Aroideeën of Aäronskelkachtige planten.

De familie der Aroideeën is een zeer interessante, die meer dan 500 bekende soorten telt en die tot de groote groep der Eénzaadlobbige planten behoort. De Aroideeën zijn over de geheele aarde verspreid; de fraaiste soorten vindt men echter in de tropische streken der Oude en Nieuwe Wereld. Het zijn gewoonlijk kruidachtige planten met knolvormige, klimmende of kruipende wortelstokken, of met zeer weeke stammen, en ze behooren meestal in de tropische wouden thuis. De meeste soorten worden in haar vaderland aangetroffen op moerasachtige bodems, waarboven zij zich vaak door haar luchtwortels verheffen, om zich zoodoende aan andere planten vast te hechten of tegen stammen van boomen op te klimmen. Eenige soorten, met een knolvormigen wortelstok, groeien bij voorkeur in drogere streken. Enkele van deze laatsten zijn in de tropen zeer nuttig; men verbouwt ze er als voedingsgewassen en de knollen zijn, gekookt of geroosterd, een zeer goed voedsel.

De bloemen van alle Aroideeën zijn klein en onbeduidend; zij zitten op een vleezige, onverdeelde kolf, die in de meeste gevallen door een scheedevormig schutblad omgeven wordt. Dit schutblad, dat de bloemkolf in den beginne omgeeft, maar later terugslaat of zich oprolt, verleent aan de planten haar groote waarde. Al die soorten, welke in de kamer of de plantenkas rijk bloeien en zich onderscheiden door fraaie witte, rose, roode, donkerbruine of gele bloemscheeden, worden tot de bloem-Aroideeën gerekend. Naast deze fraai bloeiende staan andere, waarvan de bloemscheeden een onbeteekenende, somtijds leelijke, groen- of geelachtige kleur hebben, maar die dan door de trotsche houding of groote afmeting der bladeren een hooge waarde bezitten. Zoowel onder de schoon bloeiende als onder de schoonbladerige Aroideeën zijn er, jammer genoeg, slechts weinige, die als kamerplanten een burgerrecht verkregen hebben. Onder de bekendste schoon bloeiende soorten behoort zeker wel de Calla (Richardia) æthiopica, algemeen bekend onder den naam van Aäronskelk.

Fig. 130. Calla æthiopica.

Fig. 130. Calla æthiopica.

Deze plant, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, heeft lang gesteelde, pijlvormige, glanzend groene bladeren, waartusschen zich de vaak een Meter hoog wordende bloemstelen verheffen, die de bloemkolven dragen, welke van groote, witte, welriekende, peperhuisvormige bloemscheeden omgeven zijn. De bloeitijd valt in de lente of den zomer, doch kan door een goede cultuur ook naar den winter verplaatst worden. Wanneer men de Calla goeden voedzamen grond geeft, dan is zij een flinke groeister. Het best kweekt men haar in een mengsel van gelijke deelen broeiaarde en veengrond, waar natuurlijk een voldoende hoeveelheid zand aan moet worden toegevoegd. In het voorjaar, zoodra zij nieuwe bladeren begint te maken, moet zij verpot worden. De pas verplante Calla geeft men een lichte standplaats in een matig verwarmd vertrek; zij maakt dan spoedig wortels in de nieuwe aarde, en verlangt dan zeer veel water. Des zomers eischt zij zooveel water, dat het geraden is de potten in gewone schoteltjes te zetten en deze steeds met water gevuld te houden. Zoolang men de Calla in de kamer kweekt, moet zeer gelet worden op de bladluizen, waardoor zij vaak aangetast wordt. Zoodra eenigszins vast warm weer intreedt, zet men haar in het bloemenrekje voor het venster, op het balkon of in den tuin. Behalve op behoorlijke begieting en bemesting moet men des zomers ook letten op tijdige verwijdering der kweekknollen, die in grooten getale zich ontwikkelen en de moederplant aanmerkelijk verzwakken. Uit deze kweekknollen kunnen weder jonge planten opgekweekt worden. In den herfst begint de rusttijd der Calla; zij wordt dan minder begoten en overwintert in een koele, doch vorstvrije kamer. Het is niet geraden haar des winters zóó droog te houden, dat zij haar bladeren verliest en tot op den knol afsterft. Heeft men goed gekweekte en sterke planten, dan ontwikkelen zich vaak reeds in Januari en Februari de eerste bloemknoppen tusschen de bladeren. Deze planten zet men warmer, waardoor een vervroegde bloei verkregen wordt. Gewoonlijk wordt de Calla te warm gehouden; zij vormt dan lange bladstelen, die meestal te zwak zijn om de bladeren te dragen en dus omknikken. Ook zullen zulke planten zeer zwak of in het geheel niet bloeien.

Men heeft in den laatsten tijd verschillende variëteiten van de Calla gewonnen, waaronder wel het meest uitmunt de ”Little Gem,” een laag blijvende, doch zeer rijk bloeiende variëteit. Ook de Calla Childsiana, een uit Amerika stammende soort, is in korten tijd zeer populair geworden. Haar bloemscheede is schitterend wit, groot en mooi naar buiten omgeslagen. Een andere, die ook zeer veel aangetroffen wordt, is de Calla æthiopica albo-maculata, die wit gevlekte bladeren heeft. Deze in al haar afmetingen kleinere, doch veel stevigere plant, is reeds lang bekend. De pijlvormige bladeren zijn geelachtig groen met talrijke witte vlekken; de bloemscheeden zijn aan de buitenzijde evenzoo licht geelgroen, aan de binnenzijde echter wit. Deze variëteit sterft in het najaar, dus tegen den rusttijd, geheel af. De vlakke, zware knollen laat men droog en vorstvrij overwinteren; zij worden in Februari of Maart in zeer voedzamen grond opgepot en voor het venster gezet, waar zij weder spoedig zullen uitgroeien. Bij het oppotten moet men er op letten, dat de knollen geheel onder de aarde komen te liggen. De cultuur is overigens geheel dezelfde als die van den stamvorm. Beide planten zijn ook voor het aquarium te gebruiken.

Fig. 131. Calla æthiopica albo-maculata.

Fig. 131. Calla æthiopica albo-maculata.

Evenals de Calla’s behandelt men ook de in de laatste tijden ingevoerde Arum-soorten met fraaie bloemen, die een zeer donkerbruine, ja somtijds zelfs een bijna zwarte bloemscheede hebben. De meest bekende van deze soorten is de uit Palestina afkomstige Arum sanctum, ook wel Arum palæstinum genaamd. Hoewel deze geen moerasplant is, moet zij gedurende haar groeitijd zeer veel begoten worden. De Arum sanctum rust in den zomer; de knollen worden in den herfst opgepot en in een matig warme kamer gekweekt. De zeer fraaie bloemen verschijnen dan gewoonlijk in April of Mei.

Terwijl de thans behandelde Aroideeën alle des zomers buiten willen staan, zijn er bij de Anthuriums planten, die zeer schoon bloeien, doch het geheele jaar door in de kamer moeten gekweekt worden. De Anthuriums zijn kruidachtige planten, waarvan de bloemen door het zachte rose of het vurige rood der bloemscheeden groote waarde bezitten. Eenige soorten, die, jammer genoeg, uitsluitend in kassen moeten gekweekt worden, munten ook uit door prachtig gevormde of geteekende bladeren. Voor kamercultuur is zeer aanbevelenswaardig de Anthurium Scherzerianum, een plant, die een niet te grooten omvang krijgt, hard is en dankbaar bloeit. Fig. 132 vertoont een oud fraai specimen van deze soort.

Fig. 132. Anthurium Scherzerianum.

Fig. 132. Anthurium Scherzerianum.

De Anthurium Scherzerianum, is afkomstig uit Guatemala en is kenbaar aan haar lange, zeer donkergroene, lederachtige bladeren. De bloemen verheffen zich op lange stelen boven de bladeren. De bloemkolf is in verschillende bochten gewonden en de teruggeslagen, dikwijls aan de spits eenigszins opgerolde bloemscheede prijkt met het schoonst denkbare rood. De oorspronkelijke soort is door de kweekers aanmerkelijk verbeterd. Men heeft variëteiten gewonnen, waarvan de bloemscheeden alle tinten, van het zachtste rose tot het donkerste rood, doorloopen; ook zijn er met geheel witte bloemscheeden en met rood en wit gevlekte. Al deze variëteiten zijn echter tamelijk zeldzaam en dan ook zeer duur.

Daarentegen is de zoogenaamde grootbloemige variëteit, de Anthurium Scherzerianum grandiflorum, met een zeer groote, fraai roode bloemscheede, vrij algemeen verspreid.

Fig. 133. Spathiphyllum canæfolium.

Fig. 133. Spathiphyllum canæfolium.

Men kweekt deze planten het best in vlakke potten of schalen. Bij het verplanten moet men zeer voorzichtig zijn met de dikke, vleezige wortels, daar die zeer broos zijn en dus gemakkelijk afbreken. De potten moeten goed gedraineerd zijn. Voor het verplanten gebruikt men zeer grove, vezelige heiaarde of boschgrond, gehakt sphagnum en kleine stukjes graszodengrond. Bij dit grondmengsel voegt men een goede hoeveelheid scherp zand, benevens stukjes houtskool. Deze aarde moet niet te vast aangedrukt worden. Bij het verplanten moet men er ook nog voor zorgen, dat de Anthurium flink boven den pot uitgeplant wordt. Goed bewortelde planten verlangen veel water, des zomers moeten zij vaak bespoten worden, terwijl men ze tegen te felle zon moet schermen; des winters moeten zij in een gemiddelde temperatuur van 65°–70° Fahr. staan. De bloemen verschijnen het geheele jaar door, en, kan men de Anthurium in een kamerkasje zetten, dan zal zij bij voorkeur in den nawinter bloeien.

De vermenigvuldiging geschiedt door deeling van de oude plant; het zaaien der in de roode bessen zittende zaden is voor kamercultuur niet aan te bevelen.

Een plant, die men in de handelscatalogi vaak vindt opgegeven, is de Anthurium Dechardii of juister Spathiphyllum Dechardii. Deze heeft vrij groote, vlakke groene bladeren, die op stelen van 20 à 25 cM. lengte staan. De bloemen zijn aan de buitenzijde groenachtig, aan de binnenzijde daarentegen porseleinwit. Het is een voor de kamer zeer aanbevelenswaardige plant, die op dezelfde wijze als de vorige Anthurium moet gekweekt worden.

Fig. 134. Bloemen eener Monstera.

Fig. 134. Bloemen eener Monstera.

Eenige overeenkomst met deze plant heeft de Spathiphyllum cannæfolium; zij verschilt van haar door de iets langere bladeren en bladstelen, terwijl de bloemen aan binnen- en buitenzijden wit, en zeer welriekend zijn. Zij groeit zeer goed op een lichte standplaats in een warme kamer.

Onder de Aroideeën, die veel voor de schoone bladeren gekweekt worden, nemen de verschillende soorten van het geslacht Philodendron een voorname plaats in. Deze soorten onderscheiden zich door een groot verschil in groei en in bladvorm. Dikwijls hebben zij een zeer fraaie groeiwijze, vaak zijn het echter snel groeiende lianen, die tegen de vochtige muren der kassen opklimmen, waaraan zij zich met haar dikke luchtwortels vasthechten. Van het eenvoudigste, gaafrandige, lancetvormige tot het fraaiste dubbel gevinde blad vindt men in het geslacht Philodendron vertegenwoordigd. De geschiktste soort voor de kamer is de Philodendron pertusum, een plant, waarvan de juiste naam Monstera deliciosa is, doch die onder eerstgenoemden naam het meest wordt aangetroffen.

Onze figuur 134 toont een bloeiende plant, die als zoodanig echter uitsluitend in kassen voorkomt, wijl zij in bloeienden staat voor de kamer te groot is. Figuur 135 toont een jonge, uit stek gekweekte plant, zooals men ze in de kamer nu en dan wel aantreft. De vruchten van deze Monstera’s zijn zeer geurig en worden in de tropen veel gegeten. De Monstera met haar glanzend, donkergroene, fraai verdeelde bladeren, die haar de grootste waarde verleenen, behoort wel tot een der beste kamerplanten. Zij heeft niet zeer veel licht noodig en kan vooral des winters op een tamelijk donkere plaats staan, terwijl zij zich ook niet erg gevoelig betoont voor stof en droge kamerlucht, zoodat zij al de eigenschappen van een goede kamerplant bezit.

Fig. 135. Monstera (Philodendron) deliciosa.

Fig. 135. Monstera (Philodendron) deliciosa.

De Monstera moet jaarlijks verpot worden in zeer voedzame, doch niet te zware aarde, terwijl zij het geheele jaar door in de kamer moet worden gehouden.

De voortkweeking, die in de kamer maar zelden zal gelukken, wordt in de kweekerijen bewerkstelligd door den kop van de plant af te snijden en dien als te steken. De oude stam zal dan eenige zijscheuten maken, die, zoodra zij sterk genoeg zijn, ook weer als stekken kunnen gebruikt worden. Vaak komt het voor, dat de stekken, voordat ze gesneden worden, reeds beworteld zijn, daar ieder blad bij zijn ontwikkeling gewoonlijk een luchtwortel medebrengt. Het snijvlak der stekken maakt geen wortels en groeit ook niet dicht, maar sterft zeer langzaam in, wat niet belet, dat de stekplanten zeer goed groeien. Een zeer fraaie kamerplant is ook de Monstera (Philodendron) bipinnatifida uit Brazilië, met groote, diep ingesneden en doorboorde bladeren.

Een andere zeer goede kamerplant, tot de familie der Aroideeën behoorende, is de Colocasia odora. Deze, die uit Oost-Indië afkomstig is, kan somtijds zeer groote, lang gesteelde bladeren dragen. Haar cultuur is eenvoudig, daar zij in de zon zoowel als in de schaduw goed groeit en zelfs midden in den zomer buiten kan staan. Zij verlangt een goeden, doch vooral niet te zwaren grond en des zomers zeer veel water. Van belang is het, dat men haar bladeren vrij van stof houdt, en er voor zorgt, dat zij in een eenigszins gelijkmatige temperatuur Staat.

Fig. 136. Dieffenbachia Baumannii.

Fig. 136. Dieffenbachia Baumannii.

Zeer schoone bladplanten, die veel gekweekt worden, en vooral als jonge planten, uitstekend voor de bloemtafel geschikt zijn, zijn de Dieffenbachia’s. De bloem van deze Zuid-Amerikaansche plant is zeer onbeduidend; zij is geelachtig groen en komt niet voor, waarom men dan ook meestal de knoppen niet tot ontwikkeling laat komen, maar ze uit de plant breekt, voordat zij opengaan. De waarde der Dieffenbachia’s, die in veel soorten gekweekt worden, is gelegen in de fraaie, meestal zeer mooi gekleurde of gevlekte bladeren. Zeer schoon zijn vooral die soorten, welke gevlekte bladeren dragen, wijl deze vlekken vaak ook op de bladstelen voorkomen. De figuren 136 en 137 toonen twee jonge Dieffenbachia’s, namelijk de Dieffenbachia Baumannii en de zeer schoone Dieffenbachia magnifica. In de kweekerijen worden deze planten door stekken en ook door stamstukjes voortgekweekt. Voor deze laatste methode snijdt men den stam in juist zooveel stukjes als er zich oogen op bevinden en legt deze bij voorkeur in verwarmd zand; ieder oog zal dan uitgroeien en een jonge plant vormen. In de kamer gaat het voortkweeken, zoowel op de eene als op de andere wijze, echter niet best en is daarom niet aan te raden. Het best doet een liefhebber met zich in het najaar jonge Dieffenbachia’s aan te schaffen en ze een lichte plaats in het woonvertrek te geven. Des winters worden ze matig begoten en de teere bladeren vaak afgewasschen. Het verplanten geschiedt in het voorjaar in zeer voedzamen, doch niet te zwaren grond. Ook des zomers moeten de Dieffenbachia’s in de kamer gekweekt worden; zij verlangen dan rijkelijk water en moeten dikwijls bespoten worden, terwijl men ze tegen felle zon moet schermen. Alleen als jonge planten verdienen de Dieffenbachia’s aanbeveling; worden zij ouder, dan vormen zij een dikken, vleezigen stam en maken kleinere bladeren; zij zijn dan niet mooi meer, daar zij ook vaak krom groeien.

Fig. 137. Dieffenbachia magnifica.

Fig. 137. Dieffenbachia magnifica.

De fraaiste en allersierlijkste geteekende planten onder de Aroideeën zijn zeker wel de Caladiums. Daargelaten enkele groenbladerige soorten, zijn de Caladiums alle, zeer fijne, uiterst teere planten. Deze bewonderenswaardige planten, uit tropisch Amerika, behooren tot de knolgewassen: haar bloemen zijn onbeduidend en moeten dan ook tijdig weggebroken worden. De bladeren, die meer of minder breed, maar steeds pijlvormig zijn, prijken bijna altijd met de fraaiste kleuren. De groene kleur der bladeren gaat somtijds geheel verloren en daarvoor treden dan in de plaats wit, karmijn, purper, rose of geel. Somtijds zijn de bladeren éénkleurig, dan weder gevlekt of gestippeld, of wel tegen de grondkleur der bladeren vertoonen de nerven zich in een geheel andere kleur en leveren zoo een interessant gezicht op.

Des winters rusten de Caladiums; de knollen moeten dan droog en warm bewaard worden. In het voorjaar plant men ze op in met zand vermengden turfmolm. Houdt men ze daarop warm, en in den beginne slechts matig vochtig, dan zal het niet lang duren of ze beginnen uit te groeien. Zoodra zij goed teekenen van leven gaan geven, neemt men de knollen uit den turfmolm en plant ze in niet te groote potten in een mengsel van ruwen boschgrond, vermengd, zoo mogelijk, met wat turfstrooiselmest, gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Voor een goede ontwikkeling is het zeer raadzaam, dat ze des zomers vaak worden verpot, terwijl ook goed gezorgd moet worden voor scherming tegen de zon.

Beginnen de knollen pas uit te loopen, dan kan men ze vermenigvuldigen door ze in zooveel stukken te snijden als er oogen op zitten. De snijvlakken moeten dan goed met fijne houtskool bepoeierd worden. Jammer is het, dat de Caladiums een gesloten, vochtig warme lucht verlangen, zoodat zij moeilijk voor kamerdecoratie gebruikt kunnen worden. Haar cultuur is slechts mogelijk in een kamerkasje, mits dit niet te klein zij, daar verscheidene soorten ruim 60 cM. hoog en zeer breed worden. Men heeft er, vooral in de laatste jaren, werkelijk prachtige variëteiten van gewonnen, met bijna transparante bladeren. Een zeer lieve miniatuursoort is de Caladium argyrites met groene, wit gevlekte bladeren. Een andere witbonte variëteit is onlangs in den handel gebracht onder den naam Caladium liliputense, terwijl nog enkele andere kleine variëteiten in de kassen der kweekers voorkomen.

Bromeliaceeën of Ananasachtige planten.

De familie der Bromeliaceeën staat in schoonheid en eigenaardigheid zeker niet veel achter bij die der Orchideeën. Zij komen in dezelfde streken voor, leven onder gelijke omstandigheden en worden niet zelden tezamen op dezelfde boomen aangetroffen. Terwijl men vroeger de Bromeliaceeën uitsluitend aantrof in Botanische Tuinen, vindt men ze tegenwoordig reeds in de kassen van veel kweekers en liefhebbers, en sinds het bekend geworden is, dat het zeer dankbare en sterke kamerplanten zijn, begint men ze hier en daar reeds in de vertrekken te zien. In Parijs worden enkele Bromeliaceeën-soorten reeds op de markten verkocht, waartoe zij te Versailles in grooten getale worden gekweekt. Ook in België en Engeland beginnen zij meer en meer veld te winnen, en wij hopen van harte, dat het niet lang meer zal duren, dat zij ook hier naar waarde worden geschat. Algemeen bekend is zeker wel de vrucht van de gewone Ananas. Deze soort, die in West-Indië en Centraal Amerika thuis behoort, wordt al naar den vorm en de grootte der vrucht, in talrijke variëteiten gekweekt. Ook een bontbladerige vorm van deze soort wordt als sierplant aangetroffen; deze is echter te gevoelig en ook te duur om haar als kamerplant aan te bevelen.

De Bromeliaceeën behooren, evenals de Cactussen, uitsluitend in tropisch en sub-tropisch Amerika tehuis. Volgens Prof. Witmack worden zij het meest aangetroffen in Zuid-Amerika en wel speciaal in Brazilië en Columbië, dus in het Amazone-gebied; doch ook West-Indië, Guyana, Peru, Chili en Argentinië zijn rijk aan soorten. De meeste Bromeliaceeën zijn zoogen. epiphyten, d.w.z. planten, die op andere levende gewassen leven, doch nooit met haar wortels daarin doordringen om er voedsel aan te onttrekken. Sommige soorten groeien in de diepe schaduw der oerwouden, andere vindt men in de kronen van groote boomen, of boven op hooge bergen, zoo o.a. boven op de Itatiaia in Brazilië (3000–3300 M.) en op de Andes van Peru, tot een hoogte van 4300 M. Andere soorten leven weder in den bodem of op rotsen en deze hebben het liefst een lichte, droge standplaats; het zijn in hoofdzaak die van de Mexicaansche hoogvlakten. Zoo bij voorbeeld is de Guzmannia tricolor een der soorten, die volgens André in een droge, dorre streek wonen en zeer goed in de brandend heete lucht bloeien. Het is een ongeveer 30 cM. hoog wordende kamerplant met zeer interessante bloemen.

De wortels van de Bromeliaceeën zijn over het algemeen zeer weinig ontwikkeld, en vooral is dit het geval bij de op boomen groeiende soorten; vele hebben slechts als zaadplantjes enkele worteltjes en leven verder geheel wortelloos, haar voedsel geheel opnemende uit de vochtige lucht. In de Botanische Tuinen ziet men deze hoogst interessante, maar uit een tuinbouwkundig oogpunt waardelooze planten, vaak jarenlang tegen een stukje kurkschors gehecht, uitstekend groeien. De meeste Bromeliaceeën hebben riem- of lijnvormige, ongesteelde bladeren, die aan den voet meestal verbreed zijn. Bij enkele soorten zijn zij zeer fraai geteekend. Tusschen de bladeren en in het hart der plant verzamelt zich water, dat er zelfs in het droge jaargetijde nog te vinden is. De bloemen der Bromeliaceeën zijn zeer interessant en de bloeiwijze is vaak prachtig, door de schoon gekleurde schutbladeren, die de bloemen omgeven, terwijl ook vaak, wanneer zij gaan bloeien, de hartbladeren een zeer schoone kleur aannemen.

Jammer is het, dat bij enkele soorten de bloemen maar zeer kort, vaak niet langer dan enkele uren, duren, maar daar staat tegenover, dat meestal de bloemen aan een zelfde bloeiwijze na elkander openkomen, zoodat de bloei dan toch vrij lang duurt. Bij enkele soorten hebben ook de vruchten een zeer fraai voorkomen. Talrijke Bromeliaceeën zijn reeds zonder bloemen waard om gekweekt te worden zoowel om haar houding, als om den vorm en de kleur harer bladeren, en haar geheele voorkomen, waarin het eigenaardige karakter dezer familie zich afspiegelt. De Bromeliaceeën kunnen een zeer aardige afwisseling geven aan de in de kamer gekweekte planten. De grootere soorten maken een zeer fraaie figuur op een bloemstandaard of op een bloemtafel, terwijl de kleinere op de vensterbank en de kleinste in het kamerkasje of het terrarium aangename verschijningen zijn, die zeer goed kunnen wedijveren met de fraaiste bladplanten, en dikwijls bloeien in een jaargetijde, dat zeer arm aan bloemen is.

Uit de hiervoor beschreven levenswijzen en groeiplaatsen zal al wel gebleken zijn, dat niet alle Bromeliaceeën op gelijke wijze behandeld moeten worden. De zeer harde, veel ruimte eischende Ananas-soorten zijn evenmin als kamerplanten aanbevelenswaardig als de uiterst teere soorten, die men er onder vindt en het zou dus nutteloos zijn te beproeven, die in de kamer te kweeken. Die soorten echter, welke voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen bijna alle op dezelfde wijze behandeld worden. Het lastigste gedeelte der cultuur van Bromeliaceeën is de behandeling der zaden en zaadplantjes, maar men doet het best dit aan een kweeker van beroep over te laten. Een liefhebber moet goed bewortelde planten koopen, die dan, voorzichtig behandeld, hem veel genot kunnen verschaffen, daar zij zich tot fraaie planten zullen ontwikkelen.

Fig. 138. Vriesea Saundersii.

Fig. 138. Vriesea Saundersii.

Voor het kweeken van Bromeliaceeën kan men slechts een kamer gebruiken, die des winters geregeld verwarmd wordt en een gemiddelde temperatuur heeft van 60°–65° Fahr. Het best plaatst men ze hier op standaards, die voor verscheidene planten zijn ingericht of anders op de vensterbank, doch dan zóó, dat zij de ruiten niet aanraken. In den winter moet er op gelet worden, dat zij vooral niet aan tocht- of temperatuurschommelingen zijn blootgesteld, daar de Bromeliaceeën dit evenmin verdragen als andere tropische planten. Moeten dus voor het schoonmaken der kamer de vensters geopend worden, dan zorgt men de planten tijdelijk te verwijderen. De Bromeliaceeën zijn zeer zindelijke planten, die bij een goede behandeling, absoluut vrij van ongedierte blijven. Daar droge lucht voor veel soorten verderfelijk kan zijn, moet men ze niet slechts des zomers, maar ook op heldere dagen des winters met den rafraichisseur herhaaldelijk spuiten, of wel ze met een spons aan de onder- en bovenzijde der bladeren nu en dan afwasschen. Zaak is het te zorgen, dat zij van het voorjaar tot aan den herfst niet aan de volle zon zijn blootgesteld, waarom er voor behoorlijke scherming moet gezorgd worden. Veel soorten rusten gedurende den winter en moeten dan natuurlijk veel minder begoten worden; andere daarentegen groeien en bloeien juist in dien tijd en deze moeten natuurlijk behoorlijk vochtig gehouden worden. Bij een beetje oplettendheid kan men al heel spoedig bemerken, welke soorten rusten en welke doorgroeien.

Fig. 139. Vriesea fulgida.

Fig. 139. Vriesea fulgida.

De beste tijd om de meeste Bromeliaceeën te verplanten is vroeg in het voorjaar. Daar het planten zijn, die zeer weinig wortels bezitten, moet men met het verpotten voorzichtig zijn, slechts kleine potten gebruiken en, moet men ze in grootere potten zetten dan moge deze slechts weinig grooter zijn dan die, waarin ze gestaan hebben. Daar de meeste soorten in haar natuurlijken toestand op boomen en andere planten groeien, moet men ze een zeer lichte grondsoort geven. Het best zet men ze in zeer ruwen bosch- of vezelgrond, vermengd met gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Door zeven verwijdert men alle fijnere deelen uit deze aarde, waarna men er nog wat zand doorheen mengt. Zeer goed doet men ook door, wanneer men het voorhanden heeft, enkele stukjes half verteerd hout bij het grondmengsel te voegen; men moet er echter op letten, dat deze niet beschimmeld zijn. Bij het verplanten moet men zooveel mogelijk van de oude aarde uit de wortelkluit verwijderen, waarbij vooral opgepast moet worden, dat men de jonge gezonde wortels niet beschadigt. Heeft men de te gebruiken potten gereinigd, dan worden die van een zeer goede drainage voorzien, waarop men er een laagje aarde in brengt, dat met de hand goed vastgedrukt wordt. In de zoo klaargemaakte potten houdt men dan de planten met de linkerhand en wel zóó, dat zij slechts iets dieper komen te staan, dan zij oorspronkelijk stonden; met de rechterhand vult men dan den pot verder aan, er voor zorgende, dat de aarde goed tusschen de wortels wordt verdeeld en dat zij behoorlijk wordt aangedrukt. Na het verpotten worden de planten flink aangegoten, waarbij men zorgt, dat het water goed door de aarde trekt.

Van de talrijke geslachten, die de familie der Bromeliaceeën rijk is, zijn het vooral de geslachten Vriesea en Tillandsia, die ons fraaie kamerplanten leveren. De meest bekende is zeker wel de Vriesea splendens, met fraaie bladeren, die een groene grondkleur hebben, waarover donkerbruine dwarsstrepen loopen. Midden uit de bladerrozet ontspringt de bloeiwijze, die een lange spitse aar vormt, bestaande uit menieroode schutbladeren, welke dakpansgewijze over elkander liggen, en waartusschen de gele bloemen verschijnen, die echter van zeer korten duur zijn.

Fig. 140. Tillandsia Lindenii.

Fig. 140. Tillandsia Lindenii.

Deze bloeiwijze ontwikkelt zich gewoonlijk in December, en duurt zeer lang. Een andere, eveneens in den winter bloeiende soort, die veel gekweekt wordt, is de Vriesea brachystachys. Deze vormt slechts een kleine bladerrozet van licht geelgroene bladeren, uit welker midden de bloeiwijze verschijnt, die ook uit dicht op elkander geplaatste schutbladeren bestaat, welke aan den steel donker vermiljoenrood en aan de uiteinden goudgeel zijn. De geheele bloeiwijze heeft den vorm van een platten, driehoekigen kam; zij is ongeveer 5 à 6 cM. hoog en staat op een bloemsteng van 15 à 20 cM. lengte. In de laatste jaren is een zeer groote soort in den handel gekomen, de Vriesea hieroglyphica. Deze vormt een bladroset, die wel een hoogte kan bereiken van 1 Meter. De bladeren zijn licht geelgroen en met bruine vlekken geteekend. Deze vlekken herinneren sterk aan de karakters van het oud Egyptische schrift. Een zeer fraaie plant is ook de Vriesea fenestralis, waar op een lichtgroenen ondergrond een aantal donkergroene in elkander loopende vierkantjes zichtbaar is. Zeldzamer dan deze soort is de V. Saundersii. Deze soort heeft blauwgroene bladeren, die eenigszins dof en aan den voet en de onderzijde met donkere vlekken geteekend zijn. De op een flinke bloemsteng staande bloemen zijn door gele schutbladeren omgeven.

In de laatste jaren zijn door verscheidene kweekers, vooral te Versailles en te Luik, prachtige hybriden gewonnen. Een der fraaisten is zeker wel de Vriesea fulgida, met een donkerroode, groote bloeiwijze en de Vriesea leodiensis, met een fraaie, scharlakenroode en gele bloeiwijze.

Al de Vriesea’s hebben gootvormige bladeren, die elkander aan den voet omgeven. Tusschen deze bladeren en in het hart verzamelt zich, door het spuiten en gieten, een hoeveelheid water, dat men, zoolang het niet te vuil wordt, er rustig in moet laten staan, daar de planten dit zeer gaarne schijnen te willen.

Onder de Tillandsia’s, die geschikt zijn voor kamercultuur, komt in de eerste plaats de fraaie Tillandsia Lindenii in aanmerking. De donkergroene bladeren van deze plant zijn door roodachtige overlangsche nerven geteekend. De bloemen, die prachtig blauw zijn met een wit hart, duren niet lang, doch verschijnen na korte tusschenpoozen, zoodat de plant toch zeer lang bloeit.

Fig. 141. Tillandsia dianthoïdea.

Fig. 141. Tillandsia dianthoïdea.

Een andere zeer sierlijke soort, die uitstekend voor het kamerkasje geschikt is, is de Tillandsia dianthoïdea. Deze kan men in een houten mandje met wat sphagnum of anders op een stukje kurkschors kweeken. Zij heeft lichtgroene, wit bepoederde bladeren, en haar kleine, blauwe bloemen worden door prachtige, lichtrose schutbladeren omgeven.

Als kamerplanten zijn onder de Bromeliaceeën nog zeer dankbaar de Æchmea fulgens, de Billbergia amoena en de Billbergia nutans. Deze laatste plant bloeit zeer elegant en is een uitstekende kamerplant, te meer, daar de bloeitijd tegen Kerstmis valt. De lichtblauwe bloemen, met donkerblauwe randen, worden door fraaie, roode schutbladeren gedeeltelijk omgeven.

Fig. 142. Groep van Bromeliaceeën.

Fig. 142. Groep van Bromeliaceeën.

Lamprococcus (Æchmea) fulgens. Vriesea leodiensis.
Caraguata cardinalis.

Een andere zeer schoone soort, die uitstekend voor de kamer geschikt is, is de Caraguata cardinalis. Deze vormt een fraaie, lichtgroene bladerrozet. Uit het hart ontspringt de bloeiwijze, die, wanneer zij geheel volwassen is, een zuiveren stervorm heeft, en prachtig vermiljoenrood is, waartusschen de goudgele bloemen een fraai effect maken. Een andere soort, zeer goed geschikt voor terrariums, is Cryptanthus zonatus, met bruinachtige bladeren, waarover zilverwitte strepen loopen, of Cryptanthus bivittatus, met lichte en donkerroode overlangsche strepen.

Fig. 143. Billbergia nutans.

Fig. 143. Billbergia nutans.

De familie der Bromeliaceeën is zóó rijk aan soorten, dat het onmogelijk is hier de voornaamste er van te vermelden.

Fig. 144. Cryptanthus zonatus.

Fig. 144. Cryptanthus zonatus.

Alle soorten, die voor kamercultuur in aanmerking komen, zijn zonder stengel. De bloeiwijzen ontspringen midden uit de rozet, die door de bladeren wordt gevormd. Na den bloei kan de moederplant dus niet langer meer doorgroeien, en na verloop van eenigen tijd gaat zij dan ook dood. Aan haar voet of tusschen haar bladeren ontstaan echter één of meer zijspruiten, waardoor men de plant kan voortkweeken. Men laat daartoe de zijscheuten, zoolang dit noodig is, aan de moederplant zitten, en snijdt ze eerst af, wanneer zij behoorlijk wortels gemaakt hebben, waarop men ze afzonderlijk kan oppotten. Hebben zich echter meerdere scheuten ontwikkeld, dan kan men, door deze voorzichtig van elkander te nemen, enkele planten meer verkrijgen. De vermenigvuldiging door zaden kan den liefhebber niet aangeraden worden.

Gesneriaceeën.

Zonder twijfel behooren onder de schoonst bloeiende kamerplanten ook tal van Gesneriaceeën. Deze familie is tamelijk groot; zij omvat ruim 30 geslachten en eenige van die geslachten kan men in iedere kweekerij vertegenwoordigd vinden.

Fig. 145. Gloxinia-knollen.

Fig. 145. Gloxinia-knollen.

Voor zoover deze planten voor kamercultuur geschikt zijn, zijn het allen kruidachtige gewassen, meest met knollen (Fig. 145) of met schubachtige wortelstokken (Fig. 146). De bladeren zijn veelal sterk behaard en fraai van vorm, en bij eenige geslachten zijn zij zóó fraai geteekend, dat ook de niet bloeiende plant als een fraaie sierplant kan gelden. De grootste waarde hebben de Gesneriaceeën echter om haar bloemen, die bijna altijd pijpvormig zijn met trompetvormige opening; zij munten vooral uit door haar schoone kleuren, die vaak door groote vlekken en strepen afgewisseld worden en zeer terecht elks bewondering wekken.

Fig. 146. Wortelstokjes van een Tydæa.

Fig. 146. Wortelstokjes van een Tydæa.

Al de Gesneriaceeën, die in hoofdzaak gekweekt worden, zijn sierlijke gewassen. Jammer is het, dat deze planten, die allen in de tropen thuis behooren, niet best bestand zijn tegen droge lucht, temperatuurswisselingen en tocht. Zij behooren dus niet tot die planten, welke een pas beginnend liefhebber aanbevolen kunnen worden. Toch kunnen zij, wanneer men ze van een kweeker in bloei koopt en deze ze eerst een weinig hardt, het vrij lang onder de ongunstigste omstandigheden van een kamer uithouden, wat niet wegneemt, dat het voortkweeken uit zaden, of het aan den groei brengen van wortelstokjes in de kamer vrij wel tot de onmogelijkheden behoort. In een kamerkasje van niet te kleine afmeting geplaatst, behooren de Gesneriaceeën tot de dankbaarste planten.

Alle Gesneriaceeën laten zich betrekkelijk gemakkelijk uit zaden voortkweeken. Wij verschaffen ons daartoe, in een vertrouwbaren zaadhandel, de zaden, die in ons land evengoed verkrijgbaar zijn als in het buitenland. Deze zaden worden meestal verkocht in zeer kleine hoeveelheden, in dubbel papier verpakt. Zij zijn daarbij als stof zoo fijn, zoodat een pakje schijnbaar niet heel veel bevat. Het beste zaait men in Februari op potten, die daartoe met zeer fijn gezeefde heide- of bladaarde vooruit zijn klaargemaakt. Bij het zaaien moet men er op letten, dat de zaden gelijkmatig uitgestrooid en, zooals alle fijne zaden, niet met aarde bedekt worden. De zaadpotten dekt men met een glasplaat, plaatst ze in het kamerkasje, terwijl zij met den rafraîchisseur zoodanig worden bespoten, dat de aarde gelijkmatig vochtig blijft. Zorgt men er voor, dat zij niet door de zon worden beschenen, dan volgt de kieming meestal na 2 of 3 weken. Zooals alle uit kleine zaden gekiemde plantjes, zijn de zaailingen van Gesneriaceeën in den aanvang zóó klein, dat men ze nauwelijks met het ongewapende oog kan zien. Het opkweeken van zulke kleine plantjes is altijd zeer moeilijk, daar het eerste repikeeren zeer veel geduld en geoefendheid vereischt. Nadat men ze verscheidene malen gerepikeerd heeft, zijn de zaadplantjes eindelijk groot genoeg om afzonderlijk in potjes te worden gezet. Zijn zij eenmaal zóó ver, dan gaat de cultuur meestal sneller en voorspoediger en na nog eenige keeren verpot te zijn, beginnen zij meestal in het midden van den zomer te bloeien.

Fig. 147. Gloxinia met rechtop staande bloemen.

Fig. 147. Gloxinia met rechtop staande bloemen.

Ook langs kunstmatigen weg laten de Gesneriaceeën zich gemakkelijk voortkweeken. Het eenvoudigst gaat dit, door bladeren af te snijden en die als stekken te behandelen. De soorten, die een kruidachtigen stam hebben, vermenigvuldigt men door stekken, en ten laatste laten die, welke schubachtige wortelstokjes hebben, zich ook zeer gemakkelijk voortkweeken, doordat men deze in stukjes snijdt en ieder stukje op zichzelf als plant behandelt.

Fig. 148. Tydæa.

Fig. 148. Tydæa.

De knollen en wortelstokjes, die wel niet alle, doch zeer vele Gesneriaceeën bezitten, moet men in een warm vertrek droog laten overwinteren. De knollen moeten geheel droog bewaard worden, de wortelstokjes daarentegen legt men in potten met zand, dat nu en dan een weinig begoten wordt, om het slap worden te voorkomen. Al naardat men de planten vroeger of later in bloei wil hebben, moeten zij tusschen de maanden Februari en April opgepot worden. In iederen pot, van 8 cM. doorsnede, worden één knol of enkele wortelstokjes geplant. De potten moeten goed gedraineerd en met losse, zandige heiaarde gevuld worden, waar men de knollen voorzichtig indrukt, zoodat zij geheel onder de aarde komen te liggen. Bij het oppotten der rhizomen handelt men op de volgende wijze: De pot wordt niet geheel met aarde gevuld, men legt er de wortelstokjes in, vult hem verder aan en drukt de aarde daarna matig vast. De opgepotte knollen en wortelstokjes worden in den beginne gesloten gehouden en slechts matig begoten; zoodra zij zich beginnen te ontwikkelen, kan men iets meer gieten, en zijn zij eenmaal uitgegroeid, dan is een rijkelijke begieting noodig. Voor een goeden groei is het geraden de planten later nog in potten van 12 cM. wijdte te verplanten. Voor dit verplanten gebruikt men een goeden, voedzamen grond, o.a. 2 deelen hei-, één deel bladaarde en ½ deel, bestaande uit broeiaarde, kleigrond en zand. In een kamerkasje, waarin een vochtige lucht is, dat bij warm weer gelucht en bij zonneschijn geschermd wordt, zullen de Gesneriaceeën, wanneer men ze gelijkmatig vochtig houdt, zeer goed groeien. Worden zij direct aan de zon blootgesteld, dan verbranden zij zeer gemakkelijk; staan zij in te droge lucht, dan worden zij door ongedierte aangetast, dat zich van de sterk behaarde bladeren, die ook zeer slecht tabaksrook verdragen, moeilijk laat verwijderen. Beginnen de Gesneriaceeën in het najaar af te sterven, dan gaat men ze langzamerhand minder water geven.

Aan een practischen, ervaren liefhebber kan de cultuur dezer planten zeer aanbevolen worden, en er zijn er dan ook velen, die ze jaarlijks uit zaad opkweeken en zeer goede resultaten verkrijgen.

Fig. 149. Isoloma hybrida.

Fig. 149. Isoloma hybrida.

De bekende en meest verspreide Gesneriaceeën zijn zeker wel de Gloxinia’s, ware prachtplanten, die des zomers onder de rijkst bloeiende kamerplanten kunnen gerekend worden. Oorspronkelijk waren het niet zulke schoone planten; de bloemen stonden steil rechtop of hingen naar beneden en waren zeer ongelijk van vorm. Uit deze minder fraaie soorten heeft men de tegenwoordige prachtvariëteiten gewonnen. De, op flinke stelen staande, bloemen treft men aan in alle kleuren tusschen zuiver wit, het vurigste rood of het diepste paars. Men heeft variëteiten met éénkleurige bloemen en ook met bloemen, die gestippeld, gestreept, getijgerd of geaderd zijn. Onder de éénkleurige bloemen zijn de zuiver witte en de vurigst roode verreweg de schoonste.

Naast de Gloxinia’s zijn de Tydæa’s vrij algemeen verspreid. De knikkende bloemen staan in de bladoksels op dunne bloemsteeltjes. Zij danken haar groote waarde aan de prachtig geteekende, omgeslagen bloemkroon, waarop werkelijk schoone kleuren gevonden worden. Slechts weinig schooner zijn de in de laatste jaren meer en meer verspreid rakende Gesneria’s, die nu eens knollen, dan weder wortelstokjes bezitten, zoo mede de Achimenes uit Centraal-Amerika, met opvallend grooten en fraai ontwikkelden bloemzoom en de dichtbehaarde Isoloma hirsuta, waarvan men ook rijk bloeiende hybriden gewonnen heeft. Men kan deze laatste, een zeer harde en niet veel warmte behoevende plant, het geheele jaar door aan den groei houden en zeer gemakkelijk door stekken of verdeeling der wortelstokjes voortkweeken.

Zeer interessante en in de laatste jaren zeer in trek gekomen Gesneriaceeën zijn de Streptocarpussoorten. Eenige dezer bijv. de Streptocarpus Wendlandii, bezitten slechts één enkel blad, dat op een zeer kort vleezig stengeltje staat, over den potrand heen hangt en een lengte van 60 cM. bij een breedte van 40 cM. kan bereiken. Dit aan de bovenzijde matgroen en aan de onderzijde violetpurper gekleurd blad, wordt over zijn volle lengte door de forsch ontwikkelde middennerf doorsneden. Jammer is het, dat de punt van het blad nooit geheel gaaf, doch altijd min of meer afstervende is. Aan den voet van het blad ontspruiten talrijke bloemstelen, die een groot aantal middelmatig groote, lichtblauwe met rose of wit geteekende bloemen dragen. De plant ontleent haar geslachtsnaam aan de vrucht, die lang, dun en spiraalsgewijze gedraaid is.

Fig. 150. Streptocarpus hybridus.

Fig. 150. Streptocarpus hybridus.

Een geheel ander voorkomen hebben de veelbladige Streptocarpus, waarvan tegenwoordig zeer schoone hybriden gewonnen zijn en die daardoor zeer gezocht worden. De bloemen zijn 4–5 cM. lang en prijken in alle kleuren, tusschen wit, donkerrood en paars, terwijl zij zeer dikwijls fraai gestreept zijn. De stand der bloemen, die zeer lang duren, is aan ééne plant nu eens horizontaal, dan weder geheel verticaal.

Een zeer interessante invoering van den lateren tijd is de Saintpaulia ionantha: dit is een kruidachtig plantje, doch zonder knol of wortelstok. De bladeren van deze uit Afrika afkomstige plant gelijken op die van de Gloxinia, doch zijn veel kleiner. De bloemen zijn niet, zooals bij de meeste Gesneriaceeën, pijpvormig, doch daarentegen vlak. Bij een oppervlakkige beschouwing gelijken zij sterk op die van het gewone welriekende Viooltje en zij trekken, door haar fraaie blauwe kleur, direct de aandacht. Hoewel eerst sedert betrekkelijk korten tijd bekend, is de Saintpaulia ionantha reeds in alle voorname kweekerijen voorhanden; men ziet haar op bijna alle Tuinbouwtentoonstellingen en overal wordt zij om haar liefelijke verschijning en haar fraaien bloei ten zeerste bewonderd. Een bijzonder groote waarde als kamerplant heeft zij slechts dán, wanneer men haar in een kamerkasje of onder een stolp kan kweeken. Hoewel de Saintpaulia betrekkelijk gemakkelijk in de cultuur is, verdraagt zij toch de droge kamerlucht niet. Behandelt men haar echter op deze wijze, dan zal men er een zeer dankbare plant in vinden, die niet te veel warmte vereischt en winter en zomer steeds doorbloeit. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door bladstekken en ook door zaden. Men moet er om denken, dat de Saintpaulia geen bepaalden rusttijd heeft, en dus niet droog mag gehouden worden.

Fig. 151. Saintpaulia ionantha.

Fig. 151. Saintpaulia ionantha.

Als fraaie en dankbare Gesneriaceeën moeten ten laatste de Nægalia’s nog aanbevolen worden. De tot dit geslacht behoorende planten hebben schubachtige wortelstokjes. De bloemen zijn eenigszins uitgerekt klokvormig; zij gelijken min of meer op die van een Gesneria, maar staan in rechtopstaande trossen boven de plant uit. In schoonheid kunnen deze bloemen niet met die van de Tydæa’s wedijveren, wat niet wegneemt, dat een bloeiende Nægelia een zeer fraaien aanblik oplevert. Niet alleen echter door de bloemen, maar ook door de bladeren munten de Nægelia’s uit. Deze zijn hartvormig, dicht behaard, dikwijls zeer fraai rood en met een opvallende nervatuur, waardoor de plant reeds als bladplant waarde heeft. Onder de Nægelia’s zijn de Nægelia zebrina en de Nægelia cinnabarina wel de schoonsten. Er zijn in den laatsten tijd ook veel schoone variëteiten van gewonnen. De Nægelia’s zijn zeer geschikt voor wintercultuur. Wil men gedurende den winter bloeiende planten er van hebben, dan moeten de wortelstokjes tot Juli droog gehouden en dan eerst opgeplant worden. Wil men de Nægelia’s echter des zomers in bloei hebben, dan moeten zij, te gelijk met de andere Gesneriaceeën in de maanden Februari tot April aan den groei gebracht worden.