Fig. 87. Theehybride-Roos “Camoëns”.

Fig. 87. Theehybride-Roos “Camoëns”.

Salvia. Van dit geslacht zijn vele soorten bekend, die zich alle onderscheiden door den aromatischen geur harer bladeren, en vele ook door de fraaie kleur van haar bloemen. Voor venster- en balkon-cultuur moeten wij er in de eerste plaats twee aanbevelen. De Salvia patens, uit Mexico, vormt een kleinen Meter hoogen half-heester, met hoekige bladeren en groote aren van prachtig blauwe bloemen. De bloeitijd van iedere bloem afzonderlijk is slechts zeer kort, wat niet wegneemt, dat de plant bijna den geheelen zomer onafgebroken doorbloeit, daar de knoppen zich pas na elkander openen en de bloemstelen zeer rijk met knoppen bezet zijn. Een nog dankbaarder bloeiende soort met roode bloemen is de Salvia splendens, uit Brazilië. Beide soorten, waarvan de eerste een knolvormigen wortelstok heeft, rusten des winters volkomen: zij laten dan al haar bladeren vallen en kunnen in een luchtigen kelder of een koele achterkamer bijna geheel droog overwinteren. Wanneer men de planten vroeg in het voorjaar diep insnijdt, in goede voedzame aarde verplant en voor een zonnig venster in een warm vertrek plaatst, dan groeien zij zeer spoedig uit. Van de jonge scheuten kan men er nu enkele als stekken gebruiken, die zeer spoedig en gemakkelijk wortelen; ook de vermenigvuldiging uit zaden gaat zeer goed. Gedurende den zomer verlangen deze Salvia’s zeer rijkelijk begoten te worden, en kweekt men ze in potten, dan moeten zij meermalen verplant en gegierd worden. Een heel aardige, doch zeer onbeduidend bloeiende soort is de bonte variëteit van de Salvia officinalis. Deze heeft gele, witte en groene bladeren. Zij moet in een zeer koude kamer overwinteren, daar zij dan haar fraai gekleurde bladeren behoudt.

Sparmannia africana. De Sparmannia is een Kaapsche plant, die tot de familie der Lindeboomen behoort. Zij heeft groote, viltachtige, eenigszins hartvormige bladeren van lichtgroene kleur en vrij groote, gedurende den winter en het vroege voorjaar verschijnende bloemen. Deze bezitten witte bloembladeren en verkrijgen door de purperkleurige helmknopjes een zeer eigenaardig aanzien. Er is ook een variëteit met gevulde bloemen van bekend. De Sparmannia neemt, zonder twijfel, een eerste plaats onder de kamerplanten in. Deze plant, die, des zomers in den tuin uitgeplant, zich tot een grooten struik ontwikkelt, kan ook het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Daar wordt zij natuurlijk lang zoo sterk niet; zjj krijgt dan echter zeer groote en fraaie bladeren, waardoor zij geheel het voorkomen van een prachtige bladplant heeft. Heeft men, om deze plant buiten te kweeken, geen beschutte plek in den tuin of een zonnig gelegen balkon, dan houdt men ze beter in de kamer, bij voorkeur voor een geopend venster. De Sparmannia verlangt een grooten pot en goede, zware aarde; een grondmengsel, bestaande uit broeiaarde en graszodengrond, waarbij eenige hoornspaanders of wat schapenmest gevoegd worden, zal haar zeker wel aanstaan. Gedurende den zomer moet men haar zeer veel begieten en, wanneer zij in vollen wasdom is, rijkelijk gieren. Goed onderhouden exemplaren moeten twee keer per jaar verpot worden.

Fig. 88. Theehybride-Roos “Kaiserin Augusta Victoria”.

Fig. 88. Theehybride-Roos “Kaiserin Augusta Victoria”.

Des winters kan men de Sparmannia, al naar verkiezing, in een koud of warm vertrek kweeken. Doet men het in een warme kamer, dan zal zij weinig of niet rusten. Plaatst men haar des winters in een kamer met een temperatuur van 55° Fahr., geeft men haar daarbij een lichte standplaats en wordt zij op zonnige dagen nu en dan bespoten, dan zullen zich enkele bloemtrossen ontwikkelen. Kweekt men deze plant in een warm vertrek, dan moet men haar zeer goed in het oog houden en vooral op ongedierte letten, waardoor zij zeer licht wordt aangetast. Pas gekochte planten hebben meestal eenigen tijd noodig, voordat zij aan de kamer gewend zijn.

De vermenigvuldiging geschiedt door stekken, die men van de twijgspitsen of van korte zijscheuten snijdt. De groote bladeren, die aan de stekken zitten, worden op de helft ingekort, waarna men iedere stek afzonderlijk in een klein, met zandige heide- of bladaarde gevuld potje zet. Onder glas geplaatst, wortelen deze stekken in zeer korten tijd. De bewortelde stekken kunnen dadelijk in potten van 10 à 14 cM. wijdte worden geplant.

Fig. 89. Theehybride-Roos “Mme Caroline Testout”.

Fig. 89. Theehybride-Roos “Mme Caroline Testout”.

Veronica (Eereprijs). Van het geslacht Veronica, waartoe ook enkele hier te lande inheemsche soorten behooren, hebben die, welke op de Australische eilanden gevonden worden, als harde kamer-, decoratie- of bloemplanten een niet onbelangrijke waarde. De bladeren van deze groenblijvende planten zijn meestal glimmend en lederachtig, zij zijn òf groot en dan lancetvormig òf klein, in welk laatste geval de plant wel eenige overeenkomst heeft met een Mirt.

De kleinbladerige, laag groeiende soorten bloeien slechts zelden, en hebben kleine, onaanzienlijke bloemen; de grootbladerige daarentegen hebben tamelijk groote, uit de bladoksels ontspruitende aren, uit talrijke, blauwe of witte reukelooze bloempjes bestaande. Bijna in ieder jaargetijde verschijnen die bloemaren; nu eens zijn zij rijkelijk, dan weder spaarzaam aan de plant te vinden; zonder bloemen zijn zij echter slechts bij uitzondering.

De struikachtige Veronica is zeer hard en kan dan ook in een vorstvrijen kelder of achterkamer overwinteren. In het voorjaar wordt zij flink ingesneden, en daarna voorzichtig in voedzame aarde verplant. Bij dit verplanten moet men voorzichtig zijn, de weeke viltachtige wortels, die langs den binnenkant van den pot groeien, niet te veel te beschadigen. Deze planten stellen geen bijzonder hooge eischen; zij groeien in de volle zon en ook in halfschaduw, voor het venster, op het balkon of in den tuin. Zij worden slechts zelden door ongedierte aangetast. Des zomers, wanneer zij in haar groeiperiode zijn, verlangen zij volop water en nu en dan een weinig gier.

Fig. 90. Remontant-Roos “Foliis tricoloribus”.

Fig. 90. Remontant-Roos “Foliis tricoloribus”.

De voortkweeking geschiedt door stekken; deze worden van de toppen der scheuten gesneden en wortelen in enkele dagen. De jonge stekplantjes worden herhaaldelijk verpot, terwijl men ze zóó dikwijls de kopjes innijpt, totdat zij goed vertakt zijn. Hierdoor wordt in den beginne de bladontwikkeling wel een weinig vertraagd. Uit de talrijke grootbladerige soorten hebben de kweekers fraaie bastaarden gewonnen, die zeer rijk bloeien en als veelgezochte kamerplanten in vrij grooten getale voorkomen.

Viburnum Tinus. Deze heester behoort in Zuid-Europa thuis en is onder den naam Laurus Tinus vrij algemeen bekend. Hij is na verwant aan onzen gewonen Sneeuwbal en onderscheidt zich door donkergroene, langwerpig-ovale bladeren en fraaie, kleine, witte bloemen. Deze bloempjes zijn in schermpjes vereenigd en verschijnen in het voorjaar. Geeft men hem echter een warme standplaats, dan zullen de twijgspitsen zich reeds in den winter met bloemen tooien en dikwijls zullen zij dan zóó rijk bloeien, dat de bladeren door de bloemen aan het gezicht onttrokken worden. Deze Viburnum wordt meestal als struik gekweekt, in welk geval hij in het voorjaar of den zomer door middel van stekken wordt vermenigvuldigd, welke stekken men òf in de aarde steekt, òf, juist als de Oleander, in een fleschje met water. Kweekt men hem echter als kroonboompje, dan moet hij op den gewonen Sneeuwbal veredeld worden, wat men het beste in een kweekerij laat doen.

Fig. 91. Remontant-Roos “Général Baron Berge.”

Fig. 91. Remontant-Roos “Général Baron Berge.”

De meest geschikte grond is goede bladaarde, waardoor een derde klei- of graszodengrond wordt gemengd. Na den bloei worden de planten gesnoeid, waarbij men vooral op den vorm moet letten; hierna worden zij in betrekkelijk kleine potten verplant en met Mei, op een tamelijk zonnige plek, buiten gezet. Tot midden in den zomer wordt rijkelijk gegoten; hierna begint men minder te gieten, ook al hangen de jonge blaadjes in den beginne wat slap. Door deze behandeling wordt de te sterke bladvorming gestremd, en begint de bloemknopvorming, waarom het toch eigenlijk te doen is. Tegen den herfst zijn de bloemknoppen reeds duidelijk te zien. Heeft men zieke exemplaren, dan is het raadzaam ze een zomer in den tuin te planten; zij zullen zich dan weder flink ontwikkelen, doch den eersten daarop volgenden winter zal men weinig of geen bloemen hebben. Viburnums, zonder bloemknoppen kan men zeer goed in een luchtigen kelder laten overwinteren; zijn zij echter goed geknopt, dan moet men ze in een koele, lichte kamer zetten. Hoewel men den bloei kan bespoedigen, door ze in een warm vertrek te houden, is dit minder raadzaam, omdat de planten daar zeer licht door thrips worden aangetast.

Des winters moet men met gieten zeer voorzichtig zijn, omdat de Viburnum, hoe hard zij ook is, vooral als oudere plant, in haar rusttijd zeer gevoelig is voor te veel water. Zij wordt dan niet alleen gauw ziek, maar gaat ook gemakkelijk dood.