I. Algemeene wenken.

De inrichting van den kamertuin.

Bij het kweeken van planten in de kamer moet men rekening houden met tal van moeilijkheden, welke voor den plantenliefhebber, die zijn planten slechts buiten kweekt, niet bestaan. Het moeilijkste is zeker wel de juiste plaatsing. Het is zeer gemakkelijk planten te koopen, maar heel wat moeilijker ze zóó te plaatsen, dat zij, bij een goede behandeling, ook in de kamer gezond kunnen gehouden worden. Er bestaan echter tal van voorwerpen, die dienen, om er kamerplanten op of in te plaatsen en die dan ook vrij algemeen gebruikt worden. Het meest bekende en verspreide dezer voorwerpen is zeker wel de bloemtafel. Bloemtafels zijn steeds een zeer gewaardeerd geschenk, reden waarom ze in bijna alle vormen worden vervaardigd en tot alle prijzen verkrijgbaar zijn. Het meest worden zij vervaardigd uit ijzer-, hout-, draad- of mandenvlechtwerk. Al deze tafels bevatten een blikken bak, waardoor de zindelijkheid bevorderd wordt. Er moet op gelet worden, dat deze bak een afvoerbuisje heeft, waardoor het overvloedige water kan afgetapt worden. De gewone vorm voor de bloemtafels is de ronde. Het kan niet ontkend worden, dat een fraaie, ronde bloemtafel, met mooie planten gevuld, een inderdaad zeer schoon kamersieraad is. Jammer is het daarom, dat de ronde bloemtafel grove gebreken heeft, zoodat zij, voor het kweeken van kamerplanten, zoo ongeschikt mogelijk is. Verondersteld dat men deze tafel de eenige goede plaats, namelijk zoo dicht mogelijk bij het venster, geeft, dan zijn het toch slechts de weinige, naar het venster gekeerde planten, die de zoo hoog noodige directe inwerking van het licht genieten. De van het venster afgekeerd staande planten leiden, door gebrek aan licht en zon, veel meer dan men wel denken zou. Wel zijn er enkele bladplanten, met stevige bladeren, zooals bijv. enkele Palmen en de Aspidistra, die onder zulke ongunstige omstandigheden goed blijven, doch van een weelderigen groei kan ook bij deze geen sprake zijn. Om aan het genoemde bezwaar te gemoet te komen, heeft men bloemtafels in den handel gebracht met beweegbaar bovenstel. Deze tafels kunnen, zonder verplaatsing, dagelijks een weinig gedraaid worden, zoodat alle planten eenigen tijd een weinig van het licht kunnen genieten; maar de tijd, dien deze planten in het volle licht staan, is ook in dit geval betrekkelijk kort. Het feit nog in het midden latende, dat er verscheidene planten zijn, die niet gaarne dikwijls van plaats veranderen, komen deze bloemtafels dus slechts gedeeltelijk aan het bedoelde bezwaar te gemoet. Een direct gevolg der ronde bloemtafels is dan ook, dat alle daarin staande planten na verloop van betrekkelijk korten tijd éénzijdig worden. Zulke éénzijdige planten maken, zoolang zij met anderen te zamen gerangschikt staan, nog wel een tamelijk goeden indruk, maar zoodra men ze alleen plaatst, is deze allertreurigst. Ronde bloemtafels kunnen dan ook slechts gebruikt worden, wanneer de daarin geplaatste planten geen hoofdzaak zijn. Dit is bijv. het geval met een soort ronde tafel, wier centrum gevormd wordt door een aardig aquarium met of zonder fontein. Deze, uit fraai gietijzer vervaardigde, tafels hebben rondom het aquarium slechts plaats voor een, hoogstens twee rijen kleine planten, terwijl het aquarium zelf met zeer goed gevolg benut kan worden voor de cultuur van moeras- en andere waterplanten. In het algemeen genomen, kan de ronde bloemtafel dus slechts gebruikt worden als fraai meubelstuk in het salon, en hoewel voor de cultuur van fraaie planten ten eenen male ongeschikt, kan ze dienstbaar zijn om planten, die men gedurende den zomer in de vensterbank, op het balkon of in den tuin gekweekt heeft, des winters aan de versiering der vertrekken dienstbaar te maken. Fig. 2 toont aan, op welke wijze de planten op zulk een bloemtafel gerangschikt kunnen worden worden. Als middenplant gebruikt men een fraaien, naar alle zijden goed ontwikkelden Palm, waaromheen Dracæna’s, Varens en kleinere bloemplanten geschikt worden, terwijl verschillende hangplanten aan het geheel een los voorkomen kunnen geven.

Fig. 1. Bloemtafels.

Fig. 1. Bloemtafels.

Fig. 1 toont twee ongevulde bloemtafels, uit gietijzer vervaardigd, en wel ter rechterzijde een gewone, maar zeer elegant gevormde tafel en ter linkerzijde een eenvoudigere, waaraan echter een bloemstandaard verbonden is, zeer geschikt om er een flink ontwikkelden Palm op te zetten.

Fig. 2. Elegante bloemtafel.

Fig. 2. Elegante bloemtafel.

Beter dan de ronde, is de ovale bloemtafel voor het kweeken van planten geschikt. Indien zulk een tafel goed is, moet zij op twee stevige pooten staan, de lengte van het venster hebben, waar zij vóór gezet wordt en niet te breed zijn, zoodat er slechts één rij planten in gezet kan worden. Zulk een tafel wordt het best vervaardigd uit besneden hout, waarin een blikken bak wordt geplaatst. De geheele bak moet zóó diep zijn, dat de potten, waar de planten in staan, aan het gezicht worden onttrokken. Dergelijke bloemtafels zijn zeer practisch en zijn zij netjes bewerkt, dan strekken zij ieder vertrek tot een waar sieraad.

Fig. 3. Bloemstandaard.

Fig. 3. Bloemstandaard.

Een zeer doelmatig meubelstuk om planten op te kweeken is ook de bloemstandaard. De meest gebruikelijke standaards, van geïmiteerd ebbenhout, waarop meestal een fraaie porseleinen vaas staat, kunnen slechts dienen om een enkele plant op te plaatsen (Fig. 3). Het spreekt vanzelf, dat men op zulk een standaard steeds een Palm of andere fraaie plant moet zetten, die geen gebreken heeft en die naar alle zijden goed ontwikkeld is.

Voor het plaatsen van alleenstaande planten heeft men ook nog andere vazen, zooals die in Fig. 4 zijn afgebeeld. Dit zijn groote porseleinen vazen, die op gesmeed of gietijzeren piedestals staan. De standaards, die rechts in het midden zijn afgebeeld, zijn vervaardigd uit gedraaid smeedijzer, terwijl de linksche van het goedkooper gietijzer is gemaakt, dat men door bronzen of nikkelen een fraai voorkomen geeft.

Veel beter, dan de ronde bloemtafels, zijn ook de rustieke bloemstandaards met verschillende etages, die ieder op zichzelf dienen om er een alleenstaande plant op te plaatsen (Fig. 5).

Fig. 4. IJzeren Bloemstandaards met vazen.

Fig. 4. IJzeren Bloemstandaards met vazen.

Al de tot nu toe besproken voorwerpen, waarbij nog gevoegd moeten worden de één- of meerarmige consoles, die meestal aan den wand worden bevestigd, vinden een plaats in de kamer. Met deze hulpmiddelen is men echter niet in staat de beste plaats voor het kweeken der planten, namelijk de vensterbank, te gebruiken. Een goed gebruik van de vensterbank kan men echter slechts dán maken, wanneer de vensters niet van overgordijnen voorzien zijn, daar deze anders de daar geplaatste planten aan het gezicht zouden onttrekken.

Fig. 5. Bamboe standaard voor vier planten.

Fig. 5. Bamboe standaard voor vier planten.

In de meeste moderne huizen is de vensterbank echter zóó smal, dat er slechts één rij kleinere planten op geplaatst kan worden. In huizen echter, waar de vensterbank iets breeder is en men slechts een klein aantal planten, hoofdzakelijk voor vensterdecoratie, wil kweeken, kan men er een houten bakje op laten maken om de planten in te plaatsen. Dit bakje kan zeer goed zoo ingericht worden, dat het de kamer volstrekt niet ontsiert. In dit bakje, hetwelk zoo diep moet wezen, dat de potten geheel aan het gezicht worden onttrokken, zet men dan eenige werkelijk fraaie blad- of bloemplanten. De liefhebber, die er pleizier in heeft, zijn planten werkelijk zelf te kweeken, ze door zaden of stekken te vermeerderen en dan de jonge plantjes op te kweeken, heeft aan de beperkte ruimte van de vensterbank niet genoeg. Toch weet zoo iemand wel raad te schaffen om meer ruimte te verkrijgen. Het eenvoudigste middel hiertoe is, dat men aan de vensterbank een tweede plank laat aanbrengen, die al naar de ruimte in de kamer en het aantal te kweeken planten, breeder of smaller kan wezen. Men kan deze plank zoo laten maken, dat zij aan het kozijn met een paar scharnieren bevestigd wordt en door een paar pootjes wordt ondersteund, zoodat zij naar verkiezing opgesteld of neergeslagen kan worden. Op de ruimte, die men op deze wijze verkregen heeft, is voor een tamelijke hoeveelheid planten plaats, en deze kunnen alle genoegzaam van het invallende licht profiteeren, wanneer zij op een doelmatige wijze worden gerangschikt. Men plaatst de planten namelijk zóó, dat de kleinste in de eerste rij, d.w.z. het dichtst bij het venster staan, terwijl de grooteren, al naar de afmeting, in de volgende rijen worden gezet. Is men in de gelegenheid de kamerplanten des zomers buiten te zetten, zoo wordt de plank eenvoudig neergeslagen, zoodat zij dan niet hinderlijk is. Een groot bezwaar is echter aan deze inrichting verbonden, namelijk, dat het venster, waar de planten vóór staan, niet geopend kan worden. Gewoonlijk echter heeft het vertrek, waar men planten kweekt, meer dan één venster, zoodat dat, waar de planten vóór staan, wel gesloten zal kunnen blijven. Het luchten door het venster, waar de planten vóór staan, mag echter in geen geval des winters geschieden, daar de planten volstrekt niet aan een kouden luchtstroom blootgesteld mogen worden.

Ook dan, wanneer slechts één rij planten in de vensterbank staat, mag men het raam niet openen of men moet eerst de planten wegnemen. Dit nu is niet aan te raden, daar het veel last veroorzaakt en het veelvuldig verplaatsen voor teedere planten licht schadelijk zou kunnen zijn.

Ook in dit geval doet men dus beter het venster gesloten te laten.

Heeft men echter vertrekken, waar het venster, waarvoor de planten staan, toch geopend moet worden, dan is het beste, dat men gebruik maakt van de “Patent-Blumenbretter” van Meier en Michael te Leipzig. Deze bestaan uit twee deelen, vervaardigd uit draad- of smeedijzer en zijn zóó ingericht, dat aan ieder vensterkozijn er een bevestigd wordt, welke met een scharnier kan draaien. De bakjes hebben ongeveer de breedte van een gewone vensterbank, zij rusten daar echter niet op, maar hangen aan ijzeren kettinkjes, die aan de ramen met een haakje bevestigd zijn. Moet men nu het venster openen, dan worden de kettinkjes losgemaakt en de bakjes naar binnen gedraaid. De planten zijn dan niet aan den directen luchtstroom blootgesteld. Zeer raadzaam is het ook een houten raam te laten maken, bespannen met ijzer- of kopergaas en dit tusschen het geopende raam en de vensterbank te plaatsen. De koude lucht, die dan door het gaas moet heendringen, zal niet zulk een ongunstigen invloed op de planten uitoefenen.

Al de tot nu toe besproken voorwerpen, die dienen kunnen om planten in de kamer te kweeken, hebben een zeer groot nadeel; namelijk, dat zij de planten niet beschermen tegen de droge, stoffige kamerlucht. Wanneer men met hardere planten te doen heeft, is dit euvel niet zoo heel groot, en door herhaald besproeien en wasschen der planten, nog wel te verhelpen, vele teerdere planten kunnen echter onmogelijk vrij in een kamer verzorgd worden. Wil een liefhebber dus fijnere planten in de kamer kweeken, dan moet hij zich bedienen van een kamerkasje. In zulk een kasje, dat meestal niet kostbaar, maar ook betrekkelijk klein is, heeft men natuurlijk voor grootere planten geen plaats. Het aanbevelenswaardigste is, in zoo’n kasje Varens, Orchideeën en bontbladerige plantjes te kweeken.

Zeer samengesteld zijn de kamerkasjes met een verwarmingstoestelletje, maar daar deze zeer veel zorg vereischen, wordt men ze meestal spoedig moede. Meestal zullen kamerkasjes een fraai voorkomen hebben en bijgevolg in een verwarmd woonvertrek gezet worden, zoodat extra verwarming dan onnoodig is. Het kasje moet zoo mogelijk op een goed voetstuk staan en kan, al naar keuze, zeer eenvoudig van hout en gewoon glas, of fraaier en dan van ijzer en spiegelglas gemaakt worden. Het kamerkasje bestaat uit een meer of minder groot met glas bedekt raamwerk, waarin aan de achterzijde een deur is, die dient voor het inzetten en verdere verzorgen der planten, of wel, men maakt er in plaats van een deur een losse ruit in, die zoo noodig uit- of ingeschoven kan worden. Indien de temperatuur in het kasje te hoog wordt, moet er gelucht worden en de inrichting moet zoo zijn, dat men dit kan doen door uit den bovenkant een ruit weg te nemen. De kamerkasjes worden zoo gemaakt, dat men òf er slechts planten in potten in kan zetten, òf wel de planten er in kan uitplanten. In het laatste geval moet er aan de onderzijde een bak worden aangebracht ter opneming van de aarde. Vooral moet er zorg voor worden gedragen, dat deze bak voorzien is van een afvoerbuisje om het overvloedige water te kunnen verwijderen. Dit buisje moet aan het laagste punt van het bakje bevestigd worden. Indien men de planten in het kasje uitplant, moet men zorgen vooraf een goede drainage in den bak aan te brengen. Hiertoe legge men eerst een laag potscherven, of, bij gebrek daarvan, stukjes houtskool of cokes op den bodem, en bedekke deze hetzij met een laagje moerasmos (sphagnum) of wel met wat groven turfmolm. Op deze drainage brengt men dan de aarde aan, waar de plantjes in gezet worden; deze aarde moet bij voorkeur licht, los en niet te vochtig zijn. Het kamerkasje geeft niet alleen het voordeel, dat de planten beschut zijn tegen de droge, meestal stoffige en onzuivere kamerlucht, maar dat zij ook kunnen begoten en bespoten worden, zonder dat de meubelen daar iets van te lijden hebben, of ook het tapijt vochtig wordt.

In plaats van het kamerkasje, worden ook wel glazen stolpen gebruikt, die nu eens over een enkele plant, dan weder over verscheidene planten, die men te zamen in een bakje zet, worden geplaatst. In het laatste geval is het raadzaam zaadtesten te gebruiken, zooals die in de kweekerijen voor het uitzaaien van fijnere zaden worden gebruikt.

Zeer geschikt voor het kweeken van kamerplanten is de ruimte tusschen z.g.n. dubbele vensters, die echter hier te lande slechts betrekkelijk schaars worden aangetroffen. De architecten denken meestal het allerminst aan de bloemenliefhebberij van de aanstaande bewoners, die de door hen gebouwde huizen moeten betrekken. De dubbele vensters zijn meestal zóó gemaakt, dat er slechts even ruimte is om Hyacintglazen tusschen te zetten. Om hieraan te gemoet te komen, heeft men lange, smalle potten vervaardigd; deze zijn echter niet alleen zeer leelijk, maar ook zeer onpractisch. Beter doet men dan nog, vierkante of langwerpig vierkante potten te gebruiken (Fig. 6), die echter niet in den handel zijn, doch aan den pottenbakker besteld moeten worden. Dit model potten is echter overbodig, wanneer men iedere plant op een klein stekpotje zet. De pot, waar de plant in staat, komt dan niet tusschen de ramen, doch tusschen de vensterruiten te staan, waar natuurlijk de ruimte aanmerkelijk breeder is; dit heeft echter weer tegen, dat de grootere potten dan geheel in het gezicht komen, wat niet erg mooi staat.

Fig. 6. Vierkante bloempot voor dubbele vensters.

Fig. 6. Vierkante bloempot voor dubbele vensters.

Veel aanbevelenswaardiger dan de dubbele vensters zijn de vensterkasjes. Te Weenen zijn de vensterkasjes lang geen zeldzaamheid; er bestaat daar zelfs een Vereeniging, waarvan de leden hun planten uitsluitend in vensterkasjes moeten kweeken. Het kasje moet zóó ingericht zijn, dat men het des zomers buiten en des winters binnen aan het venster kan hangen. In het kasje is een deur aangebracht, waardoor men des winters bij de planten kan komen, des zomers doet deze geen dienst, daar men dan slechts het venster behoeft te openen, om de planten te kunnen verzorgen. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat het kasje zoo moet ingericht worden, dat er geen water op de stoep of op het tapijt kan druipen; ook moet het voorzien zijn van zonneschermpjes, die men in de kamer moet kunnen behandelen. Het best is daartoe een groen gekleurde rouleau, die over koorden loopt. Het kweeken van planten tusschen de dubbele vensters of in het vensterkasje is in ieder geval veel loonender, dan het kweeken in de kamer, daar de planten, bij die kweekwijze, volop van het licht kunnen genieten, wat een eerste levensvereischte voor haar is.

De beste van alle inrichtingen is wel de wintertuin, dien men van uit de kamer door een deur kan bereiken. Zulk een wintertuin heeft bijna al de voordeelen van een plantenkas. De inrichting van een goeden wintertuin, die door alle fabrieken kan bezorgd worden, is echter tamelijk kostbaar. Ook het onderhoud en vooral de verwarming sleepen groote kosten met zich, waarom de wintertuinen dan ook lang niet algemeen zijn.

Een liefhebber, die er prijs op stelt door middel van planten een fraai voorkomen te geven aan zijn vertrekken, balkon of waranda, mag de ampels niet vergeten. Onder een ampel verstaat men een voorwerp, dat er op ingericht is met hangplanten bezet en zoo opgehangen te worden. Zulke hangplanten moet men niet verwarren met klimplanten. Terwijl toch de klimplanten in haar vaderland tegen boomen opklimmen en somtijds tot in de hoogste kronen toe doordringen of wel tegen de steilste rotsen opgroeien, ontwikkelen hangplanten zich heel anders. Hangplanten kruipen in haar natuurlijken toestand in de meeste gevallen over den bodem of hangen van rotsblokken naar beneden, overal wortels slaande, die voor de voeding der stengels zorgen. Deze kruipende planten, die niet, zooals de struikachtige gewassen, met hare stengels rechtop groeien, zijn het, die in de eerste plaats voor ampels in aanmerking komen.

Een goede ampel moet er bevallig uitzien en toch practisch zijn. De meeste potten-, draad- en houtwerkfabrieken brengen ampels in den handel van de meest verschillende prijzen en vormen, maar, hoe fraai deze er veelal ook uitzien, zijn zij gewoonlijk toch niet voor het kweeken van planten geschikt. De bruikbaarste is en blijft altijd de steenen ampel, bij voorkeur die, welke van hetzelfde materiaal gemaakt is, waaruit de gewone bloempotten worden vervaardigd. De grootste fout bij de ampels is gelegen in het gebrek aan een waterloozing. De spits, waarin een ampel meestal uitloopt, moet, evenals de bodem van een bloempot, doorboord zijn, zoodat het overvloedige gietwater dadelijk kan wegloopen. Om nu het bevuilen van den vloer te voorkomen, is het raadzaam onder het drainagegaatje een bakje van steen of blik te hangen, dat korten tijd na het gieten verwijderd kan worden. Een tweede fout der ampels en wel hoofdzakelijk der steenen ampels, is, dat zij te ondiep zijn. Zet men in zoo’n ondiepe ampel een hangplant, die in den pot blijft staan, dan ziet men een groot gedeelte van den pot, wat niet erg mooi is; neemt men de plant uit den pot, om haar direct in de ampel te planten, dan blijkt het, dat de aardkluit veel te groot is en ze er niet in geplant kan worden, zonder er een groot gedeelte af te snijden. De ampels mogen dus niet te ondiep zijn; als regel moet gelden, dat zij evenals een bloempot, net zoo diep als wijd moeten zijn. Een derde fout bij de ampels uit den handel is daarin gelegen, dat zij veel te mooi zijn, zoodat maar al te dikwijls het fraaie voorkomen daarvan hoofdzaak en de daarin groeiende plant nevenzaak wordt. Het uiterlijke van de ampel doet echter niets ter zake, omdat het bij een goede beplanting door de hangplanten zoo niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte bedekt wordt. Een zoo eenvoudig mogelijk steenen ampel, die niet te hard gebakken, maar zoo poreus mogelijk is, die uitwendig noch verglaasd, noch beschilderd is, die ten slotte naast de hoognoodige diepte, ook een gelegenheid tot waterafvoer heeft, is en zal wel altijd blijven het meest aanbevelenswaardige voorwerp om hangplanten in te kweeken, Fig. 7 toont drie zulke ampels. Links is afgebeeld een zeer eenvoudige, doch inderdaad practische ampel; in het midden een, die geheel ongeschikt is, omdat zij èn te ondiep èn te fraai bewerkt is; rechts eindelijk is een uit een zeehoorn vervaardigd; deze is wel niet zeer practisch, maar zeer eenvoudig en gemakkelijk te maken en juist daarom wellicht aanbevelenswaardig.

Fig. 7. Ampels.

Fig. 7. Ampels.

In de tweede plaats komen in aanmerking de ampels, vervaardigd van hout of vlechtwerk. Het kan niet ontkend worden, dat een z.g.n. rustieke ampel inderdaad wel fraai kan zijn. Zulke ampels kunnen op verschillende wijzen vervaardigd worden. Men kan, evenals voor orchideeën-mandjes, geschilde of ongeschilde stukjes hout tegen elkander aanleggen, en deze met koperdraad onderling verbinden. Een tweede, veel voorkomende wijze is, dat een geraamte uit ruw hout wordt vervaardigd, hetwelk dan met boom- of kurkschors bekleed wordt; deze kan men dan nog met dennenappels of dergelijke vruchten versieren. Zulk een ampel moet natuurlijk ook van een gelegenheid tot waterafvoer voorzien zijn. Wil men er echter voor zorgen, dat het hout niet spoedig gaat rotten en dan een minder fraai voorkomen heeft, daargelaten nog de onaangename geur, dan moet er een blikken bakje in geplaatst worden. Wordt nu de plant met den pot in de ampel geplaatst, dan zal dit bakje niet hinderen; plant men haar daarentegen er in uit, dan zal men zien, dat zij na korten tijd gaan kwijnen. Het blik toch laat geen lucht tot de aarde doordringen, en als gevolg daarvan zal, wanneer men niet zeer voorzichtig is met gieten, de aarde verzuren.

Veel minder geschikt dan de houten ampels zijn die van vlechtwerk wanneer er niet voor gezorgd wordt, dat zij een stevig geraamte van ijzerdraad bevatten. Bij het beplanten toch verliest zoo’n ampel, door het gewicht der aarde, in betrekkelijk zeer korten tijd haar vorm.

De ampels, vervaardigd uit gevlochten tienden, hebben een groote fout, welke ook die, uit draadvlechtwerk, hoe fraai deze ook mogen zijn, aankleeft: namelijk de moeilijkheid met het gieten. Wanneer de aarde in zoo’n ampel wat heel erg opgedroogd is, kan men de daarin staande plant niet anders begieten, dan door het geheel eenigen tijd in een grooten emmer met water onder te dompelen. Begiet men de planten niet op deze wijze, dan zal het gietwater door de mazen wegloopen, zonder in de aarde te dringen, terwijl de meegevoerde aarde niet alleen de ampel zelf, maar ook alles wat er omheen staat, zal verontreinigen. Het ongeregelde afloopen van het gietwater, waartegen bij de gevlochten ampels geen middel bestaat, zal bij deze soorten altijd een groot bezwaar blijken te zijn, en ze in de meeste gevallen onbruikbaar maken. Heeft men echter zulk een gevlochten ampel, dan doet men het beste, die in de waranda of op het balkon te gebruiken; het doorloopende water zal daar de minste schade berokkenen. In dit geval is de voorkeur te geven aan die, welke van gegalvaniseerd draad gemaakt zijn, daar die niet roesten. Alvorens zulk een ampel te beplanten, wordt zij inwendig met tinblad bekleed, ten einde te voorkomen, dat de aarde tusschen de mazen wegvalt en daardoor de wortels bloot komen te liggen.

De eenvoudigste, beste en goedkoopste ampel is zeker wel die, welke men verkrijgt, door een gewonen bloempot in een ijzeren ring te plaatsen en aan dien ring de draden te bevestigen, waar hij aan opgehangen wordt. (Fig. 8). Deze ampel voldoet aan alle daaraan te stellen eischen.

De beste plaats, die men den ampels geven kan, is aan het balkon of de waranda; ook zijn zij zeer geschikt voor den wintertuin. In de kamer kunnen zij wel gebruikt worden, mits zij dicht voor het venster worden opgehangen. In de meeste gevallen zijn aan iedere ampel, op gelijke afstanden, drie metalen ringen bevestigd. Aan deze ringen worden koorden of kettinkjes vastgemaakt, welker sterkte moet geëvenredigd zijn aan de grootte en zwaarte van de ampel. Deze drie koorden of kettinkjes moeten weder in een ring te zamen komen. Hangt de ampel zóó hoog, dat men haar niet gemakkelijk kan bereiken, dan moet aan laatstbedoelden ring weder een koord bevestigd worden, dat over een in den zolder aangebrachte katrol loopt, zoodat men haar, zoo noodig, zonder beschadigen kan laten zakken.

Zeer kleine ampels, waarin slechts ruimte is voor één plant, hetzij met den pot er in geplaatst, hetzij er in uitgeplant, kan men zeer gemakkelijk zelf vervaardigen uit een pompoen- of kokosnoot-schaal. Zulke ampeltjes zijn heel aardig om in het vertrek vóór het venster te hangen, daar zij het licht niet te veel onderscheppen. Wanneer men er nu één moerasplant, zooals bijv. Tradescantia of Isolepis gracilis in plant, dan kan men de overblijvende ruimte met stukjes spons aanvullen. Deze zuigen het water op en zorgen dus, dat de aarde behoorlijk vochtig blijft, terwijl de fijne worteltjes er gemakkelijk in kunnen doordringen.

Zeer gemakkelijk zijn de ampels te vullen, waarin men de planten met den pot plaatst; deze mogen niet te groot zijn en er moet voor gezorgd worden, dat zij een gladden bodem hebben, opdat de potten goed vaststaan. Als regel zal men er slechts één plant in plaatsen of wel een grootere, waar eenige kleinere omheen worden gezet.

Fig. 8. Bloempot, ingericht als ampel.

Fig. 8. Bloempot, ingericht als ampel.

De ampels, waarin de planten uitgeplant worden, moeten als volgt behandeld worden. Op de drainage-opening legt men een omgekeerde scherf, de holle zijde naar de opening gekeerd; hierop worden nog enkele scherven gelegd, en deze worden met een laagje ruwen turfmolm gedekt. Hierop brengt men dan eerst de aarde. Deze aarde moet, om een te spoedig uitdrogen te voorkomen, niet al te licht zijn. In het midden van zeer groote ampels zet men dan een fraaie opgroeiende plant, zooals een Palm of iets dergelijks. Hieromheen kunnen enkele lagere opgroeiende blad- of bloemplanten gezet worden, bijv.: Cyperus, Pelargonium, Fuchsia of Heliotroop; de eigenlijke hangplanten worden dan rondom deze laatsten geplant. Bij een dergelijke beplanting moet men er op letten, dat de gebruikte bloemplanten niet te veel in de hoogte groeien; beter is het, wanneer zij zich vertakken, hetgeen men gemakkelijk kan bevorderen, door den hoofdstengel tijdig in te snijden. De ampel mag vooral niet overvuld worden. Men moet aan de planten gelegenheid geven zich behoorlijk te ontwikkelen, terwijl ook de kluiten er in geplant moeten kunnen worden, zonder dat het noodig is, die veel te beschadigen.

De gereedschappen.

Een liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, bedient zich van betrekkelijk zeer weinig gereedschappen; laten wij die, welke bij het bespreken van het zaaien, stekken en verplanten vermeld zullen worden, zooals de verplantstok, het repikeerhoutje en het pincet voorloopig rusten, dan blijft ons als het belangrijkste stuk gereedschap de gieter over.

Wanneer men grootere planten te gieten heeft, die in den wintertuin, onder de waranda, of op het balkon staan, dan doet men het beste zich een gewonen gieter aan te schaffen, zooals die in de kweekerijen gebruikt wordt. De gieter, dien men gebruikt om de bloemtafel en de andere in de kamer gekweekte planten te gieten, kan veel kleiner en sierlijker zijn. In de meeste gevallen is hij groot genoeg, wanneer hij 3–5 liter water kan bevatten. Het handvat moet aan zulk een kamergietertje goed groot en gebogen zijn, terwijl er vooral op moet gelet worden, dat de tuit vrij lang is; opdat men, wanneer de planten wat ver uit elkander staan, de verst weg staanden toch goed kan bereiken (Fig. 9). Bij een zoodanigen gieter behoort een broes te zijn met kleine gaatjes, die men in verschillende vormen heeft; namelijk nu eens met een rond en gebogen, dan weder met een ovaal en plat bovenvlak.

Fig. 9. Kamergietertje.

Fig. 9. Kamergietertje.

Het duurzaamste, doch ook verreweg het duurste zijn de koperen gieters. De broes dient tot het aangieten van zaden, stekken en pas verpotte planten, alsook om des zomers de buitenstaande planten te besproeien. Een zeer bijzonderen gieter, met een lange tuit en een slechts aan de bovenzijde met gaatjes voorziene broes, toont ons fig. 10. Deze gieter is zeer geschikt om buitenstaande planten te begieten. Daar men met den gieter de planten slechts aan de bovenzijde der bladeren kan bevochtigen en ook het besproeien van de achterzijde dringend noodig is, al was het slechts ter bestrijding van het ongedierte, dat daar bij voorkeur huist, moet een liefhebber ook beschikken over een kleine handspuit (Fig. 11). Deze handspuitjes zijn in iederen winkel, waar men tuingereedschappen verkoopt, te verkrijgen.

Fig. 10. Gieter met vlakke broes om buiten te gieten.

Fig. 10. Gieter met vlakke broes om buiten te gieten.

Ze moeten, willen zij goed zijn, uit geel koper vervaardigd en aan het uiteinde van een fijne broes voorzien zijn. Daar het kleinste model dier spuitjes voldoende is, behoeven ze niet kostbaar te wezen. Voor het gebruik in de kamer zijn de handspuitjes minder aan te bevelen, omdat bij gebruik daarvan het nat worden van het tapijt en der meubelen moeilijk te voorkomen is. Voor de kamer beveelt zich het meest de z.g.n. rafraichisseur aan. Deze toestelletjes heeft men in velerlei soorten en zeer verschillende prijzen.

De eenvoudigste rafraichisseurs spuiten, door in het daartoe bestemde mondstuk met kracht te blazen, wat zeker nogal vermoeiend voor de longen is. Om hieraan te gemoet te komen, heeft men rafraichisseurs gemaakt, voorzien van een elastieken bal. Door den bal in te drukken begint het toestel te spuiten. Ook heeft men er in de laatste jaren in den handel gebracht, waar men slechts aan een handvatsel behoeft te pompen, of wel op een knop te drukken, om ze in werking te stellen. Deze toestelletjes zijn voor de kamer zeer geschikt, daar zij het water zóó fijn verdeelen, dat dit als stof op de bladeren valt, en ze voldoende bevochtigt, terwijl zij de meubelen geenszins bederven.

Fig. 11. Handspuitje.

Fig. 11. Handspuitje.

Rafraichisseurs, zooals deze in Fig. 12 zijn afgebeeld, worden vooral door dames veel gebruikt om eau de cologne en andere odeurs in een kamer te verspreiden.

Als andere gereedschappen heeft men nog noodig een spuitje om insectenpoeder op de bladeren te spuiten; verder een zachte spons om deze af te wasschen en een kwastje om de bladoksels, waar men met de spons niet bij kan, schoon te maken. Als laatste gereedschappen moet men voorzien zijn van een goede rozenschaar en een scherp mes.

Fig. 12. Rafraichisseurs.

Fig. 12. Rafraichisseurs.

De aarde.

Bij het kweeken van planten in de kamer, speelt natuurlijk de aarde ook een zeer gewichtige rol. Ieder liefhebber moet trachten zich op de hoogte te stellen van de verschillende aardsoorten en hare toepassing. Ook zij, die zich niet bezighouden met het zaaien en vermenigvuldigen van planten en die, hetgeen zij noodig hebben, eenvoudig in een kweekerij koopen, komen toch dikwijls in de noodzakelijkheid verschillende grondsoorten te moeten gebruiken. Als regel kan men aannemen, dat de planten, die men koopt, in een goed aardmengsel staan; maar vroeger of later komt men toch in de noodzakelijkheid dit te moeten vernieuwen, hetzij, doordat de planten goed gegroeid zijn en een grooteren pot moeten hebben; hetzij, dat zij ziek zijn geworden en daarom de aarde moet ververscht worden. Wil men nu van dit verplanten een goed resultaat verwachten, dan is het niet alleen noodzakelijk, dat deze bewerking goed wordt uitgevoerd, maar nog veel noodiger, dat men het juiste grondmengsel kiest.

Voor gewone kamerplanten, waarvan men spreekwoordelijk zegt, dat zij als onkruid groeien, is het voldoende gewone bladaarde te gebruiken, waarin het meerendeel dezer planten zeer goed groeit. Veel beter doet men echter, aan iedere plant dat grondmengsel te geven, hetwelk zij noodig heeft. In de meeste gevallen toch kan men niet volstaan met de planten in een enkele grondsoort te kweeken, doch moet men een mengsel van verschillende grondsoorten samenstellen. Deze mengsels moeten met eenig overleg worden gemaakt. Is de aarde te zwaar, dan lijden de planten, doordat zij er niet goed in kunnen wortelen en is zij te licht, dan werkt het snelle uitdrogen zeer nadeelig.

Een eenvoudige, maar voor vele planten zeer geschikte grondsoort is de compostaarde. Men verkrijgt dezen grond door allerhanden afval, zooals het tuinonkruid, het in het najaar afgevallen blad, het des zomers gemaaide gras en verder allen keukenafval in een afgelegen hoekje van den tuin op een hoop te laten werpen. Dergelijke hoopen moeten van boven vlak zijn, zoodat men ze met het vuile huishoudwater, vatenwater, dierlijken afval, bloed, enz. kan laten overgieten. Laat men nu een zoodanigen hoop om de twee maanden met een mestvork flink omzetten, dan zijn de zoo opgehoopte stoffen na verloop van een paar jaar volmaakt verteerd en in aarde veranderd. Deze aarde wordt door een niet al te nauwe zeef gehord, opdat alle grovere deelen, zooals niet-verteerde takjes, scherven, enz. verwijderd kunnen worden en dan op een hoop gezet, dien men hoogstens slechts eens per jaar behoeft om te werken.

Een lichtere grondsoort is de bladaarde. Wanneer het in den herfst afgevallen blad afzonderlijk op een hoop wordt gezet en men er voor zorgt, dezen hoop ook voldoende om te werken, dan verteert het blad langzamerhand en is na 1½ of 2 jaar overgegaan in een donker gekleurde lichte aarde. Veel beter, dan de op deze wijze verkregen aarde, is de zoogenaamde boschgrond, die in beuken- of eikenbosschen gevonden wordt. Een liefhebber, die slechts weinig van dezen grond noodig heeft, kan dien, met toestemming van den eigenaar, zeer gemakkelijk in het een of andere bosch opzoeken. Men begeeft zich daartoe eenigszins diep in het eigenlijke bosch, verwijdert de bovenste bladlaag, die den bodem bedekt en waaronder dan een laag, meer of minder dik, van een zeer lichte, zachte grondsoort gevonden wordt. Deze aardlaag is de zoogenaamde boschgrond.

Een voor vele planten zeer geschikte grondsoort is de heidegrond. Deze aarde is, wanneer men ze door een fijne zeef gehord heeft, uitstekend geschikt om op te zaaien of om in te stekken. Ongehord is het een zeer ruwe grond, die, hetzij onvermengd, hetzij met toevoeging van andere grondsoorten, veel gebruikt wordt. De heidegrond vindt men op de heide of in bosschen, waar veel heidekruid, boschbessen en dergelijke planten groeien. Men vindt hem gewoonlijk in slechts enkele centimeters dikke lagen. Daar de bedoelde plantensoorten in hoofdzaak slechts op zandgronden groeien, is de heidegrond in de meeste gevallen met meer of minder zand vermengd.

Arm aan zand is een andere grondsoort, die men ook tamelijk veel aantreft, namelijk de veengrond. Deze grond wordt gevonden in veenachtige weiden en daar hij nogal dikwijls zuurachtig is, doet men wijs hem vóór het gebruik een paar jaar aan de lucht bloot te stellen. Zeer raadzaam is het vooral, een hoop veengrond des winters enkele malen goed te laten omzetten, opdat de vorst er goed op kan inwerken. Sommige plantensoorten als Alpen-rozen, Azalea’s, Erica’s groeien in met zand vermengden veengrond beter dan in iedere andere aarde.

Een zeer goede en lichte grondsoort is ook nog de houtaarde. Deze kan men slechts zelden in groote hoeveelheden verkrijgen. In de meeste gevallen wordt zij aangetroffen in holle boomen, vooral Wilgen. In grootere hoeveelheden wordt deze ook wel gevonden bij groote houtzaagmolens. Wanneer men daar op plekken, waar de boomen van de schors ontdaan worden, de ruwe oppervlakte wegruimt, dan treft men er een zwarte zachte aarde onderaan. Deze kan men, wanneer zij uitgehord is, direct gebruiken. Hetzelfde ontstaat, wanneer zaagsel enkele jaren op een hoop gezet en omgewerkt wordt. Hoewel deze grond voor enkele planten zeer goed is, zal het altijd eenigszins lastig zijn, hem in voldoende hoeveelheden te verkrijgen.

Belangrijker, dan de genoemde lichte grondsoorten, is voor den liefhebber, de zeer voedzame broeiaarde. De broeiaarde wordt verkregen door den paardemest, die in het najaar uit afgekoelde warme bakken wordt gestoken en die reeds grootendeels verrot is, op een hoop te zetten. Wordt deze hoop in den loop van den winter en der lente een keer of drie-, viermaal goed omgezet, dan verandert de oude mest in den loop van het jaar in zwarte aarde. In dezen grond, die zeer voedzaam is, groeien snel ontwikkelende planten uitstekend.

Nog voedzamer is een soort van mestaarde, die men verkrijgt door stroovrijen koe- en schapemest op een hoop te zetten en zoo te laten verteren.

Broei- en mestaarde kan men beschouwen als middelmatig zware grondsoorten. Bij het kweeken van planten heeft men echter ook zwaren grond noodig, en daarvoor komt in de eerste plaats de kleigrond in aanmerking. Hiertoe neemt men de klei, die onder de graszoden van weilanden gevonden wordt, zet die los op een hoop en laat ze des winters, wanneer de vorst het eenigszins toelaat, enkele malen flink omzetten, zoodat zij goed kan doorvriezen. Is deze grond goed doorgevroren en wil men, in het voorjaar, een der grootere stukken in de hand nemen, dan valt dat uit elkander, zoo los is het geworden.

Hetzelfde doel, dat men met den kleigrond bereikt, bereikt men ook met graszodengrond. Om graszodengrond te maken, neemt men zoden van goed beweid weiland, en zet die met het gras naar onderen op een hoop. Zulk een hoop laat men een jaar staan, om hem in het voorjaar van het volgend jaar flink om te zetten. Deze bewerking herhaalt men des zomers en in het najaar nog eens. Vriest de hoop dan in den daarop volgenden winter goed door, dan is hij in het voorjaar voor gebruik geschikt. Is men niet zeker graszoden van weilanden te verkrijgen, die goed beweid zijn, dan doet men het beste een laag zoden neer te leggen van ± 10 cM. dikte, hierop een laag koemest van ongeveer 5 à 6 cM. dikte, dan weder een laag zoden en zoo doorgaande tot de hoop klaar is. De bewerking is dezelfde als die zoo juist genoemd. Is deze grond gereed, dan heeft men niet alleen een zeer zwaren, doch ook een zeer voedzamen grond. Een zeer goede aarde van hetzelfde gehalte verkrijgt men ook, door in weilanden de mollenhoopen te verzamelen. Deze grond is meestal zeer goed en vrij van ongedierte en dergelijke plagen.

In den laatsten tijd wordt ook veel gebruik gemaakt van turfstrooisel. Turfstrooisel, goed fijn gemaakt, is zeer geschikt om in te kweeken en kan ook dienen, om te zwaren grond lichter te maken. Beter daartoe geschikt is echter de aarde, die men verkrijgt, door turfstrooiselmest langen tijd op een hoop te laten staan. Turfstrooisel komt tegenwoordig bij wijze van groote balen in den handel voor, en is niet duur.

Een zeer belangrijk bestanddeel der grondmengsels is ook het zand. Nooit is een grondmengsel goed om planten in te verpotten, wanneer het niet minstens ⅙–1/12 zand bevat. Het zand houdt de aarde rul en frisch, terwijl het ook een goede afwatering bevordert. Het beste zand, dat men gebruiken kan, is grof rivierzand, ook wel bekend onder den naam van scherpzand. Minder geschikt is z.g.n. duinzand, daar dit te fijn is, waardoor de aarde, na lang gieten, zich te veel sluit en een goede waterafvoer dan niet meer mogelijk is.

De liefhebber, die slechts enkele planten in de kamer kweekt, en niet over een tuin beschikt, waar hij een hoekje, goed aan alle weersinvloeden blootgesteld, kan afzonderen voor bergplaats van aardsoorten, doet het beste deze, wanneer hij ze noodig heeft, bij een goeden kweeker te koopen. Hij, die er echter een bergplaats voor aarde op na kan houden, behoeft geen moeite te doen zich alle, hier behandelde, aardsoorten aan te schaffen. Voldoende is het, wanneer men een lichte grondsoort, broeiaarde en klei- of graszodengrond heeft, waarbij het zand zeker niet vergeten mag worden.

Wat nu de verschillende grondmengsels betreft, kan men als algemeenen regel tamelijk wel aannemen, dat planten met zeer zwak ontwikkeld wortelgestel, of die met zeer fijne wortels, een lichten grond moeten hebben. Tot deze planten behooren o.m. de Varens en al die teere plantjes, welke in het kamerkasje worden gekweekt. Een weinig zwaarderen en ook voedzameren grond, een mengsel dus van ongeveer gelijke deelen, blad-, broei- en graszodengrond, verkiezen de niet zeer zwaar bewortelde, maar snel groeiende zomerbloemplanten, waartoe o.a. de Fuchsia’s, Heliotropen en Pelargonium’s behooren. In zwaren grond, derhalve in een mengsel van ½ tot ⅔ graszodengrond, groeien voor het meerendeel alle planten met vleezige wortels, die somtijds zeer omvangrijk kunnen worden, zooals bij voorbeeld de Palmen en Bolgewassen. Bij het kiezen der grondsoort moet men ook nog letten op den leeftijd der planten. Aan een jongen Palm geeft men een tamelijk lichten grond, maar wanneer hij grooter wordt en verpot moet worden, zorgt men er voor, de aarde telkenmale wat zwaarder te nemen. Bij het gebruik van zwaren grond moet men er ten slotte nog op letten, dat hij niet te veel pakt. Is dit het geval, dan moet hij met wat lichteren grond en een weinig zand vermengd worden. Ook is het zaak, dat de aarde bij het gebruik niet te vochtig is. Beter doet men iets te droge, dan iets te vochtige aarde te gebruiken, terwijl deze altijd de temperatuur moet hebben van het vertrek, waarin de planten zich bevinden. Het gebruik van te vochtige en te koude aarde is allernadeeligst voor den groei der planten.

Het zaaien en uitplanten.

Het aangenaamste en meest loonende werk, waarmede de plantenliefhebber zich kan bezighouden, is ongetwijfeld wel het vermenigvuldigen van zijn lievelingen en het interessantste is dan zeker wel, dit te doen langs den natuurlijken of geslachtelijken weg, namelijk door zaaien. Deze wijze van vermenigvuldigen is zeker wel de dankbaarste; want, indien men haar goed kan volvoeren, geeft zij een duidelijk overzicht van het zoo belangrijke gebied der tuinbouwkunde.

Om met succes planten door middel van zaad te vermenigvuldigen, heeft men in de eerste plaats goed, kiemkrachtig zaad noodig en een der eerste zorgen moet dus zijn, zich dit aan te schaffen. Weinige zaken zijn op zulk een volkomen vertrouwen gebaseerd als een zaadhandel, want niet alleen kan men aan de meeste zaadsoorten met het bloote oog onmogelijk zien, of zij al dan niet kiemkrachtig zijn; maar van de meeste soorten kan men zelfs niet met zekerheid zeggen of het wel die zijn, welke men heeft besteld. De zaden van de verschillende soorten en variëteiten van één geslacht zijn dikwerf niet uit elkander te kennen. Het is daarom zaak, de zaden steeds van een der meest betrouwbare firma’s te betrekken; in welk geval men omtrent kiemkracht en juistheid der verlangde soort tamelijk wel verzekerd is.

Van groot belang is in de eerste plaats de keuze van den juisten tijd om te zaaien. Uitgezonderd voor die zaden, welke zeer langzaam kiemen en welke men het beste doet in de maanden Januari tot Maart in een warme kamer te zaaien, zijn de maanden April en Mei daartoe het meest geschikt. Zaait men te vroeg, dan zal het vrij sterke vallen der temperatuur gedurende den nacht een zeer ongunstigen invloed op de kieming uitoefenen, terwijl ook de jonge kiemplantjes zullen lijden door de onvermijdelijke temperatuurswisselingen. Het te laat zaaien is ook niet aan te bevelen, daar de zaadplanten dan vóór den herfst zich niet meer volkomen kunnen ontwikkelen.

Een goede kiemkrachtige zaadkorrel heeft voor haar eerste ontwikkeling behoefte aan warmte en vochtigheid, terwijl het kiemingsproces veel zekerder zal plaats hebben, wanneer dit in volkomen donker kan geschieden. Om aan dit eerste vereischte der kieming te voldoen, brengt men de zaadkorrels in den grond en bedekt men ze ook in den regel met een laagje aarde. Op deze wijze uitgezaaid, ligt de zaadkorrel vochtig en warm en is tegelijkertijd van het licht afgesloten.

Voor het zaaien in de kamer bedient men zich van kleine zaadpotjes, van platte schalen, of ook wel van houten kistjes. Welke van deze voorwerpen men ook gebruikt, steeds moet er op gelet worden, dat zich in den bodem de noodige drainagegaatjes bevinden.

Heeft men zeer platte schalen, dan is het voldoende op ieder gaatje één scherf te leggen met de holle zijde naar onder; bij hoogere schalen of potten is dit echter lang niet voldoende, men moet deze minstens l/3 der hoogte met scherven vullen. Ook stukjes houtkool, cokes en ook wel steentjes kunnen hiervoor gebruikt worden. Deze schervenlaag heeft ten doel een geregelden waterafvoer te verzekeren. Het overvloedige water kan dan gemakkelijk wegzakken. Waar de drainage niet voldoende verzekerd is, daar wordt de aarde in korten tijd zuur en het beste zaad kan dan geen goede, gezonde zaadplantjes geven.

Van evenveel belang als het is voor een goeden pot te zorgen, is het ook, de juiste soort van aarde te kiezen, waarin men zaait. De ondervinding heeft geleerd, dat men te dien opzichte voorzichtig moet zijn, daar vele teere planten uitsluitend in lichte aarde willen kiemen. Dit ligt ook eenigszins voor de hand. Zware grond is voor warmte moeilijk toegankelijk, hij neemt te veel water in zich op en biedt aan het jonge kiemplantje te veel weerstand, zoodat die moeilijk of in het geheel niet aan het daglicht zou kunnen treden. De beste grond, om in te zaaien, is in de meeste gevallen zeer zuivere, goed verteerde bladgrond, die door een fijne zeef is gewreven; ook heidegrond is zeer goed bruikbaar. Deze grondsoorten moeten, vóór ze gebruikt worden, met ⅓ tot ¼ zand vermengd worden. In den laatsten tijd wordt ook met goed succes zeer fijn turfstrooisel gebruikt. Turfstrooisel is zeer poreus, het wordt niet vast en blijft vochtig. Het heeft tegen, dat het een grond is, zeer arm aan voedende bestanddeelen, zoodat de jonge plantjes er spoedig uitgenomen moeten worden. Moeten, hetzelfde door welke omstandigheid, de jonge kiemplantjes eenigszins lang in den zaadpot blijven staan, dan is turfstrooisel niet aan te bevelen. Vóór alles moet men er op letten, dat de aarde, waarin men zaait, een voldoenden vochtigheidsgraad bezit; zij mag noch te droog, noch te vochtig zijn. De zaadpotten worden nu met de klaargemaakte aarde gevuld; hierop worden zij gladgemaakt en met een plankje of de palm van de hand zacht aangedrukt. Naar de grootte der zaden, moet men het zoo inrichten, dat er tusschen het bovenvlak der aangedrukte aarde en den rand van den pot een ruimte van 1 tot 4 cM. overblijft. Zijn de zaadpannen of -potten op deze wijze geheel klaargemaakt, dan gaat men tot het eigenlijke zaaien over. Het gemakkelijkste is het zaaien van groote zaden: deze worden eenvoudig, maar vooral niet te dicht, over de oppervlakte van den pot verdeeld. Onder de kamerplanten, die grootere zaden bezitten, zijn er vele, waarvan de zaden pas na een voorafgaande bewerking gezaaid kunnen worden. Het zijn vooral die zaden, welke zeer harde schillen hebben, die men, indien zij eenigszins spoedig moeten kiemen, niet maar zoo zaaien kan. Dikwijls wordt dan die harde buitenschaal een weinig losgemaakt; deze bewerking is echter niet aan te bevelen, omdat daardoor maar al te vaak de kiem beschadigd wordt. Beter doet men, zulke zaden vooraf 2 of 3 dagen in lauw water te weeken. De harde schaal wordt door het weeken zacht, de vochtigheid kan gemakkelijker tot aan de kiem doordringen en als gevolg kiemt het zaad veel spoediger. Een hoofdzaak is het echter, dat men er op let, vooral niet te dicht te zaaien; slechts zeer groote zaden, zooals die van Palmen en Bananen, kunnen tegen elkander worden gelegd. Dikwijls is het echter in zulke gevallen beter, de zaden ieder afzonderlijk in een klein potje te zaaien. Fig. 13 toont een Banaan-korrel vóór en na de kieming en een ontwikkelde kiemplant in een zaadpotje.

Fig. 13. Het kiemen van een Banaan.

Fig. 13. Het kiemen van een Banaan.

Zijn de groote zaden uitgestrooid, dan moeten zij met een beetje overleg met aarde bedekt worden. De zaadkorrel moet ongeveer zoo hoog gedekt worden als zij dik is. Na het dekken wordt de aarde weer gelijkmatig aangedrukt. Nog moet opgemerkt worden, dat de zaadkorrels met zwaren grond minder gedekt moeten worden dan met lichten. Aangezien wij er echter reeds op gewezen hebben, dat men voor het zaaien in de kamer beter lichte aarde dan zware gebruikt, zoo zal men het beste doen als regel aan te nemen het zaad juist zoo diep te zaaien als het dik is. Bij te zware bedekking, wil de kiem wel eens rotten, voor zij aan het daglicht is kunnen treden; bij te lichte bedekking echter, heft het jonge worteltje de zaadkorrel uit den grond, wat ook niet wenschelijk is, daar de kiemplantjes dan te spoedig moeten verplant worden. Palmen en planten, die dadelijk een zwaren wortel maken, worden veelal te ondiep gezaaid, zij kunnen gerust eenige centimeters onder de oppervlakte der aarde gelegd worden.

Het moeielijkste is het uitzaaien van stoffijne zaden, zooals die van vele onzer meest geliefde kamerplanten o.a. Gloxinia’s, Begonia’s, enz. Deze fijne, meestal dure zaden, worden in kleine zakjes verkocht, die door de zaadhandelaren veelal weder in een grooter zakje worden gevouwen. De kleine zakjes moeten zeer voorzichtig geopend worden. Het gevouwen papier vormt dan een zoogenaamd schuifje. Dit schuifje neemt men zoo tusschen duim en middelsten vinger der rechterhand, dat men het papier met den wijsvinger van elkander verwijderd kan houden. (Fig. 14). Men beweegt nu het zoo vastgehouden papiertje van den éénen kant van den zaadpot naar den anderen en doet het zoo, dat de zaden langzaam van het schuifje glijden en zoo mogelijk gelijkmatig over de aardoppervlakte verdeeld worden. Het geldt als gewoonte, dat stoffijne zaden niet met aarde bedekt, maar slechts zeer voorzichtig aangedrukt worden, waardoor zij voldoende in de aarde komen te liggen.

Fig. 14. Het uitzaaien van zeer fijne zaden.

Fig. 14. Het uitzaaien van zeer fijne zaden.

Iedere zaadpot wordt nu voorzien van een etiquette, waarop de naam staat van het gezaaide zaad. Is men zoo ver gereed, dan worden de potten dadelijk aangegoten. Slechts voor die potten, waarin grootere zaden liggen, gebruikt men, bij het aangieten, een broesgieter; voor die, welke zeer fijne onbedekte zaden bevatten, gebruikt men den rafraichisseur. Dezen moet men echter nog zeer voorzichtig behandelen, en er vooral op letten, dat de zaden niet naar één zijde van den pot gespoeld worden. Heeft men de zaadpotten aangegoten, dan zet men ze op de bestemde plaats.

Voor zaden, die vroeg in het voorjaar moeten ontkiemen, is het voorzichtig de potten met een glasplaat te bedekken (Fig. 15). Deze glasplaat wordt dagelijks éénmaal van den pot afgenomen, en dan met een spons of doek goed droog afgeveegd. Deze zaadpotten zet men zoo warm mogelijk, bij voorkeur in een geregeld gestookte kamer, niet te ver van de kachel. Heeft men echter zaden, die minder warmte noodig hebben, dan is het beter, ze voor het venster te zetten. Zij behoeven dan niet met een glasplaat bedekt te worden, maar het is voorzichtig, wanneer de zon ze beschijnt, er een stukje papier op te leggen, ten einde het te sterke uitdrogen te voorkomen.

Fig. 15. Met glasplaat bedekte zaadpot.

Fig. 15. Met glasplaat bedekte zaadpot.

Indien men bij het zaaien de noodige voorzichtigheid in acht genomen heeft, dan behoeft men aanvankelijk niets te doen, dan de aarde behoorlijk vochtig te houden. Is men zeker, kiemkrachtige zaden gebruikt te hebben, dan kan, mits men bij het begieten de noodige voorzichtigheid betracht, het resultaat niet uitblijven. Bij het gieten der zaden, moet men er op letten, dat dit steeds geschiedt, voordat de oppervlakte zeer uitgedroogd is. Door het opdrogen, wordt het kiemingsproces gestoord, en één enkelen keer uitdrogen, op den tijd, dat het jonge worteltje zich ontwikkelt, kan het ten gronde gaan der kiemplanten veroorzaken.

Om een goed resultaat te verkrijgen, moet men zich met een goede dosis geduld wapenen. Hij, die het afwachten nog niet geleerd heeft, leert het zeker, bij het behandelen van zaadpotten. Het is toch een groote fout om in de zaadpotten te wroeten, ten einde te zien of het zaad nog niet kiemt. Men moet de potten onaangeroerd laten staan, om het spoedigste tot het doel te geraken. Eenige soorten zaad zijn er, die een of ook wel twee jaar noodig hebben om te kiemen, deze zijn echter gelukkig zeldzaam. Slechts enkele zaden en wel hoofdzakelijk die van Palmen, hebben verscheidene maanden noodig om te kiemen, de meeste kamerplanten echter doen dit reeds binnen een of twee weken en verscheidene zelfs al na enkele dagen. Tusschen het verschijnen der eerste en der laatste kiemplant in één pot, kan somtijds een aanmerkelijke tijd verloopen. Bij eenige soorten is deze onregelmatigheid in de kieming zeer opmerkenswaardig, zoo bij voorbeeld bij Musa Ensete, de reeds vermelde Banaan, een zeer bekende sierplant. Bij deze soort kan het voorkomen, dat de eerste kiemplant reeds na veertien dagen verschijnt, terwijl andere van vier tot zes maanden op zich laten wachten. Hetzelfde is het geval met de zaden van een, tot de Winde behoorende, klimplant, de Mina lobata. De eerste kiemplanten van deze soort verschenen acht en veertig uren na het uitzaaien, terwijl er acht maanden later nog opkwamen.

Bij de Japansche Hop, Humulus japonicus, heeft men ondervonden, dat de meeste zaden binnen één maand kiemen, maar dat sommige meer dan een jaar blijven slapen, om dan pas te verschijnen. De aangevoerde voorbeelden zullen wel voldoende zijn om te toonen, dat de liefhebber, die zich met zaaien bezighoudt, geduld, zelfs veel geduld, moet bezitten en ook, dat hij vooral niet te vlug moet zijn met een oordeel over het gekochte zaad. Hoeveel zaadpotten, met zeer goede zaden bezaaid, worden niet weggeworpen, alleen, omdat de bezitter geen geduld genoeg heeft om op de kieming te wachten.

Er zijn slechts zeer weinige zaadplanten, die men in den pot, waarin zij gezaaid zijn, kan laten staan, om daarin tot volkomen ontwikkeling te komen. De meeste kiemplantjes moeten spoedig, nadat zij opgekomen zijn, wijder uit elkander geplant worden; een bewerking, welke men aanduidt door het woord repikeeren of verspenen. Heeft men niet zóó dicht gezaaid, dat de jonge plantjes elkander dadelijk raken, dan behoeft dat repikeeren niet direct na het opkomen te geschieden. Heeft men echter te dicht gezaaid, dan kan men, indien het geen zeldzame planten zijn, de zwakste voorzichtig uittrekken en wegwerpen, om zoodoende den sterkeren meer ruimte te geven, of wel, men moet zoo spoedig mogelijk uitplanten.

Fig. 16. Het uitplanten van zaailingen.

Fig. 16. Het uitplanten van zaailingen.

Zeer lastig is het uitplanten der zaailingen, die uit zeer fijne zaden ontspruiten, daar deze dikwijls, met het ongewapend oog, nauwelijks te zien zijn. Voor deze kiemplantjes, die verscheidene malen gerepikeerd moeten worden, voordat zij sterk genoeg zijn om afzonderlijk in een potje te worden geplant, gebruikt men potten van ongeveer 10 cM. wijdte, of wel platte schalen of kistjes. Deze potten of schalen worden ter halver hoogte met scherven gevuld, hierop legt men een laagje ruw turfstrooisel en daarbovenop de aarde. Als aarde gebruikt men fijn gezeefden lichten grond, vermengd met zand. Alvorens te planten, wordt de aarde gelijkgemaakt en zacht aangedrukt. Voor het uitplanten van zaailingen heeft men twee hulpmiddelen noodig, die men echter zelf kan maken; te weten: een klein stokje, dat men aan de ééne zijde spits en aan de andere zijde vlak afsnijdt, het repikeer-stokje, en ten tweede een pincet (Fig. 16 van onder). Om een pincet te maken, neemt men een dun stokje, dat men aan de eene zijde, met een lange punt, afsnijdt; hierop splijt men de spits met een scherp mesje en steekt in het einde der spleet een klein dwarshoutje. Dit pincet neemt men in de linkerhand, tusschen duim en wijsvinger, waarmede men het spleetje open en toe kan drukken; in de rechterhand neemt men het repikeer-stokje.

Fig. 17. Schaal met goed opgekomen zaden. Pot met gerepikeerde zaailingen

Fig. 17. Schaal met goed opgekomen zaden. Pot met gerepikeerde zaailingen

Met de punt van het repikeer-stokje maakt men het jonge zaadplantje los, waarop men het voorzichtig met het pincet opneemt. Heeft men het plantje tusschen het pincet, dan maakt men in den gereedstaanden pot, met de punt van het repikeer-stokje, een klein gaatje, dat vooral niet te diep mag zijn. In dit gaatje houdt men nu het plantje, zoodanig, dat de kiemblaadjes op de aarde komen te liggen, waarop men het gaatje met de platte zijde van het repikeer-stokje dichtdrukt, waardoor het plantje vast komt te staan (Fig. 16). Men moet de jonge plantjes nooit al te wijd uit elkander planten en ze, wat men met een technischen term noemt, in het verband zetten; d.w.z. dat het eerste plantje in de tweede rij tusschen de beide eerste in de eerste rij komt te staan, zooals de hiernevens staande puntjes aanduiden Deze plantwijze heeft het voordeel, dat alle plantjes even wijd uit elkander komen te staan en de ruimte in den pot geheel gebruikt kan worden. Fig. 17 stelt een pot met goed opgekomen en daarnaast een pot met uitgeplante of gerepikeerde plantjes voor. Heeft men een pot op deze wijze vol geplant, dan worden de plantjes met den rafraichisseur voorzichtig aangegoten, en wanneer het warme planten zijn, met een glasplaat bedekt. Wil men dit laatste doen, dan moet er voor gezorgd worden, dat de pot niet tot aan den rand met aarde wordt gevuld; daar de jonge plantjes de glasplaat niet mogen aanraken. Zijn de zaailingen boven den rand van den pot uitgegroeid, en moeten zij nog met glas bedekt blijven, dan steekt men eenige stokjes op gelijke hoogte in den pot en legt daarop de glasplaat. (Fig. 18).

Fig. 18. Het leggen van een glasplaat op een pot met zaailingen.

Fig. 18. Het leggen van een glasplaat op een pot met zaailingen.

Heeft men gewone éénjarige zomerbloemen gezaaid, dan kan men die dadelijk repikeeren in den pot, waarin zij moeten bloeien, alleen moet men er dan op letten, ze niet te dicht op elkander te planten; niet te veel plantjes in één pot te zetten en in plaats van lichten grond wat zwaarderen en voedzameren te nemen.

De kiemplanten, die uit grootere zaden ontspruiten, worden niet eerst gerepikeerd, maar direct in kleine potjes geplant. Indien men zaailingen van kruidachtige planten heeft, kort men den penwortel een weinig in. Hierna vult men het potje met aarde (in de meeste gevallen met zand gemengde broeiaarde) en neemt daarna den zaailing dicht onder de zaadlobben in de linkerhand. Met den wijsvinger van de rechterhand maakt men nu een flink gaatje midden in de aarde van het gevulde potje; hierin houdt men het plantje zoodanig, dat de worteltjes de aarde raken, en de zaadlobben zoo dicht mogelijk op de oppervlakte van de aarde komen te liggen. Met den duim en wijsvinger van de rechterhand wordt dan het gaatje dichtgemaakt en de aarde matig vast aangedrukt (Fig. 19).

Fig. 19. Het planten van een sterk ontwikkelden zaailing.

Fig. 19. Het planten van een sterk ontwikkelden zaailing.

Zaailingen, met zeer veel worteltjes, moeten direct verplant worden. Hiertoe doet men, na de noodige drainage, slechts een weinig aarde in den pot. Men houdt dan den zaailing in den pot, dien men hierop met aarde vult en daarna, niet te vast, aandrukt. De verplante zaailingen moeten zoo spoedig mogelijk, in elk geval voordat zij gaan slap hangen, aangegoten worden en wel zoo, dat het gietwater al de aarde in den pot behoorlijk vochtig maakt.

Als jonge plantjes verlangen de zaailingen natuurlijk de noodige zorg. Na het verplanten moeten zij tegen de directe inwerking van de zon en ook tegen tocht beschermd worden, en vooral op het gieten moet zeer goed gelet worden, daar de kleine potjes, gevuld met lichten grond, natuurlijk tamelijk spoedig uitdrogen. Na betrekkelijk korten tijd maken de jonge plantjes, indien zij goed verzorgd worden, nieuwe worteltjes; zij gaan dan doorgroeien en het duurt niet lang of men moet aan het repikeeren voor de tweede maal, of aan het oppotten gaan denken.

Hij, die zijn kamerplanten, maar vooral zijn zomerplanten, voor het balkon en de waranda bestemd, op boven aangegeven wijze uitzaait en verpleegt, zal flinke, stevige, rijk bloeiende planten verkrijgen, die de vergelijking met de dadelijk op haar plaats uitgezaaide planten schitterend zullen doorstaan.