II. Rangschikking en benoeming der dieren.

Wel zijn geen twee dieren volkomen aan elkander gelijk; maar toch zijn er, die zoo weinig van elkaar verschillen, dat men hun denzelfden naam geeft. Zulke dieren noemt men dieren van dezelfde soort. Dieren, die wel zóóveel van elkander verschillen, dat men ze tot verschillende soorten moet brengen, maar die toch in de meeste, en wel in gewichtige kenmerken overeenstemmen, brengt men tot hetzelfde geslacht. Haas en konijn, paard en ezel, bonte kraai en roek zijn verschillende soorten van hetzelfde geslacht.

Ik sprak daar van gewichtige kenmerken. Dat niet alle kenmerken der dieren van evenveel waarde zijn, ligt voor de hand. Een kenmerk, ontleend aan het tandstelsel van een dier, is een gewichtiger kenmerk dan een, dat ontleend is aan de kleur der vacht; want uit het tandstelsel kan men veel afleiden omtrent het voedsel en dus ook weer omtrent den verderen lichaamsbouw van het dier, terwijl men uit de kleur der vacht niet veel kan afleiden. Niet alleen de meerdere of mindere belangrijkheid, ook de meerdere of mindere standvastigheid van eene eigenschap komt bij de rangschikking der dieren en planten in aanmerking. Zoo kan soms de kleur der vacht voor de rangschikking van meer beteekenis zijn dan in andere gevallen. Bij alle hermelijnen of groote wezels is de punt van den staart zwart gekleurd; bij alle kleine wezels is zij gekleurd als de overige deelen des lichaams, nl. roodbruin. Bij deze dieren is dus de kleur een zeer standvastig kenmerk; terwijl bijv. bij de diersoort “paard” de kleur volstrekt niet standvastig is en niet als kenmerk der soort mag gelden.

Boven zei ik, dat men twee verschillende soorten van dieren, welke in de meeste en wel in belangrijke kenmerken overeenstemmen, in één geslacht vereenigt. Geslachten, die weer veel overeenkomst met elkander vertoonen, brengt men in dezelfde familie. De kleine wezel en de groote wezel zijn verschillende soorten van hetzelfde geslacht; den boommarter en den steenmarter brengt men eveneens in één geslacht, maar in een ander dan dat, waarin men de beide wezels bijéénvoegt. Toch gelijken de wezels en de marters weer zooveel op elkander, dat men het wezelgeslacht en het martergeslacht in dezelfde familie, die der Marterachtigen, vereenigt.

Familiën, die in vele punten van haren lichaamsbouw met elkander overeenstemmen, vereenigt men in dezelfde orde. Zoo vormen de familie der Marterachtigen, die der Katachtigen, die der Hondachtigen en nog eenige andere familiën te zamen de orde der Roofdieren.

Verschillende orden, die onderling tamelijk veel gelijkenis vertoonen, brengt men tot ééne klasse. Roofdieren, Herkauwende dieren, Knaagdieren zijn verschillende orden van de klasse der Zoogdieren. Roofvogels, Duiven, Hoenderachtigen, enz. zijn verschillende orden van de klasse der Vogels.

Vogels en Zoogdieren beiden hebben een inwendig skelet, waarvan de wervelkolom de as is, aan welke de andere deelen bevestigd zijn; ook in andere opzichten blijkt, dat deze twee klassen a. h. w. naar het zelfde plan zijn gebouwd; en men brengt hen daarom tot dezelfde hoofdafdeeling, nl. die der Gewervelde dieren; terwijl de slak tot de hoofdafdeeling der Weekdieren, de duizendpoot tot die der Gelede dieren wordt gebracht.

Men verdeelt dus het Dierenrijk in Hoofdafdeelingen, deze in Klassen, die men weer in Orden indeelt; terwijl de orden weer uit Familiën, deze uit Geslachten en de geslachten uit Soorten zijn samengesteld.

Dieren van dezelfde soort, welke door meer of minder standvastige kenmerken van elkander onderscheiden zijn, brengt men tot verschillende Rassen. Verschil in de streek, waar de dieren eener soort zich ophouden, is oorzaak van ’t ontstaan van zoogenoemde “geographische rassen” (poolvos en onze inlandsche vos); verschil in de wijze, waarop de mensch op hen inwerkt, doet bij de huisdieren “kultuurrassen” ontstaan. (Nederlandsch vee en Durhamvee).

Verscheiden diersoorten zijn algemeen bekend, althans wat haar uiterlijk aangaat; zulke soorten hebben eene Nederlandsche benaming. Andere, vooral kleine diersoorten en uitheemsche, hebben zoodanige benaming niet; want het volk kent ze niet. Men zou dus voor al zulke diersoorten eenen nieuwen Nederlandschen naam moeten bedenken. Maar nu heeft de Zweedsche natuuronderzoeker Linné het gebruik ingevoerd, aan iedere diersoort en aan iedere plantensoort eene Latijnsche (eene zoogenoemde wetenschappelijke) benaming te geven. Daardoor kunnen de dier- en plantkundigen uit de verschillende streken der wereld elkander verstaan, zonder dat zij gedwongen zijn, de namen aan te leeren in alle talen, waarin over dier- en plantkunde wordt geschreven.

Bovendien hebben de namen van Linné nog dit voordeel, dat zij tevens aanduiden, of twee wezens al dan niet tot één geslacht behooren. Evenals ieder mensch minstens twee namen draagt: een’ vóórnaam en een’ familienaam, zoo krijgt ook iedere diersoort twee namen. De eerste is de geslachtsnaam; dezen hebben alle dieren van hetzelfde geslacht met elkander gemeen; de tweede is de soortnaam, die alleen aan de dieren van dezelfde soort toekomt. Dikwijls duidt deze laatste naam een in ’t oog vallend kenmerk van de diersoort aan. Een voorbeeld. Haas en konijn brengt men in ’t zelfde geslacht: Lepus. Nu is de Latijnsche naam van den haas: Lepus timidus (timidus = vreesachtig); die van ’t konijn: Lepus cuniculus (cuniculus = konijn).

De Nederlandsche benamingen van dieren en planten kunnen aanleiding tot verwarring of tot grooten last geven. Zeer verschillende diersoorten toch worden soms met den zelfden naam aangeduid, of althans met zoodanige namen, dat men, op den naam afgaande, zou meenen, dat zij tot hetzelfde geslacht moesten worden gerekend. De hazelworm is eene soort van hagedisachtig dier; de zijdeworm is een onvolwassen vlinder; de “grauwe worm(of emelt) een onvolwassen langpootmug; de regenworm, de spoelworm, de lintworm behooren tot verschillende groepen van de hoofdafdeeling der Wormen.

Wat men in de eene streek “glazenmakers” noemt, noemt men in eene andere streek “korenbouten”, elders weer “donderbolken”, “puistenbijters”, “wrattenbijters”, enz. De nachtzwaluw heet “geitenmelker”, “schapenmelker”, “vliegende pad”, “vliegende kikvorsch”, “nachtratel”, enz. Het is moeielijk, om van de dier- en plantensoorten alle plaatselijke en provinciale namen te kennen. Om zoo nauwkeurig mogelijk aan te geven, welke dier- of plantensoort men bij eene bespreking bedoelt, vermeldt men naast de Nederlandsche benaming ook den wetenschappelijken naam.