ons uitgenoodigd hadden. Het eerst brachten wij een bezoek bij de vrouw van den vorigen burgemeester van Jeruzalem. Zij is een zeer mooie vrouw, moeder van een dochter en een zoon. Alle dames, die wij bezochten, zijn, voor zoover zij gehuwd zijn, de eenige wettige vrouw van hunne mannen.

Onze eerste gastvrouw was eene lieve, verstandige vrouw, die even belangstellend was in hetgeen wij haar konden vertellen als wij in hetgeen wij van haar hoorden. Zij sprak alleen Arabisch, doch haar 16-jarige dochter spreekt vloeiend Engelsch, Fransch en Italiaansch. Toen wij haar vroegen, of zij vond, dat de positie der Mohammedaansche vrouw, evenals die van de vrouwen in Europa, Amerika enz., verbeterde, antwoordde zij, stralend van geluk: “O ja, zeer zeker. Mijn moeder kon niet lezen of schrijven en mocht nooit over iets anders spreken dan over de eenvoudigste huiselijke bezigheden, en zoo heeft zij ook mij opgevoed. Mijn man bespreekt echter alles met mij, houdt mij op de hoogte van alle bijzonderheden op politiek en maatschappelijk gebied en leest mij de courant voor. En mijne dochter heb ik alles laten leeren, wat een Europeesch meisje van onzen stand ook zou leeren, en zij heeft zeer vooruitstrevende denkbeelden. Zij wil niet, zooals bij ons gebruikelijk is, door de ouders uitgehuwelijkt worden, zonder haar man te zien en te weten of zij hem liefheeft, en zij verzet zich zeer tegen het dragen van den sluier”. Vooralsnog durven de Mohammedaansche meisjes in Jeruzalem zich echter niet van den sluier ontdoen; het stadje is er te klein voor en de bevolking te fanatiek.

Na dit bezoek kwamen wij bij een jong getrouwd vrouwtje, dat in de Amerikaansche kolonie, waarin wij logeeren, zeven jaren is opgevoed. Zij behoort tot een zeer ouderwets denkende, middelklassige Mohammedaansche familie, die nog zeer patriarchaal leven. De zonen blijven, als zij trouwen, bij de ouders inwonen en vormen in het ouderlijk gezin tal van nieuwe gezinnen. Elk echtpaar en kinderen hebben één kamer voor zich zelf, al het andere is gezamenlijk. Het jonge vrouwtje, dat ons had uitgenoodigd, was bijna 19 jaar en haar man was nauwelijks 17 jaar en bezocht nog de school. De jonge man, die gedurende ons bezoek van de school thuiskwam, heeft algeheele macht over zijn honderdmaal hooger ontwikkelde vrouw. En een jongen van dien leeftijd weet natuurlijk niet hoe hij die macht op redelijke wijze mag gebruiken. Niettegenstaande haar schoonmoeder en een paar tantes tijdens ons bezoek aanwezig waren, kon zij toch vrij uit met ons spreken, omdat de conversatie in het Engelsch ging en die andere dames daarvan geen woord verstonden. Zij merkte op dat het eigenlijk verkeerd is het jonge Turksche meisje eene goede opvoeding te geven, zoolang de zeden en gebruiken nog op den ouden voet doorgaan. Wij konden haar echter overtuigen, dat hare hoogere ontwikkeling haar kinderen ten goede zal komen en dat door de moeders te ontwikkelen het ras alleen kan vooruitgaan. Zij zou niet voor niets lijden; dat wat zij ondervond, hadden in alle landen alle vrouwen ondervonden, die in ontwikkeling en beschaving het gros der natie vooruit waren. Haar schoonmoeder en haar tantes, die niet lezen of schrijven konden, voelden zich (en vooral de eerste) volmaakt gelukkig in haar afhankelijke positie. Hare gelaatsuitdrukkingen, vooral die der oogen, waren wezenloos. Er was geen enkele emotie in die gezichten te bespeuren.

Daarna gingen wij naar het hoofd van de Mohammedaansche meisjesschool, een openbare school. De directrice had al hare onderwijzeressen uitgenoodigd en daar werden wij in hare woning recht feestelijk ontvangen. Hadden wij bij de twee vorige bezoeken na het een of ander zoetigheidje de gebruikelijke Turksche koffie genoten, een klein kopje vol heel sterke, zoete, zwarte koffie, waarin een of ander geurigheidje is gedaan, hier, bij de onderwijzeressen, werden wij onthaald eerst op eigengemaakte confituren, toen koffie, direct daarna thee en toen werd een tafel vol met allerlei vruchten en zoetigheden, die reeds klaar stond, maar met een doek overdekt was, voor ons heen gezet en ontsluierd. Van alles moesten wij proeven en onderwijl las een der onderwijzeressen ons een stukje uit den Koran voor, waarvan wij wel niets verstonden, doch dat ons toch interesseerde, omdat het lezen eigenlijk meer zingen is. Ook met deze meisjes spraken wij over de positie der Turksche vrouw, maar hier, als in zoovele meer ontwikkelde landen, durfden de leeraressen zich niet al te sterk uitlaten, omdat zij in gemeentedienst zijn. Eén ding geeft echter hoop: zij zijn met haar salaris niet tevreden, dat voor haar, voor hetzelfde aantal lesuren als de mannen geven, zooveel lager is, als van hare mannelijke collega’s. Ik vond de salarieering anders nog niet zoo slecht, in aanmerking genomen de goedkoope leefwijze in Jeruzalem. Het salaris van de hoofdonderwijzeres bedraagt, in Hollandsch geld omgezet, ƒ 800 en vrije woning, voor de anderen ƒ 600 en ƒ 700. Een van de onderwijzeressen was naar Mekka geweest en vertelde ons daarvan allerlei bijzonderheden.

Des avonds waren wij de gasten in het huis van den burgemeester. De burgemeester is een ongetrouwd man en leeft nog in het huis van zijn moeder en met zijn ongetrouwde zuster. Dit is een heel merkwaardige familie, die rechtstreeksch van Mohammed afstamt. Zij zijn de 33e generatie. De vader van den tegenwoordigen burgemeester was gedurende zijn leven 16 jaar burgemeester van Jeruzalem. Zijne weduwe vertelde ons allerlei bijzonderheden uit hare jeugd. Zij was op tienjarigen leeftijd gehuwd met haar man, die toen 17 jaar oud was, en toen zij nauwelijks twaalf jaar oud was, werd hun eerste kind geboren. De wijze, waarop dat jeugdig ouderpaar dien eerstgeborene grootbracht en opvoedde, vindt de moeder nu zelf zoo onmogelijk, dat zij zich niet kan begrijpen, dat het kind daaronder niet is bezweken. Zij zeide, dat de Mohammedaansche kinderen wel van bijzonder maaksel moeten zijn, want dat hare kinderen, twee zonen en vijf dochters, tot sterke, gezonde kinderen zijn opgegroeid, wat haar nu onbegrijpelijk is. De oudste zoon is pasja van Bagdad en is zelfs veertigmaal grootvader. De jongste zoon is de tegenwoordige burgemeester van Jeruzalem. Vier dochters zijn gehuwd, allen op twaalf à veertienjarigen leeftijd, doch de jongste dochter, die een zeer goede opvoeding genoten heeft en Fransch spreekt als een Française, heeft tot dusver geweigerd een haar onbekenden man te huwen. Zij vertelde ons veel uit het leven der Turksche vrouwen en noemde het een ongelukkig bestaan. Zij was wel niet op de hoogte van de moderne vrouwenbeweging, docht stelde er zeer veel belang in en hoopte, dat die zich ook spoedig tot de Turksche vrouwen zou uitstrekken. Zij vertelde ons ook, dat het gesluierd gaan van de Turksche vrouwen niets met hun godsdienst te maken heeft, dat de Koran er over zwijgt, maar dat het een eeuwenoud gebruik is, dat kans heeft nu te verdwijnen. Zij zelf durfde in Jeruzalem niet ongesluierd gaan, doch als zij in Constantinopel bij hare vrienden logeert, dan laat zij den sluier af. Zij en hare broeder behooren tot de Jong-Turken en zij hoopt, dat de nieuwe toestand, in Turkije geschapen, ook den vrouwen in vele opzichten ten goede zal komen.

Nog heel lang hebben wij met deze beschaafde vrouwen zitten praten en veel van elkander geleerd.

III.

Toen wij Vrijdagavond van onzen tocht thuis kwamen, waren wij niet weinig verschrikt bij het vernemen van de tijding, dat er in Jaffa drie gevallen van cholera waren geconstateerd en deze plaats voor besmet was verklaard. Dit bericht bracht ons geheele reisplan in de war. Het is nu bijna zeker, dat de booten Jaffa niet zullen aandoen, en wij van daar niet naar Port Said kunnen terugkeeren. De eenige mogelijkheid om hier weder vandaan te komen, zoo wordt ons van verschillende zijden verzekerd, is over Damascus naar Beirût te gaan en daar een stoomboot te nemen, die ons naar Port Said of als dat niet kan, naar Alexandrië of naar Marseille brengt. Nu is de afstand tusschen Beirut en Jeruzalem op de kaart niet zoo groot, maar in een land, waar bijna geen spoorwegen zijn, waar de rijwegen zelfs nog zeer schaarsch en in elk geval zeer slecht zijn, daar heeft zoo’n reis heel wat te beteekenen. Wij moeten nu Maandagmorgen om 7 uur vertrekken en per rijtuig naar Nabulus gaan, daar overnachten en den volgenden morgen weder per rijtuig over Jenin naar Nazareth, dat is een rijtoer over een zeer slechten weg van 9 uur; den volgenden dag van daar naar Tiberias en van daar Donderdagmorgen eerst over het meer van Gennesaret per boot en dan per rijtuig naar een klein plaatsje, van waar wij per spoor ’s avonds laat in Damascus kunnen aankomen. Vrijdag zullen wij dan in Damascus kunnen blijven om uit te rusten, om dan Zaterdag van daar per spoor naar Beirut weder een reis van bijna den geheelen dag, te vertrekken. Wij hopen dan Zondag in Beirut een boot te krijgen, die ons van daar naar Egypte terugbrengt. Men ziet het, zoo heel gemakkelijk is hier het reizen niet. Wij zijn blij, dat onze dragoman, een vertrouwd jongmensch, ons ook op dezen tocht wil vergezellen en onzen weg effenen. Zonder de taal van het land machtig te zijn en zonder kennis van de bijzonderheden der wegen, is het onmogelijk hier te reizen zonder dragoman.

Vandaag—Zondag 26 Nov.—vernamen wij, dat de trein tusschen Jaffa en Jeruzalem is stop gezet, omdat men de uitbreiding van de cholera vreest. Het is wel erg, als in een land als dit, voor zoover wij het nu kennen, een besmettelijke ziekte uitbreekt. Van de eenvoudigste opvatting van zindelijkheid heeft de bevolking geen begrip. De laatste maal dat Jeruzalem’s straten zijn schoongeveegd, was in 1898, vóór dat de keizer van Duitschland hier een bezoek bracht. Voor het opgeveegde vuil had men toen evenwel geen plaats en toen is alles in kelderhokken in de nauwe straten van de stad gegooid en zijn deze daarna dichtgegrendeld. Dat vuil ligt daar nu nog, want men is het er in den gemeenteraad nog niet over eens, wat men er mede doen moet. Kan men zich grooter eenvoud van verstand voorstellen? Toch zitten er geen vrouwen in den gemeenteraad van Jeruzalem, het zijn allen vroede vaderen, die met mannelijke wijsheid de stad regeeren.

Dit vrijwel overhaast vertrek uit Jeruzalem maakt het nu voor mij onmogelijk om de hospitalen, of enkele er van, te bezoeken. Hier zijn tal van hospitalen, want elke godsdienstsekte heeft niet alleen haar eigen kerk, doch ook haar eigen hospitaal. Ik had gaarne het groote Britsche hospitaal voor oogziekten en het gemeentelijk algemeen hospitaal bezocht. Met den directeur-geneesheer van het eerste heb ik in Jaffa kennis gemaakt en vele bijzonderheden er over vernomen. Voor jonge oogartsen schijnt hier een machtig studieveld te bestaan, want in geen land ter wereld komen zoovele menschen met oogziekten voor.

Ook heb ik nu geene gelegenheid meer om hier de verschillende kolonies van Joden te bezoeken en te zien hoe de geïmmigreerde Joden hier leven en wat die hier uitvoeren. Hier dicht bij heeft de laatst gekomen groep zich genesteld. De huizen, die wij telkens moesten passeeren, als wij naar de stad en terug naar ons pension gingen, zien er netjes en goed uit. Men vertelde mij, dat deze Joden niet coöperatief werken en niet communistisch leven, doch hun verschillend beroep ieder op eigen risico uitoefenen. Zij ontvangen in den beginne financieelen steun, totdat zij zichzelf kunnen redden. De groote immigratie van Joden is momenteel tot een stilstand gekomen, zoo vertelt men mij hier, omdat de regeering de zonen der Joden, die zich hier komen vestigen, ook oproept om militaire plichten te vervullen. Daarvan zijn zij natuurlijk niet gediend en zoolang daarin geene verandering is gekomen, zullen de Joden uit andere landen niet zoo gemakkelijk meer te bewegen zijn, zich hier te komen vestigen.

Een eigenaardige Jodentype ontmoet ik hier steeds in de straten. De meesten van dezen hebben bleeke, melancholieke, teere gezichten, dragen allen dezelfde ronde vuile vilten hoedjes en aan elke kant van het gezicht een lange krul, op dezelfde wijze als onze Marker-visschersvrouwen, al zijn de krullen niet zoo lang en donkerder van kleur. Het zijn voornamelijk Joden uit Wilna (Polen), die zeer orthodox zijn. Zij worden hier Skinage genoemd.


En nu zal ik het een en ander van de kolonie vertellen, waarin wij een zoo rustige, comfortable, huiselijke week doorbrachten en waar wij zoovele lieve goede vrienden maakten. Men voelt zich er onmiddellijk thuis, omdat men voelt en uit alles merkt, dat men in eene omgeving verkeert, van goede, brave menschen, die geen pogingen doen om hunne overtuiging aan anderen op te dringen. Het zijn geen proselietenmakers, het zijn menschen die zelf, volgens eigen opvatting, braaf, en goed willen leven en zooveel goed doen aan anderen als hun mogelijk is. Overdreven godsdienstig of fanatiek zijn zij ook niet en als men bij hunne gebeden en hunne godsdienstoefeningen tegenwoordig is, krijgt men het gevoel, dat elkeen oprecht gelooft wat hij zegt en, dat hij handelt in overeenstemming met zijne woorden.

Er zijn ruim 100 mannen en vrouwen in de kolonie, die strikt op communistischen voet leven. Er zijn oude en jonge mannen, oude vrouwen, jonge vrouwen en jonge meisjes. Velen van de jongeren zijn in de kolonie geboren. Van de jonge paartjes zijn al de huwelijken gesloten uit eigen kring, deze vormen weder nieuwe gezinnen. Tal van lekkere, gezonde, goed uitziende babies zag ik er.

Ofschoon de kolonie gevormd is door eenige Amerikanen, hebben zich toch weldra eene groep Zweedsche mannen en vrouwen bij hen aangesloten, waardoor het een Amerikaansch-Zweedsche kolonie werd, doch steeds Amerikaansche kolonie genoemd wordt. Niemand bezit iets van deze kolonisten, al wat ieder bezit of erft of verdient, gaat in de gezamenlijke schatkist. Elkeen doet er het werk waarvoor hij of zij het beste geschikt is en wat hij of zij het beste volbrengen kan, en men helpt elkaar en stelt elkaar in de gelegenheid om het in het werk wat hij of zij wil doen tot de grootste hoogte te brengen. Zoo is de jonge man of zijn de jonge mannen, die de photographie beoefenen door opleiding, studieboeken, instrumenten, tijdschriften, enz. niet alleen in de gelegenheid gesteld het tot eene groote hoogte te brengen, maar eenmaal klaar voor hun vak, ook om zich steeds verder te ontwikkelen. De photographieën die zij van het land maken, worden over de geheele wereld verkocht en hunne lantaarnplaten voor lezingen en onderwijs over Palestina en zijne historische herinneringen worden vooral in Amerika veel gebruikt.

Alles wat door de kolonisten genuttigd wordt en alles wat zij voor leven en comfort noodig hebben, wordt door hen zelven gemaakt. Bediendenpersoneel is er niet. Het huis wordt door de jonge meisjes schoon gehouden en jonge meisjes bedienen aan tafel. Er is een keuken voor het middageten en een broodbakkerij en niet alleen de koekjes en taarten voor eigen gebruik worden er gebakken, maar daar er in heel Jeruzalem niet zoo’n goede banketbakkerij is als hier, leveren zij voor alle feestelijkheden, die er in de stad plaats vinden, en voor de voornamen van de stad, alle gebak, dat er gebruikt wordt. Zij hebben hun eigen koeien en paarden, verbouwen hun eigen koren, kweeken hun groenten en vruchten, spinnen, weven en naaien hunne eigen benoodigdheden, maken hun eigen ameublement, in ’t kort, alles wat noodig is voor een gezin van zoovele personen, geschiedt door henzelf. En ook vele andere menschen worden geholpen, en daarvoor ontvangen zij betaling. Vroeger deden zij alles voor niets, maar weldra zagen zij in, dat zij op die wijze niet bestaan konden en nu helpen zij armen voor niets, doch die betalen kan moet hunne diensten betalen. Zij hebben ook één grooten winkel in de stad, de American Store, waarin allerlei soort artikelen, door hen gemaakt, verkocht worden.

Al de leden van de kolonie zien er des daags en des Zondags als heeren en dames uit, alhoewel van allen de kleeding eenvoudig, doch smaakvol is. De voeding is er smakelijk en overvloedig en beter dan in menig welgesteld gezin. Alle volwassen personen nemen gelijktijdig aan de maaltijden deel, de kinderen eten afzonderlijk. Er zijn natuurlijk ook goede scholen voor de kinderen in de kolonie, waar zij uitstekend onderwijs genieten, in de verschillende vakken. Wij kunnen natuurlijk hierover slechts oordeelen naar de resultaten die wij hier zien en naar het feit, dat vele notabelen van de stad hunne kinderen hier op school zenden.

Het feit, dat deze communisten, want dat zijn zij eigenlijk, geene proselieten trachten te maken en allen in eigen geloof door hun voorbeeld tot goede menschen trachten te vormen, heeft hen bij de Mohammedaansche bevolking, die door verschillende missionairs zoo geplaagd geworden zijn, spoedig bemind gemaakt. Zij zijn geloovige Christenen, die geheel naar de leer van Jezus trachten te leven.

Hoe zij tot het vormen van deze kolonie kwamen, vertelt mevrouw Spafford, die met haar man de stichters er van waren, aldus: Zij waren zeer godsdienstige menschen en leefden in Chicago, waar Mr. Spafford advocaat was. Zij hadden vier kinderen en een aangenomen zoon. Bij een vreeselijke schipbreuk verloren zij de vier kinderen en dit ongeluk bracht hen tot nadenken. Zij vroegen zich af, of zij wel volgens de leer van Christus geleefd hadden en toen namen zij het besluit Jeruzalem te bezoeken en zich daar blijvend te vestigen. Enkele goede vrienden, met dezelfde godsdienstige gezindheid, sloten zich bij hen aan en zoo kwamen zij in 1881 in Palestina. Zij vonden hier het werk, wat zij meenden te moeten doen, maar hunne middelen waren beperkt, zoodat zij weldra in groote armoede verkeerden. Gaandeweg sloten zich anderen bij hen aan, die wat geld hadden en hoewel zij groote ontberingen leden, kwamen zij toch niet van honger en ellende om. Zij werden door familie en vrienden in Amerika voor fanatieke krankzinnigen gehouden en hadden hier, vooral van den Amerikaanschen consul, met groote tegenkanting te kampen. Allerlei slechte dingen werden van hen verteld, vooral ook, dat zij zeer immoreel leefden. Op dien grond wilde de familie van mevrouw Whiting, eene weduwe uit Chicago, die met hare twee kinderen zich bij de kolonie had aangesloten, haar de voogdij over hare kinderen ontnemen en werd zij bij den dood van hare moeder onterfd. Om al deze redenen moest zij naar Amerika terugkomen en daar ook andere leden van de kolonie moeilijkheden met hunne familie in Amerika hadden, besloten zij allen te zamen te gaan.

In dien tusschentijd had mevrouw Spafford echter veel wedervaren. Zij was in Jeruzalem twee keer van een dochtertje bevallen, haar man was er gestorven, en ook haar aangenomen zoon. Deze laatste had echter een boezemvriend, een wees, die niettegenstaande hij bij den dood van zijn vriend reeds 18 jaar oud was, toen door mevrouw Spafford als zoon werd aangenomen en ook nog als zoodanig optreedt.

In Amerika, waar verschillende der leden processen te voeren hadden om hun rechten te verkrijgen, werd er in de couranten veel over hen geschreven, waardoor zij vele aanhangers kregen. Onder deze aanhanger was ook een heele groep Zweden, die in Amerika gekomen waren om godsdienstige redenen, en die daar niet gevonden hadden wat zij er zochten. Met een gevolg uit 67 personen bestaande, kwamen zij in Jeruzalem terug, en nu ook hunne geldzaken in Amerika geregeld waren, konden zij zich beter inrichten, en een ware christelijke gemeenschap vormen. Nadien heeft zich slechts een enkelen keer een nieuw lid bij hen aangesloten, o.a. een Mohammedaan; en eenmaal kwam uit Zweden, uit Dalecarlië, eene groep mannen en vrouwen, de personen waarvan Selma Lagerlöf in haar boek “Jeruzalem” melding maakt. In de dertig jaren, dat de kolonie bestaat, is het nog maar eenmaal voorgekomen, dat iemand de kolonie verliet. Dit was een Zweedsche jonge man, die als kind met zijn moeder er gekomen was, en altijd een verlangen gekoesterd heeft, naar Zweden terug te keeren.

Mevrouw Spafford is nu een krasse oude vrouw van zeventig jaren, die nog de hoofddirectie voert. Haar aangenomen zoon, Jacob, is het mannelijk hoofd, voor zoover men dezen term in de gemeenschap gebruiken kan. De beide dochters, mooie, vroolijke gezonde vrouwtjes, zijn beide met mannen uit de gemeenschap getrouwd, en hebben beeldige spruiten.

Terwijl ik dezen brief zit te schrijven, hoor ik beneden het gemengd koor zingen en zijn er evenals elken Zondagmiddag en -avond, tal van gasten, uit de Christelijke en Mohammedaansche bevolking uit de stad. De predikant van de alhier bestaande Engelsche kerk en zijne vrouw waren van middag de gasten aan tafel.

Ik heb over deze kolonie zoo uitvoerig geschreven, omdat ik vermoed, dat er in Holland velen gevonden zullen worden, die er belang in stellen. Ik kan elken landgenoot aanraden, die Palestina gaat bezoeken, om te trachten in dit vreedzame oord gastvrijheid te verkrijgen.