Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken.

Begonia. De Begonia’s, die hier besproken worden, behooren tot die groep, die, in tegenstelling met de algemeen bekende soorten, geen knollen vormen. Ook deze Begonia’s nemen een eerste plaats in onder de talrijke fraaie bloemplanten, die voor kamercultuur geschikt zijn. Het aan soorten zeer rijke geslacht Begonia’s vormt een familie op zichzelf, die der Begoniaceeën. Van de ongeveer 350 bekende Begonia-soorten behooren ongeveer twee derden in tropisch-Amerika thuis; de andere zijn uit Oost-Indië, Madagascar en ook uit China en Japan afkomstig. Alle Begonia’s hebben, afgezien van de meer of minder fraaie bloemen, één algemeen kenmerk, namelijk: dat het blad scheef hartvormig is, waaraan zij den in Duitschland algemeen bekenden naam “Schiefblatt” te danken hebben. De soorten onderling verschillen echter zeer.

Fig. 105. Begonia Credneri.

Fig. 105. Begonia Credneri.

De kweekers verdeelen de Begonia’s in drie zeer groote groepen, namelijk de Knolbegonia’s, de stengelachtige Begonia’s en de Bladbegonia’s. Op dit oogenblik willen wij ons slechts bezighouden met stengelachtige Begonia’s, terwijl wij de beide andere groepen in de hoofdstukken “Bol- en Knolgewassen” en “Bladplanten” meer uitvoerig zullen behandelen. De stengelachtige Begonia’s vormen dikwijls krachtige, zeer groote planten, die zich in de kamer vaak zeer fraai ontwikkelen. Zijn zij uitstekende planten om in de vensterbank te kweeken, wanneer zij tegen te scherpe zon geschermd worden, nog meer waarde hebben die soorten, welke, in de kamer gekweekt, des winters bloeien. Het zijn dan ook deze, waarmede wij ons op dit oogenblik zullen bezighouden.

In vergelijking met de Knolbegonia’s hebben de stengelachtige Begonia’s gewoonlijk slechts betrekkelijk kleine bloemen.

Hoewel de bloemen dezer soorten door kruisbevruchting in afmeting en kleur zeer zijn verbeterd, zijn zij toch nog altijd niet groot. Als vergoeding daarvoor mag zeker wel de buitengewone bloemrijkheid gelden. Het is toch geen zeldzaamheid, dat er 30 à 40 bloemen aan één stengel voorkomen. Enkele der stengelachtige Begonia’s worden tamelijk hoog; snijdt men ze echter dikwijls in, dan vormen zij fraaie halfkogelvormige planten, die reeds door de dikwijls fraai gekleurde of geteekende bladeren een zeer schoon gezicht opleveren. Terwijl de meeste Knolbegonia’s met zeer weinig warmte tevreden zijn en in een gesloten vertrek niet best willen groeien, zijn de meeste stengelachtige Begonia’s juist zeer goede kamerplanten. Een zonnig gelegen woonvertrek met een wintertemperatuur van 60°–65° Fahr. is uitstekend geschikt voor de cultuur dezer planten, mits men ze een lichte plaats op de vensterbank of anders in de nabijheid van een raam kan geven.

De voortkweeking geschiedt het best en snelst door middel van stekken, die meestal zeer gemakkelijk wortelen; doch ook door zaad kan men ze in de kamer voortkweeken. Dit moet juist op dezelfde wijze behandeld worden als dat der Knolbegonia’s. Wanneer men de zaden vroegtijdig in Februari of Maart uitzaait, dan is deze cultuur zeer aangenaam, daar de zaailingen snel groeien en meestal, eens gerepikeerd, groot genoeg zijn om afzonderlijk in potjes te worden gekweekt.

De stengelachtige Begonia’s worden gewoonlijk in het voorjaar een weinig ingesneden en daarna verplant, terwijl zij dan midden in den zomer nog eenmaal verplant moeten worden. Het beste grondmengsel is zeker: gelijke deelen broei-, heide- of bladaarde, waarbij 1/10 scherp zand wordt gevoegd. Gedurende den groeitijd moet overvloedig gegoten worden. Tot de fraaiste winterbloeisters onder de stengelachtige Begonia’s behooren: Beg. albo-picta met wit gevlekte bladeren en zuiver witte bloemen; Beg. fuchsioïdes, een zeer bekende soort, met fraaie, donkergroene bladeren en donker-karmijnroode bloemen; Beg. Schmidtii, een sierlijke plant met donkergroene, aan de achterzijde roodachtige bladeren en rose bloemen; Beg. Erfordia, een nieuwe hybride, met karmijnroode bloemen en zwak behaarde bladeren en bladstelen. Al de hier opgenoemde soorten kenmerken zich door tamelijk kleine bladeren. Schoone soorten met grootere bladeren zijn: Beg. Credneri, een ongeveer 1 M. hoog wordende nieuwe hybride met metaalachtig glanzende bladeren, die getoond heeft uitstekend te zijn voor kamercultuur; Beg. hybr. President Carnot met saprijke dikke bladeren, die, volgroeid, zilverwitte vlekken hebben en rosekleurige bloemen; Beg. incarnata superba, een ongeveer 40 cM. hoog wordende plant, met bronsachtige, behaarde bladeren en witte bloemen; Beg. metallica, een zeer bekende soort met groote metaalachtig glanzende bladeren (de bloemen zijn rose, met een donkerroode sterk behaarde achterzijde); Beg. Scharffiana, een soort, die 30 cM. hoog wordt, met groote dikke fluweelachtige bladeren, waarvan de bovenzijde smaragdgroen en de onderzijde purperbruin is. De vrijstaande bloemen zijn groot en zuiver wit. Tot deze Begonia’s behoort ook nog de Begonia semperflorens met haar verschillende variëteiten. Deze Begonia heeft kleine, uit de bladoksels ontspringende witte en rose bloemen, waarmede de plant somtijds rijk getooid is. Zij wordt zeer veel in den tuin gebruikt, doch ook voor potcultuur is zij uitstekend geschikt. Van deze soort zijn in de laatste jaren een paar zeer goede variëteiten in den handel gebracht en wel de Beg. semperflorens Lambertus met witte, eenigszins grootere bloemen en de Beg. semperflorens atropurpurea (Vernon) met fraaie, roode bladeren en schitterend roode bloemen.

Fig. 106. Begonia metallica.

Fig. 106. Begonia metallica.

Een geheel nieuwe variëteit is de Beg. semperflorens Teppichkönigin; deze wordt slechts weinige centimeters hoog, draagt fraaie, rose bloemen en is een zeer sierlijk bloemplantje. De Beg. semperflorens hebben gewoonlijk een knolvormig verdikten wortelstok; dikwijls sterven zij na den bloei, in het najaar, bijna geheel af; zij moeten dan droog en wat koeler gehouden worden. Verplant men ze in het voorjaar en snijdt men ze, wanneer de stengels niet afgestorven zijn, daarna goed in, dan groeien zij spoedig weer uit en dragen binnenkort weder bladeren en bloemen. Op dezelfde wijze moet ook de Beg. Weltoniensis behandeld worden; dit is een oude, zeer geliefde plant met tamelijk kleine bladeren en zacht rose bloemen.

Fig. 107. Begonia semperflorens.

Fig. 107. Begonia semperflorens.

Clivia (Imantophyllum.) De familie van de Amaryllideeën, waartoe ook de Clivia behoort, bevat een zeer groot aantal fraaie bloemplanten. Onder al deze gewassen neemt de Clivia, een kruidachtige plant, een der eerste plaatsen in; zij is een duurzame en zeer dankbare plant, die ook in de kamer zeer goed tot bloei komt. Er komen in den handel twee soorten voor, namelijk de Clivia nobilis een soort, die, niettegenstaande haar naam, niet zeer aanbevelenswaardig is en ook niet veel meer wordt aangetroffen, en de algemeen verspreide Clivia miniata.

De laatstgenoemde, uit Port-Natal afkomstig, is een pracht-plant van den eersten rang. Bij deze plant ontspruiten de scheuten met riemvormige, ongeveer 5 cM. breede, donkergroene, elegant gebogen bladeren direct uit de dikke, vleeschachtige wortels. Alleen reeds om haar schoone bladeren is zij een aanbevelenswaardige kamerplant. Maar ook is zij een dankbare bloeister, die in den winter of de lente, en dan dikwijls weder midden in den zomer, haar bloemen ontwikkelt. Op een, tusschen de bladeren ontspruitenden bloemsteel van ongeveer 35 à 40 cM. hoogte, ontwikkelt zich een groot bloemscherm, dat uit minstens 12 à 15 groote, menieroode bloemen bestaat. In de laatste jaren zijn er zeer schoone variëteiten van gewonnen, met meer of minder donkerrood gekleurde bloemen, waarvan er vaak 30 tot 40 op één bloemsteel vereenigd zijn. Daar de bloemen zich op één scherm niet alle te gelijk openen, maar dit na elkander doen, duurt den bloei verscheidene weken. Bevruchten wij de bloemen, door met een penseeltje, gedurende de middaguren, wat stuifmeel op den stempel te brengen, dan zullen zich groote roode bessen ontwikkelen, die zeer lang duren en een fraai voorkomen aan de plant geven.

De Clivia is een zeer harde plant, die men desnoods gedurende den zomer buiten kan kweeken, doch het gansche jaar door in de kamer gehouden, groeit zij ook zeer goed, mits men er voor zorgt, dat zij noch in de volle zon, noch te warm staat; daar zij in het eerste geval brandvlekken krijgt, en in het tweede geval door insecten wordt aangetast.

De dikke vleezige wortels der plant toonen reeds aan, dat zij een zwaren, voedzamen grond verlangt. De jonge planten moeten jaarlijks, de oudere om de twee jaar in zulke aarde verplant worden. Houdt men haar gelijkmatig vochtig en vooral zindelijk, dan ontwikkelt de Clivia van 4–6 bladeren per jaar.

Fig. 108. Clivia (Imantophyllum) miniata.

Fig. 108. Clivia (Imantophyllum) miniata.

Des winters behoeft men haar geen hoogere temperatuur te geven dan, 45° Fahr., hoewel de Clivia’s ook zeer goed voor het venster van een verwarmde kamer groeien. In elk geval is het voorzichtig de koud gehouden planten wat warmer te zetten, zoodra men bemerkt, dat zich tusschen de bladeren een jonge bloemsteng bevindt. Warm gehouden, bloeien deze planten vaak reeds tegen Kerstmis of Nieuwjaar.

De vermenigvuldiging der Clivia geschiedt door middel van uitloopers, die men, bij het verpotten, zóó afsnijdt, dat er eenige wortels aan zitten. Deze scheuten worden dan in betrekkelijk kleine potten opgepot. Ook kan men oude planten zeer goed scheuren, wanneer men zorgt, de beschadigde wortels met een scherp mesje weg te snijden. Ook uit zaden kan men zeer goed jonge planten kweeken, welke echter pas na verloop van enkele jaren bloeibaar worden.

Hedychium. De Hedychiums zijn fraaie, Indische planten, met knolvormige wortelstokken, waaruit zeer sterke, met ongeveer 12 cM. lange bladeren bezette stengels ontspruiten. Iedere krachtig ontwikkelde stengel vormt, nadat hij volwassen is, aan den top een mooie, dikwijls uit zeer welriekende bloemen bestaande aar. De meest verspreide soort is de Hedychium Gardnerianum, met citroengele bloemen.

De Hedychiums verlangen een zeer voedzame, zware aarde; zij moeten gedurende haar groeitijd rijkelijk begoten worden, terwijl zij des winters betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden moeten worden, wijl zij dan wel rusten, doch niet afsterven. Des zomers kan men deze plant ook wel buiten kweeken; des winters moet zij echter op een lichte plaats in de warme kamer worden gezet.

De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door scheuren der oude plant.

Impatiens Sultani. Deze Impatiens is een der fraaiste soorten voor de kamer; zij behoort op Zanzibar en in tropisch Afrika thuis. De gemakkelijke groei en de onophoudelijke ontwikkeling der schitterend roode bloempjes maken haar tot een der sierlijkste bloemplanten. De bloemen staan vrij boven de bladeren uit, wat een aanmerkelijk voordeel van deze soort boven vele andere Balsaminen is, welker bloemen onder de bladeren verborgen liggen.

Fig. 109. Impatiens Sultani.

Fig. 109. Impatiens Sultani.

Beter nog dan in een kas groeit de Impatiens Sultani, wanneer zij voorzichtig behandeld wordt, vóór een op de morgenzon gelegen venster. Zij groeit en bloeit daar onophoudelijk, winter en zomer door, waardoor zij zeer veel genoegen verschaft. Zij moet in zeer voedzamen grond gekweekt worden, terwijl men haar des zomers zeer rijkelijk en des winters spaarzaam moet begieten.

Eenige jaren geleden is een nieuwe soort, de Impatiens Holstii in den handel gebracht, waarvan fraaie verscheidenheden zijn gewonnen. Ook deze zijn voor kamercultuur zeer goed geschikt.

De vermenigvuldiging geschiedt door zaaien en stekken. De stekken maken zeer gemakkelijk wortel en de algemeene opinie is, dat stekplanten beter bloeien dan zaadplanten.

Mimosa pudica (Kruidje-roer-mij-niet.) Deze Mimosa is een overblijvend plantje uit Brazilië, dat echter meestal als éénjarig wordt behandeld. De lichtpaarse, kogelvormige bloemhoofdjes onderscheiden zich slechts door de kleur van die der Acacia’s, aan welk geslacht zij dan ook zeer nauw verwant is. De fraaie, dubbel gevederde bladeren zijn lichtgroen van kleur. Zeer interessant is het Kruidje-roer-mij-niet door de gevoeligheid der bladeren. Het geringste tochtje en de minste aanraking veroorzaken het te-zamen-buigen en neerhangen der blaadjes en bladstelen. De snel op elkander volgende bewegingen zijn drievoudig; de kleine zijblaadjes buigen zich naar elkander toe, en richten zich tegelijkertijd naar voren, zoodat zij elkander gedeeltelijk bedekken, daarna buigen zich de vederblaadjes dragende bladstelen naar beneden en ten slotte gaat het geheele blad langs de plant hangen. Na een korten tijd nemen de bladeren hun gewonen stand weder in. Op welk punt men het blad ook aanraakt, de gevoeligheid plant zich over het geheele blad voort. Gedurende den nacht hangen de blaadjes dezer Mimosa slap bij de plant neer; een toestand, dien men met slapen zou kunnen vergelijken. Oude bladeren verliezen hun gevoeligheid en ook de jonge blaadjes doen dit, wanneer men ze te veel aanraakt.

Het Kruidje-roer-mij-niet verlangt veel vochtigheid en ook een vochtige lucht, zoodat het bijna uitsluitend in het kamerkasje moet gekweekt worden. In Februari of Maart worden de zaden, nadat zij een paar dagen in lauw water geweekt zijn, gezaaid. Zij hebben dan een temperatuur van ongeveer 65° noodig om te kiemen. De jonge zaadplantjes kunnen spoedig afzonderlijk opgepot, en moeten later in potjes van 10 cM. wijdte gezet worden. Men moet zorgen voor een voedzamen grond en voor een rijke begieting. Het is een zeer ondankbaar werk, deze plantjes te laten overwinteren, waarom men beter doet jaarlijks jonge plantjes uit zaad te kweeken.

Peperomia resedæflora. Deze Peperomia is een kleine, maar zeer dankbare plant, met lichtgroene, wortelstandige, bijna geheel ronde bladeren. Boven deze bladeren verheffen zich des zomers lange, bebladerde bloemstengels, die kleine, witte bloemaartjes dragen, welke bij oppervlakkige beschouwing aan de bloemtrosjes van Reseda doen denken.

Deze Peperomia moet in zandige broeiaarde gekweekt worden, terwijl men haar des winters warm en tamelijk droog moet houden. Des zomers groeit en bloeit zij uitstekend voor het venster, hoewel men haar, mits op een beschaduwde plek, ook buiten kan zetten.

De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door stekken, die bestaan uit één blad met een stukje van den stengel. Deze stekken zet men ieder afzonderlijk in een potje en plaatst ze daarna in het kamerkasje.

De tusschen het blad en den stengel gezeten knop zal spoedig gaan doorgroeien, wortel schieten en een jonge plant vormen. Ook door de verdeeling der oude plant kan men haar vermenigvuldigen.

Pilea muscosa (Kanonnierplantje.) De kanonnierplantjes zijn schijnbaar onbeduidende, tot de brandnetels behoorende plantjes. Zij zijn aanbevelenswaardig door haar gemakkelijke cultuur en door een interessante eigenschap. Dompelt men een, met haar bijna onzichtbare bloemknopjes dicht bezette plant in koud water, en haalt men haar direct weder daaruit, dan breken weldra de meeldraden uit de knoppen; de helmknopjes springen met een ruk open en werpen het zeer fijne stuifmeel uit, dat dan als een plotseling verschijnend rookwolkje uit het plantje schiet. Dit kan zóó sterk geschieden, dat de plant als het ware in een rookwolk is gehuld.

In goede aarde geplant, groeit de Pilea, die des winters slechts matig vochtig moet gehouden worden, zeer gemakkelijk voor het venster. De voortkweeking kan op iederen tijd van het jaar geschieden door stekken, die vlug wortelen.

Torenia. Door de pracht van haar zeer sierlijk gekleurde bloemen heeft de uit Azië afkomstige Torenia een groote waarde als bloemplant. De bloemen zijn trechtervormig en aan de voorzijde wijd uitgespreid; zij zijn schitterend blauw met een witte vlek in de keel. De kleine plantjes, die ovale blaadjes bezitten, hebben echter nogal behoefte aan veel warmte.

De voortkweeking geschiedt door stekken, doch de liefhebber doet veel wijzer, deze planten in het voorjaar uit zaad te kweeken en ze in het najaar weg te werpen, daar de overwintering in een kamer niet altijd gelukt. Enkele soorten der Torenia o.a. de Torenia asiatica heeft hangende stengels, en kan dus zeer goed als ampelplant gebruikt worden.

Men moet de Torenia dikwijls verpotten in goede broeiaarde en haar en lichte plaats voor een zonnig venster geven.

De aanbevelenswaardigste soort is Torenia Fournieri. Men kan deze soort direct zaaien in de potten, waarin zij moeten bloeien. Deze potten moeten niet wijder zijn dan 10 cM.; men vult ze tot op 3 cM. onder den rand met aarde, waarop dan gezaaid wordt. Van de opkomende zaailingen laat men de drie sterkste in den pot staan en trekt de andere er uit. Zijn de plantjes groot genoeg geworden, dan vult men den pot tot op een gewonen gietrand met aarde aan, om zoodoende de plantjes goed vast te zetten.

Vinca rosea. Deze sierlijke plant, die ook wel voorkomt onder den naam Lochnera rosea, wordt ongeveer 30 à 40 cM. hoog. Zij is uit Zuid-Afrika afkomstig. De bladeren zijn glad en glanzend groen, de bloemen schitterend rood of wit; deze ontwikkelen zich van het begin van den zomer tot diep in October.

De Vinca rosea is een zeer dankbare kamerplant: zij heeft des zomers gaarne volop water, een zonnige standplaats en goeden, voedzamen grond.

De voortkweeking geschiedt door stekken. Ook als éénjarige plant kan men haar zeer goed behandelen, in welk geval zij in het voorjaar uit zaden moet gekweekt worden.

Bol- en Knolgewassen.

Amaryllis. Het geslacht Amaryllis behoort tot de groote familie der Amaryllideeën, die zeer schoone bloemplanten bevat. Vroeger omvatte dit geslacht veel meer soorten dan tegenwoordig, nu de meeste tot andere geslachten gebracht zijn. Het tegenwoordige geslacht Amaryllis omvat nog slechts de Amaryllis Belladonna met haar variëteiten.

De Amaryllis Belladonna is wel niet een onzer fraaiste kamerplanten, maar als herfstbloeister is zij toch lang niet verwerpelijk. Zij is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. De ontwikkelde bol, die des zomers in volmaakten rusttoestand verkeert, is vrij groot en eenigszins peervormig. Op een bloemsteng van 50 à 60 cM. hoogte ontwikkelt zich een bloeiwijze van 4 tot 8, gewoonlijk zacht riekende bloemen. Deze bloemen komen, wat den vorm betreft, volmaakt overeen met de gewone Lelie; zij zijn echter niet zoo groot. Bij de oorspronkelijke soort is de kleur zacht rose, maar men heeft thans ook variëteiten met vuurroode, purperkleurige en witte bloemen. De groote, donkergroene bladeren der Amaryllis ontwikkelen zich te gelijk met of na den bloei; zij zijn tamelijk talrijk en groeien den geheelen winter en de geheele lente door, sterven dan langzaam af, waarna de bol weder zijn rustperiode intreedt.

Fig. 110. Amaryllis Belladonna.

Fig. 110. Amaryllis Belladonna.

De cultuur dezer plant moet zich natuurlijk naar de hier beschreven levenswijze regelen. De bollen worden tegen het einde van den rusttijd, in Augustus, alleen of met meerdere te zamen, in niet te groote potten gezet. Men gebruikt daartoe zandigen, niet te lichten grond. Na opgepot te zijn, zet men ze voor het zonnige venster van een goed gelucht vertrek, en begiet ze slechts matig, zoo lang, totdat de bloemsteng zich vertoont. De uitgebloeide planten laat men in een koude, doch vorstvrije kamer overwinteren, zij worden matig vochtig gehouden. Zoodra de bladeren beginnen af te sterven, houdt men met gieten op; zijn zij geheel verdord, dan wordt de bol uit den pot genomen, goed schoongemaakt en tot aan den planttijd, half Augustus, droog bewaard.

Zeer groote waarde als kamerplanten hebben de nieuwere variëteiten van de reeds zeer lang in trek zijnde Amaryllis-soorten, die zich door roode of rood met wit gestreepte reusachtige bloemen onderscheiden. Deze soorten sterven niet geheel af, hoewel zij ook tot de bolgewassen behooren. Deze zeer fraaie bloemplanten, die in den winter en de lente haar bloemen ontwikkelen, dragen in de kweekerijen den naam van Amaryllis, hoewel zij eigenlijk tot het geslacht Hippeastrum behooren.

De zeer schoone variëteiten stammen van verschillende soorten, waarvan tegenwoordig nog slechts de Hippeastrum vittatum gekweekt wordt. Al de variëteiten hebben zeer groote, trechtervormige bloemen, die uit zes bloembladeren bestaan. De kleuren varieeren in alle tinten tusschen het zachtste en het vurigste rood.

Fig. 111. Hippeastrum.

Fig. 111. Hippeastrum.

De schoonste en schitterendste Hippeastrum-variëteiten, die groote, rechtop staande bloemen dragen, zijn gewoonlijk niet gemakkelijk te kweeken, en hebben veel warmte noodig. Eenige meer bescheiden variëteiten zijn echter niet zoo moeilijk.

Bij de cultuur van alle Hippeastrums moet men er op rekenen, dat zij een goede, zware aarde verlangen, samengesteld uit ⅓ blad-, ⅓ broei- en ⅓ graszoden- of kleigrond, vermengd met een goede hoeveelheid zand, terwijl zij in haar rusttijd nooit geheel haar wortels verliezen. Des zomers kweekt men haar voor het geopende venster of in het bloemenrekje; zij verlangen dan rijkelijk water en bescherming tegen de te scherpe zon; zij ontwikkelen dan een aantal riemvormige bladeren. Zoodra zij in het najaar ophouden met groeien, moet men beginnen minder te gieten. Vóórdat de koudere nachten beginnen, zet men de planten in een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr. Een bijzondere plaats hebben zij niet noodig. Zooals wij reeds gezegd hebben, rusten de Hippeastrums niet volmaakt, daar de wortels niet afsterven; men moet ze dus des winters ook een weinig begieten. Veel water mogen zij echter niet hebben, en de aarde moet altijd meer droog dan vochtig zijn. Soorten, waarvan de bladeren afsterven, worden minder, die, welke ze behouden, iets ruimer begoten. De potten met kleine, nog niet bloeibare bollen, kunnen tot aan de lente in een koele achterkamer blijven staan, de bloeibare planten kunnen echter, na eenigen tijd gerust te hebben, in een warmer vertrek gezet worden. Het ligt in de hand van den liefhebber om den bloei te bespoedigen of te vertragen. Zet men de bollen warm, zonder ze te begieten, dan zullen de bloemstengen zich weldra vertoonen. Een spoedige bloei wordt zeer zeker bereikt, wanneer men de warm staande bollen zóó lang droog houdt, totdat de bloemsteng geheel voor den dag getreden is en aan den top de door een schutblad omgeven knoppen toont. Van nu af aan moet geregeld gegoten worden, natuurlijk met water, dat de temperatuur van het vertrek heeft. De bloemsteng zal zich dan flink gaan ontwikkelen, en, al naar de soort, zullen de bladeren gelijktijdig of pas na den bloei verschenen. Het is geraden, wanneer men op kamercultuur aangewezen is, de bollen niet vóór Maart warm te zetten, ten einde den bloei tot die maand tegen te houden.

Nadat de bloei geëindigd is, begint het tweede gedeelte der cultuur. De bollen moeten nu verplant worden. Men neemt ze uit de potten, schudt al de oude aarde tusschen de vleezige wortels uit en snijdt met een scherp mesje alle zieke wortels weg. De nieuwe pot moet zoo groot zijn, dat de wortels er gemakkelijk in passen, doch meer niet; ook moet hij, vóór het gebruik, goed schoongemaakt worden.

Bij het planten moet men er op letten, dat slechts de wortelhals van den bol onder de aarde komt, hij zelf moet er bovenuit steken.

De zoo verplante Hippeastrum wordt goed aangegoten en totdat zij doorgeworteld is voor het gesloten venster van een warme kamer gezet. Van Juni af kunnen zij, wanneer men ze langzaam aan de lucht gewend heeft, buiten gezet worden.

Een groote fout in de cultuur bestaat daarin, dat de liefhebbers hun bollen geen rust geven, en ze van het begin van den winter af te warm en te vochtig houden. Deze behandeling zullen zij één winter verdragen; doet men het een tweeden winter weer, dan worden de bollen zwak, zij ontwikkelen zieke bladeren en bloeien niet meer.

Wil men de Hippeastrum in de kamer vermenigvuldigen, dan kan men daartoe de kleine bolletjes nemen, die zich tegen den ouden bol aan ontwikkelen. Deze worden steeds bij het verplanten van de moederbol afgenomen. Er gaan echter verscheidene jaren mede weg, eer men van een kweekbol een bloeibaren bol verkrijgt.

Begonia. Hebben wij in een voorgaand hoofdstuk de stengel-Begonia’s behandeld, thans zullen wij het een en ander mededeelen over de Knolbegonia’s.

Fig. 112. Enkelbloemige Knolbegonia.

Fig. 112. Enkelbloemige Knolbegonia.

De Knolbegonia’s hebben zich in de laatste jaren, door haar uitstekende eigenschappen als bloemplanten een eerste plaats veroverd, zoowel onder de pot- als onder de tuinplanten. De oorspronkelijke, uit Amerika afkomstige soorten bezaten geen zeer hooge waarde; zij hadden lange, kruidachtige stengels, kleine, spitse bladeren en weinig beteekenende, uit vier smalle bloemblaadjes bestaande, hangende bloemen. Uit deze weinig fraaie soorten zijn, door de volharding der kweekers, de thans algemeen verspreide rassen ontstaan, met groote flinke bladeren en prachtige, rechtop staande, schitterende bloemen.

De tegenwoordige Knolbegonia is in al haar vormen het product der kweekerskunst. Engelsche, Fransche, Belgische en Hollandsche kweekers hebben haar tot haar tegenwoordigen trap van volmaaktheid gebracht. De uit haar vaderland ingevoerde Knolbegonia kenmerkte zich wel door een zeer dankbaren bloei, maar haar bloemen waren, zoals wij reeds gezegd hebben, klein. Door kruising der verschillende soorten en variëteiten onder elkander trachtte men daarvan grootbloemige verscheidenheden te verkregen. Van het jaar 1870 af zijn de op deze wijze verkregen variëteiten zeer snel op elkander gevolgd. In het jaar 1882 kwam de te St.-Louis de Potosi gevonden Begonia Martiana gracilis in den handel. Deze rechtop groeiende soort met ronde knollen, vleezige, glanzende, metaalachtige bladeren en rose bloemen, die gedrongen in de bladoksels zitten, is zeker wel een der schoonste oorspronkelijke soorten en heeft dan ook niet weinig tot het winnen der nieuwere variëteiten bijgedragen.

Fig. 113. Gevuldbloemige Knolbegonia.

Fig. 113. Gevuldbloemige Knolbegonia.

In de laatste 6 à 8 jaar zijn de Knolbegonia’s bijna tot den hoogsten trap van volmaaktheid gebracht; de stoutste verwachtingen der kweekers zijn overtroffen, want geen ander plantengeslacht heeft in zoo’n betrekkelijk korten tijd zulk een groote verandering ondergaan. Wanneer men de uit haar vaderland ingevoerde soorten met de tegenwoordige hybriden vergelijkt, dan houdt men het bijna voor onmogelijk, dat de meest beredeneerde kruisingsmethode en de zorgvuldigste keuze der hybriden een plantengeslacht in korten tijd zoo geheel hebben kunnen wijzigen. In haar tegenwoordigen vorm is de Knolbegonia zoo’n schoone plant en heeft zij zooveel waarde, dat zij zonder twijfel een door de liefhebbers meest gezochte plant zal blijven. De bloemstelen, die uit de bladoksels spruiten, dragen verscheidene bloemen en zoowel mannelijke als vrouwelijke, want de bloemen zijn éénslachtig. De mannelijke bloemen verschijnen het talrijkst en zijn ook het schoonst. De kleur der bloemen doorloopt alle tinten tusschen het zachtste rose en het donkerste rood; ook gele en witte bloemen worden aangetroffen, doch niet zoo talrijk. De fraai gevormde bloemen kunnen, bij een goede behandeling, een doorsnede bereiken van 16–18 cM. Ook de gevuldbloemigen zijn in de laatste jaren veel verbeterd, en vooral die zijn zeer schoon, welke regelmatig gevormd zijn en goed rechtop staan.

Zooals bekend is, wordt een gevulde bloem gevormd door de vergroeiing van de meeldraden, zoodat slechts de mannelijke bloemen tot gevulde kunnen overgaan, terwijl de vrouwelijke steeds enkel blijven; er komen echter wel planten voor, die uitsluitend gevulde mannelijke bloemen dragen.

Fig. 114. Begonia met welriekende bloemen.

Fig. 114. Begonia met welriekende bloemen.

Alle Begonia’s hadden een gebrek, dat aan zeer vele fraai gevormde of gekleurde bloemen eigen is: zij waren geheel reukeloos. De nieuwste gebeurtenis op het gebied der Begonia-cultuur is het vinden van een welriekende Begonia. De nu bestaande welriekende Begonia’s hebben alle een stammoeder in de Begonia Baumannii. Volgens een bericht in de Revue horticole werd deze soort gevonden door Dr. Sell in Cochabamba (Bolivia), die er in 1886 de eerste zaden van zond aan den heer Baumann, te Bollweiler in den Elzas. Ter eere van dezen heer draagt de Begonia dan ook zijn naam. In haar moederland moet deze soort zeer groote knollen vormen, ongeveer ter grootte van een meloen, met een gewicht van 375 gram. De bladeren zijn slechts zeer weinig scheef, eerder niervormig; de bloemen zijn, wat erg jammer is, niet zeer groot, rose, zij verspreiden een zeer aangenamen geur. Door deze soort met grootbloemige Knolbegonia’s te kruisen, heeft men in den laatsten tijd variëteiten gewonnen met betrekkelijk groote bloemen, die zeer aangenaam rieken en waarvan de bloemen evenals bij de Begonia Baumannii hoog boven de bladeren uitsteken.

Niet alleen in het verkrijgen van goede soorten, maar ook in de cultuur is men veel vooruitgegaan. Terwijl men vroeger aannam, dat een Knolbegonia, om goed te groeien, steeds in eene warme kas moest staan, maar daarmede natuurlijk weinig resultaten verkreeg, kweekt men ze tegenwoordig met uitstekende resultaten des zomers buiten.

Wanneer een mooie plant algemeen verspreid zal raken, dan moet zij eenvoudig en gemakkelijk te kweeken zijn, veelzijdig gebruikt kunnen worden en zich kenmerken door een langen en rijken bloei. Aan al deze eigenschappen voldoet de Knolbegonia. Daargelaten nog, dat zij in den tuin veelvuldig gebruikt kan worden tot het beplanten van bloemvakken en rabatten, zoowel op een zonnige als op een half beschaduwde plek, is zij een uitnemende plant voor de beplanting van bakjes en voor potcultuur. In potten gekweekt, wil de Knolbegonia des zomers gaarne buiten voor het venster staan, en daar zij voor haar snellen groei en rijken bloei veel voedsel noodig heeft, moet men haar meermalen verpotten in voedzame met wat zand vermengde broeiaarde, terwijl zij dan ook veelvuldig begoten en gegierd moet worden.

In het laatste gedeelte van den herfst, wanneer de Knolbegonia haar volle ontwikkeling heeft bereikt, houdt zij op met groeien; zij begint zich dan voor te bereiden voor haar rusttijd. Zoodra men bemerkt, dat zij ophoudt met groeien, geeft men haar minder water, en wanneer de bladeren en stengels beginnen af te vallen, laat men haar geheel opdrogen. Is de aarde geheel opgedroogd, dan neemt men de knollen uit de potten, om ze op een vorstvrije plaats te laten overwinteren. Het is raadzaam, de knollen, nadat men ze uit de potten genomen heeft, in kistjes met droog zand te leggen; zij overwinteren dan beter. Toch gebeurt het nog wel eens, dat er knollen gedurende den winter verloren gaan; dit is niet altijd te voorkomen, maar het is daarom raadzaam ze gedurende den winter nu en dan na te zien om de rottende tijdig te kunnen verwijderen. Een Begonia-knol kan zeer lang, tot in Mei, bewaard worden. Wij kunnen hem echter reeds in Januari aan den groei brengen, al naardat men hem vroeger of later in bloei wenscht te zien. De knollen, die men aan den groei brengt, worden zoodanig in met zandige heideaarde gevulde potten gezet, dat zij niet geheel met aarde bedekt zijn, daar zij dan gemakkelijker uitgroeien. Later, bij het verplanten, kan men ze geheel onder de aarde brengen. De potten moeten in den beginne gelijkmatig vochtig gehouden, voor het venster van het woonvertrek gezet en tegen te felle zon geschermd worden. De opgepotte Begonia-knollen groeien gewoonlijk pas na eenigen tijd uit; eerst vormen zich wortelspitsjes, daarna knoppen, waaruit dan ten laatste de bladeren verschijnen. Zijn zij eenmaal uitgegroeid, dan gaat de groei zeer snel, het eene blad volgt op het andere, en na enkele weken draagt zelfs het kleinste knolletje krachtige scheuten en fraaie bloemen. Zoolang een opgepotte Begonia-knol hard blijft, kan men zeker zijn, dat hij nog gezond is, ook al wacht hij tamelijk lang met uitgroeien.

Zeer interessant en dankbaar is de cultuur van Knolbegonia’s uit zaad. De stoffijne zaden moeten zeer voorzichtig gezaaid worden, wat men het best doet in schotels, die goed gedraineerd en met een zeer fijn gezeefd grondmengsel gevuld zijn. Voor aarde gebruikt men het best bladgrond, vermengd met veel zand. Ook kan men de zaden uitzaaien op een stukje vezelgrond of een schijfje losse turf, dat men in een schotel legt. Voor het gieten behoeft men dan slechts wat water in den schotel te gieten, dat dan door den turf wordt opgezogen. De beste tijd om te zaaien is einde Februari of begin Maart. Na de zaden gezaaid te hebben, worden de schotels met een glasschijf gedekt, voor het venster van het woonvertrek gezet en tegen te felle zon beschermd. Bij een gemiddelde temperatuur van 60° Fahr. kiemt het zaad in hoogstens 14 dagen. De nu opkomende zaailingen zijn zeer fijn en vooral moet men dus, wanneer zij dicht op elkander staan, zeer voorzichtig zijn met gieten, daar zij zeer gemakkelijk wegrotten. Om dit te voorkomen, is het voorzichtig niet te lang met repikeeren te wachten. Dit moet uiterst voorzichtig geschieden, aangezien de zaailingen, zooals gezegd is, zeer klein, maar ook zeer broos zijn. Men repikeert de plantjes in dezelfde aarde, waarop men gezaaid heeft, en plant ze op een onderlingen afstand van ongeveer 1 cM. uit. Zoodra zij zóó groot geworden zijn, dat zij elkander raken, moet men weder repikeeren; zij kunnen nu in iets grovere aarde geplant en op een onderlingen afstand van 3 cM. gezet worden. Raken de bladeren elkander nu weer aan, dan worden de plantjes afzonderlijk in kleine potjes geplant. Bij een goede behandeling beginnen de in Februari gezaaide Begonia’s reeds in Juni of Juli te bloeien, zij vormen dan vóór den rusttijd nog vrij flinke knollen.

De enkelbloemige Begonia’s laten zich, wanneer de zaden van goede bloemen gewonnen zijn, tamelijk constant uit zaad voortkweeken. Met de gevuldbloemige variëteiten gaat dit echter niet zoo gemakkelijk. Zaait men deze uit, dan zal zich onder de zaailingen een groot aantal enkele of half gevulde verscheidenheden bevinden. Constant kan men de gevuldbloemige dan ook alleen door stekken vermenigvuldigen, die wel zeer goed wortelen en bloeien, doch gewoonlijk geen knol, maar slechts een verdikking van den stengel vormen, welke zeer slecht overwintert.

Canna. De oude Canna-soorten en variëteiten zijn algemeen bekende planten, die voor groepen zeer veel gebruikt worden. Zij hebben een dikken, knolvormigen wortelstok, waaruit zich in de lengte kruidachtige stengels ontwikkelen, die somtijds 2½ à 3 M. hoog kunnen worden, en die groote, ovale, groene, roode of gestreepte bladeren dragen. Uit deze stengels ontwikkelt zich ten laatste een tros onbeteekenende roode of gele bloemen, die zeer onregelmatig gevormd zijn. In de laatste jaren heeft men echter gedrongen groeiende, zeer schoon en rijk bloeiende variëteiten gewonnen, waardoor de Canna’s ook voor pot- en venstercultuur waarde hebben verkregen. Er zijn twee groepen fraai bloeiende Canna’s, namelijk de variëteiten van Canna gladioliflora en de Crozy Canna’s, welke laatste het eerst door den Franschen kweeker Crozy zijn gewonnen, en die uitmunten door haar schitterend gekleurde bloemen. De bloemen der Canna gladioliflora hebben in haar voorkomen wel wat van Gladiolus-bloemen; zij zijn echter onregelmatiger gevormd; de Crozy Canna’s daarentegen kenmerken zich door veel regelmatiger gevormde bloemen. De kleuren der grootbloemige Canna-soorten doorloopen alle schakeeringen tusschen geel en donkerrood, en deze soorten kenmerken zich vaak door fraai gevlekte of gestreepte bloemen.

Fig. 115. Canna gladioliflora.

Fig. 115. Canna gladioliflora.

De cultuur van deze schoone zomerbloeisters, die gelijke waarde hebben als blad en als bloemplanten, is zeer eenvoudig. Al naar wij ze vroeger of later in bloei willen hebben, worden de rustende knollen in Februari–April opgepot. Vóór het oppotten en ook nog later, wanneer de knollen reeds goede oogen ontwikkeld hebben, kan men ze, door ze in stukken te snijden, vermenigvuldigen, waarbij men er op moet letten, dat ieder gedeelte minstens één oog moet behouden. Het snijvlak, dat een dikke, kleverige vloeistof afscheidt, wordt dan met houtskoolpoeder bestrooid. Voor het oppotten moet tamelijk zware en goed voedzame, rijkelijk met zand vermengde grond gebruikt worden. Het beste grondmengsel is ⅔ broeiaarde en ⅓ klei- of graszodengrond. De potten, die men gebruikt, moeten zóó groot zijn, dat de knol er juist goed in past. Zij worden nu zoo warm mogelijk gezet en in den beginne matig met lauw warm water begoten; zoodra de scheuten zich krachtig beginnen te ontwikkelen, kan men meer water geven. Tegen het midden van de lente worden de Canna’s, door de vertrekken, waarin zij staan, meer en meer te luchten, langzaam gehard, zoodat zij in de eerste dagen van Juni in het bloemenrekje, buiten voor het venster, kunnen gezet worden; of wel, men plant ze tegen dien tijd in de balkonbakjes, waarin zij zich zeer goed zullen ontwikkelen. De in potten gekweekte Canna’s moeten gedurende den zomer rijkelijk gegierd en verscheidene malen verpot worden. Zet men de planten in het najaar voor het venster van het woonvertrek, dan zullen zij dikwijls tot diep in den winter doorbloeien.

Fig. 116. Canna Crozy.

Fig. 116. Canna Crozy.

Is de Canna uitgebloeid, dan geeft men haar langzamerhand minder water, neemt ze, na het afsterven der bladeren, uit den pot, snijdt alle scheuten eenige centimeters boven den knol af, kort de wortels diep in en laat de zoo schoongemaakte knollen op matig vochtig zand in een vorstvrijen kelder of in een koele achterkamer overwinteren. Hoe vroeger een Canna afsterft, des te vroeger kan zij weder aan den groei worden gebracht.

Behalve op de boven aangegeven wijze door deeling, laten de Canna’s zich ook door zaden voortkweeken. De groote, harde zaden legt men eenige dagen in lauw warm water te weeken, waarop zij ieder afzonderlijk in een potje worden gezaaid. Geeft men ze voldoende warmte en vochtigheid, dan zullen zij vrij spoedig kiemen.

Colchicum (Herfsttijdeloos). Een schoone vorm van de in sommige streken van ons land wild voorkomende Herfsttijdeloos is de Colchicum autumnale speciosum. Deze variëteit wordt tegenwoordig door vele bollenkweekers in het groot gekweekt en komt dan ook iederen herfst aan de markt. De mooie, goed gekweekte knollen, die tot 300 gram zwaar kunnen worden, en door de zaadhandelaars ieder najaar worden aangeboden, hebben al de stoffen, die zij tot de ontwikkeling van haar bloemen noodig hebben, in het voorjaar in zich opgenomen. De knollen kunnen in iederen grond worden geplant; men kan ze op met vochtig zand gevulde schotels zetten of ook wel droog op een vensterbank of étagère. Wanneer men ze zoo heeft staan, is het zeer aardig om te zien, hoe zich snel na elkander van 10 tot 30 fraaie licht violette bloemen uit den knol ontwikkelen, zonder dat deze één enkel blad draagt. Onze afbeelding (Fig. 118) toont een drogen knol, prijkende met zijn bloemen.

Fig. 117. Schoongemaakte Canna-knol.

Fig. 117. Schoongemaakte Canna-knol.

Evenals bij al de Colchicums verschijnen ook bij deze de bladeren eerst in het voorjaar, zij moet daartoe echter opgepot worden. De droge knol ziet er natuurlijk na den bloei verschrompeld uit. Tijdig opgepot, kan hij ook het tweede jaar weder bloeien, mits hij, tot aan het begin van zijn rusttijd, koel en vochtig gehouden wordt.

Crinum. Onder de fraaie bloemplanten, die voor de kamer geschikt zijn, nemen ook de Crinums een voorname plaats in. Deze fraaie bolgewassen, die tot de familie der Amaryllideeën behooren, hebben geen absoluten rusttijd; zij blijven dus steeds groen. De verschillende soorten behooren thuis aan de Kaap de Goede Hoop. In tropisch Azië, in Amerika en Nieuw-Holland. Zij dragen fraaie breede of ook wel riemvormige bladeren en groote bloemschermen.

Fig. 118. Colchicum autumnale.

Fig. 118. Colchicum autumnale.

Zeer schoone soorten zijn: Crinum Yemense, met atlas-witte zeer welriekende bloemen en Crinum Kirkii met groote, witte, purper gestreepte bloemen.

De Crinums hebben zeer groote, dikke bollen, met talrijke vleezige wortels; zij moeten dus in behoorlijk groote potten gekweekt worden. Als grondmengsel gebruikt men ½ deel bladaarde en ½ deel vetten graszodengrond, vermengd met veel zand. Oudere exemplaren behoeven slechts om de twee jaar verpot te worden.

De cultuur is zeer eenvoudig. Gedurende den winter worden de planten betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden; des zomers verlangen zij echter veel water, en het beste doet men dan ze in den tuin, liefst op een beschaduwde plek, of anders op het balkon, te zetten. Een bloeiende Crinum levert een prachtig gezicht op.

De voortkweeking geschiedt door kweekbolletjes, die van de oude plant, bij het verpotten, afgenomen worden.

Cyclamen (Alpenviooltje). Wie kent niet het lieve Alpenviooltje, met zijn mooie niervormige, veelal fraai geteekende bladeren en zijn zacht gekleurde, dikwijls welriekende bloemen? Nòch het in het voorjaar bloeiende Europeesche Alpenviooltje, Cyclamen europæum, nòch de andere harde Alpensoorten hebben als kamerplanten waarde. Een zeer gewaardeerde kamerplant is echter de Cyclamen persicum, waarvan gedurende den langen tijd, dat zij gekweekt wordt, talrijke schoone variëteiten zijn gewonnen. Hoewel de naam op Perzië duidt, behoort deze soort daar toch feitelijk niet thuis, daar zij van het eiland Cyprus afkomstig is. Waar men des winters bloemen kweekt, is ongetwijfeld ook de Cyclamen te vinden, daar zij naast de Primula een der dankbaarste winterbloeisters is. Hoewel de Cyclamen voor den leek niet de minste overeenkomst met de Primula vertoont, behoort zij toch tot dezelfde familie, namelijk die der Primulaceeën.

Uit een vlakken, schijfvormigen knol, die op de aarde rust, ontspringen de lang gesteelde, bijna altijd fraai geteekende bladeren, die zich bij vrijstaande planten gelijkmatig naar alle zijden uitspreiden, zoodat dan de plant den vorm van een halven kogel verkrijgt. Gedurende den zomer ontwikkelen zich tusschen de bladstelen de bloemknoppen, dikwijls bij tientallen te gelijk. Zij groeien gewoonlijk van September af langzaam door, verheffen zich boven de bladeren en ontplooien dan haar fraaie bloemen, die door de naar boven geslagen, vaak spiraalsgewijze gewonden bloembladeren, een zeer interessant voorkomen hebben. Hoe zuiverder en schitterender de bloembladeren zijn, des te schooner is de bloem. Naast de zuiver witte kleur, die echter niet dikwijls voorkomt, doorloopen de bloemen alle tinten tusschen het zachte rose en het vurigste rood. Ook komen er witte bloemen voor met roode strepen of vlekken en omgekeerd; zelfs gevulde variëteiten worden aangetroffen, doch deze laatsten zijn in schoonheid en sierlijkheid niet te vergelijken met de enkelbloemige. De oorspronkelijke Cyclamen kenmerkt zich door een wel wat scherpen doch overigens aangenamen geur; maar de kweekers der nieuwere variëteiten hebben er zich, jammer genoeg, nog niet op toegelegd welriekende te kweeken.

Fig. 119. Cyclamen persicum.

Fig. 119. Cyclamen persicum.

De fraaie Cyclamen persicum wordt tegenwoordig in bijna alle kweekerijen in groote getale gekweekt. De liefhebber koopt ze meestal tegen het najaar en de prijzen loopen daarbij sterk uiteen, al naar de variëteit en de grootte der plant, die men verlangt. Bij het koopen moet men er op letten steeds exemplaren te nemen, waarvan de knol zich boven de aarde bevindt en niet die, waarvan hij in de aarde geplant is; vervolgens moet men toezien, dat men goed bewortelde planten verkrijgt, die in den pot gekweekt zijn en ook, dat de bladeren van de te koopen planten niet waggelen of hangen, niet met stokjes en bast zijn opgebonden, maar stevig aan den knol bevestigd zijn. Ook moet men nooit in Augustus bloeiende Cyclamen koopen, daar deze spoedig met bloeien ophouden. De beste tijd om ze te koopen is in October; men moet dan planten nemen, die goed beknopt zijn en waarvan de eerste bloemen beginnen te ontluiken.

Gewoonlijk sterven de gekochte planten na korteren tijd, ook al zijn zij nog zoo krachtig, af, wijl zij verkeerd behandeld worden. Hoewel de Cyclamen den geheelen winter bloeit, wil zij, evenmin als de Primula, warm staan; zij is geen plant voor de woonkamer en gewoonlijk is zij te breed om tusschen dubbele vensters geplaatst te worden. Ook vorst kan zij niet verdragen, zoodat de beste plaats, die men haar geven kan, een lichte plek op de vensterbank van een kamer met een gemiddelde temperatuur van 45°–55° Fahr. is. Op zulk een plaats gezet, zullen de bloemen zich na elkander ontwikkelen en niet zelden zullen er 20 à 30 tegelijkertijd open zijn. De planten moeten af en toe met slappe gier begoten en matig vochtig gehouden worden. Bij het begieten moet men goed oppassen, dat er geen water tusschen de bladeren en op den knol blijft staan; hierdoor toch zouden niet alleen de bloemknoppen, doch ook de knollen zeer gemakkelijk gaan rotten, in welk laatste geval de plant zeker verloren is. Uitgebloeide bloemen en geel geworden bladeren moeten voorzichtig bij den knol worden afgesneden.

Nadat de bloei geëindigd is, begint de Cyclamen te rusten. Hoewel de kweeker meestal de uitgebloeide planten, als ze wat oud worden, wegwerpt en de oude knollen niet meer waard acht verder te kweeken, kunnen de liefhebbers ze verscheidene jaren bewaren en tot bloei brengen. Om dit te bereiken moet men ze op de volgende wijze behandelen: De uitgebloeide Cyclamen worden langzamerhand minder begoten, waardoor zij gaandeweg afsterven. In Juni zijn de knollen ontbladerd en men doet het best ze dan op een beschaduwde plek in den tuin te zetten. Hier laat men ze rustig staan; doch, wijl de wortels niet geheel afsterven, maar in leven blijven, moet men ze af en toe een weinig begieten, ten einde te voorkomen, dat de aarde geheel uitdroogt. Tegen het begin van den regentijd, in September, beginnen de knollen weder teekenen van leven te geven; zij worden dan voor den dag gehaald en in een mengsel van gelijke deelen broei- en blad- of heideaarde, goed met zand vermengd, opgeplant, voor een venster met morgenzon gezet en gelijkmatig begoten.

De voortkweeking van de Cyclamen geschiedt door zaden. Men kan zelf zeer goed zaden verkrijgen van in het voorjaar bloeiende bloemen, mits men deze bevrucht. Daar men niet gemakkelijk met een penseel bij de meeldraden kan komen, moet men de bevruchting op een andere wijze volvoeren. Op een zonnigen dag stoot men tegen den middag met duim en middelsten vinger krachtig tegen de bloem, zoodat deze flink heen en weer geschud wordt; het stuifmeel komt dan als een wolkje te voorschijn, wat voldoende is, om de bevruchting te doen plaats hebben. De bevruchte bloem bloeit snel uit, haar steel buigt zich over den potrand heen en na verloop van eenige weken rijpen in een bolvormige vrucht de tamelijk harde zaadkorrels. In Augustus worden de versche zaden in potten of schalen gezaaid; zij worden warm en gelijkmatig vochtig gehouden, waarop de kieming binnen 4–6 weken volgt. De zaailingen, die al heel spoedig een knolletje vormen, worden op de vensterbank gezet, tegen felle zon geschermd en, zoodra zij het tweede of derde blad vormen, gerepikeerd. Gedurende den winter worden de jonge plantjes nogmaals gerepikeerd en in het voorjaar kunnen zij dan afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot. De kweeker houdt zijn Cyclamen van den beginne af aan in een bak dicht onder het glas, totdat zij volgroeid zijn; de liefhebber moet zich echter met de vensterbank behelpen. De jonge Cyclamen, die niet, zooals de oude knollen, des zomers rusten, doch steeds doorgroeien, moeten in den loop van den zomer nog een paar keeren verpot worden; ook moet men bij zonnig weer voor behoorlijk schermen en spuiten zorgen. Hoewel men zoodoende vrij goede planten kan kweeken, zullen zij zich toch nooit zoo fraai ontwikkelen als in een bak, zoodat wij den liefhebbers, die niet zeer veel zorg aan hun planten kunnen besteden, aanraden liever jaarlijks eenige planten bij een vertrouwd kweeker te koopen.

Eucharis. Tot de fierste en te gelijk fraaiste winterbloeisters moet zeker wel de Eucharis gerekend worden. De verschillende soorten van het geslacht Eucharis behooren in tropisch Amerika thuis en wetenschappelijk vertoonen haar bloemen slechts een zeer gering verschil. In de kweekerijen treft men meestal vijf verschillende soorten aan; namelijk: Eucharis candida, Eu. grandiflora, Eu. Sanderiana, Eu. Mastersii en Eu. amazonica. De laatste soort wordt verreweg het meest gekweekt, waarom wij dan ook door Fig. 120 een zeer schoon exemplaar er van afbeelden. De Eucharis is een bolgewas, en haar bloemen toonen eenige overeenkomst met de Tazette, wat niet te verwonderen is, daar zij tot dezelfde familie behoort, namelijk tot die der Amaryllideeën; een familie, waaruit we reeds vele fraaie winterbloeisters vermeld hebben.

Onze fraaie afbeelding zal menig liefhebber den wensch doen koesteren zulk een schoone plant te bezitten. De vervulling van dezen wensch behoort wel tot de mogelijkheden, want zij zijn nòch moeilijk te verkrijgen, nòch duur; toch meenen wij tegen een overijlde aanschaffing er van te moeten waarschuwen. De Eucharis wordt wel algemeen als kamerplant aanbevolen, maar wij durven deze aanbeveling niet zonder voorbehoud onderschrijven. Slechts dien liefhebbers, die zeer veel ondervinding op het gebied van kamercultuur hebben, durven wij aanraden deze plant te kweeken. Hij, die lastige Amaryllissen en Orchideeën met succes in een kamer kweekt, kan zonder twijfel zijn krachten ook wel eens aan deze planten beproeven, andere liefhebbers moeten wij haar echter, met het oog op haar lastige cultuur, ontraden.

Fig. 120. Eucharis amazonica.

Fig. 120. Eucharis amazonica.

De Eucharis behoort tot die bolgewassen, welke niet geheel afsterven, zij moet dus ook gedurende haar rusttijd begoten worden. Veel water mag zij dan echter niet hebben; slechts genoeg om te voorkomen, dat de wortels en de bladeren verdrogen. Gedurende dezen rusttijd moeten zij ook luchtiger en koeler gehouden worden dan anders. Wenscht men des winters bloeiende Eucharissen te hebben, dan moet men het zoo trachten in te richten, dat de groeiperiode tegen Augustus eindigt. De Eucharissen groeien liefst gezellig, het kweeken van iederen bol afzonderlijk is dus zeer ondankbaar, zij bloeien dan zelden, of in het geheel niet. Het is daarom ook niet geraden om, zooals men bij de meeste bolgewassen doet, de kweekbolletjes spoedig te verwijderen; doet men dit bij de Eucharis, dan zal men weinig pleizier van haar beleven. Bij het aanschaffen tracht men flinke, groote exemplaren, dus echte bolkolonies te verkrijgen, en deze laat men, zonder ze te scheuren, doorgroeien, al worden zij ook nog zoo breed. Zulke groote planten bloeien zeer dankbaar en meestal wel twee keeren per jaar, eens in den voorzomer en eens in den winter.

Voor de cultuur van de Eucharis moet men geen gewone potten, doch zoogenaamde schalen gebruiken, die veel breeder zijn dan diep, natuurlijk mogen zij niet al te ondiep zijn, en ook moeten zich talrijke drainage-gaatjes in den bodem bevinden. Oudere exemplaren behoeven niet jaarlijks verpot te worden; is dit echter noodig, dan moet het na het einde der rustperiode geschieden. Wil men verpotten, dan wordt de plant uit den pot genomen, en worden de vleezige wortels voorzichtig losgemaakt, waardoor een deel der oude aarde er tusschen uitvalt. Aan de gezonde wortels mag nooit gesneden worden. Als aarde gebruikt men een voedzamen, doch zeer groven grond, het best is een mengel van twee deelen half verteerde bladaarde, waar de fijne aarde door zeven uit verwijderd is, één deel brokkeligen graszodengrond, één deel ouden koemest (in de meeste kweekerijen wel te verkrijgen) en één deel scherp zand. Wil men succes met zijn Eucharissen hebben, dan moeten zij op een lichte plaats staan met een gemiddelde temperatuur van 55°–65° Fahr. Tegen te felle zon moet geschermd worden, terwijl men, door herhaaldelijk te spuiten, de lucht voldoende vochtig moet houden. Heeft men gezonde exemplaren, dan moet men niet vergeten, die van tijd tot tijd te bemesten. Het best zal de Eucharis steeds in een kamerkasje groeien, waarin zij tegen tocht en droge lucht beschermd is.

Fig. 121. Hæmanthus albiflos.

Fig. 121. Hæmanthus albiflos.

Hæmanthus. De Hæmanthussen zijn sierlijke Amaryllideeën, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Zij hebben dikke bollen en betrekkelijk korte, zeer breede, stevige bladeren. In het voorjaar ontspruit tusschen deze bladeren de tamelijk korte, vleezige bloemsteng, die een, uit dicht op elkander geplaatste witte of roode bloempjes bestaand bloemscherm draagt. Door de ver uitstekende meeldraden hebben deze bloemen een zeer eigenaardig voorkomen. Zeer in trek zijn de Hæmanthus coccineus, met scharlakenroode bloemen; de Hæmanthus albiflos, die zeer op de voorgaande gelijkt, doch er van verschilt, doordat de bloemen wit en de meeldraden, geel zijn en de Hæmanthus Kalbreyeri, met fraaie, lichtroode bloemen.

De behandeling van de Hæmanthus is zeer eenvoudig. Des zomers kweekt men ze in het op de zon gelegen bloemenrekje buiten voor het venster, des winters daarentegen in een matig warme kamer. De verplanting moet geschieden na den bloei en in tamelijk zwaren grond. Bij het verplanten moet men de wortels zeer ontzien. Men moet er op passen gedurende den winter niet te veel water te geven. De vermenigvuldiging geschiedt door kweekbolletjes.

Fig. 122. Hæmanthus Kalbreyeri.

Fig. 122. Hæmanthus Kalbreyeri.

Hymenocallis (Pancratium). De Pancratiums staan zeer dicht bij de Eucharis en behooren ook tot de familie der Amaryllideeën. Het zijn bolgewassen met groote bollen, lange, tamelijk breede, riemvormige bladeren en op krachtige bloemstengen staande, schermvormige bloeiwijzen. De zachte vanieljegeur, dien zij verspreiden, is zeer aangenaam. De bloemen zijn pijpvormig, boven op dit pijpje zit een verbinding van meeldraden en vormt daar als het ware een trechter, ongeveer gelijk als die der Tazette; om dezen trechter staan stervormig de lange, witte, lijnvormige, teruggeslagen bloembladeren, die aan het geheele bloemscherm een los voorkomen geven.

De Pancratiums hebben, evenals verscheidene andere bolgewassen, geen absolute rustperiode, wat niet wegneemt, dat zij toch wel degelijk rusten. Zij behouden echter gedurende haar rusttijd de bladeren. De bollen worden gekweekt in een mengsel van blad- en broeiaarde, ouden graszodengrond en zand. Men behoeft ze niet alle jaar te verplanten, wanneer men ze in haar groeitijd nu en dan giert. Bij het verplanten, dat met het begin van den groeitijd moet gebeuren, schudt men al de oude aarde tusschen de dikke wortels weg, en snijdt de zieke wortels met een scherp mes af. Gedurende den rusttijd wordt weinig gegoten, ook behoeft men haar dan geen lichte plaats te geven. Bij het begin van den groeitijd zet men de planten voor het venster van een vertrek, dat op 60°–65° Fahr. verwarmd wordt. Des zomers heeft zij zooveel water noodig, dat men den pot in een schotel met water kan zetten.

Een zeer goede soort om in de kamer gekweekt te worden is de Pancratium caribæum van de Canarische eilanden; ook de Pancratium speciosum van de Antillen is een zeer dankbare en fraaie plant.

De voortkweeking van deze planten geschiedt het best door kweekbolletjes, die bij het verplanten van de moederplant worden afgenomen en afzonderlijk in potjes worden geplant.

Lilium (Lelie). De Lelies, de overal bekend en in trek zijnde bolgewassen, behooren tot de familie der Liliaceeën. Deze prachtige bloemplanten, die vooral voor den tuin groote waarde hebben, worden in Japan met groote voorliefde gekweekt en van daar in grooten getale in Europa ingevoerd. Zij ontwikkelen somtijds stengels van een aanmerkelijke lengte, die met lancetvormige bladeren bezet zijn en die dikwijls door tal van rijke, groote, zeer fraai gekleurde bloemen gekroond worden. De zes bloemdekbladeren, die de bloem vormen, geven haar nu eens het voorkomen van een pijpvormigen trechter, dan weer zijn zij elegant teruggeslagen en de stamper en meeldraden steken dan boven de fraai gevormde bloem uit.

Van de meer dan vijftig bekende Leliesoorten worden er slechts eenige in potten gekweekt. Fraaie potplanten vormen de Lilium Harrisii, met groote, trechtervormige, witte bloemen; de Lilium tigrinum, met donkeroranje, van binnen met scharlakenrood gespikkelde bloemen; de talrijke variëteiten der Lilium speciosum, met witte, vaak rose en rood gespikkelde bloemen, welke soort ook wel voorkomt onder den naam Lilium lancifolium, en eindelijk de fraaiste van alle Leliesoorten, de Lilium auratum, met zeer groote witte bloemen, waarvan de bloembladeren met purperroode stippels en gele strepen geteekend zijn. Deze soort, waarvan ook enkele variëteiten bestaan, is zeer welriekend.

De bollen van deze Leliesoorten zijn ieder voorjaar bij goede zaadhandelaars verkrijgbaar. In Japan worden talrijke Leliesoorten niet alleen als sierplanten, doch ook als voedingsgewassen gekweekt, waarvan de bollen gegeten worden.

Fig. 123. Lilium speciosum rubrum.

Fig. 123. Lilium speciosum rubrum.

De potcultuur der Lelies is zeer eenvoudig. Daar deze planten slechts voor versiering van het balkon, de veranda of den tuin kunnen dienen en in den zomer bloeien, begint zij pas in het voorjaar. Wij schaffen ons dus sterke en vooral goed gezonde bollen aan, en planten die, waartoe men potten gebruikt, die, al naar de grootte der bollen, een doorsnede moeten hebben van 15 à 18 cM. Als aarde gebruikt men een goed met zand vermengden, voedzamen grond. Een mengsel van goede bladaarde met veel ouden, verteerden koemest is zeer geschikt. Bij het oppotten der Leliebollen moeten wij met een eigenaardigheid er van rekening houden; zij toch onderscheiden zich van de andere bolgewassen daardoor, dat er zich uit de schijf slechts zeer weinig duurzame wortels ontwikkelen; het meerendeel der wortels, die voor de voeding der plant zorgen, ontspruit onder aan den stengel, dien de bol voortbrengt. Deze wortels vormen als het ware een krans boven den bol en sterven te gelijk met den stengel af. Om nu te zorgen, dat de stengels deze wortels in voldoende mate voortbrengen, moeten de bollen zóó diep geplant worden, dat later hun voeten diep genoeg in de aarde komen te staan.

Fig. 124. Lilium Harrisii.

Fig. 124. Lilium Harrisii.

Links jonge plant, rechts onder, enkele bol, rechts boven, half opgepotte bol.

Nadat wij in den ledigen pot de drainage gelegd hebben, brengen wij er een aardlaagje in van ongeveer 3 cM. dikte in. Op dit aardlaagje strooit men een laagje goed zuiver zand van ongeveer 1 cM. dikte. De vrij groote bol wordt nu zóó op dit zandlaagje gezet, dat de wortels, die er zich aan bevinden, gelijkmatig in de rondte verdeeld zijn. Zijn wij zoover, dan wordt de pot, tot op die hoogte, verder aangevuld, zoodat de bol ongeveer ter halver hoogte in de aarde komt te staan (Fig. 123). De zoo opgeplante bollen, die dus in slechts half gevulde potten staan, worden matig vochtig gehouden en het best gezet op de vensterbank van een niet al te warme kamer. Bij het intreden van meer gestadig warm weer, worden zij op het balkon gezet. Spoedig komt er nu groei in de bollen en beginnen zij een flinken scheut voort te brengen. Is deze scheut zoover gegroeid, dat hij boven den potrand uitsteekt, dan vult men den pot van lieverlede met aarde aan, zoodat ten laatste slechts de gewone gietrand overblijft. Na zulk een planting staan de voeten van de stengels in de aarde en kunnen daarin rijkelijk wortel schieten.

Wil men zijn Lelies des zomers goed doen groeien, dan moet men ze een zonnige standplaats geven in den tuin of op het balkon; ook flink begieten en nu en dan gieren, is voor de ontwikkeling zeer bevorderlijk; verplanten des zomers moet daarentegen vermeden worden. Na het uitbloeien beginnen de Lelies langzamerhand af te sterven; men giet dan ook steeds wat minder. Zijn de stengels geheel afgestorven, dan worden de bollen uit de potten genomen en de doode scheuten dichtbij den bol afgesneden. De bollen overwinteren het best in een vorstvrijen kelder op een laag maar even vochtig wit zand, daar zij niet goed verdragen geheel droog te overwinteren.

Heeft men zeer voedzame aarde gebruikt, dan kunnen de Leliebollen er wel twee zomers in blijven staan. De stengels worden dan, zoodra zij afgestorven zijn, gelijk met de aarde afgesneden. De potten laat men daarna op een vorstvrije plaats overwinteren, en worden juist zóó vaak begoten, dat de aarde niet geheel uitdroogt. Beginnen in het voorjaar de jonge scheuten zich te ontwikkelen, dan zet men de potten dadelijk buiten en geeft ze meer water. Later, wanneer de stengels in vollen groei zijn, worden zij nu en dan gegierd. Sommige Leliesoorten ondergaan deze behandeling liever, dan jaarlijks uit de potten te worden genomen.

Fig. 125. Lilium tigrinum.

Fig. 125. Lilium tigrinum.

Enkele Lelies en daaronder ook de Lilium Harrisii, kan men, om ze reeds vroeg in het voorjaar in bloei te hebben, reeds in den herfst oppotten; zij groeien dan op een lichte koele standplaats den geheelen winter door en zullen reeds in April of Mei bloeien. Toch is deze wijze van behandelen voor den liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, niet aan te bevelen, omdat zij daar sterk van luis te lijden hebben.

De vermenigvuldiging der Lelies geschiedt door kweekbolletjes, die zich bij enkele soorten o.a. bij de Lilium tigrinum ook in de bladoksels ontwikkelen. In een tuin is de voortkweeking wel mogelijk, omdat de bollen daar den winter door onder bedekking overblijven, in een kamer is zij echter onuitvoerbaar.

Polyanthes tuberosa (Tuberoos). Onder de zeer gezochte zomer- en herfstbloeisters neemt de Tuberoos zeker een voorname plaats in. De Polyanthes behoort in Amerika en Afrika tehuis. Het is een bolgewas, met lange, smalle, groene bladeren. Uit het midden der bladerrozet verheft zich een bebladerde bloemsteng, die wel 75 cM. hoog kan worden en die een dichte aar van witte, zeer welriekende bloemen draagt. Bij den stamvorm zijn deze bloemen enkel en niet zoo heel fraai. In Zuid-Frankrijk wordt deze enkelbloemige soort in het groot voor de parfumerie-fabrieken gekweekt en van daar worden zij ook in den naherfst in grooten getale naar de bloemenmarkten der groote steden verzonden. Voor potcultuur wordt uitsluitend de gevulde variëteit gebruikt. De schoonste en rijkst bloeiende variëteit draagt den naam “The Pearl”; zij is van Amerikaanschen oorsprong en wordt van daar zeer veel naar Europa verzonden.

Fig. 126. Polyanthes tuberosa fl. pl.

Fig. 126. Polyanthes tuberosa fl. pl.

De cultuur der Tuberoos is niet lastig. De bollen komen van den naherfst tot het voorjaar in den handel voor, en worden tegen het begin der lente opgepot. Men gebruikt voor het opplanten een met veel zand vermengden goeden blad- of boschgrond, waar een weinig graszodengrond aan toegevoegd kan worden; de te gebruiken potten moeten ongeveer 12 cM. wijd zijn. In deze potten kan men een of twee bollen planten, die zóó opgepot moeten worden, dat de hals van den bol uit de aarde steekt. De bollen, die niet dadelijk, maar meestal pas na eenige weken beginnen te groeien, moeten in den beginne slechts zeer matig begoten worden, terwijl men ze een warme standplaats voor het venster eener gestookte kamer moet geven. Zijn de bollen eenmaal flink aan het uitgroeien, dan kunnen zij rijkelijk begoten worden; zij behoeven dan geen warme standplaats meer te hebben, en kunnen van Juni af in een zonnig plantenrekje voor het venster, of op het balkon geplaatst worden. Nu en dan gieren met zeer slappe koegier is zeer bevorderlijk voor den bloei. Het komt wel eens voor, dat de hoofdscheut niet doorgroeit, terwijl zich een groot aantal secondaire scheuten ontwikkelen. In zulke gevallen moeten de jonge, kweekbolletjes direct weggebroken worden.

In Juli of Augustus, somtijds zelfs pas in September, is de groei zoover gevorderd, dat de bloemknoppen, die in den beginne groen zijn en later pas wit worden, sterk beginnen te zwellen. Tegen dezen tijd moeten de stengels aan stokjes gebonden worden, ten einde te voorkomen, dat zij buigen of afknakken. Plant men de bollen, die zeer lang droog kunnen liggen, te laat in het voorjaar op, dan mislukt de cultuur, wijl dan de ontwikkeling der knoppen in de sombere maand October valt, en deze bij voortdurend donker weer niet open komen, doch beginnen te rotten. Daar de bladeren der Tuberoos zeer gemakkelijk breken, waardoor de plant minder mooi wordt, moet men zeer voorzichtig met haar omgaan. De uitgebloeide Tuberoos heeft geen waarde meer, daar de bol, na gebloeid te hebben afsterft. Men kan ze dus niet voortkweeken, maar moet ieder jaar bloeibare bollen aankoopen.

Fig. 127. Sternbergia dalmatica.

Fig. 127. Sternbergia dalmatica.

Sternbergia. Dit lieve, tot de Amaryllideeën behoorende bolgewas behoort in Zuid-Europa te huis. De Sternbergia’s zijn planten, waarvan de bloemen in den herfst vóór de bladeren verschijnen. De meest bekende soorten zijn Sternbergia lutea en Sternbergia dalmatica. In het begin van September worden de, gedurende den zomer rustende, vrij groote bollen in betrekkelijk kleine potten geplant en reeds tegen het einde van dezelfde maand vertoonen zich de eerste, gele bloemen, waarvan iedere knol er van drie tot vijf voortbrengt. In den vorm gelijken de bloemen op die van den Crocus. Geeft men den Sternbergia’s een koele, doch vorstvrije standplaats, dan zal de bloei tot Januari toe duren, Nadat zij gebloeid hebben, moet men doorgaan met de planten te begieten, daar zich dan pas de smalle bladeren beginnen te ontwikkelen. Zijn de planten tegen den zomer afgestorven, dan worden de bollen uit de potten genomen, in de lucht gedroogd, schoongemaakt en bewaard tot September, wanneer zij opnieuw opgeplant moeten worden.

Vallota purpurea. De Vallota is weer een dier schitterende geslachten, waaraan de familie van de Amaryllideeën zoo rijk is. Deze werkelijk dankbare bloeister is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Uit een niet zeer zwaren bol ontwikkelen zich, lange, stevige donkergroene bladeren, uit welker midden in Augustus of September, de ongeveer 20 cM. lange, krachtige bloemsteng ontspruit, die talrijke, zeer fraaie, roode bloemen draagt. Er zijn verscheidene variëteiten van bekend, ook een met witte bloemen.

Fig. 128. Vallota purpurea.

Fig. 128. Vallota purpurea.

De cultuur is zeer eenvoudig. In de eerste plaats moeten wij er op letten, dat de Vallota niet absoluut rust. Wel heeft zij gedurende den winter haar rusttijd, doch zij verliest dan nòch geheel haar wortels, nòch al haar bladeren, zoodat zij ook gedurende dezen tijd niet geheel droog mag gehouden worden, hoewel zij dan met een minder lichte standplaats in een koel vertrek tevreden is. Begint de Vallota in het voorjaar uit te groeien, dan moet zij voorzichtig verplant en daarna op een lichte plaats gezet worden. Hoewel een jaarlijks verplanten wel wenschelijk is, is het voor de plant toch niet streng noodzakelijk. Vele liefhebbers houden hun Vallota’s jarenlang in denzelfden pot, bemesten ze des zomers niet en verkregen toch zeer bevredigende resultaten. Tegen het einde van Mei zet men de Vallota op een eenigszins beschaduwde plek van het bloemenrekje buiten voor het venster; hier zal zij dan ook later haar bloemen ontwikkelen.

De bollen der Vallota hebben een sterke neiging tot het vormen van kweekbolletjes. Wil men sterke bollen hebben, dan moet men die kweekbolletjes niet laten doorgroeien, maar ze tijdig verwijderen. Breekt men de kweekbolletjes voorzichtig weg en plant men ze gezamenlijk in een pot of schaal, dan kan men, wanneer zij het tweede jaar in afzonderlijke potjes worden geplant, er voor het venster zeer goed bloeibare bollen van kweeken.

In de laatste jaren wordt de Vallota meer en meer op waarde geschat en de bollen worden zelfs in grooten getale ingevoerd. Aangezien deze ingevoerde bollen echter droog en zonder wortels in den handel komen, moet men, tot zij uitgroeien, zeer voorzichtig met de behandeling zijn.

Veltheimia viridifolia. De Kaap de Goede Hoop, het vaderland van zoovele schoone bolgewassen, is het ook van deze Veltheimia. De plant is reeds zeer lang bekend, en ook een zeer dankbare winterbloeister; toch is zij lang niet zoo algemeen verspreid als zij verdient. Uit den bol ontspruiten lange, breede, gootvormige bladeren, die aan den rand licht gegolfd zijn. Tusschen deze bladeren verheft zich de bloemsteng, die van 25–40 cM. hoog kan worden. De bloemsteng heeft een lichtbruine kleur met groene vlekken, terwijl zij met een blauwachtig was overtogen is. Deze bloemsteng draagt een dichte aar van pijpvormige, hangende, zalmkleurige bloemen, die een lengte hebben van 5–7 cM. en geheel reukeloos zijn. De bloeitijd, die zeer lang duurt, valt gewoonlijk in den winter.

Fig. 129. Veltheimia viridifolia.

Fig. 129. Veltheimia viridifolia.

De cultuur der Veltheimia is zeer dankbaar. Van af Juli tot in September zijn de bollen in volmaakte rust, men neemt ze niet uit de potten, hoewel zij in het geheel niet gegoten mogen worden. In September worden de bollen in behoorlijk groote potten verplant, waartoe men bij voorkeur zandige compostaarde gebruikt. Bij het verplanten neemt men den bol uit den ouden pot, schudt de aarde tusschen de wortels weg, snijdt de doode wortels af en plant hem weder zoodanig op, dat hij half boven de aarde uitsteekt. Tot laat in den herfst houdt men de verplante bollen buiten; daarna worden zij in een vertrek gezet, liefst voor het raam, met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr. Hier komt de Veltheimia in bloei en wel gewoonlijk op een tijd, dat de andere bolgewassen nog pas in knop zijn.

Na afloop van den bloei moet men doorgaan met haar te begieten, daar de eigenlijke rusttijd pas in den zomer begint.

De vermenigvuldiging geschiedt door kweekbollen, die de plant zeer gewillig voortbrengt.

Wil men fraaie planten kweeken, dan laat men de jonge bollen aan de moederplant zitten. Zij zijn dan binnen een paar jaar bloeibaar en men krijgt zoodoende exemplaren, die met zes en meer bloemstengen kunnen bloeien.