Orchideeën.

De tropische en subtropische Orchideeën behooren tot die fraaie planten, welke in betrekkelijk korten tijd, om zoo te zeggen, de geheele beschaafde wereld veroverd hebben. Wij behoeven slechts den naam uit te spreken, en de meeste liefhebbers halen zich tooverachtig fraaie planten voor den geest. De familie der Orchideeën is zeer groot, zij omvat meer dan 400 geslachten, waarvan er verscheidenen weder in ondergeslachten verdeeld worden. Tot deze geslachten behooren ongeveer 10.000 soorten, waarvan er 80 procent in de tropen tehuis behooren, terwijl er in Europa slechts een 400-tal wordt gevonden. Op de Alpen groeit de kleine Chamæorchis alpina, en de noordelijkste is de lieve Calypso borealis. Ook in ons land komen enkele fraaie Orchideeën voor, hoewel deze in pracht door de tropische soorten verre overtroffen worden.

De geschiedenis van de tropische Orchideeën, namelijk de wijze, waarop zij zich in alle Europeesche tuinen verspreid hebben, omvat zeker eenige der belangrijkste bladzijden uit het geschiedboek van den Tuinbouw. Er zijn niet veel meer dan honderd jaar verloopen, sedert de eerste tropische Orchidee levend in Europa werd ingevoerd en dat was nog niet eens een schoone soort. Eenige jaren later werden in Engeland nog een paar soorten ingevoerd, maar, aangezien deze planten in den beginne door de kweekers geheel verkeerd behandeld werden, leverde de cultuur niets dan teleurstelling op. Eerst in het vierde tiental jaren van de 19e eeuw werden de Orchideeën langzamerhand meer naar haar eisch behandeld; in 1840 nam het tijdperk een aanvang, waarin onverschrokken verzamelaars de fraai bloeiende soorten begonnen op te zoeken en naar Europa te zenden.

Het is dus pas ongeveer vijftig jaar geleden, dat slechts weinigen dezer planten bekend waren, en thans worden over de 2000 verschillende soorten in de kassen gekweekt.

De Orchideeën behooren tot die planten, welke de kweekers nòch langs natuurlijken, nòch langs kunstmatigen weg in voldoenden getale kunnen voortkweeken. Daar nu de aanvrage van jaar tot jaar grooter werd, en er ook thans een zeer groote vraag naar is, zijn de speciaalkweekers dezer planten genoodzaakt jonge tuinbouwkundigen naar de tropen te zenden, ten einde ze daar te verzamelen. Wanneer men bedenkt, hoeveel kosten daarmede gepaard gaan, en welke groote gevaren aan dit verzamelen verbonden zijn, dan zal men het zeer begrijpelijk vinden, dat zeldzame of moeilijk te verkrijgen soorten dikwijls met zeer groote sommen moeten betaald worden. Niet weinig soorten echter zijn in zulk een aantal ingevoerd, dat zij in haar vaderland zeldzaam beginnen te worden, terwijl zij in Europa algemeen verspreid zijn. Dergelijke soorten zijn niet hoog in prijs; voor een bloeiend exemplaar er van behoeft men vaak slechts eenige guldens te geven. Verscheidene van deze soorten zijn dan ook voor kamercultuur geschikt.

Slechts weinige plantenliefhebbers, die in de gelegenheid geweest zijn schoone Orchideeën in haar bloemenpracht te bewonderen, zullen den wensch hebben kunnen onderdrukken, om ook te beproeven enkele dezer fraaie planten te kweeken. Gaarne getroost zulk een liefhebber zich een niet onbeduidend geldoffer, wanneer hij maar zekerheid heeft, dat dit offer niet tevergeefs gebracht wordt. Wanneer men toch van plantenliefhebberij genoegen wil smaken, dan moet zij ook goede resultaten opleveren. De gekochte plant moet niet slechts eenige dagen of weken gezond blijven, maar zij moet verder groeien en bij herhaling bloeien; zij moet voldoende levenskracht bevatten. Voldoet zij aan deze eischen, dan zal zij de liefhebberij steeds aanwakkeren. De meeste liefhebbers denken van de Orchideeën, dat het zeer slechte kamerplanten zijn en dat zij slechts onder een hooge temperatuur groeien. Deze gedachte nu is, zooals wij hopen te kunnen bewijzen, geheel verkeerd.

Fig. 152. Kamerkasje met bloeiende Orchideeën.

Fig. 152. Kamerkasje met bloeiende Orchideeën.

De Orchideeën zijn over den geheelen aardbodem verspreid; de fraaiste soorten worden echter aangetroffen in de niet buitengewoon warme streken van Amerika; in streken, waar de temperatuur zelden boven 85° Fahr. stijgt en niet onder 55° Fahr. daalt.

Fig. 153. Platte Orchideepannen.

Fig. 153. Platte Orchideepannen.

Natuurlijk moeten de prachtige tropische en subtropische Orchideeën onder toestanden gekweekt worden, welke eenigszins overeenkomen met, die, onder welke zij in haar vaderland groeien, en men moet voor kamercultuur dan ook die kiezen, welke een temperatuur kunnen verdragen van 60°–65° Fahr. Toch zullen de meeste Orchideeën zich op de bloemtafel of de vensterbank niet te huis voelen; en dat wel om verschillende redenen. Het verderfelijkst voor deze teere planten is de droge kamerlucht, en dit wordt ons terstond duidelijk, wanneer wij bedenken, dat de meeste soorten voorkomen in de oerwouden, waar zij eensdeels groeien tegen de met mos bedekte stammen der boomen, anderdeels in den humusrijken grond, onder de dichte bladerkronen. Evenals voor droge lucht, zijn de Orchideeën ook zeer gevoelig voor tocht en temperatuurswisselingen. Om al deze redenen doet men het best ze in een kamerkasje te kweeken. (Zie Fig. 152), voorstellende een dergelijk kasje, gevuld met Orchideeën. Welke plantenliefhebber zal geen genoegen hebben in een dergelijk miniatuur-kasje, gevuld met fraaie, zeldzame planten. Zulk een kasje behoeft niet verwarmd te worden, daar men de planten er in zet, om ze een voldoend vochtige atmosfeer te geven, en ze tegen schadelijke invloeden te beschermen en niet om ze een hoogere temperatuur te verschaffen. Het kasje, zooals het is afgebeeld, heeft aan den bezitter uitstekende diensten bewezen. Het is zeer eenvoudig doch netjes, heeft een eenzijdig dak en de voorste ruiten kunnen er uit geschoven worden. De bodem bestaat uit een blikken bak, die gevuld wordt met vochtigen turfmolm of gruis van cokes, waar de potten ingegraven kunnen worden. Aangezien de turfmolm of cokes steeds water uitdampt, is de atmosfeer in het kasje voortdurend voldoende vochtig. Men kan zulk een kasje op de bloemtafel zetten, maar beter is het er een afzonderlijken standaard voor te laten vervaardigen. Behalve Orchideeën kan men in zulk een kasje, aangenomen dat zij behoorlijk verzorgd worden, met het meeste succes fijne bonte bladplanten en sierlijke tropische Varens kweeken. Is het warm en helder weer, dan moeten de bladeren en schijnknollen der Orchideeën dagelijks een paar keeren bevochtigd worden. Hiertoe gebruikt men een handspuitje met fijne broes of een goeden rafraîchisseur. Houdt men op deze wijze de lucht voldoende vochtig, dan zal men ook weinig of geen last hebben van ongedierte. Heeft men bloeiende planten, of zulke, welke jonge scheuten hebben, dan moet men met dit spuiten uiterst voorzichtig zijn. Komt er toch water op de bloemen, dan krijgen deze licht vlekken en worden leelijk en komt er water in de jonge scheuten, dan gaan deze zeer spoedig tot rotting over, waardoor de planten veel lijden. Het spreekt vanzelf, dat men voor het gieten en spuiten slechts water mag gebruiken, dat minstens de temperatuur heeft van het vertrek, waarin de planten staan.

Fig. 154. Cypripedium insigne.

Fig. 154. Cypripedium insigne.

Het gieten, dat reeds bij gewone planten uiterst voorzichtig moet geschieden, vereischt bij de Orchideeën bijzondere zorg. Zijn zij in haar groeitijd, dan moeten zij rijkelijk water hebben; zijn zij daarentegen in haar rustperiode, dan moeten zij zeer matig of in het geheel niet begoten worden. De groeitijd begint met het maken van jonge scheuten, waaruit zich de bladeren en schijnknollen ontwikkelen, of met het vormen van bloemknoppen. Van een voldoenden groei der bladeren en schijnknollen hangt de bloei voor het volgende jaar af. De groei- en rusttijd zijn voor verschillende geslachten verschillend, daar men het geheele jaar door bloeiende Orchideeën heeft; natuurlijk zijn die soorten het meeste waard, welke zich midden in den winter met bloemen tooien. Zijn de jonge bladeren volgroeid, dan krijgen zij in de meeste gevallen een eenigszins donkerder kleur; de schijnknollen, wanneer de plant deze vormt, nemen in omvang toe en eindelijk houden ook zij op met groeien; langzamerhand ziet men den geheelen groei verminderen en de plant treedt haar rusttijd in. Deze rusttijd is slechts bij enkele soorten een volmaakte; de in de kamer gekweekte soorten behouden haar bladeren en wortels, zoodat zij, hoewel uiterst voorzichtig, toch nu en dan gegoten moeten worden. Vóór alles moet men zorgen, rustende Orchideeën niet door te veel warmte en vochtigheid tot een ontijdigen groei aan te zetten; een dergelijke handeling is tegen de natuur der plant en heeft meestal zeer noodlottige gevolgen. Een voorname zaak is ook het op den juisten tijd schermen van het kasje tegen de zon, waarvoor men dun, niet te licht gekleurd doek gebruikt. De meeste Orchideeën kunnen de volle zon niet verdragen; maar evenmin kunnen zij voldoende licht missen; daarom moet men er op letten ze nòch te vroeg, nòch te laat tegen de zon te schermen.

Fig. 155. Cypripedium barbatum.

Fig. 155. Cypripedium barbatum.

De Orchideeën worden in twee hoofdgroepen verdeeld: de epiphytische en de terrestische. De eersten groeien als schijn-woekerplanten tegen de stammen van boomen, de laatsten als gewone planten in de aarde. Wanneer de haar omgevende lucht voldoende vochtig is, behoeft men zich voor de eerste groep niet bijzonder veel moeite te geven. Men bevestigt ze met koperdraad tegen een stukje hout of kurkschors; zij hechten zich daar dan met haar dikke, vleezige, broze wortels tegen vast en groeien zoo jaar in, jaar uit, dat het een lust is. Ik heb veel vertegenwoordigsters van het geslacht Oncidium op stukjes eikenhout zien kweeken; zij groeien er uitstekend tegen, ontwikkelen somtijds meterlange bloemstengels, dicht bezet met veelal kleine, op insecten gelijkende bloempjes en wekken de verwondering op van vaklieden en leeken. Zeer veel worden de epiphytische Orchideeën ook gekweekt in potten, voorzien van gaten, meer nog in mandjes van draad of kurkschors en zeer dikwijls in vierkante mandjes, die van even dikke houten stokjes gemaakt worden. (Fig. 157 en 159.) De openingen in deze mandjes worden met sphagnum dichtgestopt, waarna men de planten er in zet. Het aardmengsel, waarin men ze plant, moet zeer licht en vezelachtig wezen. Het best doet een liefhebber zich bij een vertrouwbaren kweeker bereiden Orchideeën-grond aan te schaffen; kan hij die niet verkrijgen, dan zoekt hij in een bosch plekken met inlandsche Varens op, steekt die met de wortels uit den grond, en trekt die wortels met de er tusschen zittende aarde in stukjes, hierdoorheen mengt hij gehakt sphagnum en half verteerde bladaarde, waar alle fijne deelen uitgezeefd zijn, alles in gelijke deelen; wordt hierbij voldoende scherp zand en stukjes houtskool gevoegd, dan heeft men een zeer goede aarde voor Orchideeën. Vroeger werden onder dit grondmengsel nog stukjes turf en potscherven gemengd; de ondervinding heeft echter geleerd, dat dit ondoelmatig was, waarom men er van is teruggekomen.

De Aard-Orchideeën worden gewoonlijk in meer vlakke dan hooge potten gekweekt (Fig. 153). Voor deze soorten gebruikt men een grondmengsel, bestaande uit grove blad- of heideaarde, met wat verteerden kleigrond en scherp zand vermengd. De meeste Orchideeën kan men enkele jaren in denzelfden pot laten staan, mits men ze in haar groeiperiode nu en dan met een zeer slappe gier begiet; moeten zij echter verpot worden, dan moet dit zeer voorzichtig geschieden, daar de stijve, broze wortels volstrekt niet beschadigd mogen worden.

Fig. 156. Cypripedium Siebertianum.

Fig. 156. Cypripedium Siebertianum.

Moet een Orchidee verplant worden, dan neemt men haar tegen het einde van den rusttijd uit den pot, maakt met een houtje de kluit een weinig los, waarbij meestal de oude aarde grootendeels tusschen de wortels uitvalt. Men plant haar nu zóó op, dat zij niet te vast komt te staan, d.w.z. dat het grondmengsel niet te vast om de plant aangedrukt wordt. Is men met het verplanten gereed, dan wordt de plant voorzichtig aangegoten, waarop men de aarde met de groeispitsjes van levend sphagnum bedekt. Deze spitsjes zullen in zeer veel gevallen doorgroeien, zoodoende aan de plant een frisch voorkomen geven en het te snelle uitdrogen verhinderen.

Daar het aantal bekende Orchideeën tegenwoordig zoo ontzettend groot is, gaat het natuurlijk niet, om een eenigszins uitvoerige beschrijving der beste soorten te geven; wij bepalen ons dus tot de opgave van die soorten, welke als kamerplanten aan te bevelen zijn.

Onder de voor kamercultuur geschikte Orchideeën nemen de Cypripediums een eerste plaats in. De bloemen van dit geslacht kenmerken zich allen door het eigenaardig gevormde lipje, dat den vorm van een muiltje heeft. Zeer vele soorten van dit geslacht zijn voor kamercultuur goed geschikt, met uitzondering echter van die, welke in Europa en Noord-Amerika te huis behooren. Al deze soorten moeten in den tuin uitgeplant worden, waar zij een fraai effect kunnen maken.

Fig. 157. Odontoglossum Rossii majus.

Fig. 157. Odontoglossum Rossii majus.

Wij hebben drie soorten van Cypripediums afgebeeld; ten eerste de Cypr. insigne (Fig. 154), die zeker wel de meest verspreide mag genoemd worden; dan de Cypr. barbatum, met zeer fraai geteekende bladeren en bloemen (Fig. 155) en de Cypr. Siebertianum (Fig. 156), een in België gewonnen hybride, die genoemd is naar den heer Siebert, directeur van den Palmengarten te Frankfurt. Er zijn meer dan 30 Cypripediumsoorten bekend, die te huis behooren in tropisch Amerika en Azië. Bij deze soorten moet nog gevoegd worden een groot aantal variëteiten en een nog grooter aantal zeer fraaie bastaarden, die in de kweekerijen gewonnen zijn. Deze laatsten zijn meestal zeer kostbaar.

De Cypripediums behooren tot de terrestische Orchideeën. Het zijn kleine planten, zonder schijnknollen, doch met mooi geteekende bladeren, en zeer fraaie, reukelooze, meestal op een stevigen steel alleen staande bloemen. Deze verschijnen gewoonlijk gedurende den winter en haar waarde wordt nog verhoogd, door haren langen bloei. Iedere bloem blijft gemiddeld twee maanden en nog langer goed. De hardere soorten, die zeer geschikt zijn voor kamercultuur, stellen zich meestal tevreden met een wintertemperatuur van 50°–55° Fahr., en daar het geen hooge planten zijn, zijn zij zeer goed geschikt voor het kamerkasje. De Cypripediums moeten in niet te diepe potten, die goed gedraineerd zijn, geplant worden; als aarde gebruikt men heideaarde, die met wat kleigrond en gehakt sphagnum vermengd wordt. Zij willen geregeld bespoten en tamelijk goed vochtig gehouden worden, terwijl het zeer goed is ze, wanneer zij in vollen groei zijn, nu en dan slap te gieren. Voor licht en lucht moet goed gezorgd worden, en men moet er op letten, dat zij in haar rusttijd wel minder begoten, doch niet geheel droog gehouden mogen worden.

Fig. 158. Anguloa Clowesii.

Fig. 158. Anguloa Clowesii.

Zeer sierlijke en schoone, ja somtijds prachtige kamerplanten levert ook het geslacht Odontoglossum. De meeste soorten van dit geslacht behooren te huis in de koele en vochtige bergstreken der Cordilleras, in Mexico, Nieuw-Granada, Peru en Guatemala. Er zijn thans meer dan 100 soorten bekend, die op een hoogte tusschen 1000 en 2000 Meter, hetzij op boomen, hetzij op met humus bedekte rotsen voorkomen. De meest verspreide Odontoglossum is zeker wel de O. crispum, die ook wel, ter eere van de prinses van Wales, O. Alexandræ wordt genoemd. Van deze fraaie soort bestaan zeer veel variëteiten, welker bloemen in grootte en kleur sterk afwisselen. Gewoonlijk zijn zij zuiver wit, met onregelmatige bruinroode vlekken; tegen het einde van haar bloeitijd krijgen zij een roseachtigen tint. De bloeitijd valt in den winter en het voorjaar. Een lieve, voor het kamerkasje zeer geschikte soort is de Odontoglossum Rossii majus, met haar variëteiten. Dit is een lief plantje, dat zijn vrij groote bloemen alleen of bij paren op dunne steeltjes draagt. Een derde, voor de kamercultuur zeer geschikte, soort is de Odontoglossum grande, met groote, gele met kastanjebruin gestreepte of gevlekte bloemen.

Een derde aanbevelenswaardig geslacht is de Oncidium, dat uit ruim 300 soorten bestaat, welke bijna alle epiphytisch leven. Dit geslacht behoort te huis in de bergstreken van Zuid- en Midden-Amerika, West-Indië en Mexico, waar het tot op een hoogte van 4000 Meter wordt gevonden. De verschillende soorten vertoonen onderling een verschil, zooals slechts bij weinig geslachten wordt aangetroffen. De sierlijke, bontgekleurde, somtijds welriekende en vaak op insecten gelijkende bloemen verschijnen aan lange bloemtrossen, en trekken door haar liefelijk voorkomen de algemeene aandacht. Een der beste soorten is zeker wel de Oncidium incurvum, ook wel bekend als O. albo-violaceum; zij draagt talrijke, wit met lichtpaarse bloemen, die zeer welriekend zijn en somtijds aan een Meter langen bloemsteel verschijnen.

De Odontoglossums en Oncidiums verlangen dezelfde behandeling; zij hebben geen van beiden behoefte aan veel warmte, doch verlangen een vochtige en zeer frissche lucht. De kleinere soorten kweekt men het best tegen stukjes hout of kurkschors, en anderen in uit houten stokjes vervaardigde mandjes; ook kan men ze in potten kweeken, mits deze goed van drainage voorzien worden en de planten hoog boven de potten uit worden geplant. Deze geslachten willen tamelijk veel bespoten worden.

Fig. 159. Lycaste Skinneri.

Fig. 159. Lycaste Skinneri.

Prachtige bloeisters, met groote, meest fraai paarse bloemen, zijn de Cattleya’s; zij hebben groote schijnknollen en dikke, stijve bladeren, waartusschen de veel op bladeren gelijkende bloemscheeden verschijnen, waaruit later de bloemen zich ontwikkelen. De afbeelding (zie Fig. 160) vertegenwoordigt Cattleya Harryana, waarschijnlijk een natuurlijke hybride uit Nieuw-Granada. Het geslacht Lælia sluit zich bij het voorgaande aan. Beide geslachten behooren zeker wel onder de schoonsten van de familie der Orchideeën; beiden verlangen echter nogal warmte en kunnen niet gekweekt worden in een lagere temperatuur dan 60° Fahr. Zij zijn overigens niet zeer lastig en groeien uitnemend op stukken schors, of in mandjes. Een ander geslacht, dat in dezelfde temperatuur moet gekweekt worden, is Vanda. Dit geslacht bestaat uit niet veel soorten, die met uitzondering van een Australische, allen in den Maleischen Archipel te huis behooren. Zij vormen vaak tamelijk hooge stammen, die rijkelijk luchtwortels maken. Zij worden gekweekt in mandjes of potten met gaten en moeten uitsluitend in sphagnum geplant worden. Een der sierlijkste soorten is Vanda cœrulea, met schoone hemelsblauwe bloemen.

Fig. 160. Orchideeën.

Fig. 160. Orchideeën.

Cattleya Harryana. Vanda cœrulea.
Odontoglossum grande. Oncidium incurvum.

Een eenigszins gematigde temperatuur verlangt de op boomen groeiende Anguloa Clowesii, met welriekende, tulpvormige, citroengele bloemen, die in het voorjaar verschijnen. Een uitstekende winterbloeister is de Lycaste Skinneri, uit Guatemala. Deze soort is zeer gemakkelijk in de cultuur en bloeit uiterst dankbaar. Zij heeft groote bloemen, die, al naar de variëteit, lichter of donkerder rood zijn. Nog vindt men goede kamerplanten onder de geslachten Cœlogyne, Cymbidium, Dendrobium, Epidendrum, Miltonia, Rodriguezia, Stanhopea en Zygopetalum.

Klimplanten.

De klimplanten, waarvan prachtige soorten in de tropen voorkomen, mogen ook in de kamer niet ontbreken. In haar vaderland klimmen haar dunne, slanke stengels met de meest verschillende organen tegen de boomen op; zij slingeren zich van stam tot stam tot zelfs boven in de kronen der hoogste boomen. Jammer is het, dat een liefhebber de fraaist groeiende soorten niet kan kweeken. Hij moet toch rekening houden met de ruimte en vooral met de hoogte der vertrekken, en het gedempte licht in de kamers is voor deze planten zeer noodlottig. Hij moet zijn wenschen beperken tot enkele minder welig groeiende soorten. Zeer goed laten zich klimplanten gebruiken om de gevels der huizen te versieren; neemt men daartoe snel groeiende soorten, dan zijn die weldra met het weligste groen bedekt. Vooral voor landhuizen is dit zeer aan te bevelen. In de kamer echter mag een liefhebber niet te veel van de klimplanten vergen; zij vervullen hier een tamelijk bescheiden rol en mislukken dan ook nog wel eens; reden waarom men er voor moet zorgen, dat zij desnoods gemist kunnen worden, zonder daardoor een stoornis in het arrangement te veroorzaken. Gewoonlijk worden de klimplanten, die men in een kamer kweekt, tegen hout of draadfiguren geleid. Hoe samengestelder de daarvoor gebruikte voorwerpen, des te meer moet men de slanke stengels heen en weer buigen, des te slechter groeit de plant en des te minder fraai is haar voorkomen. De beste plaats voor klimplanten is de vensterbank en plaatst men ze daar, dan behoeft men langs het venster slechts draden te spannen, waartegen de stengels dan in de meeste gevallen vanzelf opklimmen. Heeft men diepe vensterbanken, dan kan men het geheele vensterkozijn met een hekwerk van draad of bamboe doen bekleeden en de klimplanten zullen daar dan zeer welig tegen op groeien. Onze gravure (Fig. 161) toont een venster waartegen op deze wijze een der meest geliefde klimplanten, de Passiebloem, is opgeleid en deze levert een inderdaad prachtig gezicht op. Wanneer de klimplanten niet ter versiering van het venster gebruikt worden, leidt men ze meestal tegen rekjes op, die aan haakjes bevestigd worden; deze rekjes kunnen uit ijzeren staafjes of uit gekruist ijzerdraad bestaan (Fig. 162163), of ook wel uit plantenstokjes, die men, zooals Fig. 164 aangeeft, waaiervormig aan elkander bevestigt. De verschillend gevormde rekjes, die wel in den handel verkrijgbaar zijn, zijn om de reeds genoemde redenen niet genoeg af te keuren.

Fig. 161. Passiebloem in een vensterbank.

Fig. 161. Passiebloem in een vensterbank.

Onder de klimplanten voor de warme kamer komt het allereerst in aanmerking de Clerodendron Balfourii (Thomsonii). Deze fraaie plant draagt frisch groene bladeren en trossen bloedroode bloemen, die omgeven zijn door groote, eenigszins opgeblazen, zuiver witte kelken. De kelken blijven nog aan de plant hangen, wanneer de bloem reeds lang uitgebloeid en afgevallen is. Deze Clerodendron is een zeer dankbare bloeister. In den herfst laat zij haar bladeren vallen, en men moet haar dan, in een slechts matig warm vertrek, vrij droog laten overwinteren. Reeds vroeg in het voorjaar kan men haar insnijden en verplanten, waarop zij weder op een zoo licht mogelijke plaats wordt gebracht. Spoedig begint zij nu uit te groeien en weldra verschijnen, na de eerste bladeren, ook de bloemen.

Fig. 162. Rekje voor klimplanten met loodrechte staafjes.

Fig. 162. Rekje voor klimplanten met loodrechte staafjes.

Een van de meest in trek zijnde klimplanten is zeker wel de Hoya carnosa (Wasbloem). Deze plant is afkomstig uit Indië; zij heeft een vleezigen en sappigen stengel, eivormige, dikke, glanzend-groene bladeren en zeer licht rose, welriekende bloemen, die het voorkomen hebben, alsof zij uit was geboetseerd zijn. Vandaar ook haar naam.

De bloemen vormen schermen en scheiden rijkelijk honig af, die dan als druppels aan de bloemen hangt. Na den bloei moet men de steeltjes, waaraan de bloemschermpjes zaten, niet afsnijden, daar deze de eigenschap bezitten, ieder jaar nieuwe schermen voort te brengen.

Fig. 163. Rekje voor klimplanten van gekruist ijzerdraad.

Fig. 163. Rekje voor klimplanten van gekruist ijzerdraad.

De Wasbloem wordt zeer veel, vooral op het platteland, aangetroffen, en, hoewel haar scheuten tot 6 Meter lang kunnen worden, kweekt men ze toch meestal tegen waaiervormige houten rekjes. Deze moeten echter voldoende sterk gemaakt worden, daar een groote plant met haar dikke bladeren en stengels tamelijk zwaar is. Hoewel de Hoya pas als oudere plant bloeit, is zij toch ook jong een aanbevelenswaardige kamerplant; immers zij heeft een zeer eigenaardig voorkomen, en is in alle opzichten bestand tegen droge lucht, stof en andere ongunstige invloeden, waarvan de meeste kamerplanten zoozeer te lijden hebben.

Fig. 164. Waaiervormig rekje van plantenstokjes.

Fig. 164. Waaiervormig rekje van plantenstokjes.

De fraaiste bloeisters onder de klimplanten zijn zeker wel de Passiflora’s (Passiebloemen). Zij behooren te huis in de tropen en haar bladeren hebben eenige overeenkomst met die van de klimop. Door de schoone kleurschakeeringen harer bloemen, die wel is waar snel uitbloeien, door de elegante bladeren en door het geheele voorkomen der plant, zijn zij een zeer fraai sieraad voor de kamer. De naam Passiflora wordt afgeleid van de woorden passio, het lijden, en flos, de bloem. De in het jaar 1654 te Sienna overleden pater J.B. Ferari, vergeleek toch de verschillende bloemdeelen der gewone blauwe Passiebloem (Passiflora cœrulea) met de werktuigen, waarmede Christus gemarteld werd.

Fig. 165. Clerodendron Balfouri.

Fig. 165. Clerodendron Balfouri.

De Passiebloem moet gekweekt worden in een krachtigen, voedzamen grond. Eenige soorten, zooals de Passiflora cœrulea en de Passiflora hybr. Constance Elliot, zijn zeer hard en kunnen des zomers zelfs ter versiering van de veranda of het balkon gebruikt worden. Staan zij op een zeer beschutte plek en worden zij goed gedekt, dan kan men ze zelfs buiten laten overwinteren. Een der schoonste soorten, die het gansche jaar in de kamer goed groeit, is de Passiflora hybr. Impératrice Eugénie, die groote, lichtblauwe bloemen heeft.

Fig. 166. Hoya carnosa.

Fig. 166. Hoya carnosa.

Onder de klimplanten voor de warme kamer zijn er ook enkele, die uitsluitend ter wille van haar bladeren gekweekt worden, en hieronder behooren de tegenwoordig zeer gezochte Asparagus-soorten. Deze kan men zeker wel tot de sierlijkste planten rekenen. Zij hebben fijn loof, dat uit zeer kleine naaldjes bestaat, die een frisch groene kleur hebben, terwijl zij zich nu en dan met kleine, zwak welriekende bloempjes tooien. Hoewel de Asparagus het best groeit, wanneer zij in een kas wordt uitgeplant, houdt zij zich toch in een kamer met slechts lage winter-temperatuur zeer goed, en zijn er onder de klimplanten maar weinigen, die, in een pot voor het venster geplaatst, een fraaier effect maken. De meest aanbevelenswaardige soorten zijn de Asparagus plumosus en Asparagus plumosus nanus. De laatste groeit als jonge plant zeer gedrongen, doch vormt ouder geworden flinke lange ranken. Zeer goed groeit ook in een vertrek de Asparagus Sprengeri.

Fig. 167. Bloeiende tak van een Passiflora.

Fig. 167. Bloeiende tak van een Passiflora.

Een met de Asparagus zeer na verwante klimplant, die echter veel grootere bladeren, doch even dunne twijgjes heeft, is de Medeola (Myrsiphyllum) asparagoïdes. Sinds eenige jaren is deze plant zeer verspreid geraakt, en haar stengels worden vooral veel gebruikt voor tafelversiering. In een gesloten vertrek groeit de Medeola vooral des zomers niet best. Voor het venster van een kamer, dat veel gelucht wordt, groeit ze echter uitstekend; vooral, wanneer men loodrechte draden van uit den pot spant; waar zij dan snel tegen op zal klimmen. De Medeola heeft een knolvormigen wortelstok en is dus een overblijvende plant; toch doet men beter ieder jaar jonge planten uit zaad te kweeken. De harde zaden worden in Februari gezaaid. In een warme kamer geplaatst, zullen ze in een paar weken kiemen.

Zoodra zij groot genoeg zijn, worden de jonge plantjes in kleine potjes gezet en in den loop van het voorjaar verplant in potjes, die een wijdte hebben van 10–12 cM. De beste grondsoort is een mengsel van gelijke deelen blad- en heidegrond, waarbij een weinig scherpzand wordt gevoegd.

Veel klimplanten voor de koelere kamers, die des zomers veel gelucht worden, kunnen ook voor de bekleeding van veranda’s en balkons gebruikt worden.

Bijzondere aanbeveling verdient de Cobæa scandens. Deze plant is afkomstig uit Mexico; zij heeft gevinde, in een rank eindigende bladeren en groote, klokvormige bloemen, die, wanneer zij ontluiken, lichtgroen, later echter fraai donkerpaars zijn. De afbeelding (Fig. 170) toont een jonge plant, die nog geen bloemen draagt en die in horizontale richting is geleid. Deze wijze van leiden is beter dan verticaal, de groei is dan niet zoo welig, doch de bloei veel rijker. Zeer sierlijke bloeisters met kleine pijpvormige bloemen zijn de Maurandia’s, die ook in Mexico te huis behooren. Verder zijn als klimplanten zeer aan te bevelen de Lophospermum scandens, met mooie bladeren en zeer fraairoode, pijpvormige bloemen; de Thunbergia alata, met gele of witte bloemen, die een zwart hartje hebben; verder verschillende soorten van Ipomæa (Winde) met groote, verschillend gekleurde bloemen en de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen), met trosjes donkervermiljoenroode bloemen. Tot de éénjarige klimplanten behoort ook nog de Lathyrus odoratus, waarvan vooral de zoogenaamde Eckfordsche variëteiten met groote witte, gele, roode en blauwe bloemen, die zeer welriekend zijn, aanbeveling verdienen. Deze Lathyrus wordt niet zeer hoog, hoogstens 1½ Meter, en zij is dus zeer geschikt om hekjes en balustraden te bekleeden. De harde, erwtvormige zaden worden in April direct in de bakjes gezaaid. Voor het bekleeden van vensters is zeer aan te bevelen de Tropæolum (Oost-Indische kers), die met zeer groote, donkerroode bloemen bloeit. Een zeer aanbevelenswaardige soort is vooral de Tropæolum Lobbianum, daar dit ook een uitnemende winterbloeister is. Deze soort laat zich uitsluitend door stekken voortkweeken. Een zeer schoone, houtachtige klimplant, voor koude, doch zeer zonnig gelegen vertrekken, is de Solanum jasminiflorum, waarvan de in trossen verschijnende witte, inwendig gele bloemen zeer veel overeenkomst hebben met die van den Aardappel. Deze plant verlangt voedzame aarde en in haar groeiperiode rijkelijk water, terwijl zij in den zomer ook nu en dan gegierd kan worden.

Fig. 168. Asparagus plumosus nanus.

Fig. 168. Asparagus plumosus nanus.

Onder de, slechts om haar bladeren gekweekt wordende klimplanten mag zeker de Hedera (Klimop) niet vergeten worden. De verschillende Klimopsoorten zijn uitstekende kamerplanten en vooral de groenbladige komt daarvoor in aanmerking. In Duitschland vindt men op het platteland dikwijls Klimop in de kamers gekweekt, waarvan de takken niet alleen de vensters omlijsten, maar zelfs den geheelen zolder met een groen kleed bedekken. Hieruit kan men wel opmaken, dat deze plant, die ook vaak in de bosschen voorkomt, geen groote behoefte heeft aan licht. Hoewel de Klimop een plant is, die onze winters uitstekend verdraagt, en dan ook veel voor het bekleeden van buitenmuren wordt gebruikt, gewent zij zich toch zeer goed aan de kamer; alleen moet zij des winters niet staan in een vertrek, dat gesloten gehouden en verwarmd wordt.

Zeer fraai zijn de kleinbladige en bontbladige Klimopsoorten, waarvan sommigen zeer veel wit en geel in de bladeren hebben. Een dergelijke soort, wellicht de schoonste van alle bontbladige Klimopsoorten, is de Hedera maderensis fol. var. Wil men met het kweeken van Klimop succes hebben, dan moeten de planten zeer zuiver gehouden worden; door onophoudelijk afwasschen moet men stof en ongedierte geregeld verwijderen.

Fig. 169. Medeola asparagoïdes.

Fig. 169. Medeola asparagoïdes.

Naast de Klimop is de Ampelopsis quinquefolia (Wilde Wingerd) de meest gebruikte plant, om in de steden de veranda’s en balkons te bekleeden. Wil men Klimop of Wilde Wingerd voor dit doel gebruiken, dan worden zij in bakjes geplant, waarin zij verscheidene jaren kunnen blijven staan. De Ampelopsis moet ieder voorjaar flink ingesneden worden. Gedurende den winter bedekt men de bakjes met een oud kleed of met droog blad, of wel, men zet ze tot het voorjaar in een luchtigen kelder.

Fig. 170. Jonge Cobæa scandens.

Fig. 170. Jonge Cobæa scandens.

Fig. 171. Hedera maderensis.

Fig. 171. Hedera maderensis.

Een, om haar bladeren, zeer lieve klimplant is de Pilogyne suavis, een plant, die tot de familie der Pompoenen behoort. Zij is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, heeft fraaie bladeren en onbeteekenende, witachtige bloempjes, die zeer aangenaam rieken. Deze plant, die zich gemakkelijk door stekken laat voortkweeken, verlangt een voedzame aarde. Zij groeit voor het zonnige venster van een gesloten kamer evengoed als buiten, en zij is een van de weinige klimplanten, die ook des winters doorgroeien.

Zeer veel gelijkenis met de Pilogyne, die zich slechts door stekken laat voortkweeken, wijl zij geen zaden geeft, heeft de Melothria abyssinica, die zeer gemakkelijk uit zaad kweekt. Dit is een betrekkelijk nieuwe klimplant, die ter wille van haar schoone bladeren gekweekt wordt. Zij bloeit zeer rijk met kleine, stervormige bloempjes, die later door oranje vruchtjes worden gevolgd.

Fig. 172. Melothria abyssinica.

Fig. 172. Melothria abyssinica.

Een, om haar bladeren, zeer fraaie klimplant is ook de Mikania scandens; zij heeft Klimopvormige bladeren en laat zich zeer gemakkelijk uit stek voortkweeken. Er bestaat een variëteit van met wit- en roodbonte bladeren; deze is zeer fraai, maar zeer zwak en gevoelig. Voor het bekleeden van veranda’s en balkons kunnen wij ten slotte nog zeer aanbevelen de Humulus japonicus en haar witbonte variëteit. De eerste groeit zeer snel en is veel sterker dan de tweede, die echter met haar bonte bladeren een zeer fraai effect maakt. Beiden, de Humulus japonicus en haar variëteit, laten zich zeer gemakkelijk uit zaden voortkweeken, die in de tweede helft van Maart bij voorkeur warm moeten gezaaid worden.

De overblijvende, houtachtige klimplanten worden, evenals de kruidachtige, door stekken voortgekweekt; de éénjarige of als zoodanig behandelden daarentegen, zooals de Cobæ, Lophospermum, Maurandia, Melothria, Humulus en Lathyrus, doet men het best ieder jaar uit zaden te kweeken. De zaden worden in Februari of Maart gezaaid en voor het venster gezet; zoodra zij opgekomen zijn, worden zij gerepikeerd, of, zoo de zaailingen sterk genoeg zijn, direct in potjes gezet. Is het noodig, dan worden zij nog eens verpot, voordat men ze in het begin van Mei buiten zet. Tegen het einde van Mei kunnen de zoo opgekweekte klimplanten in de bakjes worden uitgeplant, waarin zij dan spoedig flink zullen doorgroeien. Heeft men gemakkelijk groeiende klimplanten zooals Ipomæa, Phaseolus of Tropæolum, dan kunnen de zaden tegen half April, direct in de bakjes worden gezaaid.

Hang- of Ampelplanten.

Fig. 173. Humulus japonicus fol. var.

Fig. 173. Humulus japonicus fol. var.

Tusschen de, in het vorige hoofdstuk besproken klimplanten en die, welke wij hang- of ampelplanten noemen, bestaat een werkelijk verschil. Zeer veel liefhebbers kennen het verschil niet tusschen klim- en hangplanten; zij meenen, dat de klimplanten ook als hangplanten kunnen dienst doen, dat men ze niet alleen voor het bekleeden van een veranda of balkon, maar ook voor het beplanten van een ampel kan gebruiken. Deze opvatting is echter geheel verkeerd. Een klimplant toont altijd de neiging ergens tegen op te willen klimmen en hoe steiler dit voorwerp is, des te sterker is haar groei. Worden toch de scheuten van een klimplant in horizontale richting geleid, dan wordt de groei veel minder en laat men ze hangen, dan groeien zij bijna in het geheel niet meer. Enkele klimplanten kunnen echter wel als hangplanten gebruikt worden, zooals enkele Vitis-soorten en de Ficus repens, welke laatste slechts in warme kassen tegen vochtige stammen of muren opklimt, in een pot gekweekt, echter geheel het voorkomen van een hangplant aanneemt. Het is echter niet te weerleggen, dat een als hangplant gekweekte klimplant tegen haar natuur in wordt behandeld en dat zij nooit een volmaakte ontwikkeling zal bereiken.

De eigenlijke hangplanten toonen nooit neiging om te klimmen; het zijn meestal kruidachtige planten, die naar haar voorkomen in drie groepen kunnen ingedeeld worden. De eerste groep bezit grasachtige, direct uit den wortelstok spruitende halmen, die niet sterk genoeg zijn, om zichzelf rechtop te houden en dus naar beneden hangen. Bij de tweede groep kruipen de stengels in haar natuurstaat over den grond en de derde groep vormt, evenals de aardbeien, ranken, waaraan op bepaalde afstanden jonge planten ontstaan.

Al deze drie soorten van hangplanten kunnen in een kamer op dezelfde wijze gebruikt worden. In een voor het venster hangenden ampel maken alle hangplanten een schoon effect; maar men kan ze ook gebruiken langs de kanten van bloemtafels, bloemrekjes en bakjes, die door haar een schilderachtig voorkomen verkrijgen.

Fig. 174. Oplismenus (Panicum) variegatus.

Fig. 174. Oplismenus (Panicum) variegatus.

De eerste der bovengenoemde groep van hangplanten wordt in de kamer vertegenwoordigd door het geslacht Isolepis. Er zijn twee soorten, de Isolepis pygmæa en de Isolepis gracilis. Beide soorten, die veel op elkander gelijken, komen zeer veel voor; het zijn, met haar aan het eind van den halm zittende onbeduidende bloempjes, dankbare kamerplanten. Daarbij stellen zij geen zeer hooge eischen; zij verlangen een lichte plaats, in den zomer veel lucht en in den winter slechts matig warmte, en, daar zij tot moerasgewassen behooren, moeten zij in haar groeitijd volop water hebben. Het best doet men deze planten steeds in bakjes met water te zetten. Zeer fraai groeien zij in een zoogenaamd goudvisschenglas. Dergelijke glazen zijn voor de goudvisschen werkelijke martelwerktuigen, en moesten in beschaafde gezinnen niet meer voor het houden van dieren gebruikt worden. Een dergelijk glas vult men met water en zet dan in den nauwen hals een pot met Isolepis, waaruit men den bodem geslagen heeft. De wortels groeien in het glas en de planten zullen vooral dan weelderig groeien, wanneer men om de twee of drie weken een zeer kleine hoeveelheid chemischen kunstmest in het water doet. Iedere pot met Isolepis bevat een zeer groot aantal dicht te zamen groeiende grasplanten, waarvan de middelste geel worden, wanneer men haar niet ieder jaar uit den pot neemt en in vier, vijf of zes stukken verdeelt. Nadat men dan de halmen teruggesneden heeft, wordt ieder deel in een ongeveer 10 cM. wijden pot, in goede, zandige broeiaarde, niet te vast, opgepot. Zeer spoedig zullen de zoo behandelde planten jonge wortels maken en welig doorgroeien.

Van vele der tot de tweede groep behoorende ampelplanten hebben wij reeds vroeger melding gemaakt, zoo o.a. van de Pelargonium peltatum en van twee soorten Campanula’s. De meest bekende der hiertoe behoorende ampelplanten zijn de uit Amerika stammende Tradescantia’s. Deze zeer bekende hangplanten worden overal gekweekt en zijn in alle kweekerijen te verkrijgen. De bekendste soort is de Tradescantia guianensis, met groene bladeren, waarvan ook variëteiten met geel- en witbonte bladeren bestaan. Zeer aanbevelenswaardig zijn de Tradescantia zebrina en de Tradescantia multicolor, beiden met zeer fraaie bont gestreepte bladeren. De Tradescantia’s groeien in de kamer zeer goed, hoewel men ze ook des zomers buiten kan houden. Men plant ze in goede broeiaarde en geeft ze, als moerasplanten, volop water. Hangt men ze in de zon, dan verkrijgen de bladeren een fraaien glans. Het best doet men de Tradescantia’s jaarlijks uit stekken te kweeken, waarvan men er verscheidene in een 10 cM. wijden pot kan steken. Zij groeien in ieder jaargetijde zeer gemakkelijk en maken reeds na weinige dagen volop wortels.

Fig. 175. Asparagus Sprengeri.

Fig. 175. Asparagus Sprengeri.

Meer warmte dan de Tradescantia verlangt de Oplismenus (Panicum) variegatus met groene, wit gestreepte bladeren. Het best groeit deze plant in het kamerkasje, wanneer men haar jaarlijks uit stekken kweekt, waarvan er meerdere in een 10 cM. wijden pot kunnen gestoken worden. Ook de Oplismenus bemint zeer veel vocht en wil herhaaldelijk bespoten worden. Eene hardere, eveneens bontbladige, grassoort is de Stenotaphrum glabrum. Zij is uit Amerika afkomstig, heeft smalle, wit en groen gestreepte bladeren en groeit in de warme en koude kamer. Zij verdraagt uitstekend de volle zon en laat zich gemakkelijk door stekken voortkweeken.

Een minder bekende, zeer schoon bloeiende ampelplant is de Lotus peliorhynchus, een vlinderbloemige plant, afkomstig van Teneriffe. Zij heeft grijsgroene, somtijds bijna zilverwitte twijgen en zeer dunne blaadjes, die eenigszins op Asperge-blaadjes gelijken. De fijne bladeren, die slechts zeer weinig water uitdampen en de dichte beharing, die den dauw vasthoudt, zijn oorzaak, dat deze plant op bijna naakte rotsen kan leven, in een land, waar somtijds verscheidene maanden achtereen geen regen valt en waar de dauw de eenige verfrissching voor de planten is. De inlanders noemen deze plant Pico de Paloma, d.w.z. Duivensnavel. De onderste einden van de twijgen tooien zich des zomers met scharlakenroode vlinderbloemen, die in dichte bosjes bij elkander staan. Deze schoone ampelplant groeit in bijna iedere aardsoort; zij verlangt ’s winters slechts zeer weinig warmte en staat des zomers het liefst buiten in het plantenrekje, mits dit beschaduwd is. De voortkweeking geschiedt door stekken of zaden.

Fig. 176. Selaginella cæsia.

Fig. 176. Selaginella cæsia.

Een zeer schoone hangplant, is de Asparagus Sprengeri. De gravure (Fig. 175) toont duidelijk aan welk een fraaie plant zij vormt. Deze Asparagus moet men koud overwinteren, zij wil des zomers buiten gekweekt worden; ook houdt zij er van, in groote potten met zeer voedzamen grond te staan, en verlangt des zomers veel water. De voortkweeking geschiedt door zaden.

Een zeer lief hangplantje is de Fuchsia procumbens, die in het najaar haar bladeren laat vallen en die men in een vorstvrijen kelder kan laten overwinteren. Zij heeft kleine blaadjes en zeer kleine, aardig gekleurde bloempjes, waarop vrij groote, gedeeltelijk door de bladeren bedekte roode bessen volgen. Deze plant laat zich uit zaden voortkweeken.

Een zeer sierlijke hangplant vinden wij onder de Selaginella’s en wel: de Selaginella cæsia. Deze heeft zeer dunne stengels, die overal luchtwortels maken, en door kleine, staalblauwe, glanzende blaadjes als met schubben bedekt zijn. Zij wil in de schaduw en zeer vochtig staan. Men moet haar planten in groven heidegrond, en een plaats geven in het kamerkasje. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door stekken.

Twee vrij algemeen voorkomende planten, die ook wel in het wild worden aangetroffen, zijn zeer geschikte ampelplanten; namelijk: de Lysimachia nummularia (Penningkruid), waarvan vooral de geelbladige variëteit zeer in trek is, en de Galeobdolon luteum, waarvan een bontbladige variëteit in sommige streken veel als ampelplant wordt aangetroffen. Beide planten groeien ook goed in de kamer; zij stellen bijna geen eischen en laten zich gemakkelijk door stekken voortkweeken. Eerstgenoemde plant kan men ook door deeling van den wortelstok vermenigvuldigen.

Fig. 177. Othonna crassifolia.

Fig. 177. Othonna crassifolia.

Twee andere, veel verspreide ampelplanten zijn de Vinca minor en de Vinca major (Maagdepalm), waarvan ook bonte variëteiten bestaan. Hoewel deze planten veel in potten gekweekt voorkomen, hebben zij toch grooter waarde ter versiering van den tuin.

Onder de verschillende Succulenten (Vetplanten) worden ook eenige zeer lieve ampelplanten aangetroffen o.a. de Othonna crassifolia, die zich door dunne, neerhangende stengeltjes, die dicht met kleine cylindervormige bladeren bedekt zijn, kenmerkt; ook de buiten overblijvende Sedum Sieboldii en haar bonte variëteit zijn als hangplanten zeer in trek. Deze laatsten sterven in het najaar tot aan den grond af, en kunnen dan in den kelder overwinteren.

Beide soorten staan gaarne in de zon; zij groeien zelfs in mageren grond en moeten des winters, evenals alle andere Vetplanten, droog gehouden worden. Men kan beide soorten zeer gemakkelijk door stekken voortkweeken.

Onder de hangplanten, die tot de derde groep behooren, en die, evenals de aardbeien ranken maken, is wel het meest bekend de Fragaria indica. Deze plant houdt het bij ons des winters buiten uit; zij vormt lange ranken, die met jonge plantjes bezet zijn, en bloeit zeer rijk met kleine, gele bloempjes. Op de bloemen volgen aardige besjes, die het voorkomen hebben van kleine aardbeien, doch geheel smakeloos zijn.

Fig. 178. Ficus repens.

Fig. 178. Ficus repens.

Een zeer verspreide plant is ook de Saxifraga sarmentosa, afkomstig uit China en Japan. Zij heeft sterk behaarde, sierlijk geaderde bladeren en maakt talrijke, roodachtige ranken. In het voorjaar brengt deze plant groote, rechtop staande bloemtrossen voort, met kleine, witte of rose bloempjes. Een bonte vorm, de Saxifraga sarmentosa var. tricolor heeft zeer fraaie, wit, groen of geelbonte bladeren, doch is zeer zwak en groeit slecht. De Saxifraga groeit in bijna iedere aardsoort en houdt niet van veel warmte. Als derde rankenvormende ampelplant kan aanbevolen worden de Chlorophytum Sternbergianum. Deze plant, die tot de familie der Liliaceeën behoort, groeit in een gesloten kamer zeer goed.

Al de rankenvormende hangplanten laten zich gemakkelijk voortkweeken; men neemt eenvoudig de aan de ranken hangende plantjes, die meestal reeds beworteld zijn, en plant ze afzonderlijk in potjes, waarin zij dadelijk zullen doorgroeien.

Van de klimplanten, die ook als hangplanten gebruikt kunnen worden, kan gerust de Ficus repens worden aanbevolen, waarvan ook een zeer kleinbladige variëteit de Ficus minima bestaat. Beide behooren in Japan thuis; zij groeien zeer gemakkelijk in de kamer, doch laten zich zonder kamerkasje niet licht uit stekken voortkweeken.