Sigurds zwaard.

Sigurd stemde onmiddellijk toe, op voorwaarde echter dat de vloek zou worden opgenomen door Regin, die ook om voor het aanstaand gevecht den jongen man behoorlijk uit te rusten, hem een zwaard zou smeden dat geen slag zou kunnen breken. Tweemaal maakte Regin een wonderbaar wapen, maar tweemaal brak Sigurd het op het aanbeeld in stukken. Toen dacht Sigurd aan de gebroken stukken van Sigmunds wapen, die zijn moeder bewaard had, en tot Hiordis gaande vroeg hij haar erom; en òf hij òf Regin smeedde er uit een zwaard zoo sterk, dat het het groote aanbeeld in tweeën splitste zonder gedeukt te zijn, en welks gesteldheid van dien aard was dat het wat wol die op den stroom los ronddreef in tweeën deelde.

Sigurd en Fafnir

Sigurd en Fafnir

K. Dielitz.

Sigurd ging nu op afscheidsbezoek bij Gripir, die, de toekomst wetende, elke gebeurtenis in zijn aanstaande loopbaan vertelde; daarop nam hij afscheid van zijn moeder en vergezeld door Regin zette hij koers naar het land zijner vaderen, belovend dat hij den draak zou verslaan als hij zijn eersten plicht had vervuld; het wreken van den dood van Sigmund.

Eerst zult gij, vorst,

Wreken uw vader,

En voor de schuld van Eglymi

Neemt gij boete,

Gij zult de wreedaards,

De zoons van Hunding,

Fier verslaan,

En zult overwinnen.

Lied van Sigurd den Fafnerdooder.

Op zijn weg naar het land van de Volsungs werd iets heel wonderlijks gezien, want er kwam een man over het water wandelen. Sigurd nam hem dadelijk aan boord van zijn drakenschip en de vreemdeling, die zich Feng of Fiöllnir noemde, beloofde gunstige winden. Ook leerde hij Sigurd hoe gunstige voorteekenen te onderscheiden. In werkelijkheid was de oude man Odin of Hniker, de golvenstiller, maar Sigurd vermeldde niet dat hij het was.

Het gevecht met den draak.

Sigurd was zeer gelukkig in zijn aanval op Signy, dien hij met velen zijner volgelingen versloeg. Hij vertrok toen uit zijn heroverd rijk en kwam met Regin terug om Fafnir te verslaan. Samen reden zij door de bergen, die steeds hooger en hooger voor hen oprezen, totdat zij kwamen bij een groot woestijnpad, dat volgens Regin het verblijf van Fafnir was. Sigurd reed nu alleen verder totdat hij een eenoogig vreemdeling ontmoette die hem zeide dat hij grachten moest graven midden op den weg waar de draak elken dag zijn slijmig lichaam naar de rivier sleepte om zijn dorst te lesschen, en dat hij in een van deze moest liggen wachten, totdat het monster over hem heen kwam, dan kon hij het zijn zwaard dwars door zijn hart boren.

Sigurd volgde dankbaar dezen raad en werd met volledig succes beloond, want toen de walgelijke vouwen van het monster over zijn hoofd rolden, stak hij zijn zwaard van boven in zijn linker borst, en toen hij uit de gracht sprong, lag de draak te zieltogen in doodsstuipen.

Toen kwam een groote stilte, en Sigmunds zoon vol moed

Stond op d’ oneffen vlakte, waar vloeide Fafnir’s bloed,

En de slang lag aan zijn voeten, dood, en zwaar en grauw,

En over de Lichte Heide scheen de zon uit ’s hemels blauw,

En een windje volgde de zon en blies lang het doodsche zand

Zoo frisch als het rimpelt het zeevlak en buigt het korenland.

Regin was wijslijk op een afstand gebleven totdat alle gevaar voorbij was, maar, ziende dat zijn vijand was verslagen, kwam hij nu nabij. Hij was bang dat de jonge held een belooning zou eischen, dus begon hij hem te beschuldigen dat hij zijn bloedverwant had vermoord, maar, met geveinsde grootmoedigheid zeide hij in plaats van leven voor leven te willen, overeenkomstig de zeden van het Noorden, hij het als een genoegzame voldoening zou beschouwen als Sigurd uitsneed het hart van het monster en het voor hem aan een spit braadde.

Zoo Regin sprak tot Sigurd: “van boete wilt ge vrij?

Breng dan een vuur te zamen en braad het hart voor mij,

Dat ik het eet’ en leve, en zij uw meester en meer,

Want daarin was macht en wijsheid en wetenschap weleer:

Of anders ga uw pad met angst van de Lichtende Hei”.

Sigurd was zich bewust dat een echt soldaat nooit voldoening van welken aard ook mocht weigeren aan de familie van den vermoorde, en dus stemde hij toe in het schijnbaar onbeteekenend voorstel, en maakte zich dadelijk gereed om als kok op te treden, terwijl Regin dutte totdat het vleesch klaar was. Na eenigen tijd raakte Sigurd het gebraad aan om te zien of het gaar werd, maar hij brandde erg zijn vingers en stak ze onwillekeurig in zijn mond om de pijn te stillen. Nauwelijks had Fafnirs bloed zijn lippen aangeraakt of hij ontdekte, tot zijn uiterste verbazing, dat hij de zangen der vogels kon verstaan, waarvan velen zich reeds om het aas verzamelden. Nauwkeurig luisterend merkte hij dat zij vertelden hoe Regin kwaad tegen hem voor had, en hoe hij den ouden man moest dooden en het goud zich toeëigenen dat hem toekwam omdat hij het veroverd had, en dat hij daarna het hart en het bloed van den draak moest nemen. Daar dit overeenkwam met zijn eigen wenschen doodde hij den slechten ouden man met een stoot van zijn zwaard en ging voort met eten en drinken, zooals de vogels hadden aangegeven, terwijl hij een stukje van Fafnirs hart voor later gebruik bewaarde. Hij ging dan op zoek van den grooten schat, en na den Helm van Schrik, de gouden hellebaard en dan den ring Andvaranaut te hebben aangedaan, terwijl hij Greyfell met zóóveel goud belaadde als hij kon dragen, sprong hij in het zadel en zat met graagte te luisteren naar de zangen der vogels om te weten wat zijn toekomstige tocht moest zijn.

De slapende oorlogsmaagd.

Weldra hoorde hij van een oorlogsmaagd, vast in slaap op een berg en omringd door een fonkelende vlammenhaag, waar slechts de dapperste der mannen kon doordringen om haar te wekken.

Op den berg daar ligt

Een oorlogsmaagd in slaap;

Over haar golft

Linde’s vergif:

Ygg stak voorheen

Een slaapdoorn in ’t kleed

Der maagd, die eerst

De helden uitkoos.

Fafnir-lied.

Dit avontuur was juist iets voor Sigurd, en hij vertrok dadelijk. De weg voerde door ongebaande streken, en de reis was lang en onaangenaam, maar ten slotte kwam hij bij de Hindarfiall in Frankenland, een hoogen berg welks met wolken bedekte top door vurige vlammen scheen omringd.

Lang rijdt hij door de steppen, tot hij eens, ’s morgens, ziet,

Uit de verweerde rotsen, en in ’t bewolkt gebied,

Hoe rijst een trotsche berg op, en ’t is alsof er brandt,

Een toorts in krans van nevel: en Sigurd gaat dien kant

Waar hij denkt dat van die hoogte men ziet den omtrek goed

En Grijsvel hinnikt vroolijk, hij zelf is vol van moed.

Sigurd reed de berghelling op, en het licht werd al sterker en sterker naarmate hij verder kwam, totdat, toen hij den top bereikt had, een haag van donkere vlammen voor hem stond. Het vuur brandde met een geraas dat het hart van ieder ander zou verschrikt hebben, maar Sigurd herinnerde zich de woorden van de vogels, en zonder een oogenblik te aarzelen, stortte hij zich er midden in.

Nu wendt zich Sigurd in ’t zadel, ’t gevest van Toorn hij richt,

Hij heft de teugels hooger en snoert zijn gordel dicht,

En roept dan luid tot Grijsvel en rijdt in ’t midden van ’t vuur,

Maar de vlammen slaan ter zijde en dus wijkt de witte muur,

Hoog boven zijn hoofd stijgt het branden en groot en wild is ’t gerucht.

Als het draagt de machtige barning naar de hooge hemellucht.

Toch gaat hij door het ruischen als een krijgsman door roggeveld

Als het buigt voor wind in den zomer en onder de koelte zwelt.

De witte vlam lekt zijn kleeren en de manen van zijn paard.

En streelt de handen van Sigurd, en ’t in bloed gedoopte zwaard,

En windt zich om zijn helm heen en mengt zich met zijn haar,

Maar niets ontloutert zijn kleeding die schittert als vroeger klaar;

Dan valt zij; verdwijnt en wordt donker tot alles schijnt volbracht,

En de vlam is opgezwolgen in diepen, duist’ren nacht.

Toen de dreigende vlammen nu waren weggestorven, vervolgde Sigurd zijn tocht over een breed spoor van witte asch en richtte zijn weg naar een groot kasteel met muren met schilden behangen. De groote poorten stonden wijd open, en Sigurd reed er doorheen, niet belemmerd door wachters of gewapenden. Behoedzaam voortgaande, omdat hij een of andere list vreesde, kwam hij eindelijk midden op de plaats, waar hij een gestalte zag liggen in wapenrusting. Sigurd steeg van zijn paard en deed handig den helm weg, toen hij van verbazing terugdeinsde omdat hij in plaats van een krijgsman, het gelaat van een zeer schoon meisje zag.

Sigurd vindt Brunhild

Sigurd vindt Brunhild

J. Wagrez.

Al zijne pogingen om de slaapster te wekken waren echter vergeefsch, totdat hij haar wapenrusting had afgedaan, en zij voor hem lag in zuiver wit-linnen kleederen, terwijl haar lange haren in gouden golven om haar heen vielen. Toen de laatste sluiting van haar rusting openging, sloeg zij haar schoone oogen op, die de opgaande zon ontmoetten, en eerst met verrukking het prachtig schouwspel begroetend, wendde zij zich tot haren bevrijder, en de jonge held en het meisje beminden elkander op het eerste gezicht.

Toen wendde zij zich tot Sigurd, haar oogen ontmoetten zijn oog,

En krachtig en zonder grenzen steeg hunne liefde hoog,

Want beider begeeren kwam samen en hij wist dat zij lief hem had.

En zij sprak tot hem alleenig en haar lippen betuigden dat.

Het meisje begon nu aan Sigurd haar geschiedenis te vertellen. Haar naam was Brunhild en volgens sommige bronnen was zij de dochter van een aardsch koning, die Odin had verheven tot den rang van Valkyre. Zij had hem lang trouw gediend, maar eens had zij het gewaagd haar eigen wensch boven den zijnen te stellen, toen zij aan een jongeren en dus meer sympathieken tegenstander de overwinning gaf die Odin een ander had toegedacht.

Tot straf voor deze daad van ongehoorzaamheid was zij van haar ambt ontzet en naar de aarde verbannen, waar zij, volgens besluit van Alvader, als ieder ander lid harer sexe zou huwen. Deze uitspraak vervulde Brunhilds hart met teleurstelling, want zij vreesde zeer dat het haar lot zou zijn zich met een lafaard te verbinden dien zij zou verachten. Om deze vrees weg te nemen, bracht Odin haar naar Hindarfiall of Hindfel, en haar met den Doren van den Slaap aanrakend, opdat zij in onveranderde jeugd en schoonheid de komst van den haar bestemden echtgenoot zou afwachten, omringde hij haar met een muur van vlammen, waar geen ander dan een held zich doorheen zou wagen.

Van den top van Hindarfiall wees Brunhild nu aan Sigurd haar vroegere woonplaats, te Lymdale of Hunaland, en zeide hem dat hij haar daar zou vinden als hij haar als zijn vrouw kwam opeischen; en toen, terwijl zij samen op den eenzamen bergtop stonden, deed Sigurd den ring Andvaranaut aan haar vinger, ten teeken van hun verloving, en zwoer haar alleen te zullen liefhebben zijn heele leven lang.

En van zijn hand trekt Sigurd Andvari’s gouden ring,

Niets is er dan de hemel boven hun hoofden, kring

Die ophoudt noch vernieuwt zich, en steeds een teeken is,

Dat God niet meer verandert, daar hij voleindigd is;

En Sigurd riep: Brunhilde, o hoor mij nu ik zweer

Dat de zon aan de lucht zal sterven en de dag zijn schoon niet meer,

Als ’k zoek niet liefd’ in Lymdale en uw geboortehuis,

En ’t land waar gij ontwaaktet bij bosch en zeegeruisch!

En zij riep: o Sigurd, Sigurd, hoor mij nu hoe ik zweer

Dat de dag voor goed zal sterven en de zonne praalt niet meer,

Eer ’k u vergeet, o Sigurd, als bij bosch en zeegeruisch

Ik lig in het land van Lymdale en mijn geboortehuis.

De opvoeding van Aslaug.

Volgens sommige bronnen scheidden de minnenden, na elkander dus trouw te hebben beloofd; maar anderen zeggen dat Sigurd Brunhild opzocht en huwde, met wie hij een tijd lang in volkomen geluk leefde, totdat hij haar en zijn dochtertje Aslaug moest verlaten. Dit kind, als wees achtergebleven, werd door Brunhilds vader groot gebracht, die, van huis verdreven, haar in een kunstig vervaardigde harp verborg, totdat hij in een ver land kwam en daar vermoord werd door een troep boeren wegens het goud dat—zoo dachten zij—er in zat. Hun verwondering en teleurstelling waren inderdaad groot, toen zij het instrument open braken en een klein mooi meisje vonden, dat zij voor stom hielden omdat het geen woord wilde zeggen. De tijd ging voorbij en het kind, dat zij als een slavin hadden gebruikt, groeide op tot een schoone maagd, en zij verwierf de genegenheid van den voorbijtrekkenden Viking, Ragnar Lodbrog, Koning van de Denen, aan wien zij haar geschiedenis vertelde. De koning voer weg naar andere landen om te doen wat het doel van zijn reis was, maar toen een jaar was voorbijgegaan, in welken tijd hij veel roem oogstte, kwam hij terug en voerde Aslaug weg als zijn bruid.

Ze hoord’ een stem haar welbekend,

Verwacht in uren zonder end,

Een krachtig arm haar leest omwond;

Maar toen haar sidderende mond

Den hemel van dien kus verliet,

Ontging haar in zijn oogen niet

De jonge trots, de hoop, de min;

Nu wist zij; dit was slecht begin,

En beiden zouden gaan, gelijk

Nu saam langs ’t strand, door ’t leven rijk.

De opvoeding van Aslaug (William Morris).

Odin en Brunhild

Odin en Brunhild

K. Dielitz.

In het verdere van de geschiedenis van Sigurd en Brunhild wordt ons echter medegedeeld, dat de jonge man avonturen ging zoeken in de groote wereld, waar hij, als een echte held, beloofd had het onrecht te bestrijden en de vaderloozen en verdrukten te verdedigen.

De Niblungen.

In het verloop van zijn zwerftochten kwam Sigurd in het land van de Niblungen, het land van voortdurenden nevel, waar Giuki en Grimhild koning en koningin waren. Vooral de laatste was te vreezen, daar zij goed thuis was in magische kunst, en tooveren kon en wonderlijke dranken brouwen die de kracht hadden den drinker in tijdelijke vergetelheid te dompelen en te dwingen haren wil te doen.

De koning en koningin hadden drie zonen, Gunnar, Högni, en Guttorm, die dappere jonge mannen waren, en een dochter, Goedroen, het liefste en het mooiste van alle meisjes. Allen heetten Sigurd hartelijk welkom, en Giuki noodigde hem uit eenigen tijd te toeven. De uitnoodiging was zeer aangenaam na zijn langen zwerftocht, en Sigurd was blij te kunnen blijven en aan de genietingen en de bezigheden van de Niblungen te kunnen deelnemen. Hij vergezelde hen naar den oorlog, en onderscheidde zich zóó door zijn moed, dat hij de bewondering van Grimhild verwierf en zij besloot hem voor haar dochter als man te nemen. Op zekeren dag brouwde zij dus een van haar tooverdranken en toen hij uit de hand van Goedroen deze had gedronken, vergat hij Brunhild en zijn beloofde trouw geheel, en al zijn liefde was overgegaan op de dochter van den koning.

En ’t werd opeens met Sigurd of in zijn hart de min

Voor Brunhild nooit geleefd had, nu hij zag de koningin;

Brunhilds geliefde wezen was hem een vuur, gedoofd,

Schonk hem geen smart of vreugde, begunstigd en beroofd.

Ofschoon hij wel een vage vreeze had dat hij een feit in het verleden, hetwelk zijn gedrag moest regelen, had vergeten, dong Sigurd naar Goedroens hand en kreeg haar, en hun huwelijk werd gevierd temidden van de vreugde des volks, dat den jongen held innig lief had. Sigurd gaf zijn bruid iets van Fafnir’s hart te eten, en op het oogenblik toen zij het proefde, werd haar natuur veranderd, en zij begon koud en zwijgend te worden tegenover allen behalve hem. Om zijn verbintenis met de twee oudste Giukings (zooals de zonen van Giuki genoemd werden) hechter te maken, ging Sigurd met hen in den “oordeelring”, en de drie jonge mannen staken een zode die op een schild werd gelegd waaronder zij stonden, terwijl zij hun rechterarmen ontblootten en licht verwondden, en hun bloed zich lieten vermengen met de versche aarde. Toen zij eeuwige vriendschap gezworen hadden, werd de zode weer op haar plaats gelegd.

Aslaug

Aslaug

Gertrude Demain Hammond, R. I.

Maar ofschoon Sigurd zijn vrouw liefhad en een ware broederlijke genegenheid voor haar broeders koesterde, kon hij zijn kwellend gevoel van gedruktheid niet kwijt raken en men zag hem zelden zoo blij glimlachen als voorheen. Giuki was nu gestorven, en zijn oudste zoon, Gunnar, regeerde in zijn plaats. Daar de jonge koning ongehuwd was, bezwoer Grimhild, zijn moeder, hem een vrouw te nemen, zeggend dat geen meer waardig scheen de Koningin der Niblungen te worden dan Brunhild, die, zooals men vertelde, in een gouden hal zat, door vlammen omringd, waaruit zij, zooals zij verklaard had, enkel wilde weggaan om den held te huwen die, haar ter wille, het vuur durfde trotseeren.

Gunnars krijgslist.

Gunnar maakte zich onmiddellijk gereed om dit meisje te zoeken, en gesterkt door een van de tooverdranken van zijn moeder en aangemoedigd door Sigurd, die hem vergezelde, had hij goed vertrouwen op welslagen. Maar toen hij den top van den berg bereikte en in het vuur wilde rijden, ging zijn ros verschrikt terug en hij kon het er niet toe krijgen nog een stap te doen. Ziende dat het paard van zijn makker geen teeken van vrees toonde, vroeg hij Sigurd er om, maar ofschoon Grijsvel Gunnar op zijn rug duldde, bewoog hij zich niet, omdat zijn meester niet op hem zat.

Aangezien Sigurd nu den Helm van den Schrik droeg, en Grimhild Gunnar een tooverdrank had gegeven in geval dit noodig zou zijn, was het voor de wachters mogelijk hun gestalte en gelaatstrekken te ruilen, en, ziende dat Gunnar niet kon doordringen in den vlammenmuur, stelde Sigurd voor het uiterlijk van Gunnar aan te nemen en de bruid voor hem te nemen. De koning was zeer teleurgesteld, maar daar geen andere keuze overbleef steeg hij af en de noodzakelijke ruiling was spoedig gedaan. Toen besteeg Sigurd Grijsvel in de gedaante van zijn makker, en nu toonde het paard niet de minste aarzeling, maar sprong in de vlammen zoodra hij zijn teugel aanraakte, en bracht weldra zijn berijder naar het kasteel, waar, in de groote hal, Brunhild zat. Zij herkenden elkander niet: Sigurd niet van wege de betoovering van Grimhild: Brunhild van wege het veranderd uiterlijk van haren minnaar.

De maagd schikte angstig terug voor den donkerharigen indringer, want zij had het onmogelijk geacht dat een ander dan Sigurd zou kunnen rijden door den vlammencirkel. Maar zij kwam met vreugde haren bezoeker te gemoet, en toen hij zeide dat hij gekomen was om haar te huwen, stond zij hem toe de plaats van echtgenoot aan hare zijde in te nemen, want zij was gehouden door een plechtig bevel dat zij als echtgenoot zou aannemen dengene die haar dus door de vlammen zou opzoeken.

Sigurd bleef drie dagen bij Brunhild, en zijn ontbloot zwaard lag tusschen hem en zijn bruid. Dit zonderling gedrag wekte de nieuwsgierigheid van het meisje, waarom Sigurd haar vertelde dat de goden hem hadden bevolen zoo zijn bruiloft te vieren.

Ze hadden één bed te zamen; waar de voedsterbroeder lei

’t Blauw slagzwaard tusschen zich zelven en haar die lag aan zijn zij,

En zij keek en lett’ er op gansch niet; maar als met dooden geschiedt,

Lag zij met gevouwen handen, bewoog dien nacht zich niet,

En zóó stil lag het Beeld van Gunnar als één wien het leven verging.

En de handen vouwde hij samen wijl hij wachtte de schemering,

Zoo kunt ge bij maanlicht in kerk soms wel zien: uw voorgeslacht

Dat gansch, en mannen en vrouwen, den nieuwen dag verwacht.

Toen de vierde morgen lichtte, trok Sigurd den ring Andvaranaut van Brunhilds hand, deed er een ander voor in de plaats en kreeg haar plechtige toezegging dat zij binnen tien dagen zou verschijnen aan het hof der Niblungen om hare plichten als koningin en trouwe echtgenoote te aanvaarden.

Ik dank u, vorst, voor uw goedheid, ik neem uw liefdewoord aan,

Zeg tot uw volk mijn gelofte; maar eer tien dagen vergaan,

Kom ik zelf tot der Niblungen zonen, dan scheiden wij niet meer,

Tot ons roepen Odin en Freya bij onzer dagen keer.

Toen de belofte gegeven was, ging Sigurd weer uit het paleis, door de asch, en kwam bij Gunnar, met wien hij, na het succes van zijn poging verteld te hebben, snel weer van gedaante wisselde. De helden richtten toen hunne paarden huiswaarts, en enkel aan Goedroen openbaarde Sigurd het geheim van haars broeders vrijage, en hij gaf haar den noodlottigen ring, weinig verdacht op de vele ellende die hij zou veroorzaken.

Sigurd en Gunnar

Sigurd en Gunnar

J. C. Dollman.

De komst van Brunhild.

Trouw aan haar belofte verscheen Brunhild tien dagen later, en terwijl zij plechtig het huis zegende dat zij op het punt was binnen te treden, begroette zij Gunnar vriendelijk, en stond hem toe haar te geleiden naar de groote hal, waar Sigurd naast Goedroen zat. De Volsung keek op, en toen hij Brunhilds verwijtende blikken ontmoette, was Grimhild’s betoovering gebroken en het verleden kwam terug in een vloed van bittere herinnering. Het was echter te laat, beiden waren in eere gebonden, hij aan Goedroen en zij aan Gunnar, die zij lijdelijk volgde naar den hoogen zetel om naast hem te zitten, terwijl de skalden het koninklijk paar onderhielden met de melodieën van hun land.

De dagen gingen voorbij en Brunhild bleef voor het uiterlijk onverschillig, maar haar hart was heet van toorn, en dikwijls sloop zij uit het paleis van haar echtgenoot naar het woud, waar zij lucht kon geven aan haar smart in de eenzaamheid.

Intusschen merkte Gunnar de koude onverschilligheid van zijn vrouw voor zijn liefdesbetuigingen, en begon jaloersche vermoedens te krijgen, zich verwonderend of Sigurd eerlijk de ware geschiedenis van de vrijage verteld had, en vreezend dat hij partij had getrokken van zijn positie om Brunhilds liefde te winnen. Sigurd alleen ging ongestoord zijn weg, enkel strijdend tegen tirannen en onderdrukkers, en allen opvroolijkend door zijn vriendelijke woorden en glimlachen.

De twist der koninginnen.

Op zekeren dag gingen de koninginnen naar den Rijn om te baden, en toen zij in het water zouden gaan, eischte Goedroen den voorrang op grond van haars mans dapperheid. Brunhild weigerde te geven wat zij haar recht meende, en een twist volgde, waarin Goedroen haar schoonzuster beschuldigde haar trouw niet te hebben bewaard, terwijl zij den ring Andvaranaut voor den dag haalde om haar aanklacht te staven. Het gezicht van den noodlottigen ring in de hand van hare mededingster verpletterde Brunhild en zij vluchtte naar huis en lag in sprakelooze smart den eenen dag na den anderen totdat allen dachten dat zij sterven moest. Te vergeefs zochten Gunnar en de leden van de koninklijke familie haar om beurten op en smeekten haar te spreken; zij wilde geen woord uiten, totdat Sigurd kwam en naar de oorzaak van haar onzegbaar verdriet vroeg. Toen, als een lang tegengehouden stroom, barstten haar liefde en boosheid los, en zij overlaadde den held met verwijten, totdat zijn hart zóó door droefheid over haar smart opzwol, dat de dichte banden van zijn sterke wapenrusting los gingen.

Uit ging Sigurd

Van dat gesprek

In de hal der vorsten,

Door angst gefolterd;

Het ijzeren kleed

Des dapperen strijders

Van zijn lichaam.

Saemunds Edda.

De Dood van Sigurd

De Dood van Sigurd

Patten Wilson.

Geen woorden waren in staat den droevigen toestand te verbeteren, en Brunhild weigerde er notitie van te nemen toen Sigurd aanbood Goedroen te laten loopen, zeggende als zij hem prijs gaf, dat hij niet ontrouw jegens Gunnar zou zijn. De gedachten dat twee levende mannen haar vrouw hadden genoemd, was niet te dragen voor haren trots, en den volgenden keer, toen haar echtgenoot hare aanwezigheid zocht, smeekte zij hem Sigurd te dooden, dus zijn jaloezie en achterdocht versterkend. Hij wilde echter niet gewelddadig met Sigurd te werk gaan wegens hun eed van vriendschap, en zoo wendde zij zich tot Högni om hulp. Ook hij wenschte zijn eed niet te schenden, maar hij bracht Guttorm, door middel van veel overreding en een van Grimhild’s dranken er toe, om de lafhartige daad te ondernemen.

De dood van Sigurd.

Dus, in het holle van den nacht, sloop Guttorm in Sigurds kamer, een wapen in de hand; maar toen hij zich over het bed heen boog zag hij Sigurds heldere oogen op zich gericht en vluchtte overhaast. Later keerde hij terug en het tooneel herhaalde zich; maar toen hij tegen den morgen voor de derde maal binnensloop, vond hij den held in slaap en dreef verraderlijk zijn speer door zijn rug.

Ofschoon ten doode gewond, hief Sigurd zich in bed op en zijn beroemd zwaard dat naast hem hing grijpend, wierp hij het met al de kracht die nog in hem over was naar den vluchtenden moordenaar en hieuw hem in tweeën toen hij de deur bereikte. Toen, met een laatst gefluisterd vaarwel aan de verschrikte Goedroen zonk Sigurd achterover en blies den laatsten adem uit.

“Treur niet, o Goedroen, de slag is het leste kwaad,

Vrees wijkt uit het Niblungen huis, terwijl deze morgen naakt,

Leef rustig, geliefde vrouw, ongekweld nu en onverzaakt.”

“Het is Brunhild’s bedrijf, dit deed de vrouw die mij mint,”

Zoo zuchtte hij zacht, “er is niets dat nu reden tot wroeging meer vindt;

Ik heb veel in mijn dagen gedaan, en mijn liefde en dit al wordt gelegd

In de opene hand van Odin, tot dan komt het laatste gerecht.

’k Heb gewerkt en ik doe ’t niet te niet, ik gaf en neem het niet weer,

Zijt gij anders dan ik, Alvader, en oogst gij vergeefs mijn eer?”

Sigurds zoontje werd op het zelfde oogenblik vermoord en de arme Goedroen treurde over hare dooden met zwijgende smart, zonder tranen; terwijl Brunhild luid lachte, waardoor zij den toorn van Gunnar opwekte, die er te laat berouw over had, dat hij geen middelen had beraamd om de verschrikkelijke daad af te wenden.

De smart der Niblungen uitte zich in een openbare lijkplechtigheid die weldra werd gehouden. Een groote houtstapel werd opgericht, waarheen kostbare behangsels, versche bloemen en schitterende wapenen werden gebracht, zooals de gewoonte was bij de begrafenis van een vorst en toen deze droeve toebereidselen plaats vonden, was Goedroen het voorwerp van de teedere bezorgdheid der vrouwen, die, vreezend dat haar hart zou breken, de sluizen harer tranen trachtten te openen door haar de bittere smarten te vertellen, die zij hadden gekend, terwijl een haar verhaalde hoe ook zij alles had verloren wat haar dierbaar was. Maar deze pogingen om haar aan het schreien te krijgen waren volkomen vergeefsch, totdat zij ten slotte het hoofd van haar man in haar schoot legden en haar zeide dat zij hem moest kussen alsof hij nog in leven was; toen begonnen hare tranen in stroomen te vloeien.

Ook bij Brunhild trad weldra de reactie in; al haar wrok was vergeten toen zij het lichaam van Sigurd op den brandstapel zag gelegd, alsof hij klaar was tot den strijd in gepolijste rusting, met den Helm van Schrik op zijn hoofd, en vergezeld van zijn paard, dat met hem verbrand zou worden, alsook van velen zijner trouwe knechten, die zijn verlies niet wilden overleven. Zij trok zich terug in haar vertrek, en na haar bezittingen onder hare kameniers verdeeld te hebben, trok zij haar rijkste gewaad aan en doorstak zich zelf toen zij op haar bed lag uitgestrekt.

Het einde van Brunhild

Het einde van Brunhild

J. Wagrez.

Het nieuws bereikte al spoedig Gunnar, die haastig naar zijn vrouw ging en nog juist bij tijds kwam om den laatsten wil van de stervende te vernemen: dat men haar zou leggen naast den held, dien zij liefhad, met het schitterende, ontbloote zwaard tusschen hen in, zooals het had gelegen toen hij haar bij volmacht had gevrijd. Toen zij haar laatsten adem had uitgeblazen, werden deze wenschen stipt uitgevoerd, en haar lichaam werd met dat van Sigurd verbrand onder de klachten van al de Niblungen.

In Richard Wagners verhaal van “De Ring” is Brunhilds einde meer schilderachtig. Op haar paard gestegen, evenals toen zij haar oorlogsmeisjes op bevel van Odin aanvoerde, reed zij in de vlammen die van den grooten brandstapel opstegen, en verdween voor immer uit het gezicht der menschen.

Zij zijn weg, de machtigen, goeden, de hoop van het wereldrond,

Het zal zwoegen en dragen zijn lasten als voor hun geboortestond:

Het zal zuchten in blinde kloven om den dag toen Sigurd ging heen

En het uur dat Brunhild zich spoedde, en de dag die op dooden scheen,

Het zal smeeken, vaak worden geholpen en vergeten hun daden niet meer

Tot de nieuwe zon schijnt op Balder en de zalige stranden neer.

De doodsscene van Sigurd (Siegfried) is veel machtiger in het Niblungenlied. In de Teutonische vertolking lokt zijn verraderlijke vijand hem van een jachtpartij in het bosch om zijn dorst aan een beek te lesschen, waar hij hem door den rug stoot met een speer. Zijn lichaam werd vandaar naar huis gedragen door de jagers en aan de voeten van zijn vrouw gelegd.

De vlucht van Goedroen.

Goedroen, nog ontroostbaar en verfoeiend het geslacht, dat haar verraderlijk van alle levensvreugde had beroofd, vluchtte uit haars vaders huis en zocht een schuilplaats bij Elf, Sigurds voedstervader, die, na den dood van Hiordis, Thora, de dochter van koning Hakon had gehuwd. De twee vrouwen werden groote vriendinnen en hier vertoefde Goedroen vele jaren, terwijl zij zich bezighield met het borduren op een tapijt der groote daden van Sigurd, en zij zorgde voor haar dochtertje Swanhild, wier heldere oogen haar levendig den echtgenoot herinnerden, dien zij verloren had.

Atli, koning van de Hunnen.

Intusschen had Atli, Brunhilds broeder, die nu koning van de Hunnen was, naar Gunnar gezonden om verzoening van zijn zusters dood te vragen; en om aan zijn eischen te voldoen had Gunnar beloofd dat, wanneer hare jaren van weduwschap voorbij waren, hij hem Goedroens hand zou geven. De tijd verliep, en Atli vroeg de vervulling van zijn belofte, waarom de Niblungbroeders, met hun moeder Grimhild, de lang afwezige prinses gingen zoeken, en met behulp van den tooverdrank dien Grimhild had klaar gemaakt, slaagden zij er in Goedroen over te halen de kleine Swanhild in Denemarken te laten en de vrouw van Atli te worden in het land der Hunnen.

Niettemin verachtte Goedroen haren echtgenoot, wiens hebzuchtige neigingen haar zeer tegen de borst stuitten; en zelfs de geboorte van twee zonen, Erp en Eitel, troostte haar niet over den dood van haar geliefde en de afwezigheid van Swanhild. Hare gedachten waren steeds bij het verleden, en zij sprak er dikwijls over, weinig vermoedend dat hare beschrijvingen van den rijkdom der Niblungen Atli’s begeerte had opgewekt, en dat hij in het geheim een voorwendsel zocht om er beslag op te leggen.

Atli besloot ten slotte Knefrud of Wingi, een van zijn dienaren, te zenden, om de Niblung-vorsten uit te noodigen tot een bezoek aan zijn hof, terwijl hij voornemens was hen te vermoorden als hij hen in zijn macht had; maar Goedroen, die zijn bedoeling doorzag, zond een runeboodschap aan hare broeders, tegelijk met den ring Andvaranaut, waar zij een wolfshaar omheen had gewonden. Onderweg echter wischte de bode de runen ten deele uit en veranderde dus hun zin; en toen hij voor de Niblungen verscheen, nam Gunna de uitnoodiging aan, in weerwil van Högni’s en Grimhilds waarschuwingen en een voorspellenden droom van Glaumvor, zijn tweede vrouw.

Het begraven van den Niblungenschat.

Vóór zijn vertrek besloot Gunnar echter eerst heimlijk den Niblungenschat te begraven in den Rijn, en hij liet hem in een diep gat in de bedding van de rivier zinken, terwijl alleen de koninklijke broeders de plaats wisten, die zij—zoo beloofden zij onder een plechtigen eed—nooit aan iemand zouden openbaren.

Toen viel in drukke wieling het roode Goud, gelijk

Een vlam in grauwen morgen glansde de schat van ’t rijk,

Toen stroomd’ er boven ’t water, het schuim en ’t water zwart

Spatte op toen ’t Goud er neerzonk tegen den rotswand hard.

Voor goed onzichtbaar werd het, een wonder en een sprook

Tot d’ allerlaatste zanger zal zijn verdwenen ook.

Het verraad van Atli.

In krijgsgewaad reed toen de koninklijke stoet uit de stad der Niblungen, die zij nooit zouden weerom zien, en na vele avonturen betraden zij het land van de Hunnen en kwam in Atli’s hal, waar zij, bespeurend dat zij er waren ingeloopen, den verrader Knefrud vermoordden, en zich toebereidden om hun levens zoo duur mogelijk te verkoopen.

Goedroen haastte zich om hen met een teedere omhelzing welkom te heeten, en, ziende dat zij moesten vechten, greep zij een wapen en hielp hen dapper in de hevige moordpartij die volgde. Na den eersten aanval hield Gunnar er den moed bij zijn mannen in door op zijn harp te spelen, die hij ter zijde legde als de aanvallen werden vernieuwd. Driemalen braveerden de dappere Niblungen den aanval van de Hunnen, totdat allen, behalve Gunnar en Högni, waren omgekomen, en de koning en zijn broeder, gewond, verzwakt en moe, in de handen hunner vijanden vielen, die hen, stevig vastgebonden, in een gevangenis wierpen om hun dood af te wachten.

Atli had zich wijslijk onthouden van eenig werkzaam aandeel aan het gevecht te nemen, en hij had nu zijn zwagers beurt voor beurt voor zich laten brengen, en hun de vrijheid beloofd als zij de plaats openbaarden waar de gouden schat verborgen was; maar zij bewaarden fier het stilzwijgen, en eerst na veel marteling sprak Gunnar, zeggend dat hij een plechtigen eed had gezworen, dat hij zoo lang Högni leefde nooit het geheim vertellen zou. Ter zelfder tijd zeide hij, dat hij enkel zou gelooven aan den dood van zijn broeder als zijn hart hem op een schotel gebracht werd.

Met een vreeslijke stem riep Gunnar: o Dwaas, hoe is u vertrouwd,

Wie won den schat in ’t verleden en de rosse ringen van goud?

Het was Sigurd, het kind der Volsungs, de beste der besten was ’t,

Hij reed van het Noord en de bergen, en werd mijn zomergast,

Mijn vriend, mijn bezworen broeder, hij reed door het wuivend vuur,

En won mij der Glorie Vorstinne, en schonk mijn verlangst mij dat uur,

Hij was de roem der wereld, de hoop van die werden gekneld,

De steun der simple lieden, de hamer der sterken, de held;

Ja, vaak in de toekomst vertelt men ’t verhaal van wat hij deed,

En ik, ook ik, zal ’t vertellen, als komt den Niblungen Leed;

Want ik zat ’s nachts in mijn rusting, en toen ’t licht was ver over ’t land,

Versloeg ik Sigurd, mijn broeder, en keek naar het werk mijner hand.

En nu, o machtig’ Atli, heb ’k gezien des Niblungen val

Hoe de voet van een zwakken lafaard Gunnars nek vertreden zal;

En als mij de goden misgunnen den vrede, waarnaar ik dorst.

Laat mij zien het hart van Högni, gerukt uit zijn levende borst

En gelegd op den schotel vóór mij, dan zal ik zeggen van ’t Goud,

En worden uw knecht die zijn krachten voor u beschikbaar houdt.

Door nood gedrongen gaf Atli onmiddellijk bevel dat Högni’s hart zou worden gebracht, maar zijn knechten, bang om de hand te slaan aan zulk een verschriklijken krijgsman, vermoordden den lafhartigen kok Hialli. Het trillende hart van dezen armen kerel ontlokte verachtelijke woorden aan Gunnar, die verklaarde dat zulk een vreesachtig lichaamsdeel nooit aan zijn moedigen broeder kon hebben behoord. Atli gaf wederom toornige bevelen, en nu werd het niet-bevende hart van Högni gebracht, waarop Gunnar, zich tot den vorst wendend, plechtig zwoer dat, daar het geheim nu bij hem alleen berustte, het nooit openbaar zou worden.

De laatste der Niblungen.

Bleek van toorn beval de koning zijn knechten Gunnar met gebonden handen in een hol met vergiftige slangen te werpen; maar dit verschrikte den moedigen Niblung niet, en toen men hem uit spot zijn harp had nageworpen, zat hij kalm in den put, spelend met zijn teenen en al de reptielen op één na in slaap wiegend. Men zeide dat Atli’s moeder de gedaante van een slang had aangenomen, en dat zij het was, die hem nu in de zijde beet en zijn triomfanten zang voor goed tot zwijgen bracht.

Om zijn triomf te vieren, richtte Atli nu een groot feest aan, en beval Goedroen klaar te zijn om hem af te wachten. Aan dit banket at en dronk hij smakelijk, weinig vermoedend dat zijn broeder zijn beide zonen had verslagen en hun gebraden harten had opgediend en hun bloed vermengd had met wijn in bekers, die van hun schedels waren gemaakt. Na eenigen tijd werden de koning en zijn gasten dronken, toen Goedroen, overeenkomstig één overlevering van het verhaal, het paleis in brand stak, en, toen de dronken mannen opstonden, te laat om te ontsnappen, vertelde zij wat zij had gedaan, en, na eerst haren man doorstoken te hebben, kwam zij kalm om met de Hunnen in de vlammen. Een andere overlevering zegt, dat zij Atli vermoordde met Sigurds zwaard en, na zijn lichaam op een schip te hebben gezet, dat zij liet wegdrijven, wierp zij zich in zee en verdronk.

Al sprekende breidde zij d’ armen en sprong van het land in zee,

En zij kon niet wederkeeren, want de golven voerden haar mee,

En hun wil is haar wil voortaan en wie kent der waat’ren vloed

En het bed waar Goedroen sluimert en den tijd die nog komen moet?

Overeenkomstig een derde en zeer afwijkende overlevering verdronk Goedroen niet, maar werd door de golven naar het land gevoerd waar Jonakur koning was. Daar werd zij zijn vrouw en de moeder van drie zonen, Sörli, Hamdir en Erp. Zij kreeg bovendien haar geliefde dochter Swanhild terug, die intusschen tot een mooi meisje van huwbaren leeftijd was opgegroeid.

Swanhild.

Swanhild werd uitgehuwlijkt aan Ermenrich, koning van Gothland, die zijn zoon Randwer en een van zijn knechten, Sibich, zond om zijn bruid naar zijn rijk te voeren. Sibich was een verrader en hij had een plan gesmeed tot uitroeiing van de koninklijke familie opdat hij zelf het rijk mocht krijgen; dus beschuldigde hij Randwer dat hij getracht had de genegenheid van zijn jonge stiefmoeder te verwerven. Deze beschuldiging maakte Ermenrich zóó boos, dat hij het bevel gaf zijn zoon op te hangen en Sigurd te doen doodtrappen onder de pooten van wilde paarden. De schoonheid van deze dochter van Sigurd en Goedroen echter was van dien aard, dat zelfs de wilde paarden er niet toe gebracht konden worden om haar leed te doen, totdat zij onder een groot kleed verborgen werd waarna zij haar doodtrapten onder hun wreede hoeven.

Toen zij het lot van haar geliefde dochter vernam, riep Goedroen hare drie zonen bij zich en deed hen een rusting en wapenen aan waarop enkel steen invloed had, en beval hen te vertrekken en hun vermoorde zuster te wreken, waarna zij van verdriet stierf, en op een grooten brandstapel werd verbrand.

De drie jongelingen, Sörli, Hamdir en Erp, gingen naar Ermenrichs rijk, maar eer zij hunne vijanden ontmoetten, bespotten de twee oudsten, die Erp te jong vonden om hen bij te staan, dezen om zijn kleinheid, en vermoordden hem ten slotte. Sörli en Hamdir vielen toen Ermenrich aan, hieuwen zijn handen en voeten af, en zouden hem vermoord hebben als niet een eenoogig vreemdeling plotseling was verschenen en de omstanders had aangespoord de jonge mannen met steenen te werpen. Zijn bevelen werden onmiddellijk uitgevoerd en Sörli en Hamdir vielen weldra onder den regen van steenen, die, zooals wij gezien hebben, alleen in staat waren hen te deren.

Gij hoordet vroeger van Sigurd hoe hij Gods vervolgers sloeg;

Hoe uit de donk’re diepten het goud der wat’ren hij droeg,

Hoe hij wekte de liefste in de bergen en wekte Brunhild schoon,

En toefd’ een tijdlang op aard’ en droeg onder allen de kroon,

Gij hoordet van ’t Nevelvolk en de diepe schemering,

En hoe de wereld verstoord werd en Sigurd onderging,

Nu kent gij der Niblungen nooden en wat kwam toen trouw werd bespot,

Ook het sterven van vorsten en prinsen, en de smart van Odin den Goth.