Oorsprong van het japansche volk.—Hunne kosmogonie.—De schepping.—De goden.—De legende van Izanaghi en Izanami.—De kami’s.—Tempels.
Meermalen heb ik mijzelven de vraag voorgelegd, van waar het japansche volk afkomstig zou zijn, maar een bevredigend antwoord op die vraag heb ik nog niet kunnen vinden. Ik vermoed, dat de vergelijkende taalkunde alleen in staat zal zijn, dit moeielijk probleem op te lossen; en misschien zal zij daartoe het best doen, hare blikken te wenden naar den indischen archipel. Zeer zeker zal zij, even als de Japanners zelven, alle verwantschap van dezen met de Chineezen verwerpen: want de talen dezer beide volken hebben niets gemeen. Het is waar, de onderstelling dat de japansche eilanden door een chineesche kolonie bevolkt zouden zijn, ligt voor de hand; en ik wil gaarne toegeven, dat er van overoude tijden gemeenschap heeft bestaan tusschen Korea, het noorden van Japan, de Koerilen en zelfs Kamschatka: want deze eilandenketen, die zich als de bogen van eene verbroken reuzenbrug van Azië tot Amerika uitstrekt, wekt onwillekeurig de gedachte aan eene gemeenschap, door middel der scheepvaart, van eiland tot eiland. Maar het komt mij veeleer voor, dat de zuidelijke eilanden van Japan bevolkt zijn door emigranten, die zelven uit het zuiden kwamen.
De stroomingen in den oceaan spelen waarschijnlijk een zeer groote rol in de zoo geheimzinnige geschiedenis der volksverhuizingen. Dikwijls zijn langs dezen weg, en zeer tegen den zin der reizigers, schijnbaar ongeloofelijke tochten volbracht. Wilt gij een voorbeeld? Alle europeesche residenten te Jokohama kennen den japanschen tolk Joseph Hico. Deze man was eens met eenigen zijner bloedverwanten op de vischvangst, toen een plotselinge windvlaag hun vaartuig uit zijn koers wierp en naar de open zee heendreef. De groote golfstroom van den equator, die de zuidelijke en oostelijke kusten van Japan bespoelt en zich van daar, met een boog van eenige duizende mijlen, naar Californië wendt, nam het weerlooze scheepje op en voerde de ongelukkige visschers derwaarts mede. Gelukkig kwamen zij eindelijk een amerikaansch schip tegen, dat hen te San Francisco aan wal zette.—De vaart tusschen China en Japan is moeielijk en gevaarlijk: een tegenstroom van koud water, van de Poolzee afkomstig, neemt, van het noorden naar het zuiden, zijn loop door het kanaal dat de beide landen scheidt; terwijl de ontzaglijke stroomingen van warm water, die, uit den indischen oceaan komende, zich door de straten van Malacca en Soenda een weg banen, hare richting nemen, niet naar de kusten van China, maar, zoo als ik zeide, naar de zuid- en oostkust van Japan en van daar naar de noordwestkust van Amerika.—De eerste Europeanen, die in Japan zijn geland, de drie portugeesche deserteurs Antonio de Moto, Francisco Zimoro en Antonio Perota, hadden zich in een der havens van Siam op een indische jonk ingescheept; door een storm naar de open zee gedreven, werden zij door den equatoriaal-stroom naar de zuidkust van het eiland Kioe-Sioe gevoerd (1542). Hetzelfde overkwam, in het volgende jaar, den beroemden portugeeschen avonturier Fernan Mendez Pinto en zijn beiden gezellen, Diego Zeimoto en Christophoro Borello, toen zij met eene chineesche jonk van Macao voeren. Zij kwamen te recht op het japansche eilandje Tanegasima.
Met dergelijke feiten voor oogen, is het niet zoo vreemd den blik naar Java te wenden: te minder, wanneer men zich herinnert, dat dit groote eiland met zijne aanhoorigheden eenmaal, in lang vervlogen tijden, een machtig rijk vormde, dat zijne schepen uitzond eensdeels naar Madagaskar en Arabië, anderdeels naar China en de omliggende eilandengroepen. Telkens wanneer ik dan ook eenige onverwachte overeenstemming ontdek tusschen de zeden en gewoonten der Javanen en der Japanneezen, kan ik het niet nalaten daar, of althans op de eilanden van den grooten indischen archipel, den oorsprong der bewoners van Nippon te zoeken. Maar dit is slechts eene gissing, die ik ook voor niet meer wensch te doen doorgaan. Vraagt men den Japanneezen zelven, van waar zij zijn, dan bekomt men slechts ontwijkende antwoorden: hetzij dan dat zij op dit punt even onwetend zijn als wij, hetzij dat zij ongaarne het heiligdom der nationale herinneringen en traditiën voor ongewijde blikken openen. Toch zijn ons deze traditiën niet geheel onbekend. De japansche geschiedenis en godsdienst zijn het onderwerp geweest van ernstige en ijverige nasporingen, deels van de vroegere katholieke zendelingen, deels van de geneesheeren of beambten in dienst der nederlandsche factorie. Het is zoo: zulke fragmentarische studiën, hoe belangrijk ook op zich zelven, zijn niet voldoende om ons een volledig inzicht te geven in de ontwikkelingsgeschiedenis der japansche beschaving. Maar, in afwachting van beter, moet men zich vergenoegen met wat men heeft, en beginnen met nauwkeurig de overleveringen te verzamelen, die de Japannees zelf uit den mond zijner priesters en de geschriften zijner kroniekschrijvers ontvangt. Vatten wij dan in enkele trekken samen, wat wij weten van de japansche kosmogonie en oudste geschiedenis.
In den beginne, aldus leert het japansche scheppingsverhaal, verhief zich uit den oorspronkelijken chaos een god, die het Opperste Wezen wordt genoemd, en wiens troon in het midden der hemelen is. Op hem volgden twee andere goden, waarna er langzamerhand verandering in den chaos ontstond: de fijnere deelen vormden den hemel, de grovere de aarde. Toen de aarde, nog onbewoond, woest en ledig, op de wateren dreef, ontstonden er zeven nieuwe hemelsche goden, waarvan de vier laatsten gehuwd waren. Een dezer laatste goden, Izanaghi geheeten, bevolkte de aarde, dat is hier Japan. Eens, zoo luidt de legende, zag Izanaghi van het balkon zijner hemelsche woning, met zijne gemalin Izanami op de jonge, nu voltooide aarde neder, en gevoelde zich zoo tot haar aangetrokken, dat hij der godin voorsloeg daar een bezoek af te leggen. De beide goden lieten hunne blikken dwalen langs de heerlijke kusten der japansche binnenzee, en kozen eenstemmig het eiland Awadsi tot hun verblijf; het schoone eiland, dat als een bloemruiker oprijst uit de kalme wateren, aan de eene zijde door de stoute rotswanden van Sikokf, aan de andere door de vruchtbare velden van Nippon begrensd. Eenmaal daar gekomen, konden de beide hemelsche wezens van dit heerlijk oord niet meer scheiden; maanden en jaren verliepen: en er kwam een tijd, dat de stille dalen van Awadsi weergalmden van het blijde gejubel der kinderen, die den goden in dit paradijs geboren waren. Maar naarmate deze kinderen schooner opgroeiden, verduisterde een smartelijk voorgevoel de vreugd hunner goddelijke ouders. Deze wisten toch, dat hunne kinderen, als alles wat op aarde geboren wordt, aan den dood onderworpen waren. Vooral de teerhartige Izanami kon de gedachte niet verdragen, dat zij eenmaal haar kinderen de oogen zou sluiten en zelve onsterfelijk voortleven. Het scheen haar beter, met hen te sterven. Toen besloot Izanaghi aan deze spanning en kwellende smart een einde te maken. Hij wist zijne gemalin te bewegen om met hem naar den hemel terug te keeren, voor dat het gezicht van den dood hun geluk zou hebben verwoest.
“Het is waar,” zeide hij, “onze kinderen kunnen ons niet volgen naar de woningen der zaligheid; maar ik zal de smart der scheiding weten te verzoeten, door hun een geschenk na te laten, dat hen in staat zal stellen zooveel mogelijk aan ons gelijk te worden.”—
Dit gezegd hebbende, riep hij zijne kinderen bijeen, kondigde hun de scheiding aan, vermaande ze tot kalmte, en gebood hun wel acht te geven op zijne laatste woorden.
Eerst schilderde hij hun in beelden, waarvoor de menschelijke taal geen woorden heeft, dien staat van onverstoorbare zaligheid, die het deel is der hemelbewoners. Hij deed hun die zaligheid aanschouwen, zoo als het oog het verre licht eener ster aanschouwt, die wel niet te bereiken is, maar waarnaar toch, op den stillen bergtop, in zoeten droom, de hand zich uitstrekt, of ze te grijpen ware!
“Alzoo,” zeide hij, “zonder hier op aarde die volkomen zaligheid te bezitten, die slechts voor hooger wereld is weggelegd, zult gij, reeds in dit aardsche leven, er de heerlijke aanschouwing, den voorsmaak van kunnen genieten, wanneer gij zorgvuldig mijne geboden bewaart.”
Toen, met de rechterhand de schijf van gepolijst zilver opheffende, die zoo menigmaal het reine gelaat zijner gemalin had weerspiegeld, sedert zij op aarde was neergedaald, beval hij zijn kinderen te knielen, en voer op plechtigen toon voort:
“Dit kostbaar aandenken laat ik u. Het zal u de heerlijke trekken uwer moeder herinneren; maar tegelijk zult gij er uw eigen beeld in kunnen aanschouwen. Die aanschouwing zal u wel menigmaal tot droefheid stemmen, maar laat u dit niet ontmoedigen. Beijvert u veel meer het aanbiddelijk beeld gelijk te worden van haar, die van nu voortaan in den hemel woont. Iederen morgen zult gij voor dezen spiegel nederknielen. Hij zal u de plooien en rimpels aanwijzen, door aardsche zorgen in uw voorhoofd geploegd, of ook de onteerende sporen van verkeerden hartstocht. Wischt die teekenen des kwaads uit, keert terug tot de rust, de kalmte, de harmonie des levens: en dan, richt vrijmoedig uw gebed tot ons, zonder gemaaktheid, zonder huichelarij: want weet, dat de goden in uwe ziel lezen, zoo als gij in uwe eigene oogen leest, zoo vaak gij ze op dezen spiegel vest.—En wordt, in den loop van den dag, uw hart ontstemd door eenige beweging van ongeduld, van naijver, van toorn, van begeerlijkheid, die gij niet dadelijk onderdrukken kunt: spoed u dan naar het heiligdom, waarin gij des morgens aangebeden hebt, hernieuwt daar uwe gebeden, uwe smeekingen, uwe reinigingen.—Eindelijk, iederen avond, eer gij u ter ruste begeeft, zult gij ernstig tot u zelven inkeeren, rekenschap doen van uwe daden, en uwe ziel verheffen tot de aanschouwing der hemelsche gelukzaligheid, waarheen wij u zijn voorgegaan.”—
Hier zwijgt de liefelijke legende, maar de overlevering voegt er bij, dat de kinderen van Izanaghi door een gedenkteeken de plek wijdden, waar hun goddelijke ouders afscheid van hen genomen hadden. Zij richtten er een altaar op van cederhout, zonder ander sieraad dan de spiegel van Izanami en twee vazen van bamboes, die ruikers droegen van de bloemen welke de godin het meest had bemind. Eene eenvoudige vierkante hut met een rieten dak diende het kunsteloos altaar tot beschutting. Zij kon met schermen worden afgesloten; maar dit geschiedde alleen, wanneer het slechte weder zoodanige voorzorg noodig maakte. Daar vierden de kinderen van Izanaghi, iederen morgen en iederen avond, de eenvoudige eeredienst, hun door hun vader voorgeschreven.
Zij regeerden op aarde, van geslacht tot geslacht, gedurende een tijdperk van twee à drie millioen jaren, en werden op hunne beurt zalige geesten, onsterfelijke kami’s, goddelijke eer waardig.
Tot zoo verre de sage. Intusschen weten wij met zekerheid, dat bij den aanvang van het historisch tijdperk van Japan, dat is ongeveer zes eeuwen vóór Christus, er in dat land een eigenaardige godsdienst bestond, die, zoo als reeds Kämpfer opmerkt, nergens elders wordt aangetroffen, en niet van buiten is ingevoerd; eene godsdienst, die, hoewel verbasterd en door andere sekten overvleugeld, zich tot op onze dagen staande heeft gehouden. Het is de dienst der kami’s of de Sintodienst, zoo als de meer bekende, chineesche benaming luidt. Zij is niet de vereering van de geesten der voorvaderen in het algemeen, en nog minder der voorvaderen van deze of gene familie. De wezens, onder den naam van kami’s aangebeden, behooren wel is waar tot de mythologische heldenlegende, waarvan de roem nog op enkele bestaande geslachten afstraalt; maar zij zijn voor alles nationale godheden, beschermgoden van het land van Japan en zijne bewoners. Ter eere van deze mythologische helden en geniën zijn, sedert de oudste tijden, in Japan tempels en kapellen opgericht, waar hun goddelijke eer wordt bewezen. Deze eenvoudige gebouwen dragen den naam van mia’s: de beroemdsten zijn in het zuidwestelijk gedeelte van den japanschen archipel, dat de bakermat der oorspronkelijke beschaving schijnt te zijn geweest. Nog heden stroomen er, vooral in de lente, duizende pelgrims uit alle gewesten des rijks heen.
Weg van Benten naar Kanagawa.
De kapel, aan Ten-sjoo-daï-zin, de zonnegodheid, gewijd, in de landstreek van Isyé, wordt geacht het zuiverste monument te zijn van de oorspronkelijke godsdienst der Japanners. Kämpfer verzekert, dat de Sinto-dienaars eenmaal in het jaar, of minstens eens in hun leven, ter bedevaart naar Isyé gaan. “De tempel van Isyé,” zegt hij, “ligt in eene groote vlakte. Het is een onaanzienlijk houten gebouw, laag van verdieping en gedekt met een vrij plat, overhangend rieten dak. Men besteedt bijzondere zorg aan het onderhoud van dit gebouw, dat in denzelfden staat bewaard wordt waarin het oorspronkelijk werd gesticht; en wel, om daardoor tot bewijs te dienen van de groote armoede hunner voorvaderen, die dezen tempel hebben opgericht, of, zoo als zij zeggen, der eerste menschen. In den tempel ziet men niets, dan een metalen spiegel, naar de wijze des lands geslepen, en uitgeknipt papier langs de wanden. De spiegel is het zinnebeeld van het alziend oog der groote godheid, die men hier aanbidt, en van hare wetenschap van al wat in het hart harer aanbidders omgaat. Het witte uitgeknipte papier verbeeldt de reinheid der plaats, en herinnert de geloovigen aan het gebod, om slechts met een rein hart en een lichaam vrij van alle smet het heiligdom te betreden.”—
Boeddha-tempel te Nagasaki.
Deze beschrijving van een der beroemdste kami-tempels, hoe belangrijk ook, is niet in alle opzichten volledig, of liever, past niet geheel op later tijd. De kapel van Isyé behoort nog tot het tijdperk van de kindsheid der kunst, die haar hoogste ontwikkeling eerst later, onder de regeering der eerste Mikado’s, heeft bereikt. Ik wil daarom, ter aanvulling van Kämpfers bericht, de tegenwoordige inrichting van een kami-tempel beschrijven.
Een zaak van veel belang is de ligging van het gebouw. Steeds kiest men, voor het stichten van een mia, een schilderachtige plek, vooral rijk aan hoog geboomte. Soms voert een laan van cederen of pijnboomen naar het heiligdom, dat altijd voorafgegaan wordt door een of meer dier op zich zelven staande tori’s of poorten, waarvan ik reeds gesproken heb bij de beschrijving van den tempel te Benten. Gewoonlijk worden de mia’s op heuvels gebouwd, waarvan sommigen door menschenhanden zijn opgeworpen en met cyclopische muren bekleed. Een breede en zeer goed onderhouden trap leidt naar den top. Aan den voet van dien trap is de kapel der wasschingen: een eenvoudig afdak, waaronder een steenen bekken, dat altijd met water is gevuld. De eigenlijke tempel is een of twee el boven den grond verheven; hij rust op vier stevige pilaren, en is, even als de meeste japansche huizen, door een galerij of veranda omringd, waarheen men langs eenige trappen opklimt. De tempel is van hout, aan drie zijden gesloten, en van voren open, maar met beweegbare schermen, waardoor hij, zoo noodig, kan afgesloten worden. Het inwendige van het heiligdom ligt dus in den regel bloot voor aller oog. De strenge soberheid, die daar heerscht, is echter niet zonder zekeren smaak en sierlijkheid. Het houtwerk glimt van zindelijkheid; de matten, die den vloer bedekken, zijn doorgaans van de fijnste soort. De metalen spiegel op het altaar maakt in deze omgeving een zeer gelukkig effect, ook uit het oogpunt der symboliek: want zijne zwijgende welsprekendheid wordt door niets gestoord of verzwakt, daar de aandacht noch door standbeelden, noch door schilderijen, noch door eenig ander voorwerp in de nabijheid wordt afgetrokken.—Maar niet het minst eigenaardige van de kapel is haar dak. Dit is van riet, pannen of planken, naar goedvinden. Doch het bijzondere ligt in den vorm. Het dak der mia daalt naar alle zijden zacht glooiend af en steekt nog buiten de balken der veranda uit: het is dus, in verhouding vooral tot het gebouw, zeer hoog. Bovendien verheffen zich, aan de beide uiteinden van den nok, de twee bovenste armen van een groote X, of liever van een zoogenoemd Sint-Andries kruis. Deze beide balken, die dus vrij in de lucht uitsteken, hebben van boven een lange en breede sleuf, waarschijnlijk om hun een minder zwaar voorkomen te geven. Eindelijk, en als om dit wonderlijk geheel te volmaken, zijn van afstand tot afstand op den bovenrand van het dak kleine houten blokken, niet ongelijk aan vuurpijlen, bevestigd. Wat dit beteekenen moet of waartoe het dient, betuig ik niet te weten. Ziedaar, waarschijnlijk, de mia in hare oorspronkelijke zuiverheid.—En waar blijft nu, vraagt ge licht, die bijzondere decoratie, waarvan Kämpfer spreekt: die strooken wit papier langs de wanden? Hoort deze eigenlijk niet in den kami-tempel t’huis? Misschien wel: want in geheel Japan en bij al de verschillende sekten, zoo talrijk in dat land, vindt men dit gebruik terug van strooken papier, die aan de wanden der tempels en aan de posten der huisdeuren worden vastgemaakt; ook de koorden van gevlochten stroo, die nabij sommige heilige plaatsen en ook wel, bij godsdienstige feesten, in de straten worden gespannen, zijn met reepen papier getooid. Waarschijnlijk heeft dit eene symbolieke beteekenis: ik weet echter niet welke. Maar ik ben zeer geneigd te gelooven, dat dit gebruik van gewijd papier van boeddhistischen oorsprong is. De priesters dier godsdienst bedienen zich, bij wijze van wijwaterskwast, van een stokje, waaraan een bundel papieren lintjes bevestigd is. Zij zwaaien daarmede heen en weer, niet alleen bij hunne geestenbezweringen, maar vooral ook om de booze invloeden in de lucht af te weren, wanneer zij den tempel binnengaan en het altaar naderen. Van daar waarschijnlijk het gebruik, om in sommige kami-tempels zulk eene soort van papieren kwast, go-heï genoemd, op een der trappen van het altaar, vóór den gewijden spiegel, te plaatsen.
Van later tijd dagteekent ook het gebruik van nog eenige voorwerpen, waarvan ik spreken moet, om mijne beschrijving volledig te maken. Daartoe behooren, in de eerste plaats, aan den ingang van sommige mia’s, twee bronzen beelden van mythologische dieren: waarvan het een, van fantastische gedaante, eene soort van hond, en het andere eene soort van éénhoornig damhert, moet voorstellen. Beiden zitten op hunne achterpooten, en verbeelden, naar men zegt, de twee reinigende elementen, het water en het vuur.—Verder staat aan den voet van het altaar eene houten offerkist. Soms bestaat het deksel uit traliewerk, zoodat de geldstukken op den bodem der kist vallen en er niet meer kunnen worden uitgehaald, dan door de priesters, die den sleutel hebben; soms ook is het deksel glad en effen als een tafelblad, maar omgeven met een hoogen rand. Dan werpen de geloovigen, luidruchtig genoeg, hunne ijzeren muntstukjes, de szénis, op dit blad, na ze vooraf in een papieren rolletje gewikkeld te hebben: de offerkist lijkt dan wel wat op een grooten schotel met pastilles.—Eindelijk ziet men nog dikwijls, aan den ingang der kapel, even als aan de boeddhistische tempels, een of ander instrument opgehangen, om de bonzen, als zij niet bij het altaar zijn, te kunnen roepen: nu eens is het een gong of metalen schild, met het daarbij behoorende dikke touw met knoopen; dan weder een bos belletjes, waaraan een koord is bevestigd.
Het bewijs, dat deze soort van voorwerpen eerst later in de kami-tempels in gebruik zijn gekomen, ligt reeds in het zeker zeer opmerkelijke feit, dat deze eeredienst oorspronkelijk geen priesterschap kende. De mia’s waren aanvankelijk, zoo als trouwens uit de legende blijkt, niets meer dan kapellen, opgericht ter eere en ter gedachtenis der nationale helden: ongeveer even als de kapel van Willem Tell, aan het Vierwaldstädtermeer in Zwitserland. De heer der streek, waar zulk een monument was opgericht, droeg natuurlijk zorg voor de bewaring van dien schat: maar geen priester bediende het altaar van den kami, geene bevoorrechte kaste plaatste zich tusschen den geloovige en het voorwerp zijner aanbidding. Ook was het gebed, dat voor den symbolischen spiegel van Izanami werd opgezonden, niet uitsluitend of in de eerste plaats tot den kami gericht, aan wiens nagedachtenis de kapel was gewijd: maar het gold bovenal de onsterfelijke goden, wier middelaar slechts de kami was. Zoo stond het heiligdom voor ieder geopend, vrij ten gebruike der aanbidders, en was de eeredienst geheel zonder ceremonieel.
Dit is echter, gelijk te verwachten was, niet zoo gebleven. Jongere zonen van aanzienlijke familiën werden meer bijzonder belast, eerst met de zorg voor en de bewaking van, straks met den dienst in het heiligdom. Ook de kami-dienst had eerlang hare ommegangen, hare litanieën, hare offeranden, hare feesten, zelfs haar wonderdoende beelden. Intusschen vormden hare priesters, in zoo verre aan de oorspronkelijke instelling getrouw, nooit een eigenlijken geestelijken stand. Zij trokken de gewijde kleederen aan, als zij de dienst in de kapel moesten verrichten; maar, na het verlaten der heilige plaats, hernamen zij het gewaad en de gewone wapenrusting van den edelman. Echter duurde het niet lang, of er vormde zich onder hen eene wezenlijke monnikenorde, die der Kanoesis, die zich meer bepaald aan den dienst der bedevaartgangers wijdden. Twee oorzaken vooral hebben medegewerkt, om den kami-dienst zijne oorspronkelijke zuiverheid te doen verliezen: in de eerste plaats, de vestiging van het gezag der Mikado’s, en ten anderen, de invoering van het Boeddhisme in Japan.
Historische overleveringen.—Oudste volksplantingen.—Geschiedenis van Zin-moe.—De eerste vorsten van Japan.—Voortgang der beschaving.—Uitvindingen.—De klassieke grond van Japan.
De geschiedenis van Japan begint, als die van zoo menig ander land, met eene verovering. Volgens de officiëele kronieken des rijks was de veroveraar een inlandsch vorst, beheerscher van een klein gebied in het zuiden van Kioe-Sioe. Volgens andere overleveringen echter was zijn geslacht, indien al niet hijzelf, afkomstig van den kleinen archipel der Lioe-Kioe-eilanden, waardoor Japan met zuidelijk China en Formosa samenhangt. Reeds zes eeuwen vroeger zou, naar de sage meldt, van uit Formosa of het vasteland van Azië, eene volkplanting, onder aanvoering van zekeren vorst Taï-pé of Taï-fak, de kust van Kioe-Sioe hebben bereikt.—Wat hiervan zij: eerst omstreeks het jaar 660 v. Chr. begint de eigenlijke historische periode van Japan, met de verschijning van den veroveraar Sanno, meer bekend onder den naam van Zin-moe, of eigenlijk Zin-moe-ten-woe, de goddelijke krijgsman.
Zin-moe, hoewel de jongste van vier broeders, werd van wege zijne voortreffelijke hoedanigheden, reeds op zijn vijftiende jaar, door zijn vader als erfgenaam van den troon aangewezen. Hij beklom dien eerst op zijn vijf-en-veertigste jaar, zonder daarbij tegenstand van de zijde zijner broeders te ontmoeten. Een oude dienaar, die op zijne menigvuldige zwerftogten ook de verre eilanden had bezocht waarachter de zon opgaat, wist den vorst allerlei wonderen te verhalen van de schoonheid dier gezegende oorden, waar zich eenmaal de goden zelven een verblijf hadden gekozen. En deze heerlijke eilanden waren nu slechts bewoond door barbaarsche stammen, voortdurend met elkander in oorlog gewikkeld. Wel waren deze woeste krijgers geoefend in het gebruik van lans, boog en zwaard: maar, daar zij slechts met beestenvellen of ruwe mantels waren gedekt, zouden zij geen weerstand kunnen bieden aan wel geoefende en met helm en harnas bekleede benden. Indien alzoo de vorst van de gelegenheid, door hunne onderlinge twisten geboden, gebruik wilde maken, wachtte hem gewis eene zekere overwinning.—Zin-moe gaf aan de verlokkende taal van zijn ouden dienaar gehoor: hij verzamelde al zijne strijdkrachten, stelde ze onder de bevelen van zijne broeders en zijne zonen, en zelf het opperbevel op zich nemende, scheepte hij zich met zijn leger in op eene vloot van wel uitgeruste oorlogsjonken. Zoo verliet hij het voorouderlijk paleis, dat noch hij, noch zijne broeders ooit zouden wederzien.
Na de zuidoostelijke landpunt van Kioe-Sioe te zijn omgevaren, zeilde hij langs de oostelijke kust van dit eiland, altijd dicht aan den oever houdende, op de wijze der oude Noormannen; ook even als zij, nu en dan aan land gaande, slag leverende aan degenen die hem weerstonden, en vriendschapsverbonden sluitende met de onafhankelijke heeren of stamhoofden, die zich aan hem wilden aansluiten en deel nemen in zijn krijgstocht. Blijkbaar was deze geheele streek reeds vroeger het tooneel van soortgelijke invallen geweest: de bevolking toch splitste zich in twee regeerende kasten, eene soort van militaire aristocratie, en in hofhoorigen of lijfeigenen. De heeren des lands woonden in versterkte huizen, door muren en paalwerken omringd; zij waren gewapend met boog en pijlen, met een grooten sabel en een zwaard, dat, zonder scheede, in hun gordel was gestoken.—Na een moeielijken tocht van tien maanden: rijk aan schitterende wapenfeiten en gelukkige onderhandelingen, bereikte Zin-moe het noordoostelijk uiteinde van het eiland Kioe-Sioe. Aanvankelijk zag hij geen kans verder te komen, toen hij eensklaps een visscher ontdekte, die, rustig op den rug van een grooten schildpad gezeten, de wateren kliefde. Dadelijk liet hij dien man aanroepen, en nam hem bij zich in dienst als loods. Toen kon Zin-moe de straat oversteken, die Kioe-Sioe van Nippon scheidt. De kust van dit laatste eiland strekt zich, als een groote halve cirkel, van het westen naar het oosten uit, en vormt de noordelijke grens eener ruime binnenzee, die ten zuiden door de beide eilanden Kioe-Sioe en Sikokf wordt ingesloten. Deze binnenzee is met kleine archipels bezaaid; terwijl de kust van Nippon rijk is aan baaien en inhammen, die uitstekende havens vormen.
Landschap op het eiland Kioe-Sioe.
Met de grootste bedachtzaamheid trok Zin-moe langzaam oostwaarts voort, zorgdragende dat hij geen enkel gewichtig punt achter zich in de macht zijner vijanden liet. Intusschen boden de inlandsche stammen hem, zoowel ter zee als te land, een zoo heftigen tegenstand, dat hij het voorzichtig oordeelde vooreerst niet verder te gaan. Zoo sloeg hij zich dan op het schiereiland Takasima neder, bouwde daar een sterkte, en besteedde er drie jaren aan de uitrusting eener nieuwe vloot. Toen hervatte hij den tocht, maakte zich meester van de geheele kust en al de eilanden der binnenzee, en drong vervolgens in het binnenland van Nippon door. Na eene reeks van roemrijke gevechten, onderwierp hij zich de geheele rijke en vruchtbare landstreek, die zich van Osaka tot de golf van Jedo uitstrekt. Van toen af was Zin-moe meester van geheel het bebouwde land en van al de beschaafde stammen van het oude Japan: het overige gedeelte van Nippon was, even als de noordelijke eilanden, nog met ondoordringbare wouden bedekt, waar nomadenstammen rondzwierven, die van de jacht en vischvangst leefden. Deze verstrooide stammen zijn langzamerhand door de opvolgende invallen en emigratiën der mannen van het zuiden, meer en meer naar het noorden verdrongen geworden. Nog heden vindt men langs de kusten en op de noordelijke eilanden van den grooten Oceaan, een bijzonder menschenras: kort en zwaar van gestalte, ruig en harig van lichaam, met groote hoofden en platte aangezichten. De Japanneezen noemen hen de Aïno’s, de eerste menschen. Soms zelfs hervindt men dezelfde type onder de lagere klassen in Japan zelf, onder de boeren, de visschers, de schippers en lastdragers. Er is wel eenige grond om aan te nemen, dat deze Aïno’s de oorspronkelijke bewoners van Japan zijn geweest: wat daarvoor ook schijnt te pleiten is, dat de naam van aïno volstrekt niet als eene beleediging wordt beschouwd of eene minderheid aanduidt. De japansche taal heeft ook een uitdrukking voor wat wij door barbaren verstaan, maar zij gebruikt daarvoor het woord yébis, nooit aïno’s.
Het schijnt dus dat ten tijde der verovering door Zin-moe deze oorspronkelijke bewoners reeds door de aanvoerders van vroegere kolonisten waren onderworpen of verjaagd. Nu moesten de eerste overwinnaars op hunne beurt zich onderwerpen aan de nieuwe heerschers, wier meerdere beschaving hun het overwicht verzekerde.—Toen Zin-moe, de goddelijke krijgsman, aldus het doel van zijn streven bereikt had, waren er zeven jaar verloopen sedert zijn vertrek van Kioe-Sioe: zeven jaren van moeite en strijd, van zorg en lijden en worsteling. Zijne drie broeders waren omgekomen: de oudste sneuvelde bij het beleg eener sterkte, de beide anderen vielen als slachtoffers hunner edelmoedige zelfverloochening: zij stortten zich vrijwillig in de golven, om aldus den storm te bezweren, die de vloot van den veroveraar dreigde te vernielen. Daarentegen begunstigde de zonnegodheid den krijgsheld in al zijne ondernemingen. Zij was het, die hem voor verdwalen behoedde in de gevaarlijke bergpassen van Yamato. Een raaf, hem door de godheid in het beslissende oogenblik toegezonden, diende Zin-moe tot leidsman en gids.—De landstreek Yamato ligt in het zuid-oosten van Nippon, en vormt het middelpunt van een groot schiereiland, door de wateren van den oceaan en van de binnenzee bespoeld. Daar bouwde Zin-moe een uitgestrekt en sterk kasteel, op een breeden heuvel, welks top hij had laten effenen. Dit kasteel noemde hij zijn miako, de hoofdplaats van zijn rijk, en daar vestigde hij zijn hof, zijn daïri.—Deze beide namen zijn van toen af onafscheidelijk verbonden geweest aan de verschillende residentiën der oude heerschers van Japan. Zij zelven droegen den eeretitel van Mikado’s, de eerwaardigen; bovendien voert ieder hunner, na zijn dood, in de jaarboeken des rijks nog andere schitterende namen en bijnamen, waaronder hij tot de nakomelingschap overgaat. De japansche geschiedschrijvers gebruiken dikwerf het woord miako, in plaats van den naam der stad waar de keizer resideerde; en het woord daïri, in plaats van den titel van Mikado, en zeggen b. v.: dit of dat is geschied op bevel van den daïri. Trouwens, dit gebruik vindt men terug in de taal van alle hoven.
Bamboes-bosschen.
Even als Zin-moe door de vrije keuze zijns vaders tot den troon geroepen was, zoo bepaalde hij dat voortaan ook de regeerende Mikado zijn opvolger zou aanwijzen onder zijne zonen, of, bij ontstentenis van dezen, onder de prinsen van den bloede. Zin-moe eindigde zijne roemrijke loopbaan in het jaar 587 vóór Christus, naar men zegt, het zes-en-zeventigste zijner regeering. Hij is opgenomen onder de kami’s. Zijne kapel, in Japan onder den naam van Simojasiro bekend, ligt op den berg Kamo, dicht bij Kioto, en nog heden ten dage wordt Zin-moe daar aangebeden als de grondlegger en eerste heerscher des rijks. Meer dan vijf-en-twintig eeuwen zijn er verloopen, sinds de goddelijke krijgsman het moede hoofd nederlegde en zijne schitterende loopbaan besloot: maar tot op dezen dag is de kroon erfelijk bewaard gebleven in zijn geslacht, zonder dat de nieuwe politieke macht, die in de latere tijden feitelijk de heerschappij over Japan heeft uitgeoefend, ooit de hand naar die gewijde kroon heeft uitgestrekt.
Doch eeuwen lang waren de Mikado’s niet slechts heerschers in naam, maar ook metterdaad: meest krachtige en kloeke mannen, die bewezen voor hunne taak berekend te zijn, en de grenzen van hun gebied voortdurend uitbreidden. En zelfs hunne vrouwen, wanneer zij als regentessen het bewind voerden, toonden zich, waar het pas gaf, hare degelijke echtgenooten volkomen waardig. Eene van haar, Zingoe genaamd, die omstreeks twee eeuwen na Christus leefde, rustte een vloot uit, waarop zij zich, aan het hoofd harer keurbenden, zelve inscheepte om Korea te veroveren. Zij kwam nog juist tijdig genoeg van haren zegetocht terug om aan een nieuwen, toekomstigen Mikado het leven te schenken.
Met de uitbreiding van het rijk hielden de vorderingen der beschaving gelijken tred. Uit Korea werden het paard, de ezel en het kameel ingevoerd: echter is alleen het eerste dezer drie dieren in Japan inheemsch geworden. China leverde de theeplant; de oranjeboom werd door Tatsima Nori “uit het land der eeuwigheid” medegebracht. In het negentiende jaar der regeering van Keizer Sioe-sin (78 vóór Chr.) werden de eerste koopvaardij- en oorlogsschepen in Japan gebouwd; en onder de regeering van zijn zoon Synin “regende het sterren van den hemel”. Ook werden omstreeks dien zelfden tijd voor het eerst vijvers en kanalen aangelegd ter besproeiing van de rijstvelden.
Eerst veel later schijnen de zijdewormen bekend te zijn geworden: althans de kunst om zijde te vervaardigen klimt in Japan niet veel verder dan de vijfde eeuw onzer jaartelling op. Twee eeuwen later leerde men de grondstof kennen, “die de olie en het brandhout vervangt”, en werden de zilvermijnen van Tsousima bewerkt. Onderscheidene belangrijke uitvindingen en instellingen dagteekenen van de derde eeuw: bij voorbeeld, de invoering der paardenposterij; de bereiding van den rijstdrank, onder den naam van saki bekend; en de kunst om kleederen te naaien, die aan de japansche vrouwen werd geleerd door naaisters uit het koninkrijk Petsi in Korea. De Mikado, over deze laatste nieuwigheid verrukt, en tot de eigenlijke bron dezer schoone kunst willende opklimmen, zond een plechtig gezantschap naar den beheerscher van het Hemelsche Rijk, om van hem onderwijzeressen in de kunst der naald te verzoeken. Dit herinnert aan den idyllischen tijd, toen de keizers en koningen van het Oosten elkander gezantschappen zonden of in persoon elkander bezochten, om te zamen te beraadslagen over de middelen om den steen der wijzen of het levenselixir te vinden; of ook wel, om astronomische vragen te behandelen en ingewikkelde raadsels op te lossen!
In de vierde eeuw werden, op last van den daïri, op verschillende punten van het rijk groote voorraadschuren gebouwd, waar de overvloedige opbrengst van den rijstoogst werd bewaard, om in minder gelukkige jaren te dienen, en alzoo de herhaling te voorkomen der geweldige hongersnooden, die vroeger meermalen het land hadden geteisterd. In het jaar 543 zond het hof van Petsi wederom een belangrijk geschenk aan den Mikado, en wel “het rad dat het zuiden aanwijst”.—In 660 werden de wateruurwerken, en tien jaren later de door water gedreven molens en werktuigen ingevoerd.
Eerst tegen het einde der achtste eeuw word het eigenlijke japansche schrift uitgevonden; maar aan het hof bediende men zich reeds sedert de derde eeuw van de chineesche letterteekens. Wij weten veel te weinig van de oude nationale literatuur van Japan, om eenigszins te kunnen bepalen in hoeverre en op welke wijze zij tot de beschaving des volks heeft medegewerkt.—Daarentegen is in de geschiedboeken des rijks eene merkwaardige getuigenis bewaard van den heilzamen invloed, dien de schoonste kunsten, reeds bij haar eerste optreden, ter verzachting der zeden uitoefenden. Het was namelijk de gewoonte, om bij de begrafenis van den Mikado of van de Kisaki, zijne echtgenoote, menschenoffers te brengen, waartoe doorgaans de vertrouwdste dienaren der overleden vorsten werden uitgekozen. Nu gebeurde het in het derde jaar vóór Chr. dat de regeerende Kisaki kwam te sterven: en toen Nomino Soekoené, een beeldhouwer, dit vernam, vervaardigde hij leemen poppen en legde die aan de voeten van den Mikado, met de bede, dezen in het graf der keizerin te doen werpen, in de plaats der voor het offer bestemde dienaars. De Mikado verhoorde de bede van den edelen beeldhouwer, en schonk hem zelfs een schitterend en blijvend bewijs van zijne gunst, daar hij zijn familienaam in dien van Fasi, kunstenaar, veranderde.
Langen tijd, ja tot nu toe, zijn echter de wetten veel onbarmhartiger en barbaarscher gebleven dan de zeden. Zoo werd, bij voorbeeld, eene adellijke dame, die zich aan overspel had schuldig gemaakt, tot den kruisdood verwezen.
Reeds vroeg heeft de japansche regeering er zich op toegelegd, om bij het volk het bewustzijn van zijne eenheid en kracht levendig te houden. In de tweede eeuw onzer jaartelling werd het rijk in acht groote provinciën of kreitsen, en deze weder in acht-en-zestig districten verdeeld. Later werd in ieder district een ambtenaar aangesteld, belast met de taak om de plaatselijke gewoonten en volksoverleveringen te bestudeeren en daarvan nauwkeurig aanteekening te houden. Toen werden ook de familienamen vastgesteld, zoo als ook de titels en bijnamen der feodale dynasten. Eene keizerlijke heirbaan verbond de vijf groote steden waarin de Mikado achtervolgens zijn zetel had gevestigd. De voornaamste dezer steden, in de zevende eeuw, was Osaka, aan de oostkust der binnenzee. Om echter wezenlijk de eenheid des lands tot stand te brengen, niet alleen uit een staatkundig oogpunt maar ook ten aanzien van beschaving en ontwikkeling, moest het hof ophouden een nomadenleven te leiden, en moest er eene vaste hoofdstad worden gekozen. De grond daartoe werd gelegd in de achtste eeuw, door de stichting van Kioto, dat gaandeweg eerst de geliefkoosde verblijfplaats, en later, sedert de twaalfde eeuw, de vaste residentie van den Mikado werd.
Deze herinneringen aan de oude geschiedenis van Japan voeren ons bijna immer terug naar de bekoorlijke oevers der binnenzee, naar dien in waarheid klassieken grond van het groote rijk. En daar wij nu eenmaal, op de manier der oude reizigers, ongedwongen voortkeuvelen en aan onze gedachten den vrijen loop laten, al is het ook dat ze soms wat al te vrij omdwalen:—zoo willen wij nu eenige oogenblikken wijden aan de beschouwing dier prachtige waterkom en van haar schilderachtige oevers.
De schepen die van Nagasaki of de kust van China naar de golf van Jedo gaan, varen doorgaans de Van-Diemensstraat, ten zuiden van het eiland Kioe-Sioe, door. Er is echter nog een andere weg, thans weinig bekend, maar die eenmaal zeker verre de meest bezochte worden zal, wanneer de havens van Hiogo en Osaka voor den europeeschen handel zullen zijn opengesteld: die andere weg is de vaart door de binnenzee. Ik heb dien gevolgd, toen ik van Nagasaki naar Jokohama ging. De reis duurde, ’t is waar, zeven dagen: maar men moet daarbij in aanmerking nemen, dat wij vier nachten voor anker hebben gelegen: de eerste nacht, eer wij de straat Van-der-Capellen bereikten, bij een klein eiland in de zee van Korea; en de drie anderen, nadat wij de straat waren doorgevaren, in havens langs de kust van Nippon. Er bestaan van deze wateren nog geene voldoende kaarten, althans geene waarop men genoeg vertrouwen kan, om ook des nachts met de stoomboot de reis te vervolgen: men moet zich overgeven aan de leiding der inlandsche loodsen en stil liggen waar zij dit verkiezen.
De zoogenoemde binnenzee van Japan is minder eene eigenlijke zee, door de omliggende eilanden ingesloten, dan wel een breed en ruim kanaal, dat de zee van Korea verbindt met den grooten Oceaan: ten westen door de straat Van-der-Capellen tusschen Nippon en Kioe-Sioe, en ten zuiden en oosten door de straten van Bungo, van Naruto en van Linschoten. De straat van Bungo is tusschen Kioe-Sioe en Sikokf; de straat van Naruto tusschen Sikokf en Awadsi, en die van Linschoten tusschen Awadsi en Nippon.—Men rekent dat de binnenzee, waar zij het breedst is, van oever tot oever ongeveer vijftig mijlen beslaat; hare grootste lengte, van het oosten naar het westen, wordt op twee honderd vijftig mijlen of vier honderd kilometers geschat.—Zij verdeelt zich in vijf kommen of bassins, die, hetzij door de baaien en landtongen van Kioe-Sioe, Nippon en Sikokf, hetzij door de vele verspreide eilandengroepen, welke de kust omgeven, worden gevormd. Deze kommen, door de Japanneezen Nada’s genoemd, dragen den naam naar de provinciën aan haren oever: zij heeten Soewo-nada, Iyo-nada, Bingo-nada, Arima-nada en Idsoemi-nada.
Zoowel door de vorming en gedaante der kusten, als door hare talrijke eilandengroepen, behoort de binnenzee met hare omgeving zeker tot de meest schilderachtige gedeelten van Japan.
Boschrijke heuvelen, met tempels en kloosters gekroond, omzoomen de straat Van-der-Capellen. Aan hun voet, op de kust van Nippon, ligt eene stad, die zich langs den oever der zee anderhalve mijl ver uitstrekt: het is Simonoseki, een zeer oude handelplaats: die tot op de stichting van Jokohama het hoofd-entrepot was, niet alleen voor den binnen- maar ook voor den buitenlandschen handel van Japan;—want, hoewel dit rijk tot 1845 voor de vreemdelingen gesloten was, werden toch, binnen zekere grenzen, met China, met Korea en ook met de hollandsche factorij op Decima, geregelde betrekkingen onderhouden.—Simonoseki heeft eene zeer goede haven, door het kleine eiland Hikousima tegen de hooge golven der zee van Korea beschut.—Iets verder ziet ge, op de tegenoverliggende kust, de kleine stad Kokoera; en spoedig daarop verliest ge de oevers uit het oog; ge zijt in het breedste gedeelte der binnenzee. Dit is het bassin van Soewo, de Soewo-nada, onder welken naam meermalen ook de geheele binnenzee wordt aangeduid. Zij heeft geene eilanden; maar, bij gebreke daarvan, wemelt het hier, in alle richtingen, van logge koopmansjonken, van vlugge vaartuigen met uitgespreide witte zeilen, en van ranke visschersbooten.
De vier andere kommen zijn rijk aan eilanden, groote en kleine, naakte en boschrijke, onbewoonde en dicht bevolkte, die te zamen als een gordel slaan om de kusten van Sikokf en Nippon, waarvan slechts de toppen der bergen zichtbaar zijn. De naakte en onbewoonde eilanden vertoonen meestal slechts zwarte of donkerbruine rotsmassa’s van vulkanischen oorsprong en oneindig verschillend in vorm en gedaante. Sommigen echter bestaan uit zandheuvels, wier golvende lijnen aan de duinen langs de kust van Holland herinneren.—De onbewoonde, maar met vruchtbare aarde bedekte eilanden worden door de bewoners der omliggende dorpen bebouwd. Op de grootsten ziet ge rijstvelden en korenakkers: een bekoorlijk landschap, met heuvels en valleien, en met den rijksten plantengroei getooid.
Doch te midden van al dezen rijkdom van den bodem, leeft de landbouwende bevolking van Japan in een staat, die zeer dicht aan armoede en gebrek grenst: de opbrengst van haren arbeid behoort niet aan haar, maar aan de bezitters van den grond, aan de daïmio’s of feodale landheeren. De afwezigheid van eene eigenlijke burgerklasse geeft aan de japansche dorpen een zeer armoedig voorkomen. Aan de oevers der binnenzee zoekt ge vergeefs naar vriendelijke bloeiende vlekken en vroolijke schilderachtige villa’s; de tempels alleen wisselen de eentonigheid der boerenwoningen af; maar van verre zijn deze tempels alleen herkenbaar door hunne reusachtige daken en het prachtige hooge geboomte, dat ze immer omgeeft.
Een japansche draagstoel.
De adellijke kasteelen liggen doorgaans ver van de steden en de dorpen verwijderd; zij maken dikwijls eene indrukwekkende vertooning, en beslaan eene zeer aanzienlijke oppervlakte. Deze geheele ruimte wordt ingesloten door hooge en zware muren; aan de hoeken, of ook wel op geregelde afstanden, van vierkante torens, met licht omgebogen daken, voorzien. Rondom de muren loopt eene diepe gracht. Binnen de wallen vindt ge het park, de tuinen en de eigenlijke woning van den heer, bestaande uit een hoofdgebouw met een aantal nevengebouwen en aanhoorigheden. Soms verrijst, te midden van dit feodaal verblijf, nog een andere toren, in vorm aan de overigen gelijk, maar waarvan de twee of drie bovenverdiepingen boven den muur uitsteken: ongeveer als de donjons onzer middeleeuwsche burgten.
Het is moeielijk, een algemeen denkbeeld te geven van het karakter der landschappen langs de binnenzee; de tooneelen wisselen tot in het oneindige, naar mate van de meer of mindere nabijheid der kusten, en van het voorkomen der eilanden, die den horizon begrenzen. Nu eens bewondert ge een prachtig zeegezicht: de grootsche lijnen der zee smelten samen met die der zandige oevers, schemerende in den stralenden zonnegloed; terwijl op den achtergrond der breede schilderij de verre bergen hunne blauwende, nevelachtige toppen in de lucht verheffen.—Dan weder rust uw oog met welgevallen op een liefelijk, vreedzaam, helder landschap: een dorpje aan den oever eener stille baai, omzoomd door groene velden en rijk bebouwde heuvelen, waarboven de dennenbosschen hunne donkere kruinen wiegen: een tooneeltje, als ge, op een helderen zomermorgen, aan een der schoone meren van den Jura hebt gezien.—Soms ook, wanneer de kommen zich vernauwden, en de eilanden voor ons uit den doortocht schenen te versperren, kwam mij de herinnering te binnen aan de Rijnoevers boven Boppard. Maar neen: het japansche landschap is kalmer, helderder, rustiger: hier ontbreken die steile rotshellingen, die groote schaduwen, die breede stoute lijnen, die plotselinge overgangen, die aan gindsche oevers een zoo onbeschrijfelijk karakter bijzetten. Hier ziet ge, aan den oever, een vlak strand, eene zachte glooiing, geleidelijk opklimmende terrassen; verder in het verschiet, zacht afgeronde eilanden, golvende heuvelen, ronde bergtoppen. Dit is wel schoon; zoowel de verbeelding als het oog vindt hier bevrediging: maar toch, ge mist die eigenaardige, half weemoedige bekoring, dat—hoe zal ik het noemen?—dat tragische, dat, voor ons althans, bijna onmisbaar is om het schoone der natuur volkomen te genieten. Zeer mogelijk echter ligt hier de schuld aan ons, aan een gebrek van onzen modernen smaak.
Het bassin van Arima doet aan de baai van Nagasaki denken. Deze waterkom wordt ten oosten bijna geheel afgesloten door een eiland, dat zich tusschen de Arima-nada en de Idsoemi-nada over eene lengte van dertig mijlen uitstrekt. Dit eiland heeft den vorm van een driehoek, waarvan de punt naar het noorden, naar de provincie Arima, in Nippon, is gekeerd. Van deze punt verheft zich de lage, met een weelderigen plantengroei bedekten bodem, langzamerhand van heuvelreeks tot heuvelreeks opklimmende, tot de breede ruggen van een fiere bergketen, wier toppen eene hoogte van ongeveer twee duizend voet bereiken. Dit is het eiland Awadsi, eenmaal het verblijf der goden; de steden, langs de oevers van Nippon verspreid, zijn nog vol van de herinneringen aan Zin-moe’s zegetochten. Hier staan wij aan de wieg van de nationale mythologie der Japanneezen, op den heiligen grond hunner kami’s, op den klassieken bodem van het oude rijk der Mikado’s. Geen dichter van het westen heeft ooit dit oord bezongen. Slechts inlandsche zangers hebben deze gewijde streken verheerlijkt in hun lied; zangers, wier namen de wereld evenmin kent als hunne werken. De beschaving, die hier geboren werd, en waarvan nog slechts enkele uitwendige vormen zijn overgebleven, is voorbijgegaan, zonder in de geschiedenis der menschheid een zichtbaar spoor achter te laten. Wel heeft zij nu en dan de aandacht der geleerden getrokken; en, niet waar, wat wil men meer? is het niet dwaas en gewaagd, voor haar de belangstelling onzer westersche maatschappij der negentiende eeuw te komen vragen? Wel, soms schijnt het mij, als dringt ons nog een ander, dan een louter wetenschappelijk, belang, tot de opsporing en de studie dezer oude, vervlogen toestanden, dezer vreemde, ondergegane beschaving. Onder deze ongekende, deze uitheemsche vormen zoeken wij den mensch, met zijne hartstochten en begeerten, zijne deugden en gebreken; den mensch, geplaatst te midden van hetzelfde levensdrama, dat ook om en in ons, in duizenderlei vormen, wordt opgevoerd. Noch het tooneel, noch de decoratie, noch de costumen, herinneren ons aan bekende dingen: maar toch gevoelen wij, dat wij eene handeling zullen aanschouwen, die ons niet vreemd is, en een geheimzinnige stem fluistert ons de woorden der oude tabeldichters toe: “Vriendelijke lezer, deze geschiedenis raakt u zelven.”—De te fabula narratur.—Daarom mag ons geene verschijning in de wereldgeschiedenis, geene phase in het groote leven der menschheid onverschillig zijn: de vervlogen eeuwen houden ons den spiegel voor, waarin wij ons zelven en onzen eigen tijd kunnen herkennen; en moeten zij niet allen, ieder op hare eigene wijze en langs zoo zeer verschillende wegen, medewerken ter voorbereiding van de eindelijke oplossing van het groote drama, die wij met vertrouwen verbeiden?
Tooneelspelers en danseressen aan het hof van den Mikado.
Tegenover de noordoostelijke kust van het eiland Awadsi verheft zich, op den oever van Nippon, de stad Hiogo, wier ruime en veilige haven reeds sedert eeuwen het middelpunt is van den handel en de scheepvaart van het japansche rijk. Daar komen de jonken van Simonoseki de koopwaren lossen, die, uit China, van de Lioe-Kioe-eilanden, van Nagasaki, van de westkust van Nippon en zelfs van Korea en Yesa aangevoerd, eerst in de entrepots van deze stad worden opgeslagen, om vervolgens over Hiogo naar het binnenland en het oosten van Japan te worden vervoerd. Van daar ook gaan duizenden jonken uit, om naar de eilanden der binnenzee de producten van den landbouw en de kunstvlijt der zuidelijke provinciën van Nippon over te brengen.
Eens zal de dag komen, en misschien is hij reeds niet verre meer, dat geregelde stoombootdiensten de haven van Hiogo zullen verbinden, aan de eene zijde met China en de groote middelpunten van den engelschen handel in het Oosten, en aan de andere met Jedo, Jokohama, en verder met Hawaï en Californië.—Voor het oogenblik, d. w. z. tot 1868, is deze haven nog voor de westersche volkeren gesloten; de inlandsche scheepvaart bepaalt zich tot kustvaart en waagt zich nauwelijks buiten het gezicht der eenvoudige vuurbakens langs den oever: de wetten des rijks, die ook de samenstelling en den bouw der jonken regelen, dulden niet dat dezen voor het bevaren der open zee geschikt worden gemaakt. Doch ook dit zal wel spoedig veranderen.
Bijna de geheele kustvaart der haven van Hiogo is in handen van reeders uit Osaka.—Deze groote, oude stad, eene der vijf keizerlijke steden, is slechts acht uren gaans van Hiogo verwijderd. Door hare ligging aan de bevaarbare Jodogawa-rivier, die zich in verschillende armen splitst en eenige mijlen benedenwaarts in zee valt, is zij ook voor grootere schepen toegankelijk. Zij wordt door een aantal kanalen doorsneden, die haar, ook om de vele sierlijke bruggen, haast het voorkomen eener hollandsche stad geven. Osaka drijft een zeer levendigen handel, en is tevens een brandpunt van genietingen en vermaken van allerlei aard: rijkdom, weelde en zingenot heerschen daar in onbeperkte mate. Men heeft haar zelfs het japansche Parijs genoemd.
Van 744 tot 1185 was Osaka de residentie der Mikado’s. Oppervlakkig zou men meenen, dat deze vorsten zich volkomen te huis moesten gevoelen in deze volkrijke, levendige, handeldrijvende, levenslustige stad, waaraan het rijk voor een goed deel zijne welvaart en zijne ontwikkeling had te danken. Maar het was de tijd niet meer, de schoone heldentijd, waarin de Mikado, even als de oude dogen van Venetië, zelf zijn oorlogsjonk besteeg en in persoon het opperbevel voerde over zijn vloot. Hij hield geene wapenschouwingen meer, gedragen op de schouders van vier dappere herauten; hij bestuurde niet langer, van een hoogen heuvel, op een vouwstoel gezeten en met een ijzeren waaier in de hand, de bewegingen en oefeningen zijner troepen. Hij trok ook niet meer te velde tegen oproerige vasallen of stoute mededingers naar den troon, noch vuurde in den strijd zijne soldaten door woord en voorbeeld aan. Neen, de Mikado, ten toppunt van macht, rijkdom en veiligheid opgeklommen, bouwde zich te Osaka een heerlijk paleis, te midden van een uitgestrekt park, waar het gewoel en gerucht der bezige stad niet kon doordringen. Zijne hovelingen weten hem te overtuigen, dat het strijdig is met de hooge waardigheid van een afstammeling der zon, om zich aan de menigte zijner gewone onderdanen te vertoonen; dat hij aan de vorsten en hooggeboren edelen, die hem omringen, de alledaagsche zorgen der regeering, het vermoeiend bevel over vloot en leger, behoort over te laten. Het leven van den daïri wordt gaandeweg aan een samenstel van ceremoniëele wetten en voorschriften onderworpen, waardoor zelfs de geringste bijzonderheden, de minst beteekenende bewegingen worden beheerscht en nauwkeurig geregeld: en waardoor ook de souverein binnen een tooverkring wordt afgezonderd, ongenaakbaar voor ieder, die niet tot het hofgezin behoort. Het keizerlijk gezag wijkt op den achtergrond, en verdwijnt langzamerhand uit de oogen en het bewustzijn des volks. De japansche daïmio’s hadden met hun keizer zoo wat hetzelfde spel gespeeld, dat de hofmeiers in Frankrijk speelden met de merovingische koningen. De Mikado was niet alleen, als zij, onschendbaar: hij was zelfs heilig, een halfgod: zoo hoog boven het peil der gewone menschen verheven, dat zijn naam zelfs niet mocht worden uitgesproken. Hij troonde in de wolken, en de schare zag aanbiddend op naar zijne voetzolen: maar deze verheven personage had zich nu ook met aardsche dingen niet te bemoeien, en deze aangebeden monarch had zich zorgvuldig te onthouden van alle inmenging, van alle persoonlijke tusschenkomst in regeeringszaken. Men bewees hem goddelijke eer: maar het was op voorwaarde, dat hij ook niet meer dan een afgod, een ziellooze pop, zou zijn. Le Mikado règne mais ne gouverne pas!—kan per slot van rekening nog wel aan Japan zijn ontleend!—Maar het japansche volk beviel deze regeling niet. De burgerij, de tirannieke en wispelturige overheersching der gunstelingen moede, deed luide klaagtonen hooren, die eindelijk zelfs tot den verborgen souverein doordrongen. Deze riep wel geen staten- of notabelen-vergadering bijeen: maar hij gaf toch bevel, dat de klachten des volks, door daartoe aangewezen beambten, zouden worden onderzocht en opgeschreven. De hovelingen, geloovende of voorgevende te gelooven, dat de dynastie van de afstammelingen der zon in gevaar verkeerde, namen daarop een afdoend besluit: zij brachten hun keizer met zijn gansche hof over naar Kioto, eene kleine stad in het binnenland, vijftig kilometers ten noorden van Osaka. Het gelukte hun van deze stad de vaste residentie der Mikado’s en de hoofdstad, de Miako des rijks, te maken.
Het verlaten der volkrijke burgerlijke stad, het middenpunt van handel en industrie, waar zich een eigen leven, onafhankelijk van den daïri, gelden deed, had voor de hovelingen het dubbele voordeel, dat alle rechtstreeksche gemeenschap tusschen den vorst en het volk werd afgesneden, en dat hun de gelegenheid was gegeven de nieuwe residentie geheel naar eigen smaak en ter bevrediging van eigen begeerten in te richten.
Kioto ligt in eene schoone vruchtbare vlakte, die, naar het zuiden open, ten noordoosten door eene boschrijke heuvelreeks wordt omzoomd, waarachter zich het groote meer Oïtz uitstrekt. Uit dit meer komt de Jodogawa-rivier voort, die ten zuiden langs Kioto vloeit en zich, zoo als ik zeide, eenige mijlen beneden Osaka in de binnenzee stort. Twee nevenstroomen van de Jodogawa ontspringen ten noorden der hoofdstad, en besproeien ten oosten en ten westen hare muren. Zoo is Kioto van alle zijden omgeven door vlietende wateren, die niet alleen eene uitmuntende gelegenheid verschaffen tot besproeiing der rijstvelden, maar ook dienen tot voeding der grachten in de stad en der vijvers in de keizerlijke parken.—In de omstreken wordt rijst, boekweit en tarwe geteeld; ook bloeit er de theeplant, de moerbezie, de katoen, en eene groote menigte andere vruchtboomen en groenten. Bamboes en laurierboomen, kastanjes, dennen, ceders en cypressen kronen de omringende heuvelen; overal wellen de frissche bronnen uit den grond, en slingeren zich de murmelende beekjes door tuinen en bosschages. Duizende vogels van allerlei soort en gevederte, valken, fasanten, hoppen, eenden, ganzen, steltloopers, vervullen de lucht, de velden en de wateren. Door geheel Japan is de landstreek rondom Kioto beroemd wegens de zachtheid van haar klimaat. Ook is dit deel des rijks het minst blootgesteld aan de orkanen en aardbevingen, wier uitwerkingen elders soms zoo vernielend zijn.
In waarheid, de opvolgers van Zin-moe konden moeielijk een liefelijker verblijf uitkiezen, om in weelderige rust de vruchten te plukken van den arbeid hunner voorgangers; een bevalliger paradijs, om als halve goden te zwelgen in de eerbiedige aanbidding hunner onderdanen, en daarbij zoo geheel het werkelijke leven te vergeten, dat een der schoonste schepters der wereld bijna ongemerkt aan hunne ontzenuwde handen ontgleed.
De afstammeling der kami’s van Japan was en bleef het aangewezen opperhoofd der nationale godsdienst. Deze had aanvankelijk, zoo als wij zagen, geen geestelijkheid. De Mikado’s riepen eene gansche hiërarchie van ambtenaren in het leven, die met een priesterlijk karakter waren bekleed en al de verrichtingen der openbare eeredienst moesten regelen en leiden. Daar waren opzichters bij de gewijde feesten en bij de begrafenisplechtigheden, tempelwachters en bewaarders der heilige schatten en der reliquiën; voorts opzichters der begraafplaatsen en dergelijken. Al de hooge beambten werden gekozen uit de leden en de aanverwanten der keizerlijke familie.—Op dezelfde wijze ging men te werk ten aanzien van den dienst in het paleis en alle gewichtige betrekkingen en bedieningen in den daïri. De eigenlijke hoofden van het burgerlijk en militair bestuur werden op die wijze steeds meer en meer van het hof vervreemd, dat gaandeweg een uitsluitend klerikaal karakter aannam.
De hoofdstad zelve van het rijk had ten slotte dit zeker zeer eigenaardige kenmerk, dat men er bijna niets aantrof ’t welk met het leger, de vloot, de burgerlijke administratie, in één woord met de regeering van een grooten staat, in betrekking stond: dit alles was overgelaten aan de zorg van verschillende ambtenaren, in de provinciesteden verspreid. Daarentegen stelden al de sekten, die het oppergezag van den Mikado erkenden, er eene eer in, hare eigene hoofden in zijne onmiddellijke nabijheid gevestigd te zien; en wedijverden zij met elkander, om zijne residentie met tempels en godsdienstige stichtingen van verschillenden aard te verrijken. Toen dan ook het Boeddhisme, door chineesche monniken ingevoerd, zich de gunst van den Mikado had weten te verwerven, door hem als geestelijk opperhoofd des rijks te huldigen, duurde het niet lang of de ijver der nieuwe sekte stelde alles in de schaduw wat ooit in de hoofdstad ter eere van den aloude kami-dienst was gesticht. Het waren japansche Boeddhisten, die Kioto begiftigden met de grootste klok der wereld, en met een, in zijne soort, niet minder weergaloozen tempel: de tempel der drie en dertig duizend drie honderd drie en dertig genoemd, naar het juiste getal der afgodsbeelden, die hij bevat. Om u de mogelijkheid van zoo iets te doen begrijpen, moet ik er bijvoegen, dat de groote beelden met eene menigte kleinere beladen zijn, die zij op hun hoofd, hunne knieën en handen dragen.—De tempels en kapellen van Kioto, die aan de oude nationale eeredienst zijn gewijd, hebben nog steeds, althans in zekere mate, dezelfde oorspronkelijke eenvoudigheid bewaard, die deze heiligdommen in de overige gewesten des rijks onderscheidt. Sommige dezer tempels zijn aan de zeven hemelsche godengeslachten der nationale mythologie gewijd; andere, hetzij aan de geesten der aarde, hetzij aan de godheid der zon, Ten-sjoo-daï-zin, of aan hare afstammelingen, de eerste Mikado’s.—Tegen het einde der zeventiende eeuw,—latere opgaven ontbreken tot dusver—telde de kami-dienst te Kioto en in den omtrek der stad twee duizend honderd zeven en twintig mia’s; maar het Boeddhisme, in zijne verschillende sekten en vertakkingen, bezat er niet minder dan drie duizend acht honderd drie en negentig tempels, pagoden of kapellen. Het ontbreekt dus Kioto niet aan bedehuizen! Trouwens andere monumenten bezit deze merkwaardige hoofdstad niet.
Immers, zoowel door hunne bestemming als door hun bouwstijl, behooren de paleizen van den daïri ook tot de heilige gebouwen. Zij zijn gezamenlijk door een hoogen muur omsloten, en beslaan het noordoostelijk deel der stad. Boven de talrijke daken verheffen zich, in wijde verte, de wiegelende kruinen der hoog opgaande boomen, en geven den aanschouwer eenig denkbeeld van de uitgestrektheid en de storelooze stilte der heerlijke parken, in wier midden de keizerlijke woningen verrijzen, ver van de blikken der ongewijde schare en van het hinderlijk gedruisch der stad. Meer dan deze boomen en deze schemerende daken te zien, was nog geen vreemdeling vergund: het is mij dan ook niet mogelijk, iets van de inrichting van dit keizerlijk paleis, waar de Mikado, als in eene afzonderlijke wereld, zijne dagen doorbrengt, te zeggen. En somtijds is hem die afzondering nog niet volkomen genoeg. Meermalen gebeurt het, dat de regeerende Mikado afstand van den troon doet, om in een daarvoor opzettelijk bestemd paleis, in een afgezonderd gedeelte van den daïri, zijne overige dagen door te brengen.
In het midden der stad verheft zich een versterkt kasteel, waarvan de muren, van afstand tot afstand, met vierkante torens zijn bezet. Dit kasteel, dat vroeger den Mikado, in geval van oproer, tot wijkplaats strekte, is nu het hoofdkwartier van het garnizoen, dat de Taïkoen in de geestelijke hoofdstad des rijks onderhoudt.
Muzikanten der keizerlijke kapel te Kioto.
Het getal der hooge en lage beambten en bedienden in de verschillende paleizen des Keizers en van zijne talrijke familie, moet vele duizenden bedragen. Het juiste cijfer kent men niet, omdat het hof niet onderworpen is aan de jaarlijksche volkstelling.—Anders is de statistiek altijd een voorwerp der bijzondere zorg van de japansche regeering geweest. In de heilige stad des rijks neemt ook de gewoonlijk zoo profane statistiek een gewijd karakter aan, en rangschikt officiëel de lieden naar de verschillende sekten, waartoe zij zeggen te behooren. Om het cijfer der bevolking van Kioto te kennen, moeten wij weder teruggaan tot den ouden Kämpfer, dien nauwkeurigen en ijverigen onderzoeker, wiens werk over Japan nog altijd zoo groote waarde heeft. Kämpfer dan bericht, dat in zijn tijd, in 1693, de vaste bevolking van Kioto, met uitzondering van het hof, bestond uit 52,169 geestelijken en 477,557 leeken. Deze geheele bevolking splitste zich in ongeveer een twintigtal erkende sekten, waarvan de talrijkste 159,113 aanhangers telde, en de geringste, zijnde eene soort van boeddhistische confrerie, slechts uit 289 leden bestond.
Wie intusschen meenen mocht, dat deze ontzaggelijke ontwikkeling van het kerkelijk element het verblijf in de hoofdstad van Japan somber moet maken, of althans aan de zeden der bevolking een buitengewone strengheid bijzetten, zou zich zeer bedriegen. Het tegendeel is veeleer waar, zoo als wij zien zullen, wanneer wij het leven en bedrijf in deze stad meer van nabij gaan beschouwen.
Gezicht op de straat van Simonoseki.