Veertiende Hoofdstuk.

Hoe Dik op vrije voeten geraakte en een goed besluit nam.

Het was daarbinnen pikdonker. Dik kon geen hand voor oogen zien. Hij bleef eerst een oogenblik bij de deur staan, en deed toen een paar stappen vooruit. Weldra bemerkte hij, dat hij nog niet in de eigenlijke cel aangekomen was, maar eerst nog eene trap moest afdalen. Nu, dat afdalen was nog al te doen want de trap, die geheel van steen was, telde maar vijf treden. Dik ging op den tast naar beneden, en kwam nu in een duf hok, waarin slechts een enkel venster was, maar natuurlijk zonder glas. Het was een vierkant gat met een dikken, ijzeren bout er voor, die hem alle hoop benam, om te ontvluchten. In den hoek stond een steenen bankje. Een paar bossen stroo op den grond verspreidden een muffen geur en konden Dik volstrekt niet verleiden, zijne dikke ledematen er op uit te strekken. Hij ging op de steenen bank zitten.

„Jongen, Dik,” zei hij, „die Flipsen is toch handiger, dan je dacht, ’t Is een leelijk geval. Wat zal Moeder schrikken, als ze merkt, dat ik niet thuis kom. ’t Zou me wat waard zijn, als ik hier goed en wel weer uit was. En Moeder is nog zoo zwak; het is best mogelijk, dat zij weer zieker wordt, als zij hoort, dat ik hier opgesloten zit. Ik hoop maar, dat Jan en Piet het bij mij thuis verteld hebben, en dat Vader het voor Moeder verzwijgt. Doch neen, dat zal wel niet kunnen, want Moeder zal wel geen rust hebben, voor zij het naadje van de kous weet. ’t Is een leelijk geval. ’k Wou, dat ik die heele historie maar niet begonnen was, dan zat ik nu misschien kalm en wel thuis. Als het nu met Moeder erger wordt, heb ik het op mijn geweten. Zouden ze nog proces-verb....”

„Dik, zit je hier?” hoorde hij plotseling heel zacht vragen. Het geluid kwam door het venstergat.

„Ja! Ben jij daar, Jan?”

„Ja, Piet ook. Ben je niet bang?”

„Neen, bang niet, maar wel ongerust, over Moeder, weet je. Ze is nog zoo zwak, en zal zeker hevig ontstellen, als zij het hoort. Ik ben erg blij, dat je me niet in den steek laat. Heb-je het bij me thuis verteld?”

„Neen, nog niet. We hebben gewacht, tot Flipsen naar huis ging, en zijn toen dadelijk hierheen gekomen.”

Jan en Piet lagen plat op den grond, met hun hoofd voor de tralie. Het venster was laag bij den grond, ongeveer zoo lag als een keldervenster. De gevangenis was trouwens niet veel meer dan een kelder, en diende alleen, om bedelaars of dronkaards voor ten hoogste één nacht op te sluiten.

„Ik zit hier leelijk, hè? Hoe laat zou het al wezen?”

„’t Is half negen. De klok heeft pas geslagen,” zei Piet.

„Zeg Dik,” zei Jan, „als die tralie er maar niet was, dan kon je best door dit gat kruipen, en naar huis gaan.”

„Ja,” zei Dik, „maar die tralie is er.”

Piet van Dril, wiens vader smid was, vatte het ijzer aan, en begon er met kracht aan te trekken.

„’t IJzertje zit goed vast, hè Piet?” vroeg Dik.

„Niet erg!” antwoordde deze. „Ik kan het gemakkelijk heen en weer bewegen. De bout is sterk genoeg, maar het kozijn niet. Dat is al tamelijk vermolmd. Heb-je geen mes?”

„Of ik,” zei Dik, wiens moed begon te herleven, „en een goed ook. Hier! Zou je het los kunnen krijgen?”

„Dat zullen we probeeren, Piet!” riep Jan Vos vol vuur. „’t Zou me wat waard zijn, om je er uit te krijgen, jô! Wacht, ik heb ook nog een mes. Kijk, het wordt lichter ook. De maan komt op.”

Jan en Piet togen met moed aan het werk. Dik volgde met de grootste belangstelling al hunne bewegingen, en begon onderwijl eene perzik op te eten.

„Ik geloof, dat jelui prachtig opschiet,” zei hij, terwijl hij het sap van zijne kin veegde. „Dat maantje komt ons nog bij tijds een handje helpen.”

„’t Gaat best, Dik, ’t gaat uitstekend!” riep Piet van Dril op gedempten toon. „Kijk maar, de stang zit al losser. Over tien minuten kunnen we haar er uit halen.”

„Hoera!” riep Dik, terwijl hij van pleizier in het rond sprong. „Wat ben ik daar blij om, vooral om Moeder, en wat zal die Flipsen morgen raar kijken, als de vogel gevlogen is!”

„Dat begrijp je!” lachte Jan Vos. „Hij zal razend wezen!”

„Toe, Jan, niet babbelen,” riep Piet, „voortwerken, zoo hard we kunnen. Kijk ik al eens een grooten hoop molm hebben, ’t Lijkt wel turf. Zeg, Dik, je opvolger zal zoo gemakkelijk niet ontsnappen, want ze zullen het morgen wel wat sterker maken, denk ik.”

„Ja, maar ik ben er ook nog niet uit! Zou het echt gelukken?”

„Wacht nog maar een oogenblik. Kijk, de stang zit al los.”

Jan schudde haar nu al met gemak heen en weer, wat Dik zoo ’n pleizier deed, dat hij opnieuw begon te springen. De jongens werkten ijverig voort. De hoop molm werd voortdurend grooter, en eindelijk zei Piet:

„Laten we ’t nu eens probeeren, Jan. Eerst zoo hoog mogelijk opschuiven, en dan het ondereinde uit de gleuf lichten. Een—twee—drie!”

Zij spanden al hunne krachten in, en krak!....

„Hoera, Dik, ’t is gelukt! Kom er nu maar gezwind uit!”

„Prachtig, heerlijk!” riep Dik. „Maar zeg, ik ben er nog niet uit. Mijne armen en mijn hoofd kan ik er wel doorsteken, maar meer niet. Ik heb hier niets, waarop ik staan kan.”

„Kom maar, we zullen er je wel uittrekken, maar ’t zal wel pijn doen, vrees ik.”

„Dat hindert niet; voor een paar schrammen ben ik niet bang.”

Dik stak zijne armen en zijn hoofd door de opening. Jan en Piet pakten hem stevig beet, en trokken hem naar boven, ’t Was een tamelijk zwaar vrachtje, en de opening bleek nauwelijks groot genoeg. Dik vulde haar geheel met zijn lichaam.

„Hè-hè! Dat is zwaar! Ik moet even rusten,” zei Jan.

Dik hing nu halverwege buiten het kozijn. Zijne beenen hingen nog in de donkere ruimte achter hem.

„Kom Piet, vooruit maar weer!”

„Trekt maar, zoo hard je kunt,” riep Dik. „Doet maar gerust, of je thuis bent; je behoeft me niet te ontzien.”

De jongens trokken uit alle macht, maar toch ging het den slakkengang. Dik was te dik, en daarbij zaten zijne zakken zoo vol perziken, dat hij nog dikker was dan gewoonlijk.

„Trekken, trekken!” riep hij.

„Daar komt volk aan!” riep Jan Vos plotseling, „’t Is Flipsen. Maak, dat je wegkomt, Piet!”

In een oogenblik waren zij verdwenen. Ze kropen achter eene haag, dicht bij het raadhuis, vanwaar ze alles konden hooren en zien. Flipsen kwam naderbij met nog een bos stroo en eene kan water. Daar viel zijn oog op Dik, die niet achter- of vooruit kon. De andere jongens had hij niet gezien.

„Ha-ha!” riep hij lachend. „Daar kom ik juist van pas. Wou je me ontsnappen, m’n jongen? Wacht, ik zal je helpen. Ik ben zoo kwaad nog niet, als je wel denkt.”

Hij pakte Dik beet en trok zoo hard hij kon, maar de perziken hielden den gevangene tegen. Hij kon er Dik onmogelijk doorkrijgen.

„Zoo, baasje, je hebt je daar leelijk vastgewerkt. Die tralie was voor jou niet noodig, merk ik wel. Je kunt er toch niet uit. Ha-ha-ha! Dat is grappig! Wacht, m’n beste jongen, ik kom bij je; dan zal ik je aan den anderen kant wel helpen. Hier heb ik meteen een bed voor je. Ha-ha-ha!”

De veldwachter nam het stroo weer op, ontsloot de deur en trad het hok binnen. Nauwelijks was hij daar, of Jan Vos sprong voor den dag, en zei:

„Kom Piet, we moeten Dik niet aan zijn lot overlaten. Laten we probeeren, wie het hardst trekken kan, Flipsen of wij.”

Jan en Piet pakten Dik opnieuw beet, en trokken wat zij konden. De veldwachter nam hem bij de beenen, en trok ook uit alle macht. Het gevolg was, dat Dik bleef, waar hij was, en het mooiste was nog, dat Flipsen niet eens merkte, dat Dik daarbuiten helpers had. Hij zette zijne beide beenen tegen den muur, en trok met geweld aan Diks broekspijpen, die nog altijd bijzonder wijd waren.

„Laat me eventjes los, jongens,” fluisterde Dik, die een nieuwen inval kreeg, en niet zoodra had hij zijne handen vrij, of hij maakte met groote behendigheid de draagbanden los, waaraan zijne broek was bevestigd.

„Trekt nu!” zei hij, zijne handen uitstekende.

Dat geschiedde, en wel met het zotte gevolg, dat Flipsen met Diks broek in de hand achterover tegen den muur bonsde, en Dik zonder broek naar buiten gleed.

„Hoera!” riep hij. „Nu zit de oude rat zelf in de val!”

Vlug liep hij naar de deur, en vóór Flipsen zich nog goed van den schrik hersteld had, trok Dik de deur op slot, en maakte zich met zijne trouwe helpers uit de voeten.

„Nu naar huis toe, jongens!” riep hij, „voor we ten derden male gesnapt worden!”

Vijf minuten later stond hij voor zijne woning. Toch scheen hij nog geene lust te hebben, om naar binnen te gaan, althans, hij opende de deur niet.

„Laat me eventjes los, jongens,” fluisterde Dik, die een nieuwen inval kreeg, en niet zoodra had hij zijne handen vrij, of hij maakte met groote behendigheid de draagbanden los, waaraan zijne broek was bevestigd.

Trekt nu!” zei hij, zijne handen uitstekende.

„Zou Moeder niet schrikken, als ik zoo half gekleed thuis kom?” mompelde hij. „Als ze gezond was, zou ze zeker om het voorgevallene lachen, maar nu—neen, nu gaat het niet. En dien Flipsen kan ik daar toch ook niet laten zitten. Ik weet nu bij ondervinding, hoe onaangenaam het er is. Neen, dat gun ik den man toch niet, al is hij een beetje lastig. Ik zal hem er weer uitlaten. Zijne vrouw maakt zich anders misschien ook nog ongerust, en zij is een goed mensch. Zij heeft Moeder in de laatste dagen dikwijls hare belangstelling getoond. Alleen reeds daarom zou ik Flipsen er uitlaten.”

Dik keerde naar het raadhuis terug. In de verte hoorde hij Flipsen al om hulp roepen.

„Help, help!” klonk het. „O! die rakkers! Die schelmen! Help!”

„Hier ben ik al, Flipsen!” zei Dik, zich voor het gat plaatsende. „Als je mij belooft, dat ik vrij naar huis mag gaan, zal ik je verlossen.”

„Vrij?” schreeuwde Flipsen. „Dat nooit, nooit, versta-je? Jou aartsschelm! Wacht maar, ik zal je wel krijgen!”

„Nu, Flipsen, dan blijf je er in, dat begrijp je. ’t Spijt me wel, want ik zou je graag vrijlaten. Ik ben met dat doel alleen teruggekomen. Maar als je niet wilt, moet je het zelf weten. Goeden avond.”

Dik keerde zich om, en wilde vertrekken.

„Ho, ho, Dik, zoo bedoel ik het niet!” riep Flipsen, die nu begreep, dat het Dik ernst was. „Ik dacht, dat je gekomen waart, om den spot met me te drijven, maar als je het werkelijk meent, is het wat anders.”

„Ik meen het,” zei Dik ernstig. „Ik weet nu bij ondervinding, hoe onaangenaam het daarbinnen is, en zie je, ik kan het niet van me verkrijgen, om je hier den geheelen nacht te laten zitten. Maar eerst moet ik mijne broek hebben.”

„Hier is ze, Dik,” zei Flipsen, haar door het gat stekende. Dik trok haar dadelijk aan.

„Laat mij er nu uit, Dik,” vroeg Flipsen.

„Maar wie waarborgt mij dan, dat je me niet dadelijk weer zult opsluiten? Je kunt veel harder loopen dan ik.”

„Ik beloof het je, Dik. Een anderen waarborg kan ik je niet geven. Toe, laat mij er nu uit.”

„Kun-je de deur van binnen openen, als ik je den sleutel geef?”

„Ja, geef maar hier.”

Dik haalde den sleutel uit het slot, en wond er een dun touwtje om, dat hij stevig vastknoopte.

„Hier heb-je hem, Flipsen. Eer je het touwtje er af hebt, ben ik thuis.”

„Je behoeft me anders niet te wantrouwen, Dik, want eene belofte breek ik nooit. Maar zoo is het ook goed.”

Dik gaf den sleutel en ging naar huis.

Toen hij binnentrad, lag Moeder in eene lichte sluimering, en Vader zat met de handen onder het hoofd bij de tafel te dommelen. Beiden ontwaakten door zijne komst. Dik ging naar het bed zijner moeder.

„Hoe is het nu met u?” vroeg hij.

„Veel beter, Dik, veel beter, maar nog zwak.”

„O, dat zal elken dag wel wat beter worden. Wil u niet wat eten, voor we naar bed gaan?”

„Neen kind, dank-je, ik heb volstrekt geen eetlust. Alleen heb ik trek in een lekker, zacht peertje. Zouden de onze nog niet rijp zijn? Of zijn ze al opgegeten?”

„Neen, Moeder, zeker niet. We hebben ze juist voor u aan den boom gelaten. Wil ik er een paar halen? Er zitten er twaalf aan; ik heb ze van middag nog geteld.”

„Ja, Dik, dat is goed. Ik heb er veel trek in. Mijn mond is zoo droog.”

Dik ging naar buiten. In den tuin, achter het huis, stond een klein pereboompje, dat zijn vader daar een paar jaar geleden geplant had. Meer vruchtboomen bezaten zij niet. Het vorige jaar had het boompje nog geene vrucht gedragen, maar dezen zomer waren er twaalf heerlijke peren aan gegroeid. Dik had er al menigmaal een begeerigen blik op geworpen, maar hij had er toch geen van opgegeten, waar hij thans dubbel blijde om was, omdat zijne zieke moeder er nu zooveel genot van hebben kon.

Hij liep het huis om, en kwam in den tuin. Doch plotseling bleef hij staan. Hoorde hij daar geen geritsel in den tuin? Ja, zie, daar vlogen donkere gedaanten langs hem heen. Het waren jongens, die bij zijne komst de vlucht namen. Weldra waren ze in de duisternis verdwenen.

Dik vloog naar het pereboompje. Zouden de jongens die heerlijke peren gestolen hebben, juist nu zijne moeder er zulk eene behoefte aan had? Ja waarlijk, zij waren verdwenen. Hoe hij ook zocht, hij kon er geen enkele vinden.

Tranen van spijt kwamen hem in de oogen. Zoo gaarne zou hij Moeder die versnapering hebben aangeboden, en nu waren zij gestolen.

„’t Is gemeen!” riep hij met gebalde vuisten, „’t Is slecht, maar ik zal....” Doch plotseling zweeg hij, en het schaamrood bedekte hem de kaken. „Ik heb het zelf ook gedaan,” mompelde hij. „Ik ben even slecht als zij, ik ben ook—een dief, een leelijke dief! O, ik gevoel nu eerst goed, hoe slecht het van mij was, en ik weet nu, dat stelen stelen is, onverschillig of het een gulden betreft of een appel. Maar het zal mij nooit weer gebeuren; een dief wil ik niet wezen!”

Met loome schreden ging hij naar binnen, en met neergeslagen oogen zeide hij, wat er gebeurd was. Voor de eerste maal van zijn leven durfde hij Moeder niet in de eerlijke oogen te zien, en hij gevoelde zich, alsof hij zelf haar de peren ontstolen had. Hij had zooveel berouw over hetgeen dien avond gebeurd was, dat hij er bijna den geheelen nacht niet van slapen kon. Na dien tijd stal hij nooit weer.

Vijftiende Hoofdstuk.

Paarden en ezels.

In het volgende voorjaar ging Dik van school, en niet hij alleen, maar ook bijna alle kinderen, die gelijk met hem op school gekomen waren. Piet van Dril kwam bij zijn vader in de smederij, waar hij gewoonlijk met een zwart gezicht aan de blaasbalg stond te trekken, of zóó lustig met een zwaren hamer op het gloeiende ijzer sloeg, dat de vonken door de smidse spatten. Zijn vader beweerde, dat er een flinke smid van hem zou groeien.

Jan Vos kwam in de leer bij Langerijs, den metselaar. Zijn voornaamste werk bestond gedurende het eerste jaar in steenen aandragen en kalk maken. Deze bezigheid werd de oorzaak, dat hij altoos net zoo wit zag, als Piet van Dril zwart, ’t Was dan ook een mal gezicht, als die twee soms samen over den weg liepen.

„Precies de dag en de nacht, die elkaar een handje geven,” zei Dik dan, als hij hen tegenkwam. Doch hoe ze er ook mochten uitzien, zij waren degelijke jongens, die flinke mannen beloofden te worden.

Bruin Boon kwam bij zijne moeder in „de zaak”, welke bestond uit een klein winkeltje in kruidenierswaren, bijna zonder klanten. Hij moest nu elken dag „den boer op”, om nieuwe klanten te winnen en de zaak aldus uit te breiden. Zijne moeder kocht hem een ouden ezel, die bijna even lui was als haar veelbelovende zoon, liet eene kar maken en stuurde hem nu elken dag er op uit. Maar van zaken doen kwam niet veel. Hij dobbelde liever met de jongens, die hij tegenkwam, en ging al gauw in de kleine herbergen buiten het dorp zijn tijd verluieren, en het geld zijner moeder verkwisten. De ezel had een allertreurigst leven bij hem, want het arme dier kreeg veel meer slaag dan eten. Geen wonder, dat het beest op ’t laatst zoo koppig werd, dat Bruin er niets meer van gedaan kon krijgen.

Dik, die volstrekt geen lust had om, evenals zijn vader, timmerman te worden, had eerst in het geheel niet geweten, wat hij worden zou. Niet alleen in het timmeren schepte hij geen behagen, maar er werd ook geen enkel ander vak op het dorp beoefend, dat hem aantrok. Eindelijk kreeg hij een baantje, dat hem aanstond. Hij werd door den ouden dorpsdokter in dienst genomen. Deze had zulk eene uitgebreide praktijk en zijne patiënten woonden zoover uit elkander, dat hij verplicht was paard en rijtuig te houden. Zijn paarden en rijtuigen moesten er altoos keurig netjes uitzien, daar was hij op gesteld. Wijl nu zijn oude koetsier sukkelend was geworden en hoogstwaarschijnlijk nooit weer geheel herstellen zou, zag de dokter zich genoodzaakt, andere hulp te zoeken, en omdat Dik uitstekend met paarden kon omgaan, had de dokter het oog op hem laten vallen. Nu had Dik een leventje naar zijn zin. ’s Morgens moest hij eerst de rijtuigen schoonmaken en de paarden uit het land halen, of, als het winter was, den stal in orde brengen. Dan spande hij in, om den dokter naar zijne patiënten te rijden, die soms wel twee of drie uren buiten het dorp woonden, en als hij dan ’s middags thuis kwam, hielp hij pillen en poeders, drankjes en zalfjes klaarmaken.

De dokter begon al spoedig veel van Dik te houden. Geen wonder ook! Dik was ijverig en flink, en bij alles wat hij deed, behulpzaam en beleefd. Hij stond altijd klaar om in te spannen, zelfs midden in den nacht, en het gebeurde nog al eens, dat de dokter dan geroepen werd. Bovendien was hij opgeruimd en vroolijk van aard, wat de dokter prettig vond, omdat hij het zelf ook was. Één ding beviel den ouden heer echter maar half, en hoeveel moeite hij ook deed, om het Dik af te leeren, het gelukte hem niet. Dik had namelijk de gewoonte om, als hij op den bok van het dokterskoetsje zat, tegen bijna iedereen een praatje te maken of eene grap te verkoopen, wat uit den aard der zaak niet fluisterend kon geschieden. Het ging den dokter dan ook veel te luidruchtig en maakte hem soms wel knorrig.

„Dik, geen praatjes maken op den bok, asjeblieft!” klonk het dan gewoonlijk. „Begrepen?”

„Jawel, dokter.”

„Ik wil het nu volstrekt niet meer hebben, hoor-je? ’t Staat in het geheel niet netjes.”

„Ja, dokter.”

„Ik heb het je nu al zoo dikwijls gezegd, dat je het wel eens onthouden mocht, dunkt me.”

„Ja, dokter.”

„Jawel, jij geeft me altoos gelijk, dat weet ik wel, maar een oogenblik later doe je het toch weer, en dat verkies ik niet langer.”

Nu, Dik deed dan ook wel zijn best, maar het duurde nooit lang, of hij verviel weer in zijne oude gewoonte, vooral wanneer hij goede kennissen tegenkwam.

Eens op een schoonen zomer-namiddag reed Dik het dorp uit, om den dokter naar een zieke te brengen, die op grooten afstand van het dorp woonde. Het zonnetje blonk aan den blauwen hemel en deed het koper flikkeren, dat zich aan het tuig van het paard bevond. Lustig liet Dik zijne lange zweep door de lucht klappen, zoodat de musschen verschrikt uit de boomen opvlogen, en Zwart de ooren tot bijna op den nek terugtrok, en liep, wat hij loopen kon. Zoo ging het Dik volkomen naar den zin, en den dokter ook, want die hield ook wel van zoo ’n ritje. Het stof van den uitgedroogden weg dwarrelde boven de boomen uit.

„Vooruit, Zwartje, lustig hoor!” zei Dik, terwijl hij met de zweep de vliegen verdreef, die het paard blijkbaar als hunne zuigflesch beschouwden. „Maar wat zie ik daar? Wie is die hardlooper? Ha, ha! Kijk eens, dokter, daar aan den overkant van het kanaal rijdt de veearts met zijn nieuwen schimmel. Hij wil ons voorbij rijden. Toe Zwart!”

„Ik geloof het waarlijk ook, Dik,” antwoordde de dokter door het geopende voorraampje. „’t Is een mooi beest en het loopt hard.”

„Hard? Hard?” zei Dik. „Hij loopt niet harder dan de Zwart, dokter. Wil ik het eens probeeren?”

„Jongen, jongen, Dik, ’k weet het niet. Die schimmel loopt uitstekend, en....”

„Kijk eens, dokter,” riep Dik plotseling met vuur, „kijk eens, hij wenkt met de zweep, om ons uit te lachen. Dat is tergen! Vooruit, Zwart, laat je niet van de vliegen steken. Huupla!”

Vroolijk klapte Dik met zijne zweep, en met vaste hand trok hij de leidsels aan. Klets, klets, klonk het boven het rijtuig. Zwart legde zijne ooren bijna in zijn hals en liep uit alle macht.

„Ha, dokter, ziet u wel, Zwart heeft zelfs geen tikje noodig. Als hij de zweep maar hoort, weet hij al, hoe laat het is. Vooruit, Zwartje! Houd-je goed, jongen! Die schimmel loopt best, dokter.”

„Ja, Dik,” zei de dokter, terwijl hij met genoegen bemerkte, dat zijn Zwartje niet voor den schimmel behoefde onder te doen, „ja Dik, hij loopt best, maar Zwart nog beter. Wij halen hem in, geloof ik.”

„Gelooven, dokter? Ik weet het zeker! Ha, dat is flauw, hij gaat de zweep gebruiken. Neen, man, niet noodig, hoor, want hij loopt al zoo hard, als hij kan. Toe, Zwart, huupla, vooruit, huup Zwart!”

De zweep snorde opnieuw door de lucht, doch Dik zorgde er voor, zijn paard er niet mede aan te raken. Hij sloeg die beesten nooit, uitgezonderd als zij koppig waren. Dan alleen achtte hij het noodig.

„Voort, Zwart, nog eventjes, jongen! Kijk, dokter, we hebben hem al ingehaald. Toe Zwart; laat zien, wat je kunt. Hoera, we zijn voor!”

Dik keek triomfantelijk om en klapte met zijne zweep. Toen hield hij de teugels in.

„Bedaar maar weer, Zwartje. Je hebt je goed gehouden. Ho maar, m’n jongen, hij weet al, dat je hem de baas bent. Laat hem nu maar gaan.”

Langzamerhand kwam Zwart weer tot bedaren, en Dik en de dokter zochten ook hun gemak. De laatste ging welbehaaglijk achterover in zijn koetsje leunen, en Dik zag met ergernis, hoe de veearts zijn paard bleef voortjagen.

„Flauw, man,” mompelde hij, „’t beest kon immers niet harder. Als je zoo met hem wilt leven, zul-je niet lang pleizier van hem hebben.”

Eindelijk kwamen zij, waar zij wezen moesten. De dokter verliet het rijtuig en Dik ging bij het paard staan, dat hij tevreden op den glanzenden nek klopte. Nog maar een paar minuten was hij van den bok af, toen hij in de verte Bruin Boon met zijn ezelwagen zag aankomen. En hij zag het niet alleen, maar hij hoorde het ook, want Bruin sloeg er met een dikken stok zoo geducht op los, en hij schreeuwde zoo luid, om zijn grauwtje vooruit te krijgen, dat men het wel vijf minuten ver hooren kon. En toch hielp al dat slaan en schreeuwen al bitter weinig; de ezel liep uiterst langzaam en bleef zelfs nu en dan geheel stilstaan. Dan had Bruin weer reuzenkracht noodig, om hem vooruit te doen gaan. Eindelijk, na veel schreeuwen en nog meer slaan, bereikte hij Dik, maar nu scheen de ezel er ook genoeg van te hebben. Hij bleef staan en wilde geen poot meer verzetten. Bruin sloeg er onbarmhartig op los en schreeuwde als een bezetene, maar niets hielp. Grauwtje bleef, waar hij was, en Dik ergerde zich geweldig.

„Zeg eens, dierenbeul,” riep hij eindelijk, „als je dat beest nu nog langer slaat, krijg je met mij te doen, en dan zal het je niet meêvallen, geloof dat! Zie je niet, dat het arme dier niet meer kan. Kijk eens aan, ’t is schande: het bloed staat hem op de huid. Geef het beest liever wat meer te eten; misschien dat hij je luie lichaam dan wel weer trekken wil. Zijne ribben steken bijna door zijn vel heen.”

„Dat gaat jou toch zeker niet aan, wel?” riep Bruin, die echter toch te veel ontzag voor Dik had, om met slaan voort te durven gaan. „Hij krijgt eten genoeg; ’t is niet anders dan luiheid.”

„Ja, dat geloof ik wel,” riep Dik. „Hij is bijna net zoo lui als zijn baas, ha, ha, en dat is geen klein beetje.”

„Vooruit!” riep Bruin, terwijl hij den ezel aan het bit trok. Doch ’t was moeite voor niet. Grauwtje zette zijne pooten zoover mogelijk van elkander en bleef als een standbeeld staan.

„Vooruit!” riep Bruin, terwijl hij nog harder trok. „Vooruit, ezel, allo!”

Maar jawel, ’t hielp niets. Er was geen beweging in het dier te krijgen, en Bruin werd hoe langer hoe boozer, vooral toen Dik begon te schateren van lachen. Bruin liet den kop van den ezel los en begon van achteren tegen den wagen te duwen, al schreeuwende: „Vooruit, ezel, vooruit!”

Doch ook die moeite werd niet beloond. De dokter kwam terug, gevolgd door de meid en een paar knechts van de boerderij, en nu beproefde men met vereenigde kracht, den ezel aan het loopen te krijgen. Men duwde tegen den wagen en trok tegelijkertijd den ezel aan het bit voort, zoodat het dier wel moest toegeven, doch zoodra men hem losliet, bleef hij weer staan.

„Nog maar eens geprobeerd!” riep men, en voort ging het weer. Juist meende men den gang er in te hebben, toen de ezel op den grond ging liggen en zoo ten duidelijkste een bewijs van het tegendeel gaf.

„Ik denk, dat het beest ziek is,” zei de dokter. „Wat is het dier verschrikkelijk mager.”

„Ja, dokter,” zei Dik, „hij krijgt meer slaag dan eten.”

„Dat zal wel,” riepen de omstanders, die elk oogenblik talrijker werden. „Hij heeft ook een besten baas. Ik geloof, dat de ezel nog beter is dan hij.”

„Ho, hop! Hop!” riep men, doch het dier bleef liggen. Er was geen verwikken aan.

„Weet je, wat je doen moet, Bruintje?” riep Dik. „Span hem maar gerust af, want hij trekt toch niet meer vandaag. Dan zullen we je helpen, om hem op den wagen te leggen, en trek hem dan zelf naar huis; anders kom je er nooit.”

„Ha-ha-ha!” klonk het overal. „Bruin, dan speel jij voor ezel; dat zal aardig wezen. Dan trekt de eene ezel den anderen!”

„Och, dat gebeurde toch al,” zei Dik lachend. „Kom, Bruin, zullen we je helpen?”

„Hij moet wel,” riep het volk. „Die ezel kan hier toch niet blijven liggen? Pakt maar aan, jongens!”

„Ja, er zit niet anders op,” zei de dokter. „Help ook even, Dik, en dan rijden we gauw naar huis.”

Alle man toog aan het werk. De tuigen werden losgemaakt, en de ezel werd met vereenigde kracht en onder luid gelach op den wagen gelegd. Dat gelach werd er niet minder op, toen Bruin het lemoen opnam, en met zijn viervoetigen passagier langzaam dorpwaarts toog.

„Goede reis, met je beiden!” riep de een.

„Wil ik den stuurman je stok geven?” vroeg een ander.

„Dat heeft hij wel verdiend!” meende een derde.

„Kom, Dik, we gaan,” zei de dokter lachend, „’t Is een grappig gezicht.”

Dik klom op den bok en reed weg. Hij kon echter niet nalaten, zoo nu en dan eens met een spottend gezicht om te kijken naar Bruin, die met dat warme weêr zijne handen vol had aan zijn vrachtje.

Toen hij een paar uur later de paarden naar het land bracht, zag hij juist, hoe Bruin, door een groot aantal jongens omringd, zijn intocht in het dorp deed. Het was een gejoel en gelach, zonder ophouden. Bruin mocht er niet over klagen, dat hij dien avond geen bekijks had, want het halve dorp keek hem lachend na, en aan grappen ontbrak het niet. Men gunde het hem, dat zijn grauwtje hem zoo had te pakken genomen, omdat hij het meer dan dubbel aan het dier had verdiend.

Zestiende Hoofdstuk.

Hoe Dik de heks voorthielp.

Dik zal ongeveer zestien jaar geweest zijn, toen hij op een guren Novemberdag het huisje van de heks voorbij moest. ’t Was vinnig koud. De wind gierde over de vlakte en joeg hem groote, natte sneeuwvlokken in het gelaat, die dan dadelijk in water overgingen, dat hem langs den hals tusschen zijne kleeren droop. Aan elk haartje, dat van onder zijne muts te voorschijn kwam, hing een druppel water. Zijne bolle wangen en zijne ooren zagen paars-blauw van de koude.

„Brrr, wat een weêr!” mompelde hij, zijne handen diep in de jaszakken stekende en het water van zijne lippen blazende. „Brrr, echt hondenweer! Wacht, nu komt de regen er ook nog bij, en de sneeuwjacht wordt er niet minder op. Weet je wat, ik moest maar even bij de heks gaan schuilen, anders word ik nog doornat.”

Dik versnelde zijn pas, en bereikte weldra het hutje. Hij opende de deur en trad binnen.

„Hè, hè, wat een weêr! Mag ik even schuilen, moedertje?”

„O, Dik, ben jij daar? Kom er gerust in, hoor. Ga zitten, ’t Is een verschrikkelijk weêr.”

Dik nam plaats en droogde met zijn zakdoek gelaat en hals af.

„Wat zie ik?” zei hij plotseling, „ligt de oude man weer te bed? Is hij weer ziek?”

„Ach ja, Dik, ’t is weer heelemaal mis met hem. ’t Is zijne oude kwaal; aldoor maar hoesten, hoesten, hoesten.”

„Zoo, zoo! Hoe lang ligt hij al?”

„Dat wordt morgen vijf weken, Dik. Ja, ja, ’t is een bedroefde tijd.”

De oude vrouw wendde het hoofd af en veegde zich een traan uit het oog. Dik keek haar vol medelijden aan.

„Arme ziel,” zeide hij, „dan zal het er wel weer niet breed zitten, denk ik?”

„Armoê, Dik, armoê. Niets anders dan armoede en ellende. In vijf weken hebben we nu al geen cent ontvangen, en als er geen hulp komt, weet ik niet, waar het belanden moet. O, Dik, ’t is verschrikkelijk!”

„Ja, zeg dat wel. ’t Is verschrikkelijk! Maar waarom vraag je niet eens hier of daar hulp! Er wonen toch menschen genoeg in het dorp, die wel wat missen kunnen. Daar heb je bij voorbeeld Mulder, die alleen is rijk genoeg om....”

„Mulder?” riep de oude vrouw, „Mulder? Praat me niet van Mulder, want die kent geen medelijden. ’t Is mijn eigen huisbaas, en van middag is hij nog hier geweest, om de huur van vijf weken te halen. Maar ik kon hem onmogelijk betalen en heb hem om uitstel gevraagd, met de belofte, dat we zullen betalen, zoo gauw we weer wat verdienen kunnen. Doch hij wil van geen uitstel hooren, en morgen moeten we dit huisje verlaten. ’t Is verschrikkelijk, Dik, met dien zieken man, en ik weet nog niet eens, waarheen ik hem brengen moet. Vijfendertig jaar hebben we hier gewoond....”

De oude vrouw begon luide te snikken.

„Het huisje uit?” riep Dik verontwaardigd. „En dat met een zieken man? Maar dat is schandelijk! Dat mag niet gebeuren! Hoeveel geld moet hij van u hebben?”

„We betalen negentig centen in de week, dus dat is vier en een halven gulden in het geheel. ’t Is geen groote som, Dik, maar als men zelfs geen vier en een halven cent in huis heeft....”

„Hier, pak aan,” zei Dik, haar eenig kopergeld toestoppende, „’t is wel niet veel, maar ik heb niet meer. En als....”

„Dank je wel, Dik, als alle menschen waren, zooals jij....”

„Stil, niet danken, asjeblieft. Ik zal zien, wat ik voor je doen kan. In elk geval, die huishuur zal wel terecht komen. Bekommer je daar maar niet over. En nu ga ik verder; de regen is wat minder geworden.”

Dik vertrok, en toen ’s avonds zijn werk af was, liep hij het dorp in en ging naar Piet van Dril, die in de smederij aan het werk was.

„Piet, ik heb eene wijde ijzeren of looden pijp noodig, met eene bocht er in. Heb jij er een voor me te leen tot van avond?”

„Is eene kachelpijp goed? Hier heb ik er een met een elleboog. Wat moet je er mede doen, of—is het een geheim?”

„Neen Piet, ’t is voor jou geen geheim, maar voor anderen wel. Voor jou is het dat niet, omdat je me helpen moet, weet je. Die kachelpijp staat me wel aan. Daar zal het wel mede gelukken.”

„Nu, wat moet je dan doen?” vroeg Piet nieuwsgierig. „Eene grap?”

„Ja, zoo ongeveer wel. Luister, ik zal het je vertellen. Je kent toch de heks wel van den Achterweg?”

„Of ik! Weet je nog wel, Dik, hoe we jaren geleden nog eens op een avond naar haar huisje gegaan zijn, om haar bang te maken, en wat waren we toch eigenlijk zelf bang. Nu, ik geloof, dat er nog wel groote menschen bang voor haar zijn, want nog altoos staat ze in geen goed blaadje. Niet, dat ik het nog ben, volstrekt niet, hoor; ik geloof zulke dwaze praatjes niet meer, maar er zijn nog domme menschen genoeg, die ze wèl gelooven.”

„Juist, Piet, dat denk ik ook, en ik wil van avond er de proef eens van nemen. Die arme vrouw lijdt tegenwoordig weer vreeselijk armoê; vooreerst is het winter, dus valt er weinig te verdienen, en bovendien is oude Willem nu al vijf weken ziek. Nu behoef je niet te vragen, hoe het met hen gesteld is. En tot overmaat van ramp komt daar die oude Mulder, die vrek, om de huishuur, en nu zij niet betalen kan, moet zij morgen met haar ouden, zieken man het huis uit. Is dat niet verregaand onbarmhartig?”

„Dat is het!” riep Piet verontwaardigd uit. „Die vrek! Wie weet, hoeveel geld hij heeft, en nu zulke arme menschen bij ziekte en kou op straat te willen zetten. ’t Is onmenschelijk!”

„Juist zoo!” zei Dik. „Maar het zal niet gebeuren, Piet. Ik heb al dikwijls hooren vertellen, dat hij erg bang van aard is, vooral ’s avonds, en op de heks heeft hij het in ’t geheel niet begrepen. Nu ben ik van plan, om hem van avond zoo bang te maken, dat hij het niet zal durven wagen, haar morgen het huis uit te zetten.”

„Maar welk plan heb je dan toch, Dik?”

„Ik ga van avond voor heks spelen, Piet, en als jij me helpt, zal hem het lachen wel vergaan. Doe je het?”

„Goed zoo; ik doe meê, dat beloof ik je!”

Mulder woonde in een van de kleinste huisjes van het dorp, aan den eenen kant naast de kerk en aan de andere zijde naast eene groote schuur. Vroeger was hij boer geweest, doch toen hij, na den dood van zijne vrouw, in de gelegenheid kwam, zijne boerderij voor veel geld te verkoopen, had hij dat gedaan, en was in dat huisje gaan wonen. Daar leefde hij, uit gierigheid, geheel als een kluizenaar. Hij veegde zelf den vloer aan en kookte zijn eigen potje. Dat het er dientengevolge tamelijk vuil bij hem uitzag, hinderde hem niet. Het leven was op deze wijze goedkoop, en dat was bij hem het voornaamste. De ijzeren geldkist, die onder zijne bedstede stond, was het eenige voorwerp op de wereld, dat hij liefhad. Zijn geld was zijn afgod. Het had hem moeite genoeg gekost, zoo ’n schat bij elkander te krijgen, en menige leelijke daad had hij daarvoor op zijn geweten genomen. Maar toch had hij het lief, zoo lief, dat hij het voor geen gerust geweten had willen ruilen. Elken avond, als deuren en vensters goed gesloten waren, zat hij te tellen, en dan glinsterden zijne oogen van begeerte en genot. Zoo ook op den avond, waarop Dik en Piet hem een bezoek zouden brengen. Hij zat voor den haard, waarop eenige glimmende kolen lagen. De tafel had hij naast zich geschoven. Een klein spaarlampje verlichtte de armoedige woning. Hij liet het goud door zijne vingers glijden.

„’t Is eene groote som,” mompelde hij, „en zij zal nog grooter worden. Elk jaar komt er bij, en er gaat maar weinig af. Dat die leelijke heks me nu niet betalen kan! Maar ik waag het niet langer. Die man kan wel zoo lang ziek blijven en misschien wel sterven ook. Dan betaalt ze in het geheel niet meer, en word ik het kind van de rekening. Jawel, dat begrijp-je, daarvoor moet ze net bij Mulder wezen. Morgen zal ze het huis uit, ziek of niet ziek, daar geef ik niet om; wil hij doodgaan, dat moet hij weten. Zou ze waarlijk eene heks wezen? Brrr, dat zou akelig zijn! Ze kan me soms zoo vreemd aankijken, net of... Als ze nu eens plotseling door den schoorsteen kwam, hu, ’t is om je dood te schrikken! Maar neen, ’t is toch ook eigenlijk te mal, om er van te praten. Heksen! Wie gelooft er nog aan heksen? Maar er moet toch wel wat van waar wezen, want hoe komen zulke praatjes anders in de wereld? Ik heb er mijn vader zoo dikwijls over hooren spreken, vroeger; neen, ’t is toch niet heelemaal weg te redeneeren. Als er vroeger heksen waren, zie ik niet in, waarom ze er nu niet meer zouden zijn. Verbeeld je, dat zoo ’n heks nu eens op een bezemstok door de lucht kwam aanvliegen, en hier door den schoorsteen....”

Op eenmaal werd Mulder doodsbleek en keek hij met strakke oogen naar het vuur. Langzaam zag hij wat naar beneden vallen, en plotseling werden de geel-roode vlammetjes van het haardvuur onnatuurlijk groot, en wat hem nog het meest deed schrikken, helderblauw. Tegelijkertijd klonk er zulk een schrille kreet door den schoorsteen, dat hij op zijn stoel zat te beven.

„O, o,” kermde hij, „daar is ze al, o, o, wat moet ik beginnen.—Hu!”

Opnieuw klonk er een akelige kreet uit den schoorsteen, en een geweldige slag tegen de achterdeur deed hem het bloed in de aderen stollen. De blauwe vlammen in den haard, die langzamerhand kleiner geworden waren, flikkerden opnieuw hoog op. Het vuur siste.

„O, o, genade!” kermde de vrek.

„Hier is de heks,—de heks,—de heks!” gilde eene hooge stem, als van eene vrouw, door den schoorsteen. „Ze moet haar huis uit, de heks,—de heks,—de heks!”

„Ssss!” siste het, en nu zagen de vlammen groen.

„Vreeselijk!” kermde Mulder, „wat zal me nu overkomen? Genade, genade! O, je behoeft het huis niet uit; je moogt er wel altoos in blijven wonen, voor niemendal wel. Genade!”

„Hier is de heks, de heks op den bezem!” gilde het daar boven, en er werd geweldig tegen de luiken gebonsd. „Hier is de heks met zwavel en salpeter! De heks op den bezem! Hi-i-i-i!”

De vrek viel kermende op de knieën. In doodsangst keek hij naar den schoorsteen, waardoor, naar hij vreesde, de heks zou binnenkomen.

„O, heb medelijden, genade!” kermde hij. „Ach, ach, kom toch niet hier; ik zal het je nooit weer lastig maken!”

Plotseling flikkerden de vlammen, die blauw en groen zagen, weer hoog op, het gebulder werd heviger en het gegil in den schoorsteen klonk in één woord ontzettend. Het angstzweet brak den vrek uit. Hij was radeloos. Daar zag hij, hoe een ijzeren bak, waaruit ook kleine blauwe vlammetjes opstegen, langzaam aan een ketting naar beneden zakte, en boven het vuur bleef hangen.

„Geld! Geld!” klonk het daarboven gillend. „Hier is de heks met salpeter en zwavel, geld, geld, de heks met den bezem, de vleermuizen en de hagedis! Geld, geld, hi-i-i-i!”

„O, geld!” kermde de oude gierigaard, met een wanhopigen blik op zijn schat. „Ook dat nog! Genade, genade!”

„Hier is de heks, de heks met den bezem! Wat moet zij maken van den ouden woekeraar? Moet hij eene vleermuis worden, of...”

„O, neen, neen, genade, geen vleermuis!” kreunde Mulder, terwijl hij in doodsangst twee handen met geldstukken in den bak wierp, waaruit opnieuw groote blauwe vlammen opstegen.

„.... Of moet hij een nachtuil worden, die over het kerkhof vliegt?”

„Hier is de heks, de heks op den bezem!” gilde het daar boven, en er werd geweldig tegen de luiken gebonsd. „Hier is de heks met zwavel en salpeter! De heks op den bezem! Hi-i-i-i!”

De vrek viel kermend op de knieën. In doodsangst keek hij naar den schoorsteen, waardoor naar hij vreesde, de heks zou binnenkomen.

„O, heb medelijden, genade!” kermde hij. „Ach, ach, kom toch niet hier; ik zal het je nooit weer lastig maken!”

„Neen, neen, o neen, geen nachtuil, o, goede heks, vergeef het mij!” riep Mulder, terwijl hij opnieuw een aantal geldstukken in den bak wierp.

„.... Of een slang met giftige tanden, of een draak met zeven koppen? Ja, een draak, een draak! Hij wordt een draak! Hier is de heks, ze komt om het geld, om het geld van den vrek! Ze komt, ze komt met zwavel en salpeter! Waar is de woekeraar? Hi-i-i-i!”

„Help, help, o genade! Hier is mijn geld, dáár, dáár!” En de oude man wierp sidderend handenvol geld in den bak. „Ach, genade! Laat me toch asjeblieft geen draak worden! O, o!”

Plotseling werd het gegil nog heviger en akeliger, en groote blauwe en groene vlammen stegen van het haardvuur op. Het gebulder tegen de luiken duurde onophoudelijk voort. Vol ontzetting bedekte Mulder zijne oogen met beide handen en kroop in den donkersten hoek onder de tafel, waar hij voorover op den grond ging liggen. Elk oogenblik verwachtte hij de heks te hooren binnenkomen.

Doch neen, langzamerhand werd het stiller; eindelijk hoorde hij nog een gil, en toen niets meer. Toch durfde hij nog niet opkijken, maar toen hij eindelijk gedurende een geruimen tijd geen verdacht geluid meer hoorde, kwam hij voorzichtig uit zijn schuilhoek te voorschijn en keek in de kamer rond. Gelukkig, er was niets geheimzinnigs meer te zien; het vuur was weer gewoon, zelfs bijna uitgedoofd, en geen verdacht geluid trof zijne ooren. Hij bekeek en betastte zich aan alle zijden, om te onderzoeken, of hij ook betooverd was, doch dat onderzoek stelde hem gerust. Hij bevond zich nog onveranderd en ongedeerd.

„Maar het heeft me geld genoeg gekost,” zuchtte hij, met een treurigen blik op zijn geldkist. „Laten de menschen me nu nooit weer zeggen, dat er geen heksen zijn, hu, hoe akelig! Ik weet er nu alles van!”

Nog over al zijne leden bevende, borg hij zijn schat weer weg en legde zich te bed, waar hij den ganschen nacht door akelige droomen werd gekweld.

Had de man geweten, dat de heks niemand anders was geweest dan Dik, die door de kachelpijp heen al dien onzin naar beneden had getoeterd, terwijl zijn makker Piet de deur en de vensters beukte, dan zeker zou hij niet zoo gemakkelijk afstand hebben gedaan van zijne geliefde goudstukken. Den volgenden morgen keek hij telkens naar den haard, om te zien, of er nog blauwe en groene vlammen uit opstegen, doch de stukjes zwavel en salpeter, die Dik uit de apotheek had meegenomen en op het vuur geworpen, waren al lang verbrand.

Niemand was echter meer verbaasd dan de heks, toen zij ’s morgens wakker werd. Op de tafel namelijk lag eene beurs gevuld met goudstukken, die zeker door de gebroken ruit heen daar was neergelegd. En in die beurs zat een briefje, waarop met duidelijke letters geschreven stond:

„Een geschenk van Mulder aan de heks van den Achterweg, die levenslang voor niet haar huisje mag blijven bewonen.”

O, wat lachte die Mulder vreemd, toen de oude vrouw hem met tranen in de oogen bedankte voor de weldaad, die haar bewezen was,—net als een boer, die kiespijn heeft.