Zes jaar lang had Dik zijn heer trouw en eerlijk gediend, toen een treurig voorval hem zijne betrekking deed verliezen. In een kouden herfstnacht werd hij gewekt, om dadelijk in te spannen. Haastig kleedde hij zich aan en begaf zich naar de dokterswoning, in de stellige meening, dat een zieke buiten het dorp onverwachts de hulp van zijn heer had ingeroepen, zooals dat al zoo menigmaal gebeurd was. Doch neen, dat was het niet. De goede jongen, die dolveel van zijn meester hield, kon van schrik bijna niet spreken, toen hij van het dienstmeisje hoorde, wat er gaande was.
„O Dik, ben je daar? Je moet dadelijk inspannen om dokter Marling uit de stad te halen, ’t Is verschrikkelijk, Dik, o....”
„Dokter Marling halen? Voor wien? Kan de dokter dan zelf niet gaan?”
„Neen, neen, Dik, o neen! ’t Is verschrikkelijk! Gauw, maak voort....”
„Maar wat is er dan toch aan de hand? Je staat daar maar te huilen en te jammeren, en je zegt niets!”
„Ach, ’t is toch zoo erg, Dik. O, ik ben er heelemaal akelig van. De dokter.... o, o!”
„Maar spreek dan toch! Is de dokter ziek?”
„Ja, Dik, ’t is vreeselijk....eene beroerte....”
„Wat?” riep Dik ontsteld. „Wat zeg je, heeft de dokter eene beroerte gehad! En hoe is het nu met hem?”
„O, Dik, zoo erg. Hij is geheel bewusteloos. Mevrouw heeft gezegd, dat je zoo hard moest rijden, als je kunt, en niet zonder dokter thuiskomen.”
„Dat spreekt vanzelf,” bromde Dik. In een oogenblik had hij het beste paard uit den stal voor het rijtuig gespannen, en nu ging het in dolle vaart het erf af, naar de stad, die hij een uur later binnenreed. Hij hield voor het huis van dokter Marling stil, wierp een dekkleed over zijn dampend paard, dat hijgde van vermoeienis, en trok aan de schel. Spoedig werd de deur geopend, en Dik deed zijne boodschap.
„Ik zal den dokter wekken,” klonk het antwoord.
„Voortmaken!” riep Dik, die vol angstig ongeduld bij zijn paard heen en weder liep. Nu, er werd ook voortgemaakt, want er waren nog geen tien minuten verloopen, toen dokter Marling reeds geheel gekleed naar buiten kwam en in het rijtuig stapte.
„Vooruit maar, koetsier, zoo hard je paard kan!”
„Laat dat maar aan mij over, dokter,” zei Dik. „Het beest heeft anders al een heeten rit achter den rug.”
„Dat wil ik wel gelooven. Hoe was het met den ouden heer, toen je wegreedt?”
„Hij was geheel buiten kennis, dokter. Eene beroerte is zeer gevaarlijk, niet waar?”
„Meestal wel.”
„Voort, Zwart, voort!” riep Dik, en het scheen wel, of Zwart begreep, dat er iets ernstigs plaats had. Het beest liep, of het vleugels had, en nog geen vol uur, nadat zij de stad verlaten hadden, kwamen zij alweer op het dorp aan. Dokter Marling begaf zich naar binnen, waar de zieke nog geheel in denzelfden toestand lag. Dik bracht zijn paard op stal, wierp het nog een paar dekens op den rug, en begaf zich toen naar de apotheek, om af te wachten, wat hij verder zou moeten doen. Hij was bedroefd, want de berichten omtrent den zieke werden voortdurend ongunstiger, en eindelijk, ’s morgens om zes uur, kwam de tijding, dat de oude dokter overleden was.
Dat bericht schokte Dik zeer, want hij had altoos evenveel van den dokter gehouden als deze van hem. Zonder een woord te spreken, spande hij een ander paard voor het rijtuig, en bracht dokter Marling naar de stad terug.
Drie dagen later reed Dik zijn heer voor het laatst, doch het was nu een treurige rit, want—hij voerde naar het kerkhof.
Dik was dus zijne betrekking kwijt, en het bleek al spoedig, dat een tweede niet zoo gemakkelijk te vinden was. Eerst hoopte Dik nog, dat de nieuwe dokter hem in dienst zou nemen, doch dat gebeurde niet, omdat die heer zich in de eerste jaren geen eigen paarden aanschafte, doch zich door een stalhouder liet rijden. Dat was eene groote teleurstelling voor Dik. Toen deed hij moeite, om hier of daar op eene buitenplaats als koetsier aangesteld te worden, doch tevergeefs; men was overal voorzien. Dat speet hem erg, want hij was ijverig van aard en leegloopen stond hem niet aan. Hij verveelde zich van dat hij opstond, totdat hij naar bed ging, en daarbij hinderde het hem geducht, op kosten van zijne ouders te moeten leven. Wel had zijn vader vast werk, doch ’t was winter, de dagen duurden maar kort, en daarmede hielden de verdiensten gelijken tred.
„Moeder,” zeide hij dikwijls, „wat is het toch verdrietig, zoo gezond en sterk te zijn, als ik ben, en niets te kunnen verdienen.”
„Kom jongen,” kreeg hij dan gewoonlijk ten antwoord, „je moet den moed niet zoo gauw laten zakken; er zal wel eens hier of daar wat open komen, en we lijden toch gelukkig nog geen gebrek.”
„Neen, Moeder, gelukkig niet. Als dat ook het geval was, zou ik anderen raad schaffen.”
„Och, dat weet ik niet. ’t Is gelukkig nog zoover niet.”
Neen, dat was waar, doch ’t zou toch zoover wel komen, en spoediger dan zij dachten. Op zekeren morgen was Dik van verveling het dorp ingeloopen en had zich naar zijn vader begeven, die met andere werklieden bezig was, een huis te verbouwen. Het binnenwerk werd bijna geheel weggebroken en moest door een nieuwe binnenbetimmering vervangen worden. Het oude geraamte was blijven staan en werd door een groot aantal palen ondersteund, opdat het niet zou invallen. Ook de zolder was onderschraagd door groote balken en dwarsliggers. De werklieden hamerden er lustig op los, en de jongeren onder hen deden hun arbeid met een vroolijk gezang gepaard gaan. Daar kwam de baas binnen.
„Jongens,” riep hij, toen hij eenige oogenblikken rondgekeken had, „die zolder is niet genoeg ondersteund. Als we storm krijgen, komt de boel naar beneden. Daar moet onmiddellijk werk van gemaakt worden. Me dunkt, Trom en Bakker konden dat wel doen, dan kunnen de anderen mij buiten even helpen. Er is een karweitje in de schuur te doen.”
Allen, behalve Trom en Bakker, gingen met den baas meê. Dik ook, en dat was gelukkig, want nog geen vijf minuten later viel met een donderend geraas het voorste deel van het huis in. Het gaf een geweldigen slag, die door het geheele dorp gehoord werd. Iedereen snelde naar buiten en spoedde zich naar de plaats des onheils. Baas Meyer en zijne knechts meenden eerst, dat de schuur, waarin zij zich bevonden, inviel, en sprakeloos staarden zij elkander aan. Niemand bewoog zich; de schrik had hen als het ware verlamd. Dik was de eerste, die tot bezinning kwam.
„Het huis stort in!” riep hij, terwijl hij naar buiten snelde. „Vader,—Vader!—Laten we ons haasten!”
Allen volgden hem, en van alle kanten kwamen de menschen verschrikt toeloopen. ’t Was eene vreeselijke ruïne. Balken, steenen, planken en pannen lagen tot een berg opeengestapeld, terwijl vier naakte, afgebrokkelde muren het geheel omringden. Dik, die bleek zag van angst en ontroering, liep overal rond, om zijn vader te zoeken. Nog altoos hoopte hij, dat deze niet onder het puin begraven zou zijn.
„Vader!—Vader!” riep hij met krachtige stem, terwijl hij zijn blik over de menigte liet ronddwalen. „Heeft iemand mijn vader ook gezien?”
„Neen, Dik, we hebben hem niet gezien. Is hij nog niet gevonden?”
„Neen, neen,” zeide Dik zuchtend, zijne schreden weer naar elders richtende, om te zien, of hij daar ook was. Doch al zijn zoeken was vruchteloos; niemand had den vermiste ontmoet, en Diks vrees, dat zijn vader onder dien puinhoop bedolven zou zijn, werd met elk oogenblik grooter en kreeg meer schijn van zekerheid. Daar kwam ook zijne moeder aanloopen. Ook zij zag bleek en keek angstig rond.
„Er zijn toch geen ongelukken bij gebeurd?” vroeg ze, vol vrees, dat het antwoord voor haar eene Jobstijding zou zijn.
De menschen antwoordden niet; zij zagen er tegen op, de arme vrouw met haar ongeluk bekend te maken. Daar kwam Dik aan.
„Dik, waar is je vader?” vroeg ze met angstig ongeduld.
„Heeft u hem ook nog niet gezien, Moeder? Ik zoek hem al overal, doch vind hem nergens. Ik vrees, Moeder, dat....”
„O!” gilde de arme vrouw, „dan ligt hij onder het puin! O, Dik, mijn arme man!”
„Ja, Moeder, ’t zal wel zoo zijn, want hij was juist in het huis aan het werk. Ga nu naar huis, Moeder, dan zullen wij het puin wegruimen. Misschien loopt alles nog goed af. ’t Is meer gebeurd....”
„Naar huis gaan, Dik?” zeide zijne moeder, de tranen wegvegende, die haar langs de wangen liepen. „Neen, jongen, ga jij maar helpen. Ik blijf.”
Dik begreep, dat aan dit besluit van zijne moeder niets te veranderen viel. Hij drukte haar de hand en zeide, zich naar den puinhoop keerende: „Moed houden, Moeder, misschien leeft hij nog.”
Dik voegde zich bij de werklieden, die onder toezicht van den baas al druk bezig waren, het puin weg te ruimen. Iedereen was er nu van overtuigd, dat zoowel Bakker als Trom onder den puinhoop lagen. Er werd ijverig doorgewerkt. Niemand sprak, want allen waren onder den indruk van hetgeen gebeurd was en verdiepten zich in gissingen, of de twee ongelukkigen nog in leven zouden zijn. Dik werkte voor twee, en zoodra er weer eene opening gemaakt was, wierp hij zich op de knieën en riep:
„Vader! Vader!”
Dan luisterde hij met gespannen aandacht, of er ook antwoord kwam, doch telkens tevergeefs. Hij kwam meer en meer tot de overtuiging, dat zijn vader dood zou zijn en Bakker ook.
„Vooruit maar weer!” riep de baas, en allen togen weer aan het werk. De puinhoop werd voortdurend kleiner. Eindelijk, na een paar uren van ingespannen arbeid, werden de beide ongelukkigen gevonden. Zij lagen als dooden, doch toen zij eenigen tijd de frissche lucht hadden ingeademd, kwamen ze weer bij. Bakker werd met een gebroken been en eene gapende wond aan het hoofd naar zijne woning gedragen. Trom had een zwaren balk tegen de borst gekregen; de arme man had het erg benauwd en leed verschrikkelijk veel pijn. Men droeg hem op een kleed naar huis, waar de dokter hem dadelijk in behandeling nam. Dik en zijne moeder stonden bij het bed.
„Wat dunkt u er van, dokter?” vroeg vrouw Trom angstig.
„Ik geloof niet, dat er gevaar is voor zijn leven,” was het antwoord, „maar....”
„Nu, maar?”
„Ik vrees, goede vrouw, dat hij altoos een tobber zal blijven.”
En zoo was het ook. In tegenstelling met Bakker, die na enkele weken zijn arbeid weer hervatten kon, bleef Trom langen tijd aan het ziekbed gekluisterd, en toen hij het eindelijk mocht verlaten, was er van hem niet meer overgebleven dan een zwakke, uitgeteerde man, die niet meer in staat was, het brood te verdienen voor zich en voor zijn gezin. ’t Was wel eene groote ramp. Dik kon, hoeveel moeite hij er ook toe deed, maar geen betrekking meer vinden, en daar het midden in den winter was, viel er aan losse karweitjes ook bitter weinig te verdienen. De betrekkelijke welvaart, waarin Trom en de zijnen zich vroeger mochten verheugen, was verdwenen, en had plaats gemaakt voor bittere armoede, die zich te sterker liet gevoelen, omdat zij er in het geheel niet aan gewend waren. En met de welvaart had ook de vroolijkheid het huisje verlaten. Trom was verdrietig en gevoelde zich ongelukkig, nu hij, in plaats van kostwinner, een zwakke, hulpbehoevende sukkelaar geworden was. O, hoe bedroefde het hem, hamer en beitel niet meer te kunnen hanteeren, evenals vroeger,—doch die tijd was voor goed voorbij. Nimmer zou hij weer in staat zijn, het dagelijksche brood te verdienen.
En ook vrouw Trom ging diep onder haar leed gebukt. De vroolijke lach van vroeger, hare opgeruimdheid, haar gezellige toon,—zij waren verdwenen. De arme vrouw was neerslachtig en somber geworden. Ja, ’t was wel eene vreeselijke ramp geweest!
Ook Dik was zoo vroolijk niet meer als vroeger. Het maakte hem verdrietig en stil, zijne goede ouders zoo ongelukkig te zien, en het ging hem aan het hart, de blozende wangen zijner lieve moeder bij den dag bleeker te zien worden. O, hoe verlangde hij er naar, haar nog eens te hooren lachen als weleer, doch—het gebeurde niet. Wel lachte zij hem soms vriendelijk toe, als zij bemerkte, hoe bedroefd hij haar nu en dan aankeek, doch dat was het niet, wat Dik wilde. Hij zou haar weer zoo graag vroolijk en gelukkig willen zien, als in de vroegere goede dagen. Maar de nood bleef voortdurend stijgen. Het gezin verviel tot bittere armoede, en eindelijk werd het zelfs zoo erg, dat op zekeren avond de tafel niet meer gedekt werd; voor de eerste maal van hun leven ontbrak hun het noodige voedsel. Somber en zwijgend begaven zij zich te bed, doch van slapen kwam niet veel. Allen waren te veel vervuld van den ongelukkigen toestand, waarin zij verkeerden. Dik wendde en keerde zich onrustig om en om, en voelde zich de tranen in de oogen komen, toen hij zijne moeder zacht hoorde snikken.
„Dat kan zoo niet langer,” mompelde hij. „Mijn besluit is genomen. Morgen moet het er toe komen!”
Den volgenden morgen stond Dik vroeg op en begaf zich naar Piet van Dril.
„Morgen, Dik! Al zoo vroeg hier?”
„Ja, Piet. Ik kom je hulp inroepen, ’t Is nood bij ons, jongen, en dan gaat men het eerst naar zijne vrienden. Heb-je ook wat geld voor me te leen?”
„Geld?” vroeg Piet, terwijl hij zijn vriend met medelijden aankeek. „Hoeveel wil-je hebben?”
„Een paar dubbeltjes maar. Als ik gezond blijf, krijg je ze binnen enkele dagen terug.”
„Ja, Dik, dat weet ik wel. Hier heb-je ze, en als je ze nooit teruggeeft, is het ook goed.”
„Dank-je, Piet. Zooals ik gezegd heb: als ik geen ongeluk krijg, ontvang je ze binnen enkele dagen terug. En nu ga ik weer heen, want ik heb nog wat te doen. Dag, Piet, tot ziens.”
„Gegroet!” zei Piet. „Arme menschen!” mompelde hij. „Ik wou, dat ik hen helpen kon.”
Dik ging regelrecht naar den bakker.
„Jansen,” zeide hij, zijn geld op de toonbank leggende, „wil u even twee brooden naar mijne moeder brengen? Maar liefst dadelijk; er is haast bij.”
„’k Zal er voor zorgen, Dik.”
Vandaar ging Dik naar vrouw Boon, die nog altoos in haar winkeltje woonde. Hij deed de deur open en stapte naar binnen.
„Goeden morgen, vrouw Boon.”
„Goeden morgen! Hé, Dik, ben jij daar? Dat is, geloof ik, wel voor het eerst van je leven.”
„Dat is ook zoo, vrouw Boon, maar ik wenschte u wel eens te spreken. Hebt ge een oogenblikje tijd?”
„Jawel, zeker, kom maar in de kamer. ’t Is te koud, om in den winkel te staan.”
„Ja, ’t is koud,” zei Dik, binnentredende.
Vrouw Boon gaf hem een stoel, en nam zelf ook plaats, tamelijk nieuwsgierig, wat Dik toch wel te zeggen zou hebben.
„Ik heb gehoord,” begon Dik, „dat ge van plan zijt, het dorp te verlaten en in de stad te gaan wonen?”
„Ja, dat is te zeggen,” was het antwoord, „als ik mijn boeltje hier naar mijn zin verkoopen kan. Ik ben niet van plan, om zoo maar weg te loopen.”
„Neen, dat begrijp ik. Ik ben dan ook juist gekomen, om daar eens over te praten. U woont hier in een huurhuis, niet waar?”
„Ja, ’t is een huis van den molenaar, en ik heb er nog zes jaar huur aan, doch ik mag de huur wel aan een ander overdoen, ten minste, als het een knap persoon is.”
„Nu, wat dat betreft, zal de molenaar wel geen bezwaar maken, denk ik,” meende Dik. „En hoe staat het met den winkel?”
„Alles, wat in den winkel staat, is mijn eigendom,” antwoordde de weduwe. „Toonbank, weegschalen, gewichten, bakken en laden, kortom, al wat er in is, behoort mij.”
„En dat wilt ge dus verkoopen?”
„Ja, voor driehonderd gulden is het te koop, maar dadelijk betalen, dat spreekt vanzelf. Borgen doe ik niet.”
„Dat is ook niet noodig,” zei Dik. „Als ik het koop, betaal ik contant, maar driehonderd gulden geef ik er niet voor. Als de winkel nog, evenals vroeger, beklant was, zou ik er misschien over denken, maar nu de zaak bijna verloopen is, bied ik er juist de helft voor, namelijk voor alles, zooals het reilt en zeilt, en dan nog op voorwaarde, dat ik pas over drie dagen behoef te zeggen, of de koop doorgaat of niet.”
„Neen, Dik, dat gaat niet. Tegen de voorwaarde heb ik geen bezwaar, maar honderdenvijftig gulden is te weinig. Ga zelf maar kijken, of er niet voor meer waarde in staat. ’t Is wel waar, wat je zegt, dat de zaak verminderd is, maar er gaat toch nog wel zooveel in om, dat een kleine burgerhuishouding er van leven kan. Als ik niet aan trouwen dacht, verkocht ik haar niet.”
Dik en vrouw Boon gingen den winkel rond en namen alles nauwkeurig op. De voorraad van een en ander viel Dik meê, zoodat zij het eindelijk eens werden voor eene som van tweehonderd gulden.
„Maar à contant,” zeide vrouw Boon, die maar niet begrijpen kon, waar Dik zooveel geld vandaan moest halen.
„Dat is afgesproken. Uiterlijk over drie dagen kom ik u mijn besluit mededeelen.”
Dik vertrok en begaf zich naar den burgemeester, bij wien hij na een oogenblik wachtens werd toegelaten.
„Wel, Dik, wat is er van je dienst?”
„Burgemeester, ik heb gehoord, dat er in de West, om een oproer onder de negers, soldaten aangeworven worden. Zou u me daaromtrent niet wat nader willen inlichten?”
„Wel zeker, met genoegen. Of eigenlijk gezegd weet je er alles al van. Er is onder de negers in Suriname een oproer uitgebroken, dat met kracht van wapenen gedempt moet worden, en nu zijn er flinke jongens noodig. Waarom vraag je dat zoo? Je wilt toch zelf niet gaan?”
„Misschien wel, burgemeester. Hoeveel handgeld wordt er gegeven?”
„Vierhonderd gulden; dat is nog al een mooi sommetje, niet waar? Hoe oud ben je?”
„Achttien jaar, burgemeester, en goed gezond.”
„Zoo, achttien? Dan heb je de jaren. Maar toch durf ik het je niet aanraden, Dik. ’t Is een erg ongezond land. De meeste Hollanders gaan er weg aan de gele koorts.”
„Ja, burgemeester, dat heb ik ook gehoord, maar—ik kan niet anders. Waar kan ik mij aanmelden?”
„In elke garnizoensplaats, Dik. Dus je bent er toe besloten?”
„Ja, burgemeester, de nood dwingt er mij toe. Ik dank u wel voor uwe inlichtingen.”
Dik vertrok en ging naar huis. Hij vond zijne ouders in eene sombere stemming bij de tafel zitten. Er stond eene boterham voor hem klaar, welke hij dadelijk begon op te eten, want hij had grooten honger.
„Hoe ben je aan dat geld gekomen, Dik?” vroeg Moeder.
„Dat heb ik geleend, Moeder.”
„Geleend? Waarvan moeten we het dan teruggeven? We hebben immers niets meer?” De ongelukkige vrouw kreeg tranen in de oogen.
„Dat is waar, Moeder, doch droog uwe tranen, want binnen enkele dagen zal ik u geld genoeg verschaffen, om den winter verder door te komen. Ik ben met vrouw Boon in onderhandeling getreden, om haar winkeltje over te nemen. Voor tweehonderd gulden word ik eigenaar van de geheele zaak, en....”
„Maar jongen, hoe heb ik het nu met je?” vroeg Moeder, die hem in de grootste verbazing aanstaarde, terwijl Vader bedenkelijk het hoofd schudde. „We hebben immers geen cent in huis? Hoe zouden we die som ooit kunnen betalen?”
„Dat zal ik u aanstonds meedeelen, Moeder. Zeg nu eerst maar eens, hoe u het zou vinden, om in dat zaakje te komen.”
„Ach, kind, daar is immers geen denken aan! Wat zou het anders heerlijk wezen! Er gaat wel niet zoo erg veel om, maar toch nog wel genoeg, om er van te kunnen leven, dat is zeker. Vroeger was het zelfs een best zaakje, en dat zou het wel gebleven zijn ook, als die vrouw Boon maar niet zoo ’n ruw, onhebbelijk mensen was. Ik geloof zelfs, dat het zaakje wel weer druk zou worden, als er knappe menschen in kwamen. Och ja, wat zou het heerlijk wezen, als wij het eens koopen konden, Jan. Dan konden we de toekomst onbezorgd te gemoet gaan, en dan behoefde je ook niet meer te werken, ten minste niet harder, dan je krachten het toelaten. We zouden gered zijn, Jan,.... maar och, dat ongelukkige geld!”
„Welnu, Moeder,” zei Dik, „ik weet een middel, om aan geld te komen.”
„Welk middel dan?” vroeger Moeder nieuwsgierig, maar toch vol angst, daar zij wel begreep, dat er heel wat voor gevergd zou worden.
Dik keek haar een oogenblik aarzelend aan. De goede jongen zag er tegen op, haar zijn besluit mede te deelen.
„Toe Dik, zeg het dan, of is het zóó erg? Ik brand van nieuwsgierigheid.”
„Ja, Dik,” zei Vader, „ik ook,—dat doe ik.”
„Welnu, Moeder, ik zal het u zeggen. In de West....”
Moeder liet hem niet uitspreken. Met tranen in de oogen sprong ze op en sloeg hem hare armen om den hals.
„Wou je weggaan, mijn Dik, mijn jongen?” snikte ze. „Wou je je moeder verlaten en je vader, Dik? Begrijp je dan niet, hoe lief we je hebben? O, Dik, we hebben immers niets op de wereld dan jou?”
Dik gaf zijne moeder een kus en maakte zich zacht uit hare omarming los. Ook hij voelde het hart week worden, want het kostte hem veel moeite, om van zijne ouders te scheiden, maar toch wilde hij zijne lieve moeder niet toonen, dat het hem zwaar viel.
„Moeder,” zeide hij, „luister, ’t Is het eenige middel, om u en Vader voor gebrek en zorg te behoeden. Hier blijven kan ik toch niet; ik mag u niet langer tot last zijn, en dat wil ik ook niet. Viel er hier nog wat te verdienen, dan zou ik er niet over denken om weg te gaan, maar nu zit er niets anders op. Weken lang loop ik al zonder werk rond, en ’t is de vraag, of dat niet nog maanden zal duren. Maar toch, Moeder, al gelukte het mij nu, hier of daar eene betrekking te vinden, dan zou dat u toch nog bitter weinig baten, want veel zou er nooit van kunnen overschieten. Vader is zwak; hij kan in de eerste jaren stellig niets verdienen, en hoe zou u dan in het levensonderhoud voor u beiden moeten voorzien? Neen, Moeder, ’t is beter, dat ik ga. Ik behoef mij slechts te verbinden voor drie jaren en ik ben gezond en sterk. Vierhonderd gulden krijg ik vooruit, Moeder, vierhonderd gulden! Dat is geene kleinigheid. We kunnen er het winkeltje voor koopen, en u houdt nog tweehonderd gulden over om alles netjes in orde te brengen. Denk eens, wat een genot! Vader koopt een hit en een wagentje, om buiten het dorp te gaan venten, en u zorgt voor den winkel. Is ’t niet prachtig, Moeder? Wat zegt u er van, Vader?”
„Ja, jongen, ’t zou mooi wezen,—dat zou het.”
„En voor dat alles behoef ik slechts een paar jaartjes in de West te gaan doorbrengen, Moeder, ’t Is toch waarlijk zoo erg niet.”
Moeder keek langer, tijd peinzend voor zich, terwijl nu en dan een paar groote tranen op haar voorschoot rolden. Eindelijk stond ze op en omhelsde Dik opnieuw.
„Dik, ’t moet! Ga, m’n lieve, goede jongen, ga, en dat God je bescherme!”
Schreiënd verliet ze de kamer. Trom volgde haar.
„Ach, Jan,” zeide ze snikkend, „wat heeft hij toch een braaf hart!”
„Ja Griet, ’t is een bijzonder kind,—dat is-ie, en dat heb ik altoos wel gezegd,—dat heb ik.”
Dienzelfden middag nog trok Dik zijne beste kleeren aan, om zich naar de stad te begeven.
„Ach Dik, m’n kind,” zuchtte zijne moeder, „moet het nu al zoo gauw gebeuren? ’t Scheiden valt me zoo zwaar.”
„Ja, Moeder, ’t is hier ook: hoe eer, hoe beter, We hebben geen cent meer in huis, en ik krijg toch nog eenigen tijd verlof. Wat vind ik dat heerlijk, Moeder. Dan kan ik u helpen verhuizen en alles in orde brengen, en voor Vader een hit koopen en een wagentje. Neen, Moeder, ’t is beter vandaag, dan morgen. Ik heb geen rust, voor dat u goed en wel in het winkeltje woont.”
’t Was een teêr afscheid, bijna alsof hij reeds voor goed wegging.
„Kom, Moedertje, nu flink, hoor! Morgen of overmorgen kom ik weer terug. Tot zoolang dus!”
Dik maakte zich uit hare omarming los en snelde de deur uit. Wat had hij zich in de tegenwoordigheid zijner ouders goed moeten houden, om niet in tranen uit te barsten, want nooit had hij sterker gevoeld, hoe lief hij hen had, dan nu op het oogenblik, dat hij weldra voor goed van hen zou moeten scheiden. Voor goed, ja, want ’t was bekend, hoe weinigen er terugkeerden uit dat verre, vreemde land, waar wreede vijanden en nog wreeder koortsen zoo menigeen een vroegen dood deden vinden.
De wagen hield stil. „Meêrijden, Dik?” klonk het hem toe.
Nauwelijks had hij dan ook het laatste huis van zijn dorp achter den rug, of de brave jongen barstte in tranen uit, en wrong zich in vertwijfeling de handen.
„O, wat is het hard! Wat is het hard! Ik heb hen zoo lief!” mompelde hij, terwijl de tranen hem langs de wangen vloeiden. Doch opeens bedwong hij zich. Hij wierp nog eenmaal een blik op zijn geboortedorpje, dat hem zoo lief was, zocht met zijne oogen nog eenmaal het roode dak van de kleine woning, waar hij zooveel jaren gelukkig was geweest en waarin hij achterliet, wat hem het dierbaarst was op de geheele wereld, en toen vervolgde hij zijn weg naar de stad.
In diepe, smartelijke gedachten verzonken liep hij voort, het voorhoofd gefronst en met een droevigen trek om den mond. Een gure wind woei hem vlak in het gelaat, maar hij voelde het niet. Hij liep met gebogen hoofd, en nu en dan prevelde hij overluid.
„’t Kan niet anders,” komt hem afgebroken over de lippen, „’t Moet! Vader en Moeder mogen geen broodsgebrek lijden, zoolang ik er ben, en ’t zou schande wezen, als ik anders handelde, dan ik doe.—Wat zullen mijne vrienden vreemd opkijken, als ik als koloniaal terugkom, want dat verwacht zeker niemand van me. Toch zal het een troost voor me wezen daar ginds in het verre Westen, te weten, dat Vader en Moeder het goed hebben, en dat zij op hun ouden dag vrij zullen wezen van zorgen en broodsgebrek. En daarom—’t moet, hoe hard het ook is!”
Dik was zoozeer in zijne gedachten verdiept, dat hij niet eens bemerkte, dat hem een rijtuig achterop reed. Hij ontdekte dat pas, toen het vlak achter hem was, en een glimlach verhelderde zijn gelaat, toen hij den breeden molenwagen herkende, beladen met zakken, en bestuurd door den eigenaar zelven. Hierover verheugde hij zich nog het meest, want de molenaar was een oud vriend van hem, voor wien hij zijn hart eens kon uitstorten.
De wagen hield stil.
„Meêrijden, Dik?” klonk het hem toe. De molenaar was geen vriend van veel woorden. Hij sprak gewoonlijk zeer weinig, maar hij had een goed hart.
Zwijgend stapte Dik op het krat, en zwijgend vervolgden zij hun weg.
Dat had zoo eenige minuten geduurd, toen de molenaar, die van terzijde zijn jongen vriend al eens een paar malen had aangekeken, plotseling vroeg:
„Wat scheelt er aan? Ben je ziek?”
„Neen, Van Dijk, niet ziek, maar toch—lang niet vroolijk. ’t Is armoê thuis, armoê, Van Dijk, en nog eens armoê! Er mòèt een einde aan komen!”
De molenaar zei niets. Hij floot iets tusschen de tanden en zag weer van terzijde Dik aan, die met moeite een traan terugdrong. Ook Dik zweeg.
Zoo gingen weer enkele minuten voorbij. Toen zei de molenaar:
„Armoê thuis? En welk einde moet er aan gemaakt worden, jongen?”
„Ik ga naar de stad, om te teekenen als koloniaal. Ik ga naar de West. Vierhonderd gulden handgeld zijn voldoende om het zaakje van vrouw Boon over te nemen, die naar de stad wil verhuizen, zooals u wel weten zal. Als u dan het huis zou willen verhuren aan Vader, waren zij uit den nood. Maar dat wilt gij wel, niet waar?”
De molenaar keek stijf op de ruggen van zijn twee paarden. Hij knikte bevestigend, terwijl hij weer iets tusschen de tanden floot.
„En hoe vindt je moeder dat, Dik?” vroeg hij na eene pauze.
„Zij vindt het hard,—erg hard.”
Weer volgde eene pauze.
„Ja, ’t is hard!” klonk het eindelijk naast Dik.
Zij waren nu eene boerderij genaderd, waar Van Dijk het erf opreed.
„Wacht even, Dik, dan gaan we straks samen verder,” zei de molenaar, terwijl hij van het krat afsprong, en de zakken naar binnen ging dragen.
Dik was geen jongen, die van toekijken hield, als er gewerkt moest worden. Dadelijk nam hij ook een zak op den schouder en volgde den molenaar. Spoedig was de wagen afgeladen, en waren ’s molenaars zaken met den boer afgedaan.
Zij namen weder plaats op het krat en reden het erf af. Tot Diks verbazing sloeg de molenaar echter den weg in naar huis, wat hij niet verwacht had. Hij legde zijne hand op den schouder van Van Dijk, en zeide:
„U gaat naar huis terug, en...”
„Ja, dat weet ik wel. Wat zou dat?—Huup paarden!”
„Dan scheiden hier onze wegen, want...”
„Niet waar.—Huup paarden!”
„Ja wel, ik moet naar de stad, om...”
„Huup paarden! Huup!—Dat moet je niet, Dik! Je gaat meê naar huis.”
„Onmogelijk, onmogelijk, Van Dijk! Ik móét, want ik kan niet anders. Laat mij hier afstappen.”
„Jij stapt niet af, en je gaat niet naar de stad, heb je mij begrepen, Dik? Ik zou me schamen, jongen, schamen, als ik jou voor een ellendige vierhonderd gulden naar de West liet gaan, om daar een graf te vinden. Je gaat naar huis, zeg ik je. Dat geld kun-je van mij wel krijgen,—begrepen? Je ouders kunnen je niet missen.”
De molenaar keek Dik aan en knikte hem nog eens met eene krachtige beweging toe. Hij had al veel meer gesproken dan hij gewoon was, en meende er verder ook geen woord meer over te verspillen. De zaak was afgedaan, naar hij meende.
O, wat werd het Dik plotseling licht en vroolijk te moede. Weg was als met een tooverslag al zijn zorg en al zijn verdriet, en in gedachten zag hij reeds, hoe zijne lieve Moeder zou schreien van vreugde, als zij het hoorde.
„Wil u mij dat geld leenen?” vroeg hij opgetogen, en elk woord klonk als een juichkreet.
Van Dijk knikte.
„O, ik wist, dat u een edel hart bezat, maar nu—nu maakt u drie menschen tegelijk gelukkig. Wat ben ik u dankbaar!”
Weer knikte Van Dijk.
„’t Is goed, hoor,” sprak hij. „Praat er nu verder maar niet over. De zaak is beklonken.—Huup paarden!”
Wat keken Jan Trom en zijne vrouw korten tijd later vreemd op, toen Dik onverwachts weer binnentrad, en o, wat verhelderden die gezichten, toen Dik vertelde, wat er gebeurd was. Hoe blonk de vreugde uit hunne oogen, hoe klonk in dit eenvoudige huisje hun vroolijke lach. De dagen van leed en droefheid waren voorbij, de armoede vloog het venster uit, en er was geen sprake meer van eene scheiding, die hunne harten dreigde te doen bersten.
Enkele weken later betrokken zij de woning van vrouw Boon, waar het hun weldra zeer goed ging. Trom nam den winkel waar, bij welke bezigheid zijne vrouw hem onvermoeid ter zijde stond, en Dik ging er dagelijks met paard en rijtuig op uit, om de klanten buiten het dorp te bedienen en er nieuwe bij te werven.
En het scheen wel, of men gaarne van hem bediend wilde wezen, want elke week werd zijn omzet grooter, en klommen zijne verdiensten. Al spoedig konden zij het geleende geld bij den molenaar aflossen, en na een paar jaren reeds moesten zij den winkel vergrooten. In korten tijd hadden zij de beste zaak van het geheele dorp, en elken Oudejaarsavond konden Trom en zijne vrouw een mooi sommetje ter zijde leggen van hetgeen zij hadden oververdiend.
Dan keken zij elkander dankbaar en gelukkig in de oogen, en zeiden:
„Voor onzen Dik!”