Zevende Hoofdstuk.

Dik gaat naar school.

Op den achtsten Februari was Dik zes jaar geworden, en op den eenendertigsten Maart daaraanvolgende stapte Jan Trom de kamer van den hoofdonderwijzer binnen, om dien te vragen, of zijn zoon den volgenden morgen op school zou kunnen komen.

„Goeden avond, meester.”

„Goeden avond, Trom. Hoe gaat het? Ga zitten.”

Jan Trom nam plaats op de punt van een stoel, en begon verlegen aan zijne vlassige bakkebaardjes te plukken.

„’t Is mooi weertje, niet waar?” vervolgde de meester.

„Ja meester, ’t is mooi weertje,—dat is het,” zeide Trom.

„En wat is er van uw dienst?”

„Van mijn dienst? Niets, niemendal, meester. Ik wou u maar komen vragen, en dat wou ik, ziet u, of.... affijn, ziet u, of Dik morgen op school mag komen, ziet u.”

„Dik? Wie is dat?”

„Jawel, hij is dik, ziet u,—dat is-ie.”

„Zoo, dat doet me genoegen. Maar ik bedoel eigenlijk, of het een kind van u is?”

„Jawel, ziet u, ’t is onze Dik,—dat is-ie.”

„Mooi, nu begrijp ik het. Dus zijn naam is Dik Trom?”

„Jawel, meester, hij heet Dik Trom,—dat doet-ie.”

„U hebt den jongen toch een zonderlingen naam gegeven, dunkt me. Is hij zoo gedoopt ook?”

„Neen meester, dat niet. Hij is Dirk gedoopt—dat is-ie.”

„O, dus hij heet eigenlijk Dirk Trom? Nu ben ik er.”

„Ja, meester.”

„En is hij gevaccineerd?”

„Neen meester, gevekseleerd, dat geloof ik niet, maar hij is anders een bijzonder kind,—dat is-ie.”

„Is hij niet gevaccineerd? Maar Trom, dan kan hij niet op school komen. Dan mag ik hem niet aannemen.”

„Zoo meester, dat is een gekke boel,—dat is het. Het zal Griet ook erg spijten,—dat zal het.”

„Ja, het spijt mij ook. Of heeft hij soms de pokken gehad?”

„Ja, meester, dat wel, koepokken, en groote ook. Hij had er op elken arm drie, dat had-ie.”

„O, dus hij is wèl ingeënt?” riep de meester, die moeite had om niet in lachen uit te barsten.

„Ja meester, dat is hij wel en dat is-ie. Hier heb ik zijn pokkenbriefje.”

„Zoo Trom, dan is het geheel in orde. Stuur hem dan morgen maar.”

„Goed meester, asjeblief.”

Trom vertrok. Den volgenden morgen kreeg Dik een nieuw pak aan, dat, wat snit en kleur betrof, precies op al de voorgaande geleek. Daarna sneed Moeder hem zulk een dikke boterham, dat het scheen, of ze bang was, dat Dik anders doodgehongerd weer thuis zou komen. Om het feestelijke van de gelegenheid legde ze er zelfs plakken snijkoek op. Dik vond het heerlijk, en viel er met moed op aan. Nu was hij niet zoo gauw bang voor een boterhammetje, maar deze was toch zoo groot, dat hij bijna geen raad met haar wist. Doch de aanhouder wint, dat ondervond hij ook, en eindelijk kwam hij er mede klaar.

„Lust je nog een stukje brood, Dik?”

„Met koek?” vroeg deze.

„Jawel, een stukje koek mag je óók nog wel hebben.”

„Dan nog twee boterhammen, moeder,” zeide Dik.

„Wat? Nog twee?”

„Ja, moeder.”

Dik kreeg, wat hij vroeg, maar in het brood had hij geen trek meer; het was hem alleen maar om de koek te doen. Die at hij er dus netjes af, en toen stak hij de boterhammen in zijn zak.

Te kwart voor negen bracht Moeder hem naar het schoolplein, waar de hoofdonderwijzer zijne nieuwe leerlingen stond op te wachten. Toen moeder vertrokken was, nam de meester Dik en de andere nieuwelingen mede naar een lokaal, waar eene buitengewoon lange, magere juffrouw onderwijzeres was. Ze zag er niet vriendelijk uit, en ze was zoo bleek en schraal, dat Dik haar, al stond ze hem niet aan, met innig medelijden aanstaarde. Hij voelde zich vrij wel op zijn gemak, en was bijzonder goed gemutst. Dat was hij trouwens onder alle mogelijke omstandigheden des levens, behalve wanneer hij honger had. De juffrouw zette de kleintjes twee aan twee op eene bank, en liep de klasse eens door, om een praatje met hen te maken. Weldra kwam ze ook bij Dik, die haar, hoe meer zij naderde, met des te grooter medelijden beschouwde.

„Wel, jongetje, hoe heet jij?” vroeg ze op korten, doch niet onvriendelijken toon.

„Dik.”

„Dik? Ja, mannetje, dat ben je, maar ik vraag, hoe je heet.”

Dik gaf geen antwoord, want hij had het al eenmaal gezegd, en dat vond hij genoeg.

„Kom, ventje, je kent toch je eigen naam wel? Hoe heet je?”

Gedreven door een gevoel van medelijden zei hij nog eens: „Dik.”

„Jawel, jongetje, dat ben je, maar ik wil weten, hoe je heet! Hoe is je naam?” riep de juffrouw eenigszins ongeduldig.

Diks medelijden werd hoe langer hoe grooter, want hij meende duidelijk te hooren, dat de juffrouw boos werd, en omdat hij zelf nooit boos was, dan als hij honger had, begon hij te gelooven, dat ze niet genoeg gegeten had, in welke meening haar uiterlijk hem wel moest versterken.

„Nu jongen, kun je niet meer spreken? Hoe heet je?” De juffrouw was nu werkelijk een beetje driftig geworden, en daardoor klonk haar toon zoo scherp, dat Dik niet langer twijfelde, of ze had grooten honger. Op eenmaal schoot hem te binnen, dat hij nog twee boterhammen in zijn broekzak had. Met een tevreden gelaat haalde hij ze voor den dag, en stak ze de juffrouw toe.

„Daar!” zei hij. „Eet ze maar op, dan zal het wel beter worden!”

Alle kinderen begonnen te lachen, en de juffrouw deed dapper mee.

„Dank-je wel, ventje. Je bent zeer vriendelijk. Och Jan Vos, kom eens hier, om dat brood op het schoolplein te brengen. Dan kunnen de vogeltjes het opeten.”

Jan Vos kwam, maar het brood kreeg hij niet, want Dik hield er veel te veel van, om het zoo maar te laten weggooien. Hij nam er dus een paar flinke happen van, en stak de rest weer in zijne zakken. Nu had de juffrouw volstrekt geen lust om het er zelf uit te halen, en daar Dik even weinig lust had, om het vrijwillig over te geven, besloot ze, den dikken lummel vooreerst maar aan zijn lot over te laten. Van de andere kinderen kwam ze te weten, dat hij eigenlijk Dirk Trom heette, maar gewoonlijk Dik genoemd werd. Ze gaf elk kind eene lei en eene griffel, om wat te teekenen, en ging toen naar de andere klasse, om daar te laten lezen. ’t Was zeer stil in de school. De nieuwelingen zaten met een verlegen gezicht rond te kijken, of zoo mooi zij konden, links en rechts strepen te trekken.

Ook Dik weerde zich dapper. Hij drukte zijne griffel op de lei, alsof hij daar een gaatje in wilde duwen, en maakte zulk een gekras, dat de juffrouw rillingen over de magere leden kreeg.

„Jongetje, niet zoo krassen. Ik word er bijna ziek van.”

Doch Dik knarste maar door. Hij bemerkte in het geheel niet, dat de juffrouw het tegen hem had, en bovendien vermaakte hij zich kostelijk.

„Knars!” ging het weer.

„O foei, wat een jongen!” riep de juffrouw. „Dik Trom, kom eens hier.”

Dik deed zijn mond dicht, want die stond altijd open, als hij zich in de eene of andere bezigheid verdiepte, en keek de juffrouw aan met een paar oogen, waarin te lezen stond: „Wat is er nu weer?”

„Dik Trom, ik zeg, dat je eens hier moet komen!”

Dik legde zijne handen boven op de boterhammen, wierp zijne kromme beentjes over de bank, en stapte naar de juffrouw, die voor de klasse stond.

„Dik, je moet gehoorzaam zijn. Alle kinderen hier op school zijn dat. Als ik je dus iets verbied, moet je het dadelijk laten.”

„Zoo,” zei Dik.

„Wat zeg je?” vroeg de juffrouw, die zich over dit antwoord verbaasde, en hare ooren bijna niet gelooven kon.

„Ik zing geen twee liedjes voor één cent,” zei Dik, die eene grappige bui had en er zelf om lachen moest, tot zijne dikke buik er van schudde.

„Wel, heb ik van mijn leven!” riep de juffrouw. „Wat ben jij een brutaaltje! Van wien leer je dat?”

„Van Moeder,” zei Dik zeer tevreden.

„Zoo! Nu, zulke dingen mag je hier volstrekt niet zeggen. Je blijft hier maar bij me staan, hoor, en je moet bedaard zijn.”

„Ja,” zei Dik.

„Je moet zeggen: Ja juffrouw.”

„Zoo.”

„Nu, doe het dan!”

Dik, die nog altijd zijn medelijden niet overwinnen kon, besloot haar dat genoegen maar te doen, en zeide:

„Je moet zeggen ja juffrouw.”

De juffrouw schudde moedeloos het hoofd, ging met haar werk voort, en liet Dik maar weer aan zichzelven over. Deze had nu niets meer te doen, en daarom haalde hij zijn brood weer voor den dag, en begon het op te peuzelen, tot groot vermaak van de andere kinderen, die proestten van het lachen. Plotseling kreeg hij Anneke in het oog, die hij den geheelen morgen nog niet opgemerkt had, en met een vollen mond riep hij, zoo hard hij kon:

„Dag!—Wil je ook wat?”

Hij liep naar haar toe, en legde zijn brood op hare lei, doch de juffrouw wist het spoedig te bemachtigen, en liet het buiten brengen voor de vogeltjes, waardoor Dik zich diep beleedigd gevoelde. Hij keek haar met groote oogen aan.

„Dik, wil je nu zoet zijn?”

Dik was te boos, om antwoord te geven.

„Dik, beloof me, dat je zoet zult zijn, dan mag je weer gaan zitten.”

„Ik ben altijd zoet!” riep Dik, die zich volstrekt van geen kwaad bewust was.

„Nu, ga dan maar zitten, doch geen leven maken, hoor.”

Dik stapte weer naar zijne plaats, maar van teekenen had hij zijn bekomst. Hij keek een poosje rond, en vestigde toen zijne aandacht op zijn buurjongen, die zich in de school zoo weinig op zijn gemak gevoelde, dat het huilen hem nader stond dan het lachen, hetgeen dan ook duidelijk op zijn gezicht te lezen stond.

„Wat kijk jij leelijk,” zei Dik, „heb je honger?”

De jongen bleef hem even leelijk aanzien, zonder antwoord te geven.

„Ben je ziek?” vroeg Dik, die er het zijne van wilde hebben.

De jongen gaf geen antwoord, maar begon in plaats daarvan hardop te huilen, tot groote verbazing van Dik.

De juffrouw kwam op den schreienden knaap af, en vroeg:

„Wat scheelt er aan?”

„Hij knijpt me!” schreeuwde de jongen, op Dik wijzende.

Diks verbazing steeg ten top, en ging over in hevige verontwaardiging. In een oogenblik stond hij boven op de bank, nam zijne lei, en begon daarmee zoo geweldig op zijn buurman los te timmeren, dat de scherven in het rond vlogen. Toen stak hij zijne handen weer in zijne zakken en liep de deur uit, naar huis. ’t Was hem op school volstrekt niet bevallen, en ’s middags had zijne moeder groote moeite, om hem er weer heen te krijgen.

Achtste Hoofdstuk.

Dik en de juffrouw.

Het was voor Griet Trom een lastig geval, dat Dik en de juffrouw elkander zoo slecht bevielen, want als ze hem niet zelf naar school bracht, kon ze er zeker van zijn, dat Dik er niet heen ging. En voor de juffrouw was het geval nog veel lastiger, want Dik leerde volstrekt niets, verscheurde zijne boeken, nog eer hij ze lezen kon, maakte ieder oogenblik eene lei stuk, kraste met spijkers op muren en banken, kortom deed niets dan kattekwaad, en was voor de juffrouw eene onuitputtelijke bron van verdriet. Zijn buurjongen, die Bruin Boon heette, viel óók volstrekt niet in zijn smaak, hetgeen hij hem door een groot aantal knepen en stompen ten duidelijkste deed gevoelen. Bruin was dan ook geen aardige jongen, want vooreerst was hij niet eerlijk, ten tweede sprak hij nooit de waarheid, ten derde was hij valsch en ten vierde laf, hoewel hij zich gaarne voor dapper uitgaf. Van al deze ondeugden bezat Dik er niet één. Dik zou zich nooit iets toeëigenen, wat van een ander was, ten tweede sprak hij altoos de waarheid, en ten slotte: vrees kende hij niet en van bluffen had hij een afkeer. In één woord, Dik was een ondeugende, maar flinke jongen. Toen hij ongeveer drie jaar had school gegaan, wist hij nog evenveel, als toen hij er voor het eerst heen ging; alleen in het bedrijven van kattekwaad was hij merkbaar knapper en handiger geworden, zoodat er op ’t laatst bijna niets meer kon gebeuren, of Dik kreeg er de schuld van, of hij het gedaan had of niet. „Die den naam heeft, krijgt ook de daad,” zegt het spreekwoord.

Op zekeren morgen vermaakte Dik zich in school met een zeer grooten, groenen kikvorsch, dien hij ’s morgens gevangen en in zijn zak gestoken had. Hij hield hem aan zijn poot vast, en liet hem dan allerlei bewegingen maken, wel tot genoegen van Bruin Boon, maar tevens tot diens grooten angst, want hij was wel een beetje erg bang van het lieve dier. Door op den kikvorsch te letten, gaf Bruin echter geen acht op zijne lei, en plotseling viel deze kletterend tegen den grond. Haastig stak Dik zijn kikvorsch weer in den zak, en toen de juffrouw bij hen kwam, zat hij dapper te werken.

„Bruin Boon, valt jouw lei daar met zoo ’n gedruisch op den grond?”

„Ja, juffrouw, Dik Trom gooide haar van de bank af.”

„Dat is niet waar!” riep Dik.

„’t Is wèl, juffrouw, hij deed het wèl, en hij heeft ook een kikvorsch in zijn zak,” riep Bruin weer.

„Zoo’n leugenaar!” riep Dik.

„’t Is wèl, juffrouw!”

„Wat moet ik weer hooren, Dik? Ben je weer bezig? Eerst eene lei van de bank gooien, en nog jokken ook? Foei, je moest je schamen. En dan nog een kikvorsch in je zak? Je weet wel, dat zulke dieren niet in de school behooren. Laat zien, dat beest!”

„Ik heb de lei niet op den grond laten vallen, juffrouw, hij deed het zelf, want hij zat te spelen.”

„’t Is niet waar, juffrouw, Dik duwde haar van de bank, en toen viel ze.”

„Zoo, Dik, jok nu maar niet langer. Ik hoor het al, jij hebt de lei op den grond geworpen, en bovendien zit je met een kikker te spelen. Laat zien, dat beestje.”

De juffrouw, die er volstrekt geen begrip van had, wat de zakken van een flinken jongen zooal bevatten kunnen, was in de meening, dat het een klein, dood kikkertje zou zijn, doch wie beschrijft haar schrik, toen Dik haar plotseling een grooten, groenen kikvorsch toestak, die springlevend was. Ze werd doodsbleek, en sprong wel twee passen op zijde, terwijl ze riep:

„O foei, doe weg, dat akelige dier!”

Dik zag met leedvermaak, dat de juffrouw doodelijk bang van het dier was, en daarom gaf hij het dadelijk de vrijheid, waarvan het gebruik maakte, om met groote sprongen regelrecht op de juffrouw aan te wippen. De juffrouw sprong radeloos in het rond en ging eindelijk op de vlucht. In de algemeene verwarring gaf Dik zijn buurman een pak slaag, zooals deze nog maar zelden van een kameraad gehad had.

„Leelijke bruine boon,” beet hij hem toe, „dat klikken zal ik je later nog wel eens beter betaald zetten!”

Intusschen was de juffrouw wat van den schrik bekomen, en herstelde zij de orde. Zij liet den kikvorsch grijpen en naar buiten brengen, en Dikje moest voor straf in het portaal staan. Daar gaf hij echter niet veel om, want de verbolgenheid van de juffrouw liet hem geheel onverschillig, daar hij volstrekt niet van haar hield, en in het portaal kon hij zich vermaken, zooveel hij maar wilde. Hij begon met de klompen, die netjes twee aan twee stonden, door elkander te zetten; toen verhing hij alle petten en hoeden, en stak zelfs sommige er van in de jaszakken. Den hoed van Bruin Boon liet hij zinken in den emmer, waaruit de schoolkinderen mochten drinken. Daar viel zijn oog op den hoed en den mantel van de juffrouw, die aan den binnenkant van de portaaldeur aan een kapstok hingen. Fluks maakte hij er zich meester van, zette den hoed, die hem veel te klein was, op, en trok den mantel, die hem nog meer te groot was, aan. Zoo uitgedost wandelde hij deftig het schoolplein op en neer, terwijl de mooie mantel over den grond sleepte, die door den regen nat en morsig was. Hij vermaakte zich kostelijk, en misschien zou hij ten slotte nog wel het schoolplein af en het dorp ingewandeld zijn, indien de juffrouw niet toevallig door het raam gekeken en den kleinen deugniet bemerkt had. Zij stoof naar buiten en trok hem aan den arm de school binnen, waar de overige kinderen niet weinig pret hadden met Diks nieuwe pak. Wat was de juffrouw boos!

„Wel jou brutale, kwade jongen! Trek uit, gauw wat! Hoe durf je mijne kleêren aan te trekken! Trek uit, zeg ik, of....!”

Dik begon met een vergenoegd gezicht te doen, wat de juffrouw, bevend van boosheid, hem beval. In hare verbolgenheid trok deze aan eene mouw van den mantel, om te helpen, doch zij deed dit zoo driftig, dat de mouw scheurde, waardoor hare boosheid nog heviger werd. Eindelijk stond Dikje, doodkalm en bedaard, weer in zijne gewone plunje voor haar.

„Voort, de school uit, en je kunt vandaag wel wegblijven ook. Je moogt er niet weer in, begrepen?”

„Ja, juffrouw, maar Bruin heeft gejokt.”

Dik trok zijne klompen aan, en ging naar huis.

Een poosje later sloeg de dorpsklok twaalf uur en ging de school uit, maar nu kwam de drukte voor de juffrouw pas goed aan. Geen enkel kind kon zijne klompen vinden; bijna allen trokken verkeerde aan. Hoeden en petten waren zoek, en de jassen hingen op verkeerde plaatsen.

„Juffrouw, mijne klompen zijn weg!”

„Juffrouw, ik zie mijne jas niet!”

„Juffrouw, ik kan mijn mantel niet vinden!”

Het was een tieren en schreeuwen, dat de juffrouw hooren en zien verging, en wat nog het ergste was: ze wist volstrekt geen raad, om aan die algemeene verwarring een einde te maken.

„Hier heb ik mijne jas!” riep Jan Vos. „Zij hing op eene verkeerde plaats!”

„Jij hebt mijne klompen aan!” riep Bruin Boon. „Zie je mijn hoed nergens?”

„Dat heeft die nare Dik gedaan,” zuchtte de juffrouw. „Kinderen,” riep zij met krachtige stem, „allen weer naar binnen.”

De kinderen gehoorzaamden.

„Zie zoo, nu één voor één naar buiten. Jan Vos, jij eerst!”

„Ik ben klaar, juffrouw.”

„Goed. Nu jij, Bruin Boon.”

Bruin ging. Zijne klompen en zijne jas vond hij al spoedig, maar hoe hij ook zocht, zijn hoed was nergens te zien. „Juffrouw, mijn hoed is weg!”

„Nu, dan moet je maar zoeken, tot je hem gevonden hebt. Nu jij, Jansje Slooten.”

Zoo ging de geheele klasse een voor een naar buiten.

Na lang zoeken vond ieder het zijne, behalve Bruin Boon. Huilend keek hij overal rond, maar zijn hoed was nergens te ontdekken. Eindelijk zag de juffrouw den emmer staan, en dadelijk vermoedde zij, dat de verlorene dáár wel gezocht zou moeten worden.

„Kijk eens hier, Bruin, in dien emmer. Is daar je hoed niet?”

Bruin keek, en jawel, daar lag zijn hoofddeksel te weeken in het water. Bruintje vischte hem op, maar wijl hij niet veel lust had, dat natte voorwerp op zijn hoofd, te zetten, was hij verplicht blootshoofds naar huis te gaan.

De juffrouw zag hem met genoegen vertrekken. „Goddank, eindelijk!” zuchtte ze. Ze kleedde zich haastig aan en vertrok. Onderweg kwam ze Diks vader tegen, en ze besloot, hem eens goed te vertellen, hoe ondeugend zijn zoontje was.

„Trom, ik wil u wel eens eventjes spreken.”

„Zoo juffrouw, ziet u, dat kan, en dat doet het.”

„Ja Trom, het spijt me wel, dat ik het zeggen moet, maar ik heb zoo vreeselijk veel last van uw jongen, dat het meer dan noodig is, om hem eens voorbeeldig te straffen. Van morgen heb ik hem naar huis moeten zenden.”

„Zoo juffrouw, dat is erg, ziet u,—dat is het.”

„Ja, ’t is heel erg. Eerst jokt hij me wat voor, daarna gooit hij me een grooten, groenen kikvorsch bijna in het gezicht, zoodat de schrik me nog in de beenen zit, en eindelijk werpt hij al de kleeren van de kinderen door elkander, en loopt met mijn mantel aan en mijn hoed op over het schoolplein. Zoo brutaal heb ik het nog nooit gezien, en het wordt hoog tijd, dat u hem eens flink onder handen neemt.”

Trom keek de juffrouw verlegen en verbaasd aan, en toen zij aanstalten maakte, om haar weg te vervolgen, zeide hij:

„Ja juffrouw, ’t is een bijzonder kind, ziet u,—dat is-ie.”

Negende Hoofdstuk.

Dik en de heks van den Achterweg.

Om half vier, ’s middags, toen de school uitging, liep Dik, die zijn vrijen tijd genoeglijk bij den molenaar had doorgebracht, de schoolkinderen tegemoet, met het vaste plan, Bruin Boon een goed pak slaag te geven.

„Jongens, daar is Dik!—Heb je niet gehad, toen je thuis kwam?”

„Wel neen, wat denk je wel? Moeder moest er braaf om lachen, toen ze het hoorde, en Vader schudde zijn hoofd maar even. Ha, daar komt bruine boon aan. Kom eens hier, boontje, klikspaan, kom jij eens om je loontje, als je durft?”

Maar Bruin durfde niet. Zoo gauw hij Dik in het oog kreeg, zette hij het op een loopen, en daarin was hij Dik de baas. Dik kon niet hard loopen, wat hem genoeg speet. Zijn dikke buik belette het hem.

„Ha, ha,” riepen de jongens. „Die lafaard! Daar gaat hij loopen.”

„Nu,” zeide Dik, „laat hem maar gaan. „Ik zal hem wel krijgen, dat beloof ik hem. Willen we op de markt wat gaan spelen?”

„Ja, aanstonds. Eerst moeten we even naar huis.”

Een uurtje later waren de jongens op het marktplein bijeen, waar zij zich met allerlei spelletjes vermaakten. Nu, de markt bood er dan ook uitstekende gelegenheid voor. Het was een groot vierkant plein, waarop in het midden een prachtige, dikke eikeboom prijkte, en dat als bezaaid was met palen, waaraan het vee op de marktdagen werd vastgebonden. Eerst sprongen de jongens op eene rij achter elkander over de palen heen, waar Dikje even zoo goed slag van had als de grootste jongen, en daarna klom de heele troep in den boom. Dik moest geholpen worden, want alléén kon hij het niet, omdat zoowel hij als de boom er te dik voor waren. Daar bleven zij zitten, tot de veldwachter op hen afkwam en hun dat boompje-klimmen eens en voor altijd verbood, met de bedreiging, dat hij hen zou bekeuren, als ze het weer deden. Toen vermaakten zij zich met boompje-verwisselen, bij welk spelletje zij de palen voor boomen namen, tot het donker begon te worden. Sommige jongens waren al naar huis gegaan, en er waren er nog maar acht over, toen Jan Vos plotseling zeide:

„Kijkt eens, jongens, daar gaat de heks van den Achterweg!”

Alle jongens zwegen en vestigden hunne blikken op een oud vrouwtje, dat langzaam kwam aanstrompelen, en wier uiterlijk wel in staat was, om de aandacht te trekken. Ze was mogelijk niet ouder dan zestig jaar, maar ze zag er uit, alsof ze wel al tachtig was. Haar gelaat was doorploegd van diepe rimpels, en haar mond was zoo ingevallen, dat haar kromme neus bijna in hare vooruitstekende kin prikte. Ze liep erg gebogen, en moest zich bij het gaan ondersteunen met een stokje. Ze had een ouden, versleten doek om het hoofd; een paars jak bedekte hare magere leden, en om haar hals droeg zij een rooden zakdoek, waarvan de punten haar op den rug neerhingen. Een oude rok, die vroeger zwart geweest was, doch nu nog slechts eene twijfelachtige, vale kleur had, kwam van onder haar jak te voorschijn, terwijl hare voeten in schoenen staken, die haar veel te groot waren en daardoor aan de punten geheel opkrulden. In zichzelve mompelend en zonder groeten ging zij de jongens voorbij, en toen zij uit het gezicht was, zei Jan Vos:

„Die leelijke heks! Ze moesten haar in de gevangenis zetten! Dat leelijke wijf heeft al heel wat kwaad gedaan!”

„Wat dan? Wat dan?” riepen de jongens nieuwsgierig.

„Wat dan? Wel, weet je dat dan niet? Vader vertelde gisteren nog, hoe zij iedereen betooveren kan, die niet doet, wat zij wil. Ze heeft laatst nog al de kippen van onzen buurman ziek gemaakt, alleen omdat hij haar geene eieren wou geven voor haar zieken man, zooals ze zei, en ze zou ze later wel betalen; ja, dat begrijp je! Buurman bedankte daar hartelijk voor, en liet haar door den hond van het erf jagen. Maar een paar weken later had hij er spijt genoeg van, want al zijne kippen werden ziek, en de eene na de andere ging dood. Dat had die leelijke heks gedaan!”

„Bij wien was dat dan? Bij Mulder?”

„Ja, bij Mulder. Als hij het wijf nu in de verte maar ziet aankomen, gaat hij al naar binnen. Hij is bang van haar geworden.”

„Nu, die rijke boer had ook licht een paar eieren kunnen geven,” zei Piet van Dril, „maar hij is zoo gierig als wat. En dan nog wel voor een ziek mensch!”

„Denk je dan waarlijk, dat haar man ziek was? Dat was maar een praatje van die leelijke heks, om in huis te kunnen komen, en als je haar eenmaal binnenlaat, betoovert ze je, zonder dat je het zelf weet, maar later merk je het wel. Vader vertelde ook nog, hoe ze het kindje van vrouw Smul, je weet wel, van die baker, behekst heeft, zoodat het binnen drie dagen dood was. En dat was toch maar bij eene arme vrouw, zie-je. Neen, die heks moesten ze maar gevangen zetten, dat zou mooi opruimen.”

„En hoe wist vrouw Smul dan, dat haar kind betooverd was?” vroeg een der jongens.

„Wel, dat is gemakkelijk genoeg te zien. Je tornt het kussen, waarop het gelegen heeft, open, en als dan de veertjes in den vorm van een krans liggen, geloof dan maar gerust, dat het niet zuiver is. Dat was bij vrouw Smul ook het geval.”

„Maar dan zou eigenlijk niemand zijn leven zeker zijn,” riep Piet van Dril, „want dan kan zoo ’n wijf je betooveren, zooveel ze maar wil.”

Ze was mogelijk niet ouder dan zestig jaar, maar ze zag er uit, alsof ze wel tachtig was.

Ze was mogelijk niet ouder dan zestig jaar, maar ze zag er uit, alsof ze wel tachtig was.

„Ja zeker, dat is ook zoo. Vader heeft zelf gezien, dat zij zoo maar op een bezemsteel door de lucht vloog, of het niets was. Dat gebeurde op een Oudejaarsavond. Vader had bij een kennis, onder een stevig glas pons, het oude in het nieuwe gevierd. Om één uur ging hij naar huis, maar vlak bij het kerkhof hoorde hij wat door de lucht vliegen, en toen hij goed keek, zag hij duidelijk, dat het die heks was. Ze dreigde hem nog met hare vuist, maar ze deed hem gelukkig toch geen kwaad.”

„Nu,” riepen de jongens, „dan weet ik wel, dat ik haar voortaan uit den weg zal blijven. Ik ben bang voor zulk volk.”

„Ik ook,” zei Jan Vos, „maar toch zou ik graag eens bij haar door de ramen willen gluren. Wie weet, welke kunsten ze nu al weer uithaalt.”

„Laten we gaan kijken,” zei Dik opeens, „dan weten we het.”

„Ik zou je danken!” riep Jan Vos. „Als ze je ziet, is het met je gedaan, want ze verandert je zoo maar in een spinnekop of zoo iets. Ik ga niet meê!”

Alle jongens zwegen, want hetgeen Jan Vos verteld had, was erg genoeg geweest, om zelfs den dapperste eenigszins vreesachtig te maken. Dik was ook onder den indruk van het gehoorde, maar toch besloot hij om te gaan kijken. De heks mocht dan doen, wat zij niet laten kon. Hij stak zijne handen in zijne zakken, en zei:

„Toch ga ik kijken. Wie gaat er meê?”

Die uitdaging vonden de jongens toch wel wat beschamend, want Dik was de kleinste en ook de jongste van allen. De meesten van hen riepen dan ook:

„Ik ga meê! Wat Dik durft, durf ik ook. Vooruit maar!”

Daar gingen ze, Dik voorop. Ze hadden allen een tak van den eikeboom in de hand, en stapten er moedig en zelfs tamelijk luidruchtig op los.

„Jongens, we zullen aan de ramen tikken!” riep Piet van Dril.

„Ja, en tegen de deur schoppen, zoo hard, dat zelfs eene heks er bang van wordt!” schreeuwde Jan van Bakel.

Dik zeide niets, maar stapte flink door, en aan zijn gezicht was duidelijk te zien, dat hij vast besloten was, de heks eens goed op te nemen. De jongens liepen de dorpsstraat uit en sloegen een zijweg in. Vreemd! De luidruchtige troep werd hoe langer hoe bedaarder, en eindelijk was Dik zijne kameraden zelfs een aardig eindje vooruit geraakt.

„Waar blijf jullie toch?” riep hij, toen hij dat bemerkte. Langzaam kwamen de anderen nader, en zonder spreken vervolgden zij hun weg.

’t Was intusschen geheel donker geworden, en de najaarswind gierde door de takken der boomen. Op eenigen afstand brandde een lichtje. Dáár woonde de heks.

„Zeg, nu moesten we haar eens onverwachts tegenkomen,” fluisterde Piet van Dril. „Wat zou je dan doen?”

„St, stil, wat vloog daar?” riep Jan van Bakel, terwijl hij doodsbleek werd. „Hoor je dat geschreeuw wel?”

Allen stonden stil en luisterden vol spanning.

Weer suisde er wat door de lucht.

„Oe-hoe! Oe-hoe!” klonk het boven hun hoofd.

„Dat is ze!” fluisterde Jan Vos. „Ze heeft zich in een uil veranderd. St, houdt je stil!”

„Komt jongens, vooruit!” riep Dik. „Of durf je niet?—Ik wel!”

Dik stapte moedig vooruit, en toen de anderen dat zagen, schaamden zij zich, om achter te blijven. Langzaam volgden zij hem, en weldra zagen zij het hutje, waarin de oude heks woonde, voor zich. ’t Stond eenzaam aan een achterweg, tamelijk ver van het dorp. De jongens vertraagden opnieuw hunne schreden en stonden eindelijk geheel stil, terwijl ze bijna in elkanders zak kropen.

„Er brandt licht,” fluisterde Barend Zwart. „Zou ze thuis wezen?”

„Oe-hoe! Oe-hoe! Oe-hoe!” klonk het plotseling boven hun hoofd, en weer zagen zij een donker voorwerp door de lucht vliegen.

„Daar is ze weer!” fluisterde Jan Vos. „Wie durft nu te gaan kijken?”

Allen zwegen.

„Oe-hoe! Oe-hoe!”

„Hu, hoe akelig!” fluisterde Jan van Bakel, die eerst van plan geweest was, om hard tegen de deur te schoppen.

„Ze kan je zoo maar in een vleermuis veranderen,” fluisterde Jan Vos.

„Oe-hoe! Oe-hoe!” klonk het nogmaals, en het was, of het geluid uit den ouden schoorsteen van het hutje kwam.

„Komt jongens,” zei Dik, „we moeten kiezen of deelen. Wie gaat er meê?”

„Ik niet!” zei de een.

„Ik dank je!” fluisterde een ander.

„Dan ga ik alleen!” zei Dik vastberaden.

Doodsbleek, maar zonder aarzelen, stapte hij op het hutje aan.

„Oe-hoe! Oe-hoe!” vernam hij weer.

Toch liep hij voort, tot hij op weinige schreden na het raam bereikt had. Hij tuurde door de kleine ruitjes, maar was nog te ver af, om daarbinnen iets te kunnen onderscheiden.

„Neen,” mompelde hij, „zoo gaat het niet. Ik zal er vlak voor gaan staan. Ik moet weten, wat er gebeurt.”

Op de teenen sloop hij, terwijl de anderen hem vol angst, maar tevens met bewondering nakeken, naar het raam, en gluurde naar binnen.

„Oe-hoe! Oe-hoe!” klonk het boven hem, doch hij stoorde zich daar niet aan. Ha, nu kon hij goed zien! Daar zat de heks, dat leelijke wijf, maar—daar achter in het vertrek, wat was dat? Die hoop vodden moet toch geen bed verbeelden? Ja toch, er ligt zoowaar een mensch op! Vreeselijk, wat een levend geraamte! Zie, nu richt de gestalte zich op, en beweegt de lippen. Dik legt zijn oor tegen het raam. Hij wil hooren, wat er gesproken wordt.

„Kee, goede Kee, ach, wat voel ik me ziek!” hoort hij met zwakke stem zeggen.

De heks richt zich op, en gaat naar het bed.

„Kom Willem, moed houden, m’n goede Willem, als de nood het hoogst is, is Gods hulp het meest nabij. Wil je nog eens drinken?”

„Neen, neen, maar ik voel me zoo flauw, zoo wee, en toch, dat harde roggebrood kan ik niet eten. Had ik maar een kopje melk, Kee.”

Dik ziet, hoe de heks haar gelaat met beide handen bedekt, en in tranen uitbarst.

„Niet huilen, Kee, niet huilen, lieve vrouw. Ik weet wel, dat we het niet hebben, dat we te arm zijn. Maar ik voel me zoo ziek, zoo zwak.”

„Och, Willem, wat is het toch hard, dat ik niets voor je heb,” snikt de heks. „Maar de menschen willen me niet meer borgen en schreeuwen me na, dat ik eene heks ben. O, Willem, dat we ook zoo arm zijn! Al in twee dagen heb ik geen kruimel brood geproefd, om de laatste korst maar voor jou te kunnen bewaren. Toe Willem, toe, beproef het nog maar eens. Misschien lust je het wel.”

De heks veegt zich de tranen van het gerimpeld gelaat, en gaat naar eene kast in den hoek van het vertrek. Ze neemt er eene korst droog roggebrood uit, weekt die in water en geeft haar aan den zieke. Tevergeefs beproeft deze, het onsmakelijke brood te nuttigen; hij is te zwak om het te kauwen; het wil hem niet door de keel.

„Toe Kee, eet jij het maar op, toe. Je moet ook wat eten, Kee, anders val je er nog bij neer.”

Kee neemt een paar kleine beten, en zet het overschot dan weer in de kast, terwijl de tranen haar opnieuw langs de wangen vloeien. Dan vouwt ze plotseling de handen en slaat de betraande oogen naar boven. De heks bidt. Ze vraagt God om hulp voor haar ouden, zieken man, want de nood heeft het toppunt bereikt.

„Kee, kom, ga ook maar te bed,” zegt de zieke met zwakke stem. „Och Kee, dat de goede God ons dezen nacht maar weghaalde, jou en mij te zamen, Kee. Wat zou dat gelukkig wezen. Samen hebben we geleefd, samen gewerkt, samen lief en leed gedeeld, och, dat we nu ook maar samen mochten sterven....”

Dik verliet het raam. Hij had genoeg gezien, en de tranen liepen hem langs de bolle wangen. „O, welk een droevig lot hebben die oude menschen,” dacht hij. „Maar waar zijn de jongens gebleven?” Hij zag ze nergens; toen hij naar het raam sloop, hadden zij het hazenpad gekozen, en wellicht zaten ze nu al hoog en droog thuis. Een goed kwartier later was ook Dik weer bij zijne ouders.

„Moeder, kan u niet wat wittebrood missen?”

„Waarvoor, m’n jongen?”

Dik vertelde alles, wat hij gezien had, en toen zijn verhaal uit was, stond zijne moeder met tranen in de oogen op, en ging naar de kast.

Trom zat aan zijne bakkebaardjes te trekken.

Griet nam eene mand, en vulde die met van alles en nog wat: met brood, een stuk worst, een lestje aardappelen en bloemkool, een hompje zoete kaas, een fleschje met melk en nog meer kleinigheden.

„Dik, kun-je dit dragen?” vroeg ze.

„Best, Moeder, geef maar hier.”

„Griet,” zei Jan Trom, „zie je, ik wil maar zeggen en dat wil ik, dat we nog wel twee kwartjes ook kunnen missen,—dat doen we.”

„Ja Jan, dat is goed. Hier Dik, niet verliezen, hoor.”

„Neen, Moeder.”

’t Was intusschen geheel donker geworden en de najaarswind gierde door de takken der boomen. Op eenigen afstand brandde een lichtje. Dáár woonde de heks.

„Zeg, nu moesten we haar eens onverwachts tegenkomen,” fluisterde Piet van Dril. „Wat zou je dan doen?”

„St, stil, wat vloog daar?” riep Jan van Bakel, terwijl hij doodsbleek werd. „Hoor je dat geschreeuw wel?”

Dik ging met zijn vrachtje weer op weg naar de heks, en toen hij goed en wel buiten was, zeide Jan Trom:

„Griet, die Dik is toch een bijzonder kind,—dat is-ie.”

Dik liep zoo hard hij kon. Het was een donkere avond, de regen sloeg hem in het gezicht, maar Dik stoorde zich aan regen noch duisternis. Hij sloeg den modderigen Achterweg in, en bereikte voor de tweede maal het hutje. Nog brandde het lampje, dus de heks was nog op.

„De heks? Neen, de arme ziel zal niemand leed doen,” dacht Dik. „’t Is een goede, oude vrouw.”

Hij lichtte de deurklink op, en stapte naar binnen. „Hier,” zei hij, „Moeder stuurt wat voor den zieken man en voor u.”

„O, ben jij daar, Dik? Kom, dat is braaf van je, m’n jongen. We hadden bijna geen kruimel meer in huis. Wel bedankt, mijn lieve jongen, wel bedankt. Zie eens, Willem, God heeft ons nog niet verlaten. Nu kun-je wat versterkends krijgen, m’n arme tobberd.”

„En jij ook, Kee,” zegt de oude man. „Zul-je wel vriendelijk voor ons bedanken, beste jongen?”

„Dat is niet noodig,” zeide Dik. „Hier heb ik nog twee kwartjes; daarvoor kun-je eieren koopen. Goeden avond.”

Dik nam de mand, en was de deur weer uit, vóór de oude menschen er erg in hadden; zij vouwden de handen en dankten God.

Dik keerde naar het dorp terug, en liep eerst bij den molenaar aan, om hem alles te vertellen.

„Zoo, zoo, Dik,” zei deze, „dat is erg. Gelukkig, dat ik armvoogd ben; ik zal wel zorgen, dat die menschen geholpen worden.”

Dik ging naar huis en naar bed, waar hij spoedig in slaap viel. En de beide oudjes in het hutje droomden, dat er een engel in huis geweest was, die aan hunne armoede en hun kommer voor goed een einde had gemaakt.

Tiende Hoofdstuk.

Een eerzame weduwe en een zeldzame ezel.

Het was een geluk voor Dik, dat niet iedereen zoo weinig ophad met de schooljuffrouw als hij, want dan zou hij stellig nooit iets geleerd hebben, en altijd een dikke domoor gebleven zijn. Er waren gelukkig ook menschen, die van haar hielden, en het meest deed dit de gemeente-ontvanger, een zeer lange, magere man. Deze vond haar zóó lief, dat hij zich met haar verloofde en weldra met haar in het huwelijk trad. Dik’s blijdschap over deze gebeurtenis was zoo groot, dat de juffrouw zelve ten slotte dacht: „Dik is toch nog zoo kwaad niet; hij is wel een hartelijke jongen.” Maar had de juffrouw geweten, dat Dik zich meer verheugde in het vooruitzicht, dat hij van haar ontslagen zou worden, dan wel over het blijde feest, dat zij ging vieren, dan zou haar oordeel over Dik een weinig minder vleiënd zijn geweest.

Hare opvolgster was een klein dametje met een vroolijk en prettig gezicht, dat alle kinderen aantrok, en wat Dik nog het meest beviel, was hare buitengewone dikte. Met deze stal zij al dadelijk zijn hart, terwijl zij van haar kant zich ook tot den kleinen dikzak voelde aangetrokken. Zoodra ze hem zag, ging ze naar hem toe, en zei ze met haar heldere stem en haar vroolijken lach:

„Ha, ha, daar zie ik een kleinen lotgenoot. Wel dikkerd, hoe heet jij?”

„Dik, juffrouw.”

„Dik? Zoo, dat is een eigenaardige naam. Kom, geef mij de hand eens. Ik geloof, dat wij wel gauw dikke vrienden zullen worden.”

En zoo gebeurde het ook. Dik begon al spoedig dolveel van de juffrouw te houden, en het gevolg daarvan was, dat hij beter zijn best ging doen en hard begon te leeren.

Met Bruin Boon lag hij nog altijd overhoop. Hij had een geduchten hekel aan hem, en als hij hem te pakken kon nemen, zou hij het niet laten.

Op zekeren dag begaf Dik zich na schooltijd naar de markt, om zijne speelmakkers te zoeken, toen hij Anneke huilend op den weg zag staan. Een eindje verder stond Bruin Boon aan den kant van het kanaal te hengelen.

„Wat scheelt er aan, Anneke?” vroeg Dik.

„Bruin heeft mijn appel afgenomen, en nu staat hij hem op te eten,” snikte Anneke.

Dik liep zonder spreken op zijn vijand aan. Hij had ook nog een ander appeltje met hem te schillen, want Bruin had hem ’s middags eenige knikkers ontkaapt en er zich snel mee uit de voeten gemaakt. Zoodra Dik bij hem was, gaf hij hem een duw, dat hij voorover in het water plompte, kopje-onder.

„Hè, hè, pfff,” snikte Bruin hijgend. „Help, help!”

„Schreeuw maar zoo leelijk niet, bruine boon,” zei Dik, die hem den hengelstok toestak. „Daar, houd vast, dan zal ik je er weer uittrekken. Één, twee, drie, hoepla!”

Daar stond Bruin, druipnat. Hij schreeuwde erbarmelijk.

„Hier, dief, neem je hengel, en ga het maar gauw aan je moeder vertellen. Als ze me spreken wil, kan ze me op de markt vinden.”

Dik draaide zich om en ging heen, en Bruin liep huilend naar huis, waar hij dadelijk zijn nood begon te klagen.

Het duurde niet heel lang, of Dik, die met de andere jongens haasje-over deed, zag Bruin’s moeder aankomen.

„Dik, daar komt vrouw Boon! Maak, dat je wegkomt!”

„Stilletjes laten komen, jongens, ik ben er ook,” zei Dik bedaard.

Daar kwam vrouw Boon aan, zoo groot en zoo plomp als ze was. Ze zwaaide met hare armen en nam stappen als een dragonder, ’t Was een leelijk, grof mensch, met een grooten mond, brutale oogen en een dikken stompneus, die paars-blauw zag van de vele brandewijntjes, welke zij in haar leven al had geslikt. Ze was weduwe; haar man was vijf jaar geleden gestorven, waarschijnlijk van verdriet, want de brave man had sedert zijn huwelijk geen gelukkigen dag meer gehad. Bruin’s moeder stond op het geheele dorp te slechter naam en faam bekend; ieder fatsoenlijk mensch schuwde en vermeed haar. Dik stak zijne handen in zijne zakken, en wachtte bedaard af, wat er volgen zou. Daar had de eerzame weduwe hem bereikt. Zij hield hem de gebalde vuist vlak voor het gezicht, en schreeuwde, terwijl ze van haar mond bijna een hooischuur maakte:

„Kwade bengel van een jongen, durf jij mijn Bruin in het water te gooien? Je kunt het arme kind nooit met rust laten, het schaap, hij doet jou toch immers ook niets? Leelijke, brutale deugniet, wat denk je wel? Geloof je soms, dat iedereen naar jouw pijpen moet dansen, zeg, en dat je maar doen moogt, wat je wilt? Raak hem nog eens aan, als je durft, dan zal ik je de oogen uit je hoofd krabben, versta-je dat, uilskuiken opgeblazen luchtbol?”

Dik knikte zeer vriendelijk van ja; hij vermaakte zich kostelijk.

„Raak hem nog eens met een vinger aan, als je het hart hebt, en dan zul-je met mij te doen krijgen, versta-je, met mij, en dan verzeker ik je, dat je van eene koude kermis zult thuiskomen. Wat verbeeld jij je wel? Denk je soms, dat iedereen bang is voor je galgentronie? Ik niet, dat beloof ik je. Je loopt voor schandaal langs den weg! Je vader en je moeder zullen nog pleizier van je beleven, let op, wat ik je zeg! In ’t spinhuis wachten ze je al, of op ’t oorlogsschip, jou straatslender, gauwdief, galgenaas....!”

Ze stikte bijna van woede, en zeker zouden nog tal van lieve woordjes haar lieven mond ontgleden zijn, indien Dik niet met groote waardigheid haar gewenkt had te zwijgen. Doodkalm en deftig zeide hij:

„Vrouw Boon, een oogenblikje asjeblieft.”

Even kalm en bedaard draaide hij zich om, legde beide handen op een paal, nam een sprong, en wipte er op.

Toen wees hij met vriendelijk gebaar naar een anderen paal, en zei:

„Zie zoo, ga nu maar door, asjeblieft; wilt u liever ook niet gaan zitten? Geneer u niet.”

Een algemeen gelach overtuigde vrouw Boon, dat zij de eenige was, die Dik niet aardig vond. Zoo verwonderd als ze eerst geweest was over Diks plechtig gebaar en indrukwekkende kalmte, zoo woedend werd ze nu, vooral toen eenige omstanders, die nieuwsgierig waren komen toeloopen, riepen:

„Ga maar naar huis, vrouw Boon, die jongen is je toch de baas!”

„Je moest gaan zitten, vrouw Boon, het aanbod is te vriendelijk, om het af te wijzen.”

„Willen we je helpen, vrouw Boon?”

Die spotternij was te veel. Met tien scherpe nagels liep ze op Dik toe, vast van plan, om hem zoo te tatoueeren, dat een Papoea er jaloersch op kon zijn, maar in hare drift stapte ze in een greppel, die ze niet gezien had, en viel met haar hoofd zoo hard tegen den paal van Dik, dat het bonsde.

Een schaterend gelach was haar troost. Ze koos nu echter de verstandigste partij, stond op en ging naar huis, doch—met een neus, die tweemaal zoo groot was, als toen ze kwam.

„Ha, ha, neem maar een brandewijntje voor den schrik!” riep het volk haar na, en ging lachend uiteen.

Dat de jongens pret hadden, is licht te begrijpen, en dat Dik de held van den dag was, spreekt ook van zelf. Ze bleven nog eenigen tijd spelen, tot Jan van Bakel plotseling zeide:

„Zou Bertels al thuis zijn? Dik moet op den ezel!”

„Misschien wel. Komt jongens, laten we gaan kijken!”

Bertels was een manufacturier, en iemand, die er uitstekend slag van had, met jongens om te gaan. Doch dat was de eenige reden niet, waarom zij elken avond zoo graag naar hem toegingen. De grootste aantrekkingskracht van den vroolijken koopman schuilde in den ezel, die hem en zijn wagen elken morgen het dorp uit trok, als hij zijne waren aan de boerinnetjes ging verkoopen, en hem ’s avonds onder vroolijk gebalk thuisbracht. Van dien ezel hielden de jongens nog meer dan van zijn baas. En geen wonder. ’t Was een alleraardigst dier, dat hard kon loopen niet alleen, maar het deed ook. Nooit liep hij echter harder, dan wanneer hij ’s avonds naar het land ging. Dan was hij in den letterlijken zin van het woord niet te houden. Nauwelijks waren de strengen losgemaakt en de tuigen afgenomen, of hij stak den kop naar omlaag en zijn staart als een vlaggestok in de hoogte, en rende, zonder op of om te zien, alles omverwerpende wat niet tijdig uitweek, als een dolle naar het land, terwijl hij dien woesten galop opluisterde door een vervaarlijk gebalk, dat over het geheele dorp weergalmde. Als hij het land bereikt had, bleef hij bedaard voor het hek staan wachten, tot zijn baas hem ingehaald had en hem in de weide hielp.

Nu kenden de dorpsjongens bijna geen grooter genoegen, dan dien ezel ’s avonds naar het land te brengen, en gewoonlijk stonden zij dan ook Bertels op te wachten, als hij thuiskwam.

Bertels had er evenveel pret in als de jongens, en hij niet alleen, maar ook ieder, die den ezel zag gaan, want allen wisten, dat het nog aan niemand gelukt was, tot aan het land toe op den ezel te blijven zitten. De weide lag aan de overzijde van het kanaal, op tien minuten afstands van het huis van Bertels. Tot aan de brug ging het gewoonlijk goed, maar daar vloog het het dier zoo woest met een korten draai op, dat zijn berijder meestal zandruiter werd. Gebeurde dat evenwel niet, dan bleef grauwtje midden op de brug plotseling staan, zette de voorpooten vooruit, stak zijn kop er tusschen, wierp zijne achterpooten in de hoogte en zijn berijder netjes over zich heen, om daarna in galop zijn weg te vervolgen.

Dat was nu al verscheidene malen gebeurd, en nog niemand was het gelukt om den weerbarstigen ezel te temmen. Dik had iederen keer zijne kameraden uitgelachen en hun gezegd, dat ze stumpers waren, die maar liever op een hobbelpaard moesten rijden.

„Ha, ha,” lachten de jongens. „Wat heeft die Dik een praats. Omdat hij ’s avonds de paarden van den molenaar naar het land brengt, denkt hij zeker, dat hij beter kan rijden dan wij. Maar het is een groot verschil, of je een paard naar het land brengt of dien wilden ezel. Geloof maar gerust, dat je er evenmin op kunt blijven zitten als wij. Ik wed, dat je niet eens durft!”

„Niet durven!” riep Dik. „Ik durf bijna alles, en ik wil wedden, dat hij mij er niet afgooit.”

„Ja, dat begrijp je. Als hij zijn kop naar beneden en zijne achterpooten in de hoogte werpt, is het onmogelijk, om er op te blijven. Je tuimelt er netjes voorover af.”

„Wedden, dat ik er op blijf?” riep Dik.

„Goed. We willen er jou ook wel eens af zien tuimelen.”

Pas hadden de jongens het huis van Bertels bereikt, of daar kwam hij al aan.

„Dag Bertels!” riepen ze hem toe.

„Zoo jongens, kom-je weer eens een arm of een been breken? Dat doet me pleizier. Wie moet er van avond op?”

„Dik moet er op, Bertels. Hij zegt, dat de ezel hem er niet af kan krijgen. Ha, ha, wat zullen wij lachen, aanstonds op de brug!”

„Wat Dik, moet jij er op, jongen? Zou jij niet te zwaar wezen? Pas maar op, dat je niet door hem heenzakt, want dan kom je op den harden grond terecht.”

„Dat is niet eens noodig, Bertels, daar zal hij toch wel op terecht komen!” riepen de jongens. „Houdt den ezel vast, hoor, anders ontsnapt hij, en dan kunnen we Dik niet zien rollen.”

Bertels wierp de tuigen in de kar. De ezel werd al onrustig, maar de jongens hielden hem goed vast.

„Nu, Dik, bedenk je je niet?” vroeg Bertels. „Ik waarschuw je, dat hij niet pluis is, hoor.”

„Dat ben ik ook niet, Bertels. Wil u me even een beentje geven?”

„Jawel. Moet je er maar overheen?” vroeg hij lachend. „Of je nu valt of aanstonds, dat komt op hetzelfde neer.”

„’t Liefst er op, Bertels. Asjeblieft!”

„Jongen, dat is je verkeerde been!”

„Neen, het goede. Toe maar!”

„Het goede?” vroeg Bertels, schaterend van ’t lachen. „Dan kom je er achterste-voor op. Maar ’t is mij goed.—Hoepla!”

Wip! Daar zat Dik, maar met zijn rug naar den kop van den ezel. Zoodra het beest voelde, dat er iemand op hem zat, stak hij zijn staart in de hoogte, zoodat Dik dien grijpen kon, hield zijn kop naar omlaag, en....—

„Los maar!” riep Bertels.

Daar vloog het er op los. De ezel, die wel merkte, dat het niet geheel in den haak was op zijn rug, maakte allerlei malle sprongen, en balkte en liep nog harder dan gewoonlijk. Jongens, wat ging er dat door! Het schemerde Dik voor de oogen, maar hij hield zich goed; hij had niet voor niets zoo dikwijls te paard gezeten. Hij sloeg zooals hij daar zat, een allergekst figuur, en de voorbijgangers, die zich haastig uit de voeten maakten, schaterden het uit, maar dat was Dik onverschillig. Evenmin stoorde hij zich aan de sprongen van zijn viervoet, die alles in het werk stelde, om zich van zijn berijder te ontdoen. Dik bleef bedaard zitten, waar hij zat.

Nu naderde hij de brug, en zoowel hij als de ezel waren vast besloten, hun uiterste best te doen. Grauwtje liep in vliedenden galop rechtuit tot bij de brug, en sloeg toen plotseling rechtsom, in de vaste meening, dat hij zijn vrachtje dan wel kwijt zou raken. Doch het was mis. Veel scheelde het wel niet, of Dikje was er af geslingerd, maar hij bleef toch zitten. Voort ging het weer, zoo hard het maar kon, tot midden op de brug de ezel plotseling zijn vaart stuitte, zijn voorpooten vooruitstak, en zijne achterpooten in de hoogte wierp. Hij deed het met zoo’n vaart, dat het weinig scheelde, of hij buitelde zelf over den kop. Dik drukte zijne knieën krachtig tegen den ezel aan, en hield met beide handen den staart vast, zoodat, wat nog nooit gebeurd was, de ezel in vliegenden galop zijn weg vervolgde, zonder zijn berijder afgeworpen te hebben. Dikje had het gewonnen, en toen hij de jongens aan den overkant van het kanaal zag, zwaaide hij vroolijk met zijn hoed, en riep uit alle macht:

„Hoera! Hoera!”

Van dat oogenblik af erkenden zijne kameraden hem stilzwijgend als hun meerdere.

Het schemerde Dik voor de oogen, maar hij hield zich goed.

Het schemerde Dik voor de oogen, maar hij hield zich goed.