Hoofdstuk XXVIII: De Godenschemering.

Het verhaal van de goden.

Een van de kenmerkende trekken van de Noorsche mythologie is dat het volk steeds geloofde dat hun goden tot een vergankelijk ras behoorden. De Aesir hadden een begin gehad; dus, redeneerde men, moeten zij een einde nemen; en daar zij geboren werden uit een mengsel van goddelijke elementen en van elementen der reuzen, en dus onvolmaakt waren, droegen zij de kiem des doods in zich en waren als de menschen veroordeeld den natuurlijken dood te ondergaan, teneinde geestelijke onsterfelijkheid te verkrijgen.

Het geheele schema van de Noorsche mythologie was dus een drama, waarvan elke stap gaandeweg leidde tot het toppunt of het tragisch einde, als, met echt dichterlijke rechtvaardigheid, straf en loon onpartijdig werden uitgedeeld. In de vorige hoofdstukken zijn de langzame opkomst en het verval der goden zorgvuldig vermeld. Wij hebben verhaald, hoe de Aesir de aanwezigheid van het kwaad, in Loki verpersoonlijkt, in hun midden duldden; hoe zij zwak zijn raad volgden, toestonden dat hij hen in allerlei soorten van moeilijkheden bracht, waaruit zij slechts ten koste van hun deugd of vrede konden ontkomen, en eindelijk hem veroorloofden zulk een macht over hen te krijgen, dat hij niet schroomde hen van hun liefste bezit, zuiverheid of onschuld, gepersonifieerd in Balder den goeden, te berooven.

Te laat bemerkten de goden hoe slecht deze geest was die een verblijf onder hen had gevonden, en te laat verbanden zij Loki naar de aarde, waar de menschen, volgend het voorbeeld van de goden, naar zijn lessen luisterden en bedorven werden door zijn noodlottigen invloed.

Broed’ren slaan broed’ren;

Zusterskind’ren

Storten elkaars bloed,

Vleeschlijk kwaad neemt toe,

Het zijn zwaardtijden, akstijden;

Schilden klieft men door,

Stormtijden, moordtijden

Tot de wereld sterft,

En niemand meelij voelt

Meer voor zijn nevenmensch.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De Fimbul-winter.

Ziende dat de misdaad tierde en al het goede van de aarde verbannen was, bedachten de goden dat de van oudsher gedane voorspellingen op het punt waren in vervulling te treden, en dat de schaduw van Ragnarok, de schemering der goden, reeds over hen was. Sol en Mani werden bleek van schrik, en stuurden hunne wagens bevend langs de paden die zij moesten gaan, terwijl zij bevreesd omkeken naar de hen achtervolgende wolven, die hen spoedig zouden inhalen en verslinden; en toen hun glimlach verdween, werd de aarde droevig en koud, en de vreeslijke Fimbul-winter begon. Toen viel er sneeuw uit de vier windstreken tegelijk, de scherpe winden joegen aan van het noorden en de geheele aarde was met een dikke laag ijs bedekt.

De strenge Fimbul woedde en bracht

Op aard veel storm en sneeuwjacht,

De zee sloeg schotsen kort en klein

En wierp het ijsschuim, tot waar zijn

De bergen hoog;

Geen zoelte toog,

Geen lichtglans, zij het nog zoo flauw.

Temp’rend den nacht van vorst en kou.

Valhalla (J. C. Jones).

Deze strenge winter duurde drie volle seizoenen zonder tusschenpoozen en werd gevolgd door drie andere, even streng, waarin alle vreugde van de wereld wegging en de misdaden der menschen met vreeslijke snelheid toenamen, terwijl in den algemeenen strijd voor het leven, de laatste gevoelens van menschelijkheid en mededoogen verdwenen.

De wolven losgelaten.

In de donkere hoeken van het IJzerbosch voedde de reuzin Iarnsaxa of Angur-boda nauwgezet de wolven Hati, Sköll en Managarm, het kroost van Fenris, met het merg van moordenaars en de beenderen van echtbrekers; en zóóveel kwamen deze lage misdaden voor, dat de schier onverzadelijke monsters nooit gebrek aan voedsel hadden. Zij wonnen dagelijks aan kracht om Sol en Mani te vervolgen, en haalden hen eindelijk in en verscheurden hen terwijl zij de aarde overstroomden met bloed uit hun druipende muilen.

Zij zat in het Oosten, die oude Jarnrid,

En zij voedd’ er de kinderen, geboren uit Fenrir;

Hij zal zijn het schrikkelijkst van al, hij,

Die, onder den vorm van een monster, zal verzwelgen de maan.

Voluspa.

Bij dit vreeselijk onheil trilde en schokte de geheele aarde, de sterren, ontsteld, vielen van hunne plaatsen, en Loki, Fenris en Germ, hun pogingen vernieuwend, rukten hun keten van elkander en stormden aan om wraak te nemen. Op hetzelfde oogenblik knaagde de draak Nidhug den wortel van den esch Yggdrasil door, die tot aan zijn bovensten top sidderde; de roode haan Fialar, zwevend boven Valhalla, kraaide luid alarm, wat onmiddellijk beantwoord werd door Gullin-kambi, den huishaan in Midgard en door Hels donkerrooden vogel in Niflheim.

De haan met gouden kam

Riep luid te wapen allen in ’t Valhal;

De haan, bloedrood, roept even fel bijeen

Die zijn op aard en ook er onder.

Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson.)

Heimdall geeft het sein.

Heimdall, deze voorzeggende teekenen bespeurend en hoorend den schrillen kreet van den haan, bracht onmiddellijk den Giallar-hoorn aan zijn lippen en blies den langverwachten klank, die door de wereld werd gehoord. Bij het eerste klinken van verzamelen sprongen Aesir en Einheriar van hun gouden bedden op en stormden dapper uit de groote hal, gewapend tot den aanstaanden slag, en, bestijgend hun ongeduldige paarden, galloppeerden zij over de sidderende regenboogbrug naar het wijde veld Vigrid, waar, zooals Vafthrudnir lang te voren voorspeld had, de laatste slag moest plaats hebben.

De verschrikkingen van de zee.

De vreeselijke Midgardslang Iörmungandr werd door de algemeene beweging gewekt, en met ontzaglijke kronkelingen en trekkingen, waardoor de zeeën tot zóó hooge golven werden opgezweept als vroeger nooit de diepte van den oceaan ontrust hadden, kroop hij op het land en haastte zich om aan den vreeslijken strijd mede te doen, waarin hij een hoofdrol zou spelen.

In reuzenbocht de slang lag neer

Diep in de zee, tot, vrij van boei,

Hij oprees op het schuimgeloei;

Onder de zwieping van zijn staart

Zwol water, bergenhoog, op ’t land.

Toen ijlend wild dwars door het diep

Stortend zijn bloedig schuim in vaart,

Als hagel, aad’mend giftig fel

Doodlijken nevel over d’ aard,

Zocht hij door branding heen het strand.

Valhalla (J. C. Jones).

Een van de golven, door Iörmungandr’s bewegingen opgezet, maakte Nagilfar vlot, het noodlottig schip, dat enkel gemaakt was uit de nagels van die doode menschen, wier verwanten, door de eeuwen heen, hun plicht verzuimd hadden om de nagels der overledenen te knippen eer zij ter ruste werden gelegd. Nauwelijks was dit schip vlot, of Loki ging er op met de vurige bende van Muspells-heim en stuurde het stout over de stormachtige wateren naar de plaats van het gevecht.

Dit was niet het eenige schip echter dat naar Vigrid koers zette, want uit een dikke mistbank noordwaarts kwam een ander schip, bestuurd door Hrym, waarin al de vorstreuzen waren, tot de tanden gewapend en zich verheugend in den strijd tegen de Aesir, die zij altijd hadden gehaat.

De verschrikkingen van de Onderwereld.

Terzelfder tijd kroop Hel, de godin van den dood, door een spleet van de aarde uit haar huis onder den grond, op den voet gevolgd door den Hellehond Garm, den boosdoener van haar vreugdeloos gebied, en den draak Nidhug, die over het slagveld vloog terwijl hij lijken op zijn schouders droeg. Zoodra hij landde, heette Loki deze versterkingen met vreugde welkom en, zich aan het hoofd plaatsend, marcheerde hij met hen ten gevecht.

Plotseling werd de lucht in tweeën gescheurd en door de vurige bres reed Surtr met zijn vlammend zwaard, gevolgd door zijn zonen; en toen zij over de brug Bifröst reden, met het plan om Asgard te bestormen, viel de roemrijke boog met gekraak onder den tred hunner paarden in.

Door het gebied der lucht,

In blinkend staal, geducht,

En in slagorden rijk;

Ging het, wijl heet gevlam

Uit snelle hoeven kwam,

Voerend zijn stoet vol glans reed Surtur

Tusschen de stroomen woedend vuur.

Valhalla (J. C. Jones.)

De goden wisten zeker dat hun einde nu nabij was en dat hun zwakheid en gebrek aan voorzorg hen in een zeer nadeeligen toestand hadden gebracht, want Odin had slechts één oog, Tyr slechts één hand, en Frey enkel één hertshoorn om zich daarmede te verdedigen, in plaats van zijn onverwinlijk zwaard. Niettemin lieten de Aesir geen wanhoop blijken, maar, als echte slaggoden van het Noorden, trokken zij hun rijkste kleeding aan, en reden vroolijk naar het slagveld, besloten hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Odin en Fenris

Odin en Fenris

Dorothy Hardy.

Terwijl zij dus hunne krachten monsterden, reed Odin nog eens naar de Urdarfontein, waar, onder den nedervallenden Yggdrasil, de Nornen zaten met gesluierde aangezichten en hardnekkig zwijgend, terwijl haar weefsels verscheurd aan hare voeten lagen. Nog eenmaal fluisterde de vader der goden een geheimzinnige mededeeling aan Minir toe, waarop hij Sleipnir besteeg en met den wachtenden troep meeging.

Het groote gevecht.

De strijders waren nu samen op Vigrids breede vlakte. Aan den eenen kant waren de fiere, kalme gezichten der Aesir, Vanas en Einheriar gerangschikt; terwijl aan den anderen kant vereenigd waren de bonte troep van Surtr, de grimmige vorstreuzen, het bleeke leger van Hel, en Loki en zijn verschrikkelijk gevolg, Garm, Fenris en Iörmungandr, terwijl de beide laatsten vuur en rook braakten en wolken uitademden van schadelijke, doodelijke dampen, die den geheelen hemel en de geheele aarde met hun giftigen adem vervulden.

De jaren gaan,

Geslachten vlieden, eeuwen worden oud,

’t Brengt als ons nader tot den lesten dag,

Als uit het Zuid de vurige stoet marcheert

En overschrijdt de brug, Loki als gids,

En Fenris volgend met gebroken boei,

Terwijl van ’t oost de groote Rymer komt

En stuurt zijn schip en landen doet de slang;

En allen worden op het hemelveld

Gevoerd tegen de goden in carré.

Balder Dood (Matthew Arnold.)

Al het verborgen antagonisme van eeuwen werd nu ontbonden in een stroom van haat, terwijl ieder lid van de tegenover elkander staande legers met grimmige vastberadenheid vocht, zooals onze voorouders van ouds deden, hand tegen hand, en van aangezicht tot aangezicht. Met een hevigen schok, die gehoord werd boven het krijgsrumoer uit dat het heelal vervulde, kwamen Odin en de Fenriswolf in geweldige aanraking, terwijl Thor de Midgardslang aanviel, en Tyr handgemeen werd met den hond Garm. Frey vocht met Surtr, Heimdall met Loki, dien hij vroeger reeds verslagen had, en de rest van de goden en al de Einheriar vonden vijanden die hun dapperheid waard waren. Maar trots hun dagelijksche oefening in de hemelsche stad, was Valhalla’s schare veroordeeld om te komen, en Odin was onder de eersten der blinkenden die vallen moest. Zelfs de groote moed en de machtige eigenschappen van Alvader konden het getij van het kwaad dat in den Fenriswolf verpersoonlijkt was, niet weerstaan. Elk volgend oogenblik van den strijd nam zijn kolossale gestalte groote afmetingen aan, totdat ten slotte zijn wijdgeopende kaken de gansche ruimte tusschen hemel en aarde omvatten en het vreeslijk monster aanstormde op den vader van de goden en hem in levenden lijve met zijn verschrikkelijken muil verzwolg.

Fenrir zal met fellen tand

Aller eeuwen heer verslaan;

Vithar zal zijn wreker zijn,

En, vechtend met den ruigen wolf,

Klieven zijn bebloeden muil.

Vafthrudni’s-mal.

Geen van de goden kon Alvader een helpende hand bieden op het kritieke oogenblik, want het was voor allen een moeilijke tijd. Frey deed heldhaftige pogingen, maar Surtr’s vlammend zwaard bracht hem een doodelijken slag toe. In zijn strijd met den aartsvijand Loki ging het Heimdall beter, maar zijn laatste overwinning werd duur gekocht, want ook hij viel dood. De strijd tusschen Tyr en Garm had hetzelfde tragische einde, en Thor, na een allerverschrikkelijkst gevecht met de Midgardslang, en na hem met een slag van Miölnir te hebben neergeslagen, deinsde negen stappen terug en verdronk in den stroom vergif die uit de kaken van het stervende monster kwam.

Odins zoon gaat

Met het monster ten strijde,

Midgard’s Veor in toorn

Wil dooden den draak,

Negen voeten treedt

Fiorgyns zoon,

Door de slang gebogen

Die geen vijand vreesde.

Saemunds Edda.

Vidar kwam nu aansnellen van een verwijderd deel der vlakte om den dood van zijn machtigen heer te wreken, en de voorspelde vloek trof Fenris, wiens onderkaak nu den slag van dien schoen voelde die voor dezen dag bewaard was. Op hetzelfde oogenblik greep Vidar de bovenkaak van het monster met zijn handen, en scheurde hem met een vreeslijken ruk in tweeën.

Het verslindende vuur.

De andere goden die deelnamen aan het gevecht, en al de Einheriar waren nu gevallen, en Surtr wierp nu plotseling zijn vurige donders over hemel, aarde en de negen rijken der Hel. De woedende vlammen omringden den zwaren stam van den wereldsche Yggdrasil, en bereikten de gouden paleizen der goden die geheel verteerd werden. De plantengroei op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed al de wateren zieden en koken.

Vuuraâm valt aan

Den alvoedenden boom,

Stijgend vuur speelt

Naar de lucht zelfs toe.

Saemunds Edda.

De groote brand woedde verschrikkelijk totdat alles verteerd was, toen de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven der zee wegzonk. Ragnarok was inderdaad gekomen, de tragedie der wereld was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een tooneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is gevallen, de aanwezigen nog verwachten dat de gunstelingen verschijnen en een buiging maken, zoo meenden de oude Noorsche volken dat als alles in Surtr’s vlammen was omgekomen, uit de algemeene ruïne de goedheid zou oprijzen, om hare heerschappij over de aarde te hernemen, en dat sommige goden zouden terugkeeren en voor eeuwig in den hemel zouden wonen.

Alle kwaad

Sterft een eindloozen dood, en goedheid rijst

Uit dat groot wereldvuur gezuiverd weer

Tot leven hooger, beter, eedler dan weleer.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Wedergeboorte.

Onze voorouders geloofden ten volle in de wedergeboorte en hielden het er voor, dat na een zeker tijdsverloop de aarde, gezuiverd door het vuur, gelouterd door hare indompeling in de zee, weer verrees in al hare oorspronkelijke schoonheid en verlicht werd door de zon, welker kar gevoerd werd door een dochter van Sol, geboren eer de wolf haar moeder had verslonden. De nieuwe dagtoorts was niet onvolmaakt als de eerste zon was geweest, en hare stralen waren niet langer zóó sterk dat men een schild moest plaatsen tusschen haar en de aarde. Deze meer weldadige stralen deden de aarde weldra haren groenen mantel vernieuwen en haar bloemen en vruchten in overvloed voortbrengen. Twee menschelijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op uit de diepten van Hodmimir’s (Mimir’s) bosch, waarheen zij gevlucht waren toen Surtr de wereld in brand stak. Zij waren daar in vredige sluimering gezonken, onbewust van de verwoesting rondom hen, en waren er gebleven, gevoed door den morgendauw, totdat zij veilig opnieuw konden uittrekken, waarop zij bezit namen van de herboren aarde, die hun afstammelingen moesten bevolken en waarover zij volkomen heerschappij zouden voeren.

Wij zullen rijzen zien

Uit lichte zee aan onzen voet een aard

Frisscher dan de oude, bloeiender, met vrucht

Van zelf ontloken, en met menschen die

Dan zullen leven in vrede als eens in twist.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Noren landende in IJsland

Noren landende in IJsland

Oscar Wergeland.

Een nieuwe hemel.

Al de goden die de ontwikkelingskrachten der natuur voorstelden, werden op het noodlottige Vigridveld verslagen, maar Vali en Vidar, de typen van de onvergankelijke krachten der natuur, keerden tot het Idavold terug, waar zij Modi en Magni, Thors zonen, ontmoetten, de verpersoonlijkingen van sterkte en energie, die den heiligen hamer van hun vader uit de algemeene verwoesting redden en hem er heen brachten.

Vithar’s dan en Vali’s kracht

Erft het ledig goôngebied;

Mothi’s spieren, Magni’s wil

Zwaaien nu den moker zwaar,

Hun bezit, sinds Donar viel.

Vafthrudni-mal.

Hier ontmoetten zij Hoenir, niet langer een balling onder de Vanas, die, als ontwikkelingskrachten, ook voor goed verdwenen waren; en uit de donkere onderwereld, waar hij zoo lang gekwijnd had, rees de stralende Balder op, samen met zijn Broeder Hodur, met wien hij verzoend was en met wien hij in volkomen vriendschap en vrede zou leven. Het verleden was voor goed voorbij en de overlevende goden konden het zonder bitterheid terugroepen. De herinnering aan hun vroegere makkers was hun echter dierbaar, en vaak keerden zij naar hun oude verblijven terug. Zoo wandelden zij eens in het lange gras op Idavold en vonden weer de gouden schijven waarmede de Aesir altijd speelden.

Wij zullen gaan weer langs ’t bekend terrein

Van Ida, en wij zullen tusschen ’t gras

Vinden de gouden schijven, waarmee eens

Wij speelden, dit herinnert ons ’t weleer,

Der goden tijdverdrijf, het wijs gesprek

Van Odin, al de vreugde van ’t verleên.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Toen de kleine stoet der goden zich bedroefd naar de plaats keerde, waar hun vorstelijke verblijven eenmaal stonden, bespeurden zij, tot hun blijde verrassing, dat Gimli, het hoogste hemelsche paleis, niet vernield was, want het rees schitterend voor hen op, terwijl zijn gouden dak de zon overscheen. Zij haastten zich er naar toe en ontdekten, tot hun nog veel grooter blijdschap, dat het het toevluchtsoord was geworden voor alle deugdzamen.

In Gimli het grootsche,

Daar zal de schaar

Der deugdzamen zijn,

En door alle eeuw

Smaken de vreugde.

Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).

Een te groot om te noemen.

Daar de Noormannen, die zich op IJsland vestigden, en door wie de meest volledige expositie van het Odins geloof ons in de Eddas en Sages heeft bereikt, niet geheel bekeerd werden voor de elfde eeuw—ofschoon zij in aanraking waren gekomen met Christenen op hun vikingtochten bijna zes eeuwen vroeger,—is het zeer waarschijnlijk, dat de Noordelijke scalden eenige denkbeelden van de Christelijke leerstellingen opdeden, en dat deze kennis in zekere mate invloed op hen uitoefende, en hun beschrijvingen van het wereldeinde en de wedergeboorte der aarde kleurde. Misschien was het deze vage kennis ook, die hen er toe bracht aan de Edda een vers toe te voegen dat men gewoonlijk voor een interpolatie houdt, waarin gezegd wordt dat een andere God, te groot om te noemen, zou verrijzen om over Gimli te heerschen. Van deze hemelsche plaats zou hij de menschheid oordeelen en de boozen van de goeden scheiden. De eersten zouden worden verbannen naar de ellendige oorden van Nastrond, terwijl de goeden naar de zalige hallen van Gimli, het lieflijke, zouden worden overgebracht.

Dan komt een ander,

Nog meer machtig,

Maar Hem te noemen

Durf ik niet wagen.

Meest ziet niet verder

Men dan waar Odin

Den wolf gaat treffen.

Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).

Er waren twee andere hemelsche verblijven echter, het eene afgezonderd voor de dwergen en het andere voor de reuzen; want daar deze schepselen geen vrijen wil hadden en slechts blindelings de bepalingen van het lot uitvoerden, achtte men hen niet verantwoordelijk voor eenig kwaad dat zij hadden gedaan; en dus, meende men, verdienden zij geen straf.

De dwergen, geregeerd door Sindri, bewoonden, meende men, een gebouw in de Nidabergen, waar zij de vonkelende meê dronken, dewijl de reuzen zich vermaakten in de hal Crimer, gelegen in de streek Okolnur, (niet koel), want de macht van de koude was geheel vernietigd, en er was geen ijs meer.

Verschillende mythologen hebben natuurlijk beproefd deze mythen te verklaren, en eenigen, zooals wij reeds hebben gezegd, zien in het verhaal van Ragnarok den invloed van Christelijke onderrichting en beschouwen het enkel als een barbaarsche vertolking van het wereldeinde en van de komende oorlogsdag, als een nieuwe hemel en aarde zal rijzen en alle goeden eeuwige zaligheid zullen genieten.

Hoofdstuk XXIX: Grieksche en Noorsche Mythologie.

Vergelijkende Mythologie.

Gedurende de laatste vijftig jaren hebben geleerden van allerlei landen zóó grondig de philologie en vergelijkende mythologie beoefend, dat zij boven allen twijfel hebben gesteld “dat het Engelsch, met alle Teutonische dialekten van het vasteland, tot de groote taalfamilie behoort, die, behalve de Teutonische, Latijnsche, Grieksche, Slavische en Celtische, de Oostersche talen van Indië en Perzië omvat.” “Ook is het bewezen dat de verschillende stammen, die van hun gemeenschappelijk gebied uitgingen om Europa in het Noorden en Indië in het Zuiden te ontdekken, met zich namen niet alleen een gemeenschappelijke taal maar ook een gemeenschappelijk geloof en een gemeenschappelijke mythologie. Dit zijn feiten waarmede men onbekend kan zijn, maar waarover men niet kan twisten, en de twee wetenschappen van vergelijkende spraakleer en vergelijkende mythologie, schoon slechts van jongen datum, berusten op een grondslag zóó degelijk en vast als welke inductieve wetenschap ook.” “Want meer dan duizend jaar zijn de Skandinavische bewoners van Noorwegen in de taal van hun Teutonische broederen op het Vasteland gescheiden geweest, en toch hebben beiden niet alleen eenzelfde bezit van volksoverleveringen bewaard, maar zij vertelden ze, bij verschillende gelegenheden, in schier dezelfde woorden.”

Deze gelijkenis, die zoo sterk is in de vroege literatuur van volken, die landen bewonen welke in vele opzichten hetzelfde physiek karakter vertoonden en bijna hetzelfde klimaat hebben, is niet zoo sprekend als wij de Noorsche mythen vergelijken met die van het geniale Zuiden. Toch, in weerwil van het contrast tusschen Noord- en Zuid-Europa, waar deze mythen geleidelijk rijpten en haar vollen wasdom erlangden, is er analogie tusschen de beide mythologiën, die toont dat de kiemen, waaruit beide voortkwamen, oorspronkelijk dezelfde waren.

In de voorafgaande hoofdstukken is het stelsel van Noorsche mythologie zoo duidelijk mogelijk geschetst, en de natuurbeteekenis van de mythen is er verklaard. Nu zullen wij trachten de overeenkomst tusschen de Noorsche mythologie en die van de andere Aziatische volken te laten zien door ze te stellen naast de Grieksche, waarop zij echter niet zooveel gelijkt als de Oostersche.

Natuurlijk is het in een werk als dit onmogelijk meer te doen dan aan te geven de hoofdpunten van overeenkomst in de verhalen, die den grondslag van deze godsdiensten vormen; maar dit zal ook voor den grootsten scepticus voldoende zijn om aan te toonen, dat zij identiek moeten zijn geweest in een tijd, die te veraf ligt om dien nu met eenige zekerheid aan te wijzen.

Het begin van de dingen.

De Noorsche volken, evenals de Grieken, dachten dat de wereld uit een chaos voortkwam, en terwijl de laatsten dien beschreven als een nevelige, vormelooze massa, schetsten de eersten, onder den invloed van hun onmiddellijke omgeving, hem als een chaos van vuur en ijs—een combinatie die maar al te begrijpelijk is voor iemand die IJsland heeft bezocht en het wilde, bijzondere contrast heeft gezien tusschen zijn vulcanischen bodem en spuitende geysers, en de groote ijsbergen die het rondom omheinen gedurende het lange, donkere winterseizoen.

Uit deze tegengestelde elementen, vuur en ijs, werden de eerste goden geboren, die, evenals de eerste goden van de Grieken, reusachtig waren in gestalte en ruw in uiterlijk. Ymir, de groote ijsreus, en zijn afstammelingen, kan men vergelijken met de Titanen, die ook elementaire natuurkrachten waren, verpersoonlijkingen van het onderaardsche vuur, en beiden moesten, nadat zij een tijd onbeperkt geheerscht hadden, wijken voor grooter volmaaktheid. Na een geweldige worsteling om de opperheerschappij werden zij allen verslagen, en verbannen naar de verschillende afgelegen gebieden van den Tartarus en van Jötun-heim.

De reis der Valkyren

De reis der Valkyren

H. Hendrich.

De triade, Odin, Vili en Ve, van de Noorsche mythen, is het volledige pendant van Jupiter, Neptunus en Pluto, die, de Titanische machten overwinnend, op hun beurt over de wereld heerschappij voeren. In de Grieksche mythologie nemen de goden, die ook allen verwant aan elkander zijn, hun toevlucht tot den Olympus, waar zij gouden paleizen tot hun gebruik bouwen; in de Noorsche mythologie gaan de goddelijke overwinnaars naar Asgard en bouwen gelijke woningen.

Kosmogonie.

De Noorsche kosmogonie deed wel denken aan de Grieksche, want het volk meende dat de aarde, Mana-heim, geheel door de zee omringd was, op welker bodem de groote Midgardslang lag, die beet in haar eigen staart; en het was volkomen natuurlijk dat zij, ziende de door den storm gezweepte winden, die tegen de rotsen sloegen, moesten denken, dat deze door haar krampachtig gekronkel werden veroorzaakt. De Grieken, die ook meenden dat de aarde rond was en door een groote rivier, Oceanus genoemd, werd omgeven, beschreven haar als vloeiend met “een gelijkmatigen stroom”, want zij keken doorgaans op kalme en zonnige zeeën. Niflheim, het Noorsche gebied van voortdurende koude en nevel, had zijn pendant in het land ten Noorden van de Hyperboreërs, waar veêren (sneeuw) voortdurend in de lucht dwarrelden, en waar Hercules het Cerynaeïsche hert in een sneeuwstorm najoeg eer hij het kon grijpen en vastbinden.

De luchtverschijnselen.

Evenals de Grieken geloofden de Noorsche volken dat de aarde het eerst was geschapen, en dat de gewelfde hemelen naderhand waren gemaakt om haar geheel te overkappen. Zij meenden ook, dat de zon en de maan dagelijks door de lucht reden, in wagens, getrokken door vurige rossen. Sol, de zonnemaagd, kwam dus overeen met Helios, Hyperion, Phoebus of Apollo, terwijl Mani, de Maan, (in overeenstemming met een eigenaardigheid van de Noorsche spraakkunst, die de Zon vrouwelijk maakt en de Maan mannelijk), het pendant was Phoebe, Diana of Cynthia.

De Noorsche dichters, die dachten dat zij de steigerende gestalten van witgemaande paarden in de vliegende wolken zagen, en het schitteren van speren in het stralende licht van den noordelijken morgen, zeiden, dat de Valkyren of slagmaagden door de lucht galoppeerden, terwijl de Grieken in hetzelfde natuurverschijnsel de witte kudden van Apollo zagen die door Phaetusa en Lampetia werden gehoed.

Als de dauw uit de wolken viel, zeiden de Noorsche dichters dat hij van de manen der Valkyren druppelde, terwijl de Grieken, die opmerkten dat hij doorgaans het langst blonk in de kreupelboschjes, hem met Daphne en Procris vereenzelvigden, wier namen zijn afgeleid van het Sanskrit woord dat “sprenkelen” beteekent, en die door hunne minnaars, Apollo en Cephalus, verpersoonlijkingen van de zon, worden vermoord.

De aarde werd in het Noorden zoo goed als in het Zuiden beschouwd als een vrouwelijke godheid, de voedstermoeder aller dingen; en het lag aan klimaatverschillen alleen, dat de mythologie van het Noorden, waar de menschen dagelijks het recht moesten veroveren om met de Natuur op voet van oorlog te leven, haar als hard en bevroren voorstelden zooals Rinda, terwijl de Grieken haar verpersoonlijkten in de blijde Ceres. De Grieken geloofden, dat de koude winterwinden van het Noorden neerzweepten, en de Noorsche volken voegden er bij, dat zij veroorzaakt werden door het klapwieken van den grooten adelaar Hrae-svelgr.

De dwergen of donkere elfen, gebroed in Ymirs vleesch, kwam hierin met Pluto’s dienstknechten overeen, dat zij nooit hun onderaardsch gebied verlieten, waar zij ook de kostbare metalen zochten, die zij tot prachtige versierselen vormden, zooals Vulcanus die aan de goden gaf, en tot wapenen die niemand kon deuken of bederven. Wat de lichte elfen betreft die boven den grond leefden en voor planten, boomen en rivieren zorgden, deze waren blijkbaar bij de Noren dezelfde als de nimfen, dryaden, oreaden en hamadryaden, die de bosschen, dalen en fonteinen van oud-Griekenland bevolkten.

Jupiter en Odin.

Jupiter was, evenals Odin, de vader der goden, de god der overwinning en een verpersoonlijking van het Al. Hlidskialf, Alvaders verheven troon, was niet minder hoog dan Olympus of Ida, van waar de Donderaar alles wat plaats greep kon waarnemen; en Odins onoverwinlijke speer Gungnir was even schrikwekkend als de bliksems die zijn Grieksch prototype zwaaide. De Noorsche goden hielden steeds hunne feesten met meê en zwijnenvleesch, den drank en het vleesch dat het best paste bij de bewoners van een noordelijk klimaat, terwijl de goden van den Olympus den nectar en de ambrosia verkozen, die hun uitsluitend levensonderhoud uitmaakten.

Twaalf Aesir zaten in Odins raad om te beraadslagen over de beste maatregelen tot bestuur van wereld en menschen, en een even groot aantal goden verzamelde zich op de bewolkte spits van den Berg Olympus tot een zelfde doel. De Gouden Eeuw in Griekenland was een periode van idyllisch geluk, te midden van altijd bloeiende velden en onder balsemrijke luchten, terwijl de Noorsche gelukseeuw ook een tijd was waarin vrede en onschuld op aarde bloeiden, en het kwaad nog zoo goed als geheel onbekend was.

De schepping van den mensch.

Gebruik makend van de materialen, die bij de hand waren modelleerden de Grieken hun eerste beelden uit klei; daarom dachten zij natuurlijk, dat Prometheus de menschen uit die stof had gemaakt, toen hij geroepen werd een schepsel te vormen, dat slechts de mindere was van de goden. Daar de Noorsche beelden uit hout waren gehouwen, vertelden de Noorsche volken, als iets dat van zelf sprak, dat Odin, Vile en Ve (die hier overeenkomen met Prometheus, Epimetheus en Minerva, de drie Grieksche scheppers van den mensch) het eerste menschenpaar, Ask en Embla, uit houtblokken maakten.

De geit Heidrun, die de hemelsche meede verschafte, is gelijk aan Amalthea, Jupiters eerste voedster, en de drukke, praatgrage Ratatosk is gelijkwaardig met de sneeuwwitte kraai in de geschiedenis van Coronis, die zwart werd tot straf van haar gesnoep. Jupiters adelaar heeft zijn pendant in de raven Hugin en Munin, of in de wolven Geri en Freki, die steeds aan Odins voeten liggen.

Nornen en Schikgodinnen.

De groote overeenkomst tusschen den Noorschen Orlog en het Grieksche Noodlot, godinnen wier besluiten de goden zelven moesten eerbiedigen, en de even machtige Nornen en Moerae, is te duidelijk om te behoeven vermeld te worden, terwijl de Vanas pendanten zijn van Neptunus en de overige zeegoden. De groote strijd tusschen de Vanas en de Aesir is slechts een andere overlevering van het geschil tusschen Jupiter en Neptunus over de oppermacht in de wereld. Evenals Jupiter zijn broeder noodzaakt zich voor zijn macht te bukken, zoo blijven de Aesir meester van alles, maar willen wel voortgaan met hun macht te deelen met hun overwonnen vijanden, die dus hun bondgenooten en vrienden werden.

Evenals Jupiter wordt Odin altijd beschreven als majestueus en van middelbaren leeftijd, en beide goden gelden als de goddelijke stamvaderen van koninklijk geslacht, want terwijl de Heracliden Jupiter als hun vader opeischten, dachten de Inglingen, Skioldings enz. dat Odin de stichter hunner familiën was. De plechtigste eeden werden gezworen bij Odins speer zoo goed als bij Odins voetschabel, en beide goden hebben een groot aantal namen, die alle de verschillende phasen van hun aard en eeredienst beschrijven.

Odin, evenals Jupiter, bezocht dikwijls de aarde vermomd, om de gastvrijheid der menschen op de proef te stellen, zooals in de geschiedenis van Geirrod en Agna, die aan die van Philemon en Baucis doet denken. De bedoeling was: gastvrijheid aan te bevelen; daarom worden in beide geschiedenissen zij, die zich humaan betoonden, rijkelijk beloond, en in de Noorsche mythen wordt de les versterkt door de bestraffing die Geirrod ontvangt, daar de skalden in poëtische gerechtigheid geloofden en zagen dat deze zorgvuldig werd uitgemeten.

De wedstrijd in scherpzinnigheid tusschen Odin en Vafthrudnir heeft zijn parallel in den muzikalen wedstrijd van Apollo en Marsyas, of in den strijd tusschen Minerva en Arachne, die moest toonen, wie het knapst was. Odin leek verder hierin op Apollo, dat hij ook de god was der welsprekendheid en poëzie en dat hij alle harten kon winnen door zijn goddelijke stem; hij geleek op Mercurius hierin, dat hij de stervelingen het gebruik van de runen leerde, terwijl de Grieksche god het alphabet invoerde.

Mythen, die betrekking hebben op de jaargetijden.

Het verdwijnen van Odin, de zon of den zomer, en de daaruit volgende verlatenheid van Frigga, de aarde, is slechts een andere overlevering van de mythen van Proserpina en Adonis. Als Proserpina en Adonis weg zijn, betreurt de aarde (Ceres of Venus) bitter hun afwezigheid en weigert alle vertroosting. Slechts wanneer zij terugkomen uit hun ballingschap, werpt zij haar rouwkleederen en somberheid af, en dost zich weer in al hare juweelen. Zoo beschreien Frigga en Freya de afwezigheid van hunne echtgenooten Odin en Odur, en blijven hard en koud totdat zij terugkeeren. Odin’s vrouw, Saga, de godin der geschiedenis, die toefde bij Sokvabek “den stroom van den tijd en het gebeuren”, terwijl zij alles wat zij zagen bewaren, is gelijk aan Clio, de muze der geschiedenis, die Apollo zocht bij de inspireerende bron van den Helicon.

Evenals er volgens Euhemerus een historische Zeus was, in Creta begraven, waar men zijn graf nog kan zien, zoo was er een historische Odin, wiens grafheuvel bij Upsala verrijst, waar de grootste Noorsche tempel eens stond, en waar een machtige eik was, die den beroemden boom van Dodona evenaarde.

Frigga en Juno.

Frigga was, evenals Juno, een verpersoonlijking van den dampkring, de beschermvrouw van het huwelijk, van de echtelijke en moederlijke liefde, en de godin der geboorte. Zij ook was voorgesteld als een schoone, statige vrouw, die genoegen schept in hare sieraden, en haar bijzondere dienstmaagd, Gna, evenaart Iris in de snelheid waarmede zij de bevelen harer meesteres uitvoert. Juno heeft volkomen heerschappij over de wolken, die zij met een beweging van haar hand kon wegvagen, en men gelooft dat Frigga ze weeft uit de draden die zij gesponnen heeft op haar met juweelen bezet spinnewiel.

In de Grieksche mythologie vinden wij vele voorbeelden van de wijzen waarop Juno Jupiter zoekt te bedriegen. Dergelijke verhalen ontbreken in de Noorsche mythen niet. Juno krijgt Io in bezit, trots den tegenstand van haar man, die niet van haar wil scheiden, en Frigga bezorgt slim de overwinning aan de Winilers in de Langobarden Saga. Odin’s toorn over Frigga’s diefstal van het goud van zijn standbeeld komt overeen met Jupiters mishagen over Juno’s jaloezie en haar tusschenbeide komen in den Trojaanschen oorlog. In de geschiedenis van Gefjon en de slimme manier waarop zij land van Gylfi kreeg, om haar koninkrijk Zeeland te vormen, hebben wij een herhaling van de geschiedenis van Dido, die door krijgslist het land machtig werd waarop zij haar stad Carthago bouwde. In beide verhalen komen ossen in het spel, want terwijl in de Noorsche mythen deze sterke beesten het stuk land ver naar zee uitleggen, dient in het andere een ossenhuid, in reepen gesneden, om de schenking der koningin te omsluiten.

Muzikale mythen.

De Rattenvanger van Hamelin, die alle levende wezens door zijn muziek kon aantrekken, komt overeen met Orpheus of Amphion, wier lieren dezelfde kracht hadden; en Odin, als de aanvoerder van de schimmen, is het pendant van Mercurius Psychopompus; beiden verbeelden den wind, op welks vleugelen van het lichaam beroofde zielen, zooals men meende, uit deze sterfelijke sfeer werden weggedreven.

De trouwe Eckhardt, die Tannhäuser gaarne wilde redden en zijn terugkeer wilde voorkomen om zich zelf aan de betoovering der tooveres bloot te stellen, in den Hörselberg, komt overeen met den Griekschen Mentor, die niet alleen Telemachus vergezelde, maar hem ook goeden raad gaf en wijze instructies, en Ulysses uit de handen van Calypso wilde hebben verlost.

Thor en de Grieksche goden.

Thor en de Noorsche dondergod heeft ook vele punten van overeenkomst met Jupiter. Hij voert den hamer Miölnir, het Noorsche symbool van den doodelijken bliksem; en, evenals Jupiter, gebruikt hij hem nog als hij oorlog voert tegen de reuzen. In zijn snellen groei gelijkt Thor op Mercurius, want terwijl de eerste spelenderwijs verscheidene balen ossenhuiden rondwerpt een paar uur na zijn geboorte, steelt de tweede Apollo’s ossen, voordat hij één dag oud is. In lichaamskracht gelijkt Thor op Hercules, die ook proeven gaf van ongewone sterkte door de slangen te worgen die gestuurd waren om hem in zijn wieg te vermoorden, en die er later genoegen in had reuzen en monsters aan te vallen en te overwinnen. Hercules werd een vrouw en ging spinnen om Omphale, de Lydische koningin, ter wille te zijn, en Thor deed de kleeren van een vrouw aan om Trym te bezoeken en zijn hamer weerom te halen, die negen roeden onder den grond verborgen was. De hamer, zijn voornaamste attribuut, werd tot vele gewijde doeleinden gebruikt. Hij heiligde den brandstapel der dooden en de huwelijksgebruiken, en grenspalen, die met een hamer waren ingedreven, werden als heilig beschouwd onder de Noorsche volken, evenals de Hermae of standbeelden van Mercurius, op welker verwijdering de doodstraf was gesteld.

Thors vrouw, Sif, met haar weelderig gouden haar, is, zooals wij reeds gezegd hebben, een zinnebeeld van de aarde, en heur haar was haar rijke plantengroei. Loki’s diefstal van deze lokken is gelijk aan Pluto’s roof van Proserpina. Om de gouden lokken weerom te krijgen, moet Loki de dwergen (Pluto’s knechten) bezoeken, terwijl hij kruipt in de lage doorgangen van de onderwereld; zoo moet Mercurius Proserpina zoeken in den Hades.

De paardenvlieg, die Jupiter belet Io weer in bezit te krijgen, nadat Mercurius Argus heeft vermoord, verschijnt weer in de Noorsche mythen om Brock te steken, en tracht te voorkomen dat de tooverring Draupnir gemaakt wordt, die geheel en al een pendant is van Sifs lokken, zooals hij ook de vruchten van de aarde voorstelt. De vlieg gaat voort met den dwerg te kwellen gedurende het maken van Frey’s wild zwijn met de gouden borstels, een prototype van Apollo’s gouden zonnekar, en zij zorgt er voor, dat het handvat van Thors hamer niet geheel klaar komt.

Het tooverschip Skidbladnir, ook door dwergen gemaakt, komt overeen met den snelzeilenden Argo, die de wolken, boven onze hoofden zeilend, voorstelde, en evenals het van het eerste heette dat het groot genoeg was om alle goden te bevatten, zoo droeg de tweede alle Grieksche helden naar het verre land Colchis.

De Germanen, die de dagen der week naar hunne goden wilden noemen, zooals de Romeinen hadden gedaan, gaven den naam van Thor aan Jupiters dag, en maakten hem zoo tot den tegenwoordigen Donderdag.

Thors strijd tegen Hrungnir is een pendant van het gevecht tusschen Herkules en Cacus of Antaeus; terwijl Groa blijkbaar Ceres is, want ook zij treurt over haar afwezig kind Orvandil (Proserpina), en breekt los in een vreugdezang als zij hoort dat het zal terugkeeren.

Magni, Thors zoon, die, als hij slechts drie uur oud is, zijn wonderbare kracht ten toon spreidt terwijl hij Hrungnirs been optilt van zijn vader die nederligt, herinnert ook aan het kind Hercules; en Thors verslindende eetlust bij Thryms bruiloft heeft zijn parallel in Mercurius’ eersten maaltijd, die uit twee heele ossen bestond.

Het doorschrijden van het gewassen tij van Veimer door Thor doet denken aan Jasons daad, toen hij door den stroom waadde, terwijl hij op weg was om den tiran Pelias te bezoeken en zijns vaders troon terug te krijgen. De wonderbare halsband, door Frigga en Freya gedragen om hare bekoring te verhoogen, komt overeen met den cestus of gordel van Venus, die Juno leende om haar heer te onderwerpen, en is, evenals de lokken van Sif en de ring Draupnir, een beeld van rijken groei of een symbool van de sterren die aan den hemel schijnen.

De Noorsche zwaardgod Tyr is natuurlijk de Grieksche krijgsgod Ares, op wien hij zóó volkomen gelijkt, dat zijn naam werd gegeven aan den dag die aan Ares was gewijd, en die nu bekend is als Dinsdag of Tui’s dag. Evenals Ares was Tyr druk en moedig; hij had behagen in het krijgsrumoer, en was steeds zonder vrees. Hij alleen durfde den Fenriswolf te trotseeren; en het zuidelijke spreekwoord van Scylla en Charybdis heeft zijn pendant in het Noorsche gezegde “loskomen van Laeding en schipbreuk lijden in Droma”. De Fenris-wolf, ook een verpersoonlijking van het onderaardsche vuur, wordt, evenals zijn prototypen, de Titanen, vastgebonden in den Tartarus.

De gelijkenis tusschen den lieflijken, muziekminnenden Bragi met zijn harp, en Apollo of Orpheus, is zeer groot; zoo is er gelijkenis tusschen den magischen drank Odhroerir en de wateren van den Helicon, die beide, meende men, als inspiratie dienden zoowel voor sterflijke als voor onsterflijke dichters. Odin doet arendsveeren aan om zijn kostelijke meê weg te dragen, en Jupiter neemt een gelijke vermomming aan om zich zijn bekerdrager Ganymedes te verschaffen.

Idoen is, evenals Adonis en Proserpina, of meer nog als Eurydice, een schoone personificatie van de lente. Zij wordt weggevoerd door den wreeden ijsreus Thiassi, die het wilde zwijn voorstelt dat Adonis vermoordde, de kinderdief van Proserpina, of de vergiftige slang die Eurydice beet. Idoen wordt gedurende langen tijd in Jötun-heim (Hades) opgehouden waar ze al haar vroolijke, speelsche manieren vergeet en treurig en bleek wordt. Zij kan niet alleen naar Asgard terugkeeren en zij kan pas haar ontvluchting ten uitvoer brengen, wanneer Loki (nu een zinnebeeld van den zuidenwind) haar komt wegdragen in de gedaante van een noot of een zwaluw. Zij herinnert ons aan Proserpina en Adonis die door Mercurius (den god van den wind) naar de aarde worden teruggebracht, of aan Eurydice, uit Hades gelokt door de zoete klanken van Orpheus’ harp, die ook symbolisch het zuchten van den wind voorstelden.

Idoen en Eurydice.

De mythe van Idoens val van den Yggdrasil in de donkerste diepten van Niflheim is, hoewel onderworpen aan dezelfde uitlegging en vergelijking als het bovengenoemde verhaal, toch nog nauwer verwant aan het verhaal van Orpheus en Eurydice, want de eerste, zoo goed als Bragi, kan niet zonder de laatste bestaan, die hij volgt zelfs tot in het donkere rijk des doods; zonder haar zwijgen zijn zangen geheel en al. De wolfshuid waarin Idoen gewikkeld is, is typisch voor de zware sneeuwstormen in de Noordelijke streken, die de teere worteltjes beschermen voor den verderfelijken invloed van de strenge winterkoude.

Skadi en Diana.

De Van Niörd die de god is van de zonnige zomerzeeën, heeft zijn tegenhanger in Neptunus en meer in het bijzonder in Nereus, de personificatie van den kalmen en vriendelijken aanblik van de machtige diepten. Niörds vrouw, Skadi, is de Noorsche vrouwelijke jager; daarom gelijkt zij op Diana. Evenals deze draagt zij een pijlkoker vol pijlen en een boog, dien zij met de uiterste handigheid hanteert. Haar kort gewaad laat haar de meeste vrijheid van beweging, ook is zij meestal vergezeld van een hond.

Het verhaal van het overbrengen van Thiassi’s oogen naar het firmament, waar zij gloeien als schitterende sterren, herinnert ons aan veel Grieksche sterren-mythen en vooral aan Argus’ altijd-wakende oogen, aan Orion en zijn bejuweelden gordel en aan zijn hond Sirius, die allen in sterren zijn veranderd door de goden, om vertoornde godinnen te verzoenen. Loki’s grollen om een glimlach te krijgen van de vertoornde Skadi worden beschouwd verwant te zijn aan de trillende bliksem-schichten, die hij in het noorden personifieerde, terwijl Steropes en de Cyclopen hetzelfde bij de Grieken uitdrukken.

Frey en Apollo.

De noordelijke god van zonneschijn en zomerregens de vriendelijke Frey, heeft vele trekken gemeen met Apollo; want evenals deze, is hij schoon en jong, berijdt het wilde zwijn met gouden stekels, wat de noordelijke opvatting was van de zonnestralen, of rijdt door de lucht in een gouden wagen, die ons herinnert aan Apollo’s schitterende kar.

Bovendien bezit Frey nog enkele van de eigenschappen van den vriendelijken Zephyrus, want ook hij strooit bloemen langs zijn weg. Zijn paard Blodug-hofi is niet ongelijk aan Pegasus, Apollo’s lievelingspaard, want het kan met even groot gemak en vlugheid door vuur en water heengaan.

Fro, evenals Odin en Jupiter, wordt ook vergeleken bij een menschelijken koning, en zijn berg ligt naast dien van Odin dicht bij Upsala. Zijn regeering was zóó gelukkig, dat zij de Gouden Eeuw werd genoemd en daarom herinnert hij ons aan Saturnus, die, naar de aarde verbannen, over het Italiaansche volk regeerde en hun gelijken voorspoed schonk.

Freya en Venus.

Gerda, de schoone maagd, is, als Venus en ook als Atalanta; zij is moeilijk te winnen en moeilijk te vrijen, evenals de snelvoetige maagd, maar, evenals deze, geeft zij ten slotte toe en wordt een gelukkige vrouw. De gouden appelen waarmede Skinir haar tracht om te koopen, herinneren ons aan de gouden vruchten welke Hippomenes op Atalanta’s weg wierp, en die haar de wedloop deden verliezen.

Freya, de godin van jeugd, liefde en schoonheid, is, evenals Venus, uit de zee geboren, want zij is een dochter van den zee-god Niörd. Venus schonk haar warmste gevoelens aan den oorlogsgod en aan den krijgshaftigen Anchises, terwijl Freya dikwijls het gewaad van een Valkyr aanneemt en snel over de aarde rijdt om deel te nemen aan den doodelijken strijd en om de heldhaftig verslagenen weg te dragen opdat zij zullen feestvieren in hare zalen. Evenals Venus geniet zij van geschenken van vruchten en bloemen en verleent zij een goedgunstig oor aan de smeekingen van geliefden. Freya herinnert ook aan Minerva, want, evenals deze, draagt zij een helm en een borstplaat en, evenals als deze, is ook zij beroemd om haar prachtig blauwe oogen.

Odur en Adonis.

Odur, Freya’s echtgenoot, is gelijk aan Adonis en als hij haar verlaat stort ook zij tallooze tranen, die, in dit geval, in goud worden veranderd, terwijl Venus’ tranen in anemonen zijn verkeerd, en die van de Heliaden, die Phaeton beweenden, tot barnsteen verharden dat op goud lijkt in kleur en vastheid. Evenals Venus verheugd is over Adonis’ terugkeer en de geheele natuur in bloei staat als teeken van sympathie in haar vreugde, zoo wordt ook Freya nogmaals opgewekt van hart, als zij haar echtgenoot heeft gevonden onder de bloesemde mirten van het Zuiden. Venus’ wagen wordt getrokken door fladderende duiven, en die van Freya wordt snel voortgedragen door katten, die het symbool zijn van de zinnelijke liefde, evenals de duiven werden beschouwd als het beeld van de teederste liefde. Freya heeft een oog voor schoonheid en weigert toornig om Thrym te huwen, terwijl Venus Vulcanus haat met wien zij is gedwongen te trouwen, en dien zij ten slotte verlaat.

De Grieken stelden de gerechtigheid voor als een geblinddoekte godin met een weegschaal in de ééne hand en een zwaard in de andere, om de onpartijdigheid en vastheid van haar bevelen aan te toonen. De aan haar beantwoordende godheid van het Noorden was Forseti, die geduldig luisterde naar beide zijden van een kwestie voordat ook hij zijn onpartijdig en onherroepelijk vonnis afkondigde.

Uller, de winter-god, gelijkt alleen op Apollo en Orion in zijn liefde voor de jacht, welke hij onder alle omstandigheden met ijver voortzet. Hij is de Noordelijke boogschutter, en zijn handigheid is even feilloos als de hunne.

Heimdall was, evenals Argus, begiftigd met buitengewone helderheid van gezicht, hetgeen hem in staat stelde op een afstand van honderd mijlen even helder te zien bij dag zoowel als bij nacht. Zijn Giallar-hoorn die de geheele wereld door kon worden gehoord, en die den overtocht van de goden heen en terug over de trillende brug Bifröst bekend maakte, was als de trompet van de godin Roem. Daar hij van moeders zijde verwant was aan het water, kon hij evenals Proteus naar believen elke gedaante aannemen, en hij maakte een goed gebruik van die macht bij gelegenheid dat hij Loki’s poging om het halssnoer van Brisingamen te stelen, verhinderde.

Hermod, de vlugge of vlotte, gelijkt op Mercurius en niet alleen in zijn wonderbaarlijke snelheid van beweging. Ook hij was de bode der goden en evenals de Grieksche godheid, schoot hij hierheen en daarheen, niet geholpen door den gevleugelden helm en de sandalen, maar door Odins ros Sleipnir, dat hij alleen mocht berijden. In plaats van den Caduceus droeg hij den staf Gambantein. Hij ondervroeg de Nornen en den magiër Rossthiof, van wien hij vernam dat Vali zou komen om zijn broeder Balder te wreken en zijn vader den voet te lichten. Voorbeelden van soortgelijke vragen worden in de Grieksche mythologie gevonden, waar Jupiter gaarne Thetis zou hebben gehuwd en toch daarvan afzag toen de Schikgodinnen voorspelden, dat, als hij zoo deed, zij de moeder zou worden van een zoon, die zijn vader in macht en beroemdheid zou overtreffen.

De Storm-Rit

De Storm-Rit

Gilbert Bayes.

De noordelijke God der stilte, Vidar, heeft eenige gelijkenis met Hercules, want, terwijl de laatste niets dan een stok heeft om zichzelf daarmede te verdedigen tegen den Nemeïschen leeuw, dien hij verscheurt, wordt de eerste in staat gesteld den wolf Fenris te Ragnarok te verscheuren, doordat hij in het bezit is van een enkelen grooten schoen.

Rinda en Danae.

Odins vrijage met Rinda herinnert ons aan Jupiters hof maken van Danae, die ook een symbool van de aarde is; en terwijl de overvloed van goud in de Grieksche sage bedoelt voor te stellen de vruchtbaarmakende zonnestralen, stelt het voetbad in het noordelijke verhaal den lentedooi voor, die invalt wanneer de zon den weerstand van de bevroren aarde heeft overwonnen. Perseus, het kind van deze vereeniging, heeft veel punten van overeenkomst met Vali, want ook hij is een wreker en verslaat zijns moeders vijanden, even zeker als Vali Hodur vermoordt, den moordenaar van Balder.

Het wordt voorgesteld alsof de Noodlotsgodinnen tegenwoordig waren bij de geboorte van een kind in Griekenland en de toekomst van een kind voorspelden, zooals de Nornen deden; en het verhaal van Meleager heeft zijn onmiskenbare parallel in dat van Nornagesta. Althea bewaart de half-verteerde fakkel in een kist, Nornagesta verbergt het kaarseneindje in zijn harp; en terwijl de Grieksche moeder den dood van haar zoon teweeg brengt door de fakkel in het vuur te werpen, sterft Nornagesta, die gedwongen is dit eindje kaars aan te steken op Olafs bevel, als het flikkert en uitbrandt.

Hebe en de Valkyren waren de schenksters van den Olympus en Asgard. Zij waren allen de gepersonifieerde jeugd; en terwijl Hebe den grooten held en halfgod Hercules huwde toen zij ophield haar ambt te vervullen, werd den Valkyren haar ambt ontnomen, toen zij vereenigd werden met helden als Helgi, Hakon, Völund en Sigurd.

Het Cretenser labyrint heeft zijn tegenhanger in het IJslandsche Völundarhuis, en Völund en Daedalus beiden brengen hun ontvluchting uit een doolhof ten uitvoer door middel van een handig uitgevonden paar vleugels, die hen in staat stellen in veiligheid over land en zee te vliegen en te ontkomen aan de tyrannie van hun respectieve meesters, Nidud en Minos. Völund gelijkt ook hierin Vulcanus, dat hij een knappe smid is en van zijn talenten gebruik maakt om zijn wraak te koelen. Vulcanus, kreupel geworden door een val van den Olympus en door Juno verwaarloosd, met wie hij had getracht goede vrienden te worden, zendt haar een gouden troon, die voorzien is van kunstig aangebrachte veeren om haar te grijpen en vast te houden. Völund, machteloos door de suggestie van Nidud’s koningin, vermoordt heimelijk hare zonen en maakt van hun oogen wonderbare juweelen, die zij zonder wantrouwen op haar borst draagt, totdat hij haar hun afkomst verraadt.

Zee-Mythen.

Juist zooals de Grieken zich voorstelden dat de stormen het gevolg waren van Neptunus’ woede, zoo schreven de Noordelijke volken hen toe of aan de stuiptrekkingen van Iörmungandr de Midgardslang of aan den toorn van Aegir, die, juist zooals Neptunus, met zeewier gekroond, dikwijls zijn kinderen, de golven-maagden (de tegenhangers van de Nereïden en Oceaniden) wegzond om op de woelende golven te spelen. Neptunus woonde in koraalholen dicht bij het eiland Euboea, terwijl Aegir in een dergelijk paleis dicht bij het Kattegat gevestigd was. Hier was hij omringd door de nixen, undinen en meerminnen, de tegenhangers van de Grieksche waternimfen en door de riviergoden van den Rijn, de Elbe en den Neckar, die ons doen denken aan Alpheus en Peneus, de riviergoden van de Grieken.

Het veelvuldig voorkomen van schipbreuken op de Noordelijke kusten heeft er toe bijgedragen om de menschen zich Ran (plaatsvervanger van de Grieksche zeegodin Amphitrite) voor te stellen als gulzig en gierig, en zij beschreven haar als gewapend met een sterk net waarmede zij alle dingen neertrok in de diepte. De Grieksche Sirenen hebben hare parallellen in de Noordelijke Lorelei die dezelfde gave van zingen bezat en ook zeelieden in den dood lokte; terwijl Prinses Ilse, die in een bron werd veranderd, ons herinnert aan de nimf Arethusa, die een dergelijke gedaanteverwisseling onderging.

In de Noordelijke opvatting van Niflheim hebben wij een bijna nauwkeurigen tegenhanger van den Griekschen Hades. Mödgud, de bewaker van de Giallar-brug (de doodenbrug) waarover alle geesten van de dooden moeten gaan, eischt een schatting van bloed even gestreng als Charon een obool vraagt van elke ziel die hij den Acheron, de doodsrivier, overzet. De geweldige hond Garm, die ineengekrompen zit in het Gnipahol en de wacht houdt aan de Hellepoort, is als het driehoofdig monster Cerberus; en de negen werelden van Niflheim zijn niet ongelijk aan de verdeeling van Hades, terwijl Nastrond geheel analoog is aan den Tartarus, waar de boozen werden gestraft met een gelijke gestrengheid.

De gewoonte om de doode helden te verbranden met hunne wapenen, en om offers, zooals paarden en honden, op hun brandstapel te slachten, was even sterk in het Noorden als in het Zuiden; en terwijl Mors of Thanatos, de Grieksche dood, voorgesteld werd met een scherpe zeis, werd Hel voorgesteld met een bezem of een hark, dien zij even meedoogenloos gebruikte en waarmede zij evenveel strafoefende.

Balder en Apollo.

Balder, de stralende god van den zonneschijn, herinnert ons niet alleen aan Apollo en Orpheus, maar aan al de andere helden van zonnemythen. Zijn vrouw Nanna gelijkt op Flora en nog meer op Proserpina, want ook zij daalt neer in de onderwereld waar zij voor een wijl vertoeft. Balders gouden hal van Breidablik gelijkt op Apollo’s paleis in ’t Oosten; ook hij houdt van bloemen; alle dingen glimlachen wanneer hij komt, en doen gewillig den eed hem nooit te zullen beleedigen. Zooals Achilles alleen kwetsbaar was aan den hiel, zoo kon Balder alleen worden getroffen door den onschuldigen maretak, en zijn dood wordt veroorzaakt door Loki’s jaloezie, juist zooals Hercules werd verslagen door die van Deianeira. Balders brandstapel op Ringhorn herinnert ons aan Hercules’ dood op den berg Etna: de vlammen en de roode gloed van beide vuren dienen om de ondergaande zon te typeeren. De Noordelijke god van zon en zomer kon alleen worden verlost van Niflheim, wanneer alle levende en doode dingen tranen zouden storten; en zoo kon Proserpina alleen uit den Hades ontsnappen op voorwaarde dat zij geen voedsel had gebruikt. De weinig beteekenende weigering van Thok om een enkelen traan te storten, doet denken aan de zaden van den granaatappel dien Proserpina at, en het gevolg is in beide gevallen even afgrijselijk, daar het Balder en Proserpina onder den grond terughoudt en de aarde (Frigga of Ceres) moet voortgaan hun afwezigheid te beweenen.

Door Loki kwam het kwaad in de Noorsche wereld; Prometheus’ gift van het vuur bracht denzelfden vloek over de Grieken. De straf aan de schuldigen toebedeeld door de goeden is niet ongelijk, want, terwijl Loki met diamanten ketenen onder den grond wordt vastgebonden en geteisterd door het aanhoudend druppelen van vergif uit de slagtanden van een slang die boven zijn hoofd is vastgemaakt, wordt Prometheus op een dergelijke wijze aan den Caucasus geketend, terwijl een vraatzuchtige gier aanhoudend aan zijn lever knaagt. Loki’s straf heeft een anderen tegenhanger in die van Tityus, in den Hades gebonden, en in die van Enceladus, geketend onder den Etna waar zijn bezweringen aardbevingen veroorzaakten en zijn verwenschingen plotselinge uitbarstingen van den vulkaan ten gevolge hadden. Loki herinnert verder aan Neptunus, daar ook hij een paardengedaante aannam en de stamvader werd van een wonderbaar ros, want Sleipnir wedijvert met Arion zoowel in vlugheid als in uithoudingsvermogen.

De Fimbul-winter is vergeleken geworden bij het lange voorafgaande gevecht onder de muren van Troje, en Ragnarok, het grootsche einddrama van de Noorsche mythologie bij het branden van die beroemde stad. “Thor is Hector; de wolf Fenris, Pyrrhus, zoon van Achilles die Priamus versloeg (Odin); en Vidar die in Ragnarok herleeft, is Aeneas.” De verwoesting van Priamus’ paleis is het type van de verwoesting van de gouden hallen der goden; en de verslindende wolven Hati, Sköll en Managarm, de vijanden der duisternis, zijn het prototype van Paris en al de andere demonen der duisternis die de zonnemaagd Helena wegdragen of haar verslinden.

Ragnarok en de Zondvloed.

Volgens een andere uitlegging evenwel is de Ragnarok en de daaruit volgende overstrooming van de wereld slechts een Noorsche overlevering van den zondvloed. De overlevenden, Lif en Lifthrasir, waren evenals Deucalion en Pyrrha bestemd om de wereld weer te bevolken; en zooals het altaar van Delphi alleen de vernielende macht van de groote overstrooming weerstond, zoo stond ook Gimli stralend om de overlevende goden te ontvangen.

Reuzen en Titanen.

Wij hebben al gezien, hoe nauw de Noordelijke reuzen verwant zijn aan de Titanen. Nu valt alleen nog te vertellen dat, terwijl de Grieken zich voorstelden dat Atlas in een berg was veranderd, de Noormannen geloofden dat het Reuzengebergte in Duitschland was gevormd uit reuzen, en dat de lawines die van hun steile hoogten af naar beneden kwamen, de sneeuwhoopen waren die deze reuzen ongeduldig van hunne kruinen afschudden, wanneer zij hun verwrongen houdingen veranderden. De verschijning in den vorm van een stier van een der waterreuzen die kwam om de koningin der Franken te vrijen, heeft zijn parallel in het verhaal van Jupiters vrijage om Europa, en Meroveus is klaarblijkelijk geheel de tegenhanger van Sarpedon. Een vage gelijkenis kan men vinden tusschen het reuzenschip Mannigfual en de Argo, want terwijl de eene wordt voorondersteld door de Aegeïsche en de Zwarte Zee te hebben gekruist, en vele plaatsen gedenkwaardig te hebben gemaakt door de gevaren die het daar ontmoette, zeilt het Noorsche schip door de Noord- en de Oost-Zee en wordt het genoemd in verband met het eiland Bornholm en de klippen van Dover.

Terwijl de Grieken zich voorstelden, dat nachtmerries de booze droomen waren die ontsnapt waren uit het hol van Somnus, dacht het Noorsche ras zich deze als vrouwelijke dwergen of trollen, die uit de donkere schuilhoeken van de aarde kropen om hen te kwellen. Alle tooverwapenen in het Noorden heetten het werk der dwergen, de smeden onder den grond, terwijl die van de Grieken gemaakt waren door Vulcanus en de Cyclopen onder den Etna of op het eiland Lemnos.

De Volsunga Saga.

In de mythe van Sigurd vinden wij Odin één-oogig als de Cyclopen, die, evenals hij, persoonsverbeeldingen van de zon zijn. Sigurd wordt onderwezen door Gripir den paardendresseerder, die aan Chiron, den Centaur herinnert. Hij is niet alleen in staat een jongen held te leeren alles wat hij moet weten en hem goeden raad te geven aangaande zijn toekomstig gedrag, maar hij bezit ook de gave van de profetie.

Het wonderbare zwaard dat het eigendom wordt van Sigmund en van Sigurd, zoo spoedig als zij zich waardig genoeg zullen betoonen om dit te hanteeren, en het zwaard Angurvadel dat Frithiof van zijn vader erft, herinneren ons aan het wapen dat Aegeus had verborgen onder de rots en dat Theseus in veiligheid bracht zoo spoedig hij een man geworden was. Sigurd tracht evenals Theseus, Perseus en Jason, de misdaden van zijn vader te wreken vóórdat hij uitgaat om te zoeken den gouden schat, volkomen hetzelfde als het gouden vlies, dat ook door een draak wordt bewaard en moeilijk in veiligheid te brengen is. Evenals alle Grieksche zonnegoden en helden, heeft Sigurd gouden haar en helder blauwe oogen; zijn gevecht met Fafnir herinnert ons aan Apollo’s strijd met den Python, terwijl de ring Andvaranaut vergeleken kan worden bij Venus’ gordel en de vloek dien hij brengt aan den drager, herinnert aan de tragedie van Helena die een eindeloos bloedbad veroorzaakte aan allen die met haar verbonden waren.

Sigurd kon Fafnir niet hebben overwonnen zonder het tooverzwaard, juist zooals het den Grieken niet gelukte Troje te krijgen zonder de pijlen van Philoctetes die ook het symbool zijn van de alles-overwinnende stralen der zon. Het terugvinden van den gestolen schat gelijkt op Menelaus’ terugvinden van Helena, en klaarblijkelijk brengt hij al even weinig geluk aan Sigurd als zijn lafhartige vrouw bracht aan den Spartaanschen koning.

Brunhild.

Brunhild gelijkt op Minerva in haar krijgshaftigen zin, lichamelijk voorkomen en wijsheid; maar haar toorn en verachting wanneer Sigurd haar vergeet voor Goedroen, is als de toorn van Oenone, die Paris verlaat om Helena te vrijen. Brunhilds toorn blijft Sigurd levenslang vervolgen, en zelfs tracht zij zijn dood te beramen, terwijl Oenone, geroepen om haar gewonden minnaar te genezen, dit weigert en hem laat sterven. Oenone en Brunhild zijn beiden overstelpt door dezelfde berouwvolle gevoelens, als hare minnaren hun laatsten adem hebben uitgeblazen, en zij beiden dringen er op aan, hun brandstapels te deelen en haar leven te eindigen aan de zijde van hen die zij hadden bemind.

Zonnemythen.

De Volsunga Saga, zóóals zij is, bevattende een geheele serie van zonnemythen, herhaalt zich zelf in elke phase; en juist zooals Ariadne, verlaten door den zonneheld Theseus, ten slotte Bacchus huwt, zoo doet ook Goedroen wanneer Sigurd vertrokken is en zij Atli huwt, den Hunnenkoning. Ook hij eindigt zijn leven te midden van de vlammen van zijn brandend paleis of schip. Gunnar, speelt evenals Orpheus of Amphion zulke wondervolle melodieën op zijn harp, dat zelfs de slangen in slaap gezongen werden. Volgens sommige overleveringen herinnert Atli aan Fafnir en begeert het bezit van goud. Daarom zijn beide verpersoonlijkingen van de winterwolk, die over de stervelingen hangt en van hen weghoudt het goud van het zonnelicht en de warmte, totdat in de lente de blinkende bol de machten van duisternis en stormen overwint en zijn goud over het aangezicht der aarde strooit.

Swanhild, Sigurds dochter, is een andere verpersoonlijking van de zon, zooals zij gezien wordt met haar blauwe oogen en gouden haar; en haar dood onder de hoeven van zwarte paarden stelt voor het uitgewischt worden van de zon door wolken van storm of van duisternis.

Zooals Castor en Pollux zich haasten om hun zuster Helena te bevrijden als ze wordt weggevoerd door Theseus, zoo haasten ook Swanhilds broeders, Erp, Hamdir en Sörli, zich, om haar dood te wreken.

Dit zijn de hoofdpunten van overeenkomst tusschen de Mythologieën van het Noorden en het Zuiden, en de overeenkomst gaat zóó ver, dat zij oorspronkelijk zijn gevormd uit dezelfde stof, en de voornaamste verschillen zijn te verklaren uit de locale kleur, onbewust er aan toegebracht door de verschillende rassen.