„Aan Babels wateren gezeten,
denk ik aan Sion en verteer.
Jeruzalem, hoe zoude ik U vergeten?
mijn’ rechterhand vergeet’ zichzelf veeleer.”

Roerend en treffend schoon is Da Costa’s klaagzang; maar eindelijk gaat het klaaglied langs Golgotha over in een’ juichtoon, en jubelend klinkt het:

Maar neen! Gij zult weer ademhalen.
Maar neen! Jeruzalem sterft nooit.”

Da Costa had gelijk! Hoe ook door de Romeinen verwoest en bijna ledig gelaten, hoe ook door de Turken veroverd, uitgemergeld en verarmd, Jeruzalem leeft nog, Jeruzalem sterft nooit, zoolang er nog één Christen of één Israëliet leeft, want voor beiden is het oude Sion de stad der steden. Nog altijd weent er de Israëliet bij den ouden muur van Salomo’s tempel, nog altijd knielt en bidt de Christen bij het graf van zijn’ Heiland.

Dat Israëlieten ter bedevaart opgaan naar de stad hunner Vaderen mag eene zeldzaamheid heeten, maar dat de Christenen het doen naar het Heilige graf, is eene vrome gewoonte, die bijna op denzelfden tijd ontstond toen de Paaschgang der Israëlieten naar Salomo’s tempel ophield.

Men noemde zulke Christenen bedevaartgangers of pelgrims naar het Heilige Land. Aan zulke tochten waren evenwel groote moeielijkheden verbonden, doch wie telde in die tijden moeielijkheden waar het den godsdienst betrof? Een Duitsch schrijver zegt: „Tot de scherpst uitkomende karaktertrekken dier eeuwen mag wel in de eerste plaats genoemd worden eene godsdienst-overtuiging, die bijna tot dweperij oversloeg, een gloeiend leven van het hart. Ze vervulde den geest, ja, die geloofs-overtuiging was de ziel der menschheid zelve.”

En van het Heilige Land heet het bij dezen schrijver: „Heilig was daar iedere voetbreed gronds, en van aanbidding stroomde over het hart des pelgrims, die dezen grond betreden mocht. Zijn geestelijk oog zag de poorten des hemels daarbij geopend.”

Zouden zulke geloovigen angstvallig eerst alle moeielijkheden wikken, alle zwarigheden wegen, alle gevaren tellen? Neen, men ging zonder dat alles te doen; men bestreed vol vreugde de moeielijkheden; men trotseerde vol verlangen alle zwarigheden; men tartte vol geloofsmoed alle gevaren, als men maar in het Heilige land komen mocht en als men maar bidden kon aan het graf van zijn’ Heiland en Heer.

Maar, waar de Arabieren die bedevaarten geduld hadden, ook omdat ze vele voordeelen aanbrachten, daar begonnen de woeste en dweepzieke Turken de Pelgrims te mishandelen, te plunderen en soms te dooden.

Wat moesten de Christenen van Europa doen?

Ze duldden jaren lang den smaad hun door de Turken aangedaan; de tijd scheen nog niet rijp voor een’ grooten geloofsstrijd.

Maar in het jaar 1094 verscheen te Jeruzalem, als Pelgrim, een voormalig krijgsman uit Normandië, die het strijdveld verwisseld had met de kluizenaarshut, en deze alweer had verlaten om den pelgrimsstaf op te nemen.

Hij was een klein en onaanzienlijk man, die „Peter de Kluizenaar” of „Peter de Heremiet” heette. Maar in die eeuw van ijzer, staal, mannenkracht en dapperheid, zou deze eenvoudige man, alleen gewapend met eene wegsleepende welsprekendheid en een’ brandenden geloofsmoed, de heele Christenwereld in beweging brengen en bezielen tot een’ strijd op leven en dood tegen de overweldigers van alles, wat den Christen dierbaar was. Toen hij in Jeruzalem zag, wat de Christenen van de Turken te lijden hadden, vatte hij een grootsch plan op. Hij keerde naar zijne Vaderstad Amiens, terug, doch nam zijn’ weg over Rome, waar hij, toegelaten tot Paus Urbanus II, met de treffendste kleuren den ellendigen toestand der Christenen in Palestina schetste, en hij wist met zulke bezielende woorden te spreken over de noodzakelijkheid, dat alle Christen-vorsten de wapenen moesten opnemen, ter verovering van het Heilige Land, dat de Paus hem terstond zijne medewerking beloofde. Hij hield die belofte ook trouw, en begon met Peter aanbevelingsbrieven te geven aan de voornaamste Vorsten van Europa. En Peter ging van land tot land, van het eene Vorstenhof naar het andere, en overal predikte hij met eene wegsleepende kracht, die allen bezielde, die alle harten deed ontbranden, het lijden en de verdrukking der Christenen. Hij was onweerstaanbaar, en vol geestdrift togen Vorsten, Edelen, Bisschoppen en voorname Heeren naar Clermont, waar de Paus eene groote Kerkvergadering houden zou. Daar was het, dat de Paus met eene welsprekendheid, welke misschien die van Peter de Heremiet nog overtrof, voor duizenden eene toespraak hield en den Kruistocht predikte.

O, het moet een oogenblik geweest zijn, zooals de heele wereldgeschiedenis maar enkele oogenblikken telt, toen door die duizenden den kreet aangeheven werd: „God wil het! God wil het!”

Bij die uitroepen bleef het niet; men ging over tot daden, en onder aanvoering van Godfried van Bouillon, Hertog van Lotharingen, werd den vijftienden Juli van het jaar 1099 Jeruzalem ingenomen, nadat over en weer door zwaard en ziekten duizenden en nogmaals duizenden gevallen waren. Het Christen-koninkrijk Jeruzalem werd gesticht, en daar naast ontstonden de Christen-graafschappen Tripolis en Edessa, benevens het Vorstendom Antiochië.

Slechts achtentachtig jaar bleef dit Koninkrijk Jeruzalem bestaan, en in 1291 ging met Tyrus, dat de Christenen aan hunne vijanden moesten overgeven, de laatste Christen-vestiging in het Heilige Land verloren. Ruim zes millioen Christenen waren bij die Kruistochten, men rekent er meest altijd zeven, omgekomen, en schatten gelds hadden ze verslonden, maar—de gevolgen waren onberekenbaar groot.

Vindt men nu nog op sommige plaatsen enkele menschen, die hun dorp of hunne stad nimmer verlaten, en dus eene zeer bekrompen wereldbeschouwing hebben, ze worden toch met den dag zeldzamer, en men wijst hen bijna aan, als eene merkwaardigheid, met: „Kijk, die man daar, hij is, zoo oud als hij is, nooit verder geweest dan zijn dorp of zijne stad.”

Maar in die eeuwen was de toestand aanvankelijk juist omgekeerd, en hij, die het gewaagd had, ver van huis te gaan, werd als eene merkwaardigheid met den vinger aangewezen.

De Kruistochten brachten hierin eene verbazend groote verandering. Men deed verre tochten; men kwam in een heel ander land, in een heel ander klimaat; hier zag men dit, daar dat; hier merkte men het eene, daar het andere op. De blik werd verruimd, en men leerde nieuwe behoeften kennen. Vooral de mannen van den derden stand, de poorters en dorpers, door het deelnemen aan een’ Kruistocht van Lijfeigenen in Vrijen herschapen, begonnen zulk een krachtig leven te ontwikkelen, dat ze, in macht en rijkdom, Vorsten en Edelen boven het hoofd wiesen.

Overal ontwaakte onder hen een ondernemingsgeest, die voor geene gevaren terugdeinsde, en die geest was de grondvester van machtige steden, van Venetië en Genua bovenal. Die ondernemingsgeest, hoewel hoofdzakelijk tendoel hebbende, eigen voordeel te bevorderen, dwong echter ook om niet alleen vreemde talen te leeren, maar ook om de aardrijkskunde en sterrenkunde te beoefenen.

Zoo iets van: „Er is maar één God en Mohammed is Zijn Profeet”, paste vóór de Kruistochten elk land ook op zichzelf toe. Men wist het, ja, dat er nog andere landen waren, doch ze kwamen bij het eigen land zoo goed als niet in aanmerking. Na de Kruistochten was dat evenwel anders geworden; de volkeren van Europa hadden elkander leeren kennen, en die kennismaking leidde tot handelsbetrekkingen. Men begon gewassen te verbouwen en voorwerpen te maken, met het doel om uit te voeren; nieuwe handwerken, andere kunsten werden beoefend. De strijd om het bestaan, vroeger tot de bewoners van elk land beperkt, werd nu gestreden tusschen de volken onderling, en hij bracht leven en beweging. Die strijd scherpte het verstand, spitste het brein en maakte de hand vaardig. Werkelijk, de Kruistochten hebben het dommelende Europa wakker geschud; ze zijn oorzaak geweest, dat van de vijf werelddeelen, Europa het werelddeel werd, en meteen de zetel van beschaving, wetenschap en welvaart.

We noemden zoo even twee namen van steden, en wel Venetië en Genua. Beide steden hebben door haren handel en hare macht in de Middel-eeuwen eene te groote rol gespeeld om er hier niet van te spreken.

Venetië ligt ten noorden van de Adriatische Zee, aan eene golf, die denzelfden naam als de stad draagt. Bij den inval der Hunnen namen vele bewoners van het vasteland de vlucht naar de menigte eilanden, die in deze zee gelegen zijn. Waren dezen eerst afhankelijk van het Grieksche en later van het Duitsche Keizerrijk, ze wisten voor een groot deel zich daarna onafhankelijk te maken, en vormden eene Republiek. Het hoofd van die Republiek droeg den naam van Doge, en de Republiek zelve heette weldra, naar hare grootste stad, Venetië. Reeds lang vóór de Kruistochten dreven de Venetianen een’ levendigen handel op Azië, doch het toppunt van bloei bereikte de Republiek eerst tegen het einde der veertiende eeuw. Zij dreef vooral handel op Alexandrië en Joppe in producten, die daar met karavanen aangebracht werden uit de Indiën, en ze had zelfs, vooral door de bemoeiingen van den beroemden Venetiaanschen reiziger Marco Polo, die diep in het rijk der Mongolen drong, en de gunst wist te verwerven van den Khan of Oppervorst der Tataren, handelsbetrekkingen aangeknoopt met het tegenwoordige China. Door de reistochten van Marco Polo, diens Vader Niccolo en neef Maffeo, werd vooral de aardrijkskundige kennis van Azië zeer uitgebreid, en men ontwierp zelfs kaarten waarop, behalve het bekende deel van Europa, bijna heel Azië voorkwam. Wel had, volgens de Venetiaansche kaarten, dit werelddeel een voorkomen, hetwelk in latere tijden bijna geheel gewijzigd moest worden om met den waren toestand overeen te komen, maar veel vindt men er toch ook op waaruit blijkt, dat men bij het vervaardigen ervan niet enkel op overleveringen of phantastische verhalen vertrouwde, maar zelf waargenomen had.

Niet minder dan vierentwintig jaar duurde hunne reis, en onnoemelijk rijk keerden ze alle drie terug. Zóó rijk was Marco, dat de Venetianen hem den bijnaam gaven van „Meester Millioen.”

Verwondering kan het niet baren, dat Marco Polo met zijne schatten den lust bij anderen opwekte om ook in die verre landen der Tataren zaken te gaan doen, en nog meer werd die lust opgewekt toen de beroemde man zijn reisverhaal liet te boek stellen. Hij stierf echter in 1323, dus vóór de uitvinding der boekdrukkunst, en deze alleen was instaat om die reisbeschrijving algemeen te maken. En hoe prettig wist hij te vertellen!

In zijn’ tijd was de tegenwoordige Chineesche stad Hang-Chow-Foe aan de rivier Tsien-Tang, de hoofdstad van het Chineesche of Tataarsche rijk. Nu nog telt zij meer dan één millioen inwoners, doch Marco zeide, dat hare bevolking toen één millioen zesmaal honderdduizend huisgezinnen bevatte; bovendien gaf hij aan deze stad den naam van Quin-sai.

Om mijn’ lezers eenig denkbeeld te geven, niet alleen van Polo’s verhaaltrant, maar ook over den toestand van China in onze middeleeuwen, wil ik een gedeelte van zijn verhaal hier laten volgen.

„Quin-sai, de hoofdstad, verdient haar’ naam: „Stad des Hemels”, ten volle door hare grootte, schoonheid, rijkdom en welvaart. Zij is een Paradijs op aarde. Naar mijne schatting heeft ze een’ omvang van vierenveertig Kilometers, dat is acht uur gaans. Zij ligt dicht bij de zee aan eene groote rivier, wier wateren door tallooze kanalen in alle richtingen door de stad stroomen, en alle vuilnis medevoeren naar zee, zoodat er de grootste zindelijkheid heerscht, en de lucht er steeds frisch is. Wel twaalfduizend bruggen verbinden de verschillende stadsdeelen met elkander, en naast de kanalen heeft men breede straten. De meeste bruggen hebben zulke groote bogen, dat de schepen er onderdoor kunnen varen zonder de masten te strijken. Er zijn verscheidene groote pleinen tot markt ingericht, en elk plein is omgeven door steenen gebouwen, waarvan de beneden-verdiepingen als winkels in gebruik zijn. De verschillende straten loopen alle op de marktpleinen uit, en overal vindt men inrichtingen tot het nemen van koude of warme baden, waarvan ieder van zijne jeugd af, gebruik maakt eer hij aan den maaltijd gaat. Op tien groote plaatsen wordt driemaal in de week markt gehouden, en ongeveer vijftigduizend menschen begeven zich telkens naar iedere markt om daar het noodige tot levensonderhoud te koopen. Wild en gevogelte vindt men er in overvloed en tegen billijke prijzen. Zoo betaalt men voor een paar ganzen met nog vier eenden slechts tien penningen. Ander vleesch kan de werkman niet eten, want het vleesch van runderen, schapen en geiten is zóó duur, dat alleen de rijken het betalen kunnen. Onverschillig in welk jaargetijde men de markten bezoekt, altijd vindt men er een’ rijken voorraad van het heerlijkste ooft. Visch is er steeds in overvloed te vinden. Welk een omzet op deze markten is, kan blijken uit de opgaaf van één artikel, dat verhandeld wordt, namelijk peper, waarvan de Tataren groote liefhebbers zijn. Elken dag zet men meer dan tienduizend pond van deze specerij om.

„De inwoners hebben eene blanke gelaatskleur, en kleeden zich steeds in zijde, die hier in den omtrek veel gewonnen wordt. Er zijn twaalf hoofdambachten, en iedere zoon is verplicht het ambacht van zijn’ Vader te leeren. De rijke werkbazen doen niets anders dan op het werk wat rondloopen om toezicht te houden. De vrouwen pronken den heelen dag met hare prachtige zijden kleederen en schitterende juweelen, of brengen in sierlijk ingerichte vertrekken, den dag met nietsdoen door.

„De huizen, die gewoonlijk van hout zijn, hebben sierlijke voorgevels, voorzien van mooi snijwerk en beschilderd met allerlei wonderlijke figuren. Van oorlogvoeren weten de bewoners van Quin-sai niet, en zelfs oproer en rooverij behooren bijna tot de onmogelijke gebeurtenissen.

„De uitspanningen op het water overtreffen alle andere, en de stad met haar onnoemelijk groot aantal paleizen, tempels, villa’s, tuinen en boomen, allen aan het water gelegen, biedt daardoor, den ganschen dag door, eene bonte afwisseling.

„Is de dagtaak afgeloopen, dan denkt niemand aan wat anders dan aan uitspanning. Met schuiten en wagens begeven de mannen zich in gezelschap hunner vrouwen of kinderen naar tuinen, die alleen voor openbare uitspanningen bestemd zijn.

„In elke straat is stellig één steenen gebouw, in den vorm van een’ toren. Het is zeer groot, en wanneer nu een brand uitbreekt, wat met die houten huizen niet zelden het geval is, dan vluchten al de bewoners van die straat met hunne kostbaarste have binnen dit steenen gebouw.

„Op de voornaamste bruggen staat een wachthuis, dat steeds door tien man bezet is. In elk wachthuis is een wateruurwerk, en het is nu de hoofdtaak van die mannen, om aan het einde van elk uur met een houten blaas-instrument en een metalen voorwerp, hiervan aan de bewoners kennis te geven.

„Gedurende den nacht trekken wachters door alle straten. Hunne taak is het, minder tegen diefstal te waken, dan wel te zorgen, dat iedere bewoner op den bepaalden tijd in zijn huis geen licht of vuur meer brandt, en dat niemand zich meer op straat begeeft.

„Elk hoofd van een gezin is verplicht om boven den ingang zijner woning eene naamlijst van de bewoners te hangen. Sterft er een, dan wordt de naam doorgestreept, en wordt er een geboren, dan wordt zijn naam terstond onder de lijst geschreven. Zelfs zij, die vreemdelingen en reizigers herbergen, zijn verplicht in een boek, niet alleen de namen hunner gasten te schrijven, doch er moet tevens bij vermeld staan wat ze zijn, wat ze komen doen, wanneer ze kwamen, wanneer ze heengaan, en wáár ze heengaan.

„De inkomsten van den Groot-Khan,—thans noemt men hem Keizer,—bedragen, alleen nog maar van het zout, niet minder dan zes millioen vierhonderd duizend dukaten, en zijn heele inkomen wordt berekend op ruim drieëntwintig millioen dukaten.

„Komt men eenmaal buiten de eigenlijke stad Quin-sai, dan zou men wanen nog in de stad te zijn, ja, het is zelfs zóó, dat, vele dagreizen afstands om Quin-sai, alles slechts ééne stad gelijkt.”

Van Japan, dat Marco Polo den naam gaf van Zipangu of Nipon, verhaalt hij het volgende:

„De inwoners van Zipangu hebben eene heldere gelaatskleur en zijn zeer beschaafd. Ze worden geregeerd door een’ Koning, die geheel onafhankelijk is van den Groot-Khan. Goud wordt er in overvloed gevonden, doch het mag niet uitgevoerd worden. Het paleis van den Koning is zoowel van binnen als van buiten, en van onder tot boven, geheel met gouden platen belegd, ja, eenige meubelen zijn zelfs van massief goud. Het heele Koninkrijk bestaat uit zeker meer dan zevenduizend eilanden, die alle bewoond zijn, en specerijen en goud in overvloed opleveren.”

Onze reiziger kwam ook in den Indischen Archipel. Hij vertelt van Groot-Java, Klein-Java en Zeylan of Ceylon, welke eilanden alle rijk zijn in goud en specerijen. Zelfs het tin-eiland wordt evenmin vergeten, als de parelvisscherijen. Hij spreekt van afstanden over zee in mijlen, en honderd, zevenhonderd, ja, vierentwintighonderd mijlen afstands worden door hem genoemd. Maar trots die verbazende afstanden kwamen de Tataren met hunne schepen daar bijna overal, en brachten ongehoorde schatten in hun land terug.

Men begrijpt lichtelijk hoe deze reisbeschrijving, toen ze meer algemeen bekend werd, de gemoederen in Europa in beweging, en de hoofden tot denken bracht.

Wat er met schepen gedaan kon worden, bewezen de Tataren dat niet, die honderden mijlen ver er zich mede waagden op zeeën, waarvan men niet beter wist of er was geen einde aan?

En wat nu de Tataren konden doen, zouden dat de Europeanen niet kunnen?

Ja, Marco Polo kon overdreven hebben, en waarom zou hij dat niet? Het lag immers geheel in den geest van zijn’ tijd om aan het fabelachtige de voorkeur te geven boven het wetenschappelijke?

Wie kende niet de reisbeschrijving van den Missionaris Oderich van Portenau? Veel van hetgeen Marco Polo verteld had, werd door Oderich bevestigd, maar hoeveel fabelachtigs haalde deze Oderich er niet bij?

Had ook niet Marignola, Huis-kapelaan van Keizer Karel IV, als Zendeling, zijne reistochten beschreven? Het boek, dat eigenlijk eene Kroniek van Bohemen heeten moest, begon, omdat de schrijver waarschijnlijk van Bohemen niet veel wist, van Adam en Eva in het Paradijs af, en het wemelde van allerlei fabelachtige verhalen.

Niet veel beter, ja, misschien nog erger, maakte het de Engelsche Ridder John Mandeville. Ook deze volbracht eene langdurige wereldreis, want, in 1327 vertrokken, keerde hij pas in 1355 terug. Zijn geschreven reisbericht gaf hij aan Koning Eduard III van Engeland, en zelden verscheen er een boek, waarin zooveel zotternijen, die voor waarheden moesten doorgaan, verteld werden.

Een ander reiziger, Johannes Schiltberger uit München, deed eene reis, die van 1394 tot 1427 duurde. Als jong soldaat was hij in den slag bij Nikopolis, in 1396, door de Turken gevangengenomen. Sultan Bajazid liet al de gevangenen onthoofden, doch Schiltbergers leven bleef gespaard, omdat hij nog maar zestien jaar oud was. Hij kwam in dienst van den Sultan, en deze werd later op zijne beurt verslagen door Tamerlan, waardoor onze gewezen soldaat, als slaaf, in dienst kwam van dezen beruchten en wreeden Khan der Mongolen. Waar Tamerlan of Timoer kwam, daar kwam ook Schiltberger, zoodat hij, eindelijk in zijn land terugkomende, zeggen kon, dat hij in Klein-Azië, Egypte, Perzië, Indië, de landen van de Kaspische Zee en in Zuid-Rusland geweest was. Het ligt voor de hand, dat deze man, die in eene zeer ondergeschikte betrekking, en tegen zijn’ zin, die reizen makende, landen en volken weer anders bekeek en beschreef dan Marco Polo en de Missionarissen dit gedaan hadden. In vele opzichten kwamen echter allen met elkander overeen. Het Oosten was een schoon en rijk land, met bewoners, die er eene heel andere beschaving op nahielden dan de Christenen in Europa. Het was onnoemelijk groot, en op sommige plaatsen buitengewoon vruchtbaar, op andere weer woest en dor. De bewoners waren, óf Heidenen, óf Mohammedanen, en sommigen woonden in steden, grooter dan menig Vorstendom in Europa.

Dat alles was bij alle schrijvers te lezen, en het wekte hier de zucht op van den koopman om schatten te gaan verdienen, en dáár de begeerte om onder Mohammedanen en Heidenen het Kruis te gaan prediken. In beide gevallen werd de aardrijkskundige kennis uitgebreid, en hiermede ook menige andere wetenschap. Wanneer wij enkel oordeelen naar hetgeen de Missionarissen der Middel-eeuwen schreven, dan zouden wij een zeer verkeerd oordeel over hun gewichtig werk vellen. Doch ook zelfs zij brachten veel tot stand, en helderden op, wat onduidelijk was. Hun werk was het, dat de Genueezen een’ handels- of karavanenweg kregen, van de rivier de Don naar Peking, en hun werk was het ook, dat men ophield te gelooven, dat de Kaspische Zee met de IJszee in verbinding stond en derhalve geene open zee was. En, vóór een Marco Polo met de zijnen in het land der Tataren en in hunne hoofdstad kwam, waren er al Missionarissen geweest, zoodat men niet te veel beweert, als men zegt, dat China, òf, zooals het door de Tataren genoemd werd, Kataï, ontdekt werd door de Missionarissen.

Trouwens, zelfs in onzen tijd wordt het werk van Zendelingen en Missionarissen maar al te veel zeer scheef beoordeeld. Ik gebruik hier twee woorden, die eigenlijk hetzelfde beteekenen, alléén, omdat de Protestant steeds van Zendelingen, en de Katholiek van Missionarissen spreekt.

Terecht zegt de Duitsche schrijver Löwenberg, waarlijk geen man wien men verwijten kan, dat zijne clericale gevoelens hem de zaak doen overdrijven: „De ontdekker is de voorlooper van den zendeling, de zendeling zelf dikwijls weder, ontdekker. Waar handelsverbintenissen aangeknoopt worden, daar vestigt zich de Zendeling, en waar men Zendelingsposten vestigt, daar ontstaat de handel.”

Willens blind moet men wel zijn, als men het werk van mannen, die in onze eeuw leefden, zooals: Gutzlaff, Huc en Gabet in China, of van Livingstone in Afrika, van weinig beteekenis voor de wetenschap beschouwt. Maar ook reeds in de Middeleeuwen dreef het bevel van den Heer Jezus: „Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren, ze doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb,” tal van ernstige en vrome mannen aan, om naar verre en onbekende landen te trekken, teneinde daar het Evangelie te prediken, en, zonder dat ze het wilden, dienden ze daardoor wetenschap en beschaving meteen. Het een moest noodwendig met het andere samengaan.

Veel zoude er van die zendelingsreizen te verhalen zijn, doch daar het mijn doel is, een boek te schrijven over de ontdekking van Amerika, mag ik met de inleiding tot dit werk niet te uitvoerig zijn. Te meer mag ik dit niet, omdat ik later toch op die Missies noodwendig wijzen moet.

Wij verlaten dus voor een oogenblik de Lagunen-stad, zooals Venetië ook wel eens genoemd wordt, om met enkele woorden te schetsen, wat Genua voor den zeehandel, en daarmede voor de aardrijkskundige wetenschap geweest is.

In het jaar 774 kwam Genua onder het rijk der Franken, doch toen na den dood van Keizer Karel den Grooten, diens machtig gebied verdeeld werd, bekwam Genua hare onafhankelijkheid. Haar heerlijk klimaat, maar veel meer nog hare gunstige ligging voor den zeehandel, waren oorzaak, dat zij in uitgebreidheid, aanzien en macht steeds toenam, en niet weinig werd ze bevoordeeld door de Kruisvaarders, die zich het liefst in hare havens voor den tocht naar het Heilige Land inscheepten. Gaandeweg breidde zij dan ook hare macht uit, en veroverde niet alleen het eiland Corsica, maar ook een groot deel van het eiland Sardinië. De Keizer van het Byzantische rijk gaf hun zelfs in twee voorsteden van Constantinopel vrijdom van tollen, en verleende hun de vrije vaart op de Zwarte Zee. De Genueezen stichtten nu volksplantingen aan de kusten dier zee, en maakten zich zelfs van het heele schier-eiland „De Krim” meester. In gemeenschap met kooplieden uit Florence en Pisa brachten ze ook langs een’ karavanenweg, goud, edelgesteenten, verfsoorten, vernis, vuurlak, porselein, thee, rabarber, zijden stoffen, katoen, pelswerk, ja, ook Indische specerijen uit China naar Europa, waar al deze waren buitengewoon veel aftrek vonden. Nog grooter werden de voordeelen, welke de Genueezen behaalden, toen Alexandrië en Joppe voor de Venetianen niet langer de stapelplaatsen konden zijn van de Indische producten, omdat beide steden, na den val van het Koninkrijk Jeruzalem, bijna altijd in handen der Turken waren. Wel sloot Venetië menigmaal met de Mohammedaansche Vorsten een handelsverbond, doch maar al te vaak werd dit alweer verbroken. Dat hierdoor tusschen deze twee machtige handelssteden een naijver ontstond, welke tot botsingen, ja, zelfs tot oorlogen aanleiding gaf, is te begrijpen. Toch zou het te bezien gestaan hebben, wie op den duur overwinnaar bleef, indien er niet heel wat anders gebeurd ware.

Tamarlan of Timoer, van wien we reeds gesproken hebben, maakte aan de handelsbetrekkingen tusschen China en de Zwarte Zee een einde. Hij veroverde in 1406 de landen om deze zee gelegen, en—Genua, beroofd van haren voornaamsten handelsweg, moest nu vanzelf onderdoen voor Venetië. De Venetianen, die altijd buiten de Zwarte Zee gehouden waren, sloten nu andermaal verbonden met de Saracenen, en den Sultan van Egypte en Syrië. Dezelfde voordeelen, die de Genueezen eenmaal te Constantinopel verkregen, genoten nu de Venetianen te Alexandrië.

Verbazend is de macht, die Venetië ontwikkelde. Hare schepen bezochten alle Europeesche havens, en omgekeerd bezochten Engelschen, Vlamingen, Duitschers, Franschen, Portugeezen en Spanjaarden de havens der beroemde Republiek, die, gesteund door haren rijkdom, voor heel Europa het brandpunt werd van kunsten, wetenschappen en beschaving. Hoe ver de Venetianen het in de aardrijkskunde gebracht hadden, bewijzen de wereldkaarten, die ze maakten. Vooral zijn de twee kaarten van Fra Mauro beroemd geworden. Eene ervan wordt nog altijd te Venetië bewaard, en de andere kwam te Lissabon in handen der Portugeezen. Natuurlijk zijn op die kaarten alleen Europa, Azië en Afrika afgebeeld, en wanneer wij die afbeeldingen vergelijken met de tegenwoordige, dan ontbreekt er zeer veel aan, maar voor dien tijd waren ze zóó uitstekend, dat men niets beters wenschen kon.

Hoe die eene wereldkaart van Fra Mauro in Lissabon kwam, weet ik niet, maar de Venetianen hadden wel mogen wenschen, dat dit niet gebeurd ware, want de Portugeezen maakten er zulk een gebruik van, dat het de ondergang, niet alleen van Genua, maar ook van de oppermachtige Republiek Venetië ten gevolge had. Hoe dit geschiedde, zullen we in een volgend hoofdstuk zien.


HOOFDSTUK IV.


DE PORTUGEEZEN.

Alvorens tot de beschrijving van de ontdekkingsreizen der Portugeezen over te gaan, dien ik even te wijzen op de algemeene verarming van Europa aan goud en zilver. Eeuwen lang had Azië in Europa ingevoerd, en dit zou natuurlijk ook in het voordeel van Europa geweest zijn, als dit maar naar Azië had kunnen uitvoeren. Dit was evenwel het geval niet, want de Europeesche producten vonden onder de Aziaten bijna geen’ enkelen afnemer.

Men had in Europa ook goud- en zilvermijnen, doch deze waren ten laatste zoo goed als geheel uitgeput, en het gevolg daarvan was, dat alles, wat in ons werelddeel verbouwd of gemaakt werd, in prijs daalde, en de volksarmoede hand over hand toenam. Zelfs de ongekende weelde, die in de Brabantsche en Vlaamsche gewesten, in Genua, en vooral in Venetië heerschte, kon den eenvoudigen blik van iemand, die wat verder keek dan zijne naaste omgeving, niet bedriegen. Bleef die staat van zaken bestendigd, dan zou ten slotte zelfs de weelde in de genoemde landen verdwijnen, en het Christelijke Europa arm, ellendig en van alles beroofd, zou nederig het hoofd moeten buigen voor Heidenen en Mohammedanen, die meester van den handel waren, en prijzen bedongen, die nergens naar geleken. Door hoevele handen gingen niet de Oostersche producten eer ze in Europeesche schepen overgeladen waren! Van handelswaren uit de tweede hand hebben, er was geene sprake van; men kreeg ze misschien wel uit de twintigste hand.

Zoo was men te weten gekomen, dat de Indische specerijen, te Alexandrië driemaal duurder waren dan te Calicoet, dat in Voor-Indië ligt en toen de stad was, waar men de specerijen uit den Archipel aanvoerde. Wilde men wierook, te Mecca betaalde men er vijfmaal minder voor dan te Alexandrië. Zoo ging het met alles, en het kon niet anders, zóó moest de welvaart van Europa ten gronde gaan.

Dit zagen ook twee Genueesche Edellieden, Thedisio Doria en zijn’ broeder Vivaldo, in, en daarom wilden zij beproeven of men niet langs de zee, om Afrika heen, in de Indiën komen kon. Vol moed scheepten zij zich in, doch nimmer keerden ze weder.

Dat was koren op den molen van de half-wetenschappelijke klagers.

Europa was er slecht aan toe, zoo redeneerden zij. Zag men niet iederen avond de zon in zee ondergaan? Wat hielp het, al durfde men, als de Tataren, honderden mijlen ver zich op den Oceaan wagen? Ging men het Westen in, men kwam dan immers achter de zon en in eene streek, waar steeds volslagen duisternis heerschte, en die waarschijnlijk door afschuwelijke wezens bewoond werd. Voer men het Zuiden in, dan zou men ten laatste in een land komen, waar de zonnewarmte alles verbranden deed, en waar de hitte zóó groot was, dat al het zeewater verdampte, en slechts het zout achterliet. Kwam men op het land, men zou er alles verschroeid en verbrand vinden.

Hoogstwaarschijnlijk zullen er wel geweest zijn, die het er ook voor hielden, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, en die redeneerden: „Gaat men op de aarde van het Noorden naar het Zuiden, dan wordt ten laatste de hitte zóó groot, dat alles er door verteerd wordt. Het omgekeerde moet echter ook waar zijn, als men van het Zuiden naar het Noorden gaat.” Die redeneering hielp evenwel zoo goed als niets, want Noordelijken en Zuidelijken konden nimmer bij elkander komen. De hitte wierp tusschen beiden eene grens op, welke niet te overschrijden was. Die hittelijn, die we nu kennen onder den naam van Aequator, Evennachtslijn of Linie was toen dus wel bekend, maar—als eene lijn der verschrikking, die niet overschreden kon worden.

Of er meer waren, die aan de waarheid ervan sterk twijfelden, weet ik niet, maar de geschiedenis wijst ons op iemand, die er niets van geloofde, en alle krachten inspande, om aan die dwaze veronderstellingen een einde te maken.

Prins Hendrik de Zeevaarder. (Geb. 1394, overl. 1460.) Prins Hendrik de Zeevaarder. (Geb. 1394, overl. 1460.)

Hij heette Dom Henrique, of, zooals wij hem noemen zouden, Prins Hendrik, en was de vierde zoon van Johan I, Koning van Portugal. Deze Prins, geboren den vierden Maart van het jaar 1394, onderscheidde zich reeds in zijn’ knapen-leeftijd boven al zijne makkers. Geen als hij was zoo vlug en stout in het behandelen der wapenen, en hierin was hij dan ook geheel een kind van zijn’ tijd. In een ander opzicht was hij dat evenwel volstrekt niet, want als lans, zwaard en schild hunne taak gedaan hadden, zocht hij geene andere uitspanning bij wijnbeker en dobbelkroes, maar in de boeken, en het liefst van al studeerde hij in aardrijks-, wis-, sterren- en zeevaartkunde. Eene ridderlijke figuur, die door schoonheid, gepaard met dapperheid, de harten van alle schoonen veroverde, als hij in het tornooi alle tegenstanders overwon, was hij evenmin. Om lof der vrouwen bekommerde hij zich zóó weinig, dat hij van zichzelven getuigde, dat hij van den dag af, dat er een scheermes op zijn gelaat gebruikt was, nimmer aan eene vrouw een’ kus gegeven had. Nu, de schoonen waren er niet boos om, want zijn vierkant, hoekig gelaat, met oogen, die nimmer eenige warmte verrieden, trok niemand, althans geene vrouw aan. En dan, waar een ander Ridder den beker ledigde, ter eere der Edelvrouwen, daar zag men Prins Hendrik het hoofd met walging van den wijn afwenden. Bovendien was hij ook nog half Geestelijke. Toen in 1312 de Orde der Tempelridders opgeheven werd, stelde Dionysius, Koning van Portugal, de Christus-orde in, en Paus Johannes XXII keurde ze goed. Deze Orde verving die der Tempelridders, en bezat in Portugal groote schatten. Door zijn’ Vader werd Prins Hendrik er tot Grootmeester van aangesteld.

Het doel der Christus-orde was, uitbreiding van de Christelijke Kerk, en om dat te bereiken, sloeg de Vorstelijke Grootmeester het oog op Afrika’s westkust, waar hij voor zijn’ werkkring een uitgestrekt veld meende te zullen vinden. Dat in dit geval de prediking van het Evangelie met het zwaard moest vergezeld gaan, was zóó geheel in den geest van dien tijd, dat we er ons niet over verbazen moeten. Het moge ons onmogelijk schijnen, de leer der hoogste Liefde ingang te doen vinden langs den weg van bloed en tranen, toen meende men dat het zoo goed als de eenige weg was. Een, die anders dacht, zou eenvoudig aangeduid worden, als iemand, die het onmogelijke wilde.

Op eenentwintigjarigen leeftijd veroverde hij, in 1415, de sterke stad Ceuta in Afrika, bij de Straat van Gibraltar gelegen, op de Mooren. Thans behoort deze stad nog altijd aan Spanje, doch reeds kort nadat hij ze ingenomen had, hadden de Mooren haar belegerd, en stellig zou de zwakke bezetting haar hebben moeten overgeven, als niet Prins Hendrik, aan het hoofd eener vloot, haar was komen ontzetten.

Koning Johan ziende, hoe het hart zijns dapperen zoons brandde van verlangen, om de Saracenen of Mooren in Afrika te bestrijden, en hoe hij de heele westkust van dit werelddeel, zelfs tot in onbekende streken, beschouwde als het tooneel zijner werkzaamheid, droeg hem de behartiging van Portugals belangen in dat werelddeel geheel op.

Om hierin beter te kunnen slagen bouwde de Prins aan een’ zeeboezem, die eene uitnemende, natuurlijke haven met reede aanbood, in Algarvië, dus ten zuiden van Portugal, een kasteel, dat den naam kreeg van Villa de Iffante, en later dien van Sagres. Hier stichtte onze Grootmeester nu eene school, waar jongelieden onderwijs in de zeevaart konden ontvangen, en behalve een arsenaal, verbond hij er eene sterrenwacht aan. Vooral bestemde hij deze school voor de jonge Portugeesche Edellieden, want hij begreep zeer goed, dat voor het kleine Portugal de wijde zee een beter veld was om eer en wapenroem te behalen dan het land. Genua en Venetië, ook klein in Europa, waren immers door de zee machtig geworden? Hij deed dus alles, wat hij kon, om den lust voor de zeevaart aan te moedigen, en op kosten der Orde, mogelijk ook uit eigen middelen, rustte hij ieder jaar een schip uit, om hiermede ontdekkingsreizen te gaan doen.

Tristam Vaz en Gonsalves Zargo, twee Portugeesche Edellieden, op zulk een’ tocht uitgegaan zijnde, werden door een’ storm aangegrepen en geheel uit den koers geslagen. Ze waren dus, wat men toen als een veeg teeken beschouwde, „buiten westen”, doch zie, in dien hoogen nood ontdekten zij het eiland Porto Santo, en daarna Madeira. Dit laatste was reeds, zooals we weten, door de Phoeniciërs bezocht geworden, zoodat het ons niet bevreemden moet, dat men op eene kaart van 1351, ter plaatse waar nu Madeira ligt, een eiland vindt met den naam van Isola di Legname, dat is „Houteiland”. Waarschijnlijk is het niet, dat men nog bij overlevering van de Phoeniciërs wist, dat dit eiland zoo houtrijk was, en denkelijk zal een Spanjaard, Portugees of Italiaan er nog wel eens geweest zijn, doch zeker is het, dat niemand er aan gedacht had om zich hier te vestigen. Prins Hendrik, alles vernomen hebbende, besloot om het voor Portugal in bezit te nemen en te bevolken. Het kreeg den naam van Madeira of „Woud-eiland”, omdat het bijna over zijne heele uitgestrektheid met een bosch bedekt was. Door onvoorzichtigheid van de Kolonisten, ontstond er evenwel een boschbrand, die negen jaar aanhield, en bijna al het houtgewas van het eiland vernielde. Het heerlijke klimaat, en de vruchtbaarheid van den bodem waren oorzaak, dat het eiland de ramp spoedig te boven kwam. Hoe schoon en vruchtbaar het eiland ook mocht zijn, toch meenden de Portugeezen, dat al die zoogenaamde ontdekkingsreizen van Prins Hendrik tot niets konden leiden, dan tot verarming van het land en achteruitgang van den landbouw, waaraan nijvere handen onttrokken werden. De Prins, hoe ook tegengewerkt, hield wakker stand, en wist van geen wijken, hoewel hij verscheidene jaren moest laten voorbijgaan, zonder wat meer te kunnen doen, dan Madeira en Porto Santo zoo winstgevend mogelijk maken.

Eerst in 1431 begon men de eigenlijke ontdekkingen weer voort te zetten. De Edelman Gonsalvez Velho Cabral ontdekte in dat jaar de Formigas-eilanden, en een jaar later het eiland Santa Maria, dat het eerste was van een’ kleinen Archipel, later bekend onder den naam van Azorische Eilanden, die achtereenvolgens van 1444 tot 1453 ontdekt werden. Op een dezer eilanden vestigde zich eene Vlaamsche kolonie, waarom de Nederlanders en Belgen dan dezen Archipel ook wel den naam van Vlaamsche Eilanden geven.

We zijn thans evenwel onzen tijd vooruitgeloopen, en moeten weer eenige jaren terugkeeren.

Langs de westkust van Afrika maakte men geene groote vorderingen, want men kwam niet verder dan eenige graden ten zuiden van de Kanarische Eilanden. Daar ligt op het vaste land Kaap Bojador. Zij is een voorgebergte, en wel het westelijke gedeelte van het gebergte Dsjebel-el-Aswad. Zij strekt zich vrij ver in zee uit, en tot op grooten afstand van de kust is er de zee vol rotsen, riffen en ondiepten, waar eene vreeselijke branding staan kan, welke voor de scheepvaart zeer gevaarlijk is.

Hier was, volgens het gevoelen der Portugeesche kustreizigers, het zuidelijkste punt der wereld, dat te bereiken viel, en hoewel deze kaap reeds in 1291 door de Genueesche broeders Thedisio en Vivaldo Doria omgezeild was, en tusschen de jaren 1364 en 1365 Fransche zeelieden de Goudkust bereikt hadden, zoo was er in den tijd van Prins Hendrik niets meer van bekend, en telkens als de Portugeezen tot deze kaap genaderd waren, keerden ze terug.

Toen echter in 1432 de Portugees Gil Eanes, of, zooals hij algemeen genoemd wordt, Gilianes, hier kwam, nam deze het stoute besluit, de kaap om te zeilen, en tot verbazing van zijne manschappen, die slechts met groote moeite en allerlei beloften over te halen waren geweest, om hem te gehoorzamen, gelukte de poging. Gilianes behaalde met deze koene onderneming wel roem, maar om roem alleen was het niet, dat men zijn leven waagde en schatten van geld aan die ontdekkingstochten besteedde. Men wilde er ook voordeelen van genieten, en deze waren al zeer gering. Slechts wat robbenvellen en meer niet, bracht men van de reis mede, zoodat de ondernemende Grootmeester steeds meer tegenwerking ondervond.

Maar, men was zoo gelukkig om twee handels-artikelen te vinden, welke ook de hebzucht konden tevreden stellen. Eén voornaam artikel was stofgoud, dat men eens van eene reis medebracht, en we zagen het reeds, goud had men in Europa meer dan noodig, en de hoop, dat men van deze begeerde stof nog veel meer zou vinden, gaf alweer nieuwen moed.

Toch was stofgoud niet het voornaamste der twee artikelen.

Men was begonnen, Negers, die geen kwaad vermoedden, en met goede bedoelingen bezield, de Blanken ontvingen, die op hunne kusten landden, op te vangen, en mede te nemen als slaven. Zoo één flinke Neger was dan ook heel wat waard, want gaarne werd er in Portugal eene som van veertig lires voor betaald, dat ongeveer vijfhonderd gulden in onzen tijd zou zijn.

Prins Hendrik staat algemeen bekend als een werkelijk vroom en edel man. Hem moesten die slavenjachten dus zeer tegen de borst stuiten, maar zijn verbieden zou gelijk gestaan hebben met een laten varen van al zijne ontdekkings-plannen, welke niet mogelijk waren, als hij de hebzucht er geene rol in liet spelen. Men dient ook wel in acht te nemen, dat de algemeene geest van dien tijd heel anders was dan nu. Waren die Negers wel menschen, die evenals de Blanken eene ziel hadden? Stonden ze in het rijk der Schepping niet veel lager dan de Christenen? Wat meer is, deed men er geen goed werk mede, met de aarde van die zwarte monsters te verlossen?

Weet ge wat een zekere Azoerasa schreef?

Dit.

„God, Die alle goede daden beloont, behaagde het eindelijk om voor al de ellende in Zijn’ dienst geleden, hun,”—den schepelingen namelijk—„een’ roemrijken dag te verschaffen, en eene ruime vergoeding te verleenen, voor al de onkosten, die gemaakt waren, want men ving niet minder dan honderdvijfenzestig mannen, vrouwen en kinderen!”

De arme Negers, die tegen de vuurwapenen der Portugeezen alleen hunne vergiftigde pijlen konden gebruiken, waren nu op hunne hoede. Zij zett’en wachters uit, en wanneer dezen in de verte een schip ontdekten, waarschuwden zij hun’ stam, en terstond werd dan de vlucht genomen, diep in de bosschen ten Oosten, of verder langs het strand het Zuiden in.

De Portugeezen werden dit gewaar, en ze begrepen zeer goed, dat aan een najagen in de bosschen of langs het strand niet te denken viel, en daarom besloten ze, heel wat verder het Zuiden in te zeilen, en dan op eene plaats te landen, waar de vluchtelingen nog niet konden zijn, en de bewoners derhalve niet gewaarschuwd waren voor het dreigende gevaar.

De slavenjachten waren derhalve de eenige oorzaak, dat Prins Hendrik, die in 1460 stierf, het nog beleven mocht, dat niet alleen Kaap Verd werd omgezeild, want dit geschiedde in 1445, of dat men de rivieren de Senegal en de Gambia ontdekte, want dit had plaats in 1445 en 1446, maar dat men ook de kusten van Guinea bereikte, waar men peper en goud vond.

Het voorname doel, dat de Grootmeester gemeend had te bereiken, van om Afrika heen een’ zeeweg naar de Indiën te vinden, was hem dus slechts tendeele gelukt. Men was op weg om hem te vinden, doch nog een half menschenleven zou moeten verloopen eer men Afrika’s zuidelijkste punt bereikte.

Eer we verder gaan, moet ik evenwel nog eene daad van onzen ondernemenden Prins mededeelen, omdat ze eene zeer wijde strekking had.

Zoodra hij begreep, dat Afrika grooter was dan men vermoedde, vormde hij het voornemen om de grenzen van het betrekkelijk kleine Koninkrijk zijns Vaders uit te breiden. Daarom vroeg hij aan den Paus eene oorkonde, waarin deze verklaarde, dat al het land in Afrika, van kaap Non tot in de Indiën, voor zoo ver het door de Portugeezen ontdekt werd, tot Portugal behooren zou. Deze oorkonde werd verleend, en was van zeer veel gewicht, want ook bij andere volken was de lust ontstaan om op ontdekkings-tochten uit te gaan. Daar men evenwel nu zulk een’ verbazend langen weg moest afleggen, eer men aan eene streek kwam, waar de Portugeezen nog niet geweest waren, en omdat men, vóór dien tijd, nergens aan wal mocht komen, om reden de Paus het verboden had, zoo zett’en ze die gedachten uit het hoofd, en peinsden ze op andere ontdekkingstochten. Dat men dit vooral deed in Genua, welks handel door Venetië dreigde ten gronde gericht te worden, is duidelijk, en niet te stout is het beweren, dat dezelfde Pauselijke oorkonde, die aan de Portugeezen zoovele voordeelen verschafte, ook eene voorname oorzaak is geweest van de ontdekking van Amerika. Vandaar dus dat ik zoo even de daad van Prins Hendrik van zulk eene wijde strekking noemde.

Toen de man, die de ziel van alle ondernemingen geweest was, in zijn zeeslot Agres, den laatsten adem uitgeblazen had, scheen ook de Portugeesche ondernemingsgeest met hem gestorven te zijn. Gelukkig was die geest slechts schijndood. De voormalige tegenstanders van den Prins wisten echter te bewerken, dat Koning Alfonsus V, die van 1438 tot 1481 over Portugal regeerde, zich om dien schijndooden geest niet veel bekommerde. Wel draagt hij in de geschiedenis den bijnaam van „de Afrikaan”, doch dit is alleen daaraan toe te schrijven, dat onder zijne regeering zulk een groot deel van Afrika ontdekt werd, waaraan hij, ronduit gezegd, part noch deel had. Hijzelf deed niets anders, dan in het noorden van Afrika oorlog voeren tegen de Saracenen. Ook met Spanje lag hij telkens overhoop, en hij liet zich zelfs tot Koning van Kastilië en Leon uitroepen. Van deze eigenmachtige verheffing beleefde hij evenwel niet veel vreugde, want in 1476 werd hij bij Toro geslagen, en na nog een vrij avontuurlijk leven geleid te hebben, stierf hij in 1481. Deze oorlog in Spanje heeft meer met de ontdekkings-tochten te maken dan men misschien wel denkt. De Edelen en Ridders wilden veel liever roem behalen te land dan ter zee. Een paard was een’ Ridder en Edelman waard, maar een schip niet. Een schip was voor een’ matroos, voor een’ koopman, en niet voor een’ Edelman. De Edelen verachtten de zee, en dit belette Portugal reeds vroeger te worden, wat het later gedurende eenigen tijd werd: het brandpunt van den Europeeschen handel.

Toch had onder Koning Alfonsus’ regeering een zeer merkwaardig feit plaats. De schijndoode geest was, zonder dat de Koning het wist, ontwaakt, en vervolgde Prins Hendriks werk door de ontdekkingen langs de Afrikaansche kust voort te zetten. In 1471 passeerde een Portugeesch schip de Linie, en eenige graden ten Zuiden ervan ging men aan wal.

Dit was eene gebeurtenis van buitengewone beteekenis, wat ieder duidelijk zijn zal, als hij zich herinnert, wat we op de 42ste bladzijde zeiden omtrent die onoverkomelijke grens tusschen het Noordelijke en Zuidelijke halfrond van de Aarde.

Men had die hitte-lijn nu niet alleen bereikt, men had haar zelfs overschreden.

Waar was nu het land waar alles verschroeid en verbrand was? Waar was de verdampte zee? Had men ergens door eene pekelmassa, als door eene zoutwoestijn, moeten varen? Was niet het land schoon en heerlijk als een Paradijs? Was niet de zee, even als overal, vloeibaar?

Wat zouden nu de ongeluks-kraaiers, die zóóveel verschrikkelijks van die grens tusschen Noord en Zuid hadden verteld, zeggen? Wat zouden ze anders doen dan zwijgen of ruiterlijk bekennen, dat ze gedwaald hadden?

Waarlijk, het overschrijden der Linie was een buitengewoon feit, en met verbazing hoorde men, bij den terugkeer der schepelingen, in Portugal het verslag van hun’ merkwaardigen tocht aan. Er was dus uitgemaakt dat het Noordelijke en Zuidelijke deel der aarde met elkander volkomen één waren, en het is geen wonder, dat nu opeens iedereen al zijne gedachten op dat onbekende Zuiden richtte. Zelfs de Edelen en Ridders moesten er aan denken, maar evenmin als vroeger wilden ze nu het oorlogspaard verwisselen met het schip; ze wilden het zwaard niet prijsgeven voor het roer. Alle pogingen wendden zij aan, om den Koning te bewegen, geen gehoor te geven aan dien drang naar ontdekkingen. Zij bereikten hun doel, zeer tegen den zin van Prins Johan, die zijn’ Vader eens opvolgen zou, doch die nu nog machteloos was.

Toen echter Koning Alfonsus overleden, en zijn zoon Johan II Koning was, besloot deze het grootsche werk van Prins Hendrik voort te zetten, doch wilde hij dat goed doen, dan moest er eerst een zeer gewichtig werk verricht worden.

Ten Zuiden van de Linie toch waren andere sterrenbeelden zichtbaar geworden, dan die, welke men ten Noorden ervan kende, en daar de sterrenbeelden, met het kompas, zooals men dat toen had, de gidsen van den zeeman op den Oceaan moesten zijn, zoo diende men in de eerste plaats eene nieuwe sterrenkaart te maken.

Nu wilde het geval, dat zich in 1480 te Lissabon een zekere Duitscher bevond. Hij heette Bohemus Behaim of, zooals anderen hem noemen, Martinus Behaim. Hij was, zooals hij zelf beweerde, van geboorte een Edelman uit Bohemen, doch had zich in Neurenberg aan den handel gewijd. Om zich hierin meer te bekwamen, begaf hij zich naar Mechelen, en legde zich daar vooral op den lakenhandel toe. Hij was evenwel geen alledaagsch koopman, want in zijne vrije uren oefende hij zich in de studie van aardrijks-, wis- en sterrenkunde, en weldra ontstond ook bij hem de begeerte om reizen te gaan doen. Zoo ging hij van Mechelen naar Antwerpen en van Antwerpen naar Lissabon, waar hij zich inscheepte naar Afrika’s westkust. In 1585 weer in Lissabon teruggekeerd, sloeg Koning Johan II hem, ter belooning voor zijne aardrijkskundige verdiensten, tot Ridder, en benoemde hem tot lid eener Junta of Raad, die door den Koning belast was, met het vervaardigen van eene nieuwe sterrenkaart.

Inmiddels waren de tochten langs Afrika’s westkust voortgezet, en in 1484 had zekere Diago Câno de rivier de Congo ontdekt, en aan den zuidelijksten mond van dezen machtigen stroom een’ steenen grenspaal opgericht. Die palen moesten geplaatst worden, opdat andere dan Portugeesche zeevaarders, die hier kwamen, weten zouden tot hoever het gebied van Portugal zich uitstrekte.

Men bevond dat de bewoners van den Congo geregeerd werden door een’ Koning, die over een machtig en zeer uitgestrekt gebied te bevelen had. Hiervan wilden de Portugeezen gebruik maken door eenige handels-verbintenissen met dezen Vorst aan te gaan, wat werkelijk ook gelukte. Tegelijk hiermede begon men ook het bekeeringswerk, doch dat maakte minder goede vorderingen, dan men wel gehoopt had.

Toen men eindelijk in Lissabon met de sterrenkaart klaar gekomen was, besloot de Koning er onverwijld gebruik van te maken. Veel was er indertijd ook verteld geworden, dat ergens in Afrika, en in de nabijheid der Roode Zee, te midden van Mohammedanen en Heidenen, een Christelijk Koninkrijk lag, dat geregeerd werd door een’ Koning, die den naam droeg van „Aartspriester Johannes”, en die een fabelachtig man was, want sommigen plaatsten zijn Koninkrijk in Azië, te midden der Tataarsche landen, en bijna ieder hield hem voor den Apostel Johannes, die nog altijd op aarde leefde.

Later bleek het, dat dit Christelijke rijk er werkelijk was. Het was het tegenwoordige Abessinië, dat bevolkt was met zoogenaamde Koptische Christenen, die wel de Christelijke leer beleden, doch zóó vermengd met allerlei Heidensche en Mohammedaansche begrippen, dat die leer in de oogen der Europeesche Christenen volstrekt geene genade kon vinden.

Nu was men door de ontdekkingen te weten gekomen, dat Afrika, naarmate men zuidelijker kwam, in breedte afnam, wat juist tegen het algemeene gevoelen in was, want ieder, die zich eenigszins met de aardrijkskunde inliet, geloofde dat Afrika steeds breeder werd. Daar het nu gebleken was, dat men hierin verkeerd gezien had, zoo vormde Koning Johan II het plan om Afrika te laten omzeilen. Kon men dat gedaan krijgen, dan moest men dat Christelijke rijk op Afrika’s oostkust opzoeken, en vervolgens trachten, om, in verbinding met die Christenen, Indië te bereiken.

Eene kleine vloot werd nu uitgerust, en het bevel hierover ontving een zeeman, die zich door zijne vroegere reizen reeds een’ grooten naam gemaakt had. Hij heette Bartholomeus Diaz.

In 1486 verliet Diaz met zijne drie schepen, en begeleid door de beste wenschen en zegenbeden van den Koning, de haven van Lissabon.

Hij had den tijd van afreis evenwel slecht gekozen, want al spoedig werd hij door stormen overvallen, en was hij genoodzaakt, wilde hij geen gevaar loopen op de kusten schipbreuk te lijden, de ruime zee te kiezen.

Was dit zeer tegen den zin der bijgeloovige bemanning, weldra dacht deze nu bovendien, dat het voor goed met haar gedaan was.

Een storm stak op, een storm, zóó hevig en langdurig, als niemand er nog een beleefd had. Drie dagen en drie nachten vlogen de logge vaartuigen, met eene ongekende snelheid, langs den woedenden Oceaan. Wat al doodsangsten stond men uit! Altijd en altijd maar door joeg men het Zuiden in. Het verbrande land en de pekelzee begonnen weer in hun ontsteld brein te spoken, tot een der matrozen tot de ontdekking kwam, dat het water niet warmer, doch wel koeler werd. Dat stelde wat gerust, en toen eindelijk de storm ging liggen, en men de aangebrachte schade zoo goed mogelijk hersteld had, kwam men ook tot nadenken. Wat moest er nu gedaan worden? Men raadpleegde sterrenkaart en kompas, en eindelijk werd besloten den steven in oostelijke richting te wenden, ten einde zoo doende Afrika’s westkust te bereiken.

Het was evenwel om moedeloos te worden. Dagen aaneen zeilde men in die richting voort, doch Afrika’s kust, zoo vurig begeerd, doemde niet aan de kimmen op.

Wat moest men ook niet ver van de heete luchtstreek verwijderd zijn! Inplaats van last van de warmte te hebben, waren de matrozen soms zoo verkleumd van koude, dat ze het werk in het scheepswant en op het dek bijna niet verrichten konden.

Het is moeielijk te bepalen, hoe ver Diaz op dien tocht, waarop hij, veertien dagen lang, op geene honderden mijlen na wist, waar hij zich bevond, wel geweest is.

Gedwongen door zijn volk van koers te veranderen, richtte hij nu den steven noordwaarts, en thans smaakte men na eenige dagen zeilens de onbeschrijfelijke vreugde van in het gezicht der kust te komen.

Men had Afrika weer teruggevonden.

Op welke breedte?

Wat gaf dat? Afrika was het, en meer behoefde men niet te weten.

Hoe zullen die mannen te moede geweest zijn, toen ze weer den vasten bodem onder hunne voeten voelden!

Maar,—het land was veranderd, want hier heerschte niet die ondraaglijke warmte van Guinea en van de Congokust. De plantengroei was ook een heel andere, en de bewoners, die ze terloops gezien hadden, doch die met hunne koeien, die ze bij zich hadden, vol vrees het land in gevlucht waren, neen, dat waren niet de kroesharige Negers van het warme gedeelte van Afrika.

Al deze gegevens versterkten Diaz in zijn geloof, dat men hier dicht aan de zuidelijkste punt van Afrika moest zijn, en dat men deze maar om te zeilen had, om in de Indiën te komen.

Met groote moeite kreeg hij het van zijn volk gedaan om nog wat zuidelijker te stevenen.

Al dieper en dieper kromp de kust naar het Oosten in. Hij zou er komen! Hij zou zijn doel bereiken!

Daar ontdekte hij eene buiging naar het Zuiden.

Het was bij eene kaap, en—wat was daar aan de andere zijde?

Maar vreeselijke stormen beroerden ginds de wateren; de matrozen wilden niet verder. Ze waagden niet andermaal hun leven op dien woesten Oceaan, om daar te verdrinken of van koude om te komen. Ze zouden en ze moesten terug.

Diaz was overtuigd, dat hij Afrika’s zuidpunt gezien had, en noemde die kaap „Cabo de todos los Tormiëntos”, dat is „Voorgebergte der Kwellingen” of „Stormkaap”.

De terugreis werd thans aangenomen, en na eene afwezigheid van zestien en eene halve maand kwam hij in het Vaderland terug, waar hij den Koning verslag van zijne gewichtige reis deed.

Koning Johan was verrukt van blijdschap, en vol hoop dat men thans den zeeweg naar de Indiën om Afrika heen vinden zou, veranderde hij den naam van „Stormkaap” in dien van „Cabo de Buéna Esperanza” of „Kaap de Goede Hoop”, en zóó heet Afrika’s zuidelijkste punt nóg altijd.

De hoop van den Koning, om, met medewerking van de Christenen uit het rijk van den „Aarts-priester Johannes”, de Indiën te kunnen bezoeken, was niet vervuld, en thans besloot hij een’ anderen weg in te slaan. Hij zond twee ondernemende mannen, Covillam en Payva, die beiden met het Arabisch bekend waren, uit, om over land dat Koninkrijk te bezoeken. Beiden kwamen te Caïro en scheidden daar van elkander. Payva had genoeg inlichtingen verkregen om er niet aan te twijfelen, of dat Christenrijk lag ten Zuiden van Egypte. Hij ging er heen, doch keerde nimmer weder. Covillam daarentegen scheepte zich naar de Indiën in, en kwam op die reis niet alleen te Calicoet, maar ook te Goa. Hij keerde nu naar Caïro terug, en liet vandaar den Portugeeschen Koning bericht geven van alles, wat hij in de Indiën gezien had. En dat bericht was zóó gewichtig, dat de Koning besloot om er nu met alle krachten naar te streven, over zee die rijke gewesten te laten opsporen. Wanneer hem dát gelukte, dan waren Venetië en Genua ten ondergang gedoemd, en zou Lissabon hare plaats vervangen! Welk eene schoone toekomst lachte hem tegen!

De grootste voordeelen van den handel genoten immers de gehate Mohammedanen, die zich met het goud en zilver der Christenen verrijkten! Gelukte het hem, den weg over zee naar de Indiën te vinden, dan verkregen de Portugeezen, dus de Christenen, alle zoo vurig begeerde Oostersche producten uit de eerste hand. Schatten zouden dan Portugal, en, ja, ook Europa binnenstroomen. De macht van het goud zou in handen der Christenen komen, en den val van den Islam bewerken.

Arme Koning!

Te midden zijner schoone droomen werd hij uit het leven gerukt. En die droomen waren nog niet eens altijd even schoon geweest, want de angst van te laat te komen, deed hem er telkens uit wakker schrikken.

De Spanjaarden immers hadden, onder aanvoering van een’ Genuees, zooals men beweerde, de Indiën gevonden op eene westelijke vaart?

Koning Johan twijfelde eraan.

Had men de rijke Indiën wel gevonden? En zoo ja, wie kon zeggen hoe oneindig groot dat rijk was, en of het voordeel niet aan de zijde der Portugeezen zijn zou, wanneer ze de Indiën bereikten door het Oosten in te slaan.

Het was een tijd van spanning, zooals men er op het Pyreneesche schiereiland nog nimmer een beleefd had.

Te midden van die spanning, die worsteling liever, legde Johan II voor goed het hoofd neder, en werd opgevolgd door den verlichten en geleerden Dom Emanuel, die in de geschiedenis den bijnaam draagt van „de Groote”, of ook wel „de Gelukkige”.

Na de regeering van het land verbeterd te hebben, was thans zijn eerste werk om het plan van zijn’ wakkeren en ondernemenden voorganger uit te voeren.

Vier schepen werden uitgerust, en het bevel ervan droeg hij op aan Admiraal Vasco de Gama. Een der Onderbevelhebbers was de welbekende Bartholomeus Diaz.

Gelukkiger keuze had Koning Emanuel wel niet kunnen doen, want meer nog dan Diaz, was Gama van een doorzettend en onbevreesd karakter, terwijl hij ook, als zeeman, zeer veel ondervinding opgedaan had.