HETWELK AL TE ZAMEN GESCHIED IS NA HET JAAR 1608, EN OOK MEDE VAN DE SLUIZEN EN UITWATERINGEN, DIE UIT DIEN HOOFDE GEMAAKT EN GELEGD ZZIJN, WELKE DE NIEUW-BEDIJKTE MEREN HEBBEN DOEN MAKEN EN BEKOSTIGEN.
136. In den Eersten zoo is de Beemster bedijkt, is groot zuiver land
7545 morgen.
Nog de Purmer bedijkt is groot 3000 morgen.
De Wormer, groot 1790 morgen.
De Schermer, groot omtrent 6000 morgen.
De Enge Wormer, groot 190 morgen.
De Schalsmeer, groot 75 morgen.
137. Dit alles bedraagt 18,600 morgen, zoodat de boezem aldaar nu tegenwoordig kleiner is, dan eer de meren bedijkt waren.
138. Hiertegen hebben de Heeren van de Beemster doen maken een kanaal of eene uitwatering, beginnende van de Schermer af, voor Ursem, langs den Walegsdijk, loopende mede voorbij Avenhorn en den ouden dijk, tot aan den kant van de Zuiderzee, met nog eene nieuwe sluis of duiker aldaar in den zeedijk gelegd, om het water te lossen.
139. Nog heeft de Beemster doen maken den grooten steenen Duiker op Sarendam.
140. De bedijkers van de Purmer hebben doen maken het Sas, op het Oost-einde van de haven van Edam.
141. De Heeren bedijkers van de Schermer hebben doen maken het kanaal of de uitwatering door het Kromenier en Wessaner veld, strekkende tot aan Nauwerna toe, alsmede nog de steenen sluis, die op Nauwerna gelegd is op het IJ.
142. De bedijking van de Wormer heeft doen maken eene sluis op den Nieuwendam, die uitwatert op de Wijker-meer.
143. Tegen deze nieuwgemaakte sluizen en uitwateringen malen tegenwoordig 45 watermolens meer dan te voren op den grooten boezem deden, welke boezem omtrent 18,600 morgen kleiner is, dan toen de meren nog niet bedijkt waren. De drie sluizen, te weten de Duiker op Saardam, de sluis op Nauwerna en die op Nieuwendam zijn geheel tegen de Natuur aangelegd.
144. Vele menschen in Noord-Holland kennen deze gelegenheid en uitwateringen zeer wel, en weten, dat meest altijd en doorgaans in deze kwartieren de wind zuid-west, zuid en zuid-oost waait.
145. Dit maakt veel laag water op het IJ; maar daartegen perst de Zaan altijd afwaarts en ten noorden aan. Desgelijks doet mede de nieuwe vaart van Nauwerna, als ook mede de uitwatering naar den Nieuwen dam, die toch zeer weinig nut en profijt kan doen, en zulks vermits die uitwatering door de Wijker-meer altijd vol geslikt en verdroogd is.
146. Alzoo is het ook mede met meest al de polders, die in Zuid-Holland liggen, die op de Schie en de Rotte malen en hare uitwatering hebben op de Maas; deze hebben eenen kleinen boezem en kunnen met zuid-weste-winden weinig water door hunne sluizen lozen, door het aanparsen van de Maas en het afparsen der kanalen.
NOTA.
147. Indien de Heeren bedijkers van de Beemster, in het begin der bedijking, met de Heeren van de uitwaterende sluizen, en met de stad Hoorn waren overeengekomen (hetwelk in het begin op een’ zeer goeden voet stond), om de uitwatering te maken door Avenhorn en de Naamsloot, welke een zeer schoon, diep, regt kanaal en wijde sloot is, loopende ten naaste bij noord-oost-waarts aan, tot op den hoek van den Zeedijk bij de watermolens, staande bij het Hulkjen, strekkende voort tot aan de stad Hoorn bij den Zeedijk langs, dan hadden al deze nieuwbedijkte meren, met de oude landen daar omtrent gelegen, tegen den Huigendijk en Spaardam, al te zamen volkomen wel gediend en met hare uitwateringen wel geholpen geweest; ja zouden zelden of nimmermeer des winters verlegen geweest zijn met het hooge water, komende de afpersing van de Naamsloot en de afpersing van de Zuiderzee, geheel volgens de Natuur naar wensch.
148. Waarmede ik alhier wil te kennen geven, dat al de sluizen en uitwateringen, die van de Haarlemmer Meer tegenwoordig bij het Huis ter Hart, op Sparendam en elders zijn, al te zamen goed op zoodanige winden leggen, gansch en geheel met de Natuur zoo geschikt, als men maar zou kunnen begeeren en wenschen tot bekwame en volkomene uitwateringen.
149. Bij het bedijken der Haarlemmer Meer kan men nog overvloedig bekwame sluizen maken.
150. Zoodat men, naar mijn oordeel, dit voorschreven groot, noodwendig, lofbaarlijk, heerlijk en profitabel werk, het bedijken van de Haarlemmer Meer, niet behoort achterwege te houden, maar alle vlijt en naarstigheid behoort te doen en aan te wenden, om het werk te bevorderen, en dat buiten schade van de groote steden en van de oude landen van Rhijnland, of van iemand anders, aldaar omtrent gelegen.
151. Ik heb met reden klaarlijk aangewezen, dat, door het bedijken der Meren, meestal de boezems tegen den Huigendijk, het IJ en Saardam in Noord-Holland zijn weggenomen, en het water alsnu in zee lossen moet door de smalle, naauwe, lange uitwateringen en kanalen, hetgeen nog redelijker wijs gaan kan, alhoewel het met de zuid-weste-winden, die meest in Holland waaijen, tegen de Natuur komt, waarmede ik hier te kennen wil geven, dat de boezem van de Haarlemmer Meer hier niet mede te vergelijken is, welke het water wijd en breed kan verspreiden, en dat voornamelijk in den voorboezem benoorden het Huis ter Hart, hetwelk op den kant van het IJ ligt; desgelijks mede in eene groote wijde ringsloot, van omtrent zestien duizend roeden in het rond, en omtrent zestien roeden wijd, min of meer; als ook in de vaart tusschen Haarlem en Amsterdam; in het Sparen tot aan Sparendam toe, dat mede digt aan de sluizen ligt; desgelijks mede in den Amstel, de Braassem-Meer, in de vaart naar Leiden, en meer andere slooten en wateringen, zoodat, mijns bedunkens, men zelden meer dan bevorens verlegen zal zijn met het hooge water in de ringsloot. Daarenboven kan men ligter een half vat leêg tappen dan een okshoofd; het spreekwoord zegt: het water loopt waar het laagst is; hetgeen ook waar is: de eb moet lager loopen dan het binnenwater, indien het water in zee gelost kan worden; en het water kan genoegzaam in de Noordzee en in de Spaansche zee (oceaan) ontlasten, welke de moeder is van al de wateren, waar al de rivieren in uitloopen, zoo als de Schriftuur zegt, en de zee hoogt daar niet van.
152. Nog is het volgende mede een zekere regel, als het in den herfst of winter veel nat weder is en het sterk regent, zoodat de binnen-polders met hun water verlegen zijn, dan is de Haarlemmer Meer ook altijd vol water, en of dáár dan al eens eb komt, kan dit zeer weinig op zoodanigen grooten waterplas bedragen. Zoodat de regte zin van al het werk is:
»Veel bekwame goede sluizen op den IJ-kant,
Doet het water wel aflossen uit het oude land.”
153. Vermits ik in mijn voorgaand Haarlemmer-Meerboek zeer vele verschillende notabele artikelen voorgesteld en bewezen heb, wegens het bedijken en droogmaken dier meer, zoo is het, dat zich eenige tegensprekers opgedaan hebben, die dit niet kunnen lijden, en die dit noodwendig, treffelijk, heerlijk werk omver zoeken te stooten, en den octroyanten en verzoekers van dien een’ bullebak voor oogen pogen te stellen, schermende met blinde slagen naar hunne eigen schaduw; gelijk aan een schip, dat zonder stuurman en zonder kompas roerloos door de zee vaart, met onbevaren volk heen en weêr zwierende, en de regte haven niet vinden kan, eindelijk door kwaad beleid geheel moet vergaan.
154. In de maand Junij 1642 is mij een boeksken ter hand gesteld, hetwelk is uitgegaan op naam van zekeren Claes Arentsz. Colevelt, Landmeter tot Leiden, of van eenen anderen wargeest, die sustineert en voorgeeft, dat het beter zou wezen, dat men de Haarlemmer en Leidsche meren water liet blijven, dan dat men haar tot goed land zou maken, hetgeen gansch en geheel is strijdende tegen mijne natuur en gevoelen.
155. Gelijk als hij hetzelve afbeeldt met een schip op het eerste blad, waarmede hij zijn gevoelen wil bewijzen, daar hij lust en pleizier schijnt te hebben, om nog met groote schepen in het midden van Holland door de veenen te varen, al zou ook alles bederven en in ruïne loopen wat daaromtrent is.
156. Daarbij stelt hij, dat verandering en nieuwigheid zwarigheid baren.
157. Als dat waar zou zijn, dat men geen ding zou mogen veranderen, vernieuwen of verbeteren, zoo zouden onze voorouders in vele zaken dapper gemist en gedoold hebben, welke voor ons den weg bereid hebben, waardoor nu Holland, door den zegen des Heeren, in vele treffelijke werken opgekomen en verbeterd is.
158. Omtrent drie honderd jaren geleden, was Holland nog gansch en gaar weinig, en was op vele plaatsen weinig met volk bewoond. Toen ter tijd lagen de lage landen in Zuid- en Noord-Holland nog met de buiten-wateren gelijk, en vele dammen en zeedijken waren nog niet gesloten noch gestopt, zoodat meest al die landen weinig goede vruchten konden dragen, anders als riet, rap, bobelen, biezen, dompen en ander onkruid, zoodat men daar weinige koebeesten op kon houden.
159. Het is omtrent honderd vijf en zeventig jaren geleden, dat er niet één watermolen in Zuid- of Noord-Holland was, om de landen droog te houden, gelijk mij van verscheiden geloofwaardige lieden van Delft verhaald is. Was dat in het eerst ook niet eene groote verandering en nieuwheid? Daardoor zijn nu al die voortreffelijke landen, door Gods zegen, opgekomen, verbeterd en gebeneficeerd, gelijk ook mede door de watermolens zoo vele groote meren en moerassen droog gemaakt en tot land gebragt zijn, zoo als hiervoren verhaald is.
160. Is dit niet een der principaalste middelen, waardoor Holland opgekomen is? Alsmede door de zeevaart: welke middelen onze voorouders met groote naarstigheid behartigd hebben, en waartoe de Almogende God Zijnen zegen heeft gegeven.
161. Waarmede ik alhier te kennen wil geven en aan Colevelt gevraagd wil hebben, of deze veranderingen eenige zwarigheid of schade baren? Ik kan zulks niet zien noch bemerken. Wat waren meest al de steden in Noord-Holland? Wat was Amsterdam voor drie honderd en vijftig jaren? Maar een visschersdorp, hetwelk nu, door Gods zegen, door verscheiden middelen en nieuwigheid, eene treffelijke koopstad is geworden, waar nu al die heerlijke, schoone, treffelijke gebouwen getimmerd zijn en waar nu bijna de beste gelegenheid tot de scheepvaart is, die in Europa te vinden is, en nog daarbij al die schoone, heerlijke en sierlijke beplanting op de straten en burgwallen, gelijk eene koningswarande, waardoor Amsterdam nu wel eene nieuwe wereld, of eene wereld op zich zelve genoemd mag worden.
162. Indien Colevelt elke verandering en nieuwigheid omver wil smijten, dan kan men ook wel zeggen, dat de handel op Oost-Indiën ook eene nieuwigheid is, welke gedurende mijn leven is opgekomen, en waarvan Dirk van Os, een van de eerste oprigters (auteurs) van is geweest, zoo als ik hem zelven heb hooren verhalen, welke handel nu bijkans zoo magtig is als menige Koning.
Om nu te komen tot de verandering van de andere Noord-Hollandsche steden.
163. De stad Alkmaar heeft, gelijk men zegt, haren naam gekregen van Al-meer, omdat zij rondom tusschen meren gelegen was; zij was in dien tijd ook van geene beduidenis, maar nu is zij eene bekwame, wèlgeordineerde Land-stad, met voortreffelijke marktdagen.
164. Wat was Hoorn in vroegeren tijd? Niets. Waar de stad Hoorn nu ligt, waren eenige huizen en werden genaamd: het Hoorntje; zoo als ik voorheen wel door een’ oud man van Groosthuizen heb hooren verhalen. Thans is Hoorn door de verandering eene bekwame stad en wel eene zeestad.
165. Men zegt, dat Enkhuizen haren naam gekregen heeft van Enkele huizen, omdat daar eenige huizen bij elkander stonden, welke plaats nu door de verandering en den zegen des Heeren de principaalste zeestad is, voor de groote visscherij en haringvangst.
Hadden onze Voorouders voor ons niets gedaan,
Holland had ook ligtelijk tot niet gegaan.
Maar omdat zij voor ons gestreden hebben als helden,
Zijn voor ons nu bereid veel schoone weiden en velden,
Met nog daarbij, heerlijke woningen abondant,
Zoodat wij nu veilig wonen in ons Vaderland.
166. Ik zal nog een weinig verhalen van Colevelt voorstellen, vermits hij in zijn boeksken spreekt van den grooten boezem; welke zaak ik reeds genoegzaam in het voorgaande heb afgedaan: ook vraagt hij, wie zal verzekeren, dat het bedijken van de Haarlemmer Meer goed gelukken zal? Is dit niet eene dwaasheid? het schijnt, of Colevelt wel van alles verzekering zou willen hebben.
167. Waar is ter wereld eenig Keizer, Koning, Vorst, Prins of Heer; die zoo rijk, zoo wijs, of zoo magtig is, dat hij iemand zekerheid kan geven van rijkdom, tijdelijke middelen, goederen of haven? Staan wij niet allen onder de hand Gods, en moeten wij niet alles van den zegen des Heeren verwachten, en op Zijne Genade betrouwen? Bouwt de akkerman niet, op hoop, dat hij vruchten zal genieten? Werpt de visscher zijn net niet uit op hoop van goede vangst? Begint de schipper zijne reis niet in hoop, dat hij dezelve zal volbrengen? Waren de Heeren bedijkers van de Beemster al verzekerd, toen zij het werk aanvingen? welke Beemster nu, God lof! eene zoo heerlijke en voortreffelijke landsdouwe is. Waren de bedijkers van al die Meren, welke ik in mijn Meerboek heb opgeteld, zes en twintig in getal, bij den aanvang, al verzekerd van eenen goeden uitslag? welke Meren nu alle drooggemaakt en tot land gekomen zijn. Waren de Bewindhebbers der O. I. Compagnie al verzekerd, toen zij hunne zaken het eerst aanvingen? Ik denk neen. Wie is hier ter wereld zoo dom (slecht) of zoo onverstandig, dat hij zijne zaken op schade aanlegt? Niet dat ik hiermede zou willen beweren, dat men zijne zaken ligtvaardig en onbedacht kan beginnen, maar dat ieder zijn best behoort te doen, om zijne zaken zoo goed mogelijk aan te leggen en te bezorgen, en alsdan het overige den Heere moet aanbevelen.
168. Nog, zegt Colevelt, heeft men het ongeluk in Holstein niet gezien, hoe het met de Meggerzee, Butsloot en het Noorderstrand is gegaan? Maar naar mijn oordeel is dit onbedacht gesproken.
169. Heeft de Almogende God niet duizende middelen om de menschen te straffen, om der zonde wille, welke (God betere het!) in Oostland veel geschiedt? Zijn Sodom en Gomorra niet om hare misdaad en zonde ten onder gegaan? Daarom laat ons de zonde altijd vlieden en mijden, opdat ons de plage mede niet over het hoofd kome!
170. Colevelt zegt mede, dat men, door het bedijken der Meer, het grootste deel van de meervisch zal verliezen! Maar daarentegen zal men wederom schoone vischvijvers bij de huizen en erven kunnen maken, om daarin weder de visch te planten en te doen groeijen.
171. Behalve dat zal er in de molentogten, de kruisvaarten en de slooten een overvloed van graauwe aal, karper en andere visch komen. Zoo ook in de groote, wijde ringsloot rondom de Meer.
172. Daarenboven zijn de veenen, die nabij de steden Leiden, Amsterdam en Haarlem gelegen zijn, zeer waterrijk, zoodat daarin nog genoeg Meervisch zal te vinden zijn. Ook blijven de Zuiderzee en het IJ in vollen stand en vorm, zoodat daar genoeg visch in kan groeijen als te voren.
173. Denkt daarentegen, hoe vele schoone vruchten men in de bedijkte meer zal kunnen genieten, boter, kaas, velerhande vleesch, gevogelte, hoenders en eijeren, en vele gewassen, te lang om hier op te noemen en hetgeen ik ook reeds vroeger verhaald heb. Met al hetwelk men wel twintigmaal meer menschen zal kunnen voeden, dan met de Meervisch.
174. Alzoo nu mijn Meerboek bijna geëindigd is, en naar mijn oordeel deze stof voldoende is afgehandeld, zal ik nog eens tot het voorgaande terugkeeren, en stellen hier nog drie gedichten op het bedijken van de Haarlemmer Meer.
(Nu volgen er drie gedichten, die geene de minste kunstwaarde bezitten en die wij alzoo zullen achterlaten).
Alzoo ik, Jan Adriaansz. Leegwater, dit mijn Meerboek, en mijne groote kaart, voor dezen met eene goede meening gedaan en gemaakt heb, tot welstand en ter voorbereiding tot het bedijken en droogmaken der Haarlemmer Meer, welke kaart ik aan verscheidene Heeren vertoond en geschonken heb: al hetwelk ik gedaan heb niet door iemand hiertoe aangespoord, maar als een liefhebber en minnaar der welvaart van het Vaderland, zoo hoop ik, dat ik hiervoor nog zal genieten eenige recompens of vereering voor mijnen langdurigen arbeid en moeite, en dat het gewone spreekwoord waar zal zijn:
»laborem mitigat merces.”
Het loon verzoet den arbeid.
Hiermede wil ik mijn schrijven afkorten. Zoo ik hierin wat gedwaald mogt hebben, hetgeen niet zoo goed getroffen is, als in het bedijken gevonden kon worden, dat bid ik UE. Heeren, mij ten beste en ten goede te houden, en zoo ik in het vervolg nog iets goeds heb, hetgeen tot profijt en voordeel van de bedijking en tot ’s Lands welvaart zou kunnen strekken, dat wil ik te allen tijde mededeelen en alzoo het land dienen met de gaven, die mij de Heere geeft.
De Almogende, Goede, Barmhartige en Genadige God, die Hemel en aarde geschapen en gemaakt heeft, die wil Zijnen zegen hierover uitstrekken, en geven UE. al te zamen een gerust en vredig lang leven, en het allerbeste naar ziel en ligchaam, en hier namaals, het alleropperste goed hierboven in den Hemel met alle geloovigen en vromen, die hetzelve uit genade zullen bezitten in der eeuwigheid. Amen.
(Nu volgen nog twee gedichten en voorts de spreuk:)
Nihil ab omni parte beatum.
(en daaronder:)
J. A. L. W., Ingenieur,
ende Molenmaker van de Rijp.
1643.