Onze bedenkingen tegen de thans bij het beschaafde publiek vrij bekende leer van Darwin zijn de volgende:
1o. Dat de splitsing van diersoorten in andere soorten, van deze weder in nieuwe enz. slechts bij uitzondering kan plaats hebben; namelijk, wanneer de natuur aan eenige diersoort een grooter aantal wijzen van bestaan aanbiedt dan vroeger en anders belet wordt, door dat de voortplanting door paring van mannetjes en wijfjes van diezelfde soort geschiedt.
2o. Dat het uitsterven van diersoorten slechts bij uitzondering kan plaats hebben, omdat, naarmate van zulk eene soort, binnen dezelfde uitgestrektheid grond, het aantal exemplaren vermindert, elk dezer onder levensomstandigheden komt, waarin het beter dan vroeger aan de oorzaken, deszelfs soort trachtende te vernietigen, kan wederstaan.
3o. Dat het geschikter worden der organisatie van diersoorten, voor de omstandigheden waarin zij verkeeren, onmogelijk door de natuurkeus (anders gezegd door de werking van het toeval) kan geschieden.
4o. Dat, zelfs aangenomen, dat de natuurkeus die geschiktwording kon voortbrengen, hierdoor nog niet verklaard zou worden, hoe lagere diersoorten van lieverlede hoogere organisatien verkrijgen, zoodat de leer van Darwin de vraag wat was eerder de kip of het ei, onbeantwoord laat.
Een wel is waar niet volledig, maar desniettemin vrij voldoend antwoord op die vraag wordt toch slechts gegeven, wanneer men kan aantoonen, dat al de thans bestaande diersoorten ontsproten zijn uit een aantal anderen, elk op den allerlaagsten trap van dierlijke organisatie staande.
Deze hypothese heeft reeds, voordat de onderzoekingen der versteeningen, binnen de sedimentaire lagen bevat hare waarschijnlijkheid aangetoond hadden, den bijval van denkers genoten. Ten allen tijden hebben deze toch aangenomen, dat het bijzondere, uit het meer algemeene, het zamengestelde (mits die zamengesteldheid in eene meer kunstige inrigting bestond), uit het meer eenvoudige en het hoogere uit het lagere (zoo dit een even bijzonder karakter als dit hoogere bezat), moest voortspruiten.
De ervaring toonde toch aan, dat in het maatschappelijke en op het gebied van kunst en wetenschap dit steeds het geval was en vandaar, dat men stelde, dat die schoone regels ook op het gebied van het buitenzinnelijke moesten gelden. Raadpleegt men zelfs de Oude Cosmogonien, zoo ontwaart men daarin eene veelal op kinderlijke, wijze ontvouwde grondgedachte, dat er, wel is waar, niet een begin van alles, maar wel van het bijzondere bestaan heeft, namelijk dat de wereld met al derzelver verscheidenheden zich uit een eenvormigen chaos ontwikkeld heeft en dat uit een nevelachtigen en een karakter van algemeenheid bezittende Oergod, de menschen en bijzondere goden voortgesproten zijn.
Men kan gemakkelijk opmerken dat het hoogere, mits dit een even sterk karakter van bijzonderheid als het lagere bezit, dit laatste noodig heeft om te bestaan; terwijl het omgekeerde niet doorgaat.
De vleeschetende dieren verslinden bijv. de gemiddeld minder geestelijk ontwikkeld dan zij zijnde plantetende dieren; terwijl deze zeer gevoegelijk eerstgemelde kunnen ontberen. De kleine vogels voeden zich met de lager dan hen staande insecten, deze weder met microscopische diertjes en zelfs de planten zouden niet kunnen bestaan, zoo er geene microscopische plantjes en diertjes aanwezig waren, terwijl daarentegen deze de hoogere planten wel kunnen missen. Zoo toch het regenwater geene organische bestanddeelen bevatte, zouden er door zouten uit den bodem gevoerd, maar geene nieuwe zouten door ontbinding dier organische bestanddeelen, er ingebragt worden. Deze laatste worden nu geleverd door de microscopische plantjes en diertjes, welke de zouten van den Oceaan binnen hunne ligchamen opnemen, tijdens het waaijen, door de beroering der lucht, hoog in den dampkring gevoerd en aldaar binnen de waterblaasjes en de zich vormende regendruppeltjes opgenomen worden.
Ook op maatschappelijk gebied dient het lagere het hoogere, als onmisbaar hiervoor, vooraf te gaan. Een leger bijv. zonder hoofd vormt wel een ordeloozen troep, maar kan niettemin bestaan, terwijl een officier zonder soldaten onmogelijk zijne functiën kan uitoefenen. Kinderen kunnen des noods van zelf leeren, maar een onderwijzer zonder scholieren onmogelijk als schoolmeester werkzaam zijn.
Tusschen dieren van dezelfde soort en die van naburige soorten bestaat, naar ons inzien, dit onderscheid, dat mannetjes en wijfjes van naburige soorten geene en die van dezelfde soort wel neiging tot geslachtparing bezitten. Hierdoor ontstaan er scherpe kloven tusschen de soorten, omdat bijv. mannetjes, zekere afwijkingen vertoonende van die, welke het beste de eigenaardigheden hunner soort vertoonen en alsware in het midden dier soort staan, in de meeste gevallen met wijfjes, gelijksoortige afwijkingen dier eigenaardigheden niet vertoonende, zullen paren, maar door de organisatie der jongen alsware naar die der exemplaren, zoo als zoo even gezegd is, in het midden der soort staande, teruggebragt zullen worden.
Dit kan vergeleken worden met het rollen van voorwerpen naar de eene of andere teen van een dijk, zoo deze geene kruin bezit en men er die voorwerpen boven laat vallen. De klove tusschen de naburige diersoorten wordt dan bij die vergelijking voorgesteld door de breedte van den grondslag van den dijk.
Bestaat de helft der bevolking van een eiland uit blanken en de andere helft uit negers en is het voor elk hunner onverschillig, of zij al dan niet met kleurgenooten huwen, zoo zal de eerstvolgende generatie gemiddeld bestaan uit een kwart blanken, de helft mulatten en een kwart negers. Dit aantal mulatten bij die generatie kan, wel is waar, minder, maar even goed meer dan die helft bedragen, en bij die generatie is voor elken blanken de kans, om met een kleurgenoot te huwen ¼. Klaarblijkelijk zal dus bij de daarop volgende generatie het aantal zuiver blanken gemiddeld maar ¼ × ¼ = 1/16 van het geheel bedragen. Dezelfde redenering, door ons voor de eerste generatie gedaan, voor de tweede doende, zoo zal men bevinden, dat bij de derde generatie het aantal zuiver blanken maar gemiddeld 1/16 × 1/16 = 1/256 van het geheel zal bedragen.
Dit ook doorgaande voor de negers en voor de kleurlingen, hetzij naar de blanken hetzij naar de negers overhellende, zoo zal men ontwaren, dat na slechts weinig generatien op zulk een eiland enkel mulatten gevonden zullen worden1.
De gevolgen der accidentele oorzaken, waardoor de kinderen eenigzins van hunne ouders en onderling verschillen, worden aldus door eene constante oorzaak tegengewerkt, zoodat die gevolgen (namelijk de afwijkingen van het gemiddelde type) aldus zekere sterkte niet kunnen overschrijden. Bestaat er bij kleurgenooten zekere voorkeur voor elkander, zoo zal het gemengde ras niet zoo snel, maar niettemin bij de achtereenvolgende generatie steeds meer gaan predomineren, (hetgeen bijv. in Brazilië thans schijnt te geschieden). Slechts, wanneer de personen van elke kleur onmogelijk bij die eener andere kleur kinderen kunnen verwekken, zal de onderlinge betrekking der blanken, negers, mulatten enz. bij de achtervolgende generatien dezelfde blijven.
Zoo men aanneemt, dat voor een mannetje eener diersoort, hoe weinig ook, de mogelijkheid bestaat, om neiging tot paring met een wijfje eener naburige soort te bezitten, en om bij dit wijfje vruchtbare jongen te verkrijgen, zullen de bastaarden, ofschoon zeer langzaam, in aantal toenemen, en eindelijk, al is het ook na zeer langen tijd, alleen bestaan. Elk dier beide soorten bezit echter nog andere naburen, waarmede iets dergelijks geschieden kan, zoodat bijv. n diersoorten in n - 1 tusschensoorten zullen veranderen. Deze zullen op dergelijke wijze in n - 2 nieuwe tusschensoorten omgezet worden, en zoo voortgaande, er na een uiterst langen, maar eindigen tijd, slechts eene resulterende diersoort bestaan, hoe ver ook de beide uiterste soorten der primitieve reeks van elkander stonden.
Deze werking (de tegengestelde van die door Darwin aangenomen) wordt echter tegengewerkt, doordat er eene constante oorzaak bestaat, deels door tusschenkomst van den wil der dieren (de stelling van Lamarck), doch grootendeels buiten die tusschenkomst, gedurende het leven de organisatie der dieren, voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, geschikt trachtende te doen worden.
Gesteld bijv. dat bij het op blz. 6 aangegeven voorbeeld de kinderen steeds de levenswijze hunner vaders volgen en dat hierdoor gedurende hun leven hunne kleur, trekken enz. tot die dier vaders naderen (hetgeen overeenkomt met de nadering der bastaarden gedurende hun leven tot die der twee stamdiersoorten wier levenswijze zij kiezen), zoo zal bij de eerstvolgende generatie de helft der mulatten, gedurende den tijd tusschen hunne eigen geboorte en die hunner kinderen verloopen, de blanke en de andere helft de negertype wat naderen. Hetzelfde bij de volgende generatie plaats hebbende, zoo zal er eindelijk eene generatie ontstaan, waarvan de beide helften in uitzigt zoo weinig van elkander verschillen, dat de zoo even gemelde neiging der kinderen om gedurende hun leven tot den type hunner vaders te naderen, even sterk is als die om, (door voor hunne geboorte wat van de type hunner moeders over te nemen), alsdan van die hunner vaders af te wijken.
Klaarblijkelijk zal, wanneer de zucht tot paren van individuen, tot verschillende rassen behoorende, zwakker is, dan bij individuen van hetzelfde ras, dit tegen elkander opwegen van zooeven gemelde constante oorzaak en die op blz. 6 aangegeven, vroeger en bij grootere verschillen tusschen de na eenige generatiën bestaande rassen bestaan. Olie tracht bijv. steeds boven water te drijven, en roert men beide die vochten, zoo zal eindelijk de vermengende werking dier beroering gebalanceerd worden door de neiging der olie om op- en die van het water om nederwaarts te gaan. Hoe zwakker nu die beroering (vergelijkbaar met de werking der paring tusschen individuen van verschillend ras) is, hoe zuiverder de olie in het bovenste en het water in het onderste deel van het vat zullen zijn.
Met de kloven tusschen de diersoorten kunnen vergeleken worden, die tusschen de volken en die tusschen de belijders der verschillende godsdiensten bestaande.
Het geriefelijke voor menschen, om de eigenaardigheden van een of ander volk aan te nemen, of om eenige bestaande godsdienst te belijden en aldus niet, zoo als bij het geïsoleerd staan tusschen twee volken, of twee godsdiensten, voor een ieder een vreemdeling te zijn, is toch met de voorkeur der mannetjes voor de wijfjes van de meest op hen gelijkende soort te vergelijken.
Naarmate zekere verschillen in organisatie de neiging tot geslachtparing sterker verzwakken, zullen er kleinere maar meer diersoorten bestaan en, naarmate, bij minder beschaving, het verkeer tusschen de menschen en hun geest van zamenwerking geringer is, er meer natiën bestaan.
Volken ontstaan, doordat niet ieder mensch zijne afzonderlijke wetten kan bezitten en, zonder aansluiting aan anderen, voor zijne veiligheid kan zorgen; godsdienstige gezindheden, wegens de behoefte om gemeenschappelijk de eerdienst te verrigten; diersoorten, doordat de neiging tot paring niet reeds door de minste verschillen in organisatie (de sexuele niet in aanmerking genomen), uitgedoofd wordt en, doordat de voortplanting niet door hermaphroditen plaats heeft; doch, terwijl tot eene natie, of eene religie menschen kunnen behooren van zeer verschillende geestelijke, ontwikkeling en overigens onder verschillende levensomstandigheden verkeerende, is zoo iets bij de dieren eener zelfde soort veel minder mogelijk.
Voor de verdeeling eener diersoort in verschillende rassen dienen deelen er van onder andere levensomstandigheden te gaan verkeeren (hetgeen met het ontstaan van zelfstandige koloniën bij de volken te vergelijken is). De neiging der organisatiën der dieren, om voor de levensomstandigheden, waarin deze dieren verkeeren, geschikt te worden, kan dan maken dat die rassen zooveel van elkander gaan verschillen, dat de neiging tot paring tusschen hen wordt uitgebluscht, even als bijv. tusschen de Engelsche en Amerikanen het gevoel van gemeenschappelijke nationaliteit.
Gaan echter die kortelings ontstane diersoorten later weder onder dezelfde omstandigheden verkeeren, en met elkander vermengd leven, zoo zal noodwendig het omgekeerde van zooeven moeten plaats hebben.
Noodigt de aardoppervlakte de dieren steeds tot evenveel verschillende wijzen van bestaan uit, zoo zullen wel is waar accidentele oorzaken splitsing van soorten teweeg kunnen brengen, doch zamensmelting hier van gemiddeld even menigvuldig plaats hebben, doch, wanneer die mogelijke wijze van bestaan menigvuldiger worden, de soorten dit insgelijks doen.
Dit laatste schijnt nu het geval geweest te zijn. Primitief was toch de aardbodem overal met water van even groote diepte en even hooge temperatuur bedekt en hield de met dikke vochtblaasjes vervulde lucht de aarde in de schaduw gedompeld. Later ontstonden droog land, stranden, moerassen, bosschen en meer of minder diep en heet water, nog later de bloemen ontluikende zonneschijn, groote hoogten, diepe valleijen, uitgestrekte landen, groot verschil in gewassen en in temperatuur enz.
Men denke voorts niet, dat enkele exemplaren eener diersoort, in een ander land en klimaat overgebragt, zich aldaar steeds sterk vermenigvuldigen. Dit is somtijds het geval geweest, zoo als bijv. met de paarden en runderen in Z. Amerika, omdat deze dieren aldaar in zeer gunstige omstandigheden verkeerden en de beschermende hand van den mensch zich niet terstond van hen aftrok, doch in veel andere gevallen zijn de per scheepsgelegenheid naar vreemde gewesten overgebragte tamme dieren aldaar uitgestorven.
Terwijl geheel gemis aan neiging tot paring maakt, dat, ofschoon op verschillende wijze levende dieren van verschillende soorten, met elkander vermengd, dezelfde landstreek kunnen bewonen, zonder dat die soorten te zamen smelten, is dit niet zoo goed mogelijk bij dieren van aangrenzende rassen, omdat tusschen deze er nog eenige neiging tot paring bestaat.
Bij die rassen zal dan iets plaats hebben overeenkomende met hetgeen op blz. 8 aangevoerd is, namelijk, er zal na een aantal generatiën twee verscheidenheden, minder dan de twee rassen, toen deze met elkander vermengd gingen leven, van elkander verschillende, ontstaan.
Zoo men het aantal der tusschen die beide verscheidenheden gelegen kruislingen vermenigvuldigt met derzelver afwijkingen van de eene of andere verscheidenheid, zal eenmaal dit product niet meer vergrooten, door het geboren worden van nieuwe kruislingen, als verminderen, doordat gedurende hun leven al die kruislingen, deels tot de type der eene, deels tot die der andere verscheidenheid naderen.
Laatstgemelde terugbrenging ontstaat, doordat de dieren, het zuivere type der verscheidenheden m bezittende voor de levensomstandigheden waarin zij verkeeren (niet meer zijnde die der beide primitieve rassen) beter georganiseerd zullen zijn dan die kruislingen.
De dieren schikken niet alleen hunne organisatie naar de levensomstandigheden waarin zij verkeeren, maar zoeken tevens naar levensomstandigheden voor hunne organisatie geschikt (even als bijv. een plotseling verrijkt mensch, niet slechts zijne behoeften grooter doet worden, maar tevens door werkeloosheid en zorgeloosheid zijne voor hem te aanzienlijke inkomsten vermindert).
De kruislingen, door paring dier beide primitieve rassen n ontstaan, zullen dit ook eenigzins doen en aldus wel is waar, zich niet geheel in voor hunne organisatie geschikte levensomstandigheden bevinden, maar ook niet meer geheel in die der uiterste van hen het meeste afwijkende leden van een dier beide primitieve rassen verkeeren.
Voor zooverre nu die kruislingen door achtervolgende paringen de organisatie dier uiterste leden dier beide rassen meer tot elkander doen naderen, moet klaarblijkelijk, het opzoeken van levensomstandigheden voor de veranderde organisatie meer geschikt, de levensomstandigheden dier uiterste leden der beide rassen n meer tot elkander doen naderen en deze alsdan in de bovengemelde verscheidenheden m veranderen.
Hiermede kan vergeleken worden, hetgeen bij twee volken, in karakter, geest, beschaving enz. van elkander verschillende en elk voor die qualiteiten geschikte instellingen bezittende, plaats heeft, wanneer zij met elkander in aanraking komen. Alsdan nemen zij wat van elkanders zeden en qualiteiten over, beginnen aldus wat meer op elkander te gelijken en schikken tegelijk hunne instellingen naar hunne nieuwe qualiteiten.
Even als echter zulk een verkeer tusschen twee volken, hen slechts tot zekeren graad meer op elkander doet gelijken, zoo zal van de bovengemelde verscheidenheden m de gelijkenis zekeren grens, bepaald door de sterkte hunner onderlinge paring, niet kunnen overschrijden. Niet alleen zoeken, wanneer eene diersoort door eene andere teruggedrongen wordt en zij in aantal individuen vermindert, deze (zie blz. 11) plaatsen op, waar zij beter dan vroeger het bestaan hunner soort kunnen verdedigen, maar bij de door overmaat van geboorten boven sterfgevallen in aantal toenemende indringers heeft het tegenovergestelde plaats. Hoe verder deze aldus dringen, hoe moeijelijker dit geschiedt, zoodat er eindelijk een toestand van evenwigt zal ontstaan waarbij aanval en verdediging tegen elkander opwegen. Het is bijv. mogelijk, dat de Indianen der Vereenigde Staten, in aantal zeer verminderd, zich eindelijk binnen voor den landbouw van onwaarde en weinig genaakbare streken als jagers en visschers zullen kunnen staande houden, en dat de olm en andere grotdieren vroeger buiten de holen leefden, maar in deze alsware teruggetrokken zijn, eigenschappen, hen geschikt makende, om die duistere verblijfplaatsen te bewonen, verkregen hebben, en dat thans bij die diersoorten het aantal geboorten tegen dat der sterfgevallen opweegt.
Niettegenstaande sedert eenige eeuwen binnen het beschaafde Europa het schadelijke wild met vuurwapens bestreden wordt, weet het zich, in aantal verminderd, binnen weinig genaakbare plaatsen vrij wel staande te houden.
Dat, wanneer hoogere rassen met lagere in aanraking komen, laatstgemelde uitsterven, is onjuist. Het ongedierte bijv. volhardt met onze ligchamen in aanraking te komen en sterft niet uit. Somtijds worden de bewoners van eenig land door veroveraars hiervan aan zich dienstbaar gemaakt en sterven zij, zooals bijv. de Heloten in het Oude Lacedemon, niet uit. Het lot der plantetende dieren, na de optreding onder hen der carnivoren, kan hiermede vergeleken worden.
Tijdens den inval der Anglo Saxen in Groot-Brittanje zijn de Celten door hen teruggedrongen, maar niet uitgeroeid, en die laatste volkstam neemt thans in Wallis in aantal individuen niet af, maar integendeel toe.
Een deel der Indianen van Mexico heeft zekeren graad van beschaving verkregen en, in plaats van uit te sterven, neemt het in invloed toe en heeft zelfs iemand uit zijn midden den presidentszetel beklommen.
Door opneming in andere stammen, door vermenging hiermede, door verandering van naam en gewoonten kunnen buitendien volkstammen schijnbaar van den aardbodem verdwenen zijn en wegens het verkrijgen van andere organisatien dit met de diersoorten der voorwereld insgelijks het geval geweest zijn.
Uitsterving van diersoorten en menschenstammen kan naar ons inzien slechts bij uitzondering en wel voornamelijk, daar waar geschikte ruimten om er binnen terug te trekken en verschil in localiteiten gemist worden, plaats hebben.
Wordt ergens het klimaat kouder, zooals bijv. dat van Europa gedurende en na het tertiaire tijdperk, zoo zal de vegetatie er minder weelderig worden en aldus minder voedsel aan de plantetende dieren aanbieden. Een deel hiervan zal zich alsdan terugtrekken naar warmere oorden en van de overblijvende de organisatie voor het koudere klimaat van lieverlede geschikt gemaakt worden.
Voor de vleeschetende dieren zal dit eveneens doorgaan, aangezien de veelvuldigheid van derzelver voorkoming van die der plantetende afhangt, en zoo iets is nu vergelijkbaar met hetgeen in eenig door een vreemden stam veroverd land plaats heeft, wanneer voor een deel der inwoners émigratie mogelijk is. Dit deel gaat alsdan in een vreemd land hetzelfde vrije leven van vroeger voeren; terwijl de achterblijvers zich onderwerpen en voor den slavenstaat geschikt worden.
Zoo bij elke generatie een ieder slechts wist hetgeen hij van de vorige generatie leerde en er niets van zijne eigen vinding bijvoegde, zou de wetenschap gedurende de achtereenvolgende generatien steeds achteruit gaan, daar toch de onderwijzers slechts een deel hunner kennis in den geest hunner leerlingen kunnen doen overgaan.
Nu verkeert misschien de overdragt der deugd der organisatie van ouders op hunne kinderen, gedurende het vruchtleven dezer, in een geval met dat van het onderwijs vergelijkbaar. Deugd veronderstelt toch iets dat verstoorbaar is en dat aldus eene neiging bezit om te verminderen, wanneer er toevallige veranderingen bij ontstaan, zooals bijv. bij de bijna goed gerangschikte letters van een woord, zoo men eenige dier letters blindelings verzet. De kans, dat van de juiste rangschikking verder afgeweken wordt, is alsdan veel grooter, dan die dat er toe genaderd wordt.
Om zelfs op eene zeer gebrekkig wijze te bestaan, moeten de dieren eene organisatie bezitten, zoo weinig van die het beste voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt, afwijkende, dat men toevallige afwijkingen er bij naar de eene of andere zijde, kan vergelijken met de blindelingsche verzettingen der bijna goed gerangschikte letters van eenig woord. Iets waarvoor grootere kans bestaat heeft nu op den langen duur zoo goed als zeker het veelvuldigste plaats, zoodat, zoo geene constante oorzaak zulks tegenging, de herhaalde toevallige afwijkingen der jongen van hunne ouders na eene reeks van generatien de organisatie der dieren zoo slecht zou maken, dat zij onmogelijk meer zouden kunnen bestaan.
Kan die constante oorzaak nu deze zijn, dat de zeer enkele toevallig wat beter dan hunne ouders georganiseerde jongen, gemiddeld meer nakomelingen dan de andere verkrijgen en zulks bij de volgende generatien insgelijks liet geval is (de zoogenaamde Darwinsche natuurkeus).2
Naar ons inzien niet. Wat zou bijv. Darwin zeggen, zoo men voorstelde de Engelsche wetten voor den veranderenden maatschappelijken toestand van Engeland geschikt te maken door de volgende politieke keus? De ministers stellen in den blinde gedane wijzigingen der wetten voor en het parlement neemt onder die geheel ondoordacht en dus natuurlijk slechte wijzigingen betrekkelijk betere aan, naarmate eene grootere meerderheid er zich voor verklaart. Die meerderheid bij die politieke keus zou dan overeenkomen met bovengemelden overheerschenden invloed op de nakomelingschap der betrekkelijk beter georganiseerde dieren. Klaarblijkelijk zou zulk eene politieke keus van de Engelsche wetten weldra louter onzin maken.
Hoe volmaakter de organisatie van een dier is, hoe meer gemiddeld die zijner jongen voor de zijne zal onderdoen, want waar het meeste te bederven valt, zal de blinde werking van het toeval gemiddeld het meeste bederven. Na eenige generatien zal aldus, hetgeen bij sommige individuen der eerste generatie eene deugdzame eigenaardigheid was, van lieverlede verbasteren en eindelijk niet meer deugdzaam zijn. Bij de generatie, waarbij dit laatste het geval is, bezitten de die eigenaardigheid vertoonende individuen aldus niets meer voor boven hunne soort en tevens tijdgenooten en zullen zij aldus gemiddeld niet meer jongen dan deze verkrijgen. Om dit te vergelijken met een voorbeeld op zedelijk gebied, zoo merken wij op, dat iemands zuinigheid, door zijne nakomelingen op eene onberedeneerde wijze nagevolgd, bij hen zal ontaarden in eene soort van gierigheid, in benarde omstandigheden niets voor hebbende boven gemis van zuinigheid.
Gaat eenige diersoort een kouder klimaat bewonen, zoo zullen de individuen er van, met eene dikkere vacht dan de anderen voorzien, met betrekking tot de nieuwe omstandigheden, waarin zij verkeren, volmaakter dan deze zijn, zoo hunne gansche organisatie in harmonie is met die dikkere vacht. Zoo echter bij hunne nakomelingen die harmonie van lieverlede verdwijnt, kan het zijn, dat het nut dier overgeërfde dikkere vacht zulks ook doet.
Wordt bijv. een zwaarder pantser bij een oorlogschip aangebragt, zonder dat de constructie en bevrachting er van met dit zwaardere pantser in harmonie gebragt worden, zoo zal zulk een vaartuig te diep in het water zinken, een tragen gang bezitten, door de geschutpoorten water ontvangen en in het gevecht ten slotte welligt minder goed voldoen dan toen het nog ligter gepantserd was.
Darwin gewaagt van de accumulatie van gelijksoortige wijzigingen gedurende achtereenvolgende generatiën. Zoo echter de deugd dier wijzigingen niet gepaard is met eene constante oorzaak, waardoor die accumulatie plaats heeft, wordt deze toevallig en onwaarschijnlijk. Ziet men bijv. de nakomelingen van twee blonde menschen gedurende achtervolgende generatiën steeds blonder worden? Neen het tegendeel heeft eerder plaats, want, zelfs zoo de voortplanting door hermafroditen geschiedde, zou die toevallige accumulatie, evenmin plaats hebben, als het blindelings achtereen trekken van witte ballen uit eene bus, evenveel ballen van die kleur als zwarte ballen bevattende.
Bloedverwanten zullen dikwijls gelijksoortige eigenaardigheden bij hunne organisatie bezitten, en ware het nu dat uit een de opeenstapeling hiervan bij de latere generatiën voor het menschdom uit een physiologisch oogpunt niet nadeelig ware, zoo zouden huwelijken tusschen bloedverwanten onmogelijk eene ligchamelijke verbastering van het nageslacht kunnen voortbrengen. Dit wordt echter beweerd het geval te zijn en zou gedeeltelijk ontstaan kunnen, doordat alsdan niet, zooals bij huwelijken tusschen geheel vreemden, man en vrouw nog al vaak tegenovergestelde vicieuse afwijkingen van eene goede organisatie bezitten, en bij hunne kinderen die tegenovergestelde gebreken elkander alsware opheffen.
Dit kan ook de reden zijn der deugd der organisatie van kruislingen van twee tamme rassen. Het paren bijv. van langbekkige en kortbekkige duiven kan goedbekkige jongen in het leven roepen.
In den wilden staat zijn het alleen accidentele oorzaken, welke de organisatie der dieren minder geschikt voor de levensomstandigheden dezer maken.
In den tammen staat daarentegen leidt hiertoe eene constante oorzaak, namelijk de kunstkeus. Terwijl aldus in den wilden staat twee rassen van elkander onderscheiden zijn, omdat zij niet in dezelfde omstandigheden verkeeren, zijn in den tammen staat twee door dwang gevormde verscheidenheden aan dezelfde omstandigheden blootgesteld. Deze kunnen nu voor den tammen kruisling nog gunstig zijn, terwijl de wilde kruisling geene voor zijne organisatie geschikte levensomstandigheden kan vinden.
Op blz. 16 hebben wij aangegeven, hoe eene gunstige wijziging, gedurende de overerving er van, bij de achtervolgende generatiën door de werking van het toeval hare deugd kan verliezen. Bij de kunstkeus is dit bij eene opeenstapeling van gelijksoortige wijzigingen insgelijks het geval voor de dieren zelf, doch niet voor het gebruik, welke wij van deze wenschen te maken.
Wenscht men bijv. het op blz. 16 gemelde met een zwaarder pantser voorziene oorlogschip als drijvende batterij slechts binnengaats te gebruiken, zoo kan die onberedeneerde verzwaring van het pantser nuttig zijn, doch zij is dit dan slechts, omdat men aan het schip eene bestemming geeft in strijd met zijne primitieve.
Een vleezig en zelfs nog al vet beest kan zeer gezond zijn, terwijl zijne nakomelingen, waarbij die eigenaardigheid voortgeplant is, zulks niet meer zijn, en zelfs zoo deze nog vleeziger en vetter dan hun voorzaat worden, het ware wanstaltigheden worden. Daar echter, zie blz. 7, eene constante oorzaak gedurende het leven der dieren die wanstaltigheden tracht te verminderen, en aldus verwilderde tamme rassen de organisatie hunner wilde voorouders tracht terug te geven, kan de uit ons oogpunt beschouwde veredeling der rassen, door middel der kunstkeus, slechts tot zekere hoogte gedreven worden.
Die grens ligt echter verder zoo men de levenswijze dier dieren geschikt tracht te maken voor de eigenaardige organisatie, welke zij verkregen hebben, of zoo men deze door zeker régime te voorschijn tracht te roepen. De Engelschen noemen dit laatste entrainement en passen dit niet alleen op de tamme dieren, maar ook op menschen toe, die zij tot jockeys, boxers enz. bestemmen.
De kunstkeus alleen is even onmagtig om dieren voor de hen door ons menschen opgelegde levensomstandigheden geschikter te maken, als de natuurkeus om hen geschikter te doen worden voor de omstandigheden van het vrije natuurleven.
De sexuele keus, waardoor de best georganiseerde mannetjes, vaders van meer jongen worden dan de anderen, kan voor de verbetering der organisatie der latere generatiën geen ander gevolg hebben, dan hetgeen eigenlijk (zie de noot dier blz.) op blz. 15 gesteld is, namelijk dat de best georganiseerde hermaphroditen meer nakomelingen dan de anderen bekomen.
Gewis zou dit van elke opvolgende generatie de gemiddelde organisatie der exemplaren iets beter doen worden, dan die der voorgaande en zoo voort, totdat (bij niet verandering der levensvoorwaarden), de volmaaktheid bereikt zou zijn, zoo de jongen (behoudens het onderscheid wegens verschil in leeftijd) volmaakt naauwkeurige copijen hunner ouders waren. Alsdan zou echter bij elke generatie het eene individu geene betere organisatie dan het andere kunnen bezitten dan door omstandigheden na de geboorte er van plaats hebbende en wel door omstandigheden de vrucht van eene constante oorzaak, de organisatie der dieren trachtende te verbeteren, daar, even goed na de geboorte als gedurende het vruchtleven, afwijkingen, door het toeval teweeg gebragt, (zie blz. 15) gemiddeld ten nadeele dier organisatiën zullen strekken.
Het schijnt dat, naarmate dieren jongen kunnen verwekken, beter georganiseerd voor de levensomstandigheden hunner ouders, de vruchtbaarheid dezer laatste gemiddeld wat grooter is. Van daar dat gekruist wordende soorten en bastaarden in het algemeen onvruchtbaar zijn en gekruist wordende tamme rassen en tamme kruislingen in het algemeen in vruchtbaarheid uitmunten (zie blz. 17). Dit zou maken, dat bij de opvolgende generatiën, de op blz. 15 gemelde overheerschende werking der goed georganiseerde individuen, wat grooter werd, doch desniettemin zal de natuurkeus evenzeer onvoldoende blijven, om de organisatie der diersoorten voor hunne levensomstandigheden geschikter te maken, als bij de politieke keus, op blz. 15 gemeld, het bestaan eener wat sterkere meerderheid om de verbastering der wetten te verhinderen.
Ook op zedelijk en maatschappelijk gebied tracht eene constante oorzaak het een voor het ander geschikt te maken.
Verarmde menschen trachten bijv. hunne behoeften te verminderen, plotseling rijk gewordene, om zich de beschaving der vermogenden te geven, handwerkslieden om hun ambacht beter uit te oefenen, gehuwden, wier huisgezin vergroot, om ruimer te wonen, volken, betrekkelijk hunne regering in beschaving gestegen, om eene vertegenwoordiging te verkrijgen enz.
Gebrek aan goeden wil en traagheid kunnen de neiging der menschen, om alles ten beste voor zich te schikken, om zich naar de omstandigheden te voegen en voordeelige omstandigheden op te zoeken, gering maken, doch, zoolang de menschen zich niet geheel blindelings aan hunne hartstogten overgeven, bestaat die neiging bij hen. Zou deze nu, zelfs bij zeer groot gebrek aan doorzigt der menschen, ten gevolge hebben, dat deze zich werkelijk voor hunner levensomstandigheden geschikt maken? Naar ons inzien wel, zoo de werking der accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden vroeger opgedane ondervinding niet somtijds grootendeels nutteloos maakten en aanleiding tot dwalingen gaven. Bleven die omstandigheden steeds dezelfde, zoo zou zelfs de domste mensch, hoe langzaam ook, juist te weten komen, wat voor hem nuttig en wat voor hem schadelijk is, en het begrijpen hiervan, kort na verandering dier omstandigheden, stelt dan ook daar, hetgeen men doorzigt noemt.
Zelfs tracht in het maatschappelijke het eene voor het andere geschikt te worden door de collectieve werking der menschen, en zonder dat deze zulk een doel voor oogen hebben. Dit is bijv. het geval met het verdwijnen van primitief onregtvaardige toestanden, zoo de omstandigheden niet zoodanig veranderen, dat, bij het niet bestaan dier neiging tot geschiktwording, die onregtvaardigheden sterker worden. Wordt bijv. een volk in slavernij gedompeld en verdierlijkt het hierdoor zoodanig, dat zelfs de minste vrijheid tot ledigheid en losbandigheid aanleiding geeft, zoo is die toestand van slavernij niet langer iets onregtvaardig.
Neemt echter daarna de graad van beschaving tegelijk bij de meesters en slaven toe, zoo wordt die slavernij weder een kwaad, omdat willekeurige behandeling dit bij een hoogeren graad van beschaving is. De heerschappij, door de meer geestelijk ontwikkelden over de betrekkelijk hen minder beschaafde menschen uitgeoefend, dient alsdan niet in sterkte, maar wel in karakter te veranderen.
Zoo thans eene patentbelasting ingevoerd werd, zouden de winkeliers en industriëlen onregtvaardig behandeld worden, doch later de tijd die onregtvaardigheid van lieverlede doen verdwijnen, daar alsdan het aantal winkeliers en industriëlen zoo lang zou verminderen, totdat elk derzelve, betrekkelijk den bloei van het gansche land, evenveel zou verdienen als voor den invoer dier belasting. Wij zeggen betrekkelijk den bloei van het gansche land, omdat die patentbelasting handel en industrie zou doen inkrimpen en aldus dien bloei tot zekeren grens zou doen verminderen. Dit echter niet in aanmerking nemende, zoo zou alsdan, bij overname eener zaak, de kooper er zooveel minder voor betalen, dan voor den invoer dier patentbelasting, als ten bedrage dezer belasting gekapitaliseerd, en het oprigten eener nieuwe zaak, slechts dan plaats hebben wanneer, bij gelijke kosten van oprigting, de winsten, na aftrek der patentbelasting, even groot als de winsten voor den invoer dier belasting zouden worden.
Wanneer eene partij, hoe zwak ook, gegronde grieven bezit, zal zij trachten deze te doen verdwijnen, en er hiervoor aldus eene constante oorzaak bestaan. De veroordeelen der meerderheid, waardoor deze de schade aan het publiek belang door het bestaan dier grieven teweeggebragt, over het hoofd ziet, worden daarentegen door den tijd verminderd.
Ook bij de dieren, ofschoon minder dan bij ons menschen, en minder bij de laag dan bij de hoog ontwikkelde dieren, maakt de werking der accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden, dat de op blz. 7 gemelde poging tot geschiktwording hunner organisatiën gedurig tegengewerkt wordt, en aldus slechts tot zekeren grens haar doel kan bereiken. Hoe digter toch bij de volmaaktheid de organisatie van een dier is, hoe zwakker zooeven gemelde poging tot verdere volmaking er van zal zijn, (even als bijv. iemand, die bijna het noodige bezit, minder ijverig zal zijn om het alsdan nog ontbrekende te bekomen), en hoe meer die variatien der omstandigheden die organisatien onvolmaakter zullen trachten te doen worden.
Er zal aldus zekere nadering tot den volmaakten toestand zijn, waarbij die twee tegengesteld werkende oorzaken even krachtig zullen werken.
Bij dien toestand van evenwigt zal de nadering tot de volmaaktheid der organisatie der dieren minder zijn, wegens het niet steeds op aarde voortleven derzelfde individuen. Op blz. 15 hebben wij toch gezegd, dat de jongen slechts gedeeltelijk de deugdzame eigenschappen der organisatie hunner ouders erven, hetgeen beschouwd kan worden te ontstaan door de werking van accidentele omstandigheden gedurende het vruchtleven.
De organisatien der dieren en planten trachten ook voor periodiek veranderende omstandigheden geschikt te worden. De dieren hebben bijv. hun slaaptijd geregeld naar de lengte der nachten en de op hooge breedten groeijende planten, kunnen de winterrust niet ontberen.
De geschiktwording dier organisatie geschiedt echter traag, zoodat eerst langen tijd, nadat de nieuwe levensomstandigheden ontstaan zijn, zij den hierboven gemelden niet te overtreffen graad van geschiktheid kan voortbrengen. De planten bijv. zijn ontstaan, terwijl op alle breedten er eene vochtige en eene hooge temperatuur bezittende lucht, ofschoon welligt weinig of geen zonneschijn bestond, en welligt is de sedert verloopen tijd nog te kort geweest om die planten in koude klimaten weelderig te doen groeijen.
Accidentele oorzaken kunnen iets kenmerkend bij de organisatie van vele individuen eener diersoort voortbrengen en door overerving zullen zulke meestal vicieuse eigenaardigheden zich bij de opvolgende generatiën voortplanten. De op blz. 7 gemelde geschiktmakende oorzaak zal dan wel is waar zulke toevallige eigenaardigheden van lieverlede doen verdwijnen; doch tevens sneller hen voor die dieren nuttiger maken en alsware eene primaire en tegelijk eener snellere secundaire verbetering van de organisatie dezer dieren voortbrengen.
De wapens der dieren bestaan bijv. in klaauwen, hoeven, horens, schilden enz. en voor de gemiddelde levensomstandigheden van elke diersoort kan eene zekere verhouding tusschen den graad van ontwikkeling van elk dier wapens de voordeeligste voor haar zijn. De verschillen der levensomstandigheden der diersoorten wettigen echter niet zulke verschillen in bewapening en in het algemeen in uitzigt, als men bij die soorten opmerkt. Die groote verschillen moeten aldus de vruchten van accidentele omstandigheden zijn, doch terwijl de oorzaak, waardoor de organisatien dier soorten voor derzelver levensomstandigheden geschikt worden, bovengemelde verhoudingen tracht daar te stellen, verbetert zij tevens elk dier wapens en plooit zij er na de levenswijze van derzelver dragers.
Op maatschappelijk gebied is dit eveneens het geval. Thans en bij toekomstige hoogere trappen van beschaving nog meer, zal bijv. gelijkheid van munt in alle beschaafde staten iets zeer wenschelijk zijn. In sommige Europesche staten is men dan ook reeds begonnen hier werk van te maken, doch, waar men nog ter naauwernood aan zoo iets denkt, tracht men de munt tiendeelig te maken en aldus eene secundaire verbetering daar te stellen.
Als zulk eene secundaire verbetering kan thans gelden, het oprigten van goede bewaarscholen en als primaire verbetering het onderwijs der kleine kinderen door hunne moeders.
Hoe grooter de gemeenschap tusschen de volken zal worden en hoe hooger de wetenschap zal staan, hoe meer de behoefte aan eene universele wetenschappelijke taal gevoeld zal worden. Die primaire verbetering zal, hoe langzaam ook ontstaande, niet uitblijven, doch als eene secundaire verbetering kan de beschaving der verschillende volkstalen en het geschikt maken dezer voor de uitdrukking van abstracte en wetenschappelijke denkbeelden aangemerkt worden. Dit toch is bij den thans bestaanden toestand het eenige middel om de wetenschap en de bellettri in elk rijk binnen een uitgestrekten kring te verbreiden.
Gedurende de middeleeuwen diende het Latijn als wetenschappelijke taal, omdat de moderne talen toen nog in staat van kindschheid verkeerden. Thans zou het eerste door zoo even gemelde secundaire verbetering tegengewerkt worden, terwijl zulk eene aanwending van het Latijn, voor het voortbrengen der primaire verbetering van gering nut zou zijn, omdat het nationale gevoel der volken nog te sterk is, om hen die laatste verbetering sterk te doen wenschen en om hen de volkstalen tot ondergeschikte rollen te doen bestemmen3.
Dat toevallig de Europesche volken gedurende de middeleeuwen het Latijn konden aanwenden om wetenschappelijke denkbeelden uit te drukken, heeft echter het hier voor geschiktmaken der moderne talen vertraagd. Hiermede kan nu vergeleken worden de hulp door den wind en de insecten aan de planten, ter overbrenging van het stuifmeel van de meeldraden der mannelijke bloemen naar de stampers, verleend. Deze hulp maakt dat de oorzaak, de organisatie der planten verbeterende, slechts weinig tracht om de onderlinge plaatsing der meeldraden en stampers doelmatiger te doen worden.
Voor het eten van elk der onderscheidene soorten van organische stof, zooals bladeren, vruchten, dood en levend vleesch enz. zijn er diersoorten geschikt geworden. Bestonden er alleen plantetende dieren, zoo zou het totale aantal dieren veel geringer dan thans zijn, evenals bijv. Engeland minder bevolkt zou zijn, zoo van deszelfs rijkdom aan delfstoffen geen gebruik gemaakt werd. Onwaar is het echter dat, bij gemis van carnivoren, de plantetende dieren steeds menigvuldiger zouden worden.
Hoe hooger de stand van beschaving der menschen zal worden, hoe minder het klimaat op hunne organisatie van invloed zal zijn en dus hoe meer zij in alle landen op elkander zullen gaan gelijken. Wanneer in de verre toekomst dit in hooge mate het geval zal zijn, zal welligt gelijkheid in geestontwikkeling grootendeels de keuze bij huwelijken bepalen.
Het kan zijn dat de neiging, om voor de bestaande omstandigheden eene geschikte organisatie te verkrijgen, ook bestaat bij organische wezens andere hemelbollen bewonende, hoe of de natuur dier bollen ook zijn moge, en dus welke omstandigheden die wezens er ook mogen aantreffen. Naarmate die omstandigheden op zulk een bol meer verscheiden en veranderlijk zijn, zullen de er op wonende wezens, naar aanleiding van hetgeen op blz. 20 en 22 gezegd is, minder geschikt voor die omstandigheden zijn en aldus meer lijden, maar tevens (zooals later verklaard zal worden), meer in geestontwikkeling toenemen.
Onze aarde kan nu misschien, wegens de ongelijkheid in verhitting welke zij, wegens hare betrekkelijke nabijheid van de zon ondervindt en, wegens de verschillen in aantrekking door zon en maan op de onderscheidene deelen van hare gesmolten kern uitgeoefend, betrekkelijk andere hemelbollen eene sterke verscheidenheid en veranderlijkheid van omstandigheden voortbrengen. Dat de zon bestemd is, om haar licht en warmte mede te deelen is evenmin juist, alsdat de menschen voor het hun bloed opzuigend ongedierte bestemd zijn, en het is zelfs de vraag, of het bezit der planeten van zwak elliptische banen en van eene betrekkelijk digte groepering om de zon, van geen accidentelen en tijdelijken aard is, en, of die planeten zich niet eenmaal zullen verspreiden en in derzelver normalen toestand zeer lange en zeer sterk elliptische banen om elkander, of om andere hemelligchamen bezitten. Alsdan dienen, derzelver bewoners zich naar geheel andere omstandigheden, dan de thans er bij-bestaande (waaronder behoort de gemiddelde uitwerking van de gesmolten aardkern op de aardkorst) te schikken.
Tegelijk met de oorzaak, de organisatie der dieren, voor de levensomstandigheden, waarin deze verkeeren (hetzij daardoor die organisatie hoog of laag, ingewikkeld of eenvoudig wordt) geschikt, of anders gezegd die dieren betrekkelijk volmaakter trachtende te doen worden, poogt eene tweede constante oorzaak die organisatiën hooger op te voeren, dat is hen passende voor de stijgende geestontwikkeling der hen bezittende wezens te doen worden. Die tweede oorzaak vermindert meer de betrekkelijke volmaaktheid dier organisatiën, naarmate zij sterker gedrongen wordt, te werken, evenals bijv. het sterker groeijen van jongelieden deze teringachtiger doet worden.
Zoo bijv. een dier hoogere levenstoestanden opzoekt verheft zich zijn geest en dien ten gevolge ook zijn ligchaam, maar, wegens de werking der traagheid, kan die verheffing (evenmin als de geschiktwording voor veranderde omstandigheden) in korten tijd in genoegzame mate geschieden. Vrij geschikt zijnde voor zijne vroegere levensomstandigheden, wordt het dier aldus ongeschikter voor de nieuwe omstandigheden en aldus betrekkelijk onvolmaakter. Gaat het even snel voort met naar hoogere levensomstandigheden te zoeken, zoo zal zijne organisatie zich eindelijk wel even sterk als die omstandigheden verhoogen, maar steeds evenveel hierbij ten achteren blijven en dit in sterkere mate doen, naarmate die zucht naar hoogere levensomstandigheden sterker is. Die achterblijving kan bijv. vergeleken worden met de spanning der lijn, waarmede een paard eene schuit voorttrekt, hoe harder het paard loopt, hoe grooter de spanning dier lijn wordt. Vandaar dat, van de op deze aarde levende wezens, die het traagste opwaarts zijn gestegen, zooals de infusiediertjes en dergelijken, de volmaaktste en wij menschen de betrekkelijk onvolmaaktste zijn.
De verhooging der organisatie der dieren geschiedt naar ons inzien, evenals, (zie blz. 7), de geschiktwording er van voor de bestaande omstandigheden, deels door den wil (of anders gezegd door zekere soort van eigen denking der dieren) deels zonder, maar wel op aansporing hiervan, eene wijze van verhooging dier organisatie door den schrijver der Natuurlijke geschiedenis der Schepping de geheimzinnige inwendige aandrift genaamd4. Een paard alleen kan geen spoortrein voorttrekken, hierin moet het door de stoomkracht geholpen worden, doch geschiedt dit laatste slechts in zulk eene mate, dat de trein iets trager zou bewegen dan het paard zulks verlangt, zoo zal dit niet alleen tot die beweging bijdragen, maar zelfs de impulsie er toe geven. De beweegkracht, alsdan door het paard uitgeoefent, kan vergeleken worden met de verhooging der organisatie der dieren, ten gevolge van de werking van hun wil, alsmede met de genezing van patiënten ten gevolge der geneeskundige behandeling. De beweegkracht, in zulk een geval door den locomotief geleverd, is daarentegen vergelijkbaar met de verhooging der organisatie der dieren en met de genezing der patiënten buiten hun toedoen door de Natuur.
Hoe lager, bij gelijkheid van geestelijken aanleg, de geestontwikkeling en dus gemiddeld ook de ligchamelijke organisatie van eenig dier is, hoe geringer de invloed van zijn wil betrekkelijk die der Natuur op de veranderingen zijner organisatie zal zijn; terwijl bij de planten uitsluitend de Natuur, zoo voor derzelver geschiktwording, als voor de verhooging van derzelver organisatie zorgt.
De zucht naar het hoogere werkt bij de menschen als een harstogt, de leiding der rede behoevende, omdat de vooruitgang anders niet steeds in de goede rigting, of wel te snel geschiedt, zoodat de geschiktwording voor meer nederige levensomstandigheden er te veel aan opgeofferd wordt. Hoe menigmalen wordt toch aan de menschen niet gezegd, dat aanzien, magt, rijkdom en zelfs kennis hen niet gelukkiger kunnen maken, dat zij met een bescheiden lot tevreden moeten zijn, en toch trachten zij opwaarts te gaan, en hebben zij in zooverre gelijk, dat zij betrekkelijke volmaaktheid en geluk niet met volstrekten stilstand willen koopen.
Een geoefende timmermansknecht zal baas worden, maar hiervoor de noodige kennis en kapitaal missende, in zijne nieuwe positie meer bekrompen moeten leven dan in de vorige en misschien zelfs van het huwelijk moeten afzien. Stelt men nu, dat al de kinderen van zulk soort bazen insgelijks bazen worden en dat de kinderen van hen, die knecht gebleven zijn, knechten worden, hoe kunnen dan bij gene de geboorten de sterfgevallen en bij deze laatste de sterfgevallen de geboorten overtreffen? Zoo iets zou niettemin noodig zijn, om uit eene generatie, uit enkel knechten bestaande, andere generatiën te doen voortspruiten steeds en meer en meer en eindelijk uitsluitend uit bazen zamengesteld, zoo er geen drang naar het hooge bij de menschen bestond.
Evenmin zal nu een zeehond, de levenswijze van een otter trachtende aan te nemen en in organisatie wat tot die van zulk een dier naderende, het beter hebben en meer jongen verkrijgen dan zijne makkers, welke bij hunne oude gewoonten gebleven zijn. De verhooging der organisatie der dieren door de Natuurkeus veronderstelt echter zoo iets en kan aldus niet bestaan.
Naar ons inzien heeft die verhooging plaats gehad, op eene wijze, in hoofdzaak overeenkomende met de hypothese door den schrijver der Natuurlijke geschiedenis der schepping op blz. 62 en volgende van het vervolg van zijn werk voorgesteld.
Gesteld dat de hoogten van organisatie der verschillende thans bestaande diersoorten aangeduid worden door de lengten der loodlijnen onder de horizontale lijn a van vorenstaande figuur, en dat, voor de aanduiding dier hoogte, elke diersoort hare bepaalde loodlijn bezit en wel eene meer naar den linkerkant, naarmate op hetzelfde oogenblik die diersoort eene hoogere organisatie bezit, betrekkelijk die der anderen. Zoo nu, tijdens het geologische tijdvak, waarin het organische leven op deze aarde begonnen is noemenswaardig te worden, al de diersoorten, zoo ligchamelijk als geestelijk, uiterst, weinig ontwikkeld waren, maar in geestelijken aanleg verschilden, zullen die van grooteren aanleg, zoowel ligchamelijk als geestelijk, sneller dan die van minderen aanleg voorwaarts gegaan zijn en aldus de loodlijnen, derzelver ligchamelijke ontwikkeling bij vorenstaande fig. aanduidende, meer links dan die van die diersoorten van lageren aanleg gelegen zijn. De loodlijnen, begrepen tusschen de horizontale a en de schuine lijn b, zullen dan de hoogten, welke de ontwikkeling der organisatie der verschillende diersoorten op een gegeven tijdstip bereikt hebben, aangeven.
Zij, welke zich dan het meeste ontwikkeld hebben, zullen klaarblijkelijk achtervolgens de meeste veranderingen hebben ondergaan en het meeste aantal keeren schijnbaar uitgestorven zijn.
Op blz. 22 hebben wij gezegd dat, naarmate die soorten sneller in organisatie veranderen, deze gemiddeld minder geschikt voor de omstandigheden, waarin die diersoorten verkeeren, zal zijn. Van daar dat, gedurende zulke snelle veranderingen, diersoorten, of somtijds werkelijk uitsterven, of althans minder individuen tellen dan wanneer de verandering van derzelver organisatie trager is. Van daar welligt het gemis aan overgangsvormen tusschen de gedurende den voorhistorischen tijd bestaande diersoorten, waarvan de schaarsche overblijfselen voor den dag gekomen zijn. Van elk dezer soorten is de stamboom te vergelijken met eene rivier, een snelleren stroom bezittende, naarmate derzelver bedding kleiner is. De grootte dezer komt dan overeen met het aantal individuen eener diersoort en de stroomsnelheid met de snelheid waarmede de organisatie te dier soort verandert.
Op een later tijdstip dan het bovengemelde zullen de loodlijnen, tusschen de horizontaal a en de schuine lijn b′ begrepen, de hoogten, welke de organisatie der verschillende alsdan bestaande diersoorten bereikt hebben, aanduiden, en, wanneer eenmaal de aard en beperktheid onzer planeet de verdere verhooging der alsdan aanzienlijk geworden ontwikkeling der diersoorten steeds sterker zal tegenwerken, de tijdvakken, gedurende welke eene soort een zeker bedrag in organisatie en geestontwikkeling klimt, al grooter en grooter worden.
Veronderstellende dat bij het punt b′ de meest beschaafde hedendaagsche Europeanen staan, zoo zullen zeer digt links van het snijpunt der lijnen b′ en a de thans bestaande infusiediertjes staan en al de andere diersoorten, gerangschikt naar hare hoogte, van geestelijke ontwikkeling, tusschen dit snijpunt en het punt b′ verondersteld moeten worden te staan.
Een dier diersoorten zal nu staan bij het punt waar eene horizontale lijn, uit het punt b getrokken, de schuine lijn b′ snijdt en deze soort bij minderen geestelijken aanleg, thans even sterk ligchamelijk en geestelijk ontwikkeld zijn als de bij het punt b staande voorouders der beschaafde volken van Europa in een uiterst ver verleden.
Klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling der diersoorten op eene meer zamengestelde wijze plaats gehad dan hierboven aangegeven is. Zoo kunnen bijv. accidentele oorzaken gemaakt hebben, dat eene diersoort tijdelijk trager in ontwikkeling is toegenomen dan eene andere van wat minderen aanleg, en alzoo tijdelijk lager dan deze in geestelijke ontwikkeling heeft gestaan. Iets dergelijks ontwaart men ook in de geschiedenis der volken. De Chinezen bijv. bezitten klaarblijkelijk minder aanleg dan de Duitschers, en niettemin waren zij voor achttien eeuwen beschaafder dan de Germanen. Deze hebben echter de Chinezen veel meer dan ingehaald, en het schijnt dat de geestelijke aanleg dezer laatste hunne beschaving thans weinig verder vermag te voeren, iets dat in de verre toekomst ook voor de Europeanen het geval zal worden, wegens de op blz. 31 gemelde die vergrooting in beschaving tegenstrevende invloed der woonplaats der menschelijke ligchamen.
Buitendien zullen de bij de diersoorten van hoogeren aanleg als ware sterker gegroeide stamboomen, door de bovengemelde loodlijnen van fig. blz. 29 aangeduid, zich vertakt hebben en wel in meer takken, naarmate het verschil in ontwikkeling tusschen de gelijktijdig bestaande diersoorten grooter werd, omdat toen de verscheidenheid der door de aardkorst opgeleverde levensomstandigheden zulks ook werd.
Somtijds zelfs zullen de stam, of eenige der takken uitgestorven zijn, somtijds de naburige takken van stamboomen meer of minder te zamen gegroeid zijn. Iets dergelijks ontwaart men ook bij menschenrassen. Deze zenden vertakkingen uit, zooals bijv. de Engelschen, waaruit de Amerikanen, de Nederlanders, waaruit de Kaapsche boeren voortgesproten zijn, en ook vermengen zij zich geheel, of gedeeltelijk met elkander, zooals bijv. de Angelsaxen met de Celtische Schotten, de Franken met de Galliërs enz. De lage stand der geestontwikkeling der dieren betrekkelijk die der menschen, maakt echter dat, bij gene naburige soorten slechts door onderlinge paring eigenaardigheden van elkander kunnen overnemen, terwijl bij de menschenrassen dit ook door het maatschappelijke verkeer kan geschieden.
Slechts indirect en wel door strijd kan de eene diersoort de andere in geestontwikkeling doen toenemen, terwijl, wegens de zamenwerking der menschen en van deze en de tamme dieren, dit ook bij hen door onderwijs kan geschieden. Voorts bezitten de dieren niet zoo als de menschen de middelen, om door kunst voor zich de verschillen in klimaat, bodemgesteldheid enz. minder te doen worden, en (zie blz. 26) ten gevolge hiervan, hier en elders meer op elkander te gaan gelijken. Naarmate echter de geestontwikkeling eener diersoort hooger staat, is derzelver organisatie minder gevoelig voor verschillen in levensomstandigheden, of liever geschikter voor eene grootere verscheidenheid hiervan en is, evenals bij volken van hoogere beschaving, het leven bij zulk eene diersoort meer gevarieerd.
De op blz. 30 gemelde hypothese wordt door de paleontologie bevestigd, daar deze toch leert, dat, hoe ouder de sedimentaire lagen zijn, hoe lager de hoogst ontwikkelde dieren zijn wier overblijfselen zij bevatten, alsmede dat van twee opvolgende sedimentaire lagen de lagere dier vormen in ontwikkeling minder dan de hoogere verschillen. Bij fig. blz. 29 wordt dit laatste aangeduid door het kleiner zijn der verticale distantiën tusschen de schuine lijnen b en b′, naarmate men de snijpunten dier lijnen met de horizontaal a nadert.
Het is mogelijk, dat thans bestaande diersoorten in enkele gevallen toevallig zoo gelijken op er mede in ontwikkeling gelijkstaande fossile soorten van hoogere en aldus individuen van meer aanleg bezittende stamboomen, dat men hen voor dieren van zeer naverwante soorten aanziet. Evenzoo waande eene Engelsche touriste, bij het zien der Fellahs van Opper-Egypte, zich in de tijden der aartsvaders verplaatst en aldus de voorouders der thans, wegens hun grooten aanleg, zoo beschaafde Israëlieten te ontmoeten. Even als de thans bestaande diersoorten eene reeks vormen van af de laagst staande infusiediertjes tot de Frankrijk, Duitschland en Engeland bewonende menschen, zoo ontwaart men thans op onze aarde volken op allerlei trappen van beschaving staande en in geestelijken aanleg nog al verschillende, zooals de wilden van Zuid-Australië, de Maories, de Ashantijnen, de Kabijlen, de Japanezen, de Columbianen, de Russen en eindelijk de Franschen.
Eene eeuw geleden stonden deze laatste minder hoog in beschaving dan thans en evenaarden zij hierin de Russen van heden. Even als thans in Rusland, was toen in Frankrijk de lage volksklasse in onwetendheid gedompeld, de burgerij in snelle opkomst en de adel nog bevoorregt.
Tijdens de bloedige burgeroorlogen der Ligue waren de Franschen nog minder beschaafd dan gedurende de vorige eeuw en in beschaving evenaarde zij de thans bestaande en in bloedige twisten gedompelde Columbianen.
Tijdens den bloei van het leenstelsel en de zamenspanningen der leenmannen tegen de koningen was de beschaving der Franschen nog lager dan tijdens de Ligue en kon zij met die der Japanezen van heden gelijkgesteld worden.
Ten tijde van Cesar was de beschaving der Galliërs niet hooger dan die der hedendaagsche Arabieren van Algerië en vervulde Vincengetorix, de kampioen der nationaliteit in den krijg tegen de beschaving, eene rol, veel op die door Abdelkader gespeeld, gelijkende. Bij de oudere Galliërs deden de Druïden ter eere der Goden binnen teenenpoppen menschen verbranden, en thans ziet men de Ashantijnen menschen offeren ter eere hunner goden en overleden vorsten.
Gaat men nog verder terug, zoo ontmoet men digt bij Frankrijk de ruïnen der meerdorpen, namelijk die der woningen van een volk dat, even als thans de Maories, sterkten bouwde, stoffen weefde en onbekend was met het gebruik der metalen, even als thans de Maories nog zouden zijn, zoo er geen Europeanen op hunne eilanden geland waren.
Eindelijk in Frankrijk een laatsten terugtred doende, zoo ontmoet men aldaar de tijdgenoten van den mammouth en van den holenbeer, namelijk een volk wiens beschaving wel niet hooger dan die der thans minst ontwikkelde stammen van Australië gesteld kan worden.
Bij volken van minder geestelijken aanleg ontbreekt de toename in beschaving door eigen ontwikkeling niet. Toen bijv. de hooger in aanleg dan de oude Mexicanen zijnde Spanjaarden onder Cortes in Mexico kwamen, waren zij gedurende de toen laatst verloopen eeuwen meer in beschaving dan de Mexicanen toegenomen, doch de oorkonden dezer laatste maakten melding van hervormers en van het ontstaan van vrij groote rijken aldus van toename in beschaving.
Constante oorzaken van verschil in zeden, godsdienst wetenschap, moraal en uitzigt der menschen zijn den trap van geestontwikkeling of beschaving, de grond en luchtgesteldheid en den volksaard. Accidentele omstandigheden maken echter, dat, even als bij de diersoorten, (zie blz. 22), die onderscheidene zaken bij de volken meer uiteenloopen, dan ten gevolge dier verschillende constante oorzaken, even als bijv. bij personen van denzelfden leeftijd, beroep en woonplaats, de wijze waarop zij gekleed gaan, zoo zij zich niet op de voor hen doelmatigste wijze kleeden, maar onafhankelijk van elkander ook hunne grillen en individuele opvattingen van schoonheid raadplegen.5 Wel tracht de op blz. 20 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak, die onderscheidene zaken zoo doelmatig mogelijk voor de volken, met inachtneming van derzelver stand van beschaving, karakter en landsklimaat te doen worden, doch gedurig worden zij hierin door op nieuw ontstaande accidentele omstandigheden gestoord. Dit een en ander maakt nu, dat er tusschen eenig thans bestaand volk, en de op een even hoogen trap van ontwikkeling als dit staande voorzaten van een thans beschaafder volk zekere gelijkenis, maar tegelijk ook zeker verschil bestaat, waarvoor men bijv. de Galliërs met de Kabijlen van heden kan vergelijken. Evenzoo zullen de thans bestaande grootste apensoorten tegelijk gelijken op en verschillen met de voorouders der Europeanen, toen deze op den trap van geestontwikkeling dier hedendaagsche apen stonden.
In elke maatschappij bestaan er voor menschen, op dezelfde hoogte van geestontwikkeling staande, verschillende geschikte werkkringen, terwijl er beroepen bestaan voor de meest en anderen voor de minst beschaafde leden van een zelfde volk geschikt.
Gesteld nu dat leden van een zeer onbeschaafd volk beroepen kiezen, dat de meest ontwikkelde onder hen krijgsman en priester en de minst ontwikkelde landbouwer en lastdrager worden: voorts, dat die beroepen erfelijk zijn en eindelijk, dat zulk een volk van lieverlede in beschaving klimt tot die thans in Nederland bestaande, wat zal er dan plaats hebben?
De met dierenvellen omhangen en met knods en werpspies gewapende krijgslieden van voorheen verkrijgen tot nakomelingen soldaten in laken gekleed en met achterladers gewapend. De met amuletten omhangen priesters herkennen hun toga en bef dragende nakomelingen niet. Van den in eene uit boomtakken zamengestelde hut wonende en met een ruw steenen werktuig den bodem omwroetende landbouwer van voorheen, bewonen de nazaten hofsteden en wordt door hen de voor den ploeg gespannen paarden gemend, terwijl van den naakten lastdrager de nakomelingen gekleed zijn, handwagens voortduwen, of wel als koetsier fungeren. Buitendien zijn de beroepen in aantal vermeerderd, de onbeschaafde krijgsman van voorheen bezit tot nakomelingen infanteristen, artilleristen, mineurs enz.; van de fetische priesters stammen af professoren in de theologie, aalmoezeniers en monniken, de primitieve landman bezit tot nazaten wijngaardeniers, bouw- en weiboeren en de lastdrager van voorheen, koetsiers, fabriekarbeiders, matrozen enz. Een hiermede vergelijkbaar, maar veel grooter verschil bestaat er nu tusschen de thans bestaande diersoorten en de alleroudste uiterst weinig ontwikkelde stichters hunner stamboomen. De wijzen waarop de dieren hun voedsel magtig worden, kunnen namelijk met de beroepen der menschen vergeleken worden.
Zeer verschillende wijzen van voeding kunnen van dieren evenveel geestontwikkeling vorderen, doch dit is volstrekt niet altijd het geval. Meer geestontwikkeling wordt er bijv. vereischt bij dieren, welke moeten klauteren, om vruchten en noten te plukken, dan bij die zich met gras en kruiden voedende, meer, wanneer zij vleesch moeten eten en aldus vlugtende en zich verbergende prooijen moeten vangen, dan wanneer zij slechts naar plantenvoedsel te zoeken hebben, meer, wanneer hunne prooijen grooter zijn en dus schaarser voorkomen, dan, wanneer deze uit overal fladderende insecten bestaan, meer, wanneer zij, vleeschetende zijnde, het land, dan wanneer zij de zee bewonen enz.
De primitieve op blz. 30 gemelde uiterst weinig ontwikkelde diersoorten kunnen nu verschillende wijzen van voeding en alzoo ook van leven (natuurlijk veel minder van elkander verschillende, dan die der heden bestaande diersoorten) aangenomen hebben. Van die primitieve diersoorten kunnen er nu twee zeer weinig in aanleg verschild hebben en de eene plant- en de tweede vleeschetende geworden zijn, echter met dien verstande, dat de laatste slechts gemakkelijk te vangen prooijen te bemagtigen had.
Van elk tijdperk moeten echter de hoogst ontwikkelde diersoorten doorgaans de krachtigste en best gewapende diersoorten van dit tijdperk geweest zijn.
Zoo nu elk dier primitieve diersoorten derzelver wijze van voeding op hare nakomelingen overgedragen heeft, deze weder op de hare enz. tot op heden, zoo is het gemakkelijk te begrijpen, dat hare zoo veel meer dan zij ontwikkelde nazaten, een veel minder dan voorheen uniformen bodem bewonende, veel meer dan zij van elkander in organisatie en wijze van leven moeten verschillen.
Aan de thans bestaande roofdiersoorten staan die van het katten en hondengeslacht hooger dan de insectenetende zoogdiersoorten alsmede dan de gras en kruidenetende diersoorten, doch dat zij hooger staan dan de verschillende op boomen klauterende en noten bolsterende apensoorten is zeer twijfelachtig.