Zomerbloemen.

Onder den naam Zomerbloemen verstaan de meeste liefhebbers die planten, welke binnen den tijd van één jaar, eigenlijk tusschen de Lente en den Herfst, haar volkomen ontwikkeling bereiken. In dezen betrekkelijk korten tijd worden zij gezaaid, bloeien zij, geven zij zaad om ten slotte te sterven. Tot de Zomerbloemen worden ook wel eenige tweejarige planten gerekend, die zeer vroeg in het voorjaar gezaaid, in den loop van den zomer nog bloeien en ook wel eenige kruidachtige gewassen, die dan als éénjarig worden behandeld, daar zij de overwintering in de kamer niet loonen.

Fig. 179. Asters.

Fig. 179. Asters.

Bijna al de tot deze categorie behoorende planten zijn voor kamerplanten minder geschikt, daar deze gedeeltelijk lieve, gedeeltelijk prachtige of met kleurrijke bloemen bloeiende planten veel lucht en zon moeten hebben, waardoor zij dus in een gesloten vertrek niet best willen groeien. Het zijn echter bij uitstek geschikte tuinplanten.

Enkele soorten van Zomerbloemen, waarvan prachtige variëteiten gewonnen zijn, die echter niet altijd uit zaad constant blijken, worden in potten gekweekt en buiten in het bloemenrekje voor het venster geplaatst.

Hiertoe behooren o.a. de gevuldbloemige Petunia’s en Verbena’s, die, wil men ze zuiver houden, door stekken moeten worden voortgekweekt. Deze soorten zijn ook zeer goed om er de bakjes mede te beplanten. In deze bakjes kan men de Zomerbloemen alleen gebruiken, of wel te zamen met Pelargoniums, Fuchsia’s, Heliotropen, enz.

Fig. 180. Mimulus hybridus.

Fig. 180. Mimulus hybridus.

Enkele Zomerbloemen vormen als zaailingen reeds dadelijk penwortels; deze laten zich zeer slecht verplanten, en moeten dus direct in de bakjes gezaaid worden. Van deze planten is er slechts één met succes voor potten of bakjes te gebruiken, namelijk de Reseda odorata (Reseda), een plant, die meer om den aangenamen geur, dan wel om het fraaie voorkomen der bloemen gekweekt wordt.

Met uitzondering van deze moeten de voor de bakjes bestemde Zomerbloemen vroegtijdig gezaaid worden; de zaailingen worden dan een- of tweemaal gerepikeerd en tegen het einde van Mei in de voor haar bestemde bakjes geplant. Daar men de Zomerbloemen, om ze tijdig in bloei te hebben, zeer vroeg moet uitzaaien, en ze meestal uit warmere landen afkomstig zijn, dus ons voorjaarsklimaat niet kunnen verdragen, moeten zij in een warmen bak uitgezaaid worden.

Het opkweeken van dergelijke jonge planten is eigenlijk meer het werk van den kweeker, die aan al haar eischen kan voldoen en in het voorjaar, tegen billijken prijs, sterke, jonge planten kan leveren. Aangezien echter menig liefhebber er pleizier in heeft, zelf zijn Zomerbloemen te kweeken, willen wij in het kort mededeelen, hoe dit moet geschieden.

Fig. 181. Enkel- en gevuldbloemige Petunia’s.

Fig. 181. Enkel- en gevuldbloemige Petunia’s.

In Januari of Februari, wanneer de groote zaadhandelaars hun catalogi hebben uitgegeven, moet de liefhebber zijn benoodigde zaden bestellen. Met het zaaien begint men in Maart. Dit zaaien doet men op de wijze, zooals in het daarover handelende hoofdstuk is aangegeven.

Gewoonlijk zaait men op gezeefde, zandige broeiaarde, in vlakke schalen of houten kistjes. Men moet er voor zorgen, dat iedere soort afzonderlijk blijft. Dit gaat gemakkelijk, door grootere kistjes met stokjes in vakken te verdeelen. De stokjes worden daartoe eenvoudig op de van te voren vlak gemaakte en matig aangedrukte aarde gelegd. Zeer fijne zaden, zooals bijv. Lobelia, die in het geheel niet gedekt worden, zaait men het best in afzonderlijke potten. De zaadpannen worden, nadat men gezaaid heeft, voor een venster van een niet te warm vertrek gezet. De aarde wordt met den rafraîchisseur of een fijnen broesgieter zóó aangegoten, dat zij matig vochtig blijft en men bedekt ze, zoolang de zaden niet opgekomen zijn, wanneer de zon schijnt, met een vel papier. Heeft men te dicht gezaaid, zoodat de opkomende kiemplantjes elkander dadelijk raken, dan moet men ze onverwijld uitdunnen, door de zwakste plant voorzichtig uit te trekken. Lang kan men de opkomende zaailingen niet laten staan; zij moeten spoedig in andere potten of bakjes gerepikeerd worden, wat ook tot de vorming van haarworteltjes bijdraagt. Dit repikeeren is bij zeer kleine kiemplantjes tamelijk moeilijk; bij grootere echter gemakkelijk. Langzamerhand moeten de zaailingen aan de lucht en zon gewend worden, om te voorkomen, dat zij uit haar kracht, doch stevig en gedrongen groeien en tegen Pinksteren kan men ze dan in de voor haar bestemde bakjes uitplanten.

Fig. 182. Verbena hybrida

Fig. 182. Verbena hybrida

De bakjes, die van een goede drainage moeten voorzien worden, vult men met voedzamen grond, die matig aangedrukt wordt; zij worden zóó hoog gevuld, dat er niet meer dan een gietrand vrij blijft. Het best geschikt is een mengsel van vier deelen broeiaarde met één deel graszodengrond en ½ deel zand, waaraan wat duivenmest of hoornspaanders worden toegevoegd. Heeft men de bakjes klaargemaakt, dan worden de zaadplanten voorzichtig uit de schalen genomen, waarbij men er voor zorgt, dat de aarde tusschen de worteltjes blijft zitten, waarna zij in de bakjes worden geplant. Voor ieder plantje maakt men met het repikeerhoutje een gaatje, houdt het daar met de linkerhand zóó diep in, dat het met de onderste bladeren op de aarde komt te rusten, en drukt daarna met de rechterhand de aarde goed om de wortels aan. Op deze wijze plant men den eenen zaailing na den anderen, totdat het bakje gevuld is, waarna de plantjes goed aangegoten worden, waartoe men natuurlijk een fijnen broesgieter moet gebruiken.

Men moet de jonge plantjes vooral niet te dicht planten. Heeft men een bakje van 1 Meter lengte, dan zijn 15 plantjes ruim voldoende om het te vullen. Staan de bakjes vrij, zoodat de planten over de randen heen kunnen hangen, dan kan men iets dichter planten; staan zij echter tegen een hekje of balustrade, dan doet men het best klimplanten te gebruiken en er blijft dan voor de Zomerbloemen geen voldoende ruimte over.

Fig. 183. Enkele en gevulde Zinnia’s.

Fig. 183. Enkele en gevulde Zinnia’s.

Als zomerbloemen, die uitstekend voor bakjes geschikt zijn, kunnen aanbevolen worden de witte en de blauwe variëteiten van Ageratum; de Callistephus (Aster) chinensis, waarvan talrijke variëteiten met prachtig gevulde bloemen bestaan; ook zijn er in den laatsten tijd schoone enkele vormen van gewonnen. Men moet de Asters niet te vroeg, pas in Mei, zaaien, daar het echte najaarsbloemen zijn. Verder kunnen aanbevolen worden: Lobelia Erinus, lieve gedrongen plantjes, die met witte of blauwe bloempjes als overdekt kunnen zijn; Matthiola annua (Zomerviolieren), waarvan veel schoone, enkele en gevulde variëteiten bestaan; Mimulus hybridus, met geel en bruin gestippelde of gevlekte bloemen; Petunia hybrida, voornamelijk de variëteiten met groote, gevulde en gefranjede bloemen; Phlox Drummondii (Vlambloem), met vurig gekleurde bloemen; Verbena hybrida, zeer rijkbloeiende planten, met blauwe, witte en roode bloemschermen; Zinnia hybrida, bij voorkeur de gevuldbloemige variëteiten.

De Zomerbloemen groeien alleen goed op een zonnige, luchtige standplaats. Plant men ze in goede, voedzame aarde, en zorgt men voor een regelmatige begieting, dan zijn het zeer dankbare bloeisters, vooral wanneer men er om denkt ze des zomers ook nu en dan te gieren. Veel zorg vereischen zij dan overigens niet. De bakjes moeten vrij van onkruid gehouden worden; des zomers na een warmen, zonnigen dag, besproeit men ze met een gieter; de hoog opgroeiende bloemstengels moeten aan stokjes gebonden, de slechte bladeren en uitgebloeide bloemen tijdig afgesneden worden. De Zomerbloemen bloeien even dankbaar als de Fuchsia’s, Pelargoniums en Begonia’s, en eerst een sterke vorst maakt een einde aan haar bloei. Zijn zij eenmaal bevroren, dan maakt men de bakjes leeg, droogt ze en laat ze zoo noodig verven, waarop zij tot de tweede helft van Mei van het volgende jaar worden bewaard, ten einde ze dan weder met jonge plantjes te vullen.

Cacteeën.

Tot de interessantste gewassen van het plantenrijk behooren ongetwijfeld de vertegenwoordigers van de, aan soorten zoo rijke familie der Cacteeën, er zijn dan ook niet weinig liefhebbers, die deze planten met voorliefde kweeken. Tusschen de jaren 1830–1850 namen de Cactussen een voorname plaats onder de kamerplanten in.

In de Botanische Tuinen en de plantencollecties van voorname liefhebbers vond men toen ter tijde zeer uitgebreide verzamelingen dier planten.

Op dezen bloeitijd volgde een tijd, waarin zij geheel veronachtzaamd werden; de slechts om haar interessant voorkomen belangwekkende soorten verdwenen geheel, en slechts eenige fraai bloeiende konden zich eenigszins handhaven. In de laatste jaren begint echter de liefhebberij voor deze planten weder aanmerkelijk te herleven.

De Cactussen behooren tot die planten, welke er zich uitstekend toe leenen om in de kamer voor het venster gekweekt te worden, en, groeien zij ook langzaam, de liefhebber kan er verscheidene tientallen van jaren genoegen van hebben, daar zij, bij een eenigszins juiste behandeling, een zeer langen levensduur hebben. Het is bekend, dat de Cacteeën, die in haar vaderland op een zeer onvruchtbaren, zandigen bodem groeien, slechts zeer weinig eischen stellen. Bij het verplanten en bij de geheele behandeling dier planten moet men zeer voorzichtig zijn, daar veel soorten scherpe dorens bezitten, waaraan men zich licht kan verwonden; vooral moet men voorzichtig zijn, dat er geen dorens onder de nagels of in een der handgewrichten komen, daar ze dan pijnlijke verzweringen kunnen veroorzaken. Behandelt men Cactussen, dan is het voorzichtig steeds een pincet bij de hand te hebben, ten einde de in de huid geraakte dorens dadelijk te kunnen verwijderen. Er zijn echter ook veel soorten, die geheel zonder of met zeer onschuldige dorens gewapend zijn, en die men dus zonder gevaar met de bloote hand kan aanraken. Moet men sterk gedoornde soorten behandelen, dan doet men het wijst òf een goeden leeren handschoen aan te trekken òf zich van een stuk leer te bedienen, waarmede men de plant vasthoudt (Fig. 184).

Fig. 184. Het verplanten van Echinopsis oxygona.

Fig. 184. Het verplanten van Echinopsis oxygona.

In het begin van Mei, wanneer de groeiperiode der Cactussen begint, is het de beste tijd om ze te verplanten; met die soorten echter, welke dan juist knoppen of bloemen hebben, moet men wachten, tot zij uitgebloeid zijn. Het is nòch noodig, nòch geraden de Cactussen jaarlijks te verpotten; slechts voor jonge planten van snel groeiende soorten kan dit wenschelijk zijn. Gewoonlijk is het voldoende jonge planten om de twee en oudere om de drie of vier jaar te verplanten. Beginnen zij er echter slecht uit te zien en heeft men reden om dit aan de aarde toe te schrijven, dan mag met het verplanten niet gedraald worden. De meest geschikte aarde bestaat uit 3 deelen ouden heidegrond, 2 deelen goed verteerden graszodengrond en 1 deel scherp zand. Natuurlijk zijn er kweekers, die met een ander grondmengsel ook zeer goede resultaten verkrijgen, wat niet te verwonderen is, daar Cactussen in dit opzicht zeer gemakkelijk zijn, en ieder, mits niet te licht, grondmengsel haar past. Vóór dat men ze verplant, laat men de Cactussen goed opdrogen, opdat de oude aarde gemakkelijk tusschen de wortels te verwijderen zij. De Cactussen behooren tot die planten, welke niet veel wortels hebben, en dus moeten alle gezonde wortels zooveel mogelijk gespaard worden. Wanneer men de wortels verwondt of er aan snijdt, dan gaan zij licht tot rotting over; derhalve moet het mes alleen gebruikt worden om zieke, verdroogde of beschadigde wortels te verwijderen. Nadat men de oude aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels heeft uitgeschud, zoekt men een pot om haar in te planten. Gezond en krachtig groeiende planten kan men potten geven, 3–4 cM. wijder dan die, waarin zij stonden; zwakke en wortelzieke worden echter gezet in hetzij even groote, hetzij kleinere potten. Heeft men Cactussen, die zeer breed worden, dan doet men het best ze in schalen te planten. Door het gebruik van te groote potten heeft reeds menig liefhebber zijn planten ten gronde gericht. Juist voor Cactussen met haar, in vergelijking met andere planten, zwak wortelgestel, zijn te groote potten nadeelig; de wortels kunnen niet in alle richtingen door de aarde heen, die daardoor niet opdroogt, verzuurt en zoodoende ziekte van de plant veroorzaakt. De potten moeten van een goede drainage voorzien worden; hierop legt men wat grof sphagnum en daarop een laagje aarde. De plant wordt nu zóó in den pot gehouden, dat zij een juiste houding heeft, waarop de pot verder met aarde wordt aangevuld, die matig moet worden aangedrukt. Men mag de Cactussen slechts zóó diep planten, dat de wortels juist met aarde bedekt zijn. In tegenstelling met andere planten, mogen de verpotte Cacteeën niet direct worden aangegoten; men laat ze eenige dagen staan, om ze eerst daarna water te geven. Verplante Cactussen moeten toch, voordat zij bewijzen van groei beginnen te geven, uiterst matig begoten worden, dat men bij voorkeur op goed zonnige dagen doet.

De voortkweeking der Cactussen kan langs natuurlijken weg door zaaien en langs kunstmatigen door stekken of veredelen geschieden. Over het veredelen van deze planten is zeer uitvoerig in het hoofdstuk: “De kunstmatige voortkweeking der kamerplanten” gesproken, waarnaar wij meenen dan ook nu te kunnen verwijzen. De beste maand voor het kweeken uit zaad is Maart of April. Men neemt potten van 8–10 cM. wijdte, of, nog beter, kleine vlakke schalen; deze worden tot over de helft met potscherven en stukjes houtskool gevuld. De beste aarde om er de fijne, meestal zwarte zaden in te zaaien, is heideaarde, die vrij is van rottende bestanddeelen, waarbij minstens een vijfde gedeelte fijn, wit zand wordt gevoegd. Men vult den pot zóó ver met dit aardmengsel, dat het 1 cM. beneden den rand blijft. De aarde wordt nu gelijkmatig, doch niet te vast aangedrukt, waarop de zaden niet al te dik worden uitgestrooid. Zeer kleine zaden worden natuurlijk niet, grootere met een dun laagje zeer fijne aarde gedekt, daar de teere zaailingen anders niet door de aardlaag kunnen heendringen en daardoor zouden verstikken. De zaadpotten worden nu met den rafraîchisseur behoorlijk bevochtigd, waarbij men er op moet passen, dat zij niet op hoopjes spoelen, wat zeer gemakkelijk kan gebeuren. De aldus behandelde zaadpotten worden nu met een glasplaat bedekt en voor een zonnig venster gezet, daar de zonnewarmte een goeden invloed op de kieming heeft. Om echter te sterk uitdrogen te voorkomen, legt men, zoolang de zaden nog niet gekiemd zijn, een vel papier over de potten. Evenals bij andere zaadpotten worden ook nu de glasplaten er dagelijks afgenomen om afgedroogd te worden, waarbij men dan zoo noodig de aarde ook een weinig kan bevochtigen. Jonge kiemplantjes vormen eerst twee kiemblaadjes, waartusschen dan het kopje of bij blad-Cactussen het blaadje zich ontwikkelt. Daar er tusschen de plantjes gemakkelijk mos ontstaat, hetwelk het indringen van de lucht in de aarde belet en den groei der zaailingen stuit, is het noodig, deze laatsten zoo spoedig mogelijk te repikeeren. Voor dit repikeeren neemt men potten, die op dezelfde wijze met aarde zijn gevuld als die, welke voor het zaaien werden gebruikt. Daar de jonge kiemplantjes zeer teer en daardoor lastig met de vingers te hanteeren zijn, gebruikt men, om ze uit den pot te lichten, twee dunne, puntige houten stokjes, die men als een schaar aan elkander gebonden heeft. Met een ander stokje wordt een gaatje in de aarde gestoken, waarin het jonge plantje tot aan de kiemblaadjes gelegd wordt. Bij deze bewerking moet men er op letten, dat al de wortels rechtstandig in het gaatje komen. De onderlinge afstand tusschen de gerepikeerde plantjes moet 2–2½ cM. bedragen. De zoo behandelde plantjes kunnen ongeveer 1½ jaar rustig blijven staan, waarna zij ieder afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot.

Fig. 185. Kistje met goed opgekomen Cereus-zaailingen.

Fig. 185. Kistje met goed opgekomen Cereus-zaailingen.

Fig. 185 toont een bakje met gerepikeerde Cactus-zaailingen, die sterk genoeg zijn om afzonderlijk te worden opgepot. Het voortkweeken uit zaden is tamelijk omslachtig en vereischt zeer veel zorg; besteedt men er echter de noodige zorg aan, dan kan men steeds van een gunstig resultaat zeker zijn. De jonge zaailingen worden in de vensterbank verder gekweekt, waar zij in den beginne tegen te felle zon moeten geschermd worden. In den zomer moet men ze rijkelijk begieten en des winters mogen zij niet zoo droog gehouden worden als de oudere planten, daar zij nog zeer teer zijn en gemakkelijk verschrompelen. Om de jonge plantjes en ook zeer zwakke soorten te laten overwinteren, zijn de kamerkasjes voor Cacteeën zeer aan te bevelen. Deze kasjes zijn van losse plankjes voorzien, die men er, met de planten er op, uit kan nemen. Naar onze afbeelding (Fig. 186) is zulk een kasje gemakkelijk te maken, zij worden op een voetstuk voor het venster of, wanneer zij zeer smal zijn, in de vensterbank gezet.

Fig. 186. Kamerkasje voor kleine Cacteeën.

Fig. 186. Kamerkasje voor kleine Cacteeën.

Een aardigheid, die nogal interessant is, is het zaaien van kleine, fijne Cactussen in een medicijn-fleschje. In zulk een fleschje brengt men een weinig aarde, maakt het voldoende vochtig, waarna men er eenige zaadkorrels in werpt. Hierna doet men de kurk op het fleschje, waarna het voor het venster gezet wordt. Daar geen vocht uit het fleschje verdampen kan, kiemen de zaden er gemakkelijk in en groeien zoo lang verder, totdat de aarde, waarin zij staan, volkomen uitgeteerd is. Fig. 187 toont Cactussen, die in zulk een fleschje gekweekt en ruim anderhalf jaar oud zijn.

Fig. 187. Cactus-zaailingen in een medicijn-fleschje.

Fig. 187. Cactus-zaailingen in een medicijn-fleschje.

De voortkweeking door stekken gaat veel gemakkelijker en veel sneller. Het stekken van Cactussen gaat gemakkelijker dan bij andere planten, omdat men zoo min aan de grootte als aan de snede der stekken gebonden is. Heeft men kogelvormige Cactussen, die meestal jonge scheutjes maken, dan worden deze eenvoudig van de oude plant afgebroken. Bij de blad-Cactussen, neemt men enkele samenhangende bladgeledingen. Men kan er echter ook één nemen en zelfs een stuk van zulk een geleding zal nog goed groeien. Zuil-cactussen worden eenvoudig in zooveel stukjes gesneden als men planten verlangt te verkrijgen. De pas gesneden stekken mogen in geen geval direct in den grond gezet worden, daar zij dan zeker gaan rotten; men moet er dus voor zorgen, dit niet te doen, voordat de wond goed opgedroogd is. Hiertoe legt men de stekken eenige dagen in de vensterbank, zoodat de zon er op schijnen kan, en al liggen zij een paar dagen langer, dan zal dit haar geen kwaad doen; ja, men kan zelfs Cactus-stekken, die maanden droog gelegen hebben, nog met een vrij zeker resultaat opplanten. Het best wortelen de stekken in goed uitgewasschen scherp zand. Een schaal of plat kistje wordt, na van behoorlijke drainage voorzien te zijn, met dit zand, wat niet te vochtig mag wezen, gevuld, waarop men de stekken er in steekt. Men zorgt er voor, dat zij niet te diep en ongeveer een vinger breedte van elkander verwijderd komen te staan. Evenals bij de zaadpotten, is het voorzichtig, ook de stekpotten met een stolp te bedekken, doch men behoeft ze niet voor de zon te schermen; die mag er gerust op schijnen. Het zand in de stekpotten moet tamelijk droog gehouden worden; geheel opdrogen mag het echter niet. De stekken moeten niet te dikwijls bespoten worden en dan slechts uitsluitend bij helder weer. Al naar het jaargetijde en de soorten, gaat de beworteling sneller of langzamer; gewoonlijk duurt deze van 14 dagen tot 6 weken. De goed bewortelde stekken worden voorzichtig uit de stekpotten genomen en in evenredig groote potten geplant, waarop zij, nadat zij vast zijn gaan staan, als de andere Cacteeën behandeld kunnen worden.

Wil men Cactussen met succes kweeken, dan moet men over een zeer zonnig gelegen venster kunnen beschikken. Deze planten vormen, met de overige Succulenten, die wij ook later nog zullen bespreken, een hoogst interessante groep; het zijn bijna de eenige planten, die zonder eenige bescherming voor een op het Zuiden gelegen venster goed groeien en bloeien; er zijn toch slechts weinige soorten, die geschermd willen worden. De hardste kunnen, zoodra er geen nachtvorst meer te vreezen is, op een naar het Zuiden openliggende plek in den tuin gebracht worden. Men kan hier de potten tot bijna aan den rand ingraven, of wel, men gebruikt ze tot het versieren van rotsgroepjes.

Cactussen, die meer warmte noodig hebben en over het algemeen teerder zijn, moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Hiertoe behooren onder andere de Cereus grandiflorus en enkele andere Cereus-soorten, de Echinocactus Echinocereus-, Pilocereus- en Mamillaria-soorten. Wie over een warmen bak kan beschikken, zal zeer goed doen ze des zomers, wanneer het niet al te warm meer is, daarin uit te planten, waarvan een zeer snelle groei het gevolg zal zijn. Tot dit doel wordt de bak tijdig in het voorjaar met mest of met blad aangelegd, en er, al naar de grootte der planten, een laag aarde van 12–20 cM. dikte opgebracht. Daar de planten niet te ver van de ramen mogen staan, gaat het niet aan, groote en kleine plantjes onder hetzelfde raam uit te planten. Is de bak op een temperatuur gekomen van 75°–80° Fahr. en dampt hij niet meer, dan kan men met het uitplanten beginnen. Is het weer heel warm, dan kan men de uitgeplante Cactussen een- of tweemaal besproeien en de ramen op lucht zetten; slechts de schaduwminnende soorten moeten dan geschermd worden. Men moet er op letten, dat de aarde niet te veel uitdroogt. Tegen half September worden de uitgeplante Cactussen weer in potten gezet, en spoedig daarop kunnen zij haar winterkwartier betrekken. Een bezwaar is het, dat de planten in het najaar moeten gestoord worden, om ze in potten te zetten, daar het wel wil voorkomen, dat zij dan niet meer aan den groei gaan. Dit is de oorzaak, dat veel kweekers hun Cactussen in de potten laten staan en ze zoo, in den bak ingraven. Zij groeien dan wel niet zoo snel, doch behoeven in het najaar niet gestoord te worden.

Het gewichtigste bij het kweeken van Cactussen is het juiste gieten. Hier hangt het gieten toch niet uitsluitend van het jaargetijde en de groeiperiode af, doch men moet ook rekening houden met de levensvoorwaarden en den gezondheidstoestand der planten. Is het donker en kil weer, dan mag men in het geheel niet gieten, terwijl bij helder, warm weder regelmatig gieten een vereischte is. Van groot belang is bij de Cactus-cultuur ook het besproeien, dat men zeer goed kan doen met een zeer fijnen broesgieter. Op avonden na heete dagen moet men ze ook matig besproeien.

Fig. 188. Epiphyllum truncatum.

Fig. 188. Epiphyllum truncatum.

Tegen het einde van September, en bij ongunstig weder nog vroeger, moet men de Cactussen in de winterkwartieren brengen. De overwintering is, vooral wanneer zij des zomers buiten gehard zijn, niet zeer lastig. De teerdere soorten zet men in de woonkamer, de hardere daarentegen in een achterkamer, die slechts bij intredende vorst gestookt wordt; in geval van nood kan men echter zelfs de teerste soorten in een vertrek met een temperatuur van 45°–50° Fahr. laten overwinteren. Het is bijna, ongelooflijk wat Cactussen, die des zomers goed behandeld zijn, des winters kunnen verdragen, en met welk een lage temperatuur zelfs de tropische soorten zich tevreden stellen. Heeft men slechts een koude kamer voor de overwintering beschikbaar, dan is het voorzichtig de planten zoo hoog mogelijk te plaatsen, daar de bovenste luchtlagen in zoo’n vertrek altijd iets warmer zijn de onderste. De fijnere soorten zet men voor het venster, terwijl men de grovere gerust op een kast of ergens anders kan laten overwinteren. Heeft een liefhebber des winters slechts zeer weinig ruimte te zijner beschikking, dan kan hij de sterkere soorten uit de potten nemen en ze dicht tegen elkander in een kistje met zandige aarde zetten. Wanneer men de planten in zulk een kistje slechts den ganschen winter droog laat staan, dan veroorzaken zij niet de minste moeite. Ik ken een liefhebber, die op deze wijze in een ongebruikte keuken een zeer groot aantal Cactussen laat overwinteren. Tegen de wanden heeft hij houten rekken laten aanbrengen, waar de met zijn Cactussen beplante kistjes des winters op gezet worden. De ergste vijand gedurende den winter is vocht; geeft men ze echter een droge standplaats, dan verdragen zij zeer veel.

Fig. 189. Epiphyllum Gærtnerianum.

Fig. 189. Epiphyllum Gærtnerianum.

Hoewel de meeste Cacteeën, evenals bijna alle Succulenten, het best groeien in de volle zon, zijn zij daarvoor in het voorjaar, wanneer men ze uit donkere plaatsen haalt, toch zeer gevoelig. Om deze reden moet men ze dan in den beginne tegen de zon beschermen; langzamerhand gewent men ze daaraan, zoodat zij die na een week of drie weder goed kunnen verdragen. Verzuimt men deze voorzichtigheidsmaatregel, dan zullen zij licht brandvlekken krijgen, die niet alleen de planten zeer ontsieren, doch ook vaak de oorzaak van ziekte kunnen worden. Deze ziekte, die roest genaamd wordt, is een der ergste, die bij Cactussen voorkomt. De groote, bruine of gele vlekken, die zij veroorzaakt, dringen hoe langer hoe dieper in het weefsel door, en zijn oorzaak, dat de plant ten laatste sterft. Een andere, nog meer voorkomende ziekte is de rotting, die echter maar al te dikwijls, vooral des winters, door onvoorzichtig gieten veroorzaakt wordt. Men onderscheidt wortel- en stengelrotting. De wortelrotting is niet zoo gevaarlijk; bemerkt men deze, dan neemt men de aangetaste planten uit de potten, snijdt de rotte wortels weg, plant ze in versche aarde op, en houdt ze aanvankelijk droog. Heeft men stengelrotting, dan worden de aangetaste plekken met een scherp mes weggesneden. Des winters, wanneer zulke wonden slechts langzaam genezen, zet men de planten daarna zoo droog mogelijk, om de wond te doen opdrogen; in den zomer is het voldoende de wond met fijn houtskoolpoeder te bestrooien. Gevaarlijk is het, wanneer de plant over haar geheel neiging tot rotting toont. Deze ziekte ontstaat meestal aan den voet der plant, en breidt zich dan naar boven uit, of zij ontstaat,—wat echter minder voorkomt—, in den kop en trekt dan naar beneden. In het eerste geval kan men den kop nog op een behoorlijken afstand van de aangetaste plek afsnijden en dien als stek behandelen, gewoonlijk echter bemerkt men de ziekte eerst wanneer het geheele weefsel aangetast en de plant dus verloren is. Een andere ziekte bij Cactussen is de geelziekte; zij komt slechts bij enkele geslachten voor (Epiphyllum, Cereus en Phyllocactus) en wel hoofdzakelijk in den winter. Plotseling worden eenige deelen der plant geel en sterven spoedig daarna af. Gewoonlijk treedt de geelziekte op bij planten, die gebrek aan voedsel hebben of die in slechte aarde staan; het beste middel er tegen is, de plant zoo spoedig mogelijk in goede aarde te verpotten.

Fig. 190. Phyllocactus.

Fig. 190. Phyllocactus.

De Cactussen hebben ook talrijke vijanden onder de insecten en wel hoofdzakelijk in de blad- en schildluizen. Gewoonlijk zijn het de laatsten, die zeer veel schade kunnen berokkenen. Een der beste middelen om deze plagen te voorkomen, is het bij helder weder spuiten en een zoo goed mogelijke behandeling der planten. Zijn deze eenmaal door insecten aangetast, dan tracht men ze met een kwastje en lauw warm zeepsop te verwijderen. Een nog zekerder middel tegen deze insecten is een slappe oplossing van Nicotine-extract, dat in enkele apotheken wel te verkrijgen is. Zijn de Cactussen door zoogenaamde witte smeerluis aangetast, dan kan men die door spuiten gemakkelijk verwijderen. Zij worden daartoe op een helderen dag buiten gezet en met het handspuitje spuit men met kracht lauw water tusschen de dorens. De diertjes zullen daardoor weggespoeld worden. Vallen zij op de aarde van den pot, dan kunnen zij daar gemakkelijk van verwijderd worden. Een minder schadelijke vijand der Cactussen is de Cactus- of Cochenille-luis (Coccus cacti). Deze luis komt gewoonlijk voor op een Opuntia-soort en wordt slechts zelden op andere geslachten aangetroffen. De roode verfstof, onder den naam Cochenille bekend, bestaat uit niets anders dan de fijn gewreven lichamen van deze luizen. In ons klimaat teelt de Cochenille-luis zich slechts zeer langzaam voort, zoodat zij niet tot de eigenlijke Cactus-vijanden kan gerekend worden. Deze en gene liefhebber kweekt ze zelf wel als curiositeit op zijn planten.

Fig. 191. Cereus grandiflorus (Koningin van den nacht).

Fig. 191. Cereus grandiflorus (Koningin van den nacht).

Van het standpunt eens liefhebbers kunnen de Cacteeën in twee groote groepen verdeeld worden, namelijk die, welke hoofdzakelijk om haar fraaie bloemen gekweekt worden, en die, welke men om haar interessanten vorm of om de dorens verzamelt. Een absolute grens laat zich echter tusschen beide groepen niet trekken, daar er veel fraai bloeiende soorten zijn, die een zeer interessant voorkomen hebben, terwijl enkele, wier vorm hoogst belangwekkend is, somtijds zeer schoone bloemen voortbrengen. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat er in de familie der Cacteeën prachtig bloeiende soorten zijn; zij hebben echter allen een gebrek, namelijk den korten duur. Door elkander genomen, blijven de bloemen niet langer dan 2 à 3 dagen goed, zelfs bij soorten, waar de knoppen maanden lang tijd hebben om zich te ontwikkelen. Toch zijn er Cactussen met een zeer langen bloeitijd, die veroorzaakt wordt doordat zij talrijke knoppen voortbrengen, die na elkander tot ontwikkeling komen.

Fig. 192. Cereus flagelliformis monstrosa, geënt op een Opuntia.

Fig. 192. Cereus flagelliformis monstrosa, geënt op een Opuntia.

Epiphyllum truncatum (Fig. 188) is zeker wel een der meest voorkomende en dankbaarste uit de groep der fraai bloeiende Cactussen. Een bijzondere waarde heeft deze plant nog, wijl ze een echte winterbloeister is. Haar fraai vermiljoenroode bloemen, met purperen weerschijn, ontwikkelen zich gewoonlijk van Kerstmis af tot aan de tweede helft van Februari. De Epiphyllum behoort in Brazilië te huis, waar zij als een onechte parasiet tegen de boomen groeit, dikwijls in gezelschap van Orchideeën. Zij groeit daar onder de dichte bladerkroon en tusschen rottende plantenstoffen zeer welig; bij wijze van uitzondering wordt zij ook wel tegen vochtige wanden aangetroffen. De in den handel voorkomende Epiphyllums zijn voor het meerendeel kroonboompjes; die door veredeling op kleine, slanke stammetjes van andere Cactus-soorten meestal Peireskia’s staan. Deze stamboompjes bieden, met de afhangende twijgen, een fraaien aanblik, vooral in den bloeitijd, wanneer de laatste stengelgeledingen met bloemen of knoppen prijken. De uit stek gekweekte Epiphyllums zijn fraaie, zeer dankbaar bloeiende hangplanten. In de kweekerijen vindt men, tegenwoordig talrijke variëteiten, die verschillen door de kleur der bloemen.

Fig. 193. Echinopsis Eyriesii.

Fig. 193. Echinopsis Eyriesii.

De Epiphyllums behooren tot die Cactussen, welke, in tegenstelling met de meeste andere vertegenwoordigers van deze familie, een humusrijke aarde, scherming tegen brandende zon, en vochtige lucht verlangen. Gedurende den groei- en bloeitijd verlangen zij veel water; ook kan men ze gedurende dien tijd nu en dan gieren.

De rusttijd begint bij de Epiphyllums na den bloei; hij duurt gewoonlijk tot Mei en men moet dan zeer spaarzaam gieten. Heeft men veredelde stamboompjes, dan kan zeer dikwijls de dunne stam de zooveel zwaardere kroon niet dragen, waarom men moet zorgen, dat hij behoorlijk ondersteund wordt. Een zeer goede wijze daartoe is de volgende: Men steekt drie of vier stokjes in den pot, onder de kroon brengt men een ring van dik ijzerdraad, die aan deze stokjes wordt vastgebonden en waarop de twijgen van de kroon rusten, waardoor hij voldoende steun verkrijgt en de stam geheel vrij kan blijven.

Fig. 194. Rhipsalis Houlletiana.

Fig. 194. Rhipsalis Houlletiana.

De Phyllocactussen doen als dankbare bloeisters voor de Epiphyllums niet onder. Twee der hiertoe behoorende soorten, de Phyllocactus Russellianus en de Ph. Gærtneri (Fig. 189), gelijken in voorkomen zeer sterk op de Epiphyllums, maar de bloemen zijn regelmatiger gevormd. De beide genoemde soorten bloeien eerst tegen het voorjaar, met roode trechtervormige bloemen. De andere, tot dit geslacht behoorende soorten hebben zeer groote bladachtige stengels en schoone bloemen; deze laatste zijn wit, bieden verschillende nuanceeringen van rood of zijn geelachtig. Somtijds bloeien deze bloemen slechts één nacht, dan weder vier en twintig uur, terwijl zij bij andere soorten eenige dagen duren. De middelmatig groote, welsmakende vruchten zijn besvormig en karmijn- of steenrood. Deze bessen rijpen gewoonlijk na tien of twaalf maanden en bevatten zwarte, talrijke zaden. De Phyllocactussen worden nooit door veredeling voortgekweekt, daar de zaden zeer gemakkelijk opkomen en in korten tijd tot mooie bloeibare planten opgroeien. Ook het voortkweeken van stek gaat zeer gemakkelijk, zoodat men dan ook bij de liefhebbers steeds zelfgekweekte planten aantreft. De Phyllocactussen groeien onder geheel dezelfde omstandigheden als de Epiphyllums, zoodat zij op geheel dezelfde wijze moeten behandeld worden. Er zijn zeer veel schoone soorten bekend en de kweekers hebben door onderlinge kruising nog een aantal zeer fraaie hybriden gewonnen. Een dergelijke hybride stelt Fig. 190 voor.

Fig. 195. Cacteeën.

Fig. 195. Cacteeën.

Opuntia vaginosa. Cereus cyaneus.
Opuntia senilis. Pilocereus Houlletii. Opuntia maxima.
Fig. 196. Rhipsalis dissimilis.

Fig. 196. Rhipsalis dissimilis.

Het geslacht Cereus (Zuilcactus) is wellicht het interessantste geslacht van de familie der Cacteeën. Zeer dikwijls toonen de soorten onderling veel overeenkomst, dan weder een zeer groot verschil; zij zijn geribd en vier- of meerhoekig; nu eens kruipend, dan weder kogelvormig. De ribben of kanten zijn steeds nu eens met zwaardere, dan weder met zwakkere dorens bezet. De bloemen verschijnen meestal aan de oudere stengels, en slechts bij uitzondering aan de uiterste spitsen. Zeer veel Cereus-soorten bloeien eerst op hoogen leeftijd, anderen echter reeds als jonge planten. De nu eens witte, gele of roode bloemen kunnen een lengte van 20 cM. bij een doorsnede van 30 cM. bereiken; zij behooren tot de fraaiste, maar, jammer genoeg, ook tot de vergankelijkste bloemen in het plantenrijk. Van vele Cereus-soorten ontluiken de bloemen des avonds, om den volgenden morgen weder te verwelken; andere soorten houden het tot den middag uit en de bloemen der soorten, die het langst bloeien, duren nooit langer dan hoogstens drie dagen. De fraaie, eetbare vrucht bereikt bij enkele soorten de afmeting van een appel; zij rijpt nu eens na vijf of zes maanden, dikwijls echter pas in het jaar, volgende op den bloei. De Cereus behoort in West-Indië, Mexico en Brazilië te huis, waar zij aan de dorre landschappen een zeer eigenaardig voorkomen geeft. De schoonste soort van dit geslacht is de Cereus grandiflorus (Koningin van den nacht), Fig. 191. Haar bloemen kunnen een doorsnede van ruim 25 cM. bereiken, en behooren met haar zuiver witte bloembladeren, goudgele kelkbladeren en zeer fijnen vanielje-geur tot de fraaiste aller bloemen; zelfs de schoonste Roos wordt door dit prachtig natuurgewrocht in de schaduw gesteld. Jammer is het, dat deze soort nogal behoefte heeft aan warmte, en al groeit zij bij een goede behandeling ook in een kamer, in bloei komen zal zij daar zelden of nooit. Van grooter waarde is voor den liefhebber de Cereus nycticalus, die niet veel minder schoon bloeit dan de voorgaande soort, doch met een reukelooze bloem. Deze soort is harder dan de voorgaande, haar witte bloemen zijn grooter en verschijnen bij sterke planten geregeld iederen zomer.

In den laatsten tijd zijn ook door kruising van beide genoemde soorten met andere Cereussen schoone hybriden gewonnen, waaronder er zich bevinden met groote, roode bloemen.

Fig. 197. Mamillaria gracilis. Echinocactus Grusonii.

Fig. 197. Mamillaria gracilis. Echinocactus Grusonii.

Een andere, onder de liefhebbers zeer verspreide soort, is de Cereus speciosissimus, die reeds meer dan 100 jaar bekend is. Het is een zeer fraai bloeiende soort. Zij heeft drie- of vierkantige, vrij sterk gedoornde stengels, die men het best tegen een waaiervormig hekje bindt. De werkelijk fraaie, schitterend roode bloemen verschijnen gewoonlijk in vrij grooten getale gedurende den zomer en duren drie of vier dagen. Hoe minder men deze soort verplant, hoe beter zij bloeit; plant men haar in een grooten pot, dan groeit zij wel sterk, doch bloeit weinig of niet. In den handel zijn veel variëteiten dezer Cereus verspreid.

Fig. 198. Echinocactus capricornis.

Fig. 198. Echinocactus capricornis.

De Cereus flagelliformis (Slang-Cactus) is een mooie, reeds verscheidene tientallen van jaren onder de Cactus-liefhebbers verspreide soort, met kruipende of hangende stengels, die bezet zijn met in stervormige bundeltjes vereenigde, bruingele dorens. De tot 8 cM. lange bloemen zijn purper-rozerood en de pas na een jaar rijp wordende vruchten hebben eenigszins een pruimensmaak. De afbeelding 192 toont een monstrueuzenvorm dezer soort, de Cereus flagelliformis cristatus, geënt op een Opuntia.

Onder de Zuilcactussen zijn er ook talrijke, die om haar eigenaardige, fraaie gestalten of wel om de interessante kleur harer dorens gekweekt worden; deze soorten bloeien echter slechts zelden. Eén dezer, die dikwijls nogal van vorm verschilt, doch steeds een fraaie, blauwachtige kleur heeft, de Cereus cyaneus, is voor liefhebbers wel de meest aanbevelenswaardige.

Fig. 199. Mamillaria.

Fig. 199. Mamillaria.

plumosa. Schiedeana. Celsiana.

Onder de Cactus-geslachten, waarbij zeer fraai bloeiende soorten worden gevonden, kunnen wij nog aanbevelen het geslacht Echinopsis. De hiertoe behoorende soorten hebben gewoonlijk een kogelvorm, die zich slechts zelden verlengt; de planten nemen alsdan een eivormige gestalte aan. In alle gevallen zijn zij veelzijdig en vaak zeer sterk met groote fraaie dorens bezet. De lichtgroene zijscheuten, die bij oudere planten zeer talrijk voorkomen, en ook de jonge zaailingen hebben in den beginne een heel ander aanzien dan de gekarakteriseerde planten. De witte, rose of roode bloemen verspreiden een heerlijken geur: zij hebben een lange, trechtervormige bloemkroon. Bij enkele soorten blijven de fraaie bloemen slechts één nacht, bij andere daarentegen verscheidene dagen open. Daar de hiertoe behoorende soorten in den voorzomer bloeien, dan zeer talrijke bloemen voortbrengen en de bloemknoppen dikwijls vijf à zes maanden noodig hebben om tot ontwikkeling te komen, gebeurt het vaak, dat men reeds in October of November de knoppen ziet verschijnen. De snel rijp wordende vrucht is eivormig of rond en heeft eenigszins het voorkomen van een walnoot. Van de vele, tot dit geslacht behoorende soorten, zijn er twee hier afgebeeld, de Echinopsis oxygona in Fig. 184 en de Echinopsis Eyriesii in Fig. 193.

Zeer dankbare, niet onaardig bloeiende planten levert ons het geslacht Rhipsalis (Roede-Cactus) met vaak zeer dunne, ronde stengels. De hiertoe behoorende soorten groeien in tropisch Amerika als onechte parasieten op boomen, en zij houden dus van een tamelijk vochtige lucht en een humusrijke aarde. Een soort met breedere stengels, die des winters met licht-stroogele, welriekende bloemen bloeit, is de Rhipsalis Houlletiana (Fig. 195), terwijl de Rhipsalis dissimilis (Fig. 196), die ook des winters bloeit, roedevormige stengels heeft.

Onder de vertegenwoordigers der andere Cactus-geslachten worden nog zeer schoon bloeiende soorten aangetroffen, maar aangezien deze slechts zeldzaam bloeien, worden zij uitsluitend óf om haar interessant uiterlijk, óf om haar fraaie dorens gekweekt.

Fig. 200. Mamillaria fuscata op een Cereus veredeld.

Fig. 200. Mamillaria fuscata op een Cereus veredeld.

Van deze verschillende Cactussen kunnen wij den liefhebbers zeer aanbevelen de Echinocereus-soorten, waaronder fraai gedoornde en schoon bloeiende en de Pilocereus-soorten, die somtijds lange haarvormige dorens bezitten, zooals bijv. de Pilocereus senilis (Grijsaard), die geheel met lange, witte dorens bedekt is en daardoor een eigenaardig voorkomen heeft; ook de Pilocereus Houlleti is zeer fraai. Door haar sterk gedoornd voorkomen munten uit de Echinocactus-soorten, waaronder ook fraaie bloeisters worden aangetroffen. Door haar gele dorens is vooral aanbevelenswaardig de Echinocactus Grusonii, waarvan Fig. 197 een jonge plant vertoont. Een zeer weinig gedoornde, doch met gele bloemen zeer rijk bloeiende soort is de Echinocactus capricornis, die met witte puntjes is overdekt.

De Optunia-soorten vormen vaak groote planten met zware, platte stengelleden; zij bloeien wel fraai, doch tamelijk weinig en brengen na den bloei eetbare, naar kruisbeien smakende vruchten voort. Op onze plaat zijn drie soorten afgebeeld: de Opuntia maxima, de O. senilis en de O. vaginosa. Zeer sierlijke, dikwijls gedrongen groeiende soorten behooren tot het geslacht Mamillaria, waarvan de meeste winterbloeisters zijn; enkele hebben eenigszins groote, de meeste echter slechts kleine bloemen. Verschillende soorten van dit geslacht zijn hier afgebeeld, namelijk: Mamillaria Celsiana, M. Schiedeana en M. plumosa (Fig. 199), M. gracilis (Fig. 200) en M. fuscata, deze laatste als jonge plant veredeld op een Cereus.

Zeer interessante Cactus-geslachten zijn nog Malococarpus, Astrophytum, Anhalonium en Pelecyphora.

Deze laatste geslachten zijn echter slechts hun aan te bevelen, die goed met plantencultuur vertrouwd zijn, daar zij lastig in de cultuur zijn en maar al te vaak, vooral des winters, dood gaan.