Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen.

Onder de kamerplanten bevinden zich verscheidene bol- en knolgewassen, die door zeer schoone bloemen uitmunten. Deze ontwikkelen zich des zomers meestal tot flinke planten, die zeer rijk en prachtig kunnen bloeien. In het najaar beginnen ze langzaam te verdorren, zij worden kleiner en kleiner en sterven ten laatste geheel af. De onervaren liefhebber, die wellicht zulk een plant in haar volle ontwikkeling ten geschenke bekwam, ziet haar tot zijn spijt langzaam achteruitgaan, en kan maar niet begrijpen wat de oorzaak daarvan is; hij is in de behandeling der plant toch zoo voorzichtig mogelijk geweest. Ten slotte wordt dan de groote fout begaan, haar weg te werpen.

Bol en knolgewassen, die een volmaakten rusttijd behoeven, toonen al de eigenschappen, die wij hier hebben opgesomd. De liefhebber, die dit weet, houdt bij de behandeling dier planten daarmede rekening. Met het begin van den herfst, wanneer de nachten koeler beginnen te worden, zullen de in vensterbank gekweekte bol- en knolgewassen langzamerhand hun schoonheid gaan verliezen. Men moet nu deze planten haar rusttijd laten intreden, door langzamerhand minder te gaan gieten. De potten worden dus zuiniger begoten dan des zomers en al naar de planten stengels en bladeren verliezen, geeft men minder water, totdat men ten slotte, wanneer zij geheel afgestorven zijn, met gieten ophoudt. Men neemt nu de planten uit de vensterbank en zet ze in een hoek van een koeler vertrek. Na eenigen tijd zal de aarde in de potten geheel uitdrogen, waarop de bollen of knollen er uit genomen worden. De droge aarde laat zich gemakkelijk uit de wortels schudden; deze worden dicht bij den knol afgesneden en zoo er zich nog stengels aan bevinden, worden deze diep ingesneden of geheel verwijderd. De aldus schoongemaakte bollen en knollen worden nu in een bakje met droog zand gelegd en zoo in een vorstvrije kamer bewaard. Op deze wijze behandelt men de knollen van Begonia’s, Gloxinia’s en de meeste Gesneriaceeën, alsook de bollen van Ismene (Pancratium), Sprekelia (Goudlelie) en verscheidene andere. De knollen van Dahlia’s en Canna’s, de bollen der Lilium’s en verscheidene Amaryllissen laten zich bij voorkeur niet geheel droog overwinteren; zij krimpen dan geheel in, en worden ten slotte waardeloos. Deze planten behandelt men aanvankelijk juist zooals wij daareven vermeld hebben. Zijn zij uit de aarde genomen en schoongemaakt, dan doet men het beste ze gedurende haar rusttijd in een vorstvrijen kelder op slechts even vochtig zand te leggen en gedurende strenge vorst met een oud tapijt of leege zakken te bedekken. Dergelijke bollen en knollen, die niet geheel droog overwinteren willen, maken het den liefhebber zeker het lastigste; zij rotten gemakkelijk, waarom zij gedurende den winter voortdurend nagezien moeten worden. Het is dus zaak, ze dan eenige malen stuk voor stuk na te zien; vindt men aan den een of ander een rotachtige plek, dan wordt die met een scherp mesje weggesneden, en het snijvlak goed met houtskoolpoeder bestrooid.

Bij vele rustende bolgewassen zal men kunnen waarnemen, dat de dikke wortels afsterven; dit is het geval bij de Lilium’s (Lelies) en eenige Amaryllis-soorten. Deze bollen, waarvan men de Lilium’s zoo koel mogelijk en de Amaryllissen iets warmer moet laten overwinteren, laat men in de potten staan, of wel, men neemt ze er uit, om ze met de wortels in droog zand te graven. Een andere wijze om bol- en knolgewassen te laten overwinteren is, ze na het afsterven en opdrogen in de potten te laten staan en ze pas in het voorjaar uit te schudden en schoon te maken. Dit heeft het voordeel, dat men den wortels meer tijd geeft tot rustig afsterven; het heeft echter dit tegen, dat men niet kan nagaan of er ook rotplekken zijn ontstaan, zoodat men dikwijls in het voorjaar tot de onaangename ontdekking komt, dat de knol geheel is verrot. Past men deze wijze van overwinteren toe, dan is het voldoende die bol- en knolgewassen, welke niet geheel willen opdrogen, eenige malen per winter met een broesgietertje te besproeien.

Hebben de rustende bollen en knollen met succes overwinterd, dan komt de groote vraag, om deze schijnbaar doode voorwerpen weder tot het leven terug te roepen. Zij moeten dus ter rechtertijd weder opgeplant en aan den groei gebracht worden. Al naar den tijd, waarop men de planten in bloei wil hebben, begint men vroeger of later met het opplanten. Als vroegste datum geldt wel de maand Januari, als beste zeker de maand Maart. Iedere bol of knol wordt nu afzonderlijk in een kleinen pot geplant, waartoe men bij voorkeur zeer zandige aarde gebruikt. Al naar de soorten meer of minder warmte noodig hebben, zet men ze dan op de vensterbank, in een warmere of koudere kamer.

Bij het behandelen van bol- en knolgewassen moet men er in de eerste plaats om denken, dat zij, in tegenstelling met alle andere planten, niet direct na het opplanten aangegoten mogen worden. Men moet hier enkele dagen mede wachten, totdat de aarde, waarin men ze geplant heeft, behoorlijk is opgedroogd. Het begieten moet ook gedurende den eersten tijd zeer voorzichtig geschieden, daar men moet toezien, dat de knollen niet direct met het water in aanraking komen. Men giet dus langs den rand van den pot en met het oog hierop zal men wel doen zóó te planten, dat de aarde naar het midden toe een weinig oploopt. Wanneer de bollen en knollen eenmaal flink aan het groeien zijn, en men veronderstellen kan, dat de wortels goed in de aarde zijn doorgedrongen, dan kan men meer en ook geregelder gieten.

Doordat vele liefhebbers met den rusttijd dezer gewassen onbekend zijn en zoodoende vele bol- en knolgewassen òf in het najaar worden weggeworpen, òf in het voorjaar verkeerd behandeld, worden zeer veel fraaie planten geheel ten gronde gericht. Veel schade wordt ook aangericht door het ongeduld van vele liefhebbers. Een bol of knol, dien men vandaag geplant heeft, begint niet direct morgen te groeien; vele liggen verscheidene weken, sommige wel twee maanden, voordat er werking in komt. Men moet daarom geduld hebben, en mag hoogstens door een laagje aarde te verwijderen en voorzichtig met den vinger te voelen, zich overtuigen of de bol of knol niet tot rotting is overgegaan. Dit rotten heeft meestal plaats, wanneer men de knollen of bollen te veel begiet, te diep in de aarde geplant heeft en ook, wanneer een ongeduldige ze telkens weder uit de aarde neemt om te zien of ze nog geen wortels maken of uitgroeien. Wil men ook in dit opzicht zijn pogingen met succes bekroond zien, dan moet men in de eerste plaats geduld oefenen.

De kamerplanten gedurende den zomer.

A. In den Tuin.

Wanneer het ongestadige voorjaarsweer voorbij is en voor een meer geregelde zomerwarmte heeft plaats gemaakt, waardoor de tuin zich weder in zijn fraaiste blader- en bloemenkleed heeft gestoken, dan is het niet geraden alle kamerplanten, die men des winters binnenhield, nog steeds binnen te doen blijven. De meeste kamerplanten houden er van des zomers in de frissche, vrije lucht te staan en versche lucht kan men den planten, zelfs met de beste ventilatie-inrichting, in de kamers slechts weinig geven. Betrekkelijk weinige, zeer gevoelige planten moeten ook des zomers in gesloten kamers gekweekt worden; verreweg het meerendeel doet men beter andere plaatsen te geven. De beste plaats voor alle, niet te teere, gewassen is zeker wel in den tuin. Een liefhebber zal zeker aanmoedigende resultaten verkrijgen, wanneer hij een zonnig en beschut stukje grond bij zijn huis heeft, dat hij des zomers niet alleen met eigenlijke tuinplanten, maar ook met zijn kamerplanten kan versieren. De veelvuldige vormen, die de uit zeer verschillende streken stammende kamerplanten bezitten, kunnen aan een tuintje een zeer eigenaardig en aantrekkelijk voorkomen geven.

Al naar den aard van de buiten te brengen potplanten moet de plaats bepaald worden, waar men ze zetten zal. Terwijl bijna alle Cactussen en Vetplanten bij voorkeur in de volle zon staan, moeten de meeste bloemplanten een eenigszins meer beschaduwde standplaats bekomen. Palmen, en andere tropische bladplanten, verkiezen bij voorkeur een plaats in halfschaduw, terwijl Varens op een zeer schaduwrijke plek moeten gezet worden. Wat de hardere decoratie-planten betreft, zooals: Laurus (Laurier), Citrus (Oranjeboom), Laurus-Tinus, Rhododendron (Alpenroos), Evonymus en vele andere, deze zijn wat de plaats betreft niet zoo heel erg kieskeurig. Zij groeien in de volle zon even goed als in een niet te dichte schaduw. In ieder geval moet er echter op gelet worden, dat men de planten zóó plaatst, dat zij beveiligd zijn tegen tocht of harden wind. Tocht is zeer schadelijk voor alle planten en harde wind kan groote schade aanrichten, door het uit den pot rukken der planten, het breken van takken en het scheuren der grootere bladeren.

Indien men de planten boven op den grond plaatste, dan zouden zij bij warm zomerweer zeer snel en bijna geheel uitdrogen, wat voor de ontwikkeling zeer schadelijk is. Een tweede bezwaar zou zijn, dat de grootere planten bij den minsten wind zouden omwaaien. Beide bezwaren kan men gemakkelijk voorkomen, door de potten in te graven. De plaats, waar men zijn planten wil ingraven, moet eerst omgespit en gelijk geharkt worden. Het zou nu zeker het gemakkelijkst zijn met een kleine spade de gaten te maken, waar men zijn planten in wil zetten. Toch doet men beter dit met een ander werktuig en wel met een puntigen dikken paal te doen. Eerst rangschikt men de planten op de bepaalde plaats, waarbij men er op moet letten, dat iedere plant de noodige ruimte heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen, waarom zij dus niet te dicht op elkander mogen staan. In de tweede plaats moet men zorgen, dat al de planten te zamen een goede groep vormen, die een aangenamen indruk maakt. Heeft men de planten gerangschikt, dan neemt men ze een voor een van haar plaats en maakt op de plek, waar zij stonden, een diep gat. Men doet dit door den paal midden op de plek, waar de pot stond, flink diep in den grond te drukken en hem dan, al naar de grootte van den pot, in meer of minder schuine houding eenige malen rond te draaien. Heeft men op deze wijze het gat zóó wijd gemaakt, dat de pot er gemakkelijk in kan, dan wordt de plant er in gezet en de aarde rondom den pot aangedrukt. Deze wijze van ingraven heeft zeer veel voordeelen. Onder den pot toch blijft een vrij diep spits toeloopend gat, dat goede diensten zal bewijzen om het overvloedige water, dat, hetzij door het gieten, hetzij door zwaren regen, op den pot komt, gemakkelijk door het drainagegaatje te doen wegloopen. Een tweede voordeel is, dat door het geheel vrij liggen van het drainagegaatje, regenwormen en ander ongedierte verhinderd worden, daardoor in den pot te dringen. Bij het ingraven moet men er ook op letten, dat niet de rand van den pot gelijk met de aarde komt te staan; deze moet er minstens één of twee centimeter uit steken, daar anders bij zware regens de tuinaarde op de potaarde wordt gespoeld, wat minder wenschelijk is. Grootere planten, die in kuipen staan, graaft men niet in, daar dan de kuipen gemakkelijk rotten. Men zet de kuip echter op drie baksteenen, er op lettende, dat zij in alle richtingen waterpas staat, en slaat dan door de ooren een paar stevige stokken, ten einde het omwaaien te voorkomen.

Wanneer dit eenigszins mogelijk is, moet men er voor zorgen, dat de kamerplanten, vóórdat zij buiten gezet worden, tijdig verplant zijn, zoodat zij eenigen tijd rustig kunnen blijven staan op de plaats, waar men ze ingegraven heeft.

Niet weinig kamerplanten hebben gedurende den winter in de woonvertrekken armoede geleden; zij zien er dan in het voorjaar ziekelijk uit en gaan zeker dood, wanneer geen bijzondere maatregelen genomen worden. Gewoonlijk behooren deze patiënten tot de hardere planten, en deze knapt men het beste op, door ze uit den pot te nemen, de kluit wat los te maken, de zieke wortels weg te snijden en ze dan vrij in den tuin uit te planten. Wanneer dit uitplanten moet dienen om zieke planten weder gezond te doen worden, dan moet men ze niet alleen op een gunstige plaats zetten, doch ook in een goed bereiden grond planten. Het beste doet men door op de bepaalde plaats de aarde een goeden steek diep uit te graven en die te vervangen door goede compostaarde. Is dit niet mogelijk, dan spit men den grond om, na er een flinke hoeveelheid zand en ouden koemest op gebracht te hebben. Het gebruik van verschen mest is voor dit doel niet raadzaam; het geschiktst is koemest, die een jaar oud is. Kan men niet over ouden koemest beschikken, dan spit men de aarde alleen met zand om en zoodra de uitgeplante gewassen krachtig beginnen door te groeien, giet men enkele malen met verdunden koemest. De zoogenaamde harde planten, die het uitplanten verdragen, ontwikkelen zich daarna prachtig. Het beste voorbeeld daarvan levert de Musa Ensete (Abessinische Banaan), die dikwijls in het voorjaar, zelfs bij de kweekers, geen enkel blad meer bezit en uitgeplant, in den herfst somtijds vijftien tot twintig reusachtige bladeren gemaakt heeft, die niet zelden een lengte bereiken van 2 of 3 meter. Afgezien van de Palmen, die nooit in den tuin uitgeplant mogen worden, is het uitplanten van de meeste kamerplanten, mits geen absoluut warme planten, zeer aan te bevelen. Willen wij bij het uitplanten van die gewassen, welke des winters in de warme kamer moeten staan, een zeer goed succes hebben, dan moet men ze een z.g.n. warmen voet geven. Hiertoe wordt een gat gegraven van ongeveer een Meter diep; hierin brengt men, op dezelfde wijze als een kweeker dat in zijn warmen bak doet, een laag van 80 cM. verschen paardenmest, die er in lagen wordt ingebracht d.w.z. de mest wordt er bij gedeelten in geworpen, goed gelijk gemaakt en stevig vastgetrapt. Op deze laag mest brengt men de aarde, die zóó hoog opgewerkt wordt, dat er een flink verhoogd, doch van boven vlak vak ontstaat. De aardlaag op den mest moet, al naar de grootte der planten, 30–60 cM. dik zijn en moet minstens 20 cM. boven den beganen grond uitsteken. Deze verhooging is zeer noodig. Te gelijk met het verteren, zakt toch de paardenmest en natuurlijk dus ook de aardlaag met de planten. Heeft men nu de opgebrachte aarde niet behoorlijk boven den beganen grond doen uitsteken, dan zal in het najaar de plant in een kuil komen te staan, die uit den aard der zaak koud en vochtig is. Wanneer men het niet te veel moeite acht, dan kan men op dezelfde wijze ook aan die planten, die niet uitgeplant worden, een warmen voet geven, door op de mestlaag een zoo dikke laag aarde te brengen als de potten hoog zijn en deze daarin te graven. Ook in dit geval moet men zorgen, dat de potten minstens 20 cM. boven den beganen grond staan. Een warme voet bevordert sterk de wortelvorming, en heeft daarom zulk een gunstigen invloed op den groei. De in den tuin uitgeplante of ingegraven gewassen veroorzaken den liefhebber niet zeer veel moeite. Een hoofdzaak is, dat men de planten ’s morgens vroeg, wanneer de zon nog niet brandt, en des avonds direct na het gieten, met de handspuit goed besproeit, of wel men giet de bladeren en twijgen met een broesgietertje goed nat. Het gieten doet men steeds des avonds en mocht dit wegens de groote zomer warmte, gepaard met droogte, niet voldoende zijn, dan giet men ’s morgens vroeg nog eens over.

Wat nu het verplanten en bemesten betreft, gelden voor de buiten ingegraven planten dezelfde regels, die wij reeds vermeld hebben. Wat de uitgeplante kamerplanten betreft, moeten wij er op letten, dat deze tijdig weder in de potten worden gezet. De lastigste onder haar, die moeilijk aan den groei gaan, moeten in de laatste helft van Augustus, de andere in de eerste helft van September opgenomen worden. Wanneer men al de voordeelen, die met het uitplanten bereikt zijn, niet weder met het in de potten zetten wil verliezen, dan moet dit zeer voorzichtig geschieden. Men doet dit op een donkeren, regenachtigen dag, neemt de planten voorzichtig op, zoodat zij zoo weinig mogelijk wortels verliezen en zet ze in goed passende potten. Zijn de planten voorzichtig opgepot, dan worden zij op een beschutte, schaduwrijke plek gezet en goed aangegoten. Op deze plek laat men ze nog een dag of veertien staan, er voor zorgende, dat bladeren en takken, zoowel als de kluit, goed vochtig blijven. Gedurende deze veertien dagen en ook gedurende de eerste dagen, nadat zij weer in de kamer staan, zorgt men er voor, dat de planten niet door de zon beschenen worden, ten einde het afvallen van bladeren te voorkomen.

B. De kamerplanten op het balkon en in de vensterbank.

Er zijn helaas slechts weinig liefhebbers, die over een tuin kunnen beschikken, om er des zomers hun planten in te kweeken. In de grootere steden heeft men slechts te beschikken over kamers, vensterbanken en in het gunstigste geval over een balkon, en met deze hulpmiddelen moet men dan zijn planten kweeken. Die liefhebbers, die maar een beperkte ruimte hebben, kweeken in den regel slechts planten, van kleine afmetingen. Wanneer tegen het einde van Mei meer bestendig weer gaat heerschen, moet men ook de planten buiten brengen, die dan op het balkon of op de buitenvensterbank worden gezet. Een fraaie versiering der balkons en vensterbanken zal den waren liefhebber, die over geen tuin kan beschikken, altijd zeer veel genot verschaffen. Wel is waar staan nu de bloemen boven de straten en zijn zij daardoor voortdurend aan den wind blootgesteld, terwijl het van de straten opwaaiende stof ze bevuilt, waardoor zij lang niet zoo gunstig staan als in den tuin, maar bij een oplettende behandeling kan men toch met het balkon en de vensterbank zeer aardige resultaten verkrijgen. Afgezien van de bakjes, waarop wij later terugkomen, is het balkon het best geschikt om de grootere potgewassen te herbergen, aangenomen natuurlijk, dat de ligging eenigszins gunstig is en dat het nu en dan wat zon heeft. Voor het plaatsen der planten in de vensterbank heeft de liefhebber meestal een betere keus, daar veelal de vensters in verschillende hemelstreken liggen. Voor planten, die veel zon verlangen, gebruikt men de vensters op het zuiden; voor de andere planten kan men de verschillende vensters gebruiken, doch bij voorkeur die, welke morgenzon hebben. De vrij in het venster staande planten hebben echter, vooral bij groote hitte midden in den zomer, veel te lijden van de zon, wanneer daartegen geen maatregelen genomen worden. Zeer goede beschermers tegen de zon zijn buitenjaloezieën, die men met een paar ijzeren haken zóó geleidt, dat zij over de planten neergelaten kunnen worden, zonder die aan te raken. Door meer of minder opentrekken der jaloezieën, kan men den planten juist zooveel zon geven, als wordt noodig geacht.

Fig. 63. Een ondoelmatig bloemenrekje.

Fig. 63. Een ondoelmatig bloemenrekje.

De plantenrekjes, die meestal in de vensterbanken worden aangebracht, zien er wel heel aardig uit, maar zijn voor het doel, waarvoor zij moeten dienen, meestal geheel ongeschikt. Deze bloemenrekjes bestaan gewoonlijk uit een paar plankjes om er de potten op te zetten en een hekje, dat moet dienen, om het naar beneden vallen der potten te voorkomen. Dat hekwerk nu is zoo onpractisch mogelijk. Wel wordt het naar beneden vallen der potten er door verhinderd, doch het beschermt deze geenszins tegen de zon. In den zomer brandt de middagzon met volle kracht op de steenen potten, waardoor deze overmatig verhit worden. Het gevolg daarvan is niet alleen, dat de aarde snel en volkomen uitdroogt, maar ook, dat de tegen den potwand liggende wortels verbranden en natuurlijk dood gaan. Hier heeft men met gevallen te doen, waarover wij vroeger reeds spraken. De kluiten worden toch geheel droog en nemen ten laatste geen water meer op. Als gevolg hiervan, en van het verbranden der wortels, gaan de planten merkbaar achteruit en tevergeefs gist de liefhebber naar de oorzaak van den slechten groei zijner lievelingen. Fig. 63 toont ons een zoodanig bloemenrekje en tegelijkertijd, hoe slecht de planten er daarin kunnen uitzien. Een goed bruikbaar plantenrekje moet geheel van hout zijn en het voorkomen van een bakje hebben, waardoor de potten doelmatig tegen het inwerken der zon beschut worden. Toch kan zoo’n gesloten plantenrekje er zeer elegant uitzien, wanneer men het uit besneden hout laat vervaardigen, of wel het met kurkschors of andere ornamenten laat bekleeden. Maar zelfs het eenvoudigste groen geverfde bloemenrekje voldoet uitstekend, wanneer men slechts zorgt, dat het gesloten is. Ook kan zulk een eenvoudig rekje er zeer mooi uitzien, wanneer men de planten zóó schikt, dat de buitenwand geheel met hangplanten wordt bedekt. Voordat de planten in het rekje gezet worden, vult men het voor twee derden met zaagsel of nog beter met fijnen turfmolm; hierin worden de planten tot op 2 à 3 cM. onder den rand ingegraven. De pot kan, daar hij poreus is, een goede hoeveelheid water opnemen; en staat hij nu ingegraven, dan blijft hij steeds vochtig, wat den tegen den binnenwand groeiende wortels ten goede komt. De op deze wijze ingegraven potten zijn geheel tegen den schadelijken invloed der zon beschermd. Een groot voordeel heeft het ingraven in turfstrooisel ook nog. Dit neemt veel water op en door de verdamping hiervan wordt de lucht rondom de planten altijd eenigszins vochtig gehouden, terwijl men ook niet behoeft te vreezen, dat het gietwater, wanneer het bakje niet waterdicht is of geen afvoerbuisje heeft, den vloer zal beschadigen. Dit water wordt toch door het turfstrooisel openomen (Fig. 64).

Fig. 64. Een doelmatig plantenrekje.

Fig. 64. Een doelmatig plantenrekje.

In veel gevallen moeten echter de planten voor het venster gezet worden, zonder dat men een plantenrekje kan aanbrengen, zij worden dan door een ijzeren stang voor afvallen behoed. Dan beschut men den pot tegen de te felle zonnestralen, door hem in een grooteren te zetten, en de tusschenruimte met mos of turfstrooisel op te vullen (Fig. 65). Dit mos kan men gemakkelijk voldoende vochtig houden.

Fig. 65. Dubbele pot, ter bescherming tegen de inwerking van de zon.

Fig. 65. Dubbele pot, ter bescherming tegen de inwerking van de zon.

De planten, die op het balkon of voor het venster staan, veroorzaken heel wat meer moeite dan die, welke in den tuin staan. Vooreerst moeten wij er op rekenen, dat de planten, die in de kamer gestaan hebben, verwend zijn en gewoonlijk is het de zon, die in den beginne het meeste kwaad doet. De bladeren krijgen, wanneer men ze ondoordacht buiten zet, brandvlekken; en zelfs vetplanten, die van veel zon houden, kunnen in den beginne daarvan lijden. Het is niet alleen raadzaam de planten, die men buiten wil zetten, eerst langzamerhand door meer luchten te harden, maar men moet ze ook, wanneer men ze buiten heeft gebracht, in den beginne tegen de zon beschermen. Langzamerhand schermt men wat minder, totdat de planten ten laatste aan de zon gewend zijn. Dit geldt niet alleen voor planten, die op het balkon of in de vensterbank worden gekweekt, doch ook voor die, welke men des zomers in den tuin zet. Het bespuiten moet zoowel des avonds als des morgens geschieden, en vooral op het gieten moet goed acht gegeven worden. Bij het rangschikken der planten moet men er niet alleen op letten of zij, van uit de straat gezien, een mooi effect maken, doch men zie toe of zij wel goed ruim en luchtig staan, zoodat zij zich naar alle zijden goed kunnen ontwikkelen.

Plantenbakjes en hun Beplanting.

De balkons en waranda’s zijn in de steden slechts zelden zóó ingericht, dat men ze met overblijvende klimplanten kan laten begroeien. Deze moeten dicht tegen het huis in den vollen grond geplant worden, en kunnen dan in betrekkelijk korten tijd een groot gedeelte van het huis zeer fraai bekleeden. Een liefhebber zou nu wel deze klimplanten in potten kunnen kweeken, doch dat gaat niet heel best. De potten moeten, zooals wij reeds gezien hebben, tegen de zonnestralen beschermd worden, iets, dat in de vensterbank tamelijk gemakkelijk gaat, doch dat op het balkon meestal tamelijk lastig te bewerkstelligen is. Daarbij komt nog, dat dergelijke planten zich in potten lang niet zoo goed ontwikkelen als die, welke voldoende ruimte hebben om haar wortels naar alle zijden uit te spreiden. Voor dergelijke doeleinden worden dan de plantenbakjes gebruikt.

Deze bakjes worden vervaardigd uit grenen- of eikenhout en uitwendig geolied. Het hout is een slechte warmtegeleider; het wordt in de zon lang niet zoo warm als metaal of steen, en de wortels van in dergelijke bakjes geplante gewassen loopen dan ook geen gevaar te verbranden. De lengte der bakjes moet natuurlijk overeenkomen met die van het balkon; zij moeten minstens 30 cM. diep zijn en in geen geval smaller wezen dan 20 cM. Natuurlijk moeten zij stevig in elkander getimmerd worden, daar zij anders door den invloed van vochtigheid en warmte licht uit elkaar zouden trekken; ook moet men er voor zorgen, dat zich in den bodem voldoende drainagegaten bevinden. Deze drainagegaten kunnen er met een groote boor in geboord worden.

Heeft men de bakjes enkele malen goed met olie laten verven en zijn zij goed droog, dan kan men ze gaan gebruiken. Het beplanten doet men het beste ter plaatse, waar men ze wil gebruiken, dus op het balkon of in de veranda. Daar de voor de beplanting gebruikte gewassen meestal in kweekerijen gekocht worden, en daar vaak onder glas zijn gekweekt, waardoor zij niet tegen koude bestand zijn, doet men wijs het beplanten niet te vroeg te verrichten. Het best is daartoe de laatste helft van Mei geschikt. Willen wij nu de bakjes beplanten, dan moeten wij in de eerste plaats daartoe goede aarde hebben en in de tweede plaats goede planten. Een zeer goede aarde voor dergelijke bakjes bestaat uit 3 deelen broeiaarde, 1 deel graszodengrond en ½ deel scherpzand. Aan deze aarde voegt men voor een bakje van middelbare grootte een kleine handvol hoornspaanders toe, een voor zulke inrichtingen uitnemende meststof, daar zij slechts langzaam verteert en dus den geheelen zomer door werkt. Ligt het balkon zoodanig op de zon, dat er kans bestaat voor spoedig en geheel uitdrogen der aarde, dan is het voorzichtig bij het opgegeven aardmengsel nog ⅓ deel turfstrooisel te voegen. De ondervinding heeft mij geleerd, dat turfstrooisel en ook turfmolm uitstekende hulpmiddelen bij de plantencultuur zijn. Turf bestaat uit plantaardige stoffen, en heeft de eigenschap om, zonder te rotten of zuur te worden, het overvloedige water uit de aarde op te nemen en vast te houden. Door deze eigenschap is ze dus zeer goed geschikt om planten, die niet al te onhandig gegoten worden, voor sterk uitdrogen te behoeden. Wanneer men goed oplet, dan zal men bemerken, dat de wortels van talrijke planten dikwijls in de stukjes turf doordringen en zich daar rijkelijk in vertakken.

Heeft men de aarde voor het bakje klaargemaakt en vooral goed gemengd, dan wordt de drainage er in gebracht. Op ieder drainagegaatje wordt een potscherf gelegd en de bodem verder met scherven bedekt. Hierna wordt het bakje met aarde gevuld en deze gelijk gemaakt. Wil men het doorlekken van het gietwater geheel of zoo goed als geheel voorkomen, dan wordt op de scherflaag nog een laag grove turfstrooisel gelegd van een paar vingers dikte. Indien men niet al te onbedachtzaam giet, dan is deze laag voldoende om het overvloedige water op te zuigen, dat zij dan langzamerhand eerst aan de aarde en later weder aan de wortels teruggeeft. Wanneer men het bakje goed, dat wil zeggen, tot een paar vingers beneden den rand, met aarde gevuld heeft, dan kan met het beplanten aangevangen worden. In de eerste plaats moet men daarbij in het oog houden, dat men wijd moet planten; er moeten dus slechts weinig planten in ieder bakje gezet worden, opdat zij voldoende ruimte hebben om zich goed te ontwikkelen. In den regel toch wordt veel te dicht geplant; de bakjes zien er dan wel is waar direct mooi gevuld uit, doch de planten hebben geen ruimte om goed door te groeien en kunnen dus haar natuurlijke schoonheid niet ten toon spreiden. Gebruikt men voor het beplanten potplantjes, dan neemt men ze uit den pot, maakt de wortels met een houtje een weinig los, zooals dit ook bij het verplanten geschiedt, snijdt deze wat in en plant ze hierna zóó in het bakje, dat zij even diep, of hoogstens een weinig dieper komen te staan, dan zij in haar pot stonden. Beplant men de bakjes met éénjarige zomerbloemen, die men in de kamer in schotels of kistjes uit zaad heeft gekweekt, of die in een kweekerij in een half warmen bak zijn ontwikkeld, dan moet men den hoofdwortel een weinig inkorten, ten einde de plantjes te nopen rijkelijk haarworteltjes te maken. Het planten van deze zaailingen geschiedt met behulp van een stevig, aan de punt een weinig toegespitst verplantstokje. Met dit stokje steekt men daar, waar de zaailing moet komen te staan, een voldoend diep en wijd gaatje in de aarde. Het plantje wordt nu met de linkerhand zóó daarin gehouden, dat het worteltje loodrecht naar beneden hangt, en de beide onderste blaadjes op de aarde rusten. Met het stokje wordt dan het gaatje toegedrukt, zoodat de aarde goed om het worteltje sluit en het plantje stevig vaststaat.

Bij het beplanten der bakjes moet men met het kiezen der planten natuurlijk rekening houden met het doel, dat men er mede wil bereiken. Wil men een balkon laten begroeien, zoodat het hekwerk daarvan geheel met bladeren bedekt wordt, dan is het verkieselijkste klimplanten te gebruiken. In dit geval moet men, wanneer aan het balkon of de warande geen bijzondere inrichtingen daartoe zijn, een hekje van hout of ijzer aan ieder bakje laten bevestigen, opdat de jonge plantjes daar in den beginne tegenop kunnen klimmen. Wil men het geheele balkon in een priëel veranderen, dan moet men niet te wijd uit elkander ijzerdraden spannen van een bepaalde hoogte van het huis naar de balustrade der veranda. Hoe rechter deze draden loopen, des te sneller zal men het gewenschte doel bereiken.

Wanneer men klimplanten wil gebruiken, die weinig moeite veroorzaken en een ongunstige ligging van het balkon, hetzij door gebrek aan zon, hetzij doordat het veel aan den wind is blootgesteld, voor lief nemen, dan neemt men Vitis quinquefolia (Wilde Wingerd) of Hedera Helix (Klimop). De grootere kweekerijen zijn meestal goed voorzien van deze planten, waarvan men ook verschillende variëteiten heeft gewonnen. Een met Klimop of Wilde Wingerd beplant bakje vereischt in de eerste jaren niet bijzonder veel zorg. Wanneer men niet verzuimt deze planten, wanneer zij zich in haar krachtigsten groei bevinden, een paar keeren te gieren, dan kunnen zij vier à vijf jaar in dezelfde aarde blijven staan. Men vervangt dan hoogstens in het voorjaar de bovenlaag der aarde door wat verschen grond. Bij gewone winters is het voldoende de bakjes met wat blad of stroo te bedekken, teneinde het geheel bevriezen der aarde te voorkomen; is de winter buitengewoon streng, dan doet men voorzichtiger de bakjes binnenshuis, b.v. in den kelder, te laten overwinteren. De Klimop behoeft in het geheel niet gesnoeid te worden, de Wilde Wingerd echter doet men beter in het voorjaar goed te snoeien; men snijdt daartoe de voorjarige gezonde scheuten, al naar gelang der sterkte, op 2 tot 5 oogen terug.

Fig. 66. Met Convolvulus (Winde) beplant bakje.

Fig. 66. Met Convolvulus (Winde) beplant bakje.

Meer moeite, maar zeker ook meer genot, verschaffen de met éénjarige klimplanten beplante bakjes. Een dergelijk pas beplant bakje toont ons Fig. 66. Onder de éénjarige planten zijn er vele, die dadelijk na het uitplanten in Mei flink gaan doorgroeien. In Juli kan het balkon, wanneer men deze planten gebruikt, reeds volgegroeid zijn. In deze maand beginnen de éénjarige planten te bloeien, en vele gaan dan tot aan de intredende vorst daarmede door. De bewonderenswaardig snelle groei van deze éénjarige klimplanten wijst er natuurlijk reeds op, dat zij zeer veel voedsel noodig hebben. Wanneer wij kunnen veronderstellen, dat de wortels het bakje goed gevuld hebben, dan moet men beginnen den grond te gieren; men kan de planten dan wekelijks een paar keer met gier begieten. Laat men dit gieren na, dan houden de planten op met groeien, zij krijgen een matte, gele kleur en worden daardoor veel minder fraai. Heeft men een bakje van een paar Meter lengte, dan moet men daarin niet meer dan drie klimplanten zetten, wanneer dit sterk groeiende soorten zijn. Heeft men minder snel groeiende soorten, dan kan dat aantal verdubbeld worden. Het is niet raadzaam, het bakje met andere planten dan klimplanten te vullen. Deze toch laten, wanneer zij in vollen groei zijn, ook verscheidene scheuten naar beneden hangen, zoodat zij het bakje volkomen bedekken; voor andere planten is hier dus geen plaats. Zeer geschikt om in bakjes geplant te worden zijn de volgende éénjarige of wel als éénjarig beschouwd wordende klimplanten, namelijk: Humulus japonicus en Humulus japonicus fol. var. (groene en bontbladerige Japansche Hop), de Melothria abyssinica, een zeer schoone Pompoensoort met fraaie bladeren, kleine stervormige bloemen en aan bosjes samenhangende mooie oranjeroode vruchten; de Lophospermum scandens met donkere, karmijnroode, trompetvormige bloemen, die in vorm veel overeenkomst hebben met die van een Gloxinia, en de Cobæa scandens met gevinde in een rank eindigende bladeren en groote, klokvormige, lilakleurige bloemen. Van de hoofdzakelijk om haar fraaie bladeren gekweekte éénjarige planten willen wij naast de reeds genoemde Humulus nog vermelden de Micania scandens met bladeren als die van een Klimop en de Pilogyne suavis, een zeer fraaie Pompoensoort, wier bladeren dikwijls een zeer aangenamen geur verspreiden. Zeer veel worden ook gebruikt de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen) en Ipomæa purpurea (Winde). Van de fraaie klimplanten, die zeer geschikt zijn om gebruikt te worden, wanneer alleen de balustrade van het balkon bekleed moet worden, noemen wij slechts de zich met schoone roode bloemen tooiende Maurandia, alsook enkele lage soorten Tropæolum (Oost-Indische kers). Voor ditzelfde doel laten zich ook zeer goed enkele dunstengelige gewassen gebruiken, die toch eigenlijk geen klimplanten zijn. Onder deze noemen wij de Pelargonium peltatum (Klimopbladerige Pelargonium) en enkel bloeiende Petunia’s. Voor meerdere soorten raadplege men het hoofdstuk “Klimplanten”.

Moeten de bakjes dienen om op de balustraden der balkons te worden geplaatst, en deze met een bloemenrand te sieren, zonder ten doel te hebben schaduw te geven, terwijl zij ook het uitzicht niet mogen belemmeren, dan worden zij met fraai bloeiende potplanten bezet. In dit geval kan men met goed gevolg verschillende soorten Pelargoniums, de lekker riekende, blauw bloeiende Heliotropium en de lief met rood en zwarte bloempjes bloeiende Cuphea platycentra gebruiken. Ook enkelen gevuldbloemige Petunia’s, alsmede blauwe en witte Lobelia’s zijn hier zeer op haar plaats. Deze planten, die veel voor bloembedden worden gebruikt, kan men in het voorjaar in iedere kweekerij koopen. Wanneer men de bakjes met dergelijke planten beplant, moet men vooral niet vergeten langs den rand eenige hangplanten te zetten, bij voorbeeld de bonte en groene Tradescantia, die zeer welig groeien en een schoon effect teweegbrengen.

De zoogenaamde zomerbloemen,—dit zijn de éénjarige planten, die zeer goedkoop zijn en die men zelf gemakkelijk uit zaad kan kweeken—, worden slechts zelden voor het beplanten der bakjes gebruikt. Men schenkt, zeer ten onrechte, slechts dan zijn aandacht aan dergelijke planten, wanneer men een uiterst goedkoope beplanting wil bewerkstelligen. Nadere mededeelingen hierover kan men in het hoofdstuk “Zomerbloemen” vinden.

Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten.

Wanneer in de tweede helft van September koude regens beginnen te vallen en dikwijls op warme dagen zeer koude nachten volgen, moet men aanvangen met de teedere planten, die men gedurende den zomer buiten kweekte, weder binnen te brengen.

De teerste planten dus, waaronder Palmen, Varens en zachte blad- en bloemplanten, blijven niet langer dan tot de tweede helft van September buiten staan. Alle hardere planten, namelijk die, welke des winters in koudere, slechts even vorstvrije vertrekken staan, en die gedeeltelijk zelfs enkele graden vorst zonder schade kunnen verdragen, kan men langer buiten houden; de uiterste termijn is echter half October. Als regel moet men aannemen na 15 October geen kamerplanten meer buiten te hebben staan, hoewel het zaak is er op te passen, dat de hardere planten niet te vroeg binnen gezet worden. Een bezwaar is het, dat ook de hardere planten in den nazomer veel te lijden hebben van koude regenvlagen, die de aarde doorweeken en afkoelen, terwijl de planten reeds in rust zijn. Om dit bezwaar te voorkomen, is het voorzichtig deze planten van af half September in een prieel te plaatsen of een op palen rustend dak te laten maken en ze daaronder te zetten. Deze laatste maatregel heeft nog een groot voordeel; wanneer men, voordat de planten buiten gebracht zijn, voor onverwachte nachtvorsten vreest, kan men tegen dit dak rietmatten zetten of er iets aan hangen, waardoor de planten dan voldoende beschermd staan. Kan men niet over een prieel beschikken en heeft ook het maken van een tijdelijk dak bezwaar, dan doet men voorzichtig de planten bij een muur of schutting te verzamelen. Gaat het zwaar regenen, dan kan men door ze om te leggen, voorkomen, dat te veel water in de kluiten dringt, terwijl zij zoo staande met geringe moeite tegen onverwachte vorst beschermd kunnen worden.

De allerhardste planten zooals Hydrangea’s, Fuchsia’s, Granaten, Laurieren, Oranjeboomen, Evonymussen en andere worden, al naar gelang van het weer, tusschen 15 October en ’t begin van November binnengebracht. Dikwijls kunnen zij nog langer buiten blijven staan, daar zij best eenige graden vorst kunnen verdragen; men vergete echter niet, dat de potten licht kunnen springen, wanneer de kluiten bevriezen.

Vóór het binnenbrengen worden al de potten en kuipen met een stijven boenborstel, die wel in elke huishouding voorradig is, goed afgeboend. Is men hiermede klaar, dan wordt de aarde der potten gereinigd, door alle mos en onkruid te verwijderen; hierna worden de dorre bladeren en doode twijgjes afgesneden. De door ongedierte aangetaste planten worden op de genoemde wijze gewasschen en de met aarde volgespatte bladeren goed schoongemaakt. Is men met deze werkzaamheden gereed, dan ziet men na of de planten ook opgebonden moeten worden en vernieuwt men zoo noodig de banden, stokjes en etiquetten. Planten, die ziek zijn, of door de een of andere oorzaak geleden hebben, werpt men eenvoudig op den mesthoop. Zieke planten zien er in de eerste plaats allesbehalve fraai uit, en kunnen dus niet als kamerversiering dienen; brengt men ze daarenboven in het najaar ziek binnen, dan is de kans zeer groot, dat zij gedurende den winter gaandeweg afsterven.

Heeft men de planten geheel klaargemaakt om binnengebracht te worden, dan moet men letten op de eischen, die zij stellen aan temperatuur en licht. De warmere planten, die reeds in September zijn binnengebracht, verlangen over het algemeen een zeer lichte standplaats, dus zoo dicht mogelijk bij het venster. Van de hardere planten, stellen die, welke des winters bloeien, ook nogal hooge eischen wat licht betreft; de niet-bloeiende zijn des winters minder veeleischend. Ten laatste moet men niet vergeten, dat alle kruidachtige planten, onverschillig welke temperatuur zij verlangen, steeds zeer licht willen staan, daar zij bij gebrek aan licht gemakkelijk gaan rotten en schimmelen.

Wanneer men de planten, die des zomers in den tuin, op het balkon of de vensterbank hebben gestaan, binnen gaat brengen, dan komt men vaak tot de ontdekking, gebrek aan ruimte te hebben. Zij moeten dan dicht op elkander gezet worden, hoewel het veel beter is, dat zij zóó wijd staan, dat zij elkander niet raken. Om dit laatste te bereiken, is het dus noodig, vóór men planten binnenbrengt, alle zieke of overcomplete exemplaren op te ruimen, waardoor vaak een aanmerkelijke ruimte gewonnen wordt. Vele planten laten zich ook, zooals uit het volgende hoofdstuk zal blijken, zeer goed in den kelder overwinteren. Heeft men de planten op tijd en met de noodige voorzorgsmaatregelen binnengebracht, dan zijn zij tegen regen, wind en vorst beveiligd, maar zij missen dan de frissche lucht, waarvan zij gedurende den zomer zoo ruimschoots genoten hebben. Men moet nu in den overgangstijd de planten hierin zooveel mogelijk te gemoet komen, door de vertrekken, zoolang het weer dit toestaat, op de vroeger reeds beschreven wijze te luchten. De vertrekken waarin men de warmere planten laat overwinteren, worden natuurlijk slechts bij fraai weer eenigen tijd midden op den dag gelucht; die, waarin de hardere planten staan, kan men op schoone herfstdagen gerust tot aan den avond openlaten.

De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten.

Wij hebben reeds gezegd, dat men, wanneer men in den herfst de hardere planten wil gaan binnenbrengen, maar al te dikwijls bemerkt geen ruimte genoeg te hebben. Om hieraan te gemoet te komen, om veel planten, die gedurende den winter een minder fraai aanzien krijgen, aan het oog te onttrekken en ze toch goed te laten overwinteren, wordt vaak de kelder gebruikt.

Een kelder, dien men voor het overwinteren van planten wil gebruiken, moet in de eerste plaats goed luchtig zijn, daar anders de planten licht schimmelen. Wanneer men niet in de gelegenheid is hem te verwarmen—en dit is maar hoogst zelden het geval—dan moet hij door zijn inrichting vorstvrij zijn. Ook moet men goede gelegenheid hebben om te luchten en mag er vooral des winters geen water in komen.

Voor overwintering in den kelder komen in de eerste plaats in aanmerking alle grootere kuipplanten, die men des zomers gebruikt om den tuin, het balkon of de waranda te versieren, en die men, om groote kosten te vermijden, niet in een kweekerij ter bewaring wil geven. Tot deze planten behooren o.a. de Laurieren, Granaten, Oleanders, Coniferen, enz. Verder kan men hierin laten overwinteren alle kleinere groenblijvende harde planten, de bladverliezende bloemstruiken, zooals Fuchsia’s, Hortensia’s en Rozen en ten laatste alle tot op den wortelstok afstervende vaste planten. Van de bladverliezende struiken plukt men, alvorens ze in den kelder te brengen, alle bladeren af, aangezien die anders licht tot bederf overgaan, dan schimmelen en zoodoende rotting in de stengels kunnen veroorzaken. De overige planten moet men geregeld nazien en alle bladeren met schimmel direct verwijderen. Van de vaste-planten snijdt men de stengels tot 10 cM. boven den pot af, alvorens ze binnen te brengen.

De planten, die men in den kelder laat overwinteren, moeten daar pas laat ingebracht en er weer zoo vroeg mogelijk uit genomen worden. Men geeft ze zooveel mogelijk frissche lucht, door het keldervenster, indien dit kan, open te laten staan. Daalt de buitentemperatuur onder 35° Fahr., dan is het voorzichtig, het te sluiten. De planten, die in den kelder staan, veroorzaken weinig moeite; men heeft er slechts voor te zorgen, dat zij schoon blijven, dat er geen rotting in ontstaat en dat er zich geen muizen in nestelen. Vinden deze laatste geen ander voedsel, dan kunnen zij, door het afknagen van takjes en knollen, aanmerkelijk schade veroorzaken.

Daar de in den kelder overwinterende planten meestal volkomen rusten, is het natuurlijk onnoodig ze veel, ja dikwijls goed ze in het geheel niet te begieten. In het hoofdstuk over het gieten hebben wij hieromtrent reeds de noodige wenken gegeven; alleen willen wij er hier nog op wijzen, dat men er, bij de bladverliezende planten, op moet letten, of de bast door te groote droogte niet gaat rimpelen.

De in het najaar in den kelder geplaatste planten kunnen reeds vroeg, gewoonlijk tusschen 15 Maart en 15 April buiten gebracht worden, aangezien zij van de nachtvorsten niet lijden. Men doet dit bij voorkeur op een donkeren, regenachtigen, zachten dag. Veel planten, zooals Rozen, Fuchsia’s, Hortensia’s, enz., die men gedurende den winter wil forceeren, brengt men in Januari of Februari uit den kelder in de woonvertrekken. Najaarsbloeisters, zooals Bouvardia’s en Chrysanthemums, die na den bloei leelijk worden en dan volkomen rusten, kunnen dan in den kelder gezet worden en daar tot aan het intreden van haar groeitijd blijven.