De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten.

Na het oppotten of verpotten worden de planten dadelijk aangegoten; vooral bij teedere en grootbladerige planten, die neiging hebben om spoedig slap te hangen, moet dit zoo gauw mogelijk geschieden. Palmen en eenige andere plantensoorten, waaronder ook Vetplanten, kunnen, wanneer men bij het verpotten donker weer heeft, daarentegen enkele dagen onaangegoten blijven staan. Of men echter dadelijk aangiet, dan wel, daarmede nog wat wacht, wanneer men het doet, moet men het goed doen. Bij het verplanten, heeft men er natuurlijk voor gezorgd een behoorlijken gietrand te houden, d.w.z. dat men niet den geheelen pot met aarde heeft gevuld, maar er voor zorgde, dat het bovenvlak der aarde een weinig onder den rand van den pot bleef. Deze ruimte, die noodzakelijk is om te beletten, dat bij het gieten het water dadelijk van den pot afloopt, noemt men den gietrand. Bij het gewone gieten, is het voldoende, dezen gietrand eens met water te vullen, bij het aangieten gaat men echter anders te werk. Men neemt een fijnen broes-gieter en besproeit daarmede de aarde, er voor zorgende, dat er geen water op blijft staan. Deze bewerking herhaalt men, al naar de grootte van den pot, drie-, vier- of vijfmaal, ten einde te zorgen, dat de geheele kluit behoorlijk vochtig wordt. Door op deze wijze aan te gieten, blijft het oppervlak der aarde los en poreus, terwijl dit zich anders direct zou sluiten en er dan een harde korst ontstaat, die het zoo noodige doordringen der lucht in de aarde verhindert. In den beginne zijn de pas opgepotte of verpotte planten zeer gevoelig voor te veel water, daar zij veel minder snel opdrogen, dan goed doorwortelde planten. De versche grond blijft toch vochtig, zoolang daar geen jonge worteltjes in doorgedrongen zijn. Het beste is dan ook deze planten eerder iets te droog dan te vochtig te houden; men voorkomt daardoor, dat de versche aarde zuur wordt en prikkelt de plant tot vernieuwde wortelvorming. Zijn de jonge worteltjes eenmaal goed in den nieuwen grond doorgedrongen, dan is deze voorzichtigheidsmaatregel niet meer noodig. Om te voorkomen dat bij het gieten te veel water in den verschen, nog niet met wortels doordrongen, grond dringt, hoogt men bij het verplanten de aarde een weinig naar den rand van den pot op. Er ontstaat hierdoor rondom den stengel een soort kom, waar het water naar toe zakt, dat zoodoende in de oude kluit dringt. Vooral moet er op gelet worden, dat de kluit, bij het verplanten, behoorlijk vochtig is, daar deze anders moeilijk water opneemt, terwijl bij het aangieten het water door de versche aarde wegzakt, waardoor de kluit zou verdrogen en de wortels ziek zouden worden. Pas geplante gewassen moeten den eersten tijd steeds met een broesgietertje en nooit met een pijpgieter gegoten worden, door den laatste wordt de nog losse aarde van haar plaats gespoeld; er ontstaan dan kuiltjes in de oppervlakte der aarde, waardoor zeer licht wortels komen bloot te liggen. Zijn de planten na het verpotten goed doorgegroeid, zoodat men kan veronderstellen dat zij talrijke wortels langs den potwand hebben gemaakt, dan brengt men om den stam heen een weinig aarde, waardoor nu het bovenvlak eenigszins naar buiten toe afhelt. Dit is noodig, omdat nu de buitenkant van de kluit het meeste uitdroogt en het gietwater zoodoende daarheen geleid wordt. Zeer dikwijls lijden de planten door het verpotten; de wortels toch worden er door gestoord en nu en dan nogal beschadigd. De kweeker heeft hier tegen verschillende hulpmiddelen, hetzij dat hij de planten in de gesloten, warme, vochtige lucht van een kas brengt, hetzij dat hij ze een warmen voet geeft, door ze met de potten in een broeibak te graven. Dergelijke middelen staan den liefhebber echter niet ten dienste; deze moet dan ook zijn planten, gedurende dezen overgangstijd, meer of min als patiënten beschouwen. Warme planten vooral moeten op een zoo licht en warm mogelijke plaats gezet worden; tegen de zon moet zorgvuldig geschermd worden en vooral moet men de planten dikwijls spuiten. Het voorkomen van tocht en van sterke schommelingen in de temperatuur zal aan de planten, vooral in dit critieke tijdperk, zeer ten goede komen.

Het gieten.

Een van de moeilijkste werken, zoo niet het moeilijkste werk, is voor den liefhebber zeker wel het gieten der potgewassen. Hij, die hiermede goed overweg kan, mag zich gerust een eenigszins ervaren plantenkweeker noemen. In de meeste gevallen worden de kamerplanten ziek, door de lichtvaardigheid waarmede ze gegoten worden. In plaats dat de liefhebber dan pleizier heeft van zijn planten, ze ziet groeien, in omvang toenemen en ten slotte ziet bloeien, gebeurt juist het tegenovergestelde. Hij ziet het ééne blad na het andere verwelken en afvallen; hij ziet de twijgjes verdrogen en de wortels ziek worden, totdat ten laatste zijn kweekelingen sterven en de eigenlijke oorzaak daarvan kan hij maar niet bevroeden.

Den minsten last heeft men, wat gieten betreft, met die planten, welke het minst in de kamer gekweekt worden; namelijk met de water en moerasplanten. Bij de waterplanten vervallen alle moeilijkheden dienaangaande; daar men slechts behoeft te zorgen, dat zij voldoende diep in het water staan en dus nu en dan voor het verdampte water versch behoeft bij te vullen. Moerasplanten, die niet direct in water, doch in een moerassigen en dus zeer waterrijken bodem groeien, behoeft men slechts in schaaltjes of schoteltjes te zetten en er voor te zorgen, dat deze steeds voldoende met water gevuld blijven.

Voor alle overige planten is het gieten lang zoo eenvoudig niet.

Men moet hierbij rekening houden met het jaargetijde, zoowel als met den gezondheidstoestand en den groei der planten. Ook moet de grootte der potten of kuipjes in het oog gehouden worden en ook, of men met pas verpotte gewassen te doen heeft, of niet. In de eerste plaats moet men er op rekenen, dat bij alle planten op een periode van flinken groei een periode van rust volgt; tijdperken, welke niet sterk begrensd zijn, maar langzaam in elkander overgaan.

Talrijke planten zijn er, die gedurende haar groeitijd bijna niet genoeg water kunnen krijgen, terwijl diezelfde planten in den rusttijd zeer gevoelig voor te veel water zijn. In de groeiperiode komt het vaak voor, dat planten, die des morgens flink gegoten zijn, des avonds weder behoefte hebben aan water. Dit wil nu niet zeggen, dat de planten gedurende dezen korten tijd al dit water verbruikt hebben, doch men moet niet vergeten, dat vooral gedurende den zomer, de zon en de heerschende droge lucht de aarde der potten ook niet weinig doet uitdrogen. Voordat men een plant giet, moet men zich overtuigen of zij wel water noodig heeft. Er zijn verscheidene kenteekenen waaraan een leek de behoefte aan water kan waarnemen.

Planten, die teer van bouw zijn, laten, zoodra zij gebrek aan water krijgen, al spoedig de bladeren hangen, maar ook planten van krachtiger bouw, krijgen, wanneer zij gebrek aan water hebben, een matte tint en gaan daarop slap hangen. Een plant, die slap hangt, moet natuurlijk dadelijk gegoten worden. Het is echter zeer gewenscht, dat men niet wacht met gieten, totdat de planten slap gaan hangen, zoodat het kennen van andere kenmerken zeer noodig is. Een eenvoudig kenteeken is de eigenschap die allen aardsoorten, ook den zwarten, eigen is, namelijk om in drogen toestand lichter gekleurd te zijn dan in vochtigen. Zware leemachtige aardsoorten bersten ook nog, als ze droog zijn. Zeer dikwijls komt het echter voor, dat de bovenlaag der aarde er droog uitziet, terwijl het inwendige, waar zich juist de wortels bevinden, nog voldoende vochtig is. In zulke gevallen kan men echter toch ook tamelijk gemakkelijk weten of men al dan niet gieten moet. Een zeer juist kenteeken heeft men, in zulke gevallen, in het gewicht der plant. Terwijl toch vochtige planten eenigszins zwaar aanvoelen, kenmerken droge planten van dezelfde afmeting zich door een veel lichter gewicht.

Natuurlijk behoort er eenige oefening toe, om aan het gewicht te onderscheiden of een plant behoefte heeft aan water. Bij een weinig practijk krijgt men deze echter spoedig.

Gedurende den groeitijd, dus midden in den zomer, heeft het niet veel te beteekenen of men al een keer te veel giet; gedurende den winter is dit echter iets anders; één fout, in het gieten begaan, kan dan voor de plant noodlottig worden. Dikwijls verloopen er weken, voordat een in haar rusttijd te veel gegoten plant weer opdroogt.

Voor in kleine potjes staande planten is te veel gieten ook niet zoo nadeelig als voor die, welke in grootere potten of kuipjes worden gekweekt. Bij het gieten van grootere pot- en kuipplanten, moet men dus met bijzondere voorzichtigheid te werk gaan; men kan zich hier niet meer verlaten op de kleur der aardoppervlakte, maar men moet door kloppen tegen den pot- of kuipwand den vochtigheidsgraad bepalen. Verkrijgt men door te kloppen een doffen toon, dan is de aarde droog.

Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de eigenlijke water- en moerasplanten slechts betrekkelijk weinig vocht in haar weefsel opzamelen, terwijl de in droge landstreken groeiende planten veel meer water bevatten. Juist dààrdoor zijn deze laatste dan ook in staat langen tijd droogte te verdragen. Inderdaad hebben de wortels slechts zeer weinig behoefte aan water en zijn het hoofdzakelijk de in het water opgeloste voedingsstoffen, die de plant opneemt. Uit dit oogpunt beschouwd, moet het dus wel schadelijk werken, wanneer de aarde met water oververzadigd is. De aarde moet los en poreus zijn, zoodat het water gemakkelijk kan doorzakken. Heeft men staand water, dan ontstaat er rotting in den bodem, de lucht wordt daaraan en ook aan de wortels onttrokken, en het is zoodoende de onmiddellijke oorzaak van den dood van alle landplanten. Deze hoogst ongunstige werking is de reden, waarom de schaaltjes of schoteltjes, die uit zindelijkheid dikwijls onder de planten gezet worden, zooveel mogelijk moeten vermeden worden. Wil men ze toch gebruiken, dan moeten zij, zoodra het doorgeloopen gietwater zich er in verzameld heeft, leeggegoten worden. Alleen wanneer men planten heeft, die in een zeer lichte, doorlatende aarde staan, mag men ze een half uur na het gieten pas leegmaken, daar in dit geval het water dikwijls wegloopt zonder de aarde voldoende bevochtigd te hebben. Een groote fout zou dit echter wezen, er met het gieten op te rekenen, dat het water niet door den pot loopt.

Fig. 44. Plantenschoteltjes.

Fig. 44. Plantenschoteltjes.

Wanneer men giet, dan moet dit, onverschillig welk jaargetijde het is, goed geschieden, zoodat het water de geheele kluit doortrekt en ten slotte door het drainage-gaatje in den bodem wegloopt. Fig. 44 toont naast het gewone plantenschoteltje een tweetal, die sinds eenigen tijd in den handel gebracht zijn. Deze laatste zijn voor den liefhebber zeer gemakkelijk, daar zij niet dadelijk na het gieten leeggemaakt behoeven te worden. Een tweede voordeel is het ook nog, dat, blijft het water er in staan, dit langzaam verdampt, en zoodoende de planten met een vochtige atmosfeer omringt, terwijl deze toch niet met den pot in het water staan. Iedere pottenbakker kan, wanneer hij deze schoteltjes niet heeft, ze gemakkelijk naar de afbeelding vervaardigen. Vaste regels kunnen voor het gieten onmogelijk gegeven worden; dit hangt, zooals wij reeds opmerkten, veel af van het jaargetijde, van den gezondheidstoestand der planten en de afmeting der potten waarin zij staan.

Fig. 45. Juiste houding van den gieter.

Fig. 45. Juiste houding van den gieter.

Naast de hoeveelheid water, die men geeft, is het ook van belang met welk water er gegoten wordt. Het meest geschikt is zeker wel vijver- of regenwater. Rivierwater is meestal ook zeer goed te gebruiken, mits men zeker is, dat dit niet door loozingswater van fabrieken verontreinigd is. Leidingwater is ook niet schadelijk, doch dit is in de meeste gevallen zeer arm aan voedende bestanddeelen. Het minst geschikt is bron- of welwater, daar dit in den regel te hard is en daarbij maar al te dikwijls kalk en andere minerale stoffen bevat, die vaak zeer schadelijk kunnen werken op de ontwikkeling der planten. Water, dat te veel kalk bevat, moet men in geen geval gebruiken; is het gebruik daarvan echter niet te vermijden, dan laat men het een paar dagen vóór het gebruik in een kuip zetten en voegt men er een weinig koolzure kali of potasch aan toe, die dan de kalk neerslaat.

Een factor, die ook niet uit het oog verloren mag worden, is de temperatuur van het water. Vele mooie, sterke planten worden wortelziek, doordat zij met te koud water werden begoten. Niet alleen voor teedere planten is het koude water nadeelig, maar zelfs de hardste planten hebben daarvan te lijden. In ieder jaargetijde, hetzij zomer of winter, moet men voor het gieten geen ander water gebruiken, dan dat minstens twaalf uren in hetzelfde vertrek heeft gestaan als de planten, en zoodoende de temperatuur van dit vertrek heeft aangenomen. Een voorname rol speelt ook het tijdstip waarop gegoten wordt. Des zomers giet men het beste ’s avonds, ’s winters daarentegen des morgens.

Fig. 46. Verkeerde houding van den gieter.

Fig. 46. Verkeerde houding van den gieter.

Indien het eenigszins mogelijk is, moet het gieten van in de zon staande planten vermeden worden. Is het niet voldoende, gedurende het warme seizoen uitsluitend des avonds te gieten, dan doet men dit ’s morgens voor den tweeden keer, terwijl men dan in den namiddag de planten verfrisschen kan, door ze licht te besproeien. Gewoonlijk houdt zware kleiachtige grond het water lang vast en planten, die daarin staan, behoeven dus niet zoo dikwijls gegoten te worden. Het is echter onmogelijk om alle kamerplanten in zware aarde te kweeken; de teerste verlangen daarentegen juist lichten grond, zooals blad- of boschgrond. Deze aardsoorten hebben niet alleen de eigenschap bij warm weer sterk uit te drogen, maar, en hier moet vooràl op gelet worden, zijn zij eenmaal goed uitgedroogd, dan nemen zij niet zoo heel gemakkelijk het water op. Is een in deze aarde geplaatste plant eens goed droog en giet men haar, dan loopt het water tusschen de kluit en den potwand weg, zonder de kluit, waarin de wortels zich bevinden, te bevochtigen. Hoogstens de oppervlakte wordt dan even nat. Hetzelfde gebeurt ook, wanneer, door te sterk uitdrogen, de kluit van den potwand heeft losgelaten en men haar, vóór het gieten, niet eerst goed aangedrukt heeft.

Niet weinig kamerplanten gaan door dit uitdrogen ten gronde. Een plant, waarvan de kluit inwendig droog is, begint te kwijnen; zij verdort, zonder dat de onervaren liefhebber er achter kan komen, wat de ware oorzaak daarvan is. Een meer geoefend liefhebber behoeft den pot slechts even op te lichten, om aan het gewicht te bemerken, waar de fout schuilt. In twijfelachtige gevallen zal men wijs doen, de plant voorzichtig uit den pot te nemen, om te onderzoeken of zij ook uitgedroogd kan zijn. Is de plant werkelijk geheel uitgedroogd, dan bestaat er slechts een radicaal middel, namelijk haar in een emmer met water te zetten. Het kan voorkomen, dat zij zóó licht is geworden, dat zij op het water blijft drijven. Meestal heeft een plant meer dan een half uur noodig om zoodoende tot haar vocht te komen; het wil echter wel gebeuren, dat daar vijf à zes uren voor noodig zijn.

Het ligt vóór de hand, dat het te weinig gieten ook zeer schadelijk voor den groei der planten is. Maar dit is niet de groote fout van de meeste liefhebbers; de meesten gaan aan het euvel mank, dat ze den planten te veel van het goede geven en daardoor veel te rijkelijk gieten. Wij hebben reeds gezegd, waardoor het te veel gieten schadelijk is voor de planten en het is nog zeer de vraag, wat noodlottiger is, het te veel of te weinig gieten. Als zeker kan men aannemen, dat het te weinig gieten minder gevaarlijk is, daar men dit den planten, die aan droogte lijden, direct kan aanzien en ook, omdat deze, wanneer men ze gegoten heeft, zich tamelijk snel weder herstellen. Een plant echter, dien men te veel water geeft, toont aanvankelijk geen verandering; begint zij eindelijk ziekelijk te worden, dan kan men met tamelijke zekerheid aannemen, dat de wortels ziek zijn, en in de meeste gevallen zullen zij dan wel reeds tot verrotting zijn overgegaan.

Fig. 47. Kamergietertje met slang.

Fig. 47. Kamergietertje met slang.

Een groote fout begaan vele liefhebbers, vooral bij de buitenstaande planten, doordat zij te wild met het water omgaan en in plaats van de tuit des gieters op den rand van den pot te leggen en dan langzaam het water op de plant te gieten (Fig. 45), die er ver van verwijderd houden en er het water op laten stroomen, zoodat de aarde met het opspringende water medegevoerd wordt. Door deze wijze van gieten, ontstaan er gaten in de kluit en worden er wortels bloot gelegd, wat natuurlijk moet voorkomen worden (Fig. 46). In woonkamers, waar men alle morsing zooveel mogelijk tracht te voorkomen, wordt meestal voorzichtiger gegoten. In Fig. 47 geven wij nog een afbeelding van een door J. C. Heinemann, te Erfurt, in den handel gebracht kamergietertje, dat het bemorsen der woonvertrekken zooveel mogelijk voorkomt. In plaats van een tuit is er aan dezen gieter een gutta-percha slangetje verbonden met een glazen mondstukje. Bij het gieten, neemt men het einde der slang in de hand, houdt het glazen mondstukje op den pot en regelt door in de slang te knijpen den toevoer van het water. Na afloop van het gieten, wordt het slangetje in den gieter gelegd.

Let men bij het gieten goed op, dan is dit niet zoo moeilijk als het zich wel laat aanzien. Een liefhebber, die werkelijk hart voor zijn planten heeft, zal spoedig den rechten weg vinden, indien hij niet slechts oogen heeft, maar daar ook goed mede kan zien. Uit kleine veranderingen, die zijn planten ondergaan en welke een gewoon mensch niet ziet, zal hij al heel spoedig de behoeften van zijn kweekelingen leeren kennen en zal hij al gauw raad weten, hoe daarin te voorzien.

De bemesting der potplanten.

Bij het kweeken van planten geldt het tamelijk wel als regel, dat men verplanten moet, wanneer de pot met wortels volgegroeid is en de aarde dus geen voldoend voedsel meer bevat. Het verplanten is echter niet ten allen tijde even raadzaam. Heeft men teere planten, dan is het, door het verre seizoen, dikwijls onmogelijk geworden; bij grootere planten, vooral kuipplanten, is het vaak te kostbaar en te lastig en bij de, in het voorjaar, met bloemplanten bezette waranda- en balkonbakjes is het meestal onmogelijk. Groeien de planten in al deze gevallen goed en wil men ze gaarne wat goed doen, dan is het raadzaam om mest te gebruiken.

Wil men van de bemesting een goede werking verwachten, dan moet men er voorzichtig mede zijn en haar slechts toepassen bij gezonde, goed bewortelde planten. Zieke planten of gewassen, die in haar rusttijd zijn, mogen nooit bemest worden. Fraai bloeiende planten mogen pas dán bemest worden, wanneer de bloemknoppen zich beginnen te ontwikkelen; doet men dit vroeger, dan zal men wel een sterke bladontwikkeling, doch geen bloemen krijgen. Gewoonlijk begint men met de bemesting in de maanden Mei en Juni, en, al naar den aard der te behandelen planten en van den te gebruiken mest, herhaalt men dit met tusschenruimten van vier tot veertien dagen. Bij potgewassen gebruikt men in den regel slechts vloeibaren mest, die dadelijk na de toediening begint te werken. De bemesting doet men het best op donkere dagen of tegen den avond. De mest heeft slechts dán invloed, wanneer geen ongunstige omstandigheden den groei der plant beletten en er geen fouten in de behandeling worden begaan. Ook moet men niet vergeten, dat door de bemesting het verplanten slechts verdaagd wordt, daar deze bewerking, vroeger of later, toch moet geschieden, indien men niet wil, dat de elkander verdringende wortels tot rotting overgaan.

In den laatsten tijd worden de chemische hulpmeststoffen zeer aanbevolen. Deze zijn uit verschillende zouten en minerale bestanddeelen samengesteld. Wij durven echter deze meststoffen den liefhebber niet aanraden. Hij toch kan moeilijk, of in het geheel niet nagaan, welke bouwstoffen een plant noodig heeft, en de meeste dezer chemische meststoffen zijn bij verkeerde aanwending zeer gevaarlijk, terwijl bij juiste aanwending de resultaten toch altijd bij vele plantengeslachten zeer twijfelachtig zijn.

Een liefhebber doet verreweg het beste, meststoffen te gebruiken, bestaande uit plantaardigen en dierlijken afval; deze bevatten evenals goede aardsoorten al die voedingsstoffen, welke de planten voor een goeden groei noodig hebben.

Een der beste meststoffen is zeker wel de koemest. Op een afgelegen plek van het huis of den tuin zet men een vaatje neer, dat men met water laat vullen. Door dit water wordt zooveel koemest geroerd, dat het een donker troebel voorkomen krijgt. Op dezelfde wijze behandelt men den zeer goed bruikbaren schapenmest. Het mengsel, dat men met deze mestsoorten laat bereiden, is bekend onder den naam van gier. Door den minder aangenamen reuk laat deze gier zich natuurlijk niet best in een kamer gebruiken. Voor in den tuin of de waranda staande planten is zij echter zeer aan te bevelen.

Voor bemesting in de kamer gebruikt men Peru of Vischguano, kippen- of duivenmest. Deze mestsoorten vermengt men met koud water, welk mengsel dan voor het gebruik een paar dagen moet staan, of wel, men lost het in kokend water op; in dit geval kan men het na het koud worden toedienen. Het is niet raadzaam de oplossingen van deze droge meststoffen te sterk te nemen, 2 à 3 gram op een Liter water is voldoende. Op dezelfde wijze wordt ook beender- en hoornmeel aangewend, beide zijn zeer stikstofrijke en goede meststoffen. Ook Salmiak kan als een stikstofhoudende meststof gebruikt worden, mits men er voorzichtig mede is en niet meer gebruikt, dan enkele druppels op een gieter water. Bij het gebruik van vloeibare meststoffen moet men er op letten nooit te bemesten, wanneer de planten droog zijn. Is dit het geval, dan worden de potten eerst met gewoon water gegoten, daarna bemest en is men wellicht bang, te sterk gemest te hebben, dan kan men met water nog eens nagieten. Bij het verplanten van sterk groeiende planten kan men ook enkele hoornspanen (afval van hoorndraaierijen en kammenfabrieken) door de aarde heenmengen. Deze meststof werkt zeer langzaam, daar zij pas na enkele maanden verteert. Bij den, op genoemde wijzen bereiden vloeibaren mest, kan men nog wat houtasch of schoorsteenroet voegen, wat de werking nog een weinig verhoogt.

Daar de meeste meststoffen eenigszins scherp werken en daar de meeste planten haar voedsel slechts in zeer zwakke oplossingen opnemen, moet men er zeer voorzichtig mede wezen. De vloeibare mest dringt zeer snel door de geheele kluit tot aan de fijnste haarworteltjes, en bij een te sterke dosis kan dit zeer gevaarlijk worden. Het beste is dus, slechts zeer zwakke oplossingen te gebruiken en dan enkele keeren meer toe te dienen. Midden in den zomer, wanneer de planten in vollen groei zijn, gebruiken zij de meeste voedingsstoffen; van het begin van den rusttijd echter tot den hernieuwden groei in het volgend voorjaar, hebben zij weinig of geen voedsel noodig en de bemesting moet dàn ook geheel achterwege blijven.

In den handel komen enkele soorten bloemenmest voor, meest in een nette verpakking, welke bij de meeste zaadhandelaars verkrijgbaar zijn. Deze meststoffen hebben somtijds een zeer goede werking en bevelen zich ook aan, wijl zij in het geheel niet rieken. Bij ondervinding weten wij, dat er door enkele vertrouwde handelaren in hulpmeststoffen tegenwoordig zeer goede mengsels in den handel worden gebracht. Van deze meststoffen geeft men, met tusschenpoozen van enkele weken, al naar de grootte der planten, een grootere of kleinere hoeveelheid droog op iederen pot. Op dezelfde wijze kan ook Guano of hoornmeel toegediend worden. Men verwijdert daartoe om den potrand een weinig aarde, strooit in het gemaakte gleufje den mest en bedekt dat weder met aarde, waarna de plant flink gegoten wordt.

Maar al te dikwijls wordt door onze dames koffiedik als meststof gebruikt, terwijl talrijke heeren een zwak hebben, daarvoor sigarenasch te doen dienen. Beide stoffen zijn wel onschadelijk, maar hebben niet den minsten invloed op de ontwikkeling der planten. Men doet dus beter, beide stoffen maar niet op de potten te brengen, daar zij deze slechts verontreinigen.

Vatten wij de hoofdregelen voor de bemesting nog eens in het kort samen, dan zien wij, dat men steeds zwak, maar liever enkele keeren meer moet bemesten. Men diene nooit mest toe aan zieke of pas verplante gewassen, maar doe dit slechts, wanneer zij goed gezond en doorgeworteld zijn. De toediening moge nooit geschieden, wanneer de plant droog is of in de zon staat, maar men doe dit uitsluitend des avonds of op donkere dagen. Zeer langzaam groeiende of teere planten bemeste men bij voorkeur nooit, of, zoo dit al noodig is, dan in geen geval met sterke, veel stikstof bevattende meststoffen.

Het snoeien der potplanten.

Maar al te vaak vindt men in de kamers en voor de vensters planten, hetzij groenblijvende of bloemplanten, die een zeer treurigen indruk maken. Dit is niet altijd het gevolg van een slechte behandeling, maar van het feit, dat de onkundige bezitter ze niet behoorlijk snoeide. Terwijl tuinman zoowel als liefhebber, door onverstandig snoeien van vruchtboomen en bloemheesters, dikwijls meer bederven dan zij goedmaken, wordt bij kamerplanten de meeste schade aangericht, doordat in het geheel niet gesnoeid wordt. Men vergete niet, dat de potplanten eenigszins als gevangenen kunnen beschouwd worden. De wortels zijn tot den pot beperkt, en kunnen hun natuurlijke ontwikkeling niet verkrijgen, en daar vele planten uit een gunstiger klimaat stammen, kunnen zij natuurlijk niet zulke forsche scheuten ontwikkelen, als zij dit in de vrije natuur van haar moederland doen. De betrekkelijk zwakke scheuten der potplanten groeien, wanneer zij niet gesnoeid worden, gewoonlijk slechts aan de toppen der twijgjes uit; van onder blijven zij dus kaal. Door het gewicht der, in het tweede jaar, ontstane twijgen worden de eersten nu zoo bezwaard, dat zij gaan overbuigen en in de plaats van fraai rechtgroeiende planten, verkrijgt men dan kromme, vergroeide exemplaren. De potplanten moeten dus gesnoeid worden, en wanneer men ze in een bepaalden vorm wil kweeken, moet dit zelfs zeer goed geschieden. De struikvorm is de meest natuurlijke vorm voor het met bloemplanten beoogde doel. De kroon-, pyramide, zuil- of kogelvorm, waarin men zeer veel planten ziet, kunnen slechts door snoeiing verkregen worden. Wij willen het aankweeken van dergelijke kunstmatige vormen niet in de hand werken, want zonder twijfel zijn de stijve pyramide- en kogelvormen even onnatuurlijk als leelijk. Over het juiste snoeien der kamerplanten moeten wij echter nog het een en ander zeggen. Men moet met snoeien reeds beginnen bij de jonge, pas opgepotte stekken. Reeds dadelijk moeten wij met zulke jonge plantjes weten of wij ze in struik- of stamvorm willen voortkweeken. In het eerste geval moet men dadelijk beginnen met de koppen uit de stekken te snijden. Een jonge stek, die in een warmen bak aan alle kanten uitgroeit en dus uit ieder bladoksel een twijg ontwikkelt, doet dit, in de kamer gekweekt, meestal niet; hier groeit zij slechts recht naar boven. Het uitsnijden van den kop is dus noodig, om zoodoende de nog slapende oogen tot uitgroeien te nopen. Wil men daarentegen van een stek een stamboompje kweeken, dan mag de kop er in het geheel niet uitgesneden worden. Voor dit doel moet men steeds goed groeiende stekken gebruiken. Bij deze worden dan stokjes gezet en de stekken, naarmate zij groeien, daaraan gebonden, terwijl men alle zijscheuten, die zich ontwikkelen, zoo spoedig mogelijk, vóórdat zij kunnen doorgroeien, wegneemt. Heeft de plant eindelijk de verlangde hoogte bereikt, dan wordt de kop eruit gesneden. Spoedig zullen zich nu zijtakjes ontwikkelen, van welke men er drie tot vijf laat staan, die ook weder, zoodra zij eenige bladeren verkregen hebben, worden ingesneden. Het insnijden der zich achtereenvolgens ontwikkelende scheuten wordt zoo lang voortgezet, totdat de kroon een voldoenden vorm verkregen heeft. Ook de jonge struikplanten moeten, zoolang zij nog in haar groeiperiode zijn, ingesneden worden, en wel zoo vaak, totdat zij een mooien, goed gevulden, doch niet stijven vorm aangenomen hebben. Zeer dikwijls moet dit insnijden geschieden met opoffering van den bloei. Hierdoor late men zich echter niet van streek brengen, daar men veel beter doet de jonge planten nog niet te laten bloeien, wijl dit haar veel te veel verzwakt.

Fig. 48. Voorjaarssnoei eener Fuchsia.

Fig. 48. Voorjaarssnoei eener Fuchsia.

Het spreekt van zelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze en even dikwijls gesnoeid moeten worden. Er zijn zeer veel planten, die, wanneer men, toen zij jong waren, voor een goede vertakking heeft gezorgd, van zelf een gedrongen vorm behouden, zonder dat het later noodig is, ze meer in te snijden. Andere planten echter, waaronder de meeste groenblijvende, die men slechts als decoratieplanten kweekt, zooals: Evonymus, Eugenia, Viburnum Tinus, Laurus nobillis en Myrtus, nemen het lang niet kwalijk, wanneer men in den loop van den zomer haar jonge scheuten een paar keeren insnijdt. Dit insnijden behoeft men niet met een mesje te doen, men knijpt het kopje eenvoudig met de nagels van duim en wijsvinger der rechterhand af. In alle gevallen heeft dit dikwerf insnijden een gevulden groei ten gevolge.

Fig. 49. Voorjaarssnoei eener Pelargonium.

Fig. 49. Voorjaarssnoei eener Pelargonium.

Andere soorten van bloemplanten, die haar blad des winters verliezen, zooals: Fuchsia’s, Hortensia’s, Rozen, Heliotropen, Pelargoniums en meer dergelijke, worden in den regel slechts één keer ’s jaars gesnoeid, en wel in het voorjaar bij het begin van den nieuwen groei, of wel kort vóór of na het verpotten (Fig. 48 en 49). Bij de meeste dezer planten gaat men volgenderwijze te werk. Eerst verwijdert men de doode en zeer zwakke twijgjes, door ze bij de hoofdtakken af te snijden. Hierna worden die twijgjes geheel verwijderd, welke merkbaar te veel zijn en waardoor de plant te dicht zou worden. De overblijvende takken worden nu gemiddeld met een derde hunner lengte ingekort, waarbij men er op moet letten, dat het uiterste, dus het dichtst bij de snede staande oog, zoo mogelijk naar buiten of tenminste zijwaarts gericht is; nooit mag dit oog echter naar binnen staan. Uit het uiterste oog ontwikkelt zich toch de krachtigste twijg en men moet voorkomen, dat deze naar binnen groeit, daar de kroon anders niet voldoende in omvang toeneemt. Het spreekt wel vanzelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze behandeld kunnen en mogen worden. Met het snoeien moet er dan ook vooral op gelet worden, of de planten bloeien op de jonge scheuten dan wel op die, welke in den vorigen zomer ontwikkeld zijn. Een voorbeeld van dit laatste levert ons de Hortensia, welke bloeit uit de scheuten, die zich uit de eindknoppen der voorjarige krachtige twijgen ontwikkelen. Snijdt men nu deze twijgen in het voorjaar terug, dan ligt vóór de hand, dat zij des zomers niet zal bloeien. De Hortensia is dus een voorbeeld van die planten, waarvan de krachtige scheuten in het voorjaar in het geheel niet gesnoeid mogen worden; men bepaalt zich tot het verwijderen der doode en te dichtstaande twijgen. Worden zulke heesters te wild, dan moeten zij, zoodra ze uitgebloeid zijn, teruggesneden worden. Ook de Sering levert hiervan een duidelijk voorbeeld. De Roos behoort ook tot de planten, die niet juist als een Fuchsia gesnoeid mogen worden. Onder de Rozen bevinden zich eenige soorten, zooals de bekende Maréchal Niel, waarvan de krachtige scheuten in het geheel niet gesnoeid mogen worden; men verwijdert slechts het doode en te zwakke hout. Gewoonlijk snoeit men naar den groei der bepaalde soorten. Thee- en andere zwak groeiende rozensoorten, moeten diep ingesneden worden d.w.z. zoodanig, dat aan de sterkste scheuten slechts 3–5 oogen blijven. De sterk groeiende soorten worden tot op 6–8 oogen ingesneden. Snoeit men een Roos te kort, dan wordt te diep in het rijpe hout gesneden, en het gevolg is een arme bloei; snoeit men ze echter te lang, dan komen de onderste oogen der te lang gesnoeide twijgen niet tot ontwikkeling en de struiken of kroonboompjes blijven dan van onderen geheel kaal, wat niet erg mooi is. In de meeste gevallen zal een opmerkzaam, plantenliefhebber zeer spoedig zien, hoe hij zijn planten moet snoeien. Aan de ontwikkeling laat zich spoedig waarnemen of men een plant te lang of wel te kort gesnoeid heeft en men zal dan zeker niet nalaten, in het volgende jaar, rekening te houden met de opgedane ondervinding.

Fig. 50. Snoeien van een jonge stamroos met een rozenschaar.

Fig. 50. Snoeien van een jonge stamroos met een rozenschaar.

Men gebruikt voor het snoeien, wanneer men kleine, dunne of zachte takjes moet afsnijden, een scherp mesje; moet echter een plant met dikkere houtachtige stengels gesnoeid worden, dan is het beter van een zoogenaamde Rozenschaar, van klein model, gebruik te maken (Fig. 50). Om er voor te zorgen, dat de schaar niet knijpt, lette men er op, dat de scherpe schaar steeds naar boven gericht is. De snede moet zoo dicht mogelijk bij een oog plaats vinden, daar er anders een eind dood hout ontstaat, dat de plant zeer ontsiert. Dikwijls zal ook zulk een dood eind inkankeren en het ziek worden der plant ten gevolge hebben.

Het opbinden der potplanten.

Onder de planten, die in een kamer gekweekt worden, bevinden zich verscheidene, die een stevigen steun behoeven, welken men haar in den vorm van een plantenstokje geeft. Zonder zulk een steunsel laten zich b.v. de Palmen kweeken, daar deze in de kamer wel nooit een stam zullen vormen; ook de planten met een stevigen houtachtigen stengel, de lage kruidachtige planten en de meeste Cactussen en vele vetplanten zullen wel geen steun behoeven. Bij zeer veel planten moet men met het aanbinden al zeer spoedig beginnen, bij andere kan men zoolang wachten, totdat de kroon een bepaalden omvang verkregen heeft. Voor het opbinden gebruikt men gewoonlijk uit vurenhout vervaardigde stokjes. Deze stokjes worden tegenwoordig fabriekmatig gemaakt, en zijn in iedere kweekerij voor matigen prijs in alle verlangde afmetingen te verkregen. Daar het niet mooi staat, wanneer het stokje te veel in ’t oog loopt, is het geraden, dit voor het gebruik groen te laten verven. Het gebruik van mooie, gedraaide stokjes met bont gekleurde knoppen is niet aan te bevelen, omdat deze stokken meestal veel te dik zijn. Het opbinden moet zóó geschieden, dat de plant zoo min mogelijk haar natuurlijk voorkomen verliest, zoodat dan ook de takken niet dicht in elkander gebonden mogen worden. Het opbinden aan waaier-, ballon- of pyramidevormige ijzerdraadfiguren moet daarom zooveel mogelijk vermeden worden, slechts met klimplanten kan men hierop een uitzondering maken. Een plant, in een kunstmatigen vorm gebonden, ziet er altijd onnatuurlijk en bijgevolg ook leelijk uit. Het stokje wordt op de meest geschikte plaats, bij voorkeur aan die zijde der plant, welke het minst ontwikkeld is, kaarsrecht in de aarde gestoken. Men moet er ook op letten, dat het zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam staat. Men bindt nu dezen van onderen stevig aan het stokje vast, en doet dit nog enkele keeren op gelijke afstanden. Eerst wanneer de hoofdstam goed aangebonden is, kan men de kleinere takjes gaan binden. Het komt vaak voor, dat één enkel stokje voor een plant voldoende is, doch ook wel, dat men er meerderen gebruiken moet. Hortensia’s bijvoorbeeld, die dikwijls zes tot tien krachtige scheuten ontwikkelen, die elk een groot bloemscherm te dragen krijgen, moeten aan meerdere stokjes gebonden worden, wil de plant er natuurlijk en los uitzien. Toch is het raadzaam, zoo min mogelijk stokjes te gebruiken. Een liefhebber, die goed toeziet, zal echter spoedig genoeg begrijpen op welke wijze zijn planten opgebonden moeten worden. Kan men het zonder stokje doen, dan is dit steeds het raadzaamste. De meeste moeite veroorzaken zeker wel de klimplanten, die ter versiering van balkons en waranda’s worden aangewend. Wanneer de gelegenheden, waar zij tegen op moeten klimmen, niet eenigszins met de natuur der planten overeenstemmen—en dit is meestal het geval—, dan moet iedere tak op zichzelf aangebonden worden. Laat men de takken of scheuten van klimplanten, die zonder hulp geen steun vinden, neerhangen, dan ontstaat er vaak stremming in den sappenloop en een langzame groei is daar het gevolg van. Fraai bloeiende klimplanten bloeien evenwel, wanneer men ze aanbindt, zeer ondankbaar, terwijl de afhangende takken juist door de sapstremming rijk gaan bloeien.

Fig. 51. Het opbinden van een kroonboompje.

Fig. 51. Het opbinden van een kroonboompje.

Het opbinden geschiedt door het aanleggen van een gewonen band of wel, men kruist het band eerst, zooals Fig. 51 aantoont. De liefhebbers gebruiken voor het opbinden niet zelden draden, bandjes of touwtjes. Al dit bindmateriaal is niet aanbevelenswaardig, eerstens wijl het leelijk staat, ten tweede omdat het vaak, door de scherpte, de weeke twijgjes beschadigt en ten derde omdat het meestal spoedig verteert. Het beste materiaal, om planten op te binden, is zeker wel het zoogenaamde bind- of moscovischbast, dat in den vorm van matten wordt verkocht. Dit bast is zacht en zeer duurzaam. Jammer daarom, dat het niet overal even gemakkelijk te verkrijgen is. Door verscheidene kweekers en zaadhandelaars wordt in groote vlechten het zoogenaamde Raffiabast verkocht. Dit heeft vele goede eigenschappen; het is zacht, bindt gemakkelijk, is sterk en ziet er netjes uit, doch het is niet duurzaam, vooral niet, wanneer het buiten of op vochtige plaatsen gebruikt moet worden. De duurzaamheid van bindbast wordt aanmerkelijk verhoogd en de band minder zichtbaar, wanneer men dezen, vóór het gebruik, een weinig draait, zoodat hij het voorkomen van een touwtje krijgt. Naar de zwaarte der plant moet men ook de zwaarte van den band nemen. Bindbast laat zich zeer gemakkelijk in de lengte splijten, en voor kleine planten heeft men slechts een dun bandje noodig. Het opbinden der planten moet eenige malen ’s jaars geschieden. In de eerste plaats moet men het doen direct na de verplanting. Dit moet gebeuren, omdat het stokje, in de meeste gevallen, bij de verplanting losraakt en dan natuurlijk geen voldoenden steun meer voor de plant biedt. Daar de in den handel zijnde stokjes steeds uit z.g.n. vurenhout zijn vervaardigd, rotten zij spoedig aan de punt weg; alvorens dus oude stokjes te gebruiken, moet men zich overtuigen of zij nog wel voldoende gaaf zijn. Langer dan negen maanden of een jaar houdt een stokje het meestal niet uit, en natuurlijk moet dan de plant opnieuw aangebonden worden. Aangezien ook het bast niet zeer lang duurt, kan men als regel aannemen twee of drie keer per jaar de planten te moeten opbinden.

Er zijn nog talrijke zaken, waar men bij het opbinden op te letten heeft. Bij het opbinden van een kroonboompje mag de stok niet in de kroon steken, zoodat hij in geen geval langer dan de stam mag wezen. Als regel moet ook aangenomen worden, dat het stokje nooit boven de plant mag uitsteken. Er zijn enkele planten met zeer zware kronen, waarvan de takken zouden afbreken, wanneer zij niet gesteund werden; onder deze planten behoort o.a. de reeds vermelde Epiphyllum, een Cactussoort, die vaak op stam gekweekt wordt. In zulke gevallen gebruikt men een ring van ijzerdraad, die onder de takken aangebracht wordt en die door een drie- of een vijftal stokjes in positie wordt gehouden. Bij het opbinden moet men ook acht geven, dat de band niet te sterk om de plant wordt aangehaald. Door het groeien toch neemt de stengel in dikte toe, heeft men den band te sterk aangehaald, dan kan dit uitzetten daar plaatselijk niet gebeuren, waardoor de band in den stengel groeit. Dit is zeer nadeelig, daar de sapbeweging er door gestremd wordt: ook ontstaat er een inkerving, die nooit meer verdwijnt. Lage, kruidachtige planten staan vaak zeer los, doordat de wortelhals te zwak is, bij Chineesche Primula’s komt dit o.a. veel voor. Zulke planten worden niet opgebonden, doch er worden twee of drie zeer kleine stokjes als steun langs den wortelhals geplaatst.

Zindelijkheid bij het kweeken van planten.

Menige veeboer verklaart, dat zindelijkheid het halve voedsel voor zijn vee is, en met evenveel recht kan een plantenkweeker beweren, dat zindelijkheid de halve cultuur uitmaakt. Vuile potplanten zien er niet alleen onsmakelijk uit, doch zij kunnen ook onmogelijk goed groeien. De zindelijkheid bij het kweeken van planten moet reeds met den pot aanvangen. Wij hebben reeds gezien, dat vuile potten bij het verplanten niet gebruikt mogen worden. De geheel nieuwe en schoone pot verliest echter ook spoedig zijn zindelijk voorkomen; na eenige weken of maanden wordt hij vuil, want door het vocht ontwikkelen er zich spoedig mossen en andere lagere planten op. Een zoodanig begroeide pot verliest zijn poreusiteit; het doordringen der lucht tot de aarde heeft niet meer in voldoende mate plaats en deze wordt zuur. Om dit te voorkomen is het noodig, dat men de potten minstens twee keer per jaar, in het voorjaar en in het najaar, met een stijven boenborstel afschropt. De oppervlakte van de aarde wordt ook meestal onzindelijk. Door de vochtigheid ontwikkelt zich daar ook mos op; bevat het gietwater kalk, dan wordt de oppervlakte langzamerhand wit. Ook dit moet minstens twee keer per jaar verwijderd worden. Men bedient zich hiertoe van een etiquetje, dat men dun afsnijdt en waarmede het bovenlaagje der aarde zoo zuinig mogelijk afgeschrapt wordt.

Naast het mos ontwikkelen zich in de aarde dikwijls verschillende onkruiden, waarvan de zaden in het grondmengsel aanwezig waren. Deze onkruiden groeien sneller dan de gekweekte planten en zuigen den bodem uit; reden waarom zij, zoodra men ze kan vatten, uitgetrokken moeten worden.

Fig. 52. Het wasschen van een Palm.

Fig. 52. Het wasschen van een Palm.

De planten zelf en in hoofdzaak de bladeren en takken, tracht men, door ze des zomers te bespuiten, schoon te houden. Het spuiten is echter niet voldoende, daar het gebruikte water, al ziet het ook nog zoo helder, nooit geheel zuiver is, waardoor het altijd, al is het ook nog zoo weinig, vuil achterlaat. Slechts voor planten met kleine blaadjes of wel voor kruidachtige planten, wier bladeren slechts van korten duur zijn, is het spuiten voldoende. Fraaie bladplanten, zooals Palmen, Ficus, Philodendron Aspidistra en anderen, die bij een goede behandeling jaren haar bladeren behouden, moeten anders gereinigd worden. De bladeren zijn, zooals bekend is, de longen der planten, en zij kunnen dus onmogelijk gezond groeien, wanneer zij geen schoone bladeren bezitten.

Een blad heeft voor de plant zeer veel functies waar te nemen, en wordt het niet goed schoongehouden, dan kan het die onmogelijk vervullen. Een blad waarvan de poriën verstopt zijn, kan zijn natuurlijke werking niet verrichten. Bij de cultuur van alle bladplanten in de kamer is het dan ook van het grootste belang, dat de bladeren minstens één keer per week aan de boven- en onderzijde goed afgewasschen worden. Men bedient zich hiertoe van zuiver, slechts even warm water, en een zachte spons (Fig. 52).

Dit afwasschen moet bedaard en voorzichtig geschieden, omdat vele bladeren zeer teêr zijn en door deze behandeling spoedig gewond zouden worden. Hebben wij met planten te doen, waarvan de bladeren door nalatigheid met een dikke, hard geworden laag vuil geheel of gedeeltelijk bedekt zijn, dan is het gebruik van zuiver water niet meer voldoende. In zulke gevallen moet men iets warmer water nemen, waarin een weinig groene zeep is opgelost. Dit zeepsop heeft ook het voordeel, dat talrijke jonge insecten, die men niet ziet, er door gedood worden. Lastig om te wasschen zijn de gegolfde bladeren van Waaier- en Vederpalmen. Tegen de nerven dezer bladeren hoopt zich toch al te dikwerf vuil op, dat niet gemakkelijk te verwijderen is. Het beste gelukt dit met een zacht kwastje, dat men telkens in het water uitspoelt (Fig. 53). Zijn de planten door de onder te vermelden ongedierten bezocht, dan is een zorgvuldige behandeling met de op te geven middelen noodwendig.

Fig. 53. Afwasschen der bladstelen met een kwastje.

Fig. 53. Afwasschen der bladstelen met een kwastje.

Op de schors van oudere houtachtige planten, die reeds verscheidene jaren in de kamer gekweekt worden, vormen zich dikwijls langzaam en onbemerkt een dikke laag vuil. De op deze wijze vuil geworden takken reinigt men het best met een hard kwastje.

Ook Cactussen, die men door hare stekels niet met een spons kan schoonmaken, worden het best met een zachten kwast gereinigd.

Wil men de planten goed zuiver houden, dan moeten ook de gele, verdorde of zieke bladeren verwijderd worden, alsmede de doode twijgen en takjes. Dergelijke afgestorven of zieke plantendeelen, evenals de uitgebloeide bloemen, moet men op tijd verwijderen, waartoe men zich van een scherp mesje bedient. Veel te weinig wordt gelet op het tijdig wegsnijden der verwelkte bloemen of oude bloemstelen. Is men niet voornemens zaden der planten te verzamelen, dan moeten de uitgebloeide bloemen zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, daar zij anders onnoodig voedingsstoffen aan de plant onttrekken.