De zeden onzer voorvaderen met de onze vergeleken.

Een mijner geachte vrienden, aan wiens bekendheid met de vroegere gewoonten, gebruiken, oudheden en maatschappelijke toestanden van ons Vaderland de stad Amsterdam niet weinig verschuldigd is, vergastte sommige onzer letterkundige kringen op een vertoog, waarin hij de ingetogenheid en eenvoudigheid in handel en wandel van de voorvaderen afschilderde en ten voorbeelde stelde. Na den afloop der vergadering hem dankende voor het gehoorde, gaf ik hem te kennen dat al het door hem bijgebrachte volkomen waarheid behelsde, doch dat ik niettemin zou durven aannemen, op de eerstvolgende bijeenkomst eene verhandeling voor te dragen, waarin ik juist het tegendeel zou bewijzen van hetgeen door hem was betoogd, en alzoo tot eene uitkomst geraken, lijnrecht met de zijne in strijd. Dit mijn eenigszins vermetel beweren gaf natuurlijk stof tot een vriendelijken redetwist, die echter uit hoofde van plaats en gelegenheid toen niet lang kon gerekt worden. Ik had te dier gelegenheid op het aangezicht der weinige getuigen van ons gesprek hunne verbazing meenen te bespeuren over mijn blijkbaren twijfel aan de voortreffelijkheid in alle opzichten onzer voorouders boven ons: eene voortreffelijkheid welke zij en wij allen toch van kindsbeen af gewoon zijn geweest, zoo breed te hooren uitmeten, en ik hield mij overtuigd dat zij mij verdacht hielden, uit zucht tot plagerij of tegenspraak een grillige paradox te hebben opgeworpen. Dit had tengevolge dat ik werkelijk in ’t naar huis gaan mij zelven afvroeg, of ik mij inderdaad niet had laten vervoeren door die zekere neiging, den lieden van levendige verbeelding ingeschapen, om ook de ongerijmdste stellingen, zoodra zij maar iets aanlokkelijks hebben, te verdedigen en daarbij aan het vernuft vrij spel te geven, ten koste van de waarheid en het gezond verstand;—ja of inderdaad het door mij beweerde geen paradox was. Dan, hoe meer ik nadacht en peinsde over de zaak, hoe meer zich nieuwe gronden ter bevestiging mijner stelling voor mijnen geest opdeden, hoe meer ik tot de slotsom geraakte, dat, zoo werkelijk de vroegere tijdperken onzer geschiedenis en bepaaldelijk die der zeventiende eeuw, zich vrij wat roem- en luisterrijker voordoen dan het onze, het er echter verre af is, dat men de zeden en gewoonten dier eeuw ons ter navolging behoeft aan te bevelen. Het zijn de gronden voor die stelling, welke ik thans voornemens ben aan het oordeel mijner lezers te onderwerpen.

Al dadelijk, wanneer wij den toestand der maatschappij in den aanvang der zeventiende eeuw met dien van onze dagen vergelijken, bekomen wij de overtuiging van een onloochenbaar feit, te weten, dat de vormen der samenleving zich toen vrij wat minder beschaafd en gepolijst vertoonden dan tegenwoordig. En geen wonder! men was nog zooverre niet verwijderd van de dagen toen het vuistrecht boven alles gold en er schier geene andere wet gekend werd dan die des sterksten. Geene stad in ons Vaderland die niet, nog maar kort te voren, en velen onder haar herhaaldelijk door religieveeten, door burgertwisten, belegering, uitmoording, door het beurtelings uitwijken en gewapenderhand terugkeeren harer wakkerste burgeren, geleden had: geen dorp, waar niet de brand en alarmklok geklept, waar moord en plundering en pijnbank niet gewoed hadden. Hoe zouden, onder zulke omstandigheden en indrukken, de zeden een zachte, een beschaafde plooi genomen hebben? ’t Is waar, de wedergeboorte der letteren, wetenschappen en schoone kunsten had haren invloed op de hoogere kringen uitgeoefend en werkelijk schenen de toon en vormen aldaar op de algemeene ruwheid een uitzondering te maken, maar inderdaad bestond deze grootendeels niet veel meer dan in schijn. De hoffelijkheid en zwier, welke men ten hove en in de omgeving daarvan, waarnam, waren toen, evenals altijd, niet veel meer dan een vernis, dat aan de schors een meer bevallig aanzien gaf, maar dat de kern onaangeroerd liet. En dat liefelijke waas, ’t welk geleerdheid en kunsten verspreiden, het had nog geen tijd gehad, om tot de ziel door te dringen, het deed, op weinige uitzonderingen na, evenzeer nog maar alleen de oppervlakte aan. De beschaving der hoven, zoowel als de classieke beschaving, beide waren niet veel meer dan een geleend zondagspak, waarmede men zich bij feestelijke gelegenheden tooide, doch dat den mensch als mensch geheel liet gelijk hij was. Wil men een bewijs? Men vestige eens onbevooroordeeld en zonder conventioneelen bril te gebruiken het oog op Hooft en zijne vrienden van het Muiderslot. Ik twijfel er niet aan of zij wisten er zich ongemeen te vermaken, maar waarin bestaat, wel beschouwd, hunne zoo hoog geprezene verfijning? Immers grootendeels in loutere navolging, wij zouden bijna zeggen naäperij van de gewoonten, vormen en spraakwendingen der ouden. Leest hunne brieven en gedichten, althans, die, waarin zij hun best doen om zwierig of aardig bij uitnemendheid te wezen. Vinden wij niet meestal Latijnsche denkbeelden, in verlatijnscht Nederduitsch uitgedrukt? Treffen wij niet telkens, en dat bij de ernstigste zaken, bij vriendschapsbetuigingen, bij rouwbeklag, bij uitboezemingen, die alleen uit het hart moesten voortkomen, iets aan, dat gemaakt, dat gekunsteld is, dat de natuur uitsluit en de waarheid verkracht? En slaat nu die zelfde mannen eens gade, wanneer zij de pronkgewaden van hoffelijkheid en classicismus afleggen, om eens echt Hollandsch te wezen. Dan schrijft Hooft zijn Warenar en Huijgens zijn Trijntje Cornelisz.;—beide allergeestigst en vernuftigst;—maar bij de lezing waarvan wij toch al tot zonderlinge gevolgtrekkingen moeten geraken ten opzichte der toenmalige begrippen van betamelijkheid. Neen voorwaar, eene natie, welker vrouwen uit deftigen stand een Warenar konden aanhooren zonder blozen,—hoffelijke kringen, die behagen konden scheppen in het vertoonen der klucht van Huijgens—die natie, die hoffelijke kringen verkeeren nog, ondanks allen geleenden beschavingstooi, in een staat van zedelijke ruwheid.

Of, waren de hier genoemde kluchten uitzonderingen op den regel, en juichte men die alleen toe, omdat zij door beroemde mannen als den Drost van Muiden en den geheimschrijver van zijne Hoogheid geschreven waren?—Uitzonderingen waren zij zeker, in zooverre als zij nog modellen van kieschheid mochten heeten, vergeleken bij de morsige, vuile, liederlijke voortbrengselen, die, hoe onschatbaar ook voor de kennis der begrippen, zeden en gebruiken van die dagen, door niemand zonder een gevoel van ergernis en walging kunnen gelezen worden. De letterkunde is een spiegel van de beschaving eener natie; doch waarlijk, als wij de kluchtspelliteratuur van die dagen nagaan, dan bekomen wij van die beschaving al een zeer ongelukkig denkbeeld,—en niet gunstiger wordt ons oordeel, wanneer wij, ons tot eene andere soort van volks-letterkunde wendende, de pamfletten doorloopen, over theologische of politieke geschilpunten gewisseld. De meest freysinnige broodschrijver van thans maakt het op verre na met schelden en lasteren zoo erg niet als de vrome theologen en deftige politieken van die dagen.

En wel drong die ruwheid dan ook de schors uit en openbaarde zij zich, wanneer het op handelen aankwam. Waar ziet men in onze tijden, gelijk toen, de lieden beboeten, pijnigen, inkerkeren, bannen, geeselen, hangen, radbraken, om overtredingen, welke men thans nauwelijks met dien naam bestempelen zou? En mocht de beboete, de gepijnigde, de gekerkerde, de gebannene, de gehangene, al verdedigers vinden, mocht men hem als onschuldig, als ten onrechte veroordeeld beschouwen, niemand was er, die in ’t afgetrokkene de straf onevenredig aan het misdrijf oordeelde. Wil men bewijzen? Ik behoef er maar één aan te voeren, doch dat reeds luide genoeg spreekt. Het lot, dat ’s Lands Advocaat, J. Van Oldenbarneveld, trof, zal het mij aan de hand doen. Ik wil hier in geen betoog treden over zijne schuld of onschuld: maar zeker is het dat in onze dagen een Minister, al gaat hij eens wat buiten ’t spoor, er gemakkelijker afkomt. Hevig was de verontwaardiging, hevig de verbolgenheid van ’s mans aanhangers over het tegen hem geslagen vonnis, maar toch, de afkeuring van dat vonnis vloeide alleen voort uit de veronderstelling dat hij niet strafschuldig was: en aan niemand kwam het in ’t hoofd te beweren, dat, indien hij werkelijk bedreven had wat men hem ten laste leide, hij niet, ondanks alle vroegere diensten, aan den Staat bewezen, dubbel en dwars den dood zou verdiend hebben. Wat wij alzoo uit de voorbijgegane dagen terug mogen wenschen, zeker niet de lijfstraffelijke rechtspleging.

„Goed” zal men zeggen, „maar bij die ruwheid, welke in onze voorouders niet te miskennen valt, waren zij toch matiger, ingetogener, eenvoudiger, zedelijker dan onze tijdgenooten.” Waren zij dit inderdaad? Laten wij dit eens punt voor punt onderzoeken.

Waren zij matiger? Ik weet het niet; maar ik geloof dat op het punt der dronkenschap alleen onze eeuw zich gunstig van de zeventiende onderscheidt. Men loope eens een winkel van antiquiteiten binnen, men beschouwe eens de glazenkasten bij de nakomelingen onzer voormalige Patricische huisgezinnen, of de eigendommen onzer godshuizen, Doelens, Dijk- en Polderbesturen, enz. en men lette op den omvang en inhoudsruimte der bokalen en fluiten, die uit vroegere eeuwen zijn overgebleven. Of twijfelt men er aan, dat die roemers, die anderhalve, soms twee of meer flesschen bevatteden, ooit geledigd werden? Eilieve, er leven nu nog menschen van gevorderden leeftijd, die zich herinneren, zulks of zelven gedaan te hebben, of te hebben gezien of gehoord hoe zulks door anderen was gedaan geworden. Neen voorwaar, wat men nu van drinken prate, het was de zeventiende eeuw vooral, die van deze kunst eene wetenschap maakte. Wie twijfelt, hij leze maar o. a. de volgende regels uit de Wonderwerken van Bacchus van Pers:

Veel menschen zijn alleen, ja schijnen slechts geboren

Opdat sij in de lust haer leven lang versmoren:

Wien ’t swelgen is haer wit en ’t suypen haer vermaak

Haer alder-grootste vreughd en aengenaemste saek.

Al wat haer breyn vermagh, of konstigh weet te dencken,

Om zelf een sober man in sijn vernuft te krenken,

Wordt kloeklijck hier versiert: hier brenght men voor den dagh

Een Meulen die men blaest en niet versetten magh,

Of daer men nae ’t getal de uren weet te tellen,

Of soo de teerlinck loopt syn nagebuur te quellen,

Het sy op acht of tien, of so de uren staen,

So vele worter mee aen elck bescheijd gedaen.

Of noch een ander vond, een beker om te henssen,

Een horen na de hoest, dat moet men dan uitflenssen,

En suypen dat men steent, en puil-ooght om den kop,

En daer past dan terstont een barckemeyer op.

Hier is een schuyt of schip, daar een Boerin geladen,

Hier moet de ballast uijt of in den emmer baden,

So lang de belle klinckt, so mach het aen de mond,

Of anders moet de kroes noch eenmael tot de grond.

Wellicht zal men meenen dat dit zwelgen van bekers en roemers iets buitengewoons was, ’t welk alleen bij bijzondere gelegenheden plaats vond, en dat men in het dagelijksche leven over ’t algemeen matig en ingetogen was. Het is mogelijk; maar even als de mannen nu naar de sociëteit gaan, gingen zij toen naar de herberg en zij dronken er vrij wat meer dan heden ten dage gebeurt, nu in de meeste dier plaatsen van vereeniging meer water met suiker dan wijn gebruikt wordt,—en wat de vrouwen betreft, wáár in ons land gebeurt het thans, dat zij zich tot wijndrinken vereenigen, als dezelfde Pers in ’t aangehaalde werk haar verwijt dat zij deden in zijnen tijd? En gewis zoude die schrijver het niet noodig geoordeeld hebben, twee uitvoerige gedichten tegen de dronkenschap te schrijven, indien die ondeugd niet zoo algemeen ware geweest. Hoe de adel daarbij de gemeente voorgegaan was, behoeven wij nauwelijks te herinneren: de brieven van Hendrik van Brederode riekten naar den wijn, en zijne meeste daden waren in overeenstemming met zijne brieven! Hohenlo, die nietige zwager van den grooten Maurits, was zelden nuchteren, en zelfs de bedaarde bedachtzame Willem I was niet afkeerig van een „Duitschen dronk”. Verlangt men echter nog een sterker sprekend staaltje van de zoogenaamde matigheid van die dagen? In de reglementen van den Hove van Holland niet alleen, maar van onze meeste Baljuwschappen kan ieder het met zijne eigene oogen lezen, hoe aan de Taalmannen en Advocaten gelast werd, niet anders dan nuchteren voor de Vierschaar te verschijnen; zij waren alzoo in den regel niet nuchteren, anders zou het bevel geen beteekenis gehad hebben; en gewis moet de gegeven ergernis al heel groot zijn geweest, dat men zijne toevlucht moest nemen tot eene bepaling, die in onze dagen als eene duldelooze beleediging door de Balie zou worden opgenomen.

„Maar,” zullen onze afschaffers zeggen: „’t was toen alleen aan wijn dat men zich te buiten ging, en dat is heel vergeeflijk; doch toen was men nog onbekend met de gruwzame jeneverpest.” ’t Is waar, wij lezen bij de oude schrijvers niet van jenever, des te meer echter van koren- brandewijn en Pers vergeet in zijne Suijpstad naast de tempelen van Bacchus en Bierana ook dien van Brandemoris niet.

„Kan men niet ontkennen, dat de dronkenschap van onze voorouders vrij algemeener was dan tegenwoordig, in andere opzichten toch was hunne levenswijze meer matig en ingetogen.”—Zoo is men gewoon elkander na te praten en dan worden doorgaans de voorbeelden er bijgehaald van De Ruijter, die als een burgerman leefde en van Jan De Witt, die maar één mannelijken dienstbode had.—Krachtige bewijzen inderdaad! Wat De Ruyter betreft, die als kind nooit weelde gekend en van jongs af op zee gezwalkt en zich met scheepskost gevoed had, ik wilde wel eens weten, waar hij den smaak van fijne spijzen zou hebben opgedaan, of hoe hij zich in eene weelderige levenswijze zou hebben kunnen schikken? Hij was door afkomst, door opleiding, door neiging, een man uit de volksklasse en noch hoogen rang in den zeedienst, noch ridderkruis of hertogstitel konden van hem iets anders maken dan hij was: zijn voorbeeld bewijst dus niets. Maar Jan De Witt dan? Die was toch een volbloed aristocraat, die leefde in Den Haag in de groote wereld en had in weerwil van dat alles maar éénen knecht! Ik zou kunnen antwoorden dat de meesten onzer tegenwoordige Ministers er ook niet meer hebben;—maar ik wil den schijn niet aannemen die Heeren te vleien, door hen met Jan De Witt te vergelijken. Ik zal eene andere vraag doen: toont juist het gestadig ophalen van dat feit, dat de groote Raadpensionaris maar één knecht had, niet aan, dat men zulks iets vreemds, iets ongewoons achtte? Werd het niet zelfs door zijne vijanden als een bewijs, niet van eenvoudigheid, maar van schrielheid aangemerkt? ’t Is waar, zij verweten evenzeer aan Cornelis De Witt zijne praalzucht, dat hij zich met een dozijn bont opgeschikte lijfwachten tot den tocht tegen Engeland inscheepte, en moge Jan De Witt dan maar éénen knecht gehad hebben, die bij extra-gelegenheden eene livrei aantrok en achter op eene huurkoets stond, de leefwijze in Den Haag was in zijn tijd en reeds onder Frederik Hendrik alles behalve eenvoudig. Zeker volksvertegenwoordiger vertelde, nu een jaar geleden, ter gelegenheid van eene der discussiën over de tafelgelden des Ministers van Buitenlandsche zaken dat men, toen de Triple Alliantie gesloten werd, geen festijnen gaf. Gemelde volksvertegenwoordiger—ik ben gelukkig zijn naam vergeten—toonde al bijzonder weinig kennis van literatuur of historie te hebben. Van literatuur: want had hij de Media Noche van onze vriendin Bosboom-Toussaint gelezen, hij had niet langer in den waan verkeerd, dat de diplomatie in de zeventiende eeuw de hulp van gast- en feestmalen ontberen kon; van historie: of hij had uit Gowwille, uit St.-Simon, uit madame De Sévigné, uit zoovele anderen, kunnen lezen of men ergens iets belangrijks zonder gastmalen verrichtte. Doch wat haal ik Fransche schrijvers aan? Leest onzen Valkenier, waar hij zegt: „De spijzen smaken niet, zoo ze niet met een Fransche saus zijn overgoten en naar Fransche wijze toebereid. Tot inkoop van wijnen en delicatessen worden jaarlijks vele millioenen vervoerd, vooral naar Frankrijk, hetwelk ze ten verderve van Nederland misbruikt.”

’t Is waar—om nog eens op de mannelijke dienstboden terug te komen—in Amsterdam hadden de aanzienlijkste ingezetenen er in de zeventiende eeuw ook maar één of hoogstens twee, om de doodeenvoudige reden dat men, volgens de stadskeuren, in Amsterdam niet dan met sleden rijden mocht, het houden van rijtuig er dus van zelf verviel en koetsiers of palfeniers er geheel onnutte meubels zouden geweest zijn.

Over de kleeding behoef ik niet te spreken: ieder zal toestemmen dat die der mannen in de zeventiende eeuw vrij wat zwieriger en kostelijker was dan heden—en wanneer onze aanzienlijke vrouwen eens recht fraai voor den dag willen komen, dan tooien zij zich met de kanten en paarlen harer bet-overgrootmoeders.

Wat dit geheele punt der beweerde eenvoudigheid betreft, wij willen het samenvatten in de aanhaling van wat Karel II, een bevoegd rechter, in 1660 over Holland schreef: „Geene koopmanschappen te groot, geene bruiloften te breed, geene Staten te aanzienlijk, geene huizen te kostelijk, geene kleederen te opzichtig, geene fatsoenen te nieuw, geene neringen te ergerlijk.”

Deze laatste woorden leiden ons als van zelve tot de zeden. Waren die ingetogener, dan zij het heden zijn?

Ik gevoel dat ik, deze vraag zullende beantwoorden, mij op glibberig ijs begeve, want zij betreft veelal handelingen, die in ’t verborgen plaats hebben en zooveel mogelijk verborgen worden gehouden. Dit is echter zeker, dat, wat het uiterlijke aangaat, onze eeuw voordeelig afsteekt bij de zeventiende, en dus in allen gevalle toont, een grooter gevoel van welvoeglijkheid te bezitten. Daarbij, de betrekking tusschen de beide kunne is thans over ’t algemeen van kiescher, van fijner, van edeler aard. Bij het denkbeeld, dat wij ons vormen van het woord liefde, brengen wij ons meer uitsluitend eene gemoedsneiging voor den geest. Van zoodanige onstoffelijke, reine beweging des harten schijnt men in het gulden tijdperk der zeventiende eeuw nauwelijks een flauw denkbeeld gehad te hebben. Immers, leest—ik zeg niet de vuile kluchten van die dagen, waarvan ik u integendeel de lezing ten sterkste afraad—maar de gedichten van onze beste schrijvers, van Vondel, van Hooft, van Cats, van Huygens, waar zij van minnarijen handelen;—schier overal vindt gij de liefde voorgesteld als bloot zinnelijke, schier dierlijke drift, of, poogt de dichter enkele reizen van haar te gewagen als van een meer zuiveren hartstocht, dan valt het terstond te bespeuren, hoe hij zich niet op zijn gemak bevindt, zich geen recht helder denkbeeld van de zaak maakt en zich moet redden door eene navolging der classieken, meestal even gezwollen van stijl als onnatuurlijk van uitdrukking. Alleen de wijze, waarop de huwelijksliefde bezongen wordt, maakt eene loffelijke uitzondering:—maar hieruit volgt nog geenszins dat er toen minder echtbreuk en minder schandalen plaats hadden dan later; de schotschriften van die dagen zoowel als de jaarboeken der rechtbanken kunnen het tegendeel bewijzen.

Maar de menschen waren over ’t algemeen godsdienstiger, vromer dan heden.

God alleen weet dit; maar op welke wijze uitte zich die godsdienstigheid? In de ergerlijke religietwisten? In het gedurig verketteren van elkander? In het vervolgen van andersdenkenden? Liever over dat alles een mantel geworpen. Onze voorouders waren ten dien opzichte geen haar beter dan wij.

Waar echte vroomheid huist, daar openbaart zij zich ook in handel en wandel. En waren de denkbeelden aangaande het mijn en dijn, de handelwijze van den mensch jegens zijn naaste in die eeuw zooveel zuiverder, zooveel gemoedelijker vooral dan tegenwoordig? Laten wij hier wederom den toetssteen der vergelijking bezigen.

Wij verheugen ons heden ten dage in het bezit van onbesproken Rechtscolleges, en ik herinner mij niet, zoolang ik leef, een Nederlandschen rechter te hebben hooren beschuldigen dat hij uit gunst of gewinshalve tegen zijn geweten zoude hebben rechtgesproken. Maar hoe herhaaldelijk herkennen wij in de zeventiende eeuw den onmiddellijken invloed der politieke en godsdienstige begrippen op de uitspraken des rechters. Ziet slechts, om een paar voorbeelden te noemen, het verhaal der rechtspleging, tegen Vondel ingesteld wegens de uitgave van den Palamedes. De rechtsvraag wordt in het geding bijna niet aangeroerd. De zaak wordt geheel uit het oogpunt der staatkunde behandeld en de Schepenen, die ter vierschaar zitten, stemmen voor vrijspraak of veroordeeling al naardat zij Staats- of Prinsgezinden zijn.—Of ziet de wijze, waarop de zaak tegen den ongelukkigen Buat is behandeld en overtuigt u, of er oogendienaars bij onze voormalige rechters waren. Spreken de aangehaalde voorbeelden niet luide genoeg ter uwer overtuiging, of acht gij de omstandigheid, dat men in die dagen de staatkunde nog niet van de rechtspraak wist te scheiden, als eenigszins ter verschooning der rechters te kunnen aanvoeren, welnu! ik zal u een ander staaltje geven van de wijze, waarop men in die dagen de rechtsbedeeling verstond, een staaltje, uit het burgerleven getrokken en waarbij de staatkunde hoegenaamd geen rol speelt. In H. Van Muyrs klucht van Frans Joppen en Gerritje De Licht, gespeelt bij de kamer, Vernieut uijt Liefden, tot Gornichem op vasten avont ’s jaers 1643 wordt Proper Elsge, de vrouw van den ouden boer, Frans Joppen geheeten, beschuldigd van een verboden minnehandel met zekeren Jaep Jongh-Bloet. De zaak wordt aangebracht bij den officier, en hoewel het bij de instructie blijkt, dat er inderdaad juist niet zooveel kwaads bedreven is, begrijpt de magistraatspersoon het geval toch hoog ernstig te moeten opnemen. Ik laat hier zijn onderhoud met de belanghebbende partijen volgen:

Jaep.

Heer officier ik garen accordeeren met dy,

Ick weet dat ick mij een weinig heb verloopen.

Elsje.

Met U ’t accordeeren is oock al mijn hopen,

Doet ons schant niet open, maar houtet toch secreet.

Ketel-Boeter (Een vriend van Elsjes man.)

Ja heer officier, maket doch dat niemant en weet

Haer bedreven leet, men salt u wel betalen.

Jaep.

Voor mijn deel beloof ick u twee silveren schalen,

Daar voor sonder langh dralen, u sal meê vereeren.

Boer (De man van Elsje).

En ick zal met een vetten os u keucken stoffeeren,

Op dat daarin mijn wijfjen mach blijven van dees daet,

En siet Elsge dat ge sulcken spel voortaen laet,

Of ’k soude worden quaet en het u niet vergeven.

Elsje.

Och Frans ’k en sal niet weer doen van al mijn leven,

Ik salder voor beven, en houden mij soo ’t betaemt.

Officier.

Op hoop van beterniss ben ick te vreden met ’t geen ghij raemt,

Daarom voortaen u schaamt van sullicx meer te plegen,

Doch eer dat wij oprijderen onze wegen,

Soo laat ons ter degen geven een stichtige leer

Van ’t geen bij ons hier is voorgedragen weer. enz.

Gij ziet het, dezelfde magistraatspersoon, die hier voor een os en een paar schalen het recht verkoopt, spreekt de zedenles van het stuk uit: een klaar bewijs, dat feiten, waarvoor men heden ten dage een rechter volgens de Wet zou straffen, en aan de openbare verachting prijsgeven, toen als zeer natuurlijk en geoorloofd beschouwd werden.

En wat de Praktizijns betreft, dat er in onze dagen ook kaf onder het koren schuilt, zal ik niet weerspreken; maar over ’t geheel koestert men achting voor den stand van Advocaat en van Procureur. Doorloopt de kluchten van de eerste helft der zeventiende eeuw en ziet, hoe men er toen over dacht. Moeten wij de helft gelooven van hetgeen wij daar lezen, dan was de dronkenschap hun minste ondeugd en dan was de beroemde Patelijn, bij de meesten van hen vergeleken, nog een heilige.

Hebben wij thans gelukkig eene betere samengestelde Balie, wij missen ook twee zaken, welke men toen bezat, de politieke uitzetting en een wettelijk stelsel van verklikking. De politieke uitzetting was een recht, ’t welk zich de Stadsregeeringen aanmatigden, om iemand, buiten vorm van proces, binnen 24 uren de stad te doen ontruimen met verbod van er weer in te komen.

Volgens het stelsel van verklikking, in 1652 uitgevonden door Jan De Witt, werd aan den Procureur-Generaal en andere officieren gelast, a. zich in de veerschuiten en anderszins te informeeren door expresse personen op hen, die seditieuse propoosten voeren en uitbreiden; b. de seditieuse personen aan de poorten te doen aanhouden; c. de drukkerijen te bezoeken, en, daar zij werkelijke suspicie vinden, de letters en personen na zich te nemen; d. bij notificatie alle goede ingezetenen te animeeren en te waarschuwen om op zoodanige personen regard te nemen en ze bekend te maken, met belofte van recompens.

Wij mogen waarlijk aan de tegenwoordige lofredenaars van Jan De Witt wel vragen, hoe zij eene dergelijke Resolutie rijmen met de hoedanigheid van liberaal, welke zij hem toekennen of met de burgerlijke vrijheid, welke zij beweren, dat in die dagen bestond.

En nu de kooplieden? Waren zij zooveel gemoedelijker dan die in onze dagen? Ik zal hier de archieven der O. I. Maatschappij niet ontrollen; ik zou gewis te wijdloopig worden, maar ik vraag, of men in onze dagen kooplieden zou vinden, die, ingeval van oorlog, kruit en lood aan den vijand verkochten, zooals zij ’t zich in de dagen van Frederik Hendrik veroorloofden? Of, deden zij het al, zij zouden zich er ten minste voor schamen en het antwoord niet geven, ’t welk een Amsterdamsche koopman gaf, toen iemand hem dit landverraad verweet en hem vroeg of hij dan met den duivel zelf negotie zou doen?

„Och!” zeide hij, „viel er wat aan te verdienen, ik zou er een gezegend zeil aan wagen!”

Ik geloof hiermede te hebben bewezen, dat behoudens al den eerbied, dien wij onzen voorouders schuldig zijn voor het vele groote, goede en schitterende, dat door hen verricht is geworden, wij niet te lichtvaardig noch in ’t algemeen hen als modellen ter navolging aan het nageslacht mogen voorstellen. Menschen blijven menschen d. i. te zeggen, zwakke en zondige schepselen.

De drie jonge Meisjes.

Een bedrijf in eene samenspraak.

Clara (zit bij het open raam, aan een klein tafeltje, in een register te schrijven: van tijd tot tijd dwalen hare oogen van het dikke boek naar de straat: de klok slaat zeven uren.)


Reeds zeven uren en hij is nog niet eenmaal voorbijgekomen! Kom, het is tijd, dat ik mijn arbeid staak. Mijne vriendinnen zullen spoedig komen. En, ik weet niet waaraan ik het toe moet schrijven, maar sedert eenige dagen wil het werk zoo goed niet meer vlotten. Ik zet gedurig verkeerde cijfers.—Ik zal morgen niet aan het raam gaan zitten; dan heb ik geene afleiding;—maar het is achter zoo donker.


(Terwijl zij het voorgaande zegt, of beter, denkt, heeft zij het boek weggelegd en zich aan eene grootere tafel neergezet, waarop zij het theegoed in orde schikt. Vervolgens neemt zij eene groote werkmand vol kousen en zet zich aan ’t mazen).


’t Is ook beter, dat ik zit te werken, wanneer zij komen, dan dat zij mij met die registers bezig vonden. Zij zouden denken, dat ik het uit affectatie deed. Daar wordt gescheld. Hier Fanny! gij wordt verzocht niet te keffen tegen de dames.

Louise. (Binnenkomend). Bonjour Clara!

Clara. Dag Louise! hoe gaat het! en hoe maakt Oom het al?

Louise. (terwijl zij hoed en sjaal aflegt). Zooals doorgaans met het been in ’t kussen. ’t Was eene uitkomst, dat ik bij u gevraagd werd, want anders moet ik met hem jassen of piketten, van dat de dag nog aan den hemel is tot aan het souper toe, en somtijds tot wij naar bed gaan: recht vermakelijk!—Dag Fanny! Ben je van daag in een goede luim?—He! wat laat het beest zijn tandjes weer zien.

Clara. Kom je zoo alleen? Mij dunkt, Caroline had u wel kunnen afhalen. Zij moet toch één weg met u uit.

Louise. Wel ja! afhalen! Denk je dat de paarden van mijnheer Z. een omweg mogen maken.

Clara. Een paar grachten! ’t Is wel de moeite waard om van te spreken.

Louise. Om geen geld van de wereld! Zoo hij één paard had, dan zou het kunnen gaan; maar als men er zooveel heeft dan schikt dat nooit. Let maar op, als zij er straks over begint. Stil! daar hoor ik een rijtuig. Ja! daar is zij.

Clara. O! welk een allerliefste équipage!

Louise. Beeldige paarden, nietwaar? Net zulke beestjes als de Graaf van B. had, met wiens dochter ik school lag, en waar wij mede afgehaald werden als ik er eten ging; maar deze zijn beter onderhouden:—nu! dat is natuurlijk.

Caroline (treedt binnen: de dames zeggen elkander goeden dag, en er wordt over en weder naar den welstand enz. gevraagd).

Caroline. En ik hoor, Louise! dat uw oom weder eene àttaque van podagra gekregen heeft.

Louise. Och ja! Ik geloof, dat hij ook al een losse jongen in zijn tijd is geweest: en dat breekt hem nu op; want, zooals onze schrijfmeester op school placht te zeggen: niemand krijgt meer dan hij verdient.

Caroline. Foei, Louise!—àpropos! ik heb eene boodschap bij u gezonden, om te laten weten, dat ik u wel te huis zou brengen.

Louise. Dat is allerliefst van u: ik hoor, dat uw nieuwe coupé zoo gemakkelijk is, en ik wil haar graag eens probeeren.

Caroline. Neen maar, ik krijg de coupé niet, ik ga met een slee heen.

Louise. (stoot Clara met den voet aan). Een slee! Nu! als oom zooveel paarden op stal had als uw vader, zou ik hem wel beduiden, dat hij mij geen slee stuurde.

Caroline. Ja maar, lieve meid! de paarden zijn van morgen al naar de kerk geweest en van middag heb ik in de plantage gereden, en papa moet morgen vroeg naar buiten om een verkooping.

Louise. Kom! er zijn er immers wel zes of acht bij u op stal.

Caroline. Nu ja, maar de nieuwe blessen moeten gemenageerd worden; en gij wilt de chaispaarden niet voor de coupé spannen?

Louise. Als ik meerderjarig ben en mijn geld binnen heb, zal ik doen als mijn broer Willem: die heeft twee paarden; maar zij rijden den heelen dag.

Caroline. Dat is mogelijk; maar wanneer men zijn boel wat netjes wil houden....

Clara. Allebei suiker en melk, nietwaar?

Caroline. Als ’t u belieft. En hoe maakt uw vader het, Clara?

Clara. Wel; maar hij heeft het bijzonder druk; ik zie hem nauwelijks als aan tafel en wanneer wij collationneeren.

Louise. Zoo! dan heeft hij toch tijd om zijn twaalf-uurtje te kunnen gebruiken. Hij zal ook als oom, op zijn koffie gesteld zijn.

Clara. Je verstaat mij verkeerd. Ik bedoel, wanneer wij de minuten vergelijken.

Caroline. Daar begrijp ik niemendal van.

Louise. Uw vader is toch geen horlogiemaker geworden?

Clara (begint aan de dames uit te leggen wat zij door collationneeren en minuten verstaat. Hare vriendinnen houden zich, uit beleefdheid of zij haar begrijpen.)

Clara. Wat een allerliefst patroon! Wat moet dat worden? Een lampekleedje?

Caroline. Neen: een rand voor het tapijt van de groote zijkamer buiten.

Clara. Hemel! welk eene onderneming! Een rand voor die groote kamer!

Caroline. Maak je ook veel tapisseriewerk?

Clara. Ik?—Neen, waarlijk niet: ik heb geen tijd. En wat maakt gij Louise?

Louise. Een kruintje voor een mutsje voor het aanstaande kind van mijn schoonzuster.

Clara en Caroline. Charmant! Allerliefst! enz. enz.

Clara. Ik durf mijn werk haast niet voor den dag halen.

Louise. He! wat een kousen!

Clara. Ja! Ik weet niet hoe mijn vader doet. Hij is een best man; maar hij verslijt schrikkelijk veel kousen.

Louise. Net als oom. Dat komt van die pantoffels.

Caroline. En waarom laat je die niet mazen? Vind je dat werk zoo vermakelijk?

Clara. Neen; maar dat mazen kost een schrikkelijken boel geld, en of ik dit doe of wat anders is wel hetzelfde.

Louise. Je doet het keurig netjes, dat moet ik zeggen.

Caroline. Ja, uw werk is meer nuttig dan het onze: enz. enz.

Louise. Wel Caroline! Ben je niet in den derden hemel, nu de ma chère afgetrokken is?

Caroline. Foei Louise! ’t Is mij wel een ijselijk vide, nu zij weg is. En het spijt mij inderdaad.... als men zoo aan iemand gewoon is....

Louise. Ja! maak mij dat niet wijs. Ge vindt het misschien amusant van zoo den godganschelijken dag te hooren: tenez vous donc droite: n’ appuijez pas le coude sur la table: prenez du pain dans votre main gauche. En dan te moeten vragen: Mademoiselle, est-ce que j’ose avoir de cici? Mademoiselle, est-ce que j’ose faire cela?

Caroline. Dat is geen Fransch: en Juffrouw Siloin sprak zeer goed Fransch.

Louise. Dan is zij wel de eerste van alle gouvernantes, die niet van est-ce que en j’ose sprak.—En hou je de correspondentie trouw aan?

Caroline. O! spreek er mij niet van. Ik moet haar volstrekt schrijven; maar ik heb niets geen plezier in ’t brieven schrijven.

Clara. Heb je goede tijding van haar?

Caroline. O ja! maar zij heeft het ongelukkig getroffen; want de tante bij wie zij zou gaan inwonen, kan haar nog niet ontvangen: en met haar broeder harmonieert zij beter van verre dan van nabij: en nu heeft zij eene kamer moeten huren bij een slager, waar zij ’s nachts niet slapen kan van ’t geweld, en waar het heel vuil is; maar er is een oude neef van haar, die haar tot gezelschap wil hebben.

Louise. Nu ’t is heerlijk! Ja kijk! die dames hebben altijd, als zij hier zijn, een pietlut op haar lijf nog zoo: niets is haar goed genoeg, en altijd roemen zij op haar dierbaar land: alsof zij er niet blijven zouden, wanneer zij het er zoo goed hadden. En komen zij dan te huis, dan is het ellende met zuur bier. Hier willen zij op zijn best een theedoek aanvatten: en daar kunnen zij zelven hare kamer stoffen.

Clara. ’t Is waar: maar ik beklaag die menschen toch; want al hebben zij het hier nog zoo goed, zij zijn toch altijd in eene afhankelijke positie: ik schrobde toch ook liever de straat, dan dat ik van vreemden af moest hangen, enz. enz. Wil je nog een koekje, Caroline!

Caroline. Ik weet niet of ik wel durf: Ik ben niet gewoon, iets bij de thee te gebruiken.

Clara. Kom, doe het maar; Juffrouw Siloin ziet het niet.

Caroline. Ik bemin dat gebak anders zeer.

Louise. Ik bemin dat gebak: je l’aime beaucoup! Wel mijn lieve Caroline! Spreek liever Fransch. Ha! ha! die is goed!

Caroline. Nu dan: ik hou er van.—Maar ’t is waar, ik ben zoo gewend, van in ’t Fransch te denken, dat ik de Fransche uitdrukkingen wel eens letterlijk vertaal.

Louise. Apropos van beminnen. Vertel ons eens Clara-lief! Wij zitten hier toch onder ons: is het waar, wat mij verhaald is? Heb je Mijnheer O. bedankt?

Clara. Men weet ook alles. Wie heeft u dat nu weer overgebabbeld? ’t Is waar; maar ik wilde, dat men er niet over sprak. De Heer O. is zulk een achtenswaardig man.

Louise. Ja; maar ik geloof dat hij een pruik draagt. Ik zou geen man willen hebben, die een pruik droeg.

Caroline. En hij is al zoo oud.

Louise. Neen; zoo heel oud niet. Even over de dertig; maar een pruik draagt hij: en men kan ook wel nagaan, waarvan hem al het haar zoo uitgevallen is.

Caroline. Hoe dat? Ik versta u niet.

Louise. Niet?—Neen. ’t Is waar: Juffrouw Siloin zal u dat niet verteld hebben.

Clara. Louise! Ik geloof, dat gij al rare dingen op school geleerd hebt. Maar ik heb altijd gehoord, dat de Heer O. een man was van onbesproken gedrag.

Louise. En hij heeft geld ook.

Caroline. Is hij het niet, die dat lieve wagentje met die kaneelkleurige paardjes rijdt?

Louise. Juist! En hij heeft, hoor ik, uitgestrekte goederen bij Doetinchem.

Caroline. Doetichem! Waar ligt dat? dat heb ik nooit hooren noemen.

Louise. Wat! weet je niet waar Doetichem ligt? O! ik dacht er niet aan. Je zult zeker beter te huis zijn in les Cantons.—Maar onder ons gezeid, lieve Clara! de menschen zijn verwonderd dat gij hem niet genomen hebt.

Clara. Inderdaad?

Louise. Wel ja! Iemand, die een lief vermogen en veel verstand heeft, en er niet kwaad uitziet.

Clara. Ik kan mijn vader zoo niet alleen laten.

Caroline. Maar mij dunkt, uw vader zal wel in zijn schik zijn, als gij een goede partij deedt.

Clara. Daar heb ik waarlijk mijn naaldenkoker boven laten liggen.—Excuseert mij: ik kom zoo weer terug.

Louise. ’t Is larie van dien naaldenkoker, zij loopt weg, omdat zij er niet meer over hooren wil.

Caroline. Maar wat verwacht zij dan beter, dan dien Mijnheer O.? Zij heeft immers geen fortuin hoegenaamd.

Louise. O! dat weet je zoo niet. Haar vader kan haar niet missen. Zoo zij het huis uitgaat, moet hij zich dadelijk een klerk meer aanschaffen, zij doet bijna al het schrijfwerk.

Clara, (terugkomende.) Caroline! Speel je nog veel piano?

Caroline. O ja. Ik heb laatst op mijn verjaardag een charmante piano gekregen:—die moest je eens komen zien.

Clara. Ja! ik wilde wel, dat ik er een had; al was zij zoo heel uitheemsch niet; maar er is hier geen plaats om haar te zetten. Ik ben alles vergeten, wat ik geleerd heb: ’t is een eeuw geleden, dat ik muziek heb gehoord of gezien.

Caroline. Nu! Ik zal u eens meenemen naar de Fransche komedie, als men een mooie opera geeft.

Clara. Ga je nooit naar de Duitschers?

Caroline. Ja! ik ben er verleden winter een paar keer geweest, maar dat is mij te geleerd; en ik ken er niemand.

Louise. Oom wil niet hebben, dat ik naar de Fransche komedie ga; hij zegt, dat zij daar zulke indecente stukken geven. Maar wat zou dat? dan houden wij ons maar of wij het niet begrijpen.

Caroline. Ik begrijp het ook waarlijk niet.

Louise. Juist! zoo moet je zeggen....; maar wat ligt daar voor een boek?

Clara. Dat is een roman, dien mijn nicht B. mij gezonden heeft, Ik heb er nog niet veel van gelezen; maar het begin is heel grappig.

Louise. Laat zien.... un bon enfant.... Wel zoo Clara! mag je de romans van Paul De Kock lezen?

Clara. Och! ik heb zooveel omhanden, dat ik het weer vergeten ben als ik het uit heb. En dan heb ik liever wat vroolijks, daar ik om lachen moet, dan al die hoogdravende of treurige boeken.

Louise. Maar hoe vindt je nog tijd om te lezen?

Clara. O! er is tijd voor alles: ’s morgens aan het ontbijt lees ik stichtelijke boeken en ’s avonds wat grappigs.

Louise, tegen Caroline. Heb je de romans van Paul De Kock al gelezen?

Caroline. Neen; die mag ik niet lezen.

Louise. Kom! kom! als je naar de Fransche komedie moogt gaan, dan zullen u die ook geen kwaad doen. Wat lees je dan?

Caroline. Ik heb Trevillian geeindigd en ga nu Godolphin lezen.

Louise. Nu dat is zeker stichtelijk! dan hou ik het met Paul De Kock.

Clara. Ik ook. Ik heb wel hooren zeggen, dat die heel gekke boeken minder schadelijk zijn, dan die, waarin de hartstochten op eene meer bevallige wijze worden geschilderd: omdat de laatsten dieper indruk nalaten.

Louise. Ja! schadelijk of onschadelijk: ik weet voor mij zelve wel wat mij kwaad zal doen of niet. Bij ons op school mochten wij ook geene andere boeken hebben, dan die mevrouw X. ons gaf; maar wij wisten er wel raad op.

Caroline. Hoe deedt je dan?

Louise. Er kwam driemaal in de week een dansmeester uit de stad: die bezorgde ons boeken uit een leesgezelschap.

Clara. ’t Zal een verheven keus van lectuur geweest zijn.

Caroline. Foei!

Clara. En hoe deedt je dan om die onopgemerkt te lezen?

Louise. O! dat ging zeer goed:—ik sliep met nog drie meisjes op een klein kamertje apart. Als wij in bed waren, werd het licht weggenomen, maar dan leverde elk op zijn beurt een waskaars. Die werd op een flesch gezet en met een lucifer aangestoken, en dan lagen wij in bed te lezen, tot wij slaap kregen. En ook als Mevrouw niet in de schoolkamer was, dan hielden wij de boeken op den schoot, en keken daarin, in plaats van op ons werk.

Caroline. En werd dat nooit gemerkt?

Louise. O! eens:—dat was een grap. Juffrouw Faribole, de secondante, was er achtergekomen; maar terwijl zij bezig was ons geducht de les te lezen, kwam de meid binnen met een klein mooi ingebonden boekje, dat zij op de trap gevonden had en vroeg aan wie het behoorde. Juffrouw Faribole schoot dadelijk toe, als een visch door het water, om het aan te nemen; maar het was reeds, uit gedienstigheid, zes of zeven handen doorloopen en de titel overluid gelezen. Het waren de Contes de Lafontaine. Sedert dat oogenblik sprak zij geen woord meer over ons lezen.

Caroline. Lafontaine! maar ik heb altijd gehoord, dat die een heel goede schrijver was; ik heb ten minste fabels van hem gelezen.

Louise. Ja, maar er zijn er twee.1

Clara. O ja! Er is ook August Lafontaine, die romans geschreven heeft. Ik heb er wel van gelezen, maar dat is ijselijk sentimenteel en schwermerisch.

Louise. Dat is wel mogelijk; maar het boek van juffrouw Faribole was geen roman, en moet al een heel slecht boek geweest zijn; want toen ik het in de vacantie aan Oom vertelde, heeft hij aan Mevrouw X geschreven, dat ik niet weer op school zou komen, tenzij de secondante werd weggezonden. Maar zij was al weg om eene andere reden.

Caroline. En welke?

Louise. Zij had een vrijerijtje aan de hand met een officier, die toen te B. in garnizoen lag;—een knappe jongen; maar mij beviel hij toch niet recht. Nu sprak zij hem bijna alle avonden aan ’t eind van het perk: wij wisten het allemaal wel;—maar wie wil zulke dingen vertellen? Eens hebben wij een grap gehad: die moet je hooren. Men was bezig de boerderij te witten: daar nam eene van ons, die strafwerk gekregen had, en het de juffrouw betaald wilde zetten, den kalkpot en den witkwast, en besmeerde er het boerenhek mede, waarover de twee gelieven zich gewoonlijk met elkander onderhielden. De maan scheen juist, en belette hun dus de poets, die hun gespeeld werd, te ontdekken. ’s Avonds kwam, zooals ik naderhand hoorde, de Officier met twee witte mouwen op de sociëteit, en de sjaal van juffrouw Faribole was glad bedorven.

Caroline. Foei! dat was toch wat te erg.

Clara. Van wie is die koets, die daar voorbijgaat?

(De drie dames kijken het raam uit. Op dit oogenblik gaat een welgekleed heer in politiek, maar met knevels en eene militaire houding, voorbij en groet. De meisjes beantwoorden zijn groet en treden alle drie terug.)

Louise. Wel, is het mogelijk! als men van den wolf spreekt.... maar waarom kleur je zoo. Clara?

Clara. (verlegen) Kleur ik? (Zij neemt Fanny op haar schoot en streelt hem).

Louise. En gij ook, Caroline! zoo waar ik leef.

Caroline. Ik? Maar wat meen je toch? Je kleurt zelve het meest van ons drieën.

Louise. Wel geen wonder! dat zal ik u dadelijk zeggen. Ken je dien Officier?

Caroline. Het is de Heer van T., die hier in garnizoen ligt.

Louise. Wel nu! Hij is het juist, van wien ik u vertelde, en daarom ontstelde ik, toen ik hem zoo op eens terug zag. Nu! hij heeft toch niet mooi met juffrouw Faribole gehandeld; want toen de intrige ontdekt, en zij naar huis gestuurd was, heeft hij zich volstrekt niet meer over haar bekommerd; hij had juist zooveel andere minnarijtjes aan de hand.

Caroline. (verlegen) Ja! ik heb het wel gehoord, dat al de heeren niet veel deugen. Hij is anders iemand die een zeer aangename conversatie en een perfecten toon heeft; en zoo hij al een los grapje gehad heeft, het is aan zijn stand en jaren toe te geven, en misschien heeft hij zich gebeterd.

Louise. Waarlijk! daar begint onze deftige Caroline op eenmaal vuur te vatten. Nu spijt het mij, dat ik u zooveel verteld heb.

Clara. Mij niet: en ik vraag u ernstig af, Louise! of het alles waar is, wat gij van den Heer van T. verteld hebt, dan of het maar praatjes zijn?

Louise. En zij ook al? Maar mij dunkt, waarlijk, dat uwe oogen glinsteren. Zou die Luitenant de bien aime zijn? Aha! Nu begrijp ik waarom mijnheer O. bedankt werd. Zij kon papa niet verlaten, het lieve kind! Clara! Clara! pas op! Wij noemden op school den Luitenant: l’amoureux des onze mille vierges.

Caroline. (de toppen harer vingers bekijkende) Maar als hij zich nu toch voor goed wil etablisseeren.

Louise. Juist, hij zal nu gaan zingen:

Oui, c’en est fait: je me marie enz.

Maar de vraag is: met wie van u beiden?

Clara. Niet met mij, want na hetgeen ik van hem gehoord heb, zou ik hem hartelijk bedanken.

Caroline. (Een weinig scherp). Maar heeft hij u dan gevraagd?

Louise. Hier zal nog twist en misverstand komen, zoo ik het niet verhoed. Komt, laat ons doen gelijk wij op school deden, wanneer er oneenigheid was. Wij zullen rechtertje spelen. Ik zet mij hier neer. Maar nu moet gij beiden trouw de waarheid spreken.

Caroline. Ik weet niet of....

Louise. Geen genade! Biechten moet je. Maakt de Luitenant u zijn hof?

Clara. (In hevige spanning) Caroline! Ik bezweer u: zeg mij, maakt Mijnheer Van T. u zijn hof?

Caroline. (half schreiende) Ik weet niet.... ik geloof.... van ja.

Clara. Dan is hij een diep verachtelijk wezen.

Caroline. Hoe!.... gij zegt.... (zij begint sterk te beven) Zoo ik durfde.... maar.... (zij tast in haar boezem en een briefje vertoont zich)

Louise. Zoo! ben je al in correspondentie samen? Ik dacht, dat je niet hield van brieven schrijven.

Caroline. Ik heb hem nog niet geantwoord.... ik wist niet.... ik was altijd gewoon, alles wat ik ontving aan Juffrouw Siloin te vertoonen:.... ik wist niet aan wie ik dit briefje zou laten zien.... ik was bang dat papa....

Louise. Geef! (zij doorloopt den brief) Waarlijk een formeele declaratie! Het spijt mij voor u, Clara!—en voor mij zelve; want ik zal het maar gul bekennen: hij heeft mij, toen ik school lag, ook het hof gemaakt; maar ik had geen zin in hem. Hij had een kameraad, die mij veel beter beviel. Ik herken zijn hand nog: hij schreef lieve briefjes op rosé papier.

Clara. Mij heeft hij niet geschreven; maar dat verstaat zich. Hij wilde zich met mij niet compromitteeren. Gij beiden zijt rijke partijen; dat was heel wat anders;—maar mij—mij dus te misleiden, die in den waan verkeerde, dat het louter liefde was, die hem dreef!—O die lafaard!—Caroline, van welke dagteekening is dat briefje?

Caroline. Van gisteren. Hij heeft het mij in de komedie in de hand gestopt.

Clara. En hij had mij, een oogenblik te voren, op deze plaats eeuwige liefde gezworen! O, hoe ben ik gestraft! Nu zie ik, wat zijne bedoelingen waren! Gerechte Hemel! ben ik dan zoo verachtelijk, dat een zoogenaamd fatsoenlijk man zich niet schaamt mij met oneerlijke oogmerken zijn hof te maken? Is mijne familie niet zoogoed als die van iemand hier?

Caroline. Mijn lieve Clara! Ik kan het waarachtig niet helpen. Ik wist niet.... ik ben recht ongelukkig....!

Louise. (zingende) Ah! que les hommes sont méchants.

Caroline. Wie kon ook zoo iets verwachten?

Louise. Stil! en wenscht elkander liever geluk, dat u de oogen zijn opengegaan; want die schelm was op weg, om eene van u, zoo niet beiden, ongelukkig te maken.

Caroline. Ik wil niets meer van hem weten.

Clara. Ik ban hem voor altijd uit mijne gedachten.

Caroline. Ik zal hem zijn briefje verscheurd terugzenden.

Louise. Neen! nog beter: laat Clara het in eene enveloppe doen en hem doen toekomen met de vermaning, van in ’t vervolg liever in ’t geheel niet te schrijven;—want, zooals een oud philosoof zeer juist heeft aangemerkt: woorden vervliegen, maar letters blijven. Zij kan dan met de les van Vader Cats besluiten:

Twee op eenen tijdt te vrijen

Siet men selden wel bedijen.


De raad der vroolijke Louise werd gevolgd, en hare beide vriendinnen hebben naderhand geen last meer van de aanzoeken des Luitenants gehad. Tot verder naricht kan ik vermelden, dat de beminnelijke Clara, het ware boven den schijn hebbende leeren op prijs stellen, thans de bruid is van den achtingswaardigen Heer O., die zich gelukkig door eene eerste weigering niet uit het veld heeft laten slaan. Louise speelt nog trouw jassen met haar Oom, en dit stille leven, benevens den omgang met hare lieve schoonzuster, begint hare schoolsche wildheid wat te temperen. Caroline erlangt, sedert zij op zich zelve staat, zachtjes aan meer vastheid van karakter. Aan minnaars ontbreekt het haar niet; maar zij aarzelt nog eene keuze te doen. Hooren wij eens iets meer bepaalds omtrent haar, wij zullen niet nalaten, zulks aan onze Lezeressen mede te deelen.


1 De dames zijn hier blijkbaar in de war; maar hoe minder zij daaruit geholpen worden, hoe beter.