De strijd om het bestaan, dien alle schepselen moeten strijden, blijft ook aan de in de kamer gekweekte planten niet gespaard. De vijanden, die het plantenleven in de vrije natuur in gevaar brengen, en die, wanneer zij nu en dan zeer talrijk optreden, geheele plantengeslachten kunnen ten gronde richten, treden echter lang niet allen bij de gekweekte planten op. De vijanden der planten, die zich onder de zoogdieren en vogels bevinden, kunnen natuurlijk tot de in de kamer gekweekte planten niet doordringen, en van niet weinig schadelijke insecten, die buiten in den grond leven en de wortels aanvreten en vernielen, bleven zij hier verschoond. Toch blijven er nog vijanden genoeg over, die onze kamerplanten beschadigen en den liefhebber vrij wat moeite kunnen veroorzaken. Het zijn hoofdzakelijk insecten, die zich op onze kamerplanten nestelen, en het is merkwaardig, dat, hoe zieker de planten zijn, hoe ondoelmatiger de behandeling is, die wij haar geven, hoe droger en stoffiger de atmosfeer is, waarin wij ze kweeken, deze plagen zich des te sterker vermenigvuldigen. Bij de kamerplanten zijn juist de kleinste insecten de gevaarlijkste vijanden. Zij treden vaak in zoo grooten getale op, en gelijken in kleur dikwijls zoo sterk op de bezochte planten, dat de liefhebber, die niet scherp toeziet, ze eerst dán bemerkt, wanneer een niet onaanzienlijke schade is toegebracht.
Een der veelvuldigst voorkomende en gevaarlijkste vijanden van de kamerplanten is zeker wel de Thrips (Thrips hæmorrhoidalis). Dit is een zeer klein, zwart, gevleugeld diertje van langwerpigen vorm. Het blijft gewoonlijk voor het oog verborgen, daar het zich steeds aan de onderzijde van het blad ophoudt, waar het heen en weer loopt. Meer nog dan het in vele soorten optredende diertje, vallen kleine zwarte vlekjes in het oog; dit zijn de uitwerpselen dezer diertjes. De Thrips beschadigt de planten, doordat zij met haar scherpe monddeelen de opperhuid der bladeren afschaaft en dan haar voedsel uit het blad zuigt. Veel last van dit insect hebben Aralia’s, Azalea’s, Varens, Palmen en Ficussen. De aangetaste bladeren krijgen eerst zwarte vlekken aan de onderzijden, worden daarna geel en vallen ten slotte af.
Fig. 54. Achterzijde van een blad van Sagittaria, aangetast door Roode-spin.
Een andere, niet minder gevaarlijke vijand is de Roode-spin (Tetranychus telarius). Dit kleine spinachtige diertje is ook zóó klein, dat men het nauwelijks kan zien. In jongen toestand is dit diertje grijs, later rood van kleur. Het beweegt zich vooral des nachts zeer snel over een fijn webachtig spinsel, op de onderzijde van het blad. Naast de Thrips is de Roode-spin een der gevaarlijkste plantenvijanden, omdat zij aan de bladeren het bladgroen onttrekt en zoodoende de directe oorzaak van hun afsterven is. Fig. 54 toont duidelijk hoe een door Roode-spin aangetast blad er aan de achterzijde uitziet. Dergelijke sterk aangetaste bladeren worden spoedig geel en sterven af; bij vele planten rollen zij zich op, om dan te verdorren.
Fig. 55. Jong Palmenblad, door schildluizen aangetast.
Minder gevaarlijk, maar toch altijd nog zeer schadelijk zijn de verschillende soorten van schildluizen. Deze treden bij voorkeur op het oude hout op; dikwijls echter vindt men ze ook op de bladeren, en dan wel aan beide zijden; ook op de jonge scheuten komen zij wel voor. De schildluis heeft den vorm van ronde of langwerpige schildjes, die als kleine verhevenheden op de bladeren voorkomen en maar al te dikwijls de kleur bezitten der aangetaste organen. Zeer veel last van schildluizen hebben de Oleander en Laurus (Laurier), waarvan de bladeren dikwijls aan de onderzijden met witachtige schildluizen als bezaaid zijn. De schildluizen, waarvan de beide geslachten in voorkomen en levenswijze zeer sterk verschillen, zuigen zich op een bepaalde plaats vast en sterven daar ook. Zij bevatten bij haar dood een zeer groot aantal eieren, die door het doode diertje als met een hard schild gedekt worden. Uit deze eieren ontwikkelen zich later de larven. Op verschillende cultuurplanten vindt men verschillende soorten van schildluizen. De wetenschappelijke namen van al deze soorten op te geven, achten wij nutteloos, daar zij alle direct als schildluizen zijn te herkennen en dan ook op dezelfde wijze moeten bestreden worden. Fig. 55 toont een jong blad van een Palm, dat zich juist aan het ontplooien is, en dat sterk door schildluizen is aangetast.
De insecten, waarvan men bij kamerplanten wel het meeste last heeft, zijn ongetwijfeld de verschillende soorten van Bladluizen. Zij komen meestal voor op jonge scheuten, waaraan zij de sappen onttrekken en die zij door haar honigachtige, kleverige uitwerpselen daarenboven zeer benadeelen. Deze uitwerpselen toch verstoppen de microscopische openingetjes, die zich in de bladopperhuid bevinden en beletten daardoor de ademhaling der planten.
Treft men vaak de bladluis aan, niet minder is dit het geval met de Wolluis, een door een wit, wolachtig voorkomen zich onderscheidende bladluis, die zich veel in de bladoksels ophoudt. Fig. 56 toont het blad eener Sagittaria (Pijlkruid), sterk met bladluizen bezet, en Fig. 57 een gedeelte van een Cactus (Echinopsis), waarop talrijke wolluizen voorkomen.
Fig. 56. Achterzijde van een Sagittaria-blad, sterk bezet met bladluizen.
Fig. 57. Gedeelte van een Cactus met wolluizen bezet.
Tegen al deze vijanden worden wel maatregelen genomen, doch het wijste is zeker, hun optreden te voorkomen. Het beste doet men dit door den planten een goede standplaats te geven. Den harden, kouden planten geeft men de noodige frissche lucht, en men zorgt er des winters vooral voor, dat zij niet in een vertrek staan, dat hooger verwarmd wordt dan noodzakelijk is. De teerdere warme planten, die het meeste te lijden hebben van de aanvallen van insecten, moet men beschermen tegen te groote schommelingen in de temperatuur, tegen tocht en vooral tegen te droge lucht. Dit alleen is echter niet voldoende, maar men zorge er ook voor, dat deze planten op warme, lichte dagen minstens een paar keer met de handspuit of den rafraîchisseur bespoten worden, zoowel aan de boven- als aan de onderzijde der bladeren, terwijl zij ook minstens één keer per week met lauw warm water moeten worden afgewasschen. Het beste doet men, in dit water zooveel groene zeep op te lossen, dat het melkwit gekleurd wordt. Het gebruik van zulk zeepsop is reeds aan te bevelen, om de jonge, bijna onzichtbare insecten te dooden. Een paar uur na het gebruik moeten de planten, die er mede gewasschen zijn, echter met zuiver water afgespoten worden.
Wanneer men bemerkt, dat de insecten de overhand beginnen te krijgen, dan moeten krachtiger maatregelen genomen worden. Vele middelen vindt men hiervoor aanbevolen; de meeste gaan echter aan één groot gebrek mank, namelijk: dat zij niet alleen de insecten vernielen, doch ook zeer veel schade aan de planten berokkenen, waardoor al te vaak het geneesmiddel erger is dan de kwaal. Het meest aanbevelenswaardig is wel een aftreksel van tabaksbladeren, dat men zelf gemakkelijk kan maken en dat ook in den handel verkrijgbaar is. Men maakt zulk een tabaksextract van de zwaarste Kentucky- of Virginia-tabak; zulk extract heeft een nicotine-gehalte van 7–8% en is vrij van minerale vergiften. Om bijna alle planten-parasieten te dooden is het voldoende de planten een of twee keer goed te bespuiten met dit extract, vermengd met 60 tot 100 keer de hoeveelheid water. Heeft men zeer teere planten, dan moet men het nog meer verdunnen; wil men het op planten met dikke, lederachtige bladeren toepassen, dan kan het iets minder verdund worden. Moet men grootbladige planten er mede behandelen, dan is het beter ze er niet mede te bespuiten, maar de bladeren met een zachte spons er mede af te wasschen. Heeft men kleinbladige planten met niet al te groote kronen, dan is het eenvoudigste, deze met de kronen in een emmer met zulk een oplossing te dompelen.
Heeft men een kleine, goed sluitende, leegstaande ruimte tot zijn beschikking, bijv. een klein kamertje, dan kan men door middel van tabak het ongedierte nog op een andere wijze verdelgen.
Men zet de planten des avonds in het kamertje; hierin brengt men een komfoor met gloeiende kolen, waarop men, al naar de grootte der kamer, een handvol of meer van de ordinairste tabaksbladeren legt, die eerst een weinig vochtig gemaakt zijn.
De vochtige tabaksbladeren zullen nu gaan smeulen en een dichten tabaksrook ontwikkelen, die al de insecten op de planten doodt. Dezelfde uitwerking verkrijgt men door een aftreksel van tabaksbladeren op een schaal te gieten en het in de kamer boven een spiritusvlam te laten verdampen. Wij moeten echter opmerken, dat verscheidene zachtere planten, vooral Palmen en Gesneriaceeën, zeer sterk lijden van den tabaksrook, zoodat dit middel in geen geval op deze planten mag worden toegepast. Hebben de planten een nacht in het volgerookte vertrek gestaan, dan moet men ze den volgenden morgen dadelijk weder in de versche lucht brengen en ze direct hierna goed afspuiten. Was de berooking niet zwaar genoeg, dan liggen de luizen bedwelmd en met opgezwollen lichamen op de aarde en den vloer; men moet ze in dit geval verzamelen en verbranden. Tallooze proeven hebben wij genomen met verschillende soorten insectenpoeders, die voor het verdrijven van ongedierte op planten worden aanbevolen. Deze proeven leverden steeds de ongunstigste resultaten. De in Fig. 54 en Fig. 56 afgebeelde bladeren zijn afkomstig van planten, die gedurende één zomer zeker wel twintig keer met echt Zächerlin zijn bepoederd. Grootere insecten zooals, pissebedden en kakkerlakken, worden door dergelijke insectenpoeders vernield, de kleinere ongedierten, die op planten leven, echter niet.
Het beste middel om dergelijke insecten te verdelgen is tabak in iederen vorm. Tabakspoeder is ook met goed succes aan te wenden; men strooit het op de achterzijde der van te voren vochtig gemaakte bladeren. Kan men de bladluizen niet met de vingers verwijderen, dan is tabak verreweg het beste middel. Grootbladige planten, die door Roode-spin of Thrips geteisterd worden, wascht men het beste met niet te sterk zeepsop af. Wil men zekerheid hebben ze te vernietigen, dan worden de bladeren met zeepsop ingesmeerd en den volgenden dag met zuiver water afgewasschen. Heeft men kleinbladige planten, zooals Azalea’s en Myrten, die aan deze kwaal lijden, dan bestaat er ook een afdoend middel. Men maakt een zeepsop van water, dat tot 100° Fahr. verwarmd is. In dit mengsel worden de kronen der planten enkele seconden goed ondergedompeld; de kroon wordt hierna naar beneden gehouden en goed afgeschud, opdat het zeepsop niet op de aarde zal loopen. Zoo laat men de planten een dag staan en spuit ze den volgenden dag met zuiver water goed af. Zoo noodig moet deze behandeling twee- of driemaal met tusschenruimten van 8 dagen herhaald worden. Schild- en wolluizen worden eerst voorzichtig met een kwastje verwijderd, waarop men de planten op de aangegeven wijze met tabak of zeepsop behandelt.
Naast de opgegeven plantenvijanden zijn er nog vele andere, die schade kunnen berokkenen, zoo bijv. de Smeerluis, die slechts zelden en dan op weeke bladeren optreedt. Heeft men last van deze diertjes, dan wordt het blad, waar zij op huizen, afgesneden en verbrand.
Verder heeft men nog larven, die in het inwendige van het blad leven.
Deze treft men veel aan bij Chrysanthemums, die in een te warme droge lucht gekweekt worden. Ook heeft men nog larven, die het merg van Rozescheuten uitvreten. Op deze komen wij later, bij het bespreken der Rozen, nog nader terug.
Verscheidene vijanden der planten leven ook in de aarde. Het menigvuldigst treedt de Regenworm op, hoewel deze niet als eigenlijke plantenvijand mag beschouwd worden. De regenworm toch voedt zich niet, zooals algemeen geloofd wordt, met levende plantenwortels, doch slechts met rottende stoffen. Gewoonlijk wijst het aanwezig zijn van regenwormen op een verzuurden grond en men doet het best de planten in dit geval te verpotten in versche aarde. Is de aarde echter nog goed, dan kan men toch den regenworm niet dulden, daar hij, door de gangen, die hij in de aarde boort, de wortels beschadigt en daardoor schade veroorzaakt. Ook wil het vaak voorkomen, dat het gietwater door deze gangen wegloopt, voordat het de aarde behoorlijk heeft kunnen bevochtigen. Men kan de regenwormen zeer gemakkelijk verdrijven, door de planten een- of tweemaal met goed warm water—echter geen heet water—te begieten.
Een nog onschuldiger middel is de planten een paar maal met een aftreksel van notebladeren of wilde kastanjes te begieten. Bij de aanwending van deze drie middelen kruipt de regenworm uit de aarde en kan gemakkelijk verwijderd worden.
Veel schadelijker, maar gelukkig niet zoo vaak in de potten voorkomend, is de zoogenaamde Draadworm, de larf van den hoornkever, waarvan verscheidene soorten bekend zijn. De draadworm leeft drie à vier jaren als larf; hij heeft oppervlakkig bezien het voorkomen van een meelworm en doet veel schade door het afvreten der wortels. Men vangt de draadwormen door des avonds saladestronken met de snijvlakte op den pot te leggen; hierdoor worden de wormen gelokt en des morgens kan men ze dan onder deze stronken vinden en verwijderen.
Zeer schadelijk zijn ook de Wortelluizen. Deze heb ik tot heden slechts aangetroffen bij grassoorten en ook bij de Adiantum. Zij zien er wit en wollig uit, verspreiden zich snel over het geheele wortelnet en richten daar veel schade aan. Zijn het minder kostbare planten, die er door aangetast zijn, dan doet men verreweg het beste, die eenvoudig op te ruimen. Heeft men er last van bij kostbaarder planten, dan kan men beproeven ze door het begieten met goed warm water te vernietigen.
Als groote vijanden van kamerplanten moeten wij ten slotte nog de Pissebedden en Melkslakken vermelden. Deze algemeen bekende diertjes doen het meeste schade aan de planten, welke des zomers buiten in de schaduw worden gekweekt. In de kamer zal men er weinig last van hebben, tenzij zij er door gekochte planten ingebracht worden. De pissebedden, die vooral in jonge en zachte bladeren gaten vreten, worden gemakkelijk gevangen met doorgesneden rauwe en uitgeholde bieten of aardappels. Deze stukken worden tusschen de planten gelegd, de diertjes kruipen daar bij voorkeur des nachts onder, zoodat zij den volgenden morgen gemakkelijk te vangen zijn. De melkslakken, die gedurende vochtige zomers bij voorkeur in tuinen met zwaren grond leven, richten door het stukvreten van alle teere bladeren zeer veel schade aan. Het beste doet men, ze des avonds met een lantaarn op te zoeken, wat men gemakkelijk doet door slabladeren neer te leggen op de plekken, waar zij optreden. Ziet men deze des avonds laat na, dan zal men er verscheidene van deze ongenoode gasten op vinden.
De kamerplanten hebben ook vijanden in het plantenrijk. Het optreden van deze woekerplanten zou men kryptogamische ziekte kunnen noemen. Een der lastigste is wel een draadalg, die hoofdzakelijk in stekpotten optreedt, alsook de Honigdauw. De Honigdauw is zèker een der lastigste vijanden van potplanten. Zij treedt, afgezien van den Wijnstok, hoofdzakelijk bij Rozen en Chrysanthemums op. Het ontstaan van den Honigdauw wordt zeer begunstigd en dikwijls zelfs veroorzaakt door tocht en sterke temperatuur-schommelingen. De Honigdauw is gemakkelijk waarneembaar door de witte stof, waarmede hij de bladeren en jonge scheuten bedekt; deze groeien dan krom en krijgen een leelijk voorkomen. Meer nog dan iedere dierlijke vijand kan de Honigdauw de aangetaste planten beschadigen. Er worden talrijke middelen tegen Honigdauw aanbevolen; het eenvoudigste en beste blijft toch zeker de bloem van zwavel. De aangetaste planten worden bij helder, zonnig weer goed bevochtigd en daarna flink bepoederd met bloem van zwavel. Het is niet de bloem van zwavel zelf, die den Honigdauw doodt, maar het is het zwavelzuur, dat daaruit door de inwerking van de zon en het water ontstaat.
Een zeer kwaadaardige ziekte, die bij verschillende planten voorkomt is de Roest. De Roestalg kenmerkt zich door een zeer gecompliceerde ontwikkeling; zij heeft in de verschillende stadiën daarvan een zoo verschillend voorkomen, dat men vroeger de Roest op rozen bij voorbeeld in haar ontwikkeling voor verschillende algen heeft aangezien. Dikwijls kan men op een blad de ontwikkeling zeer goed waarnemen. De Roest treedt bij verscheidene planten op, o.a. bij Rozen, Camellia’s, Palmen, Anjelieren, enz. Het eenige middel tegen dezen vijand is: de aangetaste bladeren zoo spoedig mogelijk af te snijden en te verbranden; de geheele plant moet dan verder met bloem van zwavel behandeld worden, op dezelfde wijze als wij tegen den Honigdauw opgaven.
Fig. 58. Eieren van de Ringspin.
De Honigdauw en de Roest kunnen als de voornaamste vijanden der Rozen beschouwd worden. Deze lievelingsbloemen worden echter ook door tal van dierlijke vijanden bezocht. Onder deze vijanden, die ook wel in de kamer optreden, behooren ook de Rupsen. De vlinder dezer rups legt haar eieren tegen de rozetakjes en wel bij voorkeur tegen de droge of gestorven twijgjes; reden waarom men deze in den herfst moet afsnijden en verbranden. Uit deze eieren komen reeds vroegtijdig rupsjes, die groen of grijs gekleurd zijn. Deze rupsjes omspinnen de bladeren, zoodat deze zich oprollen; zij vreten dan de opgerolde bladeren en de jonge twijgjes op. Ook de bloemknop valt dikwijls als offer dezer rups. Waar deze rups verschijnt, moeten de planten dagelijks nagezien, de omgekrulde bladeren afgeplukt en verbrand en de overige rupsen verwijderd worden. Zeer schadelijk is ook de Ringrups, de rups van de Ringspin, die haar eieren ringvormig om de scheuten legt (Fig. 58). Deze rups is ook zeer schadelijk voor vruchtboomen. In Mei ontwikkelen zich uit de eieren kleine rupsen, die zich direct in de bladeren inspinnen. Deze rupsen zijn zóó vraatzuchtig, dat zij in enkele dagen een geheele bladkroon kunnen vernielen. Beter nog dan het zoeken naar de rupsen, is het op tijd verwijderen der eieren. Gevaarlijke vijanden der Rozen hebben wij ten slotte nog in de Rozebladwespen. Deze volvoeren haar werk geheel in het verborgene. Zij boren een gaatje in den onderkant der scheuten en leggen daar tusschen de veertig en vijftig eieren in. De aangestoken scheuten krommen zich om, in welk geval zij direct afgesneden en verbrand moeten worden. De larf van deze wesp tast het merg der rozetwijgen aan.
Welke bloemenliefhebber heeft niet eens met groote spijt een zijner planten ziek zien worden en ten laatste zien doodgaan? Evenals onder de menschen en dieren, heerschen er ook onder de planten verschillende ziekten, welke dikwijls in het begin slechts voor vakmannen waarneembaar zijn, door leeken meestal pas bemerkt worden, wanneer het voor genezing te laat is.
De zoogenaamde één- en tweejarige planten, die regelmatig na de vruchtdraging afsterven, buiten rekening gelaten, sterven wel de meeste planten door ziekten en invloeden van buiten, zooals vorst, droogte, storm, enz. Sterven, zooals bij menschen en dieren, door ouderdom, komt waarschijnlijk bij planten niet voor. Het kan bijvoorbeeld gebeuren, dat een bliksemstraal, die een tak uit een eeuwenouden boom slaat, te gelijk de indirecte oorzaak van zijn dood is. Het hout begint aan de wonde te rotten, de stam wordt aangestoken en na verloop van eenige tientallen van jaren geheel uitgehold en ten slotte is er slechts een krachtige windstoot noodig om den trotschen reus, die zoovele eeuwen over zijn kruin zag gaan, tegen den grond te werpen.
De planten, die in een kamer gekweekt worden, zijn voor dergelijke invloeden, waaraan de planten in de vrije natuur zijn blootgesteld, beschut; ook zijn zij verzekerd tegen de dikwijls noodlottige aanvallen van grootere dieren, maar toch worden zij door de meest verschillende ziekten overvallen. De kamerplanten kan men als gevangenen beschouwen; evenals de vogel in een kooi, zitten zij met haar wortels in den pot gevangen en deze belet maar al te dikwijls haar krachtigen groei. Evenals de wortel in den pot, is dus ook de plant in de kamer gevangen. Hoe dikwijls is het vertrek gevuld met droge, stoffige lucht; hoe vaak wordt het toetreden van behoorlijk licht niet verhinderd? Onze kamerplanten zijn echter niet alleen gevangenen, het zijn ook bannelingen uit de meest verschillende landen, en wij moeten ze niet alleen goed verzorgen, maar ook haar vaderlandsche toestanden trachten na te bootsen en haar zoo mogelijk datgene geven, wat zij in haar land van herkomst kunnen vinden.
Heel veel liefhebbers, die met een plant van de markt komen of er een in de kweekerij gekocht hebben, vermoeden weinig, dat die plant reeds de kiem des doods bevat. Het zou onjuist zijn, te beweren, dat vele kweekers opzettelijk zieke planten verkoopen, maar er zijn er toch wel, die in warme kassen opgekweekte planten zoo aan de markt brengen, of die vergeten, wanneer een liefhebber een plant wil koopen, die als kamerplant ongeschikt is, hem daarop opmerkzaam te maken.
Afgezien van die planten, welke des winters door kunstmatige warmte in bloei worden getrokken, maar die toch zoo hard zijn, dat zij onze winters zonder nadeeligen invloed buiten kunnen verdragen, hetzij gedekt of ongedekt, leveren ons de tropische streken de beste kamerplanten. Onder deze vindt men het meerendeel der bladplanten, zooals alle Palmen, die onze kamers versieren. Een handelskweeker moet deze planten in een warme kas, dikwijls ook in een verwarmden bodem kweeken, want het is er hem om te doen in den kortst mogelijken tijd fraaie exemplaren te verkrijgen. De zoo opgekweekte planten echter zijn verwend, en het is een liefhebber niet geraden ze zoo uit de warme kas in zijn woonvertrekken te plaatsen. Zeer raadzaam is het, zulke planten nog een dag of veertien bij den kweeker te laten, die ze dan langzaam aan een minder warme temperatuur kan doen gewennen. De planten worden zoodoende gehard en zullen veel gezonder in de kamer blijven.
Het meeste nadeel ondervinden de bladplanten van de droge lucht, die in de kamers heerscht; hoe meer er gestookt wordt en hoe hooger de temperatuur stijgt, des te meer lijden de planten. Onder de inwerking der droge lucht verdorren de spitsen der Palm- en andere bladeren. Men snijdt deze dorre punten dan af, doch daarmede is het kwaad niet gestuit, want de bladranden drogen weer in en ten slotte blijft er van het geheele fraaie Palmblad weinig meer over dan de steel, die natuurlijk ook afgesneden moet worden. Een gevolg van de droge lucht is bij tropische planten ook het optreden der, in het vorige hoofdstuk besproken, insecten. Deze vestigen zich meestal op de onderzijde van het blad. In den beginne zijn zij voor het ongewapende oog bijna onzichtbaar, maar hoe zieker de aangetaste plant wordt, des te meer nemen zij in aantal toe.
Evengoed als zich de dorre bladpunten laten afsnijden, kan men ook het ongedierte verwijderen; een geheele genezing der planten wordt daarmede echter niet bereikt; deze verkrijgt men slechts door de oorzaak der ziekte weg te nemen, en dus in dit geval door te trachten een eenigszins vochtige lucht in het vertrek, waar men zijn planten heeft, te verwekken. Zeer droog en derhalve ook zeer schadelijk voor de planten is de kamerlucht gedurende den winter, wanneer de kachels worden gestookt. Dit kwaad is tamelijk gemakkelijk te voorkomen, door een vlakke schaal, met water gevuld, op de kachel zetten; ook kan men een paar van zulke schalen tusschen de planten zetten. Het water zal langzaam verdampen en zoodoende de lucht vochtig maken. Een nog beter middel is, een zelfwerkend fonteintje in de kamer te plaatsen. Ik wil er hier tegelijkertijd de aandacht op vestigen, dat een eenigszins vochtige lucht niet alleen voor de planten, doch ook voor de menschen zeer nuttig en gezond is, daar zij veel zuiverder en stofvrijer blijft.
Men moet vooral ook niet verzuimen de bladeren der bladplanten minstens een keer per week met een zachte spons en lauw water af te wasschen, daar zich op de groote bladvlakten licht stof en ander vuil afzet. De bladeren vervullen met hunne talrijke, voor het ongewapende oog onzichtbare openingetjes, dezelfde functie als de longen bij de menschen; reden waarom men dus moet zorgen, dat deze openingetjes niet verstopt geraken, afgezien nog van het feit, dat een stoffige en vuile plant nooit een aangenamen indruk kan maken.
Zeer vele der teedere kamerplanten sterven, om het juist uit te drukken, aan gevatte koude. Men moet er vooral voor zorgen, dat de planten niet op de tocht staan, daar zij dit evenmin kunnen verdragen als de vogels. Zeer veel schade veroorzaken ook de schommelingen in de temperatuur; men moet er dus op letten, dat deze zoo gelijkmatig mogelijk is, wat niet wegneemt, dat de temperatuur des nachts altijd eenige graden lager moet wezen dan overdag, iets wat in de natuur ook altijd het geval is. Wanneer een kamer schoongemaakt moet worden, en daarom alle vensters worden geopend, zet men de planten tijdelijk in een ander verwarmd vertrek; men brengt ze vooral niet eerder op haar plaats, vóórdat het vertrek geheel gereed is en weder de gewone temperatuur heeft verkregen.
Bij veel planten treedt dikwijls rotting van den stam in, hetgeen men bemerkt aan het rot worden van den bast en later van het hout. Deze ziekte ontstaat door te diep planten en zeer vaak ook bij houtachtige planten door het gieten met te koud water. Ook bij kruidachtige planten komt deze ziekte voor, meestal vergezeld met schimmel; dit is dan het gevolg, behalve van de genoemde oorzaken, van te koude, vochtige lucht. Planten, die aan stamrotting en schimmel lijden, moeten zoo spoedig mogelijk, uiterst voorzichtig, verplant worden, waarop men ze een zoo gunstig mogelijke standplaats moet geven.
Zeer dikwijls lijden de warme planten aan wortelziekte, die op verschillende wijzen, doch zeer dikwijls des winters door begieting met te koud water ontstaat. Iedere kamerplant moet, zooals trouwens reeds in het hoofdstuk over het gieten is gezegd, begoten worden met water, dat minstens vier en twintig uur in het vertrek heeft gestaan, waarin de planten staan en dat daardoor de temperatuur van dit vertrek heeft verkregen. Zeer veel liefhebbers hebben de onvoorzichtigheid hun planten met ijskoud water te begieten; de slechte gevolgen blijven dan echter niet lang uit, daar de wortels ziek worden, afsterven en de dood der geheele plant daarvan het gewone gevolg is. Naast de ziekten, door het gieten met koud water ontstaan, treft men die aan, welke door het te overvloedig gieten worden veroorzaakt. Ook hierdoor ontstaat wortelziekte. Men moet bij alle plantencultuur den groeitijd van den rusttijd onderscheiden. Gedurende den groeitijd heeft een plant overvloedig water noodig, gedurende den rusttijd daarentegen moet men zeer spaarzaam met gieten zijn.
Gedurende den rusttijd geeft men veel planten, in plaats van betrekkelijk weinig, maar al te vaak toch geregeld water. Deze waterhoeveelheid kunnen zij dan natuurlijk niet verwerken, en daar des winters de zon geen kracht genoeg heeft om de plant te doen opdrogen, en zij ook onmogelijk in de vrije lucht kunnen gezet worden, heeft dit ten gevolge, dat de aarde slikachtig en ten laatste zuur wordt. In zulk een zure aarde worden natuurlijk de wortels ziek en beginnen te rotten. Wordt de fout niet vroegtijdig opgemerkt en tegengegaan, dan zijn de planten reddeloos verloren.
Wortelzieke potplanten moeten steeds zoo spoedig mogelijk verpot worden; men wascht de zure aarde zorgvuldig weg, en snijdt vervolgens alle zieke wortels met een scherp mesje zorgvuldig af. Er moet nu voor gezorgd worden, dat de zieke plant in den kleinst mogelijken pot wordt gezet. De pot moet rijkelijk gedraineerd worden, zoodat het water goed kan wegloopen en de te gebruiken aarde moet zeer licht zijn. Raadzaam is het de aarde, vóór het gebruik, goed met scherp zand en stukjes houtskool te vermengen. Op deze wijze behandeld, heeft men kans, dat een zieke plant weder nieuwe wortels krijgt en daardoor weder aanvangt te groeien. Men moet echter zeer voorzichtig zijn met gieten en er op letten, dat de plant, zoodra zij daaraan behoefte krijgt, weder in een grooteren pot wordt verplant.
Gemakkelijker dan planten, die door te veel gieten wortelziek zijn geworden, laten zich die behandelen, welke door te weinig gieten ziek werden en dan een verwelkt aanzien hebben gekregen. Het gieten toch mag vooral niet te gemakkelijk worden opgevat; het is een handigheid, welke door practische ervaring is te leeren. Het grootste gedeelte der zoogenaamde ringwortels bevindt zich onder in den pot; wordt er nu niet genoeg gegoten, dan worden wel de bovenste aardlagen bevochtigd, doch de kluit blijft inwendig droog en na korten tijd zal die van binnen geheel uitgedroogd zijn, de wortels verdrogen en ten slotte gaat de plant ten gronde.
De voor den kweeker en liefhebber onontbeerlijkste grondsoort is zeker wel de boschgrond. Zooals wij reeds in het hoofdstuk over het gieten opgemerkt hebben, bezit deze aarde de eigenschap, dat zij, eenmaal uitgedroogd, slechts zeer moeielijk weder water opneemt. Deze eigenschap bezitten ook alle aardmengsels in meerdere of mindere maten, die met boschgrond vermengd zijn. Is nu een plant, in een dier mengsels geplant, geheel uitgedroogd, dan loopt het water bij het gieten tusschen de kluit en den pot naar het drainagegaatje, zonder de kluit ook maar in het minst te bevochtigen. Deze bijzonderheid merkt de onkundige plantenkweeker niet op, en hij komt ook niet op de gedachte, dat zijn planten droog zijn, wijl hij toch geregeld goot en de aardoppervlakte zijner planten ook behoorlijk vochtig is. Om deze reden is het nuttig zieke planten even uit den pot te nemen, teneinde de aarde en wortels te onderzoeken. Zijn de wortels aangestoken of is de aarde zuur, dan wordt de plant, zooals wij reeds gezegd hebben, verplant. Is de aarde echter uitgedroogd, dan legt men de plant zoolang in een emmer met water, totdat de kluit geheel nat geworden is, iets wat somtijds heel lang kan duren.
Gewoonlijk maakt een liefhebber weinig onderscheid tusschen de planten, die in warme en die in gematigde streken groeien; hij kweekt ze alle in de warme kamer en dat is toch zeer verkeerd. Een bekwaam en practisch kweeker kan aan een plant, die hij nog niet behandeld heeft en die hij zelf niet kent, veelal zien welke aarde en welke temperatuur zij verlangt, en mocht hij zich al eens vergissen, dan zal het niet lang duren, of hij zal zijn fout aan het voorkomen der plant kunnen bemerken. Een zoodanigen practischen blik bezit een leek meestal niet, en wil hij met het kweeken van planten in de kamer succes hebben, dan moet hij van tijd tot tijd beproeven zich daaromtrent op de hoogte te stellen. Niet weinig planten uit gematigde streken hebben een zoo vreemd voorkomen, dat zij de leeken licht doen denken, dat het tropische planten zijn en dus behoefte hebben aan een hooge temperatuur. Van de hiertoe behoorende planten wil ik er slechts een drietal noemen, namelijk de Aspidistra, de Aralia en de Ficus. De Aspidistra is de algemeen bekende, ijzersterke plant, waarvan de groote, groene of bonte bladeren direct uit de aarde ontspringen. Deze plant behoort in China en Japan thuis en verlangt des winters slechts een lage, mits vorstvrije temperatuur en toch wordt zij meestal in een warme kamer gekweekt. Wij hebben nu in de Aspidistra een dier weinige planten, die zelfs bij de slechtste en meest ondoordachte cultuur gezond blijft en waarschijnlijk ook daarom zoo algemeen verspreid is. De Aralia, die uit Japan afkomstig is en de Ficus, die uit Australië stamt, zijn daarentegen zeer gevoelig voor een verkeerde behandeling. Deze beide planten verlangen des zomers een zonnige standplaats in den tuin of vóór het geopende venster, terwijl men ze ’s winters moet plaatsen in een kamer, waarvan de gemiddelde temperatuur niet meer dan 45° à 50° Fahr. bedraagt. De meeste plantenliefhebbers weten dit echter niet en zij meenen dezen planten al een zeer goeden dienst te bewijzen, wanneer zij ze een plaats in een warme kamer geven. De planten echter nemen dezen dienst al zeer ongunstig op en toonen dit duidelijk door haar bladeren eerst slap te laten hangen, waarna zij geel worden en eindelijk afvallen. De liefhebber echter verstaat deze plantenspraak niet; verdrietig snijdt hij de geel geworden bladeren af en wanneer dan ten laatste de plant kaler en kaler geworden is en zich eindelijk aan den kop een jong blaadje ontwikkelt, dan wordt dit teeken, al is het ook nog zoo zwak, als een bewijs van goede behandeling beschouwd, terwijl toch maar al te dikwijls juist het tegenovergestelde het geval is.
Te groote warmte toch is voor alle planten, die zich gedurende den winter in haar rustperiode bevinden en die niet tot de tropische gewassen behooren, ten zeerste nadeelig. Vele onzer meest in trek zijnde decoratie- en bloemplanten overwinteren uitstekend in een vorstvrijen kelder of een ongestookt, doch vorstvrij vertrek. Brengt men nu deze planten in een warme kamer, dan wordt de zoo hoognoodige rustperiode verstoord; zij groeien dan door, en wijl het haar aan kracht en vooral aan lucht, licht en zon ontbreekt, kunnen de zich dan ontwikkelende scheuten niet anders dan zeer zwak zijn. Een onkundig liefhebber verheugt zich nu in dit bewijs van leven, en hij vermoedt weinig, dat deze scheuten zich ontwikkelen ten koste van de reservestoffen der plant, en dat zij deze daardoor zeer verzwakken. Dezelfde planten, die des winters in een warme kamer lijden, worden er ook des zomers ziek. Dit zijn alle planten, afkomstig uit de omstreken der Middellandsche zee, van de Kaap, van Nieuw Holland, van China en Japan, en van alle landstreken met een klimaat als het genoemde. Wij moeten dan ook wel verschil maken tusschen kamer- en vensterplanten. De eerstgenoemde hebben behoefte aan warmte en moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden; de laatste daarentegen moet men des zomers in den tuin of op de vensterbank buiten het raam kweeken, terwijl zij des winters in een koele kamer of in een kelder bewaard worden. De vensterbloemen hebben dus voor een goeden groei veel versche lucht noodig; in de kamer worden zij slap, laten zij de bladeren en bloemen hangen en spoedig verschijnen jonge scheuten, die dan echter dadelijk met bladluizen overdekt zijn. Deze laatste kunnen ons alle liefhebberij voor planten benemen; het zijn vieze diertjes, die de planten vaak geheel ten gronde richten. Het beste middel tegen ongedierte vindt men in een goed beredeneerde cultuur, waarvan het twee keer daags besproeien der planten, eens des morgens en eens des avonds, een onderdeel uitmaakt. Zijn de ongenoode gasten echter eenmaal verschenen, dan moet men die op de reeds aangegeven wijze weder trachten kwijt te raken en wel bij voorkeur zoo spoedig mogelijk.
Vele lezers zullen zich moeilijk kunnen voorstellen, dat ook de zon, zonder welke geen plantenleven mogelijk is, de oorzaak van plantenziekten kan zijn, en toch is dit inderdaad zoo. Er zijn toch zeer vele schaduwminnende planten en verscheidene van deze zullen, wanneer men ze slechts korten tijd aan de zon blootstelt, spoedig geheel en al bederven. Onder deze planten behooren al de Selaginella’s en fijnere Varens. Alle tropische blad- en bloemplanten verlangen des zomers een meer of minder beschaduwde standplaats; zij krijgen, in de zon geplaatst, brandvlekken, worden daardoor leelijk, ja, sterven er dikwijls geheel door. Behalve de z.g.n. vetplanten, waartoe b.v. de Cactussen behooren, zijn er niet veel planten, die des zomers ongeschermd achter een op het zuiden gelegen venster kunnen gekweekt worden. Door de sterke zonnestralen ontstaan namelijk bruine vlekken op de bladeren, die niet meer verdwijnen. Vooral is dit het geval, wanneer de planten, in de volle zon staande, bespoten worden. Vensters, die op het Zuiden gelegen zijn, moeten dan ook voorzien zijn van een inrichting, waarmede men de planten tegen de te scherpe zon kan beschermen, maar niettegenstaande zulk een inrichting, zullen zij toch nog zeer lijden, wanneer aan de vensterbank geen gelegenheid is gemaakt, in den vorm van een bak, waarin ook de potten tegen de zon beschermd staan. Wanneer die toch met volle kracht op de potten schijnt, worden ze zoo warm, dat al de zich aan de zonzijde bevindende wortels verbranden. Niet alleen hierdoor, doch ook nog door het veel te sterk uitdrogen, hebben de planten in dit geval veel te lijden.
Een der grootste gevaren voor onze kamerplanten is zeker wel het gebrek aan voedingsstoffen. De langzaam groeiende planten moeten eens per jaar, bij voorkeur in het voorjaar, verplant worden; met de snel groeiende moet dit in den loop van den zomer meermalen geschieden. De meeste onzer plantenliefhebbers weten dit echter niet; zij laten hun planten jarenlang in denzelfden pot staan en zelfs bij de zorgvuldigste behandeling moet dan een plant ten laatste sterven. Door aanwending van mest kan het verplanten wel tijdelijk uitgesteld worden, in geen geval echter is dit dan, zooals velen denken, onnoodig geworden. Is de aarde slecht en zuur geworden of is de plant zóó beworteld, dat het vormen van nieuwe wortels onmogelijk is, dan moet zij noodzakelijk verplant worden. Mest, van welke hoedanigheid ook, zal in zulke gevallen meer kwaad dan goed doen.
Ten laatste kunnen ook nog ziekten ontstaan door het bevriezen der planten. Zijn zij aan een lichte vorst blootgesteld geweest, dan moet men vóór alles het spoedig ontdooien voorkomen. Een zeer goed middel is, de planten dan zoo spoedig mogelijk met koud water te bespuiten en ze twee of drie dagen in een koele kamer te laten staan. Bevroren planten mogen in geen geval in een verwarmd vertrek of in de zon worden gezet.
Zooals wij gezien hebben, komen de ziekten van kamerplanten uit zeer verschillende oorzaken voort en wij zijn niet in het bezit van pillen of drankjes, waarmede zij weder te genezen zijn. De verschillende oorzaken hebben wij zoo uitvoerig mogelijk beschreven, opdat de lezer zou begrijpen, dat hij zijn planten slechts door een zeer oplettende behandeling gezond kan houden, en dat zieke planten alleen met zeer veel moeite weer genezen kunnen worden.
Een kweeker bewaart zijn planten in vier, door de temperatuur van elkander onderscheiden kassen, namelijk in warme, gematigde en koude kassen, benevens in een oranjerie. De gemiddelde wintertemperaturen bedragen voor de warme kas van 60°–65° Fahr., voor de gematigde kas van 50°–55° Fahr., voor de koude kas van 40°–45° Fahr. en voor de oranjerie van 35°–40° Fahr. De warme kas van een kweeker komt overeen met de woonkamer van een liefhebber, de gematigde kas met een suite of slaapkamer, waarin slechts weinig gestookt wordt, de koude kas met een vertrek, waarin slechts bij strengere vorst gestookt wordt en de oranjerie met den vorstvrijen kelder.
Een liefhebber moet echter niet vergeten, dat hij met een hooge temperatuur nooit die resultaten zal bereiken als een kweeker en hij moet er ook voor zorgen, dat hij de tropische planten gedurende den winter altijd in een lagere temperatuur bewaart dan die, welke de kweeker ze in zijn kassen geeft. De vochtige wanden, de altijd vochtig gehouden paden der warme kassen, de meestal daarin gebruikte warmwatertoestellen, de steeds water uitwasemende planten zijn alle oorzaak, dat in de kassen de vochtigheidsgraad geëvenredigd blijft met den warmtegraad. Een groot voordeel leveren de warme kassen ook nog op, namelijk, dat de temperatuur, doordat er dag en nacht gestookt wordt, steeds vrij gelijkmatig blijft.
Hoe slecht zijn, daarmede vergeleken, de toestanden in onze woonvertrekken! Hoe meer wij overdag stoken, des te droger wordt de lucht en des te ongunstiger wordt zij voor het leven der planten. Daarbij komt nog, dat in sterk verwarmde vertrekken het verschil tusschen dag- en nachttemperatuur meestal zeer groot is. De planten, die overdag in een warmtegraad van ruim 65° Fahr. staan, moeten na een kouden nacht zich des morgens dikwijls met 35° tevreden stellen. Des morgens begint men dan weder te stoken; de temperatuur rijst nu snel, om in den daarop volgenden nacht weder even snel te dalen. Om deze reden groeien tropische planten vaak beter in een vertrek, dat niet zoo warm gestookt wordt. Gedurende koude winternachten doet de buitentemperatuur zich nabij de vensters natuurlijk sterker gevoelen dan meer midden in de vertrekken; reden waarom het zeer geraden is de planten des avonds van het venster te verwijderen. Het beste doet men, de planten des avonds midden in het vertrek te zetten en zoo mogelijk op een verhevenheid, daar de temperatuur boven in het vertrek altijd warmer blijft dan nabij den vloer.
Hij, die het verwarmen zijner vertrekken regelen kan naar de daarin staande planten, doet het best een reguleerkachel te gebruiken. Deze kachels geven geen rook en stof, branden zeer gelijkmatig, kunnen het vertrek op iedere verlangde temperatuur houden en branden, wat een zeer groot voordeel is, ook des nachts door. De droge lucht in het vertrek laat zich eenigszins temperen door achter op de kachel, waarvoor meestal een inrichting is, een ketel met water te zetten, dat dan langzaam verdampt.
Het gebruik van z.g.n. calorifères is in kamers, waar men planten heeft, zeer te ontraden, wijl zij een zeer ongelijkmatige warmte geven, en veel schadelijke dampen verwekken.
In de moderne groote huizen worden vaak alle vertrekken door een centraal toestel verwarmd, dat zóó is ingericht, dat men ieder vertrek de verlangde temperatuur kan geven. Gebruikt men voor deze verwarming heete lucht, dan zullen noch de menschen, noch de planten zich daar wel bij bevinden; wordt echter stoom of warm water gebruikt, dan worden de toestanden veel beter. De vrij omslachtige stoomverwarming wordt betrekkelijk weinig, de warmwaterverwarming daarentegen tamelijk veel aangetroffen. Ook bij deze verwarming moet men den vochtigheidsgraad in de vertrekken verhoogen, door, indien het eenigszins mogelijk is, schotels met water op de buizen te zetten. In koudere vertrekken, die slechts zeldzaam verwarmd worden, is het niet noodig de lucht vochtiger te maken.
Ten slotte willen wij nog opmerken, dat ook in vertrekken, waarin niet gestookt kan worden, zeer harde planten goed kunnen overwinteren. Wordt het zóó koud, dat het in de vertrekken zou kunnen vriezen, dan kan men in zoo’n kamer een veelvoudig gebruikt wordend petroleumkooktoestel, of, zoo men daarover kan beschikken, nog beter een petroleumkacheltje zetten. Bij zeer strenge vorst is het geraden, het toestel of kacheltje ook des nachts, al is het niet hoog, te laten branden.
Een plant heeft voor haar goede ontwikkeling lucht, licht, warmte, vochtigheid en voedsel noodig, en wel alles in de juiste verhouding. Wij hebben reeds gezien, hoe men zijn planten behoorlijk licht moet verschaffen, hoe men ze moet begieten en bemesten, ook op welke wijze men ze de noodige warmte moet geven; wij willen nu nog even nagaan, hoe men ze aan de noodige frissche lucht moet helpen. Iedere plant neemt uit de lucht bepaalde voedingsstoffen op, zij heeft voor haar onderhoud dus wel degelijk behoefte aan goede lucht.
Des zomers, wanneer de hardere planten in den tuin staan en de zachtere door de desnoods dag en nacht geopende vensters de noodige frissche lucht toegevoerd krijgen, is het gebrek aan lucht niet zeer voelbaar. In oude, slecht gebouwde huizen, enge straten en ingebouwde tuinen zal men dan echter, zooals trouwens altijd, gebrek aan de noodige lucht hebben. In zulk een geval is daar echter niet veel aan te verhelpen. Maar gedurende den winter worden de vertrekken weinig of in het geheel niet gelucht, en mensch en dier hebben daaronder te lijden. De minste frissche lucht behoeven de tropische, in warme vertrekken gekweekte planten, zooals Palmen en andere bladplanten. Staan deze, zooals het behoort, dicht bij het venster, dan krijgen zij genoegzaam versche lucht, door de kieren daarvan. Worden de vertrekken door meerdere personen bewoond, dan moeten zij natuurlijk dagelijks zeer goed gelucht worden. Dit luchten nu moet zoodanig geschieden, dat de planten daar niet door lijden. Heeft men een suite, dan doet men het beste de vensters van dat vertrek, waar geen planten staan, te openen en de tusschendeuren geopend te houden. Heeft men geen suite, dan moet men de planten van de vensters verwijderen, deze openen en in de opening een hor, met dicht ijzergaas bespannen, zetten, ten einde op die wijze tocht te voorkomen. Wil men zulke horren niet gebruiken, dan worden de planten tijdelijk zoo ver mogelijk van de vensters verwijderd en met een lichten doek bedekt, zoodat de koude luchtstroom haar niet direct kan bereiken. Bij het luchten moet men steeds oppassen, dat er geen trekking ontstaat en dus nooit vensters of deuren over elkander openzetten; ook mag, bij koud weder, de temperatuur niet te veel dalen, wat men voorkomen kan door tijdens het luchten flink te stoken.
Bij het luchten van vertrekken, waarin harde planten overwinterd worden, behoeft men niet zoo voorzichtig te zijn. Deze kamers, waarin slechts in hoog noodige gevallen gestookt wordt, kan men altijd luchten, zoolang de buitentemperatuur meer dan 35° Fahr. bedraagt. Bij een dergelijke temperatuur is het beter dezen planten zooveel mogelijk frissche lucht te geven. Des nachts moeten de vensters echter steeds gesloten worden, om te voorkomen, dat onverwacht intredende vorst de planten beschadigt.
In het voorjaar moet zeer veel gelucht worden, niet alleen wijl dan door den invloed van de zon de temperatuur zeer stijgt, maar ook omdat men er voor moet zorgen, de planten, die ’s zomers buiten moeten verblijven, behoorlijk aan de lucht te gewennen en te harden.
In onvoldoende of in het geheel niet geluchte vertrekken ontwikkelen vele planten zich ontijdig; zij krijgen dan kleurlooze, zwakke scheuten en bladeren. Bij vele treedt in zulk geval stamrotting en schimmel op, terwijl zij spoedig door ongedierte zullen worden aangetast. Om deze ongemakken te voorkomen, moet men ook des winters iedere goede gelegenheid aangrijpen, ten einde aan de planten behoorlijk frissche lucht te verschaffen.