Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde. Blz. 196.
»Dat wil ik wel gelooven.”
»Intusschen vertelt men....”
»Wat? Zeg op.”
»Dat hem, sedert hij het loterijbriefje van Ole Kamp in zijn bezit heeft, geen enkel bod gedaan is.”
»Hij heeft er toch een flinken prijs voor betaald, niet waar?”
»Ja, vijftien duizend mark.”
»En?....”
»En, nu wil er niemand meer aan.”
»Dat verwondert mij niets.”
»Mij wel. Is de waarde van dat loterijbriefje inmiddels veranderd?”
»Heeft het minder kans?”
»Luistert!”
»Wij luisteren.”
»Dat loterijbriefje was goed....”
»Was goed!.... Waarom niet is goed?”
»Het was goed, toen het in handen van Hulda Hansen was!”
»Ja.... zoo beschouwd....”
»En thans in handen van dien Sandgoïst, is het niets meer waard!”
»Het is minder waard dan ieder ander nummer.”
»Hij heeft het met zijn vuile handen bezoedeld!”
»Hij heeft de kans doen keeren!”
»Hij heeft het geluk verjaagd!”
»Dat is best!”
»Ik mag lijden, dat hij met zijn schandelijk verworven loterijbriefje blijft zitten!”
»En dat hij de vijftien duizend mark moge kwijt zijn, die hij er voor betaald heeft!”
»Maar....”
»Maar wat?”
»Als die fielt in weerwil van uwe voorspellingen eens het groote lot won?”
»O,.... niet mogelijk!”
»Dat zou eene onbillijkheid van het lot zijn.”
»In ieder geval raad ik hem niet bij de trekking tegenwoordig te zijn.”
»Waarom niet?”
»Hij kon er wel eens slecht afkomen.”
»Zoudt gij dat denken?”
»Ja, want de menigte is zeer verstoord op hem. Zij zou hem wel eens wat hard kunnen aanpakken.”
Zoo waren de praatjes, die onder het volk de ronde deden. Neen, de openbare meening was Sandgoïst niet gunstig. Maar de lezer weet het reeds. Er bestond geen gevaar, dat die woekeraar mishandeld zoude worden. Uit voorzichtigheid, of door eene andere beweegreden gedreven, had hij besloten de trekking niet bij te wonen. Hij had zelfs, zooals wij gezien hebben, daags te voren Drammen niet verlaten en was ook blijkbaar niet voornemens dat te doen, daar hij toen dood bedaard op de stoep zijner woning zijne pijp stond te rooken.
Hulda was door al die gesprekken zeer bewogen. Joël, die haren arm, op den zijnen geleund, voelde sidderen, trachtte zooveel mogelijk ruimbaan te maken. Hij wenschte niets meer van die zaak te vernemen. Hij vreesde daarenboven door den een of ander herkend te worden. Dan zouden zij door al die onbekende vrienden, die zij onder de menigte bezaten, toegejuicht zijn geworden.
Zij maakten dus voort en dwaalden verder de stad in, die hen zonder einde scheen.
Heimelijk hoopten zij professor Sylvius Hog op hunne wandeling te ontmoeten.
Dit gebeurde evenwel niet. Wel drong nu en dan een volzin tot hen door, die aanduidde, dat zijne terugkomst te Christiania voor het publiek niet verborgen was gebleven. Men had hem reeds in den vroegen morgen haastig, en alsof hij het buitengewoon druk had, zien voortstappen. Eenige bekenden hadden hem aangesproken, maar hij had geen tijd gehad om hen te woord te staan.
Nu eens was hij in de nabijheid der haven, dan weer in de nabijheid van het Departement van Marine gezien.
Joël had wel aan den eersten den besten voorbijganger kunnen vragen, waar professor Sylvius Hog woonde. Iedereen zou zich beijverd hebben hem terecht te wijzen, ja zelfs hem naar diens woning te begeleiden. Maar hij vroeg dat niet. Hij vreesde onbescheiden jegens dien goeden vriend te zijn. Daarenboven had men afgesproken om in het Noorder Hotel te zamen te komen, daaraan wenschte hij zich te houden. En dat zou zeker het beste zijn, wat hem te doen stond.
Omstreeks half elf begon Hulda zich zeer vermoeid te gevoelen en verzocht haren broeder dan ook, haar naar het hotel terug te brengen. Het arme meisje was eigenlijk meer uitgeput door de aandoeningen, opgewekt door al die gesprekken, die zij willens of onwillens had moeten aanhooren, dan door de lichamelijke vermoeidheid, veroorzaakt door die kleine wandeling.
Als flinke bergbewoonster had zij wel andere vermoeienissen getrotseerd!
Zij keerden dus naar het Noorder Hotel terug.
Daar gekomen, ging Hulda naar hare kamer, om gelaat en handen te verfrisschen en de komst van professor Sylvius Hog af te wachten.
Wat Joël Hansen betrof, hij begaf zich naar de leeskamer van het hotel, die in het benedengedeelte, gelijkvloers, gelegen was. Daar trachtte hij den tijd te verdrijven, door werktuiglijk de dagbladen van Christiania te doorloopen.
Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde, en het blad, dat hij in de hand hield, ontviel aan zijn bevende vingeren....
In een nummer van het Morgenblad had hij onder de zeetijdingen het navolgende telegrafische bericht gelezen, dat van New-Found-Land overgeseind was:
»Het adviesvaartuig, de Telegraaf, op de vermoedelijke plaats van de schipbreuk der Viken gekomen, heeft geen enkel spoor ontdekt. Hare nasporingen op de Groenlandsche kust zijn ook zonder gevolg gebleven.
»Men kan thans als zeker aannemen, dat de Viken met man en muis vergaan is, en dat niemand der bemanning den dood is ontkomen.”
»Goedenmorgen! mijnheer Benett!”
»Goedenmorgen, professor!”
»Het is mij steeds een waar genoegen, u de hand te kunnen drukken, mijnheer Benett!”
»En het is mij steeds eene eer; wees daarvan overtuigd, mijnheer Hog!”
»Eer, genoegen; genoegen, eer!” antwoordde de professor opgeruimd. »Dat is volgens mij volkomen hetzelfde.”
»Ik zie dat uwe reis door Midden-Noorwegen gelukkig afgeloopen is.”
»Het mocht wat!” antwoordde de professor.
»Wat bedoelt gij?”
»Mijne reis is niet afgeloopen.”
»Gij gaat haar dus vervolgen?”
»Neen, althans dit jaar niet.”
»O, ja, zij is slechts afgebroken. Daaraan dacht ik niet.”
»Juist, ziet ge.... Die zaak van dat loterijbriefje....”
»Dat was mij door het hoofd gegaan, mijnheer Hog.”
»Maar mij niet, mijnheer Benett,” antwoordde Sylvius Hog met een opgeruimden glimlach.
»En hoe maken het die brave lieden te Dal, met wie gij kennis hebt aangeknoopt?”
»Zeer goed, mijnheer Benett, ik dank u voor uwe belangstelling. Inderdaad, het zijn brave lieden in den volsten zin des woords!”
»Volgens de mededeelingen in de dagbladen zijn zij evenwel zeer te beklagen.”
»Waarlijk, zeer te beklagen.”
»Dat is te bejammeren, mijnheer Hog.”
»Zelden heb ik het noodlot zoo hardnekkig arme lieden zien vervolgen!”
»Inderdaad, mijnheer Hog. Eerst die schipbreuk van de Viken!”
»Juist, mijnheer Benett.”
»En toen die afschuwelijke afzetterij van dien Sandgoïst, van dien woekeraar!”
»Inderdaad!”
»En toch, volgens mijne meening, mijnheer Hog, heeft Hulda Hansen goedgedaan door dat loterijbriefje tegen het schuldbewijs harer moeder in te wisselen.”
»Vindt gij?”
»Ja, zeker!”
»En, waarom dat, mijnheer Benett?”
»Wel, mij dunkt, dat vijftien duizend mark wel opwegen tegen de kleine kans iets te zullen trekken,” antwoordde de heer Benett lachende.
»Wat zal ik u daarop antwoorden, mijnheer Benett,” hernam Sylvius Hog. »Gij redeneert als een bij uitstek practisch mensch, als een degelijk handelaar! Beschouwt men de zaak evenwel uit een ander oogpunt, dan verandert zij geheel en al van aanzien. Dan wordt zij eene gevoelszaak, en.... dat zult gij mij gewonnen geven: het gevoel laat zich niet door cijfers beheerschen.”
»Dat is juist, mijnheer Hog; maar veroorloof mij als mijne meening te verkondigen, dat uwe beschermelinge zonder dien Sandgoïst haar gevoel duur te staan gekomen zou zijn.”
»Welke zekerheid hebt gij daaromtrent?”
»Maar bedenk dan toch, mijnheer Hog....”
»Wat moet ik bedenken?”
»Welke waarde vertegenwoordigt dat loterijbriefje?”
»Ik moet erkennen weinig.”
»Een enkele gelukkige kans tegenover negenhonderd negen en negentig duizend negenhonderd negen en negentig andere.”
»Inderdaad, op een millioen slechts één gunstige kans!”
»Dat is weinig, mijnheer Hog, zeer weinig....”
»Gij hebt gelijk, het is zeer weinig!”
»De reactie is dan ook reeds ingetreden. Na de opgewondenheid der eerste dagen is de geestdrift werkelijk bekoeld. En die Sandgoïst, die dat briefje slechts afgedwongen heeft, om er de aandacht op gevestigd te houden.”
»Dat is zoo, mijnheer Benett!”
»Maar, als die woekeraar nu eens het groote lot won! Alles is mogelijk, niet waar? Dat zou een schandaal zijn.”
»Inderdaad, een schandaal, mijnheer Benett. Het woord is niet te sterk. Een waar schandaal!”
»Men ziet zoo iets wel meer gebeuren.”
»Och, kom!”
»Daar hebt gij bij voorbeeld....”
Terwijl die heeren zoo spraken, en de heer Benett voorbeelden aanhaalde om aan te duiden dat het den ongerechten in dit ondermaansche veelal zeer naar den vleesche gaat, wandelden zij in de magazijnen van dien heer rond, die den fraaisten bazaar van de geheele hoofdstad, ja van het geheele koninkrijk Noorwegen vormden.
Wat trof men al niet in dien bazaar aan?
Reiswagens, karretjes bij dozijnen, kisten met verduurzaamde levensmiddelen, manden met wijn, kruidenierswaren, gemaakte kleederen en andere benoodigdheden voor de toeristen en ook voor de berggidsen, die hen zouden geleiden. De gidsen zelfs werden geleverd, onverschillig werwaarts de reis zou voeren, naar de uiterste gehuchten van Finmarken, naar Lapland of naar de Noordpool.
Maar, dat was niet alles.
De beoefenaars van natuurlijke historie vonden bij den heer Benett verschillende specimens van steensoorten, metalen, ertsen enz., die de bodem van Noorwegen bevat. Ook de verschillende vogel- en insectensoorten, het kruipend gedierte en de verdere fauna van het rijk, werden daar, natuurlijk in opgezette specimens, aangetroffen.—En wat vooral niet vergeten mag worden, is dat nergens in het geheele rijk zulk eene uitstalling van juweelen en snuisterijen, door de Noorweegsche nijverheid vervaardigd, te vinden was als daar in die glazen kasten.
Die heer is dan ook eene ware voorzienigheid voor de toeristen, die verlangend zijn die fraaie en schilderachtige Scandinavische streken te bezoeken.
Volgens ieders oordeel was mijnheer Benett zulk een onmisbaar man, dat Christiania zonder hem niet zoude kunnen bestaan.
»Maar, mijnheer Hog, als ik u vragen mag,” vervolgde de geachte handelaar, »hebt gij het rijtuig behoorlijk aangetroffen, waar ook weer?....”
»Te Tinoset, mijnheer Benett.”
»Juist, te Tinoset, waar gij mij verzocht hadt, het te zenden.”
»Maar, mijnheer Benett, welke vraag! Toen ik u dat rijtuig bestelde, was ik verzekerd, dat het op het bepaalde uur te Tinoset zoude aanwezig zijn.”
»Gij vleit mij, mijnheer Hog.”
»Volstrekt niet, mijnheer Benett.”
»Maar....”
»Maar, wat?”
»Gij schreeft mij, dat gij met u drieën zoudt komen.”
»Zeker, met ons drieën!”
»En die andere twee....”
»Zijn gisteravond in volmaakten welstand aangekomen.”
»Zoo, zoo!”
»Ik heb ze in het Noorder Hotel onder dak gebracht.”
»Dat is wel het beste hotel van Christiania, mijnheer Hog.”
»Dat geloof ik ook, mijnheer Benett. Welnu, zij wachten mij thans daar, waar ik hen straks ga opzoeken. Zij zijn vreemd in de hoofdplaats.”
»Vreemd in de hoofdplaats, mijnheer Hog.”
»Ja, mijnheer Benett.”
»Zijn het dan.... de jongelieden van Dal?”
»Goed geraden, mijnheer Benett! Zij zijn het.... maar, mondje dicht, als je blieft. Ik verlang, dat hunne tegenwoordigheid nog niet bekend worde!”
»Arm meisje!”
»Ja, zeker, arm meisje!”
»Zij zal wel veel geleden hebben.”
»Dat heeft zij, mijnheer Benett.”
»En is het nu op uw verlangen, dat zij de trekking der loterij komt bijwonen?”
»Waarom die vraag?”
»Omdat zij niet meer in het bezit van het loterijbriefje is, dat haar verloofde haar vermaakt heeft?”
»Ik heb dat verlangen niet te kennen gegeven, maar Ole Kamp, mijnheer Benett, en aan u, evenals aan alle anderen, die mij daarnaar vroegen, antwoord ik: Men moet den laatsten wil van stervenden steeds uitvoeren.”
»Goed gezegd, professor.”
»Is dat uwe meening?”
»Ja, en alles wat gij doet, is steeds welgedaan, mijnheer Hog.”
»Gaat ge mij nu complimenten maken, mijnheer Benett?”
»Volstrekt geen complimenten, mijnheer Hog; in weerwil van uwe bescheidenheid moet erkend worden, dat het zeer gelukkig voor de familie Hansen is, dat zij u op haar pad ontmoet heeft!....”
»Ba! Meent ge?....Ik ben van oordeel, dat het voor mij nog gelukkiger geweest is, dat ik hen op mijn levenspad ontmoet heb. Dat is de rollen omkeeren.”
»Ik bemerk, dat uw hart nog niets veranderd is, mijnheer Hog.”
»Vindt ge?”
»Zeker.”
»Daar men toch een hart moet hebben, is het maar 't best, als het op de rechte plaats is, niet waar?”
Hoe innemend was de glimlach, waarvan Sylvius Hog dat antwoord aan den handelaar vergezeld deed gaan!
»En nu, mijnheer Benett,” hernam hij, »geloof niet, dat ik hier gekomen ben om loftuitingen aan te hooren.”
»Daar ben ik overtuigd van.”
»Neen, mijne komst heeft een geheel ander doel, mijnheer Benett.”
»Ik ben tot uwen dienst.”
»Gij weet, niet waar? dat ik, zonder de tijdige tusschenkomst van Joël en Hulda Hansen, een jammerlijk uiteinde in den waterval van den Rjukan gevonden zou hebben....”
»Ja wel, mijnheer Hog.”
»Het is de vraag, of zelfs mijn lijk in die verschrikkelijke kolk weergevonden zoude zijn!”
»Welk een ijselijke veronderstelling.... maar gelukkig....”
»Zonder hen zou ik thans het genoegen niet hebben u te zien, mijnheer Benett.”
»Ja wel.... ja wel!.... Inderdaad die kloeke jongelieden verdienden wel, dat zij het groote lot wonnen.”
»Dat is ook mijne meening,” antwoordde Silvius Hog. »Maar, daar dat nu onmogelijk geworden is, zou ik gaarne hebben, dat mijne kleine Hulda niet naar Dal terugkeerde, zonder een geschenk.... eene herinnering....”
»Kijk, dat noem ik eerst eene goede gedachte, mijnheer Hog!”
»Dus zijt gij het met mij eens?”
»Voorzeker.”
»Dan moet gij mij uit uwe rijkdommen iets helpen uitzoeken, dat een jong meisje bekoren kan.”
»Volgaarne,” antwoordde mijnheer Benett.
En hij geleidde professor Sylvius Hog naar dat gedeelte zijner magazijnen, waar het inheemsche goud- en zilverwerk uitgestald lag. Zou een Noorweegsch sieraad niet de liefste herinnering zijn, die zij uit Christiania en den alom beroemden bazaar van den heer Benett in haar bergland kon medebrengen?
Dat was ook de meening van professor Sylvius Hog, aan wien de gedienstige koopman zijn kostbaarsten voorraad vertoonde, voor wien hij al zijne kasten opende.
»Komaan, laat zien,” zei de geleerde. »Maar, ge moet weten, dat ik geen kenner ben en mij dus geheel en al op uwen smaak moet verlaten, mijnheer Benett.”
»Wij zullen dat wel samen vinden, mijnheer Hog.”
»Denkt gij?”
»Voorzeker.”
»Komaan, vooruit dan maar, man, de keuze zal waarlijk moeielijk zijn.”
Er was dan ook een geheele voorraad van die Zweedsche en Noorweegsche juweelen, die van zeer kunstige bewerking zijn, en daardoor veel meer aan arbeidsloon, dan wel aan grondstof gekost hebben.
»Wat is dat daar?” vroeg de professor, terwijl hij op een voorwerp wees, dat nog al schitterde.
»Dat is een zwaar verguld zilveren ring, voorzien van beweegbare eikeltjes, die zooals gij hoort, aardig klingelen.”
»Zeer fraai,” zei Sylvius Hog, terwijl hij den ring aan zijn pink paste.
»Ja, zelfs voor dien pink is hij te nauw,” bemerkte de koopman lachende.
»Dat moet ook,” hernam de professor. »Of denkt gij, dat mijne kleine Hulda een manshand heeft?”
»Die meening zou ik niet durven koesteren.”
»Om het even. Leg dezen ring maar vooreerst ter zijde, mijnheer Benett, en laat mij wat anders zien.”
»Armbanden of kettingen, mijnheer Hog?”
»Zoo wat van alles, mijnheer Benett, als gij zoo vriendelijk wilt zijn. Zoo wat van alles. O!.... wat is dit hier?”
»Wat bedoelt gij?”
»Hier dit, mijnheer Benett.”
»O, dat zijn sieraden, die paarsgewijze aan het keurslijf gedragen worden. Zijn ze niet fraai?”
»Zeer fraai.”
»Let eens op het effect van dat gepolijst koper op dien grond van geplooid wollen stof. Dat is zeer smaakvol en is volstrekt niet duur.”
»Ze zijn inderdaad bekoorlijk, mijnheer Benett. Leg die ook maar ter zijde.”
»Goed, mijnheer Hog; maar ik moet u waarschuwen,” vervolgde de koopman, »dat die sieraden uitsluitend tot den tooi eener bruid behooren... op den dag van haar huwelijk... en dat...”
»Bij Sint Olaf! gij hebt gelijk, mijnheer Benett; gij hebt waarlijk gelijk.”
»Daarom waarschuwde ik u, mijnheer Hog.”
»Mijn arme, lieve Hulda! Ongelukkig is het Ole Kamp niet, die haar dat geschenk wil geven, maar ik; en ik kan haar zoo iets niet als bruid aanbieden!”
»Inderdaad, mijnheer Hog.”
»Laat mij dus andere juweelen zien, die voor een jong meisje geschikt zijn.”
»Hier hebt u zoo wat van alles, mijnheer Hog.”
»Laat me dat kruis eens zien, mijnheer Benett.”
»Dat is een kruis om aan een halssnoer te hangen.”
»Dat dunkt me ook.”
»Zie, het is met holle schijfjes versierd, die bij de geringste beweging van den hals rinkelen.”
»Zeer fraai!.... Zeer fraai!.... Leg het ook op zij, mijnheer Benett. Als ik al uwe kasten zal bezichtigd hebben, zullen wij eene keus doen.”
»Ja, maar....”
»Alweer een maar?”
»Zoo'n kruis wordt door de bruiden in Scandinavië gedragen, als zij naar de kerk gaan!....”
»Duivels!” zei professor Sylvius Hog lachende. »Ik moet bekennen, mijnheer Benett, dat ik geen gelukkige hand bij het uitzoeken van juweelen heb.”
»Dat komt, mijnheer Hog, omdat ik zoo ruim van het artikel bruidsjuweelen voorzien ben. Die verkoop ik dan ook het meest. Dat uwe keus daarop valt, moet u dus niet verwonderen.”
»Het verbaast me niet, mijnheer Benett; maar, het brengt mij in de war. Gij zult mijne keus moeten leiden.”
»Welnu, houd u dan aan dien ring, dien gij mij het eerst hebt laten ter zijde leggen.”
»Ja wel.... die vergulde ring.... Dat is goed.... Toch zou ik nog wel iets anders gewenscht hebben, dat... dat.... ja, hoe zal ik dat uitdrukken?.... dat meer.... tot versiering zou strekken.”
»O, zoo! Is dat de quaestie? Dan moet ge deze plaat van draadzilver nemen. Zie, zij hangt aan vier kettinkjes, die zoo'n goed effect op den hals van een jong meisje maken! Ze is als bezaaid met fijne glaskralen en verder versierd met vergulde pijltjes en veelkleurige, geslepen kralen.”
»Het is zeer fraai!”
»Het is een der schoonste voortbrengselen der Noorweegsche goudsmederij!”
»Zoo?” zei Sylvius Hog. »Het is een fraai sieraad; maar ik vrees een weinig opzichtig voor mijne bescheiden Hulda! Neen, dat niet... Ik zou de ronde plaatjes verkiezen, die gij mij straks hebt laten zien, en dat kruis, bestemd om aan een halssnoer te hangen. Zijn die dan werkelijk slechts geschikt voor bruidstooi, zoodat men ze een jong meisje niet zoude mogen aanbieden?”
»Mijnheer Hog,” zei de heer Benett lachende, »op die vraag is onmogelijk een afdoend antwoord te geven, dunkt me; want de Storthing heeft daarop nog geen wet gemaakt!... Dat is ongetwijfeld eene leemte....”
»Ja wel, ja wel, mijnheer Benett, ik begrijp u; wij zullen mettertijd daarin voorzien,” antwoordde Sylvius Hog, even hartelijk lachende. »Maar intusschen neem ik dat kruis en die andere sieraden... Want, alles wel beschouwd, is het toch mogelijk en zelfs te voorzien, dat mijne kleine Hulda den een of anderen dag zal trouwen. Zij bezit daartoe alle vereischten. Zij is goedaardig, en bovendien bekoorlijk en lieftallig, zoodat, volgens mij, de gelegenheid niet uitblijven zal, om die juweelen te kunnen gebruiken... Dat is dus afgesproken... ik houd die sieraden en neem ze mede.”
»Goed, mijnheer Hog.”
»De rekening zult gij wel zenden, niet waar, mijnheer Benett?”
»Wees onbezorgd.”
»Zal ik het genoegen hebben, u bij de trekking der loterij te zien?” vroeg de professor.
»Zeker.”
»Ik geloof, dat het zeer belangrijk zal zijn.”
»Daar ben ik van overtuigd.”
»Dus tot straks, mijnheer Benett.”
»Tot straks, mijnheer Hog.”
»Kijk,” zei de professor, terwijl hij zich over een der glazen kasten boog. »Kijk, welke mooie ringen! Die had ik nog niet gezien.”
»O, wat die betreft, daar kunt u niets mee doen, mijnheer Hog.”
»En waarom niet, als ik u vragen mag?”
»Omdat het trouwringen zijn, die door den predikant bij de huwelijksplechtigheid aan den vinger van bruid en bruidegom gestoken worden....”
»Waarlijk?.... Kijk, kijk!... Toch neem ik ze.... men kan niet weten... Tot straks, mijnheer Benett, tot straks! Ik moet maken dat ik wegkom.”
»Tot straks! Uw dienaar, mijnheer Hog!” zei de handelsman buigende.
Sylvius Hog stapte heen—en wel met een lichten, vluggen pas, als een twintigjarige—en begaf zich naar het Noorder Hotel.
Toen hij dat hotel binnentrad, bemerkte hij de woorden: Fiat Lux! die op een der matglazen van een glaslantaarn gegrift waren.
»Waarachtig,” zei hij in zich zelven, »dat latijn spreekt van pas! Ja, inderdaad! Fiat Lux... Fiat Lux!... Er zij licht!”
Hij klom spoedig de trap op.
Hulda was op hare kamer. Zij zat bij het raam en wachtte. Toen professor Sylvius Hog aan de deur klopte, deed zij dadelijk open.
»O, mijnheer Sylvius, zijt gij daar?” riep het jonge meisje verheugd uit.
»Ja, hier ben ik! Hier ben ik! Maar, lieve Hulda, laat die plichtplegingen nu achterwege. Het ontbijt staat klaar, en ik voeg er bij, dat ik een honger als een wolf heb. Maar... Waar is Joël?”
»In de leeskamer.”
»Zoo?... Dan ga ik hem daar halen. Gij, lief kind, komt zeker dadelijk beneden, niet waar?”
»Ja, mijnheer Sylvius.”
»Laat ons niet te lang wachten.”
Sylvius Hog verliet Hulda's kamer en begaf zich naar Joël Hansen, dien hij met de wanhoop in het hart en het hoofd in de hand in de leeskamer vond zitten.
De arme jongen toonde hem het nummer van het Morgenblad, dat hij zooeven gelezen had. Het telegram van den gezagvoerder der Telegraaf liet geen twijfel meer bestaan omtrent het vergaan van de Viken. Neen, volgens dat bericht was niemand aan den dood ontkomen.
»Gij hebt het toch niet aan Hulda laten lezen?” vroeg de professor haastig.
»Neen, mijnheer Sylvius.”
»Dan is het goed,” antwoordde deze bedaard.
»Het is beter die tijding nog geheim voor haar te houden,” vervolgde Joël zeer bedrukt en terneergeslagen. »Zij zal haar vroeg genoeg vernemen, niet waar?”
»Zeker, mijn jongen; gij hebt goedgedaan met uwe zuster die tijding niet mee te deelen.... Kom, laten wij gaan ontbijten. Dat is het beste, wat wij doen kunnen.”
Een oogenblik later was ons drietal aan eene afzonderlijke tafel gezeten. En, in weerwil van de verpletterende tijding, die hij zooeven gelezen had, verorberde professor Sylvius Hog zijn ontbijt met grooten eetlust.
En waarachtig, daar was wel reden toe.
Het was een heerlijk ontbijt, dat, het aantal gerechten in aanmerking genomen, wel voor een diner kon doorgaan. Dat de lezer zelf oordeele:
Vooreerst werd een koude biersoep opgedragen, waarin citroenschijfjes en stukjes kaneel dreven, terwijl ze met fijngestampte beschuit bestrooid was. Verder versche zalm, die met eene witte, zoete saus toebereid was; vervolgens gebraden kalfsvleesch, dan een heerlijk stuk roastbief, waarbij een sterk gepeperde en gekruide sla behoorde, eindelijk vanille-ijs, confituren van aardappelen, frambozen, kersen en hazelnoten, terwijl men daarbij een glas uitmuntenden St. Julien te drinken kreeg, die rechtstreeks uit Frankrijk kwam.
»Heerlijk!..... heerlijk!.....” riep telkenmale Sylvius Hog, waarbij hij als een ware lekkerbek de lippen likte. »Heerlijk!.... men zou meenen in de herberg van vrouw Hansen te Dal aan tafel te zijn!”
Het scheelde weinig, of hij had zich de vingers afgelikt. Hij bedacht zich bijtijds.
»Heerlijk!.... heerlijk!....” herhaalde hij voortdurend.
En daar hij zijn mond te veel te doen gaf, om dien verder nog iets op te dragen, glimlachte hij met zijne goedige oogen, als namelijk oogen glimlachen kunnen.
Helaas, Joël en Hulda waren niet in staat zijn voorbeeld te volgen. Al hadden zij het gewild, dan nog zouden zij het niet vermocht hebben. Het arme meisje at zelfs zeer weinig.
Toen het ontbijt afgeloopen was, zei de professor tot hen:
»Lieve kinderen, gij hebt bepaald ongelijk gehad, door dit ontbijt niet alle eer aan te doen. Inderdaad, de keuken van het Noorder Hotel laat niets te wenschen over. Maar, ik kon u niet dwingen. En alles wel beschouwd, nu gij niet ontbeten hebt, zult gij straks des te beter dineeren....”
»O, mijnheer Sylvius!” riepen de beide jongelieden.
»En, ik weet niet, of ik u hedenavond zal kunnen bijhouden....”
»Mijnheer Sylvius!” zei Joël verwijtend.
»Kom, het is tijd om van tafel op te staan.”
De professor had zijn stoel reeds weggeschoven. Hij greep zijn hoed, dien Joël hem aanreikte, en wilde naar buiten treden, toen Hulda hem weerhield.
»Mijnheer Sylvius,” zei zij, »staat gij er nog op, dat ik u vergezel?”
»Om bij de trekking der loterij tegenwoordig te zijn?”
»Ja.”
»Zeker, lieve meid, sta ik daar op, en dat nog wel zeer sterk!”
»Het zal een moeielijke zaak voor mij zijn!”
»Ja, dat erken ik.”
»Kunt gij mij daarvan niet ontslaan?”
»Volstrekt niet, waarde Hulda!”
»Waarom niet?” vroeg het jonge meisje snikkende.
»Omdat Ole Kamp gewild heeft, dat gij bij de trekking tegenwoordig zoudt zijn! En.... Hulda, gij moet den wil van Ole Kamp eerbiedigen!”
Die laatste volzin kwam zoo dikwijls in den mond van den professor, dat die woorden als het ware een refrein begonnen te worden.
Welk een saamgepakte menigte in de groote zaal der Universiteit te Christiania, waar de trekking der loterij zou plaats hebben!
Maar, niet alleen die zaal was volgepropt, ook de binnenplaatsen waren vol menschen. Welke zaal ter wereld had zoo'n menigte kunnen bevatten?
Zelfs de naburige straten stonden vol, want ook de binnenplaatsen der Universiteit waren te klein geweest om al de nieuwsgierigen te bevatten.
Waarlijk op dien zondag, dien 15den Juli, zou men die Noren, nu zoo opgewonden, niet voor een kalm, flegmatisch volk uitgekreten hebben, zooals gewoonlijk geschiedt.
Maar, waardoor werd die opgewondenheid dan toch veroorzaakt?
Sproot zij voort uit de belangstelling, welke deze trekking opwekte?
Of vond zij haren oorsprong in de buitengewone warmte, welke dien dag in Noorwegens hoofdstad heerschte?
Maar om het even, wat er ook de oorzaak van mocht zijn, zooveel was zeker, dat het veelvuldig, ja overdadig gebruik van »multers”, eene zeer verfrisschende vrucht, die in Scandinavië overvloedig voorkomt en verorberd wordt, niet in staat was die opgewondenheid te doen verkoelen.
De trekking der loterij zou ten drie ure precies beginnen. Geen minuut later.
Er waren honderd prijzen te winnen. Deze waren in drie seriën afgedeeld, namelijk: de eerste serie, bestaande uit negentig prijzen van honderd tot duizend mark, tot een gezamenlijk bedrag van vijf en veertig duizend mark; de tweede serie, bestaande uit negen prijzen van duizend tot negen duizend mark, en de derde serie bestaande uit een eenigen prijs, namelijk dien van honderd duizend mark.
In tegenstelling van hetgeen gewoonlijk bij loterijen van dien aard geschiedt, was het groote effect, het knal-effect zouden wij haast zeggen, voor het einde bewaard. De hoogste prijs zou niet aan het eerst uitgetrokken nummer toegewezen worden, maar aan het laatste, namelijk aan het honderdste.
Daaruit zou eene opeenvolging van indrukken, ontroeringen, hartkloppingen ontstaan die al sterker en sterker zouden worden, naarmate de trekking vorderde.
Het spreekt vanzelf, dat ieder nummer, waarop een prijs gevallen was, geen tweeden meer kon verkrijgen. Mocht zoo'n nummer voor de tweede maal uit de bus komen, dan was het natuurlijk nietig.
Dat alles wist het publiek. Dat behoefde niet meer verkondigd te worden. Men had nu slechts te wachten op het bepaalde uur. Maar om de verveling ondertusschen te verdrijven en den tijd te dooden, werd er gepraat. En zooals licht te begrijpen is, liep het gesprek hoofdzakelijk over Hulda Hansen en over haar wedervaren.
Waarlijk als zij nog in het bezit van het loterijbriefje van Ole Kamp ware geweest, dan zou een ieder, na zich zelven eerst het groote lot toegewenscht te hebben, den tweeden prijs aan haar hebben toegedacht.
Het scheen, dat op dat oogenblik reeds verscheidene personen kennis droegen van het telegram, door het Morgenblad in zijn laatste nummer verspreid. Men sprak er met zijn buurlieden over, en weldra wist de geheele verzamelde menigte, dat de nasporingen van het adviesvaartuig de Telegraaf tot geene uitkomst hadden geleid.
Men moest dus de poging opgeven, om, al ware het ook maar een wrakstuk van de Viken, weer te vinden!
De geheele bemanning scheen bij het zinken van het vaartuig omgekomen!
De arme Hulda zou dus haren bruidegom niet weerzien! De uitspraak van het noodlot was onherroepelijk.
Een gerucht leidde een oogenblik de algemeene aandacht af. Er werd namelijk verteld, dat de woekeraar Sandgoïst er toe overgegaan was Drammen te verlaten, en zelfs beweerden ettelijken der aanwezigen hem in de straten van Christiania gezien en ontmoet te hebben.
Zou hij het dan toch gewaagd hebben, hierheen te komen? Zou hij in de zaal durven verschijnen?
Het nummer 9627. Blz. 214.
Als dat waar was, dan zou die fielt er niet gemakkelijk afkomen.
Daarop zakte zij ineen. Blz. 219.
Hij!... zou hij bij de trekking tegenwoordig zijn!.... dat was zoo onwaarschijnlijk, dat het niet mogelijk scheen.
Laten wij er evenwel dadelijk bijvoegen, dat het gerucht slechts een praatje was. Baas Sandgoïst was kalm en voorzichtig te Drammen gebleven. Dat daarvoor goede redenen bestonden, zal de lezer later wel merken.
Omstreeks kwart voor tweeën, begon er eene zekere beweging onder de volksmenigte te ontstaan.
De oorzaak daarvan was professor Sylvius Hog, die aan de buitendeur van het Universiteitsgebouw verscheen. Iedereen wist, hoezeer hij in die geheele zaak betrokken was, en hoe hij, uit dankbaarheid voor zijne redding door de kinderen van vrouw Hansen, alles in het werk gesteld had, om hen te helpen.
Men maakte dadelijk plaats voor den professor. Een vleiend gemompel werd vernomen, dat door professor Sylvius Hog met vriendelijke knikjes beantwoord werd. Het gemompel hield aan, werd al sterker en sterker en ging eindelijk in een uitbundig gejuich over.
Maar.... maar.... de professor was niet alleen.
Zij, die het dichtst in de nabijheid waren, weken terug, om nog meer plaats te maken, en toen zag men, dat hij een jong meisje aan den arm had, terwijl een jonge man hen op de hielen volgde.
Een jeugdig meisje en een jonge man! Was het niet mogelijk, dat....?
Wel zeker, was dat mogelijk!... Het was zelfs waarschijnlijk!.... Zoo dacht een ieder.
Het scheen wel dat die menigte een electrischen schok had gekregen. Hetzelfde woord drong zich op aller lippen.
»Hulda!.... Hulda Hansen!...” riepen honderden, duizenden stemmen.
Eigenlijk ontsnapte die naam aller lippen.
»Hulda!.... Hulda Hansen!....”
Ja, het was Hulda Hansen, die daar het Universiteitsgebouw was binnengetreden.
Het arme meisje kon van aandoening niet overeind blijven. Zij zou gevallen zijn, als Sylvius Hog haar niet met krachtigen arm ondersteund had. Ja, dat deed de waardige professor. Hij ondersteunde de heldin van dit feest, die evenwel haren Ole Kamp daarbij miste!
Och, hoeveel liever zou zij in hare kleine bescheidene kamer te Dal zijn gebleven!
O, hoe gaarne zou zij zich aan al die nieuwsgierige blikken, die toch zoo goedig en trouwhartig op haar gevestigd waren, hebben willen onttrekken. Maar Sylvius Hog had gewenscht, dat zij hierheen kwam, en zij was gekomen.
»Plaats! Plaats!” riep men van alle kanten.
En men drong naar alle zijden, om voor professor Sylvius Hog, voor Hulda en Joël ruimte te maken.
Hoeveel handen strekten zich niet uit, om de hunne aan te raken, om die met warmte te drukken!
Hoeveel welwillende en troostrijke woorden vernamen zij in het voorbijgaan.
Sylvius Hog kon niet nalaten bij al die bewijzen van belangstelling goedkeurend te knikken.
»Ja,” riep hij uit. »Zij is het vrienden!.... Ja, dat is de kleine Hulda, die ik van Dal hierheen gevoerd heb!”
En zich omkeerende, ging hij voort.
»En dat is Joël, haar kloeke broeder!”
De toejuichingen namen schier geen einde.
De professor maakte van een oogenblik van kalmte gebruik, om de menigte lachend toe te roepen:
»Pas dan toch op, en drukt mijne beschermelingen niet dood!”
En terwijl Joël al die handdrukken krachtig beantwoordde, werden de minder geharde handen van den professor schier verbrijzeld. Zijn oogen schitterden, hoewel er een traan van aandoening in parelde. Maar.... opmerkenswaardig verschijnsel voor de gezichtkundigen—die tranen schenen lichtgevend te zijn.
Ons drietal had een groot kwartier noodig, om het binnenplein der Universiteit door te worstelen, teneinde de groote zaal te kunnen bereiken en daar plaats te nemen op de stoelen, die door de zorgen van den professor voor hen bewaard waren.
Eindelijk gelukte dat toch, hoewel niet zonder moeite, en weldra zat Sylvius Hog tusschen Hulda en Joël. Tegen halfdrie ging eene deur open achter een verhevenheid, die in de zaal gemaakt was. De voorzitter der loterij-commissie verscheen waardig, ernstig, en met dat gebiedend uiterlijk, die bijzondere houding van het hoofd, eigen aan iedereen, die tot het aanvaarden van een presidentszetel geroepen is. Twee assessoren volgden hem met niet minder ernstige gezichten.
Daarop zag men zes kleine meisjes binnentreden, met blond haar, blauwe oogen, en ietwat roode handen.
Voorzeker de handen der onschuld, die de nummers der loterij zouden trekken.
Die zes meisjes waren daarenboven met veelkleurige linten versierd; terwijl zij een krans op het hoofd en een ruiker op de borst droegen.
Die komst werd met een zeker gemompel begroet, dat vooreerst het genoegen van de menigte moest te kennen geven bij het zien van de directeuren der loterij van Christiania, maar ook als een blijk van ongeduld was te beschouwen, omdat men hen zoolang had laten wachten. Intusschen namen de drie directeuren op de verhevenheid, daarvoor bestemd, plaats.
Hierboven werd gezegd, dat er zes meisjes waren. Zij stonden bij de zes bussen of trommels, die op eene tafel geplaatst waren, en waaruit bij elke trekking zes nummers te voorschijn gebracht moesten worden.
Die zes trommels bevatten ieder de tien nommers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 0, die de eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen, tienduizendtallen en honderdduizendtallen van een millioen vertegenwoordigden. Het is waar de loterij bestond uit een millioen loten, toch was er geen zevende trommel, maar bij dat stelsel van trekking, was men overeengekomen, dan wanneer de zes nullen tegelijk getrokken werden, die dat getal millioen zouden aanduiden, wat de kansen voor al de nummers volkomen gelijkmaakte.
Bovendien was bepaald, dat de nummers achtereenvolgens uit de trommels te voorschijn zou worden gehaald, te beginnen bij die, welke ter linkerzijde van het publiek stond. Het winnende getal zou zoo onder het oog der toeschouwers gevormd worden, eerst door het cijfer der honderdduizendtallen, daarna door dat der tienduizendtallen enz. tot dat der eenheden.
Ten gevolge van die regeling, zou, zooals de lezer wel denken kan, de spanning der menigte al meer en meer toenemen. Ieder zou toch, bij het te voorschijn brengen van een cijfer, zijne kansen zien toenemen of verdwijnen.
Klokslag drie uur maakte de voorzitter der loterij-commissie een gebaar met de hand, sloeg met een houten hamer op de tafel en verklaarde de zitting geopend.
Een gemompel, dat zeker eenige minuten duurde, volgde op die verklaring. Daarop werd het stil.
Toen stond de voorzitter der loterij-commissie op. Hij scheen zeer bewogen en sprak met haperende stem een kleine gelegenheidsrede uit waarin hij scheen te betreuren, dat niet voor ieder lot een groote prijs had kunnen bestemd worden. Hij wees op de onmogelijkheid van zoo iets en eindigde zijn improvisatie met een gelukwensch voor alle aanwezigen, zelfs voor de niet-spelers incluis.
Daarna gaf hij bevel om tot de trekking der eerste serie van prijzen over te gaan.
Deze bevatte, zooals men weet negentig prijzen, zoodat de trekking daarvan nog al tijd vorderde.
De zes kleine meisjes begonnen dus hun werk en deden dat met eene schier automatische regelmatigheid, zonder dat evenwel daardoor het geduld van het publiek uitgeput werd. Het is waar, de belangrijkheid en de waarde der te trekken prijzen rezen bij iedere trekking. In dezelfde verhouding klom ook de opgewondenheid der menigte en niemand dacht er aan, om vóór den afloop zijne plaats te verlaten. Zelfs zij bleven, wier nummers reeds uitgekomen waren, en die dus volgens de gemaakte bepalingen geen kans meer hadden.
Een uur ongeveer ging voorbij, zonder dat er iets bijzonders voorviel.
Men had trouwens de opmerking reeds gemaakt, dat nummer 9672 nog niet uitgekomen, of, beter gezegd, nog niet gevormd was. Dan zou natuurlijk aan dat lot de kans op het winnen van den prijs van honderdduizend mark ontnomen zijn.
»Dat is waarlijk een goed voorteeken voor dien Sandgoïst,” merkte een der aanwezigen in de nabijheid van professor Sylvius Hog op. »Waarlijk, een goed voorteeken!”
»Ba!” antwoordde een ander, »het zou toch te verwonderen zijn, als het groote lot hem ten deel viel!”
»Accoord, maar....”
»Maar, wat?”
»Gij kunt niet ontkennen, dat hij een uitstekend nummer bezit, een uitstekend nummer!”
»Inderdaad, een uitstekend,” antwoordde professor Sylvius Hog met een glimlach.
»Waarom, professor?” werd hem van alle kanten met den meesten aandrang gevraagd.
Zoo'n geleerde moest dat weten! Waartoe zou anders de wetenschap dienen!
»Vraag me dat niet, vrienden,” antwoordde professor Sylvius Hog.
»Waarom niet, professor?”
»Omdat ik daarop geen antwoord zou weten te geven.”
De nieuwsgierigen moesten zich daarmee tevreden stellen.
Toen begon de trekking van de tweede serie, die negen prijzen bevatte.
De aandacht werd hoe langer hoe meer gespannen. De een en negentigste prijs bedroeg toch reeds duizend mark! Eene heele som! De twee en negentigste bedroeg tweeduizend mark, de drie en negentigste drieduizend, en zoo voort tot de negen en negentigste prijs, die natuurlijk negenduizend mark gewin aanbracht.
De derde serie bestond, zooals men zich herinneren zal, uit een eenigen prijs, den hoogsten, dien van honderdduizend mark.
Het nummer 72521 won den prijs van vijfduizend mark.
Dat lot behoorde aan een braven zeeman, die in Christiania thuis behoorde. De man werd met warmte toegejuicht, en hoorde die toejuichingen met waardigheid aan.
Een ander nummer, 823752, won zesduizend mark.
Hoe groot was de blijdschap van onzen professor, toen Joël Hansen hem mededeelde, dat dit nummer toebehoorde aan de bekoorlijke Siegfrid te Bambel!
Daarna gebeurde er iets, dat het publiek in de grootste spanning bracht en tot velerlei gemompel aanleiding gaf. Toen men den zeven en negentigsten prijs trok, dien van zevenduizend mark, verkeerde men aanvankelijk in de meening, dat Sandgoïst althans voor dezen prijs door het lot begunstigd zoude worden.
Inderdaad, de twee eerste cijfers, die der duizendtallen en honderdtallen kwamen goed uit. Ook de beide andere cijfers werden uit hunne respectieve trommels getrokken, maar in omgekeerde orde, zoodat niet 9672, maar wel 9627 uitgekomen was. Het scheelde weinig niet waar, of het was het nummer van Ole Kamp. Toch was er nog altijd een verschil van vijf en veertig eenheden.
De twee volgende trekkingen brachten twee nummers te voorschijn, die zeer uiteenliepen.
Het waren de nummers 775 en 76287.
De trekking der prijzen van de tweede serie was daarmede afgeloopen. Gelukkig ook!
Want, nu bleef nog maar de laatste prijs, die van honderdduizend mark over.
De opgewondenheid der toeschouwers werd al grooter en grooter, en het zou zeer moeielijk zijn er eene beschrijving, ja zelfs een denkbeeld van te geven.
Door de geheele zaal werd een langdurig gemompel vernomen, dat zich tot op de binnenpleinen, ja zelfs tot op de straat verspreidde. Het kostte nog al tijd en moeite, voordat er eenige kalmte en stilte verkregen was.
Eindelijk gelukte dat toch. Het gedruisch verminderde langzamerhand en binnen betrekkelijk korten tijd heerschte er diepe stilte. Men had eene speld kunnen hooren vallen, zooals men gewoonlijk zegt.
Het was alsof de aanwezige menigte versteend was. Die kalmte was gedeeltelijk veroorzaakt door eene soort verstomming, zooals men wel eens gevoelt—wanneer wij hier die vergelijking bezigen mogen—als men bij voorbeeld een ter dood veroordeelde, op de plaats der terechtstelling ziet verschijnen.
Ditmaal echter was de patient—thans nog een onbekende—ter dood veroordeeld, maar wel gedoemd om honderdduizend mark te winnen, dus volstrekt niet om het hoofd te verliezen, tenzij de blijdschap hem de poets speelde om zijn hoofd op hol te brengen.
Joël Hansen keek met over de borst gekruiste armen en schier wezenloozen blik de bedrijvigheid aan. Van die geheele menigte was hij wellicht het minst opgewonden.
Hulda Hansen zat naast Sylvius Hog, maar scheen in zich zelve gekeerd. Het arme meisje dacht slechts aan haren ongelukkigen Ole Kamp. Zij zocht hem instinctmatig met den blik, alsof hij op het laatste oogenblik vóór haar zou moeten verschijnen. Dwaze gedachte, niet waar?
Wat professor Sylvius Hog betrof.... Hij.... maar het zou mij onmogelijk zijn eene beschrijving te geven van hetgeen in zijn binnenste omging.
»Thans zullen wij overgaan tot de trekking van den prijs van honderdduizend mark!” verkondigde de voorzitter plechtig.
Welk eene stem!
Zij scheen wel uil de ingewanden van dien deftigen persoon voort te komen.
Dat kwam wel een weinig daar vandaan, dat hij zelf houder was van verscheidene loten, welke nummers nog niet uitgetrokken waren, en zijn kans dus aanmerkelijk toegenomen was.
Hij gaf een wenk aan zijne beide assessoren.
Dezen brachten dien wenk over aan de kleine meisjes, bij de zes trommels gezeten.
De eerste dier geluksgodinnen trok een cijfer uit de linkertrommel en vertoonde het aan het publiek.
»Nul!” zei de voorzitter met luider stem.
»Nul!” herhaalde de assessor, die tot secretaris diende, terwijl hij het genoemde cijfer opschreef.
Die nul maakte niet veel effect; men scheen niets anders verwacht te hebben.
Het tweede meisje trok op hare beurt een cijfer uit de voor haar staande trommel en liet het ook aan het publiek zien.
»Nul!” zei andermaal de voorzitter met even luide stem.
»Nul!” herhaalde de secretaris en schreef die naast de eerstgenoemde.
Twee nullen reeds!
Dus het winnend lot zou geen honderdduizendtallen en geen tienduizendtallen bevatten! Dat was duidelijk.
Men maakte de opmerking, dat de kansen aanmerkelijk vermeerderd waren voor al de nummers, voorkomende tusschen één en negen duizend negenhonderd negen en negentig.
En het briefje van Ole Kamp voerde, zooals men weet, het getal 9672.
Het ontging de algemeene aandacht niet dat Sylvius Hog onrustig begon te worden. Hij schoof op zijn stoel heen en weer en was zoo bleek, alsof hij een aanval van zeeziekte had.
Het derde meisje trok een cijfer en hief het ten aanschouwe van allen in de hoogte.
»Negen!” kondigde de voorzitter met zijne eentonige stem aan.
»Negen!” herhaalde de secretaris even onverstoorbaar. »Negen!”
Negen!.... Dat was het eerste cijfer van het loterijbriefje van Ole Kamp!
Het vierde meisje volbracht haren plicht. Zij stak hare hand in de trommel, en....
»Zes!” riep de voorzitter uit. »Zes!”
»Zes,” herhaalde zijn echo punctueel en schreef dat cijfer op de vierde plaats op.
En inderdaad het was eene zes, die het meisje aan aller blikken vertoonde. De verschillende oogen keken scherp, en het arme kind voelde zich bevreesd. Het scheen haar dat evenveel geladen pistolen op haar gericht waren.
De kans van winnen was nu van één tegen honderd voor al de nummers, begrepen tusschen één en negen en negentig, en met zes en negentig hondertallen beginnende.
De menigte was verstomd! Alle harten bonsden.
Zou dan toch het loterijbriefje van Ole Kamp die som van honderdduizend mark in den zak van Sandgoïst, van dien ellendeling tooveren?
Waarlijk, zoo iets zou aan een rechtvaardig God doen twijfelen!
Dat kon niet!... Dat mocht niet!
Zoo waren aller gedachten!
Het vijfde meisje stak op hare beurt de hand in de voor haar staande trommel en trok het vijfde cijfer.
Alle oogen keken, alle harten klopten, allen hijgden naar adem....
»Zeven!” zei de voorzitter met eene zoozeer van aandoening gesmoorde stem, dat zij zelfs op de eerste rijen stoelen niet gehoord werd.
Maar al hoorde men niet, men zag toch, en de secretaris herhaalde op duidelijken toon:
»Zeven!”
Bovendien lieten de vijf kleine meisjes de door haar getrokken cijfers aan het publiek zien.
00967
Nu was de kans van winnen nog enger begrensd.
Zij lag thans tusschen de nummers 9670 en 9679; ze stond dus als één tegen tien.