PL. II AETHUSA CYNAPIUM.
AETHUSA CYNAPIUM. (vergroting 659×1094, 95kb)

Aesculus hippocastanum. Paarden-Kastanje. In onze streken zal men de koeijen niet vaak met kastanjes voeden; de melk, room en boter nemen, bij dit voeder, een zamentrekkenden, in het bitter overgaanden smaak aan.

Aethusa cynapium L. (pl. II.) Kleine Honds-Pieterselie, kleine dolle Kervel, wilde Eppe, wilde Pieterselie. Fransch: petite Ciguë, Ethuse. Duitsch: Gartenschierling, Glanzpetersilie, Hondspetersilie, tolle Petersilie, Krötenpeterlein, Hundsdille, kleine Schierling, faule Grete. Zij is een der vergiftige Umbelliferae of Schermbloemigen van ons vaderland, welke in Julij en Augustus bloeit. Dit gewas gelijkt in blad veel op Peterselie, maar is daarvan door een geheel anderen, walgelijken reuk te onderscheiden. Wortel en kruid zijn scherp verdoovend, verwekken maagkramp, braking, diarrhee en den dood.

PL. III ALISMA PLANTAGO.
ALISMA PLANTAGO. (vergroting 718×1457, 180kb)

Alisma plantago L. (pl. III.) Gemeene Waterweegbree, groote Waterweegbree. Fransch: Le Plantain d'eau. Duitsch: der gemeine Froschlöffel. Deze plant behoort tot de familie der Alismaceae of Waterweegbreeën; zij bloeit in de maand Julij. Men treft haar overal langs vaarten, slooten en andere wateren aan, waar zij door haar colossaal uiterlijk en hare groote eironde, gaafrandige en tot een wortelrozet vereenigde bladen spoedig in het oog loopt. Schapen, rundvee en paarden worden door het gebruik dezer plant ziek; alleen op de geiten zou zij geen werking hebben. Ook gedroogd onder het hooi is zij nadeelig; volgens Lindestolpe zou zij zelfs verlamming der achterbeenen bij het rundvee veroorzaken. Het sap der bladen is zoo scherp, dat het als blaartrekkend middel kan dienen.

PL. IV PL. IV - ALLIUM VINEALE.
ALLIUM VINEALE. (vergroting 594×1397, 90kb)

Allium vineale. (pl. IV.) Kraailook of Wijngaardslook, ook bekend als Wildlook, Hondslook, Boerenlook, Wilde Knoflook of Wilde Uijen. Dit gewas behoort tot de Lileaceae of Leliegewassen, bloeit in Julij, maar is als een waar onkruid te beschouwen, zoowel in de weiden, waar het aan melk, boter en kaas een onaangenamen sterken uijenreuk en smaak mededeelt, als op de bouwlanden, waar het den grond nog al uitput en een onaangenamen reuk aan de granen geeft.

Middelen tot verdelging bestaan er, zoover ons bekend is, geene andere dan het uitwieden.

PL. V PL. V - ANEMONE NEMOROSA.
ANEMONE NEMOROSA. (vergroting 497×842, 42kb)

Anemone nemorosa. (pl. V.) Bosch-Anemoon of Melkwortel, ook wel Bosch-Hanevoet of Windbloem geheeten. Fransch: Anémone des bois of Silvie. Duitsch: Busch-Anemone of Weisse Osterblume, behoort tot de Ranunculaceae of Boterbloemigen, bloeit in April en Mei en bevat scherpe bestanddeelen, waardoor zij blaren trekt op de huid. Zij is schadelijk voor runderen en schapen en wordt als eene der oorzaken van het bloedpissen bij runderen beschouwd. Vele soorten van Boterbloemen en Ranunculaceae in het algemeen zijn scherp, worden door het rundvee op de weiden niet gegeten en zijn alzoo schadelijk, wanneer zij versch aan het vee worden voorgeworpen. Door drooging schijnen zij echter hare scherpte te verliezen, waarom zij in het hooi onschadelijk gerekend worden. Men kan deze gewassen op de weiden overwinnen door die met schapen kort te houden, maar wanneer zij reeds in bloei staan, worden zij zelfs niet door de schapen en evenmin door de paarden gegeten.

PL. VI PL. VI - ARTEMISIA ABSINTHIUM.
ARTEMISIA ABSINTHIUM. (vergroting 613×1336, 99kb)

Artemisia absinthium. (pl. VI.) Gewone Alsem of Aalst. Fransch: Armoise, Absinthe. Duitsch: Wermuth, behoort tot de Compositae, bloeit in Augustus en wordt door het vee gegeten, maar geeft een bitteren smaak aan de melk.

Calendula arvensis. Akker-Goudsbloem werd tot nog toe niet anders gevonden dan in de omstreken van Maastricht. Volgens een duitsch schrijver kleurt deze plant de melk roodachtig, vooral wanneer het gebruik lang wordt voortgezet.

PL. VII PL. VII - CICUTA VIROSA.
CICUTA VIROSA. (vergroting 810×1202, 144kb)

Cicuta virosa. (pl. VII.) Waterscheerling; vergiftige of groote Waterscheerling; tweede Water-Eppe, ook wel dolle Kervel genaamd. Fransch: Cicutaire aquatique; Ciguë vireuse. Engelsch: the Water-hemlock. Duitsch: Wasserschierling; Wasserwütherig; Watscherling; Wehdendunk; Berstekraut; Schirle; Largenkraut.

Deze plant behoort tot de Umbelliferae of Schermbloemen; zij bloeit in Junij of Julij en groeit alleen in het water of op zijn hoogst aan de kanten der slooten, nooit op het drooge.

Hoe schadelijk deze plant voor het vee is, blijkt uit eene waarneming van Linnaeus, vermeld in zijne Flora Lapponica, waarin wij tevens een nieuw blijk hebben hoe nuttig voor den landbouwer grondige kennis der natuur is. Te Tornoa, namelijk, was eene groote sterfte onder het rundvee, vooral in het voorjaar, wanneer het voor het eerst weder op de weilanden kwam. Men had te vergeefs naar de oorzaak van deze plaag gezocht, totdat Linnaeus ontdekte dat het vee, gedurende den winter uitgehongerd, in het voorjaar den Waterscheerling tot voedsel nam. Volgens Linnaeus nuttigen paarden en geiten dit gewas zonder eenig nadeel, hetwelk Schwencke door eene opzettelijke proef bevestigd heeft. Varkens echter zouden, volgens Wepfer, nadeelige gevolgen ondervinden van het gebruik der Cicuta virosa, maar eene opmerking van Gunner spreekt dit tegen. Gadd wil zelfs opgemerkt hebben dat vee door het gebruik van water, waarin eenig sap van dezen wortel aanwezig scheen te zijn, omgekomen was. Ook voor honden, wolven en sprinkhanen is de Scheerling een doodelijk gif.

PL. VIII PL. VIII - COLCHICUM AUTUMNALE.
COLCHICUM AUTUMNALE. (vergroting 859×1141, 134kb)

Colchicum autumnale. (pl. VIII.) Najaars-Tijdloos. Fransch: Colchique d'automne; Tue-Chien. Engelsch: the common meadow Saffran. Duitsch: Herbstzeitlose; Wiesenzeitlose; Wiesensafran; Michelsblume; Lichtblume; Strockenbrod; Winterhauchen; Spinnblume; Matsafran.

Deze plant, tot de Colchicaceae of Tijdeloozen behoorende, bloeit in het najaar met eene geheel naakte rozenrood-paarsche bloem en draagt niet voor het volgend voorjaar bladen en, tusschen deze bladen, de rijp wordende vruchten. Zaden en bollen zijn voor mensch en vee een wezentlijk vergift, zoodat de plant op de weiden behoort uitgeroeid te worden. Door uitboren vernietigt men den bol. De dieren laten het gewas op de weilanden gewoonlijk onaangeroerd staan, hetwelk gelukkig is. Toch zag men in het oostenrijksche Krain er groot nadeel van voor de koeijen, doch minder in den herfst dan in andere jaargetijden. Opzetting der liezen is een van de eerste verschijnselen der ziekte. Een kalf dat van de bloemen gegeten had, stierf na twee dagen. Een huishond stierf na het gebruik van 8 grammen van den wortel. Bij de koe veroorzaakt dit gewas het verwerpen van het kalf—miskraam of vroeg-geboorte. In ons land komt deze plant enkel op vochtige weilanden langs de Maas en den IJssel voor.

PL. IX PL. IX - CONIUM MACULATUM.
CONIUM MACULATUM. (vergroting 920×1177, 127kb)

Conium maculatum L. (pl. IX.) Gevlekte Scheerling of dolle Kervel. Fransch: la grande Ciguë; la Ciguë ordinaire. Engelsch: the common Hemlock; the Kex. Duitsch: gefleckter Schierling; Hedschierling; Wuthschierling; Wütherig; Tollkorbel; Bonzenkraut; Ziegenkraut; Vogeltod; Rülberkern; Teufelspeterlein; Schornpiepe; Wagendünk.

Deze gevaarlijke plant behoort tot de natuurlijke familie der Umbelliferae of Schermbloemen; haar bloeitijd valt in de maanden Julij en Augustus. Zij komt voor langs wegen, bouwlanden en in tuinen en is zeer vergiftig. Het vee is afkeerig van haar, maar varkens, die van de plant gegeten hadden, stierven een kwartier uur later. In het hooi schijnt zij minder schadelijk te zijn. Ook schapen en geiten vreten haar zonder nadeel.

PL. X PL. X - EQUISETUM ARVENSE.
EQUISETUM ARVENSE. (vergroting 649×1263, 102kb)

Equisetum arvense. (pl. X.) Akkerpaardenstaart, ook Hermoes, Heringmoes, Roobol, Roebol, Unjer en Kattenstaart genaamd. Fransch: la Prêle des champs. Duitsch: Ackerschafthalm, Schachtelhalm, Schaftheu; Katzenwedel; Zinnkraut.

Dit gewas behoort tot de Equisetaceae of Paardenstaartigen en is in Maart of April vruchtdragend. Men acht het schadelijk voor het rundvee, maar het wordt gelukkig slechts zeldzaam in wei- en hooilanden gevonden. Geheel onschadelijk voor het vee is het Equisetum limosum, in Zuid-Holland Pijpkruid of Pijphermoes, ook Rijt geheeten, in Groningen Lidruske en Holpijp genaamd. Gevaarlijk daarentegen is het

Equisetum palustre, Hermoes, ook Heringmoes, kleine Waterpaardenstaart of Moeraspaardenstaart geheeten. In Overijssel en Noord-Holland wordt deze plant Unjer genoemd, in Zuid-Holland Kwadenaard of Kwadernaat, in Groningen en Drenthe Onnijt en Lidruske, ook Ruigebol Roobol of Roebol. Gaat men op de hollandsche namen af, dan schijnt men het Equisetum arvense en het E. palustre meermalen met elkander verward te hebben. En nu moge het E. limosum of de kleiminnende Paardenstaart onschadelijk voor het vee zijn, toch wordt geene enkele soort van Paardenstaart gaarne op het land gezien; integendeel men moet er zich op toeleggen om de weilanden van deze lastige en zeer sterk vermenigvuldigende planten te bevrijden.

Men heeft voor dit gewas het spreekwoord: „der paarden brood, der koeijen dood.” De plant is zeer schadelijk, vooral voor melkvee, dat na het gebruik minder en wateriger melk geeft. Zelfs in het hooi behoudt zij hare nadeelige eigenschappen. Men heeft opgemerkt dat de melk na het gebruik dezer plant slijmig en blaauw, soms bitter wordt. Ook geeft zij aanleiding tot het ontstaan van vele ziekten als: het verwerpen van het kalf, bloedpissen, buikloop, opblazen van den darm, vermagering, enz. Een regenbui op het hooi neemt, zegt men, iets van de schadelijke eigenschappen weg (?). Als geneesmiddel wil men zwavelzuur ijzeroxydule aangewend hebben, omdat dit ijzerzout met de looistof der plant eene onoplosbare verbinding aangaat. Wij betwijfelen echter of de looistof wel het ware schadelijke der plant uitmaakt; liever willen wij aannemen dat de tandjes, waarmede de randen der schede van dit gewas bezet zijn, eene verwonding van de maag—de boekpens—der koe veroorzaken. Die tanden zijn zeer fijn, van hoornachtige geaardheid en kunnen derhalve gemakkelijk verwonding van het ingewand teweegbrengen. Maar ook de stengel is om dezelfde of om dergelijke oorzaak gevaarlijk; men vindt op dezen stukken verhard kiezelzuur, zoo hard dat zij den nagel afvijlen.

In vele lage streken van Zuid-Holland is deze plant zoo algemeen en als schadelijk bekend, dat het land verdeeld is in kwadenaardsland en in goedenaardsland, in welk laatste namelijk het Equisetum ontbreekt; beide soorten van land worden door 8 voet diepe slooten afgescheiden, wijl bij mindere diepte der slooten de kruipende wortelstok onder den bodem der sloot doorgaat en het goedenaardsland besmet.

Onder de overige middelen om dit kwaad te beteugelen telt men, volgens van Hall; 1º eene drooge ligging van het grasland; 2º eene krachtige bemesting, vooral met varkensmest en gier, waardoor de zode in kracht toeneemt en de Hermoes onderdrukt; 3º als het blijkt dat deze middelen niet genoegzaam baten, het herhaald overrollen van het land, of het overtrekken met een zoogenaamden hort, zijnde eene ruitvormige vereeniging van kantige balken. Het, herhaaldelijk in eenen zomer, knakken der stengels schijnt dit onkruid ten laatste geheel te doen omkomen.

Behalve deze middelen raadt von Lengerke ook aan om hermoezig land over te mennen met zand, dit te mesten met varkensmest, en daarop haver en graszaad uit te zaaijen, hetwelk den wasdom der hermoes althans onderdrukt; voorts het gebruik van delfstoffelijke meststoffen, waaronder welligt het zwavelzuur ijzer te beproeven ware.

Euphorbiaceae of Wolfsmelkachtige gewassen bevatten een scherp melksap, dat bij de geringste verwonding uitvloeit. Het verwekt, in het darmkanaal gebragt, brakingen en purgeren, in grootere giften den dood door ontsteking van dat ingewand. Het inlandsche geslacht Euphorbia, Wolfsmelk, verdient meer bijzonder onze aandacht; alle soorten van dat geslacht zijn schadelijk, maar bepaaldelijk de volgende:

PL. XI PL. XI - EUPHORBIA CYPARISSIAS.
EUPHORBIA CYPARISSIAS. (vergroting 529×1375, 112kb)

Euphorbia cyparissias L. (pl. XI.) Cypresbladige Wolfsmelk. Fransch: l'Euphorbe à feuilles de Cyprès. Duitsch: Cypressen Wolfsmilch; Teufelsmilch; Hundsmilch; Krötenkraut. Zij groeit zeer algemeen in de nabijheid van den IJssel; in de aan zee gelegene, door aangespoeld land gevormde provincien, schijnt zij niet voor te komen.

Euphorbia esula L. Stompbladige Wolfsmelk, ook kleine Esula of kleine Spurge. Fransch: l'Euphorbe Esule. Duitsch: gemeine Wolfsmilch, Eselsmilch; Hundsmilch. Deze soort groeit voornamelijk langs de IJsselboorden.

Euphorbia gerardiana W. Spitsbladige Wolfsmelk. Ook deze soort groeit aan den IJsseldijk; men vindt haar langs de Lek en de Waal.

De drie genoemde soorten bloeijen in Junij en Julij, zij zijn overblijvende gewassen, die jaarlijks nieuwe stengels vormen.

Euphorbia palustris of moeras Wolfsmelk, groote Spurge, Duivelsmelk, groeit vooral in de lage weilanden van Holland.

Alle soorten van het geslacht Euphorbia zijn gemakkelijk te onderkennen, en wie ooit eene soort gezien heeft, zal ook de andere spoedig voor soorten van Wolfsmelk herkennen. Daarom hebben wij slechts eene, de Euphorbia cyparissias, afgebeeld.

Allen bevatten het scherpe, bijtende melksap in vrij groote hoeveelheid, zoodat zij zelfs tot het wegbijten van wratten gebruikt worden.

Over het algemeen laat het vee deze soort van planten onaangeroerd staan; vreet het haar, dan ziet men er al spoedig de nadeelige gevolgen van. Bij schapen ontstaat roode loop en bij het rundvee verkrijgt zelfs het vleesch een onaangenamen smaak. Volgens sommigen zou de melk der geiten door E. Esula eene purgerende werking verkrijgen. De Euphorbia peplus, de Duivelsmelk, Hexenmelk, Kroontjeskruid, kleine Spurge of Tuinwolfsmelk wordt door de schapen gegeten, doch verwekt diarrhee.

Fagus sylvatica, Beukenboom, Boekenboom, Beuk. De Beukenboom is bekend genoeg, even als de veel olie bevattende beuknoot of beukel. Volgens Haubner zijn koeken van beuknoten vergiftig voor paarden en ezels; Miquel geeft op dat zij ook voor varkens schadelijk zijn. Blijft het rundvee onder het gebruik dier koeken al gezond, dan is toch de melk waterhoudend en geeft minder kaas. Deze koeken komen echter in ons land weinig voor, omdat hier hoogst zelden olie uit de beuknoten geslagen wordt.

PL. XII PL. XII - HIERACIUM PILOSELLA.
HIERACIUM PILOSELLA. (vergroting 434×842, 35kb)

Hieracium pilosella. (pl. XII.) Muizenoor of langharig Havikskruid. Muisoor bloeit in Junij en Julij, behoort tot de Compositae en is als onkruid op de weiden te beschouwen, daar paarden en runderen het niet eten, en het voor de schapen nadeelig is; het brengt bij deze laatste dieren verstoppingen te weeg. Dit wordt bevestigd door Lengerke, die deze plant beschrijft als onaangenaam voor het vee, nadeelig werkend op de melk, en voor de schapen in het bijzonder zeer schadelijk.

PL. XIII PL. XIII - HYDROCOTYLE VULGARIS.
HYDROCOTYLE VULGARIS. (vergroting 591×780, 45kb)

Hydrocotyle vulgaris. (pl. XIII.) Waternavel of Navelkruid behoort tot de Umbelliferae of Schermbloemen en bloeit in Junij.

Het plantje is zeer scherp en hierdoor voor het vee, in het bijzonder voor de schapen, zeer nadeelig. Het veroorzaakt inwendige ontstekingen en is een der oorzaken van het bloedpissen. Men weet dat lage, moerassige weiden ongezond zijn voor de schapen; voor een gedeelte is dit toe te schrijven aan dit giftig gewas.

PL. XIV PL. XIV - MYOSOTIS PALUSTRIS.
MYOSOTIS PALUSTRIS. (vergroting 615×909, 45kb)

Myosotis palustris. (pl. XIV.) Water Muizenoor of Vergeet-mij-niet. Fransch: Myosotis vivace of Oreille-de-souris. Duitsch: Sumpfvergissmeinnicht, vindt men in de familie der Borraginaceae of Ruwbladigen, bloeit in Junij en Julij met fraaije, naar evenredigheid der andere soorten vrij groote, helder blaauwe bloemen, en groeit in moerassige oorden. Zij is schadelijk voor het vee, in het bijzonder voor de schapen, waarom men haar in Overijssel den naam geeft van Schapengal.

PL. XV PL. XV - NARTHECIUM OSSIFRAGUM.
NARTHECIUM OSSIFRAGUM. (vergroting 725×1441, 101kb)

Narthecium ossifragum. (pl. XV.) Moeras Narthecium; gele Water-Affodillen, in Groningen ook wel wilde gerst of Cipelgras genaamd. Deze plant kenmerkt zich onder de Liliaceae of Lelieachtigen terstond door het gemis van een bol en het bezit van een kruipenden wortelstok. Het Cipelgras bloeit niet in April of Mei, zoo als de meeste Lelieachtigen, maar in Julij of Augustus. In veenachtige streken en op de eigenlijke hooge veenen is het lang niet zeldzaam. Zoo als de latijnsche soortsnaam aanwijst, zou het eten van deze plant de beenderen van runderen en schapen week maken en ten laatste doen breken. Hoewel dit nu, volgens de Gorter, door de ondervinding hier te lande niet bevestigd is, zoo wordt zij evenwel voor eene voor het vee schadelijke plant gehouden, ook in het Westerwoldsche. Een kundig waarnemer heeft evenwel aan den hoogleeraar Kops verzekerd dat het rundvee, hetwelk weidt op de Bergumerheide, waar deze plant in groote menigte groeit, ten laatste zeer zwak in de beenderen wordt, zoo dat van sommigen de pooten breken.

PL. XVI PL. XVI - OENANTHE FISTULOSA.
OENANTHE FISTULOSA. (vergroting 914×1201, 86kb)

Oenanthe fistulosa L. (pl. XVI.) Pijpachtig Torkruid; welriekende Waterbiezen. Fransch: l'Oenanthe fistuleuse. Duitsch: Tropfwarz; Wasserstein; breitröhrige-Rebendolde; Drüswurz.

Het pijpachtig Torkruid, een der Umbelliferae of Schermbloemen, groeit op vele plaatsen aan de kanten der slooten en in vochtige weilanden. Het bloeit in Julij en Augustus. Deze plant is schadelijk voor het rundvee; de wortel vooral is vergiftig, en, als de bladeren door de runderen gegeten worden, dan verkrijgt de boter hierdoor een scherpen en onaangenamen smaak. Ook het verschilbladige Torkruid, hier en daar bevernelbladig T. genaamd, oenanthe pimpinelloides L., is een inlandsch en waarschijnlijk schadelijk gewas.

PL. XVII PL. XVII - PARIS QUADRIFOLIA.
PARIS QUADRIFOLIA. (vergroting 615×926, 55kb)

Paris quadrifolia L. (pl. XVII.) Vierbladig Pariskruid. Fransch: Parisette; Etrangle-loup. Engelsch: Oneberry. Duitsch: die Einbeere; Wolfsbeere; Wolfskirsche; Einbeerkraut; Sternkraut; Parisbeere; Schweinsauge; Sauauge.

De vierbladige Paris is eene der vreemdste Eenlobbigen van ons vaderland, en onder de Aspergieachtige planten vooral gekenmerkt door hare bloembekleedselen, die uit twee kransen van in het geheel niet op elkander gelijkende blaadjes bestaan, en dus eigenlijk een waren kelk en eene bloemkroon, en geen bloemdek vertegenwoordigen. Zij bloeit van Mei tot Junij en na den bloeitijd vindt men op de plaats der bloem eene groote blaauwzwarte bes.

De plant heeft verdoovend vergiftige eigenschappen en is ook eenigzins scherp. De versche bladen en bessen hebben een onaangenamen en verdoovenden, de wortel een meer vlugtig scherpen reuk; de wortel is braakverwekkend en de bladen werken als een scherp purgeermiddel. Voor het rundvee en de vogels is deze plant vergiftig.

PL. XVIII PL. XVIII - PEDICULARIS PALUSTRIS.
PEDICULARIS PALUSTRIS. (vergroting 503×1175, 94kb)

Pedicularis palustris. (pl. XVIII.) Moeras Kartelblad; IJzerhorde; roode Horte; roode Schartelen of Honger; Fistelkruid of Luiskruid. Fransch: Pédiculaire des marais. Engelsch: Rattle. Duitsch: Sumpf-Laüsekraut.

Het moeras-Kartelblad wordt gebragt tot de familie der Rhinanthallae of Rinkelbloemen; het bloeit van Mei tot Julij. Pedicularis palustris is eene der schadelijkste planten onzer moerassige graslanden, vooreerst omdat zij door het meeste vee niet gegeten wordt, en ten tweede omdat zij, na werkelijk genuttigd te zijn, aanleiding geeft tot het ontstaan van verschillende kwalen. Bij de schaapherders staat deze plant in zeer slechten naam; zij brengt eene soort van waterzucht bij het wolvee teweeg, waarvan slechts zeer weinig dieren herstellen.

Miquel noemt deze, evenals de andere soort van Kartelblad, het bosch-Kartelblad, onder de scherpe planten, welke hevige toevallen, diarrhee, bloedpissen en ontsteking der ingewanden bij het vee veroorzaken. Hij verhaalt dat het poeder, als middel tegen ongedierte op het hoofd van den mensch gestrooid, nadeelige gevolgen teweeg brengt; dat daarentegen geiten geen nadeel van de plant ondervinden, die, volgens Poiret, mede door varkens gegeten wordt.

PL. XIX PL. XIX - POLYGONUM HYDROPIPER.
POLYGONUM HYDROPIPER. (vergroting 855×1443, 84kb)

In het algemeen moet men trachten het Kartelblad zoo veel mogelijk uit te roeijen, wat men het best zal verkrijgen door aan het land een zoo veel doenlijk drooge ligging te geven. Door hoogen ouderdom wordt de stengel hard, dat bij het maaijen van het gras last geeft en welligt met den naam van ijzer horde of horte in verband staat.

Polygonum hydropiper. (pl. XIX.) Waterpeper of scherpe Duizendknoop bloeit van Julij tot September en wordt gerangschikt onder de veelknoopige planten of Polygonaceæ. In Groningen wordt deze plant Bittertong genaamd. De schapen laten haar staan, maar bij het rundvee veroorzaakt zij in kleine giften bloedpissen, bij grooter hoeveelheid genomen ontsteking der ingewanden.

Ranunculaceæ, zie Anemone nemorosa.

PL. XX PL. XX - SECALE CORNUTUM.
SECALE CORNUTUM. (vergroting 261×1240, 60kb)

Scleratium clavus; Sphacelia segetum of Secale cornutum. (pl. XX.) Moederkoorn; Spoor; Hanespoor; Kraaijenbekken; Ooijevaarsbek; Hanepooten; Wolfstand; Zwarte Broodjes. Fransch: l'Ergot. Eng.: the Spur. Duitsch: das Mutterkorn.

Men vindt dit product op de graangewassen en het meest algemeen op de rogge, ook op een groot aantal inlandsche grassen. Bij het schoonen van de rogge moet het Moederkoorn weggeworpen en niet te gelijk met het uitschoonsel tot veevoeder gebruikt worden, omdat er voorbeelden bekend zijn dat dragtige koeijen en schapen, na het gebruik dezer zelfstandigheid, hare jongen verworpen hebben. Na lang voortgezet gebruik ontstaat de ziekte bekend onder den naam van droog versterf.

PL. XXI PL. XXI - SIUM LATIFOLIUM.
SIUM LATIFOLIUM. (vergroting 829×1333, 114kb)

Sium latifolium. (pl. XXI.) Breedbladerige Watereppe, bloeit in Julij en Augustus, behoort tot het geslacht der Umbelliferae of Schermbloemen en heeft, gelijk de meeste soorten van Watereppe—Sium—schadelijke eigenschappen voor het rundvee en de schapen. De wortel is vooral in den herfst nadeelig. Paarden eten haar zonder letsel. Zij groeit op vele plaatsen aan de kanten der slooten.

Taxus buccata, Taxis of Taxus, ook wel Venijnboom geheeten. Fransch: l'If. Eng.: Yew-tree. Duitsch: Eibenbaum, Ifenbaum. Hoezeer deze plant eene uitlandsche is, wordt zij niet zelden tot heggen aangekweekt. De bladen en takjes van dezen boom zijn stellig vergiftig. Voor het rundvee is het versche kruid nog nadeeliger dan het gedroogde. Paarden, rundvee, schapen en geiten vreten het loof gaarne, maar men heeft opgemerkt dat zij na het gebruik plotseling neervallen en sterven. Vele zulke voorbeelden vindt men opgeteekend. In geringe hoeveelheid genuttigd geeft de plant aanleiding tot afscheiding van bloederige melk en van bloed in de piswegen.

Uredo rubigo. Roest. Onder de onvolkomenste der zwammen zijne vele woekerplanten, welke op bladeren, stengels en vruchten gevonden worden. Tot deze behoort ook de Roest, welke zich voor het bloote oog voordoet als oranje-kleurige stippen en strepen op het blad van vele granen en grassoorten, doch welke, bij het gebruik van een vergrootglas, blijkt gevormd te worden onder de opperhuid der plant, welke opperhuid dan bij verderen groei openbarst, zoodat de oranje-kleurige zaadkiemen der roestplant als een fijn poeder te voorschijn komen. In het najaar is de Roest op de grassen onzer weilanden soms zoo overvloedig, dat de schoenen, bij het loopen over het gras, geheel oranje-kleurig worden. De onderste bladen der granen zijn dikwijls roestig, maar als deze Roest tot de hoogere bladen, de stengels en de aar zelve opklimt, wordt het gewas hierdoor aanmerkelijk benadeeld. De ondervinding heeft voorts bij herhaling geleerd dat het gebruik van roestig stroo tot voeder menigmaal oorzaak was van gevaarlijke ziekten bij het vee.


Ongesteldheden der koe; gebreken van de melk.

Zal men goede kaas maken, dan moet men—wij hebben het reeds meermalen gezegd—deugdzame melk hebben, welke laatste alleen van gezonde koeijen verkregen wordt. Is de koe ernstig ziek, dan houdt meestal de melkafscheiding op, en de boer raadpleegt den veearts; maar er zijn vele ligte ongesteldheden, die wezenlijken invloed hebben op de zamenstelling der melk, en in den regel door den landbouwer kunnen worden verholpen, wanneer zijne aandacht slechts op die gebreken gevestigd wordt.

Een verstandig landbouwer zal zijn vee dagelijks nazien; de minder ijverige ontvangt eene waarschuwing, wanneer hij gebrekkige kaas begint te maken. Beiden kunnen nut hebben van enkele hier volgende opmerkingen, de een bij het dagelijksch onderzoek van zijn vee, de ander, wanneer hij, op de markt minder geld voor zijne kaas ontvangende, opschrikt uit zijne zorgeloosheid.

Wilden wij hier echter alle, of zelfs maar de ligtere ongesteldheden, waar aan de koe onderhevig is, behandelen, ons werk zou meer hebben van een handboek over veeartsenijkunst, dan van eene handleiding om goede kaas te maken. Wij moeten ons hier derhalve meer bijzonder bepalen tot de deelen der koe, die met de melkafscheiding in het naauwste verband staan.

En die deelen zullen meer aan ziekte onderhevig zijn, dan elk ander orgaan der koe; dat ligt in den aard der zaak. In den uijer van de melkgevende koe is in zekeren zin een verhoogd leven werkzaam; het bloed stroomt in grooter hoeveelheid naar het geprikkelde, dan naar eenig ander orgaan. De mensch tracht tot zijn voordeel dien prikkel te onderhouden, zoo mogelijk te verhoogen, zoo dat een niet gering gedeelte van het dagelijksch voedsel der koe in den vorm van melk terug ontvangen wordt. Een dier, dat zoo behandeld wordt, kan natuurlijk minder weerstand bieden aan nadeelige invloeden.

Wij zullen hier in de eerste plaats spreken over enkele ziektetoestanden van den uijer, vervolgens over de veranderingen, welke de afgescheidene melk ondergaat—gebreken der melk—.

De uijer is een zeer vaatrijk orgaan; krachtige slagaderen voeren het bloed in groote hoeveelheid aan: dat is noodig, zal er veel melk worden afgezonderd. Het bloed, dat de bestanddeelen tot vorming der melk gegeven heeft, wordt door de aderen teruggevoerd, om in de longen gezuiverd te worden en telkens nieuwe bestanddeelen uit het voedsel op te nemen. Stoornissen in den afvoer van het bloed geven ophoopingen, hyperaemieën genaamd.

Bij het begin van dit lijden neemt men zwelling van den uijer waar; de omvang van dit orgaan is aanzienlijk vermeerderd. De warmtegraad der huid, die den uijer bekleedt, is in den beginne iets hooger, later komt de normale temperatuur terug. Ook bemerkt men zelden eene meerdere roodheid der huid.

De uijer verraadt in het eerste tijdperk eene grootere vastheid, maar de gewone veerkracht is niet te loor gegaan. In het geheele orgaan kan men eene verhoogde spanning waarnemen. Drukt men met den vinger een kuiltje in den uijer, dan verdwijnt dit terstond, nadat men met drukken ophoudt. De dieren geven geene bewijzen van pijn, zelfs niet als men den uijer drukt of hem uitmelkt.

De melkafscheiding heeft regelmatig plaats; deze is geelachtig van kleur, heeft den eigenaardigen reuk van biest—colostrum—en reageert nu eens zwak alcalisch, dan weder neutraal. De hoeveelheid is verminderd.

Na verloop van een of twee dagen ontstaat er zuchtige zwelling, welke in regte reden is tot den graad der ongesteldheid en hare uitbreiding. Het gezwel geeft toe aan de drukking van den vinger; er ontstaat eene verdieping, welke eerst langzaam weder verdwijnt. Die zwelling bespeurt men het eerst bij het onderste, digt bij de spenen gelegen gedeelte. Bij hoogere graden der ziekte strekt zich de zwelling tot de schaamdeelen en onder het lijf tot den navel uit.

Was de ziekte van ligter graad, dan vermindert de omvang der zwelling na vier of vijf dagen, als wanneer de werking der klier meer geregeld geworden is, en de laatste sporen verdwijnen meestal voordat acht dagen verloopen zijn; alleen bij ernstiger lijden kan het gebrek veertien dagen aanhouden.

De hier beschrevene soort van ophooping—hyperaemie—komt meestal voor bij koeijen, die pas gekalfd hebben; de zetel der ongesteldheid is het onderhuids-celweefsel. Maar ook het celweefsel van den uijer, het dieper gelegen weefsel kan aangedaan worden. Dit laatste neemt men waar bij koeijen, die geruimen tijd geleden gekalfd hebben. Dan treedt de ziekte plotseling, zonder voorboden op. Koude vatten, togt, verhitting zijn de aanleidende oorzaken.

De ziekte begint met zwelling van den uijer, even als in het vorig geval. Maar die zwelling, welke zich eerst over het geheele orgaan uitstrekte, verdwijnt gedeeltelijk, zoodat zij meestal in het vierde gedeelte van den uijer blijft bestaan. De speen in dit gedeelte gelegen geeft zieke melk.

Zeldzaam bespeurt men zuchtige zwelling—oedeem—; het gezwel zelf is veerkrachtig; bij de aanraking met de hand geeft het dier teekenen van pijn, vooral wanneer de aanraking geschiedt op het gedeelte van den uijer, waarin het gezwel gelegen is. De warmtegraad is meestal niet verhoogd; ook neemt men geene roodheid der huid waar. Behalve de zwelling is de vermindering der melk uit de zieke speen het meest kenschetsend teeken van het lijden. De melk uit die speen genomen is bij het begin der ziekte bloederig.

Het vocht, dat zich bij den aanvang der ziekte in de melkaderen van het aangedane deel ophoopt, heeft veel overeenkomst met bloedwei, waarin geronnen kaasstof aanwezig is. Ook vindt men eiwit, melkkogeltjes en epitheliumcellen.

Het beloop van beide ziektevormen is meestal goedaardig; ook zonder het gebruik van geneesmiddelen houdt het lijden weldra op. Na vier tot acht dagen zien wij de zwelling, ook al heeft zij een verontrustenden omvang aangenomen, van zelf verdwijnen; na dien tijd is maar zelden een spoor van zwelling in den omtrek van den navel of aan den uijer boven de spenen waar te nemen. Het langst blijft het bewijs van vroeger lijden bij de melk, uit de zieke speen, bestaan. De hoeveelheid der melk blijft geringer en het microscoop kan 8 tot 12 dagen na het verdwijnen der zwelling nog colostrum-ligchaampjes in de melk aantoonen.

In den regel loopen beide genoemde ongesteldheden gunstig af, en heeft men geene geneesmiddelen noodig. Wel trachte men alles, wat nadeeligen invloed op den uijer kan uitoefenen, te vermijden of te verwijderen. Doet men dit, dan zal slechts zelden ontsteking ontstaan. Natuurlijk geve men, gedurende den loop der ziekte, geene sterk voedende zelfstandigheden; hierdoor vermindert men den aandrang van bloed naar den uijer. Wanneer ten gevolge van den grooten aandrang bloedvaten springen en bloed in den uijer uitstorten, dan vermindere men zelfs de hoeveelheid van het ligt verteerbare voedsel, en geve men bij tragen stoelgang een afvoerend middenzout, zwavelzure soda of zwavelzure magnesia. Is de uijer bij aanraking bijzonder gevoelig, dan kan men baden of omslagen van een lauw warm lijnzaad-afkooksel bezigen; blijft de gevoeligheid bestaan, dan voegt men bij die omslagen een aftreksel van hyosciamus of belladonna. In zulk geval zij men oplettend dat de uijer niet door een kouden luchtstroom getroffen wordt. Zelden heeft men de omslagen langer dan drie of vier dagen voort te zetten. Ook ledige men herhaalde malen den uijer, waardoor men voorkomt dat de geronnen kaasstof zich in de melkaderen ophoopt.

Is het dier hersteld, dan ga men slechts langzaam tot meer voedend voedsel over. Wordt deze regel in den wind geslagen, dan herhaalt zich de aandoening van de melkklier en loopt men bovendien gevaar om de maag van het dier te overladen.


De ontsteking van den uijer is de tweede ziekte, waarop wij hier moeten wijzen. De melkklieren bestaan uit de eigenaardige klierzelfstandigheid, uit cel- en vetweefsel. In elk dezer weefsels kan ontsteking ontstaan. Meestal is het celweefsel de zitplaats van het lijden, maar al blijft de klierzelfstandigheid vrij, daarom houdt niet te min vaak, door de storing van den bloedsomloop, de melkafscheiding op. Door de zwelling van het celweefsel nemen de klieren, ja, de geheele uijer in omvang toe. Uitwendige kenteekenen of het eene of het andere zamenstellende deel van den uijer in het lijden begrepen is, bestaan er niet, en zijn voor ons doel ook minder noodig.

De oorzaken, welke de ontsteking van den uijer kunnen te voorschijn roepen, zijn menigvuldig. Den aanleg tot ontsteking bij het dier noemen wij in de eerste plaats; vervolgens invloeden, welke niet alleen den uijer, maar het dier zelf treffen, zooals kou vatten, enz.

Deze ziekte ontstaat vooral bij vochtig koud weder, dat in het algemeen catarrhale, rheumatische ziekten te voorschijn roept, en groote afwisseling van temperatuur. Op stal loopen de dieren gevaar, wanneer zij aan den togt zijn blootgesteld. Maar ook ten gevolge van andere ziekten, van uitslag ziekten, pokken, het klaauwzeer, wordt ontsteking van den uijer geboren. Uitwendige beleedigingen, stooten, slaan zijn soms de oorzaak der ziekte.

De ontsteking van den uijer is nu eens snel verloopend—acuut—, als wanneer een algemeen lijden de plaatselijke aandoening voorafgaat, dan weder is zij langzaam in haar beloop—chronisch—, en ziet men geen algemeen lijden voorafgaan.

In het eerste geval zijn beide klieren of althans een groot gedeelte der eene aangedaan; in het ander geval beperkt zich het lijden tot geringer omvang, maar breidt zich toch later van het lijdende gedeelte over den geheelen uijer uit. De kenteekenen, welke de plaatselijke aandoening voorafgaan, zijn: vermindering van den eetlust, onregelmatig herkaauwen; het haar is zonder glans en staat overeind; de blik van het dier is niet helder. Het slijmvlies van den neus en het bindvlies van het oog zijn rood, de pols is vol, golvend, tamelijk hard en snel, de adem kort en versneld. De drekstoffen hebben grooter zamenhang. Al gaat de pislozing regelmatig, toch is de hoeveelheid der pis verminderd en hare kleur donkerder dan gewoonlijk. Nu en dan hebben de koeijen een aanval van koude, kenbaar aan het sidderen der ledematen en de spieren van den schouder en van het achterste gedeelte van den buik. De temperatuur is over het ligchaam ongelijk verdeeld, zoodat de ooren, de horens en de pooten nu eens koud, dan warm zijn. De dieren zijn zeer gevoelig voor knijpen in de huid; drukt men den rug met de hand, dan zoeken zij die drukking, hoe zacht die ook zij, te vermijden.

Aan den uijer is in dit tijdperk nog geen enkel teeken van ophanden ziekte merkbaar; alleen de melkafscheiding is verminderd. Veelal worden deze voorboden en de eerste kenteekenen van aanstaande ontsteking der melkklieren over het hoofd gezien. Men wordt eerst opmerkzaam, wanneer de uijer aanmerkelijk gezwollen is en de dieren hardnekkig elke aanraking weigeren. Dit heeft meestal den volgenden of den derden dag plaats.

Het deel van den uijer, dat door de ontsteking is aangedaan, is gezwollen, hard en heet; meestal is de huid rood. Aanraking van het zieke deel veroorzaakt belangrijke pijn; geen wonder dat het dier door trappen en slaan die aanraking zoekt te ontgaan. Is een grooter deel van den uijer ontstoken, dan geven de dieren groote onrust te kennen; zij trippelen heen en weer, rusten nu eens op den eenen, dan op den anderen poot, gaan liggen, maar staan even spoedig weer op, daar het zieke deel bij het liggen gedrukt wordt, en geven door steunen de pijn te kennen. In het zieke deel is de afscheiding der melk geheel, in het andere bijna geheel opgeheven.

Heeft de ziekte haar hoogste punt bereikt, dan is de blik mat, de bek droog, de pols hard, vol en zeer versneld, het haar zonder glans, de huid droog, strak, de eetlust bijna geheel verdwenen. Het herkaauwen blijft achterwege, ofschoon de dorst verhoogd is; de drekstoffen blijven terug of zijn hard en met slijm bedekt. De spenen hangen slap neder.

Dit duurt zoo drie of vier dagen; de zwelling van den uijer neemt zelfs nog toe, strekt zich van achter en in de hoogte, van onder tot aan den navel en het borstbeen uit. Na het optreden van deze zuchtige zwelling—oedeem—kan men uit de spenen eene geringe hoeveelheid troebel vocht melken. Uit de speen van het zieke deel erlangt men bij het melken geronnen kaasstof en gele of geelachtig witte wei; in zeldzame gevallen is dit vocht met bloed vermengd. Soms kan men bij het melken noch vloeistof, noch kaasstof verwijderen, en toch voelt men boven de speen een hard ligchaam. In zulk geval brengt men den melkcatheter of eene sonde in het melkkanaal. Deze komt met de geronnen kaasstof in aanraking, en men is in de gelegenheid haar terug te schuiven, in gunstige gevallen haar fijn te stooten.

Na den vierden of den zesden dag neemt de kracht der ontsteking af; de zwelling verdwijnt langzamerhand en het dier herstelt. Soms is dit niet het geval; de ontsteking neemt toe, tot naziekten of de dood volgt. Voor het zoo ver komt heeft de melkboer, die zijn belang kent, het dier aan den slagter verkocht; met het oog op ons onderwerp behoeven wij ons derhalve niet verder in deze naziekten te verdiepen.

Herstelt de koe, dan komt de ontsteking tot oplossing, dat is, de zwelling wordt minder en minder en verdwijnt eindelijk geheel en al. Soms blijven er knobbels in den uijer, die eerst bij het opvolgend droogstaan der koe langzaam wegslinken; in andere gevallen zijn de knobbels blijvend, waardoor een grooter of kleiner deel der melkklieren voor de afscheiding van dit edel vocht te loor gaat. Verloopt alles gunstig, dan is de koe in vier of vijf weken hersteld; maar voor dien tijd mag de melk niet tot kaasbereiding worden aangewend.

In andere gevallen is de ontsteking zoo hevig, dat zich abcessen vormen: komt de etter in de melkkanalen, dan vindt men haar ook in de melk en later in de kaas; geen wonder dat zulks tot bederf aanleiding geeft.

De ontsteking van den uijer kan ook slepend zijn; dan gaan er slechts zelden algemeene verschijnselen vooraf, en men herkent haar aan de pijn, die de koe bij het melken te kennen geeft, aan eene geringe mate van zwelling en aan stoornis in de melkafscheiding. Ook hier begint het lijden bij een gering gedeelte der klier en breidt zich langzamerhand over den halven uijer uit, zoo dat de melk van een, twee of drie spenen gezond kan zijn.

De veranderingen, welke de melk ondergaat, hebben betrekking op de hoeveelheid en de hoedanigheid. Hoe vaak gebeurt het niet dat men die in het eerst over het hoofd ziet. Dan toch is alleen de hoeveelheid verminderd. Dit verschijnsel moet den boer opmerkzaam maken, want weldra verandert de hoedanigheid en drijft de geronnen kaas in de melk. Eindelijk verdwijnt ook de kaas en erlangt men eene vloeistof, welke met eiwit overeenkomst heeft.

In twee of drie, hoogstens in vier weken heeft deze ontsteking zoo zeer aan uitbreiding gewonnen, dat de helft der melkklier voor de melkbereiding verloren is. Het dier geeft in dit tijdperk weinig teekenen van pijn, maar aan den uijer voelt men duidelijk den verharden knobbel.

In den regel wordt door den boer te weinig gelet op de slepende ontsteking; hij herkent eerst het lijden, wanneer het zijn hoogste punt bereikt heeft, en in al dien tijd werd de zieke melk mede verwerkt!

Gaven wij in het eerste gedeelte de zamenstelling van gezonde melk op, hier moge eene ontleding van melk eener koe, lijdende aan slepende ontsteking, hare plaats vinden. De onderzochte vloeistof bevatte op 100 deelen

water 92,976
vaste bestanddeelen 7,024

De 7,024 vaste bestanddeelen bestonden uit

eiwit5,299
kaasstof0,604
melksuiker en alcoh. extr.0,293
inorganische
bestanddeelen
    met albumine verbonden 0,073
caseine 0,121
   
alcoh. extr. 0,211
vet0,423

Uit de groote hoeveelheid eiwit en het uiterst gering gehalte aan kaasstof schijnt men te mogen besluiten, dat het onderzochte vocht veel bloedwei bevatte. Wij zagen reeds dat de bloedwei bij gewone hyperæmie eene gewigtige rol speelt; daar kwam zij echter in minder, hier in veel grooter hoeveelheid voor.

Naarmate de ziekte tot genezing neigt, vermindert het eiwit en wordt het gehalte aan kaasstof grooter, tot eindelijk de hoedanigheid weder die van goede melk is. De hoeveelheid echter blijft voortdurend geringer.

Het microscopisch onderzoek der melk van koeijen, die aan hyperæmie of aan ontsteking van den uijer lijden, heeft het volgende opgeleverd: in het eerste tijdperk vindt men behalve geronnen kaasstof vetdeeltjes, later klier-cellen en gedeelten van cellen uit de grootere kanalen; stukjes epithelium uit de melkvaten en de spenen zijn lang niet zeldzaam. De eerste vindt men ook bij het begin der ontsteking, wanneer men om de geronnen kaasstof weg te nemen, sterk op de spenen en het daarin loopend kanaal gedrukt heeft. De geronnen kaasstof vormt zich meestal in de grootere melkkanalen; dit geschiedt vrij snel, daar men die stof geregeld in de melk vindt, al ledigt men den uijer ook elk uur. Dat wrongel in den uijer ontstaat is toe te schrijven aan de gebrekkige bereiding der melk in deelen der klier, die wel vrij zijn van ontsteking, maar toch niet alle stoffen kunnen opleveren, zooals zij in gezonde melk voorkomen; ten anderen stroomt het bloed niet geregeld en in voldoende hoeveelheid door het klierweefsel: welligt ontstaat hier eene fermentstof.

De vloeistof reageert meestal alcalisch; men kan derhalve niet zeggen dat het zuurgehalte de kaasstof doet stremmen. In weerwil van die alcalische reactie zijn echter sommigen geneigd aan te nemen dat de melksuiker ontleed wordt en zoo oorzaak is van het stremmen. 't Is waar, men vindt in de vaste bestanddeelen der zieke melk slechts een gering gehalte aan melksuiker en, naarmate de melk langer in den uijer verwijlt, neemt de hoeveelheid gestremde kaasstof toe.

Ons onderwerp brengt niet mede om over de behandeling dezer ziekte uit te wijden; men trachte de oorzaken, die haar ontstaan bevorderen, weg te nemen en het algemeene lijden te verzachten. Het eerste door het dier op stal te houden, het laatste door een purgeermiddel van eenig middenzout—zwavelzure soda bijv.—te geven. De uijer wordt gebaad en gestoofd, de melk meermalen daags weggenomen, enz. Later legt men op den uijer een meelpap met watten en dekt het dier met een wollen deken, zoodat de uijer voor togt gespaard blijft. Voorts zorge men voor ligt voedsel, zooals wij dit bij de vorige ziekte aanbevolen hebben.

Ook bij de slepende ontsteking zorge men voor herhaald uitmelken, en wrijft men het zieke deel met olie, of eene jodium bevattende zalf in.


Lijden de koeijen aan mond- of klaauwzeer of pokken, dan is meestal ook de uijer in lijdenden, ontstoken toestand. En geen wonder, het gedurig melken, dat de dieren in die gevallen veel pijn veroorzaakt, rijt de vroeger ontstane zweertjes telkens weer open, zoodat zij al dieper en dieper worden. Soms is de geheele speen eene etterende oppervlakte. Herstelling kan men alleen dan verwachten, wanneer men den melkcatheter aanwendt, zoodat de prikkel der hand achterwege kan blijven.

Soms echter, vooral bij pokken, is de ziekte zoo gering, dat zij over het hoofd gezien wordt, en men begrijpt dat dit op de kaasbereiding weer een nadeeligen invloed moet hebben. Ook op het algemeen lijden, dat aan de pokken voorafgaat, wordt vaak te laat de aandacht gevestigd.

Bij de koe komen ook valsche pokken, verhevenheden, die overeenkomst met pokken hebben, voor. Zij bezitten niet de smetstof van ware koepokken en zijn ook niet geschikt om voor den mensch als vaccine te dienen. Niettegenstaande dat besmetten zij de melk als zij aan den uijer of de spenen voorkomen.

Bij klaauwziekte komt spruw—aphthae—aan de spenen voor. Ook hier ontstaan zweren als de spruw door de hand van den melker voortdurend geprikkeld wordt. Daarom doet men beter ook hier den melkcatheter aan te wenden.

Neemt men zijn toevlugt tot geneeskrachtige kruiden of smeersels, dan kan er van deze laatste iets in de melk komen, en men loopt al weder gevaar om gebrekkige kaas te maken; daarom gebruike men de melk van zulke zieke dieren niet als voedsel voor den mensch.


Tot de ziekten van den uijer behooren ook de wratten—verrucae—. Er zijn slechts weinig koeijen geheel vrij van wratten; meestal zitten deze uitwassen op de spenen, zeldzamer op de huid van den uijer, nog zeldzamer in de kanalen der spenen. Deze wratten zijn van twee tot vijftien mM. lang; aan de grondvlakte hebben zij eene doorsnede van een tot vier millim. De wratten, welke zich op den uijer, tusschen de spenen, ontwikkelen, hebben in enkele gevallen de grootte van een kinderhoofd. Wanneer deze een grooten omvang bereiken, maken zij het melken moeijelijk.

De wratten zijn in het algemeen uit hoornachtig weefsel gevormd; bij de grootere komt een sterk ontwikkeld vaatstelsel voor; deze bevatten ook meer celweefsel en hebben soms zachte, gele plekken, welke bij nader onderzoek holten blijken te zijn, gevuld met weeke, gele stof, overeenkomende met etter. Ontlast zich die etter naar buiten, wat bij het melken of het wrijven, schuren der beesten gemakkelijk geschiedt, dan verontreinigt hij de melk.

Kleine wratten knipt men af, en stipt de wond met helschen steen aan. De groote, weeke wratten laten zich niet dan met het mes verwijderen, maar men doe het liefst als de koe droog staat.


Beursgezwellen, cysten, komen over het algemeen zeldzaam aan den uijer voor; zij vormen zich in het inwendige der klier en worden uitwendig niet waargenomen. Ligt het beursgezwel in een enkel geval zoo, dat het weggenomen kan worden, dan nog willen wij niet op de kunstbewerking aandringen, tenzij het openraakt en eene etterende oppervlakte blootligt; alleen in dat geval kan de melk verontreinigd worden.


Eene andere hiertoe behoorende vorming is het vleeschgezwel—sarcoma—, dat, hoezeer menigmaal bij de koe opgemerkt, zelden aan den uijer voorkomt. Is dit echter het geval, dan wordt de melkafscheiding geringer; zij verandert bovendien van hoedanigheid, bijaldien er ten gevolge van sarcomatosis algemeen lijden ontstaat. En wijl de voorspelling onder zulke omstandigheden ongunstig is, doet men het best de koe onmiddelijk te slagten, voor dat vermagering gevolgd is.

Ook kanker komt soms aan den uijer voor; hier geldt wat boven gezegd is over sarcoma: slagten voor dat vermagering intreedt.


Wordt de uijer gekwetst of beschadigd door stooten, slaan, het trappen van andere dieren, door beten van honden en dergelijken, dan ontstaan menigmaal etterende wonden. Is de uijer inwendig beleedigd, dan kan de etter in de melkkanalen komen; is de wond uitwendig gelegen, dan mengt zich het afgescheiden vocht met de melk, zoo de melker niet bijzonder omzigtig te werk gaat. In beide gevallen ontstaan gebreken in de kaas.

Andere gebreken, zooals het gesloten zijn der spenen, verslapping der banden van den uijer, het van zelf uitloopen der melk uit de spenen en dergelijke meer, gaan wij stilzwijgend voorbij. Alleen de melksteenen verdienen bijzondere vermelding. Komen toch deze voor de opening van het afvoeringskanaal der melk, dan heeft men moeite om den uijer goed uit te melken; en blijft er op den duur melk terug, dan verandert deze in hoedanigheid, stremt soms in den uijer en bederft in elk geval de andere gezonde melk. Laat zich de koe niet gewillig melken, dan zij men ook op dit gebrek, hoezeer het zeldzaam voorkomt, bedacht.

Voor wij van dit onderwerp afstappen, moeten wij melding maken van een nimmer falend teeken, dat den opmerkzamen melkboer bij tijds waarschuwt; het is de hoeveelheid der melk, welke het dier geeft. Geen enkel orgaan van het ligchaam der koe is zoo gevoelig voor de minste stoornis als juist de melkklier. De geringste verandering in de verpleging van het dier wordt merkbaar door de mindere hoeveelheid melk, welke het geeft. Bij het dier zelf bespeurt men geen het minste teeken van ziekte of onbehagen, integendeel, het is lustig en moedig, en toch is de hoeveelheid melk verminderd. Laat de koe, die gewoon is op stal te staan, buiten gelaten worden om te drinken of om den stal te reinigen, en 's anderen daags geeft zij minder melk. Loopt de koe, die gewoon is in den stal op eene vaste plaats te staan, los in den stal, zij geeft minder melk. Geeft men haar ander voedsel dan waaraan zij gewoon is, dan vermindert de hoeveelheid melk voor enkele dagen, ja langer zelfs, als het nieuwe voedsel minder naar den zin van het dier is. De verstandige landbouwer lette derhalve naauwkeurig op, of enkele zijner koeijen ook minder melk geven dan zij gewoon zijn te doen; hij sla de ontvangen waarschuwing niet in den wind, maar onderzoeke verder en ruste niet voordat hij de oorzaak van het verschijnsel hebbe opgespoord, zoo mogelijk, weggenomen. Vindt hij, na dat onderzoek, bij een zijner dieren verdachte verschijnselen, dan voege hij de melk daarvan niet bij den overigen voorraad.

Oefenen geringe oorzaken, gelijk de bovengenoemde, reeds zulk een invloed uit op de afscheiding der melk, wat zullen dan stoornissen in het spijsverteerings-orgaan der koe niet doen? Hier houden de veranderingen niet op bij eene mindere hoeveelheid, ook de hoedanigheid der melk laat te wenschen over.

Men veroorlove ons hier een kleinen zijsprong. De scheikunde leert ons dat er ligchamen bestaan, welke bij dezelfde zamenstelling verschillende eigenschappen hebben. Wij herinneren hier slechts aan den diamant en het potlood; beiden bestaan uit koolstof, maar in den diamant liggen de deeltjes regelmatig; niet alzoo in het potlood. Een ander voorbeeld levert ons de phosphorus op; deze stof kan hoogst giftige eigenschappen hebben of tamelijk onschadelijk zijn, en toch is zij in beide gevallen dezelfde stof, namelijk phosphorus. Men kan door kleine kunstgrepen de eene of andere wijziging willekeurig te voorschijn roepen. Hier hadden wij te doen met enkelvoudige stoffen; bij de zamengestelde komt het verschijnsel nog duidelijker uit: wij herinneren slechts aan de isomere ligchamen. Terpentijnolie bijvoorb., citroen- en bergamotolie hebben dezelfde zamenstelling C20H16, dat is, alle drie bestaan uit 20 deeltjes, noem ze atomen, koolstof en 16 atomen waterstof, en toch, wie zal de eene olie met de andere verwarren? Elk heeft hare eigenaardige kenteekenen. Het onderscheid moet gelegen zijn in eene verschillende groepering der deeltjes, waaruit de zamengestelde stoffen bestaan. Maar genoeg, men zal begrijpen waar wij henen willen en wij keeren tot ons onderwerp terug.

Wij waren gebleven bij de stoornissen in het spijsverteeringsorgaan der koe. Zulke stoornis geeft in de eerste plaats aanleiding dat de spijzen niet volkomen verteren, dat zij derhalve ook niet al het nut doen, wat men van haar mogt verwachten. Worden niet alle daarvoor vatbare deeltjes der spijzen in het bloed opgenomen, dan kunnen die later natuurlijk ook niet in melk worden omgezet. De koe geeft dus minder melk, even als of zij te weinig voedsel bekwam.

Maar het kan ook zijn dat enkele stoffen uit het voedsel, welke voornamelijk vet- of boter- en kaasstof in de melk geven, ten deele gemist worden; in zulk geval bevat de melk of minder boter of minder kaas.

Er is eindelijk een derde geval mogelijk; de voedingstoffen worden opgelost en komen in het bloed, maar in andere dan de gewone zamenstelling. De ligging der deeltjes bij de proteinestoffen der melk—kaasstof, albumine, enz.—lijdt hieronder, en men erlangt uit zulke melk wel kaas, maar kaas met geheel andere eigenschappen, gelijk wij boven in het voorbeeld der isomerie aantoonden. Zijn de atomen in de kaasstof losser verbonden, dat dit gewoonlijk het geval is, dan moet de kaas later gemakkelijker ontleed worden; men krijgt verschillende gebreken der kaas. Stoornissen in het spijsverteeringsorgaan hebben derhalve den meest noodlottigen invloed op de hoeveelheid en hoedanigheid der melk, en vervolgens op die der kaas.

Stoornissen in de verrigtingen van andere organen gaan natuurlijk ook niet onopgemerkt voorbij; zij oefenen echter minder invloed op de melk uit, tenzij het lijden een hoogen graad bereikt hebbe. Maar in het laatste geval houdt de melkafscheiding geheel op.

Niets nu is gemakkelijker dan de werkzaamheid van den uijer voortdurend gade te slaan; zij is een gevoelige maatstaf voor den welstand der koe. Men mag als zeker aannemen dat er ergens eene stoornis plaats grijpt, hetzij door verandering van voedsel, verpleging als anderzins, wanneer eene verandering in hoeveelheid of hoedanigheid der melk wordt waargenomen. De vermindering der melk bij ziekte der koe staat in regte reden tot de hevigheid van het lijden.

Heeft men de oorzaak, welke de verandering der melk te voorschijn riep, opgespoord, dan ligt het geneesmiddel voor de hand. Is het voedsel de oorzaak, dan brengt men hierin verbetering, hetzij door grooter hoeveelheid, hetzij door ander voedsel toe te reiken. Heeft men met minder beteekenende stoornissen van maag en darmen te doen, zooals die bij verkoudheid dezer organen ontstaan, dan zal meestal een ligt dieet voldoende zijn; of men geeft de koe een zacht aromatisch middel, zooals thee van fenkel of thijm. Bij meer ingrijpende ziekten raadpleegt men den veearts.

De veranderingen, welke de hoedanigheid der melk door bovengenoemde oorzaken ondergaat, zijn zeer menigvuldig. De melk kan meer of minder vet, kaasstof, albumine of melksuiker bevatten, zonder dat een dezer stoffen nog eenige verandering, door verplaatsing der atomen, ondergaan heeft. Zulke veranderingen ontsnappen zelden aan de waarneming. Anders is het gelegen, wanneer in een of meer hoofdbestanddeelen een wijziging van zamenstelling voorkomt; bij het nazien der melk blijkt niet altijd de fout: zij doet zich eerst voor bij de gevormde kaas.

Het voedsel moge in den regel eenigen invloed uitoefenen op het meer of minder van deze of gene der hoofdbestanddeelen van de melk, onloochenbaar is het dat in dergelijke gevallen in de melkklier eene zekere neiging is om meer boter of meer kaas enz. dan het gemiddelde af te scheiden. Deze neiging vindt men in de verschillende rassen; het eene ras geeft meer boter, een ander meer kaas, van een derde is de melk meer waterhoudend. Maar ontstaan veranderingen in de verhoudingen der zamenstellende bestanddeelen plotseling of langzamer, bij eene gelijkmatige voeding en verpleging en bij dieren, die tot dien tijd niets van den regel afwijkends vertoonden, dan heeft dit met de rassen niets uit te staan, maar zal men in de meeste gevallen het lijden van eenig orgaan, in het bijzonder der spijsverteerings-werktuigen kunnen aantoonen. Even vaak is de verhoogde werkzaamheid der geslachtsorganen oorzaak van voorbijgaande veranderingen in de hoedanigheid der melk.

Zoodra de hoeveelheid van eenig bestanddeel grooter wordt, zien wij dit gepaard gaan met vermindering van eene andere stof. Het spreekt van zelf dat wij de veranderingen, welke de melk geregeld ondergaat, en welke afhangen van den tijd, sedert het kalven verloopen, hier niet op het oog hebben. Staan wij hier een oogenblik stil bij het geval dat het water in de melk vermeerderd, het vetgehalte verminderd is; dit geval komt dikwerf voor, ontstaat plotseling en verdwijnt menigmaal even snel. De koeijen bij welke men zulk eene verandering van water- en vetgehalte in de melk waarneemt, zien er oogenschijnlijk goed uit; zij gebruiken het voedsel met den meesten smaak, en men vindt bij oppervlakkig onderzoek niets, dat op ziekte of minder welzijn duidt. De hoeveelheid der melk blijft dezelfde, de hoedanigheid alleen verandert. Vroeger zag de melk wit of geelachtig wit, nu heeft zij een blaauwachtig witte tint. Laat men de melk staan, opdat zich de room zal afscheiden, dan erlangt men slechts een dun laagje geel gekleurd vet; de onderstaande melk is blaauw van kleur.

De blaauwe kleur hangt af van de geringe hoeveelheid room; naarmate er minder vetdeeltjes in het vocht, dat de kaasstof in oplossing houdt, zweven, naar die mate is de vloeistof meer doorschijnend en ziet de melk blaauwer.

Stelt men bij het dier, dat deze melk geeft, een naauwkeurig onderzoek in, dan vindt men meestal dat het tijdperk van togtig worden genaderd is, zeldzamer dat het spijsverteeringsorgaan minder geregeld werkt. Bij andere koeijen, die duidelijk soms vrij hevige teekenen geven van het togtig worden, laat zich de verandering in de melk gemakkelijk verklaren; wij behoeven er hier niet langer bij stil te staan.

Nog onverklaarbaarder is voor den melkboer de verandering der melk, wanneer zij door geringe stoornissen in de spijsbereiding ontstaat.

Hetzij men te doen hebbe met eene togtige koe, of met eene, bij welke de maag van de kook is, in geen dezer gevallen behoeft men zich ongerust te maken; na eenige dagen wachtens en het inachtnemen van dieet herstelt zich de hoedanigheid der melk.

Komen in het voedsel der koe groote hoeveelheden van kalkzouten voor, dan vindt men die ook in de melk terug. Ook bij sarcomatosis en bij enkele ziekten van het beenstelsel is het kalkgehalte der melk te hoog. Deze geven soms aanleiding tot het vormen van melksteenen, waarover wij reeds gesproken hebben.

De meeste melkgebreken en vooral zulke, die onaangenamer gevolgen hebben dan de tot nu toe besprokene, vinden hunnen oorsprong in eene gebrekkige bereiding—zamenstelling—van de enkele bestanddeelen der melk. Oppervlakkig bespeurt men niets afwijkends, wanneer de melk den uijer pas verlaten heeft. Men moet dus het gebrek daaraan toeschrijven, dat de zamenstellende deeltjes—atomen—van boter of kaasstof in hunne onderlinge ligging iets onregelmatigs opleveren. Die ligging is meestal zoo, dat de zuurstof der lucht zich gemakkelijk kan doen gelden, waardoor stoffen ontstaan, welke in het gewone beloop der zaken in het geheel niet of eerst veel later optreden. De ontledingen zullen zich nu eens in grooter dan weder in geringer mate voordoen; ook de ligchamen uit die ontledingen geboren zijn zeer verschillend van aard. Dit alles hangt daarvan af dat een of meer bestanddeelen der melk gebrekkig gevormd zijn, of dat de ligging der atomen in meer of minder mate van de gewone afwijkt. Stoffen derhalve, welke den minsten weerstand kunnen bieden aan uitwendige schadelijke invloeden, zullen eerder veranderd worden dan die, welke door vaster aaneen-liggen der atomen moeijelijker te ontleden zijn. De bestanddeelen der melk zijn in het algemeen meer tot ontleding geneigd dan die der afscheidingsvochten van andere klieren, omdat zij allen producten zijn eener ontleding, der vet-metamorphose namelijk van de cellen der klier.