Een hoofdstuk dat tot overgang dienen moet.

Ik heb in de vorige hoofdstukken gesproken over Amsterdam, zooals het vroeger was en zooals het heden ten dage is; ik acht het niet ongepast, ja eenigszins plicht, nu ook iets te zeggen over Amsterdam, zooals het zou kunnen worden.

Een rijke stof, zal men zeggen, en daar een dik boekdeel over te schrijven viel.

Wanneer men maar eens nagaat, wat aantal ellenlange verhandelingen er gehouden zijn geworden in onzen Gemeenteraad, ter aanprijzing of ter afkeuring van de meest onbeduidende verandering of wijziging van het bestaande, en waar het de meest onbeduidende zaak betrof, dan kan men al licht tot de slotsom komen, dat iemand, die op gelijke wijze de vraag wilde behandelen, hoe de Stad zelve uit haar vervallen toestand ware op te heffen, een werk zoude voortbrengen, dat meer rijen in een boekenkast vullen zou, dan Wagenaar met al zijne vervolgen.

Wie zulk eene onderneming tot stand bracht, zou ongetwijfeld een zeer loffelijken arbeid verricht hebben;—of de lezing daarvan zeer vermakelijk wezen zou, daaraan zij het mij vergund te twijfelen; immers voor negen tienden zou het boek over geldvragen loopen, en cijfers zijn, gelijk al wat positief is—positieve menschen niet uitgezonderd—op den duur droog en vervelend.

Alzoo ik nu niets meer vrees, dan mijnen Lezers en mijzelven te vervelen, ben ik volstrekt niet voornemens, mij in cijfers te verdiepen; en zoo ik, als vrucht mijner overpeinzingen, wellicht punten zal aanroeren, die de stoffelijke belangen der Stad betreffen, ik beloof vooruit, dat ik mij daarbij nooit aan eenige becijfering zal schuldig maken: ik laat zulks over aan hen, die t’avond of morgen opgewektheid mochten gevoelen, om te onderzoeken in hoeverre mijne beschouwingen in toepassing konden gebracht worden.

Eene tweede belofte, die ik afleg, is, dat ik getrouw zal blijven aan den titel, dien ik aan dit mijn geschrijf heb gegeven, en alzoo wel deugdelijk zal oppassen, naar geen vast plan te werk te gaan, al wat naar orde en regelmaat zweemt te vermijden, en mij stil te laten medesleepen met den stroom, dien mijne gedachten volgen:—mij echter voorbehoudende, van die gedachte alleen datgene op ’t papier te brengen, wat ik geschikt acht om eenige belangstelling bij mijne lezers op te wekken, of voor ’t minst een glimlach om hunne lippen te doen spelen. Wie op zijn eigen boot eene rivier afvaart, gaat nu eens vroolijke landschappen, bevallige steden, schilderachtig gelegen kasteelen of oude gedenkstukken—dan weder treurige, eentonige heiden of dijken voorbij; doch hij roept de genoodigden, die hem op dien tocht vergezelschappen, alleen dan op het dek, wanneer er wat bijzonders te kijken valt.

’t Is waar, dat gemeenlijk zijne reisgenooten van de tien keeren, dat hij hen roept, negen keeren aan hetgeen hij hun toont, niets bijzonders vinden.

Het onderwerp echter, dat ik nu ga behandelen, zal zeker aan vele, zoo binnen als buiten Amsterdam wonende Lezers, belangrijk toeschijnen: het wenschelijke namelijk, dat er verbetering kwam in de aanwijzing van de woonplaats der ingezetenen, en daardoor eene groote aanleiding tot ongemak en beklag werd weggenomen.

Dat mij dit onderwerp het eerste voor den geest komt, behoeft niemand te verwonderen. Wie over Amsterdam wil spreken of hooren spreken, moet beginnen met er zich, gelijk men ’t noemt, te oriënteeren; om de lieden hiertoe in staat te stellen, heeft men de Stad eene bepaalde indeeling gegeven en de huizen van nummers voorzien; heeft men daarbij den besten weg ingeslagen?

Ik veroorloof mij, dit bepaald tegen te spreken.

Parijs is vrij wat grooter dan Amsterdam, en toch heeft het geene de minste moeite in, den persoon, dien men zoekt, te vinden; mits men het nummer wete van het huis, door hem bewoond, en de straat, waar het in gelegen is—alles natuurlijk voor zooverre die straat nog bestaat, wat bij de verfraaiingen op reusachtige schaal, welke Parijs tegenwoordig ondergaat, niet altijd het geval is.—De nummers zijn groot, en, dank hebbe de goede verlichting, ook bij nacht zelfs op een afstand leesbaar. De eene zijde van de straat heeft alleen evene, de overzijde onevene getallen; men weet dus terstond, aan welke zijde men zoeken moet; en ook zonder gids loopt men voor zich uit totdat men het nummer vindt van het huis, waar men wezen moet.

Amsterdam biedt ons geen der hier genoemde voordeelen aan. Toen er voor eenige jaren sprake was, om het toen bestaande stelsel van indeeling der stad in wijken te veranderen, vleide ik mij, dat een nieuw en meer rationeel stelsel de bezwaren van het vorige zou wegnemen. IJdele hoop! dwaze verwachting! In plaats van Wijken kwamen er Buurten, en in de plaats van de bestaande nummers, die zwart geschilderd waren, kregen wij andere nummers, die rood geschilderd waren. Dát een en ander geschiedde ongetwijfeld, om eene heel wijze reden, die ik niet onderzoeken, laat staan beoordeelen wil; doch het ongerief, waarover men zich tot dien tijd beklaagd had, was niet weggenomen.—Ten einde zulks zonneklaar te bewijzen, zal ik den beklagenswaardigen toestand schilderen van een heer, die, nooit te Amsterdam geweest zijnde, er een vriend bezoeken kwam. Ik dien echter aan mijne Lezers den noodigen tijd te geven, om in die stemming te geraken, welke hen kan voorbereiden tot het schenken van eene onverdeelde aandacht aan een zoo treurige vertelling, en ik sluit daarom dit Hoofdstuk.

Vertelling van den Heer, die bij een vriend te Amsterdam zou gaan logeeren.

Gemelde heer was en is nog een Belg, die te Brussel woont, veel gereisd, Parijs, Londen, Berlijn en andere hoofdsteden herhaaldelijk bezocht heeft, en er zich dan ook op placht te beroemen, dat hij op reis niet verlegen was en overal spoedig en gemakkelijk zijn weg wist te vinden. Ondanks al zijn reizen en trekken, was hij, tot in den afgeloopen zomer, nimmer in de zoogenaamde Hoofdstad van Nederland geweest. Toch was hem door een Amsterdammer, met wien hij elders kennis gemaakt en vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt, het voorstel gedaan, eenige dagen bij hem te komen doorbrengen. Dat voorstel was later bij een brief herhaald en door hem aangenomen, en de tijd gekomen, waarop aan de uitnoodiging gevolg zou worden gegeven.

Onze Brusselaar zet zich op den spoortrein, met het adres van zijn vriend in zijne portefeuille: X Smit, op de Keizersgracht, tusschen de Weesperstraat en Muidergracht W 424, en, vindt hij het huis niet, dan moet hij al zeer dom zijn, denkt hij; en hij denkt tevens, dat hij niet dom is, maar daarentegen begaafd met den bult der localiteit, welke hem overal het uitvinden van den naasten weg gemakkelijk maakt.

Hij spoort tot aan den Moerdijk, stoomt tot Rotterdam, begeeft zich van daar met den Hollandschen trein naar Den Haag, waar hij nog in ’t voorbijgaan ’t een en ander wil gaan kijken, terwijl hij zijn koffer, met een behoorlijk adres voorzien, naar Amsterdam vooruit zendt. Hij houdt zich in de Hofstad eenige uren op en rijdt met den laatsten trein naar Amsterdam.

„Mijnheer!”’ vraagt hij, op de hoogte van Sloterdijk gekomen, aan den eenigen zijner medepassagiers, die niet slaapt, „is de Keizersgracht moeilijk te vinden?”

Ongelukkig richt hij deze vraag tot een dier positieve lieden, waarvan ik in het vorige Hoofdstuk gewag maakte, tot een dier lieden, die eene vraag beantwoorden, zooals zij gedaan wordt, zonder daarbij te onderzoeken, of de vrager nu op de hoogte zal zijn van hetgeen hij wenscht te weten. Het antwoord luidt dan ook droogweg:

„Neen, mijnheer! gij loopt de poort in, al rechtuit en als gij de eerste brug over zijt, slaat gij de eerste straat rechts in en gij komt vanzelf op de Keizersgracht.”

„O!” denkt onze reiziger: „dan zal ik wandelen: ik heb toch geene bagage: ik ben stijf als eene hark van ’t rijden: het weer is fraai en een wandelingetje zal mij goeddoen.”

Had hij deze gedachte overluid doen hooren, misschien had de positieve man, van wien wij ’t ergste niet willen denken, het noodig geacht, hem te waarschuwen, dat de Keizersgracht lang is, en dat het wandelingetje wel eens eene wandeling zou kunnen worden; doch ongelukkig werd het gesprek niet doorgezet en onze Brusselaar alzoo overgelaten aan zijne illusiën.

De trein houdt te elf uren stil: misschien was het er wel een paar minuten over;—doch ik wil goede vrienden met de Directie van den spoorweg blijven en neem dus maar liever aan, dat de trein aankwam op de minuut, die op het briefje vermeld staat.—Onze Brusselaar stapt den wagen uit, volgt eerst den stroom zijner reisgenooten binnen de poort, en vervolgens de route, hem aangewezen, en bevindt zich alzoo, na tien minuten gaans, op de Keizersgracht, tegenover de kerk de Zaaier.

Nu spreekt het vanzelf, dat hij het huisnummer 424 zeer goed onthouden heeft; maar niet zoo precies de letter W, en nog veel minder de bijvoeging: „tusschen de Weesperstraat en de Muidergracht,” eene bijvoeging, die hem—als Belg en als bezoeker van Parijs en Londen gewoon alleen aan den naam der hoofdstraat en aan het huisnummer te hechten—al vrij overtollig was voorgekomen, en waarop hij alzoo weinig acht geslagen had. Hij begeeft zich nu aan den huizenkant en beproeft de nummers te lezen. Bittere teleurstelling! Niet alleen, dat hij ze niet lezen kan; maar hij kan ze zelfs niet vinden, als zijnde daar ter plaatse op de binnenzijde der deurposten of op de lijst geschilderd, maar zóó, dat zij altijd in de schaduw blijven. Eindelijk komt hij aan een huis, waar eene lantaarn tegenover staat, bij wier licht hij het nummer zien kan. Dat nummer is 334.

„Mal genoeg!” denkt hij bij zich zelven, „dan heb ik nog vijf-en veertig huizen te loopen: dat is verder dan ik dacht.”—Men bedenke hierbij, dat hij deze berekening grondt op de meening, waarin hij verkeert, dat hij aan de zijde, waar hij loopt, alleen evene nummers zal aantreffen.

Hij is nu eenmaal op weg en moet wel voortgaan: intusschen slaat hij nu en dan een oog op de roode merken, welke hij onderstelt nummers te zijn, en op de gaslantaarns, en hij mompelt bij zich zelven:

„De nummers zijn te Parijs tienmaal zoo groot en de straatverlichting is er tienmaal zoo goed: ergo zijn de nummers hier honderdmaal kleiner dan wel behoorde:”—een volkomen logische gevolgtrekking.

En nog treft onze vreemdeling het in zeker opzicht niet zoo heel ongelukkig; want het is geen lichte maan.—Ieder, die in Amsterdam bekend is, weet, dat wie zijn leven liefheeft nooit met lichte maan te voet uitgaat; want dat het dan in den regel stikdonker is

Er bestaat eene overeenkomst tusschen de Stad en de gascompagnie, dat deze de lantaarns niet behoeft te laten branden, wanneer het lichte maan is. Ongelukkig hebben de belanghebbende partijen vergeten, zich bij deze overeenkomst van de goedkeuring en medeteekening der Maan te verzekeren: zeker is de nachtgodes daarover verstoord geworden: althans zij houdt zich schuil zoo dikwijls men aan hare medewerking, waarop bij het vaststellen der bedoelde bepaling gerekend was, behoefte zou gevoelen.

Onze wandelaar is al verder en verder doorgeloopen: hij komt aan eene brug—die, welke over de Leliegracht ligt—en staat eenige oogenblikken in twijfel, of hij verder gaan zal. Hij wacht, tot er iemand voorbijkomt, en vraagt: „is dat nog altijd de Keizersgracht, daar over die brug?”—Door het bevestigend antwoord een weinig gerustgesteld, stapt hij moedig verder: wederom aan een huis gekomen, waar licht aan de deur brandt, gaat hij er voor staan en leest nu: „ZZ 254.”

Nu is hij geheel uit de lijken geslagen; want hij begrijpt niets van het nummeringstelsel, dat hier gevolgd wordt, noch hoe zich 254 kan bevinden tusschen 334 en 424. Op eens schiet hem in de gedachte, dat er op het adres, ’t welk hij in zijn zak heeft, nog voor het huisnummer een letter staat, en wel de letter W.

„Mijnheer!” vraagt hij aan een jongmensch met een flambard op ’t hoofd en eene sigaar in den mond, die hem tegenkomt: „ben ik nog ver van W 424?”

„Ik weet er u niets van te zeggen,” is ’t antwoord.

„Zeker ook een vreemdeling evenals ik,” denkt hij.—Maar ach! hetzelfde antwoord bekomt hij van al, wie hij ontmoet. ’t Is beschamend voor de Amsterdammers; maar van de tweemaal honderdvijftig duizend inwoners, die de stad nagenoeg bevat, zijn er misschien vier vijfden, die de letter niet weten van de buurt, waar zijzelven in wonen:—en misschien niet een, die terstond weet te zeggen welke grachten of straten eene buurt bevat.

„De naam van de buurten staat op de hoeken der straten,” zegt een medelijdend voorbijganger.—Ja, hij staat er; maar ’s nachts is ’t zoogoed als stond hij er niet.

Intusschen heeft onze wandelaar de klok van de Westerkerk halftwaalf hooren slaan: hij begint te vinden dat de Keizersgracht lang is: en hij is nog maar aan de Leidsche gracht.

Wederom vraagt hij, na de brug te zijn overgegaan, aan een dikken heer, die op eene stoep staat, of hij nog op de Keizersgracht is; wederom ontvangt hij een bevestigend antwoord.

„Waar moet mijnheer wezen?” vraagt op zijne beurt de dikke heer, die merkt, dat de man verlegen is en die gedienstig van aard zijnde, hem zoo mogelijk terecht wil helpen.

—„W 424.”—

—„Ja, dat weet ik niet.”

—„Bij mijnheer Smit.”

—„Ja! het adresboek heeft derd’halve kolom met dien naam:— dan zal de rechte moeilijk te vinden zijn.”

Onze Brusselaar denkt er niet aan, het adres, dat hij bij zich heeft, uit zijne brieventasch te halen. En wat zou het hem ook gebaat hebben? hij had toch geen licht, waar hij het bij zou hebben kunnen lezen. Weinig opgebeurd door de gedane mededeeling, zet hij alzoo zijne ontdekkingsreis voort. „Wat doet mijn vriend ook een naam te dragen, die zoo algemeen is?” bromt hij bij zichzelven en peinst op allerlei dwaze en niet uit te spreken namen, welke hij aan zijn vriend, zoodra hij hem ziet, zal voorstellen, bij den zijnen te voegen.

Ja, zoodra hij hem ziet. Maar wanneer zal dat heuglijk tijdstip komen? De Keizersgracht schijnt zonder eind; de straat wordt al meer en meer eenzaam; de nummers hoe langer hoe minder leesbaar; en gelukt het onzen vreemdeling, er nu en dan een uit te vorschen, het dient alleen om hem de onaangename overtuiging te geven, dat hij volstrekt niet is, waar hij wezen moet.

„Vooruit! vooruit!” roept hem zijn gesternte toe; als aan den Joodschen zwerver van Sue, met wien hij begint te vinden, dat hij vrij wat overeenkomst heeft, t. w. met den zwerver.

—„Vooruit! vooruit!”—daar staat hij aan de Reguliersgracht. „Had ik maar eene vigilante genomen,” denkt hij, „dan ware ik al waar ik wezen moet.”

Misschien—misschien ook niet; want de koetsiers der vigilantes weten wel een huis te vinden, wanneer men de straten noemt, waarnevens het gelegen is, maar zijn in de letters der buurten evenmin ervaren als hunne overige stadgenooten.

—„Vooruit! vooruit!” en zie—bons! daar stuit hij op den Amstel. Hij kan niet verder; tenzij hij in ’t water loope.

Vermoeid en mistroostig gaat hij tegen de leuning van de brug staan en wacht tot er iemand voorbijkomt, wat ruim tien minuten duurt. De eerste, die zich opdoet, is blijkbaar geen lid van het Afschaffingsgenootschap, hij beschrijft allerlei halve cirkels en bogen op de brug en zwaait hem eindelijk voorbij. De tweede is een schroomvallige heer, die hem op zijne nadering voor een bedelaar aanziet en haastig doorstapt, zonder hem te woord te staan: de derde, die met drift komt aangeloopen, heeft blijkbaar groote haast, doch luistert niettemin naar de vraag, die tot hem gericht wordt.

—„Zou mijnheer ook kunnen zeggen, waar ik W 424 moet zoeken? Ik heb geloopen van het begin der Keizersgracht af tot hiertoe, zonder het te vinden.”

—„Ik weet niet, misschien moet je aan de overzij wezen,” antwoordt de voorbijganger, zonder stil te staan en vervolgt met versnelde schreden zijn weg.

—„Aan de overzij!” herhaalt onze Belg, in wanhoop, „aan de overzij!” en een licht, ongelukkig een bedrieglijk licht, gaat voor hem op. „Dwaas, die ik was, niet te beseffen, dat de eene kaai zoogoed Keizersgracht moet heeten als de andere. Nu ben ik zeker den verkeerden weg geloopen en moet ik langs de andere zijde terug. In ’s hemels naam dan!”

Hij hervat zijne wandeling; doch nu in omgekeerde reden: hij heeft de binnenste zijde van den dubbelen boog, dien de Keizersgracht beschrijft, afgeloopen, en, onbewust dat, achter zijn rug, over die rivier, welke hij als eene uiterste grens beschouwt, nog eene tweede Keizersgracht ligt, onbewust, dat hij zich met elke schrede al meer en meer van het voorwerp zijner nasporingen verwijdert zet hij deze langs den buitensten boog weder voort.

Hij beproeft nogmaals de huisnummers te lezen. Helaas! het is middernacht geslagen. Aan de huizen branden geen lantarens meer.

Hij wil in de tapperijen inlichting vragen: men ziet hem voor een stillen verklikker aan: men roept hem toe, dat men na klokke twaalf niet meer opendoet en men grendelt de deur dicht. Hij wendt zich tot de klepperlui. Zij verzekeren hem achtereenvolgens, dat de Buurt, waar hij zich bevindt, de letters AA, BB, of CC draagt; maar zeker niet Buurt W is:—en dat hij veel verder zal moeten wezen.

Weldra kan onze wandelaar nauwelijks meer den eenen voet voor den anderen zetten. „Helaas!” denkt hij, „dat zijn hier ook al de Parijsche of Londensche trottoirs niet!”—en al meer en meer zwaarmoedig en bedrukt strompelt hij verder.


Het is pijnlijk, toestanden te beschrijven, gelijk aan die, waar onze vreemdeling in verkeerde; ik wil dan ook al de gewaarwordingen niet ontleden, welke hij op zijne verdere wandeling gevoelde: gewaarwordingen van afgematheid, van ongedurigheid, van twijfelmoedigheid, van verlegenheid, van spijt, van angst. Genoeg zij het te zeggen, dat, zoo hij onder ’t voortgaan nog altijd eenige hoop had gevoed de gezochte woning te vinden, en daardoor nog eenigen moed om zijne nasporingen niet op te geven, beide, hoop en moed, zijn boezem geheel verlieten, toen hij zich eindelijk weder aan de Brouwersgracht bevond: vlak bij de houten brug, aan wier overzijde hij zijn ontdekkingsreis begonnen was.

Waar hij per slot onder dak kwam en hoe laat het toen was, weet ik met geen zekerheid te zeggen: dit weet ik alleen, dat het niet was ten huize van den heer X. Smit. Niet voor den volgenden morgen kwam hij daar te land, nadat hij het adres van ’t huis uit zijn brieventasch had gehaald en de woorden, welke hij als overtollig had beschouwd, den voerman, die er hem heen zou brengen, op den weg hadden geholpen.

Hij had nu althans de ondervinding opgedaan, dat men, om in Amsterdam iemand te vinden, aan het nummer weinig heeft, zoolang men den naam der gracht of straat, waar hij woont en die der aangrenzende grachten of straten niet van buiten heeft geleerd.

Zeker is dit niet altijd even gemakkelijk, en leert het hier gegeven voorbeeld, hoe fraai het nummeringstelsel te Amsterdam berekend is, om de vreemdelingen, ja zelfs de Amsterdammers, in de war te brengen.

Tot hun troost kan ik hun in ’t voorbijgaan zeggen, dat in Den Haag een nog dwazer stelsel gevolgd wordt:—daar voert ieder huis drie nummers in plaats van een.

Zoekt men daar iemand, die b. v. in No. 120 heet te wonen, dan kan men bijna zeker zijn, dat aan de huisdeur op den eenen deurpost 120, op den anderen 121 te lezen staat, behalve nog een nummer, dat grooter is:—doch op de huisdeur van den buurman vindt men 119 en 120. Op welke van de beide getallen 120 moet men nu afgaan? Ik heb eens het geheele Voorhout driemalen rondgewandeld, om een mijner toenmalige ambtgenooten te zoeken, die er woonde en wiens huisnummer ik had opgeschreven. Ik vond dat nummer driemalen terug, en daar ik niet gaarne aan een verkeerd huis aanschel—aanbel moet ik hier zeggen, daar ’t Den Haag betreft—liep ik weer naar mijne kamer zonder mijn bezoek te hebben afgelegd.

—„Maar,” zal iemand mij toevoegen, „gij cantator temporis acti! was het dan, in vroeger tijd, toen er nog geen huisnummers bestonden, nog niet veel moeilijker iemands woning te vinden?”

—„Volstrekt niet,” antwoord ik met vol vertrouwen, „want toen was er geen huis, dat zich niet door zijn eigen naam onderscheidde, of althans in de buurt gelegen was van een zoodanig, door geheel de stad bekend gebouw. Men had den Bonten Mantel, de Reaal, de Vergulde Pers, den Gouden Ketting, den Pool, den Moor, den Atlas, de Moriaantjes, Parijs, Zeerust, ’t Paradijs, ’t Nieuwe Testament, den Liesveldschen Bijbel, de Lelie onder de doornen, enz. enz. en geen kind, dat u niet terecht kon wijzen. Ik heb in het derde deel mijner uitgaven van Vondel het opschrift vermeld van een couvert, dat Tesselschade aan Vondel zond: „Aan Sr. J. Van den Vondel in de Trouw in de Warmestraat.”—Had onze Belg toen geleefd en Vondel willen bezoeken, hij zou niet verlegen zijn geweest, om hem uit te vinden. Ieder wist, waar de Warmoesstraat was en ieder kende „de Trouw.”

Het zijn juist de nummers, die de oude namen, waaronder de huizen bekend waren, op zeer enkele na, hebben doen vergeten.

Maar is er, nu die namen eens vergeten zijn, een middel uit te denken, waardoor het gemakkelijker worden zal, een opgegeven huis te vinden?

Ik hou het er voor, dat men op onderscheidene wijzen dat doel bereiken zal: en ik zal de vrijheid nemen er eene aan de hand te doen;—doch zulks vordert wel een afzonderlijk Hoofdstuk.

Over de middelen, om iemands woning spoedig te doen vinden.

De groote zwarigheid, welke te overwinnen valt, is, dat men iemands woonplaats, vooral wanneer die op eene lange gracht of in eene lange straat gelegen is, niet dan met eene zeer omslachtige bijvoeging kan uitdrukken. Ik heb zelf meermalen ondervonden, hoe vervelend het is, vooral wanneer ik haast had of het stortregende, genoodzaakt te wezen aan den koetsier der vigilante op het spoorwegterrein, voor te dreunen, dat hij wezen moest „op de Keizersgracht, tusschen de Leidsche-en Spiegelstraten, aan de donkere zijde, bij Van Lennep, de vijfde platte stoep van de Spiegelstraat af.”—Gelukkig nog, wanneer de chef der vigilantes, die mij kent, zijnen voerman toeriep: „Over Van Dillen!”—Van Dillen is een stalhouder en woont schuins tegenover mij.—En dan reed ik weg, peinzende over de kleine wonde, mijner ijdelheid toegebracht, en over het betrekkelijke van iemands vermaardheid.

Wat is er nu te doen, om het opzeggen van zulk eene litanie onnoodig te maken. Op het adres van een brief kan men volstaan met Buurtletter en nummer op te geven;—doch daar deze alleen bij de post bekend zijn, dient men in alle gewone gevallen tot een ander middel zijne toevlucht te nemen.

Ik zou, wat mij betreft, het niet ongepast achten, dat men alle lange grachten en straten, van dwarsstraat tot dwarsstraat, door een tweeden naam onderscheidde. Ik wil hier wederom, als in ’t vorige Hoofdstuk, de Keizersgracht tot voorbeeld nemen.

Aan die nieuwe indeeling, welke ik voorstel, zoude ik nog een ander nut willen verbonden hebben. In Parijs vindt men een aantal straten, die naar hare bijzondere bestemming, doch ook eene menigte, die tot herinnering van gebeurtenissen of personen genoemd zijn. Zoo brengen de namen als „Rue d’Amsterdam, de Helder, de Breda, de Vienne, de Berlin, de Moskou”, nog aan den Franschman den roemvollen tijd voor den geest, toen zijne zegevierende vanen door geheel Europa wapperden. Zoo houden opschriften, als Rue Racine, Rue Jean Jacques Rousseau, Quai Voltaire, Quai Beaumarchais, Rue Favart, Rue Marivaux”, enz. de gedachte bij hem levendig aan mannen, op wie zijn land zich verheft.—Aan iets dergelijks is hier te lande nimmer gedacht geworden. Men heeft te Amsterdam, na veel passen en meten, eene plaats gevonden, waarop men een standbeeld voor Rembrandt kon oprichten;—doch standbeelden zijn duur en de plaats om ze te stellen niet meer te vinden:—er bestaat echter een minder kostbaar middel om mede te werken tot het in eere houden der nagedachtenis van groote mannen:—men schenke hun naam aan de straat, waar zij geboren zijn, gewoond of gewerkt hebben.

Welnu, welke zwarigheid zou er bestaan, dit beginsel ook in Amsterdam in toepassing te brengen?—Wij staan wederom aan het houten bruggetje, waar onze wandelaar zijne reis begon. Op deze gracht, tegenover de Groenlandsche Pakhuizen, was de woning van den doorluchtigen Schrijver der Nederlandsche Geschiedenis. Wat zou er tegen zijn, deze gracht te doopen: „Keizersgracht, Hooftkaai?”

Deze naam moet nu in mijn stelsel gelden zoowel voor de eene als voor de andere zijde der gracht. Doch opdat nu niemand in de onzekerheid verkeere, aan welke zijde hij het huis moet zoeken waar hij wezen wil, zoo bezige men aan de zijde, die het naast aan het IJ gelegen is, uitsluitend evene getallen, en plaatse de onevene aan de overzijde. Zoo telle men hier, van de Brouwersgracht af, met 2, 4, 6, 8 enz., en aan de overzijde, waar de kerk staat, 1, 3, 5, 7 enz., zonder de nummers te laten doorloopen nadat men de straat voorbij is.

Op de volgende gracht woonde de vermaarde regent en geneesheer Tulp. Zou het slecht klinken zoo men sprak van: „Keizersgracht, Tulp-Kaai, No. 2, 4 enz.?”

Over de Westermarkt staat de grootste van al de bijzondere woningen in Amsterdam, en hij, die deze woning bouwen liet, was een groot en wakker man. Weet iemand een beteren naam voor die gracht, dan: „Keizersgracht, Huydecoper-Kaai?”

Tusschen de Harte-en de Wolvestraat heeft een vermaard regent gewoond, die het Stadhuis hielp bouwen en den vrede van Munster hielp sluiten. Is er iets tegen: „Keizersgracht, De Graef-Kaai?”

Bestaande namen in eere te houden is plicht. De gracht, die volgt, wordt reeds genoemd: „de gracht van Felix”, en, der „verdienstelijke maatschappij” indachtig, zou ik haar geen anderen naam willen geven dan: „Keizersgracht, Felix-Kaai.”

Nabij het Molenpad had Hemony zijne werkplaats, de door Vondel bezongen Hemony, de gieter van bijna al de torenklokken, waardoor ons vaderland boven elk ander land beroemd is. Huldigen wij Hemony, wiens klokkenmuziek ons nog bij feestelijke gelegenheden in de ooren dreunt, door de gracht, waar hij arbeidde, den naam te geven van: „Keizersgracht, Hemony-Kaai.”

Het zou mij geen moeite kosten op gelijke wijze voort te gaan en een onderscheidenden naam te vinden voor elke afdeeling van de Keizersgracht, ja van alle grachten en straten van Amsterdam. Doch een van beide zal gebeuren: óf mijn voorstel wordt alleen met een medelijdend schouder-ophalen beantwoord; en in dat geval wil ik niet meer moeite aan deze zaak besteden dan noodig is, om te bewijzen dat het plan uitvoerbaar is,—óf het Bestuur neemt mijn denkbeeld over, en dan acht ik het min gepast, der commissie, die in dat geval benoemd zal worden, het genoegen te ontnemen, om zelve de meest geschikte namen te kiezen en voor te dragen.

Ziet! nog dit eene: Rembrandt heeft een standbeeld, en, zoo iemand, hij verdiende het te hebben. Maar is het daarom billijk, dat Vondel en Bilderdijk, dat Blaeu en Quellin, dat Vossius en Van Baerle, dat Surlingh en Van Bree, dat Le Maire en Trip, dat Van Beuningen en Reael, dat De Ruyter en Van Galen de vereering, waar zij aanspraak op hebben, zouden missen?

Een hoofdstuk, dat tot inleiding moet dienen voor eenige volgende.

Het doet mij goed, wanneer ik door Amsterdam wandel, mij te verplaatsen in vroegere dagen: ik denk dan de leelijke, smakelooze Stad der negentiende eeuw weg, om de vroolijke, pittoreske Stad van voorheen voor mijne oogen terug te tooveren: ik zie dan—in plaats van vierkante steenmassa’s, die voor Gemeentehuis, Paleis van justitie, enz. enz. moeten doorgaan, en wier naakte gevels, van vierkante gaten voorzien, zelfs door geen symbool de bestemming van het inwendige verkondigen—schilderachtige gebouwen, met torentjes, kanteelingen, gewelven, pilaren en bordessen: in plaats van woonhuizen, die op het getal der vensters en de plaatsing van de deur na, alle precies op elkaar gelijken, alle even stijf, even leelijk, evenzeer verstoken van wat eene architectonische gedachte zou bewijzen—eene verscheidenheid van aardige, nette woningen, bontgeverfde luiken, met uitspringende bovenverdiepingen en nog verder uitspringende luifels, banken en stoepen, met grillig gevormd beeld- en lijstwerk, met zinnebeelden en uithangborden: in plaats van monsterachtige goederenwagens en omnibussen, die den armen voetganger van de kleine steentjes op de stoepen, zoo niet in de kelders, drijven—speeljachten, tent- en roeischuitjes, die in de gracht blijven en niemand hinderen: in plaats van smakelooze zwarte hoeden, zwarte rokken, zwarte jassen, zwarte buizen, zwarte paletots en zwarte pantalons—mantels en bovenkleederen van alle snede en kleur, rijk voorzien van passementen en borduurwerk1: in plaats van luchtige karwatsen en dunne rietjes—fiksche rijzweepen, stevige stokken en stootdegens: in plaats van biljartspelers en jeneverneuzen—kolveniers, boogschutters en bierbuiken; in plaats van fatsoenlijke straatslijpers, die sedert jaren om een postje bedelen, en inmiddels hun tijd in de sociëteiten en koffiehuizen verbeuzelen—wakkere, vierkant gebouwde mannen, die nauwelijks een half uur op den dag aan uitspanning schenken kunnen, en, voor handel, nijverheid of kunst levende, tevens met hun eigen roem of welvaart die van de stad helpen bevorderen: in plaats van.... maar ik wil geene vergelijkingen meer maken: ik vrees reeds in herhalingen te zijn vervallen, en, liever dan daar verder aan toe te geven, verwijs ik den lezer naar blz. 32.

Het was dan ook hier mijn doel niet zoozeer, opnieuw eene parellel te trekken tusschen het Amsterdam van voorheen en dat van thans; maar wel, sommigen onzer voormalige stadgenooten tot een afzonderlijk punt van beschouwing te maken. Ik wil te dien einde, waarde lezers en lezeressen, u uitnoodigen tot eene wandeling langs pleinen, straten en grachten: en zoo menigwerf wij de plek voorbijgaan, waar een huis stond of nog staat, welks vroegere bewoner zich een naam verwierf, dezen uit den nacht der eeuwen opdagen, en u, voor zooverre dit noodig mocht zijn, nader met hem in kennis brengen. ’t Zal eene tooverlantaarn zijn van bonte en vreemdsoortige figuren, die ik u vertoon; want uit den aard der zake zal ik mijne beelden moeten nemen, zooals zij zich achtereenvolgens voordoen, uit verschillenden tijd, van verschillend slag en karakter;—doch die afwisseling zal, naar ik mij vlei, hare pikante zijde hebben, en beletten dat mijn werk—wat bij ’t volgen van regel en methode al licht het geval zou kunnen zijn—op een schoolboek gelijke.

In den Bril.

Wij beginnen onze wandeling van den Dam; maar wij stellen ons dien voor gelijk hij was voor 450 jaren, toen hij nog den naam droeg van „de Plaetse”. Kleiner dan tegenwoordig en gedeeltelijk binnen andere grenzen beperkt is de omtrek van het plein. Het Stadhuis, het tweede, dat Amsterdam bezat, of liever, de tot Stadhuis verbouwde woning van Katrijn Matthijssen-Heingenszoons-weduwe, staat veelmeer vooruit dan het tegenwoordige Paleis, als komende met zijn voorgevel nagenoeg op eene lijn met het midden van de Kalverstraat en den Nieuwendijk: het paalt voorts ten noorden aan het Sint Elizabeths- of H. Geestgasthuis, terwijl daarachter en daarnevens—om van een paar stegen en sloppen niet te gewagen, alles is volgebouwd. Evenzeer is de overzijde, tot op de hoogte der Krom-elleboog-steeg, met huizen bezet. Het Waaggebouw, dat ik in mijne jeugd te Amsterdam heb zien afbreken, bestaat nog niet; ofschoon de stad reeds van Albrecht van Beieren het recht der waag verkregen had; doch op de plaats, waar het later kwam te staan, tusschen den Nieuwendijk en ’t Water, bevindt zich een aantal woningen: en daaronder treffen wij een huis aan, met een bril in den gevel gehouwen. Met den bewoner van dat huis, waarde lezer! willen wij onze galerij openen. En hij heeft er recht op; want niet één onder de ingezetenen van Amsterdam, die, vóór hem, zich een naam en vermaardheid verwierf, die bij de zijne mochten halen.—Zie! daar treedt hij zijne woning uit. De roode wrong, die om zijn hoofd is geslagen, de violetkleurige tabberd, de rood fluweelen tasch, die aan den gordel hangt, duiden aan, dat hij tot een deftigen stand behoort; maar ook schijnen zijn vijftigjarige ouderdom en de achtbaarheid van zijn voorkomen hem aanspraak te geven op den eerbied zijner stadgenooten. En werkelijk, terwijl hij zich over straat en naar ’t Damrak begeeft, is er niemand van hen, die onder de hooge luifels voor hunne woningen gezeten zijn, die niet oprijst, geen der voorbijgangers, die niet de hand aan de kaproen brengt om hem te groeten; want ieder kent hem en draagt hem hoogachting toe; en, al is Willem Eggert een Gentenaar van geboorte, toch is hij met hart en ziel aan zijne nieuwe woonplaats verknocht; en, zoo hij er zelf welvaart en vermogen vergaderd heeft, hij doet er anderen ruimschoots in deelen. Waar ter bevordering der stadsbelangen, ten nutte der burgerij, ter ondersteuning van armen of lijdenden iets verricht of gegeven moet worden, daar is Willem Eggert gereed, met raad en daad te helpen: en zoo is het gekomen, dat evenzeer de deftigste magistraat als de geringste dagloonersweduwe hem liefhebben en in eere houden.

Doch heden schijnt het, dat men hem met dubbele opmerkzaamheid, met verhoogde belangstelling gadeslaat en, terwijl hij verder is voortgewandeld naar de schuiten, die ginds in ’t Water liggen, volgeladen met koopwaren, voor zijne pakhuizen bestemd, is menigeen blijven staan en hem naoogen, en vormen zich groepen van twee, drie en meer personen, die zich blijkbaar over hem onderhouden, terwijl in hunne blikken eene mengeling van verwondering, goedkeuring en tevens van leedgevoel te lezen is.

Wat heeft bij hen die tegenstrijdige gewaarwordingen opgewekt? Wat is de reden, dat, nu Eggert, na ’t afdoen zijner zaken, huiswaarts keert, enkele meer aanzienlijke onder zijne medeburgers hem staande houden, eenige woorden met hem wisselen, hem geluk schijnen te wenschen, hem de hand hartelijk schudden en toch verslagen van hem heengaan? Zij is deze: voor eenige dagen is aan „de Bril” een ruiter afgestapt, wiens kleed geruit was van zilver en lazuur, ’s Graven hoflivrei, en die zich lang met den bewoner onderhield: deze is daarop uit de stad vertrokken en eenige dagen afwezig geweest, en na zijne terugkomst is al ras rondgefluisterd, dat Graaf Willem VI hem, den Amsterdamschen koopman, had benoemd tot Trezorier van Holland:—en ofschoon nu iedereen erkent, dat niemand beter dan Willem Eggert bij machte zijn zal, den verwarden staat der geldmiddelen van de Graaflijkheid te herstellen, toch treurt ieder bij de gedachte, dat hij Amsterdam verlaten zal; want het is allen klaar, dat hij daar niet zal kunnen blijven wonen, en van daar de neerslachtigheid zijner bekenden, nu hij hun vermoeden daaromtrent bevestigd heeft. ’t Was reeds een kwaad voorteeken, mompelt men, dat hij voor eenigen tijd een slot aan „’t ende van de Purmer” liet opbouwen, om er—naar men toen vreesde—zijne verdere levensdagen te gaan doorbrengen:—en toch, die vrees werd niet bewaarheid en het is, om zijn bedrijvig beroep met een niet min bedrijvig en geenszins met eene welverdiende rust te verwisselen, dat Eggert Amsterdam verlaten zal.

Maar wederom hebben twee wandelaars hem aangesproken: en aan dezen wil hij blijkbaar, behalve het bericht van zijn aanstaand vertrek, nog iets wichtigs mededeelen. Hij stapt met hen „de Plaetse” weder op, zijne huisdeur voorbij, over den Nieuwendijk, en.... verwonder u niet te veel, lezer! wij zijn in ’t begin der vijftiende eeuw—een daarachter gelegen boomgaard in. Die boomgaard is zijn eigendom; maar hij wil daar eene andere bestemming aan geven en, bij zijn vertrek uit de Stad, aan deze een duurzaam geschenk achterlaten. Hij wil haar dien boomgaard afstaan om daarop eene nieuwe kerk te bouwen ter eere van St.-Katrijne, en de middelen, tot dien bouw benoodigd, grootendeels uit zijne beurs bekostigen. De twee mannen, die met hem gaan, zijn de Burgemeesters Symon Sael en Jean Beth. Het geslacht, waartoe de eerstgenoemde behoort, is een van die, welke in het oude rijmpje genoemd worden:

De Saelen, de Waelen, de Schaepen, de Ruischen,

Dat sijn er de oudsten van de dry kruysen.

De naam van den laatstgemelde is wellicht de eenige van dien tijd, die in Amsterdam nog niet is uitgestorven.

Aan die beiden maakt nu Willem Eggert zijn voornemen bekend om op dat erf eene kerk te stichten, en met aandacht, eerbied en erkentenis luisteren zij naar ’s mans taal.

En nu—voltooien wij wat aan de voorstelling ontbreekt: nog was Willem Eggert niet naar ’s-Gravenhage gereisd om zijn trezoriersambt te aanvaarden, of de pereboomen in den boomgaard waren omgehouwen, tal van arbeiders brachten de mastboomen aan, die in den drassigen bodem geheid zouden worden en waarop de kerk zou komen te rusten.

Willem Eggert voldeed aan de verwachtingen, door den Graaf van hem opgevat: hij herstelde den toestand der Geldmiddelen en oogstte er den dank voor in zijns meesters, die hem met gunstbewijzen overlaadde, hem met het slot en stedeken van Purmerende, het aangelegen Purmerland en de dorpen Nek en Ilpendam beschonk, en zijn zoons tot ridders sloeg. Maar tevens verwierf hij zich den haat van ’s lands edelen, naijverig op den eenvoudigen poorter, die, als zij, aan ’s vorsten disch gezeten was, die, als zij, een kasteel dorst bezitten, en zich „Heer te Purmerende” teekenen, die, als zij, een wapen dorst voeren—sabel met drie zilveren weerhaken3 en, als zij, zijne dochter4 aan een edelman ter vrouwe geven. Maar wat kwellingen, wat beleedigingen hij van hen te verduren had, hij troostte zich met de bewustheid, dat hij jegens zijn God, jegens zijn gebieder, jegens het Graafschap en jegens het hem dierbare Amsterdam zijn plicht had vervuld. En wel had de stad aanleiding hem erkentelijk te zijn: immers de oude kronieken getuigen van hem, hoe hij haar overschoone privilegiën bezorgde en men van hem destijds zeide: „dat noyt eenich burger haer profijtelijcker ofte aengenaemer is geweest dan hij.”

Was het aan de gehechtheid, welke hij voor zijn meester voedde, aan vrees voor hetgeen hij voortaan van een vijandig Hof te duchten had, of wel aan hetgeen wij toeval noemen, te wijten, dat toen de Graaf op den 30sten Mei 1417 overleed, Willem Eggert hem nauwelijks anderhalve maand overleefde? Zoo tuigt althans het grafschrift, dat nog heden in de Nieuwe Kerk, ten zuiden van het koor, ter wederzijden van een balk, tusschen twee pilaren, te lezen is5: „Anno MCCCCXVII den XV dagh in julio, starf den eerbaren Willem Eggert, Heer tot Purmereynde, fundateur van dese kapelle, gedoyteert met twee Vicariën, mede-fundateur van dese kerck, die begraven is onder dese blaeuwe serck.”

Aan den ontijdigen dood des vromen mans was het toe te schrijven dat de kerk „niet en heeft tot al sulcke perfectie gebracht ende opghebouwt connen worden als van aenbegin begrepen was.”—Wellicht deed hier ook toe, dat Jan Eggert, de eenige onder zijne zonen, die hem overleefde, uit vrees voor den wrok der edelen, of om de woelingen, aan welke ’t land ten prooi was, te ontgaan, Amsterdam verliet, zijn slot te Purmerende verkocht aan zijn zwager Gerrit Van Zijl, en zich naar Oostende metterwoon begaf.—Een ander lid van ’s mans geslacht, Jan Eggert Hartgerszoon, schijnt echter tot het voortzetten van den bouw te hebben medegewerkt.

Nog eene andere stichting had de stad aan Willem en Jan Eggert te danken, te weten van een college, in de Oude Kerk, ten einde de getijden te zingen, en dagelijks een gedeelte van het Evangelie te lezen en er, des Zondags, eene uitlegging van bij te voegen en andere philosophische en theologische lessen te geven. Jan Eggert Hartgerszoon voornoemd en Wendelmoet, zijne vrouw, breidden deze dotatie uit. Het college zelf ging met verloop der tijden te niet; doch de boekerij, daaraan verknocht, bleef in wezen, en, naar de Nieuwe Kerk verplaatst, werd zij de kern, waaruit later de Stads-Bibliotheek zou voortkomen.

En moge dan die Bibliotheek thans verplaatst zijn en geheel andere boeken bevatten dan het college, door Eggert gesticht, had verzameld, en moge de Katrijne kerk na den brand, die haar in 1645 vernielde, geheel nieuw zijn herbouwd, nog is het billijk dat wie eene van beide bezoekt, nu en dan den edelen man herdenke, aan wien beide instellingen hare eerste wording, aan wien Amsterdam zooveel goeds te danken had. Het huis met „de Bril” bestaat niet meer;—de nagedachtenis van Willem Eggert blijve leven.

In de Mol.

De plek verlatende, waar wij ons tot nu toe hebben opgehouden, doen wij maar weinige schreden naar de zijde der Warmoesstraat; doch tevens doet onze verbeelding een reuzestap. Wij denken de Beurs weg—waarin echter voor velen onzer, die haar hebben zien bouwen, juist het bezwaar niet zal gelegen zijn—en de Groote Vischmarkt terug;—ook dit gaat nog;—maar wij springen van de vijftiende eeuw naar de laatste helft der zestiende vooruit:—en dan ontdekken wij tegenover den steiger van het Damrak, waar de zeevisch aangevoerd en gelost wordt, een huis, op welks top de gril des stichters of des bouwmeesters een mol heeft afgebeeld. Zonderling gewis is de overgang, dien wij maken van het werktuig, dat den slechtziende het gezicht teruggeeft, op het viervoetig diertje, dat tot zinnebeeld der blindheid strekt. Maar niet minder groot dan het onderscheid tusschen een bril en een mol, is dat tusschen den man, die ’t voorwerp onzer beschouwing geweest is en den man, dien wij thans doen optreden.

Het is Maandag, de zes-en-twintigste Mei 1578. Van achter de in lood gezette vensterruiten van zijn bovenhuis, gluurt meester Henrik Dirkszoon naar den Dam. Het is daar op Maandag altijd druk en woelig: de boeren en buitenlieden zijn er als altijd met kaas en zuivel op de markt, en de waagdragers zijn er bij de hand aan de in 1560 voltrokken nieuwe Waag. Doch het schijnt deze reis of er geen kooplust bij de burgers, geen werk voor de waagdragers bestaat: en de bonte menigte, op het plein verzameld, woelt en loopt heden niet heen en weder als op gewone marktdagen; integendeel heerscht een doodsche stilte bij den volkshoop, die in dichte groepen afgedeeld, de oogen doorgaans stijf gevestigd houdt op het Stadhuis daar tegenover, en met gespannen aandacht schijnt af te wachten wat er gebeuren zal. Maar die stilte, die onbeweeglijkheid zijn onheilspellend, meer dan eenig gejoel of straatrumoer. Zij schijnen bij die scharen eene eenstemmigheid van bedoelingen, een bepaald overleg, eene vastheid van wil te verkondigen, die niet licht voor overreding, moeilijker nog voor geweld zullen wijken. En inderdaad, het bericht, hetwelk die volksmenigte te gemoet ziet, zal van overwegend gewicht zijn; want daarvan zal afhangen of Amsterdam—om de geijkte uitdrukkingen van die dagen te bezigen—Paapsch blijven of Geus zal worden.

Sedert dat, in Februari, de Stad, na alleen gedurende jaren lang in Holland het gezag des eigenmachtigen Konings te hebben gehandhaafd, eindelijk de „satisfactie” heeft aangenomen en zich gevoegd onder het bestuur der Staten van Holland en des Prinsen van Oranje, is ook hier, als in de overige Hollandsche steden, der gewetensvrijheid plaats gegeven: zij, die om den wille van ’t geloof in ballingschap leefden, zijn meerendeels teruggekeerd: de uitoefening van den Gereformeerden Godsdienst mag wederom—mits buiten de stadsmuren—plaats hebben en de bende stadssoldaten, vroeger een gevreesd en krachtig werktuig in de handen eener overheid, die aan Rome en Filips verknocht bleef, staat thans onder Oversten en rotmeesters, door Oranje aangewezen.—Maar de verkregene voorrechten en voordeelen stellen de partij der Staatsgezinden nog niet tevreden: zij schijnen hun niet voldoende om ’t geleden leed en onrecht te vergoeden, niet in genoegzame verhouding met de stelling, welke zij zich in de meeste overige steden van Holland verworven hebben: en vooral geen waarborgen van duurzaamheid te bezitten. De Stadsregeering, uitsluitend samengesteld uit Roomsch- of Koningsgezinden, wordt, te recht of te onrecht, verdacht gehouden, alleen tijdelijk voor den nood gezwicht te hebben, en enkel naar de gelegenheid uit te zien, om den voormaligen toestand te doen terugkeeren. De argwaan, tegen haar ontstaan, wordt gevoed door velerlei geruchten, als: dat Don Jan van Oostenrijk schepen van Zweden gehuurd en krijgsbenden te Deventer verzameld zou hebben om daarmede een aanslag op Amsterdam te ondernemen. Daarbij schijnt ook de houding der Wethouderschap aan te duiden, dat zij alles behalve gezind is, de voorwaarden van het verdrag, met de Staten aangegaan, op eene milde en onbekrompene wijze uit te leggen. Aan de Gereformeerden was daarbij eene begraafplaats toegezegd binnen de muren, een recht, waar men destijds bijzonder op stond, en dat, volgens de uitdrukking van den Prins, „zelfs aan geen hond kon onthouden worden;”—maar de plaats door de Regeering tot een kerkhof aangewezen, was in een morsigen achterhoek der stad gelegen, en, in de oogen der belanghebbenden, alleszins afzichtelijk en het doel onwaardig. Ten andere, bij het verdrag was bepaald, dat de Drie Schutterijen (de Oude, de Hand- en Voetboogschutterij) weder zouden worden opgericht; en allen, die daar vroeger deel van uitmaakten, dus ook de teruggekeerde uitgewekenen, daarin hunne plaats hernemen; doch er was geschil ontstaan tusschen de Wethouderschap en de afgevaardigden der Staten, welke laatsten begeerden dat de Schutterijen in zes Vendels zouden worden afgedeeld, dat de Prins en de Staten de Hoplieden en Rotmeesters benoemen zouden, en eene lijst van daartoe geschikte personen aan Burgemeesters ter goedkeuring toegezonden; en nu was, op Vrijdag te voren, in de Vroedschap bij algemeene stemmen besloten, niet te bewilligen in het brengen der Schutterijen onder zes Vendels, en vooral niet onder de opgegeven personen. Maar bij al die meer of min gegronde redenen van ontevredenheid zou ik er nog eene durven voegen, waar men niet zoo bepaald mee voor den dag kwam en die toch inderdaad de ware was: het vrij natuurlijk verlangen namelijk van de partij, die zoolang de onderliggende geweest was, om de vruchten der behaalde overwinning te plukken en op hare beurt aan ’t roer te komen. Het straks genoemd besluit en nog eene andere beraadslaging, op dien zelfden 23sten Mei gehouden, en waarbij een voorstel, tot vergunning aan de Mennonisten om het Poorterschap te bekleeden, heftigen tegenstand ondervonden en tot geen gevolg geleid had, duidden aan, dat de Regeering tot verdere concessiën ongezind was en vermoedelijk geneigd tot inkrimping der reeds verleende: en zoo was hiervan het gevolg geweest, dat de aanzienlijksten onder de Gereformeerden de hoofden bij elkander gestoken en het besluit gevormd hadden, aan dezen staat van zaken voorgoed een einde te maken. Men wil echter den weg der onderhandeling beproeven, en daarom had op Maandagmorgen een bezending van vijf voormalige uitgewekenen, allen tot de deftigste geslachten behoorende, met Willem Bardes aan ’t hoofd, zich op ’t Stadhuis vervoegd, waar op dit tijdstip de geheele Wethouderschap vergaderd was:—en het is de uitslag van dit bezoek, welke de steeds aangroeiende menigte op den Dam is afwachtende. Reeds een paar reizen zijn de leden der Bezending van ’t Stadhuis naar de herberg op den Dam, waar de Gemachtigden der Staten zich onthouden, en van daar weder terug naar ’t Stadhuis gewandeld, en dit over- en wedergaan schijnt aan te kondigen, dat men nog verre is van eene voldoende uitkomst verkregen te hebben.

Ook meester Henrik Dirkszoon staat, als wij gezegd hebben, het tooneel daar voor hem aan te zien. Reeds meer dan tachtig jaren zijn over ’t hoofd diens grijsaards gegaan; maar al is zijn gelaat gerimpeld, al staan zijne oogen dof, al is zijn rug gebogen en zijn lichaam door ouderdom verzwakt, nog is bij hem de geest even wakker, de wilskracht even sterk als toen hij, in ’t jaar 1525, voor ’t eerst zijne plaats in de Vroedschap aanvaardde; en, is op ’t gelaat zijner bedaagde huisvrouw, in weerwil van hare reeds verzwakte geestvermogens, de vrees te lezen, dat er iets niet richtig zij, en, al teekent het gelaat zijner dienstmaagd verbazing over het ongewone verschijnsel, dat de markt vertoont, meester Henrik heeft nimmer vrees gekend, en hij is te oud geworden om zich over iets meer te verwonderen.—„Ik verwachtte dit,” mompelt hij bij zichzelven; „zij hebben mijn raad in den wind geslagen: zij zullen zichzelven de gevolgen te wijten hebben. Zij hadden òf alles moeten toegeven, òf doortastende maatregelen nemen, en de Geuzen voorkomen eer zij door hen voorkomen worden. Nu hebben zij zich groot willen houden—en niet gezorgd, het noodige te doen om aan hunne woorden klem bij te zetten. Zij zullen nu het gevolg zien van hunne halve maatregelen.”

En terwijl hij dus in half hoorbare klanken lucht geeft aan zijne gedachten en voor zich uit blijft staren over dien steeds aangroeienden klomp menschen op het plein, voert herinnering hem onwillekeurig menig tijdperk uit zijn lang en bedrijvig leven voor den geest. Hij ziet zich terug, als knaap met den hoepel spelende op dat plein, in een tijd, toen men nog aan geen „Luiteranye” dacht, en nog maar alleen zorg voedde voor de wapenen van den Gelderschman; hij herdenkt zijne reizen, zijn studietijd, zijne terugkomst, zijne eerste handelingen als Lid van de Vroedschap: de woelingen der Wederdoopers en zijn ijver tegen al wie van ketterij verdacht werd; hij doorleeft de dagen van zijn Burgemeesterschap, en nog kan hij zich niet onthouden van een glimlach, bij de gedachte, hoe hij, in 1545, toen de uitvoer van het koren overal verboden werd, de afkondiging van het plakkaat te Amsterdam weerhouden heeft, door te bestellen, dat bij de opneming, de voorraad, in de stad aanwezig, dubbel werd opgegeven dan die werkelijk was, en hoe hij, in 1553, ettelijke duizenden der opgebrachte bede in zijne, in plaats van in de Landskas, had weten te doen overgaan. Hij ziet weer voor zijne oogen het schavot opgericht, hij is opnieuw, als van 1549 tot 1552, getuige van het verbranden en versmoren der Wederdoopers, en hij haalt de schouders op, bij de overweging, dat, indien de Wethouderschap maar even kloekmoedig was als in die dagen, en een vijftigtal uit dien hoop, die thans op den Dam vergaderd is, vatten, en, „anderen tot exempel”, op liet hangen, de overigen wel stil naar huis zouden gaan.

Maar ook zijne twisten met Schout Bardes komen hem voor den geest, hij weeft nogmaals in zijne gedachte met den Pastoor der Oude Kerk het net, dat hij dien geheimen vijand spannen zal: hij onderhoudt zich nogmaals met zijne medeplichtigen; Geele Fij, Volkje Willems, den Notaris Kees Maartszoon, den Slijper Arie Janszoon, die, door zijn goud of zijne beloften bekoord, den Schout en zijne huisvrouw valschelijk beticht hebben van Wederdooperij:—en al is de valschheid dier beschuldiging toen bewezen geworden, en al heeft hij, als verdacht van omkooping, jaar en dag gevangen gezeten., en al heeft hem die zaak schatten gekost, men heeft hem toch eindelijk weder moeten ontslaan; en terwijl Volkje in de gevangenis is overleden, Fij op jammerlijke wijze ter dood gebracht, de Pastoor en de Notaris gebannen, de Slijper bovendien gegeeseld is, is hij de eenige geweest, schrander genoeg om te zorgen, dat er geen bewijs tegen hem te vinden ware: en wederom glimlacht hij bij de herinnering, dat hij toch nogmaals, na dien tijd, tot de Burgemeesterlijke waardigheid verheven is geworden; en dat, al was de Schout te dier gelegenheid den hem gespannen strik ontgaan, hij, Henrik, zich later toch op Bardes heeft zien wreken, toen die ongelukkige, op zijn ouden dag voor den Bloedraad geroepen, de felste pijniging en geeselingen heeft moeten doorstaan en zijn leven in armoede en waanzin geëindigd heeft.—„Maar wat booze geest,” zoo peinst hij, „heeft nu den zoon van dien zelfden Bardes naar Amsterdam gevoerd? dien zoon, zijn vader zoo gelijk in houding, in wakkerheid, in beleid: daarbij, Luitenant van Sonoy, vraagbaak der oproerige Geuzen, en thans—aan ’t hoofd der bezending, die daarbinnen op ’t Stadhuis is.—Zou die zoon op zijne beurt wraak komen nemen over ’t onrecht, zijn vader aangedaan?”

Bij die vraag glimlacht Mr. Henrik Dirkszoon niet: hij ziet ernstig voor zich heen: hij is door den schakel zijner overpeinzingen tot den tegenwoordigen tijd teruggevoerd en berekent de kansen: hij laat zijn oog nogmaals over de volksmassa weiden, en, al hebben de meesten den rug naar hem toegewend, en al kan hij nauwelijks iets dan hoeden, mutsen en kapers onderscheiden, toch is zijn oog geoefend genoeg om vriend en vijand uit elkander te kennen. „Veel zwarte mantels en stijve halskragen! niet een enkele monnikskap!” Ziedaar wat een vlug rondgeworpen blik hem bespeuren doet. „Waar zitten zij, die geestelijken, die minderbroeders vooral, die zich nog maar drie dagen geleden op alle hoeken van straten en pleinen zoo dapper lieten gelden?—Eer dat het huis instort, vlieden al de muizen. Slechte voorteekenen van wat volgen moet.”—En nogmaals mompelt hij wrevelig bij zichzelven: „die dwazen, met hunne halve maatregelen! O, dat ik eene week maar Schout ware geweest!—Ha! daar slaat de trom! zouden zij werkelijk de markt schoon doen vegen?”

En, inderdaad, uit de Kalverstraat komt, met klokslag van elven, de Bezetting met slaande trom en wapperende vendels aangerukt, doch de verwachting, die de Oud-Burgemeester een oogenblik gekoesterd had, wordt teleurgesteld. De volksmenigte opent, waar de krijgsknechten zich vertoonen, hare dichte rijen: de bezettelingen, tot voor ’t Stadhuis genaderd, deelen zich in vier Vendels: elk van deze begeeft zich naar zijne standplaats, op een der hoeken van den Dam, en zet de musketten en hellebaarden bij den voet; terwijl hunne Hoplieden—Rodenburg, Jonkheim, Visscher en Duin—zich binnen ’t Stadhuis begeven.

„Zij zijn het met de muiters eens.” zegt Mr. Henrik bij zichzelven:—„indien Burgemeesteren voortgaan de rol van Brutussen te spelen, is het uit met hun gezag.”

„Zal ik het eten opdoen, meester?” vraagt Stijntje, die, ofschoon de gewone tijd van te middagmalen reeds verstreken is, nog getalmd heeft met die vraag; maar toch zou vreezen, van plichtverzuim beschuldigd te worden, indien zij die nu niet deed.

„Eten!” herhaalt Mr. Henrik: „nu ja,” zegt hij bij zichzelven: „misschien voor ’t laatst.—Wel zeker!” vervolgt hij overluid; want de vastberaden man wil voor vrouw en dienstmaagd den indruk bedekken, die ’t geen daar ginds plaats heeft bij hem verwekt; „het is meer dan tijd.”—En bedaard vergezelt hij zijne vrouw naar de binnenkamer, beneden, waar weldra de brij op tafel staat te dampen. Eerst wanneer zij gezeten zijn, en hij eenige lepels van de heete brij heeft binnengeslagen, zegt hij op den meest natuurlijken toon tot de dienstmaagd, die aan ’t lager einde der tafel is gezeten: „ga eens naar boven, en zie, of alles nog op de markt is als zooeven. Gij komt mij waarschuwen als er iets gebeurt. Zoodra ik gedaan heb met eten, kom ik zelf en dan kunt gij op uwe beurt uw deel krijgen.”

Stijntje, bij wie op dit oogenblik de trek tot eten minder groot is dan die om te weten wat er voorviel, legt haar lepel neer en voldoet zonder aarzelen aan den last, die haar gegeven is. Bedaard eindigt de Oud-Burgemeester zijn maal, onderhoudt zelfs zijne vrouw, bij wie hij alle ongerustheid wil doen verdwijnen, over onverschillige zaken, waarschuwt haar, dat hij „misschien wel op ’t Stadhuis zal worden geroepen,” en begeeft zich weder naar boven. Weinig verandering brengt hem het tooneel aan, dat hij voor zich heeft.—Alleen ziet men, hoe de huislieden, daar de klok van twaalven op handen is, zich bezighouden met hunne kaas en zuivel van de markt te nemen en zich langzamerhand verwijderen. De ruimte, die een oogenblik, ten gevolge van hun vertrek, ontstaat, doet hem iets ontdekken, dat hij tot dien tijd niet bespeurd had, een aantal wolzakken, die tegen de Waag liggen.—„Indien Schout Hollesloot half zooveel verstand had als goeden wil,” denkt hij, „dan had hij die zakken niet daar, of althans niet dan onder goede bewaking laten liggen. Wolzakken kunnen van dienst zijn, en ik heb ze in ’t jaar 35 met goed gevolg tegen de Wederdoopers helpen bezigen;—maar de Regeering moet zorgen, dat zij er zelve gebruik van make en men ze niet tegen haar aanwende.”

Weder verloopt er eenige tijd: de middag is lang voorbij, de markt van boeren en zuivel ontledigd, en nog staat de volksmenigte op ’t Stadhuis te staren; doch een dof en ontevreden gemurmel begint hier en daar te ontstaan, eerst flauw, maar allengs meer hoorbaar en luider en luider; en het ruischt eerlang over de markt als koren, dat door den wind bewogen wordt.—Maar ziet! wat gebeurt er, dat op eens dat gerucht zwijgt en wederom door diepe stilte vervangen wordt.

„Meester! meester!” roept Stijntje, die reeds lang hare brij ingezwolgen, den disch geruimd en zich weder naar boven gerept heeft; „daar komt iemand op de pui om af te lezen. Maar ’t is de Sikkretaris niet. Wie ’t wezen mag?”

„’t Is Guillaume du Jardin,” zegt de grijsaard, wiens oogen, gelijk meer bij oude lieden het geval is, naarmate zij zwakker worden om van nabij te zien, voorwerpen op verren afstand des te scherper onderscheiden: „het treurspel zal een aanvang nemen.”

En inderdaad, het is Du Jardin, een der leden van de Bezending, die, op de pui naar voren tredende, zijn hoed aflicht en dien terstond weder opzet. Dit teeken moest strekken, om zijne medestanders te waarschuwen dat Burgemeesteren blijven weigeren aan den wensch der Bezending te voldoen en er met redenen niets te winnen is. Henrik Dirkszoon kan natuurlijk de beteekenis van het afgesproken sein niet weten, doch hij raadt die uit den kreet van verontwaardiging, die van den Dam uit duizend monden oprijst, uit het dreigend opheffen van gebalde vuisten, uit het zwaaien van hoeden en mutsen. En zie, daar treedt Hopman Jonkheim ten Stadhuize af; hij slaat de handen uit elkander, hij spreekt tot de omstanders—(Henrik mag zijne woorden gissen, verstaan kan hij ze niet);—hij haast zich naar zijn Vendel. Wat zal er nu gebeuren? De bende stelt zich in beweging en trekt op naar de Sint-Katrijne kerk.

„Bewaar ons!” roept Stijntje, „daar gaan de soldaten de kerk plunderen.”

„Neen,” zegt Henrik bedaard, „zij gaan die tegen plundering beveiligen,—Te sterker bewijs, dat hier een wel overlegd en geordend plan bestaat,” voegt hij er halfluid bij.

Paf!—van waar kwam dat musketschot? Uit een der vensteren van de Waag, binnen welke eenige soldaten der bezetting post houden, stijgt de rook van ’t kruit omhoog.—Een luid en hoorbaar sein, dat het zichtbaar sein van Du Jardin schijnt te beantwoorden. En werkelijk; daar begint op eens de storm, waarvan die langdurige stilte de voorbode geweest was, in volle woede los te breken. „Oranje boven! Vive de Geus!” klinkt het van alle zijden: tal van matrozen bersten de stegen en kroegen uit, wapperende vlaggen rond zwaaiende: daar toonen er zich al meer en meer, alsof zij uit den grond komen gerezen.—Volk van alle slag, arbeiders, ambachtslieden, winkeliers, kooplieden, vereenigen zich als door een tooverslag onder bepaalde hoofden; een deel holt den Vijgendam op, de Halsteeg in, naar ’t Bushuis aan het einde der Hoogstraat, om het geschut te halen: terwijl rapen anderen steenen en smijten die naar de ijzeren traliën der vierschaar, om de nachtwakers te verdrijven, die men onderstelt dat van daar, uit de haakbussen, die er bewaard worden, op ’t volk zouden kunnen schieten.—Maar er wordt van daar geen vuur gegeven: en nu, verzekerd geen weerstand te zullen ontmoeten, stormt de menigte als een stroomende vloed ten Stadhuize in.

„J..... Maria!” roept Stijntje, de handen wringende van angst: „zij gaan de Heeren vermoorden!”

„Wel denkelijk!” zegt Henrik, met een bitteren lach: „en dan wordt het onze beurt,” voegt hij er in zichzelven bij. „Stijntje!” vervolgt hij overluid: „geef mij mijn mantel, mijn hoed en mijn stok.”

„Bewaar ons! Meester wil toch niet uitgaan en zich in die confusie begeven?” vraagt Stijntje.

„’t Zal er toe kunnen komen,” antwoordt Henrik: „doe wat ik zeg: men moet op alles bereid zijn.”

Zij gehoorzaamt schreiende: hij kleedt zich en plaatst zich weder aan het venster; reeds zijnde wilde gasten, die naar ’t Bushuis gegaan waren, met het geschut terug: de wolzakken—als Henrik voorzien had—worden opgenomen en de toegangen daarmede versperd; terwijl de krijgsknechten der Bezetting dit alles aanzien zonder het te verhinderen, en zich vergenoegen met het bewaken der hun toevertrouwde posten.

Daar komt een nieuwe troep met luid gejuich en gejoel op den Dam: zij hebben Priesters, Monniken en Leden der Vroedschap in hun midden, wier doodsbleek gelaat doet lezen, dat zij zich op het ergste lot verwachten.—Maar op eens treedt Bardes het Stadhuis uit, door de leden der Bezending gevolgd, en door een drom volks omstuwd: hij wenkt, hij deelt bevelen uit: en nu, door hunne Hoplieden voorgegaan, stellen zich de krijgsknechten in beweging, bezetten den toegang van ’t Stadhuis, en vormen vandaar af eene dubbele rij, welke men niet zonder moeite de bevende Regenten en Geestelijken doet binnentreden: nogmaals wenkt Bardes en men geleidt den Schout, de Regeerende en de Oud-Burgemeesteren het Stadhuis af en tusschen de soldaten in, bij de vorige gevangenen. Telkens treden nieuwe benden gewapende burgers met meer Leden der Vroedschap en Monniken, op den Dam, die bij de overigen gesteld worden, en wier verschijning telkens met een luid gejubel wordt begroet.

—„Zij zullen mij toch niet vergeten?” vraagt Henrik Dirkszoon, halfluid en eenigszins verwonderd zichzelven af, terwijl de vrouwen nevens hem zich uitputten in bittere jammerklachten over hetgeen zij aanschouwen.

En, als had men, van het plein af, de gedane vraag verstaan, een twintigtal burgers stelt zich in beweging en komt op het Huis de Mol aangetreden.

—„Daar zijn zij,” zegt de Oud-Burgemeester. „Stijntje! open de voordeur; ’t is beter, dat ik hun te gemoet ga, dan dat zij mij komen halen. Vaarwel moeder!” vervolgt hij, zijne vrouw, die niet recht begrijpt wat er aan de hand is, een kus op de dorre wang drukkende: „ik ga naar de Vergadering.”

Intusschen zijn de burgers de voordeur genaderd en staan gereed die met geweld binnen te dringen, wanneer die opengaat, en de Oud-Burgemeester voor hen staat. Zij doen verbaasd een stap achterwaarts; doch hij treedt in hun midden, en, als bij stilzwijgende overeenkomst, wenden zij gezamenlijk hunne schreden naar het midden van den Dam. Dreigend klinken hem die kreten en verwenschingen in de ooren, die, van achter de rijen soldaten, door een woedend gepeupel worden aangeheven; doch met een onbewogen gelaat vervolgt hij zijn weg, totdat hij zich bij zijne lot- en rampgenooten bevindt.

„Ik dacht waarlijk, dat men mij vergat,” zegt hij, met een glimlach, terwijl hij zich in ’t gelid stelt naast den Oud-Burgemeester Joost Buick: „’t schijnt, dat wij het spel kodielje kwijt zijn, mijne heeren!”

„Dat kost gij onmogelijk denken, dat de zoon van Schout Bardes u vergeten zou, meester Henrik Dirkszoon!” duwt hem eene zware basstem toe. Hij ziet op naar den man, die met bleek gelaat en strenge blikken voor hem staat; een oogenblik is hij verrast; maar ook niet meer dan een oogenblik, en, zich terstond herstellende: „Voorwaar, Mr. Willem Bardes,” zegt hij: „ik had u zoo ras niet herkend.—Nu! elk zijne beurt; maar wat zegt het volksspreekwoord: „huimetuit! hoed u voor den weerstuit.”—Intusschen, maak het kort: want de Heer Buick en ik zijn oude lieden, wien ’t lange staan al ras zou vervelen.”

Bardes antwoordt niet, maar nogmaals met de hand wenkende, geeft hij bevel, dat men de gevangenen wegvoere, en de trein stelt zich in beweging. Zoowel Regenten als Geestelijken worden, man voor man, ieder door twee gewapende burgers aan weerszijden vastgehouden, tusschen de rijen soldaten doorgeleid, en moeite genoeg kost het dezen laatsten, hen tegen de woede van een verbitterd grauw te beveiligen:—„Naar de galg met hen! naar de galg, waar zij zoo menig vromen burger aan geholpen hebben! In ’t water met de papen! Naar de galg met Teeuwis en Meeuwis6, met Joost Buick! en Henrik Dirkszoon!—Neen! de galg is nog tegoed voor hen.”—Deze en dergelijke zijn de onheilspellende kreten, die zij in ’t voortgaan hooren uitboezemen. Maar zij zijn aan ’t Damrak gekomen; hier liggen een aantal schuiten gereed, waar men hen doet ingaan, wederom daarbij dezelfde orde en regelmaat in acht nemende, die deze zonderlinge omwenteling van het begin tot aan het einde kenmerkt. De Wethouderschap, de Leden der Vroedschap, de Pastoors, de Monniken, allen worden soort bij soort in afzonderlijke vaartuigen ingescheept, en men is op ’t punt van wal te stelen, wanneer het trouwe Stijntje, door den hoop komt dringen en haren meester een pak, in een luier gewonden, ter hand stelt. Het bevat een paar hemden en ander lijnwaad, die de zorgende huisvrouw, zoodra zij van hare dienstmaagd gehoord had, dat haar man „uit de stad” ging, hem nazond.

„Wat moet dat?” vraagt Henrik, verwonderd.

„Schoon linnen;” antwoordt Stijntje: „dat vrouw Barta u zendt.”

„Neem ’t maar weer mee,” herneemt Henrik, terwijl hij lachend het hoofd schudt; „ik zal ’t wel niet meer noodig hebben. Mijn groete aan de oude vrouw, Stijntje! en zoo gij nu nog op een post voor uw vrijer hoopt, wordt dan Geus, en wend u tot meester Willem Bardes.”—Met deze woorden keert hij zich van de schreiende en snikkende dienstmaagd af—en de schuit steekt van wal.

„Wat meent gij, door dat linnengoed af te wijzen?” vraagt hem Buick, die nevens hem gezeten is.

„Wel,” fluistert Henrik, „denkt gij dan, dat men ons tot een bloot spelevaren hier op deze schuit gebracht heeft? Als wij buiten zijn, laat men ons zinken, maak daar rekening op.—En die schelmen hebben de Geestelijke heeren apart gezet, en ons niet eens een Priester gelaten om ons vooraf de absolutie te geven.”

„Zult gij dan spotten tot in ’t uiterste toe?” vraagt Buick, wrevelig: „waarachtig, men zou nog eindigen met te gelooven, dat hetgeen men u nageeft, waarheid is, en dat gij een anderen meester dient, dan wel behoorde.”

Henrik Dirkszoon haalt de schouders op en zwijgt:—de uitkomst bewijst echter, dat hij zich in zijne berekening bedrogen heeft. De omzetting der regeering moest niemands leven kosten, en zoo was er ook last gegeven, de uitgezette personen aan den Sint Antoniesdijk aan wal en op vrije voeten te stellen.

Wij, die onze wandeling tot Amsterdam beperken, volgen Meester Henrik Dirkszoon niet verder. Alleen zij er nog dit tot naricht voor den lezer bijgevoegd, dat hij, zich naar Haarlem metterwoon begeven hebbende, aldaar een paar jaren later overleed. Bij zijne uitvaart werd het praatje, waar Joost Buick op gedoeld had, levendiger dan ooit, en verspreidde zich het gerucht, dat de Duivel zijn lijk weggevoerd en een molik in de kist had achtergelaten. Wij willen hopen, dat het vertelsel logenachtig is, en dat berouw de laatste oogenblikken verzoette, van den kracht- en geestvollen, maar misdadigen Oud-Burgemeester.