Hoofdstuk V: Tyr.

De god van den oorlog.

Tyr, Tiu of Ziu was de zoon van Odin, en, volgens verschillende mythologen, was zijn moeder Frigga, de koningin van de goden, of een schoone reuzin wier naam onbekend is, maar die de verpersoonlijking was van de onrustige zee. Hij is de god van de krijgseer, en een van de twaalf hoofdgodheden van Asgard. Ofschoon hij er geen speciale woning schijnt te hebben gehad, was hij altijd welkom te Vingolf of Valhalla, en zat op een van de twaalf tronen in de groote vergaderhal van Gladsheim.

Gladsheim, de hal, die is uit goud gewrocht,

Waar, in een cirkel, twalef stoelen staan

Van goud, in ’t midden Odins troon het hoogst.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Als de god van moed en oorlog, werd Tyr dikwijls door de verschillende volken van het Noorden aangeroepen, die zich, tot hem, evenals tot Odin, wendden, om de overwinning. Dat hij naast Odin en Thor stond, blijkt uit zijn naam Tiu, die aan een van de dagen der week is gegeven, Tiu’s dag, wat in het moderne Engelsch is geworden Tuesday (Dinsdag). Onder den naam Ziu, was Tyr de voornaamste god van de Suaven, die oorspronkelijk hun hoofdstad, het tegenwoordige Augsburg, Ziusburg noemden. Dit volk, den god vereerende zooals het dat deed, was gewoon hem te huldigen in de gestalte van een zwaard, zijn kenmerkend attribuut, en hield hem ter eere groote zwaarddansen, bestaande uit verschillende figuren. Soms vormden de deelnemers twee lange lijnen, kruisten hunne zwaarden, met de punten naar boven, en noodigden den stoutmoedigsten onder hen uit vliegensvlug er over heen te springen. Op andere tijden hielden de krijgers hun zwaardpunten dicht bij elkander in den vorm van een roos of een wiel, en als deze figuur volkomen was, noodigden zij hun aanvoerder uit op het dus gevormde kruispunt van vlakke, schitterende zwaarden te gaan staan, en dan droegen zij hem er op in triomf door het legerkamp. De zwaardspits werd verder als zóó heilig beschouwd dat het gebruik werd er eeden op te zweren.

Komt herwaarts, heeren,

En legt uw handen neder op mijn zwaard;

Dat nooit g’ iets zeggen zult van wat gij hoordet,

Zweert bij mijn zwaard het.”

Hamlet (Shakespeare.)

Een karakteristieke trek van de vereering van dezen god onder de Franken en eenige andere Noorsche volken was dat de priesters, die Druids of Godi heetten, menschenoffers brachten op hun altaren, terwijl zij aan een van de kanten van de ruggegraat hunner slachtoffers een diepe insnijding maakten, er de ribben, die van binnen waren losgerukt, uithaalden, en door de dus gemaakte opening de ingewanden uittrokken. Natuurlijk werden alleen krijgsgevangenen zoo behandeld, en het werd als een zaak van eer beschouwd bij de noord-europeesche stammen, dat men deze marteling zonder klacht doorstond. Deze offers werden gebracht op ruwe steenen altaren die dolmens heetten, en die men in Noord-Europa nog kan zien. Daar Tyr beschouwd werd als de beschermgod van het zwaard moest men, noodzakelijk het teeken of de rune, die hem voorstelde, op het staal van ieder zwaard graveeren—een regel welken de Edda allen inprentte die verlangend waren naar het behalen van overwinning.

“Sig-runes moet gij kennen

Als gij zege (sigr) hebben wilt,

En op uw zwaardstaal drijf ze;

Enk’le op de scheê,

Enk’le op ’t gevest,

En tweemaal den naam van Tyr”.

Lied van Sigdrifa.

Tyr was dezelfde als de Saksische god Saxnot (van sax, een zwaard) als Er, Heru, of Cheru, de opperste god der Cheruski, die hem ook als den god der zon beschouwden, en in zijn schitterend zwaardstaal een beeld van zijn stralen zagen.

Dit zwaard is zelf een straal van licht,

Der zon ontrukt.

Valhalla (J. G. Jones).

Tyrs zwaard.

Volgens een oude legende werd Cheru’s zwaard, dat door dezelfde dwergen vervaardigd was, die ook Odins speer gemaakt hadden, voor zeer heilig gehouden door zijn volk, waaraan hij het te bewaren had gegeven, zeggende dat zij, die het hadden, zeker hunne vijanden zouden overwinnen. Maar ofschoon het zorgvuldig behoed werd in den tempel, waar het zóó was opgehangen dat het de eerste stralen van de ochtendzon weerkaatste, verdween het op een nacht plotseling en op een geheimzinnige wijs. Een Vala, druïdes of profetes, door de priesters geraadpleegd, openbaarde dat de Nornen hadden besloten, dat wie het voerde de wereld zou veroveren en er door sterven zou; maar trots alle pogingen weigerde zij zeggen wie het had weggenomen of waar men het kon vinden. Eenigen tijd nadat dit niet gebeurd was, kwam een forsch en waardig uitziend vreemdeling te Keulen, waar Vitellius, de Romeinsche prefect, feestvierde, en riep hem van zijn geliefde lekkere spijzen af. In tegenwoordigheid van de Romeinsche soldaten gaf hij hem het zwaard, zeggende dat het hem roem en faam zou brengen, en begroette hem ten slotte als keizer. De kreet werd overgenomen door de verzamelde legioenen, en Vitellius was tot keizer van Rome gekozen, zonder dat hij persoonlijk één poging had gedaan om deze eer deelachtig te worden. De nieuwe heerscher was echter zóó overgegeven aan zijn hartstocht van eten en drinken, dat hij aan het heilige wapen slechts weinig aandacht schonk. Op zekeren dag, toen hij met niet veel haast naar Rome trok, liet hij het zorgeloos hangen in de voorkamer van zijn paviljoen. Een Germaansch soldaat nam de kans waar om het voor zijn eigen roestig zwaard te ruilen, en de verdwaasde keizer merkte de ruiling niet. Toen hij te Rome kwam, hoorde hij dat de Oostelijke legioenen Vespasianus tot keizer hadden uitgeroepen, en dat deze toen juist onderweg was om zijn aanspraken te doen gelden op den troon.

Vitellius zocht nu naar het heilig wapen om zijn rechten te verdedigen, maar ontdekte den diefstal en, overmand door bijgeloovige vrees, waagde hij het niet eens te vechten. Hij kroop weg in een donkeren hoek van zijn paleis, waaruit hij met schande werd weggesleept door het verwoede volk naar den voet van den Capitolijnschen heuvel. Daar werd de profetie geheel vervuld, want de Germaansche soldaat, die zich bij de tegenpartij had aangesloten, kwam op dat oogenblik voorbij en sloeg Vitellius’ hoofd af met het heilig zwaard.

De Germaansche soldaat ging nu van het eene legioen naar het andere, en doorreisde vele landen; maar waar hij en zijn zwaard ook toefden, was de overwinning.

Nadat hij groote eer en onderscheiding had verworven, trok deze man, die oud geworden was, zich van den actieven dienst aan de oevers van den Donau terug, en begroef daar in het geheim zijn kostbaar wapen, terwijl hij zijn hut boven de plaats bouwde waar het lag om het, zoolang hij leefde, te bewaken. Toen hij op zijn sterfbed lag, vroeg men hem te zeggen waar hij het verborgen had, maar hij weigerde dit beslist, zeggende dat het zou gevonden worden door den man, wiens bestemming het was over de wereld te heerschen, maar dat hij niet den vloek zou kunnen ontgaan. Jaren gingen voorbij. Golf na golf stroomde het getij van barbaren-invallen over dat deel van het land, en het laatst van allen kwamen de vreeslijke Hunnen, onder aanvoering van Attila, den “Geesel Gods.” Toen hij langs de rivier kwam, zag hij een boer bedroefd den poot van zijn koe onderzoeken, die gewond was door een scherp instrument, in het lange gras verborgen, en toen men nasporing deed, vond men de punt van een begraven zwaard uit den grond steken.

Een tocht

Een tocht

A. Malmström.

Toen Attila het mooie werk en den goeden staat van dit wapen zag, riep hij dadelijk uit dat het Cherus’ zwaard was, en terwijl hij het boven zijn hoofd zwaaide zeide hij dat hij de wereld zou veroveren. Gevecht na gevecht werd door de Hunnen bevochten, die, volgens de sagen, altijd zegevierden, totdat Attila genoeg had van den oorlog en zich in Hongarije neerliet, en de schoone Bourgondische prinses Ildico trouwde, wier vader hij verslagen had. Deze prinses, boos om den moord van haar bloedverwant en dien willende wreken, maakte gebruik van ’s konings dronkenschap op den avond van zijn huwelijk om het goddelijk zwaard zich toe te eigenen, waarmee zij hem in zijn bed neersloeg, opnieuw de profetie vervullend die zoovele jaren te voren was uitgesproken.

Het tooverzwaard verdween weer langen tijd om nog eens te worden opgedolven, voor den laatsten keer, door den hertog van Alva, den generaal van Karel V, die kort daarop de overwinning bij Mühlberg behaalde (1547). De Franken waren gewoon jaarlijks krijgsspelen te houden ter eere van het zwaard; maar men zegt dat toen de heidensche goden ten bate van het Christendom waren afgezworen, de priesters velen hunner attributen op de heiligen overbrachten en dat dit zwaard het eigendom werd van den Aartsengel St. Michael, die het sinds altijd droeg.

Tyr, wiens naam synoniem was met dapperheid en wijsheid, werd door het oude Noorsche volk ook beschouwd als de witarmige Valkyren, Odins bodinnen, onder zijn bevel te hebben, en men dacht dat hij het was die de krijgslieden uitzocht welke zij moeten overbrengen naar het Valhalla om de goden te helpen op den laatsten dag.

De god Tyr zond

Gondul en Skogul

Om te kiezen een vorst

Uit het ras van Ingve,

Om te wonen met Odin

In het ruime Valhal.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De geschiedenis van Fenris.

Men sprak doorgaans van Tyr als van den eenarmige en beeldde hem zoo af, juist als men Odin een-oogig noemde. Verschillende verklaringen worden door verschillende autoriteiten gegeven, sommigen beweren dat het was omdat hij de overwinning slechts aan één kant kon geven; anderen omdat een zwaard slechts één lemmer heeft. Hoe dit zij, de ouden verklaarden het feit liever op de volgende wijze:

Loki huwde in het geheim te Jötun-heim de leelijke reuzin Angur-boda (angst-spellende) die hem drie monsterachtige kinderen schonk—den wolf Fenris, Hel, de bontgekleurde godin van den dood, en Iörmungandr, een vreeselijke slang. Hij hield het bestaan van deze monsters zoolang geheim als hij kon; maar zij werden weldra zóó groot dat zij niet langer konden opgesloten blijven in het hol waar zij het licht hadden gezien. Odin merkte van zijn troon Hlidskialf, weldra hun bestaan, en ook de onrustbarende snelheid waarmee zij in omvang toenamen. Bang dat de monsters, wanneer zij sterker waren geworden, een inval in Asgard zouden doen en de goden vernietigen, besloot Alvader zich van hen te ontdoen, en ging naar Jötun-heim, waar hij Hel in de diepten van Nevelheim wierp, met de woorden dat zij over de negen leelijke werelden der dooden kon heerschen. Daarna wierp hij Iörmungandr in zee, waar hij zulke reusachtige afmetingen aannam, dat hij ten slotte de aarde omgordde en in zijn eigen staart kon bijten.

Geworpen in den duisteren zeegrond

Groeide de slang naar echten reuzenaard

Om heel de wereld lag zij en in haar mond

Hield ze, in cirkelvorm, haar staart,

Toch bleef zij stil

Op Odins wil.

Valhalla (J. C. Jones).

Volstrekt niet blij dat de slang zoo vreeslijke afmetingen zou aannemen in haar nieuw element, besloot Odin Fenris naar Asgard te brengen, waar hij hoopte, door vriendelijke behandeling, hem tot zachtheid te stemmen. Maar de goden huiverden allen van schrik toen zij den wolf zagen, en geen durfde nader komen om hem voedsel te geven, behalve Tyr, die voor niets bang was. Ziende dat Fenris dagelijks toenam in omvang, kracht, vraatzucht en overmoed, belegden de goden een vergadering om te bepraten hoe zij het best van hem af konden komen. Zij besloten eenstemmig dat, daar hem te dooden een ontwijden zou zijn van hun vreedzame woonplaats, zij hem vast zouden binden zoodat hij hun geen kwaad kon doen.

Met dat doel voor oogen, kregen zij een sterken ketting, Leiding geheeten, en stelden toen Fenris in scherts voor dien hem om te binden om zijn vermeende kracht te beproeven. Vertrouwend dat hij zich zelf zou kunnen bevrijden, stond Fenris gewillig toe dat zij hem zouden vastbinden, en toen allen er bij stonden, strekte hij zich uit met geweldige inspanning en brak den ketting gemakkelijk in tweeën.

Terwijl zij hun spijt verborgen, prezen de goden zijn kracht zeer, maar zij brachten daarop een veel sterker ketting, Droma, dien, na eenige overreding, de wolf zich als te voren liet aandoen. Weer was een korte, sterke worsteling voldoende zijn boei te breken, en het is in het noorden een spreekwoordelijke uitdrukking geworden: “los te komen uit Leiding,” en “zich vrij te maken van Droma,” wanneer men groote moeilijkheden moet te boven komen.

Weer trachtten d’ Aesir hem te binden;

Weer moesten zij ’t vergeefs bevinden;

IJzer of koper hielp geen zier,

Sterker tooverkunsten pasten hier.

Valhalla (J. C. Jones).

Toen de goden nu merkten dat de gewone kettingen, hoe sterk ook, niets zouden uitwerken tegen de groote kracht van den wolf Fenris, droegen zij Skirnir, Frey’s knecht, op naar Svart-alva-heim te gaan en de dwergen een keten te laten maken dien niemand van elkaar zou kunnen krijgen.

Door tooverkunsten vervaardigden de elfen een dun zijden koord van zoo ontastbare stoffen als het geluid van de stappen eener kat, den baard van een vrouw, de wortelen van een berg, de verlangens van den beer, de stem van de visschen en het speeksel van de vogels, en toen het klaar was, gaven zij het aan Skirnir met de verzekering dat geen kracht het zou kunnen breken, en dat, hoe meer men er aan trok, het te sterker worden zou.

Gleipnir, bedocht

Door d’ Elfen, gewrocht

In Svart-alf-heim, door felle toovermacht,

Werd tot Odin door Skirnir gebracht:

Zoo zacht als zij, zoo licht als lucht,

Was het van tooverkracht geducht.

Valhalla (J. C Jones).

Gewapend met dit koord, dat Gleipnir heette, gingen de goden met Fenris naar het eiland Lyngvi, midden in het meer Amsvartnir, en stelden hem weer voor, zijn kracht te beproeven. Maar ofschoon Fenris nog sterker was geworden, wantrouwde hij het koord dat er zoo dun uitzag. Hij wilde zich dus niet laten binden, tenzij een van de Aesir zijn hand in zijn mond wou steken en ze er in laten als pand van hun goede trouw, en dat tegen hem geen tooverkunsten zouden worden aangewend.

Het binden van Fenris

Het binden van Fenris

Dorothy Hardy.

De goden hoorden de beslissing met teleurstelling, en allen deinsden terug, behalve Tyr, die, ziende dat de anderen niet durfden ingaan op deze voorwaarde, moedig aanstapte en zijn hand tusschen de kaken van het monster hield. De goden bonden Gleipnir nu vast om Fenris nek en pooten, en toen zij zagen dat zijn uiterste pogingen om zich te bevrijden vruchteloos waren, schreeuwden en lachten zij van plezier. Tyr kon echter hun vreugde niet deelen, want de wolf, bespeurende dat hij gevangen was, beet de hand van den god af bij het gewricht, dat sedert bekend staat als het wolfsgewricht.

Loki.

Wees stil, Tyr!

Gij kunt nooit beginnen

Een tweegevecht;

Van uw rechterhand moet ik

Ook melding maken

Die u Fenris ontnam.

Tyr.

Ik mis een hand slechts,

Maar gij goeden naam;

Droef is beider gemis,

Niet op zijn gemak is de wolf:

Hij moet blijven in boeien

Tot den val der goden.

Saemunds Edda.

Beroofd van zijn rechterhand, was Tyr nu genoodzaakt den verminkten arm voor zijn schild te gebruiken, en zijn zwaard te zwaaien met zijn linkerhand; maar zijn handigheid was zóó groot dat hij zijn vijanden als te voren versloeg.

Trots de tegenstribbelingen van den wolf trokken de goden het eind van het koord Gelgia door de rots Gioll, en maakten het vast aan den steen Thviti, die diep in den grond werd gelaten. Zijn vreeslijke kaken wijd opensperrend uitte Fenris een zóó ontzettend gehuil, dat de goden, om hem te doen zwijgen, een zwaard in zijn bek staken, waarvan het gevest rustte op zijn benedenkaak en de punt tegen zijn gehemelte. Het bloed kwam toen in zulke stroomen te voorschijn dat het een groote rivier vormde, die Von werd genoemd. De wolf moest zoo tot den laatsten dag geketend blijven, wanneer hij zijn boeien zou verbreken en vrij zou zijn om het hem aangedane te wreken.

De wolf Fenris,

Van de boei ontdaan,

Zal zwerven op aarde.

Doods-lied van Hâkon.

Terwijl sommige mythologen in deze mythen een beeld van de misdaad zien die bedwongen wordt en onschadelijk gemaakt door de kracht der wet, zien anderen er in het onderaardsche vuur, dat, in boeien geslagen, niemand iets kan doen, maar als het ontketend is de wereld vervult met verwoesting en ellende. Evenals het heet dat Odins tweede oog rust in Mimirs bron, zoo vindt men Tyrs tweede hand (zwaard) in Fenris’ kaken. Hij heeft niet meer behoefte aan twee wapenen dan de lucht aan twee zonnen.

De dienst van Tyr wordt vermeld in verschillende plaatsen (zooals Tübingen, in Duitschland) die meer of min gewijzigde vormen van zijn naam dragen. De naam is ook gegeven aan de monnikskap, een plant die in noordelijke landen bekend is als “Tyrs helm”.

Hoofdstuk VI: Bragi.

Het ontstaan van de dichtkunst.

Ten tijde van den twist tusschen de Aesir en de Vanas, toen men vrede gesloten had, werd een vaas in de vergadering gebracht, waarin beide partijen plechtig spuwden. Uit het speeksel schiepen de goden Kvasir, een wezen dat beroemd was wegens zijn wijsheid en goedheid, die de wereld rondging en antwoordde op alle hem gestelde vragen, en zoo de menschheid onderrichtte en gelukkig maakte. De dwergen, vernemend van Kvasirs groote wijsheid, begeerden hem, en toen zij hem op zekeren dag slapende vonden, versloegen twee hunner, Fialar en Galar, hem verraderlijk, en vingen iederen druppel van zijn bloed in drie vaten—den ketel Od-hroerir (ingeving) en de bekers Son (boete) en Boden (offer). Na dit bloed flink met honig vermengd te hebben, vervaardigden zij er een soort drank uit, die zóó inspireerend was, dat wie er van proefde onmiddellijk een dichter werd, en kon zingen met een lieflijkheid die stellig alle harten moest veroveren.

Ofschoon de dwergen deze wonderbare meê tot eigen gebruik hadden gebrouwen, proefden zij er nu in het geheel niet van, maar verborgen haar op een geheime plaats, terwijl zij op zoek gingen naar verdere avonturen. Zij waren nog niet ver gegaan, toen zij den reus Gilling ook in diepen slaap vonden, liggend op een steilen oever, en zij rolden hem boosaardig in het water, waar hij omkwam. Toen zich naar zijn woning spoedend, klommen eenigen op het dak, dragend een grooten molensteen, terwijl de anderen naar binnen gingen en aan de reuzin vertelden dat haar man dood was. Toen zij door de deur ging rolden de ondeugende dwergen den molensteen op haar hoofd en doodden haar. Volgens een ander verhaal verzochten de dwergen den reus met hen te gaan visschen en slaagden er in hem te vermoorden doordat zij hem uitzonden in een lek schip dat zonk onder zijn gewicht.

De zoo bedreven dubbele misdaad bleef niet lang ongestraft, want Gillings broeder, Suttung, ging snel de dwergen zoeken, besloten hem te wreken. Hij pakte hen in zijn machtige vuist en zette hen op een zandbank ver in zee, waar zij zeker zouden zijn omgekomen, ware het hun niet gelukt hun leven te redden door te beloven dat zij den reus hun pas gebrouwen meê zouden geven. Zoodra Suttung hen op het land zette, gaven zij hem daarom dit kostelijke mengsel, dat hij aan zijn dochter Gunlod toevertrouwde terwijl hij haar beval er dag en nacht voor te waken, en er noch goden noch menschen van te laten proeven. Om zijn gebod beter na te komen bracht Gunlod de drie vaten in den hollen berg, waar zij de wacht over ze hield met de meest angstvallige nauwgezetheid, en zij vermoedde niet dat Odin de plaats had ontdekt waar zij verborgen waren, dank de scherpe oogen van zijn altijd waakzame raven Hugin en Munin.

Het zoeken van den drank.

Toen Odin de runenwijsheid bemachtigd had en had geproefd de wateren van Mimirs fontein, was hij reeds de wijste der goden; maar toen hij vernam van de macht van den drank der inspiratie, die gemaakt was uit Kvasirs bloed, werd hij zeer verlangend om het toovervocht in bezit te krijgen. Met dit doel voor oogen zette hij dus zijn breed geranden hoed op, wikkelde zich in zijn wolkenmantel, en trok naar Jötun-heim. Op weg naar de woning van den reus kwam hij voorbij een veld waar negen leelijke kerels bezig waren met hooien. Odin bleef een oogenblik staan en keek naar hun werken, en merkende dat hun sikkels inderdaad heel stomp schenen, bood hij aan ze te slijpen, een aanbod dat de kerels gaarne aannamen.

Een slijpsteen van zijn boezem halend, ging Odin aan het scherpen van de negen sikkels, en gaf hun handig een zóó scherpe snede dat de kerels er plezier aan hadden en vroegen of zij den steen konden krijgen. Met genoegen stond Odin dit toe en wierp den slijpsteen over den muur; maar toen de negen kerels te gelijk aansprongen om hem te pakken, wondden zij elkander met hun scherpe sikkels. Boos over hun aller groote zorgeloosheid begonnen zij nu te vechten en hielden niet op voordat zij allen doodelijk gewond of dood waren.

Niets zich aantrekkend van deze treurige geschiedenis ging Odin verder en kwam kort daarop aan het huis van den reus Baugi, een broeder van Suttung, die hem zeer gastvrij ontving. In den loop van het gesprek vertelde Baugi hem dat hij in groote verlegenheid was, want het was oogsttijd en al zijn werklui waren juist dood in het hooiland gevonden.

Odin die bij deze gelegenheid zich Bolwerk (kwaaddoener) had genoemd, bood dadelijk den reus zijn diensten aan en beloofde evenveel werk te zullen verrichten als de negen kerels samen, en ijverig den heelen zomer te zullen werken in ruil voor een teug van Suttungs toovermeê, als het drukke jaargetij ten einde was. Deze overeenkomst werd onmiddellijk gesloten, en Baugi’s nieuwe knecht, Bolwerk, werkte den ganschen zomer onophoudelijk door; hij deed meer dan de afspraak nakomen en bracht al het graan veilig in de schuur voordat de herfstregens begonnen te vallen. Toen de eerste dag van den winter kwam, verscheen Bolwerk voor zijn meester en vroeg zijn loon. Maar Baugi aarzelde en weifelde en zeide dat hij niet ronduit zijn broeder Suttung om de teug der inspiratie durfde vragen, maar zou trachten ze door bedrog te krijgen. Samen togen Bolwerk en Baugi toen naar den berg waar Gunlod woonde, en daar zij geen andere manier konden vinden om den verborgen kelder binnen te komen, haalde Odin zijn betrouwbare boor, Raki geheeten, voor den dag en beval den reus met alle kracht te boren om een gat te maken waardoor hij naar binnen zou kunnen kruipen.

Baugi gehoorzaamde zwijgend, en na eenige oogenblikken werkens trok hij het gereedschap terug, zeggend dat hij het door den berg had geboord en dat Odin er gemakkelijk in kon komen. Maar de god vertrouwde zijn bewering niet, blies in het gat en toen het stof en de spaanders hem in het gezicht vlogen, beval hij Baugi streng weer te gaan boren en niet weer te trachten hem te bedriegen. De reus deed zooals hem bevolen was, en toen hij zijn werktuig terugtrok, verzekerde Odin zich ervan dat het gat werkelijk klaar was. Hij veranderde zich in een slang en wrong er zich zóó merkwaardig snel doorheen, dat hij de scherpe boor ontweek die Baugi hem verraderlijk in het gat nastootte om hem te vermoorden.

Raki’s mond liet ik

Maken een gat,

Doorknagen de rots;

Over en onder mij

Was der reuzen weg:

Dus waagde ik mijn hoofd.

Hávamál.

De roof van den drank.

Toen hij het binnenste van den berg had bereikt, nam Odin zijn gewone godengestalte weer aan en droeg weer zijn besterden mantel; zoo vertoonde hij zich in de met druipsteen behangen grot voor de schoone Gunlod. Hij was van plan haar liefde te winnen om haar er zoo toe te krijgen dat zij hem een slokje zou geven uit al de vaten, die aan hare zorg waren toevertrouwd.

Gewonnen door zijn hartstocht stemde Gunlod er in toe zijn vrouw te worden, en nadat hij drie volle dagen met haar in dit verblijf had doorgebracht, haalde zij de vaten uit de verborgen plaats en zeide hem dat hij van elk een teug mocht nemen.

En hij kreeg een dronk

Van de kostb’re mee.

Gemaakt uit Od-hroerir.

Odins Runenlied.

Odin maakte flink gebruik van deze toestemming en dronk zóóveel dat hij alle drie vaten heelemaal leegdronk. Na dus verkregen te hebben al wat hij wenschte, dook hij weer op uit het hol, deed zijn arendsvleugelen aan en steeg hoog in de lucht, en, na een oogenblik boven den bergtop gezweefd te hebben, richtte hij zijn vlucht naar Asgard.

Hij was nog ver van het gebied der goden, toen hij een vervolger bemerkte, en inderdaad, Suttung, die ook de gestalte van een arend had aangenomen, kwam hem snel achterna om hem tot teruggave van de gestolen mee te dwingen. Odin vloog daarom sneller en sneller, zich inspannend om Asgard te bereiken voordat de vijand hem inhaalde, en toen hij naderkwam, keken de goden met spanning naar den strijd.

Ziende dat Odin slechts met moeite zou kunnen ontsnappen, haalden de Aesir alle brandbare stoffen, die zij konden vinden, bij elkaar, en toen hij over de muren van hun huis vloog, staken zij de massa brandstof aan, zoodat de vlammen hoog op rezen en de vleugels van Suttung zengden, terwijl hij den god volgde, en hij midden in het vuur viel waar hij verbrandde.

Odin vloog tot waar de goden vaten hadden neergezet voor de gestolen mee, en hij spuwde den drank der inspiratie zoo snel uit dat een paar druppels neervielen en over de aarde verspreid werden. Daar werden zij het deel van rijmelaars en poëtasters, terwijl de goden het voornaamste tot eigen gebruik behielden, en slechts bij gelegenheid een teug toestonden aan den dezen of genen begunstigden sterveling, die, onmiddellijk daarop, wereldberoemd zou worden door zijn geïnspireerde zangen.

Van een welgekozen vorm

Maakt’ ik goed gebruik;

Weinig mist de wijze;

Want Od-hroerir

Is gekomen nu

Op d’ aarde der menschen.

Hávamál.

Daar menschen en goden het onwaardeerbare geschenk aan Odin te danken hadden, waren zij steeds bereid hem hun erkentelijkheid uit te drukken, en zij noemden het niet alleen naar zijn naam, maar zij vereerden hem als patroon van welsprekendheid, poëzie en zang en van alle skalden.

De god der muziek.

Ofschoon Odin dus de gave der poëzie bemachtigd had, maakte hij zelden daarvan gebruik. Het was voorbehouden aan zijn zoon Bragi, het kind van Gunlod, de god van poëzie en muziek te worden, en de wereld door zijn liederen te betooveren.

Wit gebaard, oud

Speelt Bragi zijn gulden

Harp—en nog zachter

Sluipt weg de dag.

Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson).

Zoodra Bragi geboren was in de met druipsteen behangen grot waar Odin Gunlods liefde had gewonnen, begiftigden de dwergen hem met een gouden tooverharp, en zetten hem op een van hun eigen schepen en zonden hem de wijde wereld in. Toen de boot langzaam uit het onderaardsche duister kwam en over den drempel van Nain, het gebied van den dwerg des doods, ging, zat Bragi, de schoone en zuivere jonge god, die tot nu toe geen teekenen van leven had gegeven, plotseling overeind, greep zijn gouden harp die naast hem lag, en begon het wonderbare lied van het leven te zingen, dat soms ten hemel steeg en dan zonk tot het vreeslijk gebied van Hel, de godin van den dood.

Yggdrasils esch is

Van alle boomen ’t schoonst,

En van alle schepen Skidbladnir;

Van de Aesir, Odin,

Van de paarden Sleipnir;

Bifröst van de bruggen,

Van de dichters Bragi.

Lied van Grimnir.

Terwijl hij speelde, gleed het schip zacht over de door de zon beschenen wateren en naderde weldra de kust. Bragi ging toen te voet verder, zijn weg banend door het kale en zwijgende bosch, spelend terwijl hij liep. Op het geluid van zijn teere muziek begonnen de boomen te knoppen en te bloeien, en het gras onder zijn voeten werd met tallooze bloemen gesierd.

Idoen

Idoen

B. E. Ward.

Hier ontmoette hij Idoen, dochter van Ivald, de schoone godin van onsterflijke jeugd, wie de dwergen toestonden de aarde van tijd tot tijd te bezoeken, terwijl, bij haar nadering, de natuur steeds haar lieflijksten en bekoorlijksten aanblik kreeg.

Het was te verwachten, dat twee zulke wezens zich tot elkaar zouden voelen aangetrokken, en Bragi kreeg de schoone godin tot vrouw. Samen haastten zij zich naar Asgard, waar beiden hartelijk welkom werden geheeten, en waar Odin, na runen te hebben getrokken op Bragi’s tong, besloot, dat hij de hemelsche minstreel en dichter zou zijn van liederen op de goden en de helden die hij ontving in het Valhalla.

Vereering van Bragi.

Daar Bragi de god was van poëzie, welsprekendheid en zang, noemden de noordelijke volken de poëzie ook naar hem, en Skalden van beide geslachten werden dikwijls aangeduid als Bragi-mannen of Bragi-vrouwen. Bragi werd hooggeëerd door alle noordelijke volken, en daarom werd zijn gezondheid altijd gedronken bij plechtige of feestelijke gelegenheden, maar vooral bij begrafenisplechtigheden en bij Yuletijdvieringen.

Wanneer het tijd was om een dronk op hem in te stellen, die gediend werd in bekers in den vorm van een schip en die Bragaful heetten, werd eerst het heilige teeken van den hamer er over gemaakt. Dan verbond zich de nieuwe heer of het hoofd van de familie plechtig tot de eene of andere dappere daad, die hij binnen het jaar moest volvoeren, tenzij hij als eerloos wilde zijn beschouwd. Zijn voorbeeld volgend legden al de gasten gewoonlijk dezelfde gelofte af en zeiden wat zij zouden doen, en daar sommigen hunner, die eerst hadden gedronken, al te vrij praatten over hun voornemens bij deze gelegenheden, schijnt deze gewoonte den naam van den god te hebben verbonden met het gemeenzame maar typische Engelsche werkwoord “to brag” (pochen).

In de kunst wordt Bragi gewoonlijk voorgesteld als een oudachtig man met lang wit haar en baard, die de gouden harp vasthoudt, waaraan zijn vingers zulke tooverachtige wijzen konden ontlokken.

Hoofdstuk VII: Idoen.

De appels van de jeugd.

Idoen, de verpersoonlijking van de lente of de onsterflijke jeugd, die, volgens sommige mythologen, niet geboren was en nooit den dood zou behoeven te smaken, werd hartelijk welkom geheeten door de goden, toen zij met Bragi in Asgard verscheen. Ten einde verder hunne genegenheden te winnen beloofde zij hen dat zij elken dag mochten proeven van de wonderbare appelen die zij in haar doos had, en die eeuwige jeugd en lieflijkheid konden mededeelen aan allen die er van kregen.

De gouden appels

Uit haren tuin

Schonken een gaaf u van jeugd,

At gij ze iederen dag.

Wagner.

Dank zij deze tooverkrachtige vrucht hielden de Skandinavische goden, die, omdat zij uit een gemengd ras ontsproten, niet allen onsterflijk waren, de nadering van den ouderdom en van ziekte van zich af, en bleven sterk, schoon en jong tallooze eeuwen. Deze appelen werden daarom als zeer kostbaar beschouwd en Idoen bewaarde ze zorgvuldig in haar tooverdoos. Hoe vele zij er ook uit nam, hetzelfde getal bleef altijd aanwezig om uit te deelen op het feest der goden, aan wie zij alleen toestond er van te proeven, ofschoon dwergen en reuzen ook gaarne de vruchten zouden hebben.

Schoon’ Idoena, die nooit sterft,

Die door Valhals zalen zwerft,

Is een rijke schat betrouwd

In haar doos met app’len goud,

Zulke wond’re vruchten geven

Aesir kracht ten eeuw’gen leven.

Valhalla.

De geschiedenis van Thiassi.

Op zekeren dag trokken Odin, Hoenir en Loki uit op een van hun gewone tochten naar de aarde, en, nadat zij langen tijd hadden gezworven, bevonden zij zich in een verlaten streek, waar zij geen gastvrij dak konden vinden. Moe en heel hongerig bespeurden de goden een kudde ossen en doodden een van de beesten, en een vuur ontstoken hebbende, gingen zij er bij zitten terwijl zij wachtten totdat het vleesch gaar was.

Tot hun verbazing echter bleef, trots de laaiende vlammen, het stuk volkomen rauw. Begrijpende dat er tooverij in het spel moest zijn, keken zij rond om te ontdekken wat hun braderij in de war bracht, toen zij een adelaar zagen die op een boom boven hen zat. Ziende dat de reizigers erg in hem hadden, sprak de vogel hen toe en erkende dat hij het was, die het vuur belette zijn gewoon werk te doen, maar hij bood aan, de betoovering weg te nemen als zij hem zooveel eten gaven als hij op kon. De goden vonden dit goed, waarop de vogel neerschoot en de vlammen aanwakkerde met zijn groote vleugels, en weldra was het vleesch gaar. De adelaar wilde toen drie-vierde meenemen, maar dit was te veel voor Loki, die een grooten stok nam, welke naast hem lag, en den gulzigen vogel begon af te rossen, vergetend dat hij bedreven was in tooverkunsten. Tot zijn groote teleurstelling merkte hij, dat het eene eind van den stok zich vasthechtte aan den rug van den adelaar, het andere aan zijn handen, en dat hij werd meegesleurd over steenen en door struiken, soms door de lucht, terwijl zijn armen bijna uit het lid werden gerukt. Te vergeefs schreeuwde hij om genade en smeekte den arend hem los te laten; de vogel vloog verder, totdat hij beloofde dat hij elken losprijs zou geven dien zijn overwinnaar wilde in ruil voor zijn vrijheid.

De schijn-adelaar, die de stormreus Thiassi was, stemde ten slotte erin toe, Loki vrij te laten op één voorwaarde. Hij liet hem beloven met de plechtigste eeden, dat hij Idoen zou lokken uit Asgard, zoodat Thiassi haar en haar toovervruchten in zijn bezit zou krijgen.

Loki en Thiassi

Loki en Thiassi

Dorothy Hardy.

Eindelijk vrijgelaten keerde Loki naar Odin en Hoenir terug, zorgde echter hun niet te vertellen op welke voorwaarde hij zijn vrijheid gekregen had; en toen zij weer in Asgard waren, begon hij plannen te maken hoe hij Idoen buiten de woning der goden zou kunnen lokken. Eenige dagen later, toen Bragi afwezig was op een van zijn minstreel-tochten, zocht Loki Idoen op in de boschjes van Brunnaker, waar zij verblijf hield, en beschreef sluw eenige appelen die op kleinen afstand groeiden, en die, zooals hij valschelijk beweerde, volkomen op de hare geleken; zoo lokte hij haar uit Asgard met een kristallen schotel vol vruchten, die zij wilde vergelijken met de door hem geprezene. Zoodra Idoen buiten Asgard was, verliet haar de bedriegelijke Loki, en eer zij kon terugkeeren in de beschutting van de hemelsche woning, schoot de stormreus Thiassi neer van het noorden op zijn adelaarsvleugelen, nam haar in zijn felle klauwen, en droeg haar snel weg naar zijn kaal en eenzaam verblijf Thrym-heim.

Thrym-heim is het zesde waar

Thiassi woonde,

De almachtige Jötun.

Grimnir-lied.

Ver van haar geliefde gezellen leed Idoen, werd bleek en bedroefd, maar weigerde beslist Thiassi ook maar iets van haar toovervruchten te laten proeven, die, zooals hij wel wist, hem schoon zouden maken en zijn kracht en jeugd hernieuwen.

Van elk ongeval

Dat trof Odins hal,

Is de lage Loki schuld;

Uit Valhalla’s paleizen

Heeft hij zoet’ Idoena genood

Die bij zich had

Der applen schat,

Welke d’Aesir nooit doen grijzen,

Dat Thiassis toren z’ omsloot.

Valhalla (J. C. Jones).

De tijd verliep. De goden, denkend dat Idoen met haar man mee was en weldra zou terugkeeren, letten eerst niet op haar afwezigheid, maar langzamerhand verdween de gunstige werking van het laatste appelmaal. Zij begonnen te voelen dat de ouderdom kwam en zagen hun jeugd en schoonheid verdwijnen; dus werden zij ongerust en begonnen naar de godin, die er niet was, te zoeken.

IJverige nasporing bracht het feit aan het licht dat zij het laatst was gezien in gezelschap van Loki, en toen Odin hem streng ter verantwoording riep, moest hij bekennen dat hij haar bedrieglijk had overgegeven in de macht van den stormreus.

Door zijn spottend, boos gezicht

Kwam ’t in Valhal snel aan ’t licht,

Dat door Loki’s leugenmacht

D’ arme Idoen was gebracht

Om in donkren toren

Jötun toe te hooren.

Valhalla (J. C. Jones).

De terugkomst van Idoen.

De houding van de goden werd nu zeer dreigend, en Loki begreep, dat, als hij geen middelen verzon om de godin terug te halen, wel spoedig zijn leven in groot gevaar zou zijn.

Hij verzekerde de goden dus, dat hij alles in het werk zou stellen om de bevrijding van Idoen te bewerken, en leende Freya’s valkenvederen en vloog naar Thrym-heim, waar hij Idoen alleen vond, bitter bedroefd over haar ballingschap uit Asgard en van haar geliefden Bragi. De schoone godin, volgens sommige overleveringen in een noot, volgens andere in een zwaluw veranderend, greep Loki haar stevig tusschen zijn klauwen en vloog snel terug naar Asgard, in de hoop dat hij het schut van haar hooge muren zou bereiken eer Thiassi terugkwam van een vischvangst in de wonderlijke zeeën waarheen hij was gegaan.

Intusschen hadden zich de goden verzameld op de wallen van de hemelsche stad, en zij wachtten Loki’s terugkomst met veel sterker spanning af, dan zij voor Odin hadden gevoeld toen hij Od-hroerir zocht. Terwijl zij zich het succes van hun list bij die gelegenheid herinnerden, hadden zij groote massa’s brandstof opgestapeld, die zij elk oogenblik in vlam konden zetten.

Plotseling zagen zij Loki komen, maar ontdekten achter hem een grooten adelaar. Dit was de reus Thiassi die plotseling was teruggekeerd van Thrym-heim en merkte dat zijn gevangene door een valk was geroofd, waarin hij dadelijk een van de goden herkende. Haastig had hij zijn arendsveeren aangetrokken en was dadelijk op jacht gegaan en haalde vlug zijn buit in. Loki verdubbelde zijn pogingen toen hij de muren van Asgard naderde, en eer Thiassi hem inhaalde, bereikte hij het eindpunt en zonk uitgeput in het midden der goden neer. Onmiddellijk stak men de opgehoopte brandstof aan, en toen de achtervolgende Thiassi over de muren kwam op zijn beurt, deden de vlammen en de rook hem verminkt en half bewusteloos op den grond vallen, een gemakkelijken buit voor de goden, die onbarmhartig op hem aanvielen en hem afmaakten.

De Aesir waren overgelukkig nu zij Idoen hadden teruggevonden, en zij namen snel van de kostelijke appelen, die zij behouden had teruggebracht. Toen zij hun gewone kracht en goed uitzicht voelden terugkeeren bij elken beet dien zij aten, verklaarden zij goedaardig dat het geen wonder was, als zelfs de reuzen de appels der eeuwige jeugd trachtten te proeven. Zij besloten dus dat zij Thiassi’s oogen als een sterrebeeld aan den hemel zouden zetten, om elk gevoel van wrok weg te nemen dat zijn bloedverwanten zouden kunnen koesteren als zij hoorden dat hij gedood was.

Op werp ik de oogen

Van Alvadi’s zoon

In de hemelen hel:

Zij duiden de grootste

Van al mijne daden.

Harbard-lied.

De godin van de lente.

De natuurlijke verklaring van deze mythen is voor de hand liggend. Idoen, het zinnebeeld van den plantengroei, wordt in den herfst met geweld weggesleept, als Bragi afwezig is en het zingen der vogels heeft opgehouden. De koude winterwind, Thiassi, houdt haar in het ijzige, barre Noorden, waar zij het niet kan vinden, tot Loki, de zuidenwind, het zaad of de zwaluw terugbrengt, die beide voorloopers zijn van de terugkeerende lente. De jeugd, schoonheid en kracht, door Idoen verleend, symboliseeren de herleving der natuur in het voorjaar na den slaap van den winter, als kleur en kracht bij de aarde wederkeeren, die gerimpeld en grijs geworden was.

Idoen valt in de onderwereld.

Daar de verdwijning van Idoen (plantengroei) een jaarlijksche gebeurtenis was, kunnen wij verwachten andere mythen te vinden, die zich met dit treffende verschijnsel bezig houden, en er is een andere geliefkoosde mythe van de oude zangers, die, helaas, ons slechts in een fragmentaire en zeer onvolledige gestalte heeft bereikt. Volgens deze overlevering zat Idoen eens op de takken van den heiligen esch Yggdrasil, toen zij plotseling duizelig werd en haar houvast kwijt raakte en op den grond viel, tot de diepste diepten van Nevelheim. Daar lag zij, bleek en stijf, starend met onbeweeglijke en verschrikte oogen op de sombere visioenen die het Hellegebied opdringt, heftig bevend als iemand die door felle koude wordt gekweld.

In de diepten woont

De alwetende Dis,

Van Yggdrasils

Esch zonk neer,

Van elfenras,

Idoen genaamd,

Het jongste van Ivaldi’s

Oud’re kindren.

Slecht bekwam

Haar de val

Onder den boom

Den grijzigen.

Zij kon niet blij zijn nu

Met Norvi’s dochter,

Gewend aan vroolijker

Woning thuis.

Odins Ravenzang.

Ziende dat zij niet terugkwam, beval Odin Bragi, Heimdall en een ander van de goden haar te gaan zoeken en gaf hun een witte wolfshuid mee om haar in te wikkelen, zoodat zij niet van de koude zou te lijden hebben; hij gebood hun alles in het werk te stellen om haar op te wekken uit de verdooving—want krachtens zijn voorwetenschap wist hij dat deze over haar gekomen was,

Zij gaven haar een wolfshuid

Waarin zij zich kleedde.

Odins Ravenzang.

Idoen liet lijdelijk toe, dat de goden haar in de warme wolfshuid wikkelden, maar zij weigerde hardnekkig te spreken of zich te bewegen, en op grond van haar vreemde manieren vermoedde haar man met droefheid dat zij een visioen had van zeer nare dingen. De tranen stroomden onophoudelijk van hare bleeke wangen, en Bragi, overstelpt door haar ellende, vroeg eindelijk de andere goden zonder hem naar Asgard terug te keeren, zeggend dat hij bij zijn vrouw wilde blijven totdat zij Hels jammerlijk gebied weer verlaten kon. Het gezicht van haar smart drukte hem zóó neer, dat hij geen lust had in zijn gewone vroolijke liederen, en de snaren van zijn harp waren stom terwijl hij in de onderwereld was.

Die zachte zephyr suist langs bloemenweiden,

Of Bragi’s toonen van zijn snaren glijden.

Viking-verhalen van het noorden (R. B. Anderson).

In deze mythe beteekent Idoens val van Yggdrasil het vallen van de bladeren in den herfst, die bleek en hulpeloos op den kouden, kalen grond liggen, totdat zij aan het oog worden onttrokken door de sneeuw, voorgesteld door de wolfshuid, die Odin, de lucht, zendt om ze warm te houden; en het zwijgen van de liederen der vogels is verder aangeduid door Bragi’s zwijgende harp.