Hoofdstuk XI: Uller.

De god van den winter.

Uller, de god van den winter, was de zoon van Sif, en de stiefzoon van Thor. Zijn vader die nooit vermeld wordt in de Noorsche sagen moet een van de meest gevreesde vorstreuzen zijn geweest, want Uller hield van de koude en reisde gaarne door het land op zijn breede sneeuwschoenen of glinsterende schaatsen. Deze god hield ook van de jacht, en dreef zijn spel in de Noorsche wouden, zich maar weinig bekommerend om ijs en sneeuw, waartegen hij goed was beschermd door de dikke pelzen waarin hij altijd was gehuld.

Als god van de jacht en het boogschieten wordt hij afgebeeld met een koker vol pijlen en een grooten boog, en daar de taxis het beste hout geeft tot vervaardiging van deze wapenen, zegt men dat dit zijn geliefkoosde boom was. Om altijd genoeg geschikt hout tot zijn gebruik bij de hand te hebben, sloeg Uller zijn verblijf op te Ydalir, het dal der taxisboomen, waar het altijd zeer vochtig was.

Ydalir heet het,

Waar Uller zich

Gemaakt heeft een woning.

Saemunds Edda.

Als wintergod werd Uller, of Oller, zooals hij ook heette, beschouwd als de tweede na Odin, wiens plaats hij gedurende zijn afwezigheid in de wintermaanden van het jaar zich toeëigende. Gedurende dit tijdperk voerde hij algeheele heerschappij over Asgard en Midgard, en ook, volgens sommige bronnen, nam hij bezit van Frigga, Odins vrouw, zooals vermeld wordt in de mythe van Vili en Ve. Maar daar Uller zeer zuinig was en nooit iets gaf aan de menschheid, begroette zij met groote blijdschap den terugkeer van Odin, die zijn onderkruiper wegjoeg en hem noodzaakte zijn toevlucht te nemen òf in het bevroren noorden òf op de toppen van de Alpen. Hier, als wij de dichters mogen gelooven, had hij een zomerhuis gebouwd, waarin hij zich terugtrok, totdat, wetend dat Odin weer weg was, hij opnieuw in de dalen durfde verschijnen.

Uller werd ook beschouwd als de god van den dood, en men dacht dat hij in de Wilde Jacht reed en ze soms zelf leidde. Hij is in het bijzonder bekend om zijn snelheid van beweging, en daar de sneeuwschoenen, die men in noordelijke streken gebruikt, soms van been worden gemaakt, en bovenaan zijn opwaarts gekeerd als de boeg van een schip, vertelde men gewoonlijk dat Uller tooverrunen had gesproken over een stuk been, dat hij in een schip veranderde, hetwelk hem over land of zee droeg naar zijn wil.

Daar sneeuwschoenen als een schild er uit zien, en daar het ijs waarmee hij jaarlijks de aarde omwikkelde als schild dient dat ze voor letsel in den winter beschermt, had Uller den bijnaam van schildgod, en hij werd in het bijzonder aangeroepen door alle personen die moesten meedoen aan een tweegevecht of een wanhopigen strijd.

In Christelijke tijden werd zijn plaats in den dienst des volks ingenomen door St. Hubert, als jager, die ook gemaakt werd tot den patroon der eerste maand, welke op 22 November begon, en aan hem gewijd was, daar de zon door het sterrenbeeld Sagittarius ging, of den boogschutter.

In het Angelsaksisch was Uller bekend als Vulder; maar in sommige deelen van Duitschland heette hij Holler en werd beschouwd als de gemaal van de schoone godin Holda, wier velden hij met een dikken mantel van sneeuw bedekte, om ze meer vruchtbaar te maken wanneer de lente kwam.

Bij de Skandinaviërs vertelde men, dat Uller Skadi had gehuwd, Niörds gescheiden vrouw, de vrouwelijke verpersoonlijking van den winter en de koude en hun smaak was zóó gelijk dat zij in volkomen harmonie samen leefden.

Dienst van Uller.

Vele tempels waren in het Noorden aan Uller gewijd, en op zijn altaren, even goed als die van de andere goden, lag een heilige ring, waarop eeden werden gezworen. Men zeide dat deze de ring kracht had zóó hevig ineen te krimpen, dat hij den vinger van een met opzet meineedige afrukte. Het volk bezocht Ullers tempel, vooral gedurende de maanden November en December, om hem te vragen dat hij een dikke deken van sneeuw over hun landen zou brengen, als waarborg van een goeden oogst; en daar men geloofde dat hij de schitterende stralen van het noorderlicht zond, die de Noorsche lucht in haar langen nacht verlichten, dacht men dat hij in nauwe betrekking stond tot Balder, de verpersoonlijking van het licht.

Volgens andere bronnen was Uller Balders speciale vriend, vooral omdat hij ook een deel van het jaar in de duistere diepten van Nevelheim doorbracht, met Hel, de godin van den dood. Men meende dat Uller daar jaarlijks, gedurende de zomermaanden, verbannen werd, als hij zijn heerschappij over de aarde moest afstaan aan Odin, den zomergod, en daar ontmoette hem Balder op Midzomer, den dag waarop hij uit Asgard verdween, want dan begonnen de dagen korter te worden, en de heerschappij van het licht (Balder) week allengs voor de steeds toenemende macht der duisternis (Hodur).

Hoofdstuk XII: Forseti.

De god van de waarheid.

Zoon van Balder, den god van het licht en van Nanna, de godin der vlekkelooze reinheid, was Forseti de wijste, welsprekendste en lieflijkste van alle goden. Toen men vernam dat hij in Asgard was, stonden de goden hem een zetel toe in de vergaderzaal, bepaalden dat hij de beschermer zou zijn van gerechtigheid en rechtvaardigheid, en gaven hem tot verblijf het schitterende paleis Glitnir. Deze woning had een zilveren dak, dat op pilaren van goud rustte, en het straalde zóó, dat men het op grooten afstand kon zien.

Glitnir is het tiende;

Gedragen door goud,

Ook met zilver gedekt.

Daar woont Forseti

Altijd door,

Beslecht elken strijd.

Saemunds Edda.

Hier, op een hoogen troon, zat Forseti, de wetgever, dag aan dag, en vereffende de geschillen van goden en menschen, geduldig luisterend naar beide kanten van elke vraag, en ten slotte uitsprekend beslissingen zóó billijk dat niemand ooit met zijn besluiten ontevreden was. Zóó groot waren de welsprekendheid en overredingskracht van dezen god, dat hij er altijd in slaagde de harten zijner hoorders te treffen, en het hem altijd gelukte ook de bitterste vijanden te verzoenen. Allen, die van hem vandaan gingen, waren voor het vervolg er zeker van in vrede te leven, want niemand durfde een gelofte te breken die hem eens was gedaan, anders zou hij zijn rechtmatigen toorn oploopen en onmiddellijk ten doode verwezen worden.

Forseti, Balders groote zoon

Hoorde mijn eed,

Geef mij rechtvaard’gen dood ter loon

Als ’k hem vergeet.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Als de god van de gerechtigheid en eeuwige wet, meende men, was Forseti voorzitter bij elke rechtszitting; steeds wendden zich tot hem allen die een verhoor moesten ondergaan, en men zeide dat hij zelden in den steek liet degenen die zijn hulp verdienden.

De geschiedenis van Heligoland.

Om de administratie van het recht in hun land te vergemakkelijken, benoemden de Friezen, zegt men, twaalf van hun wijste mannen, de Asegeir, of oudsten, om de wetten van de verschillende familiën en stammen die hun natie uitmaakten te verzamelen, en daaruit een wetboek samen te stellen dat de grondslag zou zijn van uniforme wetten. Toen de oudsten heel nauwkeurig de verschillende gegevens hadden verzameld, scheepten zij zich in op een klein schip, om een eenzame plaats te vinden waar zij vreedzaam hun besprekingen zouden kunnen houden. Maar nauwelijks waren zij van wal gestoken, of een storm zette op, die hun schip ver naar zee dreef, nu in deze richting en dan in die, zoodat zij geheel hun kalmte verloren. In hun wanhoop riepen de twaalf rechtsgeleerden Forseti aan, en smeekten hem hen te helpen het land weer te bereiken, en nauwelijks was het gebed uit, of zij bespeurden, tot hun groote verrassing, dat het schip een dertienden passagier aan boord had.

Het roer grijpend wendde de vreemdeling het vaartuig, stuurde het naar de plaats waar de golven het hoogst sloegen, en in ongeloofelijk korten tijd kwamen zij aan een eiland waar de stuurman hen aanspoorde zich te ontschepen. In eerbiedige stilte gehoorzaamden de twaalf mannen; en hun verbazing steeg nog meer, toen zij den vreemdeling zijn oorlogsbijl zagen zwaaien en een heldere bron zagen opspringen van de plaats op het grasveld waar zij neerkwam. Op voorbeeld van den vreemdeling dronken allen van dit water zonder een woord te spreken; toen gingen zij in een kring zitten, zich verbazend omdat de vreemdeling op ieder hunner in een of andere bijzonderheid geleek, maar toch veel van hen verschilde in algemeen voorkomen en uiterlijk.

Plotseling werd het zwijgen verbroken en de vreemdeling begon te spreken op zachten toon, die vaster en luider werd toen hij een wetboek ging voordragen dat al de verschillende bestaande bepalingen vereenigde die de Asegeir hadden verzameld. Toen zijn rede uit was, verdween de vreemdeling even snel en geheimzinnig als hij was gekomen, en de twaalf rechtsgeleerden, hun spraak terug krijgend, riepen tegelijk uit dat Forseti zelf bij hen was geweest, en het wetboek had gegeven volgens hetwelk de Friezen voortaan moesten gevonnisd worden. Ter herinnering aan de verschijning van den god verklaarden zij het eiland waarop zij stonden heilig, en zij spraken een plechtige vervloeking uit over ieder die zijn heiligheid door twist of bloedvergieten zou ontwijden. Zoo werd dit eiland, bekend als Forseti’s land of Heligoland (heilig land) hoogelijk geëerd door alle Noorsche volken en zelfs de stoutmoedigste vikings plunderden zijn kusten niet, om geen schipbreuk te lijden of een schandelijken dood te ondergaan tot straf voor hun misdaad.

Plechtige rechtszittingen werden dikwijls op het heilige eiland gehouden, terwijl de rechters er altijd water schepten en het zwijgend dronken, ter herinnering aan Forseti’s bezoek. De wateren van deze bron werden bovendien als zóó heilig beschouwd, dat allen die er van dronken voor gewijd werden gehouden, en zelfs het vee dat er van genuttigd had niet mocht worden geslacht. Daar men zeide dat Forseti zijn zittingen hield in de lente, den zomer en den herfst, maar nooit in den winter, werd het gewoonte, in alle Noorsche landen, de gerechtshoven vacantie te geven in deze jaargetijden, want het volk vond, dat, alleen wanneer het licht helder aan den hemel scheen, het recht allen zichtbaar kon zijn, en dat het volstrekt onmogelijk zou wezen een rechtvaardig vonnis te wijzen gedurende het donkere winterseizoen. Forseti wordt zelden genoemd dan samen met Balder. Hij nam blijkbaar geen deel aan de eindelooze twisten, waarin al de andere goden een zoo groote rol speelden.

Hoofdstuk XIII: Heimdall.

De wachter van de goden.

Toen hij eens langs het zeestrand wandelde, zag Odin negen schoone reuzinnen, de golfmeisjes Gialp, Creip, Egia, Augeia, Ulfrun, Aurgiafa, Sindur, Atla en Iarnsaxa, in diepen slaap op het witte zand. De god van de lucht werd zóó bekoord door deze schoone wezens, dat, zooals de Edda vertelt, hij alle negen huwde, en zij werkten op hetzelfde oogenblik samen tot de geboorte, van een zoon, die den naam Heimdall kreeg.

’k Ben een kind van negen moeders,

’k Ben een zoon van negen zusters.

Saemunds Edda.

De Regenboogbrug

De Regenboogbrug

H. Hendrich.

De negen moeders voedden hun kind met de kracht der aarde, de vochtigheid der zee en de hitte der zon, en deze zonderlinge leefregel bleek zóó versterkend, dat de jonge god in een verwonderlijk korten tijd volwassen was, en zich naar zijn vader in Asgard spoedde. Hij trof de goden aan terwijl zij met trots de regenboogbrug beschouwden, die zij juist uit vuur, lucht en water hadden gemaakt; nog kan men deze drie grondstoffen duidelijk zien in haar langen boog, waar de drie hoofdkleuren schitteren: het rood dat het vuur, het blauw dat de lucht en het groen dat de koele diepten van de zee aanduidt.

De wachter van den regenboog.

Deze brug verbond hemel en aarde en eindigde onder de schaduw van den machtigen wereldboom Yggdrasil, dicht bij de fontein, waar Mimir wacht hield, en de eenige belemmering om ten volle van het prachtige schouwspel te genieten, was de vrees dat de vorstreuzen er over heen zouden gaan en zoo in Asgard binnendringen.

De goden hadden besproken dat het geraden was een betrouwbaren wachter aan te stellen, en zij heetten den nieuweling welkom als iemand die volkomen geschikt was om die ernstige taak te vervullen.

Heimdall nam gaarne de verantwoordelijkheid op zich, en van nu af aan hield hij dag en nacht de wacht over den regenboogweg die naar Asgard voerde.

Bifröst in ’t oosten blonk in kleuren rein;

En op zijn top, in blanksten schijn,

Bleek Heimdall op zijn post te zijn.

Oehlenschläger.

Ten einde hun wachter in staat te stellen de nadering van een vijand van verre te zien, gaven de goden hem zóó scherpe zintuigen, dat—zooals men zegt—hij het gras op de heuvelhelling en de wol op den rug van het schaap kon hooren groeien; dat hij honderd mijlen ver zoowel ’s daags als ’s nachts duidelijk kon zien; en bij dit alles had hij minder slaap noodig dan een vogel.

Bij angst’ge reuzen meer bekend

Dan hij die zit in rust omhoog,

Wachter der lucht, en sluit geen oog.

Lied van Skirner.

Heimdall werd verder toegerust met een schitterend zwaard en een wonderbare trompet, Giallar-hoorn geheeten, en de goden bevalen hem er op te blazen als hij hun vijanden zag aankomen, zeggende dat de klank er van alle wezens in den hemel, op aarde en in Niflheim zou wekken. De laatste hevige stoot er in zou de komst van den dag aangeven waarop de laatste strijd zou gestreden worden.

Ten strijd zijn de goden geroepen

Door den ouden

Giallar-hoorn,

Luid blaast Heimdall,

Zijn klank is in de lucht.

Saemunds Edda.

Om dit instrument, dat een zinnebeeld was van de wassende maan, altijd bij de hand te hebben, hing Heimdall het aan een tak van den Yggdrasil boven zijn hoofd of liet het zinken in de wateren van Mimirs bron. In deze bron lag het naast Odins oog, dat een zinnebeeld was van de maan wanneer zij vol is.

Heimdalls paleis, Himinbiorg geheeten, lag op het hoogste punt van de brug, en hier bezochten de goden hem dikwijls om te smullen aan de heerlijke mee die hij hun voorzette.

’t Wordt genoemd Himinbiorg,

Waar Heimdall, zegt men,

Heeft woning en heerscht.

Daar de wachter drinkt

In still’ oude hal

Vroolijk goede mee.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Heimdall werd altijd afgebeeld in schitterende witte rusting, en hij werd daarom genoemd de blinkende god. Hij stond ook bekend als de lichte, onschuldige en genaderijke god, en alle goden hielden van hem. Van moeders zijde verwant aan de zee werd hij somtijds tot de Vana’s gerekend; en daar de oude Noormannen, vooral de IJslanders, wien de omringende zee het belangrijkste element scheen, dachten dat alles uit haar was voortgekomen, kenden zij hem een alles omvattende kennis toe en hielden hem voor bijzonder wijs.

Van d’ Aesir de schoonste

Zag hij vooruit

Als d’ and’re Vanir.

Saemunds Edda.

Heimdall werd verder onderscheiden door zijn gouden tanden, die lichtten als hij sprak, en hem den bijnaam Gullintani (goudtandige) bezorgden. Hij was ook de fiere bezitter van een vlug, goudmanig paard dat Gull-top heette, en dat hem heen en weer droeg over de beweeglijke regenboogbrug. Deze ging hij vele malen per dag over, maar vooral in den vroegen morgen, en op dit uur droeg hij, als heraut van den dag, den naam Heimdellinger.

Vroeg reeds op Bifröst

Reed Ulfruns zoon,

De horenblazer

Van Himinbiörg.

Saemunds Edda.

Loki en Freya.

Zijn buitengewoon scherp gehoor was oorzaak dat Heimdall op zekeren nacht door het geluid van zachte stappen—als van een kat—werd opgeschrikt; dit geluid kwam van den kant van Freya’s paleis, Folkvang. Heimdall wierp zijn arendsblik door het duister en bespeurde dat het geluid werd veroorzaakt door Loki, die, heimelijk als een vlieg het paleis binnengekomen, naar Freya’s bed was gegaan en haar blinkend gouden halsketen Brisinga-men, het zinnebeeld van de vruchtbaarheid der aarde, wilde stelen.

Heimdall zag dat de godin in haar slaap zóó lag dat niemand met mogelijkheid de keten kon losmaken zonder haar te wekken. Loki stond eenige oogenblikken aarzelend naast het bed, en begon toen vlug de runen te mompelen waardoor de goden naar willekeur hun gedaante konden veranderen. Toen hij dit deed, zag Heimdall hem kleiner worden, totdat hij de afmeting en gedaante had gekregen van een vloo, en toen kroop hij onder de dekens en beet Freya in de zij, zoodat zij anders ging liggen zonder dat zij wakker was geworden.

De gesp was nu zichtbaar en Loki maakte ze behoedzaam los en maakte zich van den begeerden schat meester, terwijl hij er dadelijk mee wegsloop. Heimdall schoot onmiddellijk naar voren om den nachtelijken dief te vervolgen, haalde hem spoedig in, trok zijn zwaard uit zijn scheede, om hem het hoofd af te slaan, toen de god zich in een flikkerende blauwe vlam veranderde. Snel als de gedachte nam Heimdall de gedaante aan van een wolk en zond een stroom regen neer om het vuur te blusschen; maar Loki veranderde even snel zijn gestalte in die van een grooten ijsbeer en opende zijn grooten muil om het water te verzwelgen. Heimdall, in het geheel niet bang, nam toen eveneens de gedaante aan van een beer en deed een moedigen aanval, maar toen het gevecht voor Loki noodlottig dreigde te eindigen, veranderde deze zich in een zeehond, en Heimdall desgelijks, waarop een laatste worsteling plaats greep, die hiermede eindigde, dat Loki den ketting moest teruggeven, die behoorlijk aan Freya weerom kwam.

Heimdall

Heimdall

Dorothy Hardy.

In deze mythe is Loki een zinnebeeld van de droogte, of van de verderfelijke invloeden van de te verschroeiende zonnehitte, die de aarde (Freya) komt berooven van haar schoonsten sier (Brisinga-men). Heimdall is een verpersoonlijking van den weldadigen regen en dauw, die, na een poos worstelen met zijn vijand, de droogte, hem de baas wordt en hem dwingt zijn buit af te staan.

Heimdall’s namen.

Heimdall heeft verschillende andere namen, onder welke wij vinden die van Hallinskide en Irmin, want soms vervangt hij Odin en wordt vereenzelvigd met dien god, evenals met andere zwaardgoden, Er, Heru, Cheru en Tyr, die allen beroemd zijn door hun schitterende wapenen. Hij echter is het meest bekend als de wachter van den regenboog en de god des hemels en van de vruchtbare regens en den dauw die verfrissching aan de aarde brengen.

Heimdall deelde ook met Bragi de eer van de helden in het Valhalla welkom te heeten, en, onder den naam van Riger, gold hij als de goddelijke voorvader van de verschillende groepen, die het menschelijke geslacht uitmaken, zooals blijkt in het volgende verhaal.

De geschiedenis van Riger.

“Heilige kind’ren,

Groot en klein,

Zonen van Heimdall”.

Saemunds Edda.

Heimdall verliet op zekeren dag zijn plaats in Asgard om op aarde te dalen zooals de goden gewoon waren. Hij was niet ver gegaan, toen hij aan een armelijke hut op het zeestrand kwam, waar hij aantrof Ai (overgrootvader) en Edda (overgrootmoeder), een arm maar waardig paar, dat hem gastvrij uitnoodigde om hun eenvoudig maal varkensvleesch te deelen. Heimdall, die zich Riger noemde, nam verheugd deze invitatie aan en bleef bij het paar drie dagen, terwijl hij hen veel leerde. Na verloop van dien tijd hervatte hij zijn reis. Kort na zijn bezoek, baarde Edda een donkeren, dikken jongen, dien zij Thrall noemde.

Thrall toonde weldra buitengewone physieke kracht en een grooten aanleg voor allen zwaren arbeid; en toen hij groot geworden was, nam hij tot vrouw Thyr, een zwaar gebouwd meisje met door de zon gebruinde handen en platte voeten, die, evenals haar man, vroeg en laat werkte. Vele kinderen werden dit paar geboren, en van hen stamden alle slaven van de noordelijke landen af.

Zij hadden kind’ren

En leefden gelukkig;

Z’ omheinden landen,

Bemestten ’t ploegveld,

Hoedden varkens,

Weidden geiten,

Groeven veen.

Rigsmál.

Na de arme hut op de kale zeekust te hebben verlaten was Riger het land ingegaan, waar hij spoedig aan bebouwde velden kwam en een aanzienlijke boerderij. Deze vriendelijke woning binnentredend vond hij Afi (grootvader) en Amma (grootmoeder) die hem gastvrij uitnoodigden te gaan zitten en mede te eten van het eenvoudige maar overvloedige maal dat zij zouden gebruiken.

Jarl

Jarl

Albert Edelfelt.

Riger nam de uitnoodiging aan en hij bleef drie dagen bij zijn gastheer en gastvrouw, terwijl hij hun intusschen allerlei nuttige kennis mededeelde. Na zijn vertrek uit hun huis baarde Amma een blauwoogigen forschen knaap, dien zij Karl noemde. Toen hij groot werd spreidde hij enorme kennis van landbouwzaken ten toon, en te zijner tijd trouwde hij een vlugge en huishoudelijke vrouw, Snor geheeten, die hem vele kinderen baarde, van wie het ras der landbouwers afkomstig is.

Hij groeid’ op,

Gedijde flink;

Hij temde ossen,

Maakte ploegen;

Bouwde huizen,

Maakte schuren,

Maakte wagens

En dreef den ploeg.

Rigsmál.

Nadat hij dit huis van het tweede paar had verlaten, vervolgde Riger zijn reis, totdat hij kwam aan een heuvel, waarop een statig kasteel was gebouwd. Hier werd hij ontvangen door Fadir (vader) en Modir (moeder), die, wel gevoed en weelderig gekleed, hem hartelijk welkom heetten, en hem voorzetten lekkere spijzen en heerlijke wijnen.

Riger bleef drie dagen bij dit paar en keerde vervolgens naar Himinbiorg terug om zijn taak als wachter van de Asa-brug te hervatten; en spoedig daarop baarde de vrouw van het kasteel een schoonen, slank gebouwden knaap, dien zij Jarl noemde. Dit kind toonde vroeg groote liefde voor de jacht en allerlei krijgsmansoefeningen, leerde de runen verstaan en liefde om groote daden van dapperheid te verrichten, die zijn naam beroemd maakten en glorie gaven aan zijn geslacht. Man geworden huwde Jarl Erna, een aristokratisch en slank gebouwd meisje, dat zijn huishouden met verstand waarnam en hem vele kinderen baarde, allen bestemd om te regeeren; de jongste van dezen, Konur, werd de eerste koning van Denemarken. Deze mythe geeft goed aan het sterk klassegevoel onder de noordelijke volken.

Op groeiden

Jarl’s zonen;

Zij temden paarden,

Bogen schilden

Gladden pijlen,

Drilden speren,

Maar Kon, de jongste,

Wist de runen

Eeuw’ge runen

En levensrunen.

Rigsmál.

Hoofdstuk XIV: Hermod.

De vlugge god.

Een andere zoon van Odin was Hermod, zijn speciale dienaar, een schitterende en schoone jonge god, die begaafd was met groote snelheid van beweging en daarom als de snelle of vlugge god werd aangeduid.

Maar een was er, van alle goden d’ eerste,

In snelheid, Hermod werd zijn naam genoemd,

Het vlugst was hij.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Wegens deze belangrijke eigenschap deed Hermod doorgaans bij de goden als bode dienst, en op een enkel teeken van Odin was hij altijd bereid om zich naar welk deel der schepping ook heen te spoeden. Als een bijzonder bewijs van gunst gaf Alvader hem een prachtig pantser en een helm, die hij dikwijls aandeed als hij ging deelnemen aan het gevecht, en soms vertrouwde Odin aan zijn zorg toe de kostbare speer Gungnir, en gebood hem die over de hoofden der strijdenden te werpen, die op het punt waren den slag te wagen, opdat hun moed tot moordende woede zou worden aangezet.

Laat ons Odin bidden

In ons te varen;

Hij geeft en gunt

Den goeden goud;

Hij gaf aan Hermod

Een helm en pantser.

Saemunds Edda.

Hermod had behagen in het gevecht en heette dikwijls “de moedige in den slag”, en werd vereenzelvigd met den god van het Al, Irmin. Men zegt dat hij soms de Valkyren vergezelde op hun rit naar de aarde, en vaak de krijgers naar het Valhalla begeleidde, waarom hij beschouwd werd als de gids der heldhaftige dooden.

Tot hem sprak Hermoden, sprak Brage:

“Wij groeten u uit naam van allen,

Bij de goden bekend om uw moed zijt gij,

En zij nooden u uit in hun hallen.

Owen Meredith.

Hermod’s kenmerkend attribuut was, behalve zijn pantser en helm, een stok of staf, die Gambantein heette, het teeken van zijn waardigheid, dat hij overal mededroeg.

Hermod en de Waarzegger.

Eens door onbepaalde angsten voor de toekomst gedrukt en van de Nornen geen voldoende antwoorden op zijn vragen kunnende verkrijgen, beval Odin Hermod zijn wapenrusting aan te doen en Sleipnir te zadelen, dien hij, behalve Odin, alleen berijden mocht, en zich te spoeden naar het land van de Finnen. Dit volk, dat in de bevroren poolstreken woonde, had—zoo meende men—behalve dat het de koude stormen kon verwekken, die van het noorden aanwoeien en veel ijs en sneeuw in hun gevolg meebrachten, groote geheimzinnige vermogens.

De beroemdste van deze Finsche toovenaars was Rossthiof (de paardendief) die gewoon was reizigers in zijn gebied te halen door middel van magische kunsten, om hen te berooven en te vermoorden, en hij vermocht de toekomst te voorspellen, ofschoon hij steeds onwillig was het te doen.

Hermod, “de snelle” reed vlug noordwaarts, met de opdracht dezen Fin te zoeken, en in plaats van zijn eigen stok droeg hij Odins runenstaf, dien Alvader hem had gegeven om alle belemmeringen, die Rossthiof tegen hem zou mogen in het werk stellen, uit den weg te ruimen. In weerwil van de schimachtige monsters en de onzichtbare hinderlagen en valstrikken, kon Hermod de woning van den toovenaar veilig bereiken, en toen de reus hem aanviel, kon hij hem met gemak overwinnen en bond hij hem aan handen en voeten, zeggende dat hij hem niet vrij zou laten eer hij beloofde alles te openbaren wat hij wilde weten.

Toen Rossthiof zag dat er geen kans op ontvluchten was, beloofde hij te zullen doen als zijn overwinnaar wenschte, en, in vrijheid gesteld, begon hij dadelijk bezweringen te mompelen. Zoodra deze gehoord werden, verborg zich de zon achter de wolken, de aarde schudde en beefde, en de stormwinden huilden, als een troep hongerige wolven.

Naar den horizon wijzende zei de toovenaar dat Hermod moest zien, en de snelle god zag in de verte een grooten stroom bloed die den grond rood maakte. Terwijl hij keek naar dien wonderbaren stroom verscheen plotseling een oude vrouw en een oogenblik later stond een klein kind naast haar. Tot verbazing van den god groeide dit kind zóó wonderbaarlijk snel dat hij weldra volwassen was, en Hermod bespeurde dat hij stoutmoedig een boog met pijlen zwaaide.

Rossthiof begon nu de voorteekenen te verklaren, die zijn kunst bezworen had, en hij legde uit dat de stroom bloed den moord van een der zonen van Odin aanduidde, maar dat als de vader der goden zou vrijen en veroveren Rinda, in het land der Ruthenen (Russen), zij hem een zoon zou baren die volwassen zou zijn in een paar uur en zijn broeders dood wreken zou.

Rind zal baren een zoon,

In de west’lijke hallen;

Hij zal Odins zoon verslaan,

Één nacht oud.

Saemunds Edda.

Hermod luisterde aandachtig naar de woorden van Rossthiof en bij zijn terugkeer naar Asgard vertelde hij alles wat hij gezien en gehoord had aan Odin, wiens vreezen bevestigd werden, en die dus met zekerheid wist dat hij een zoon door een gewelddadigen dood verliezen zou. Hij troostte zich echter met de gedachte dat een ander van zijn afstammelingen de misdaad zou wreken en hij dus de genoegdoening zou krijgen die een echte Noorman altijd verlangde.

Hoofdstuk XV: Vidar.

De zwijgende god.

Men verhaalt dat Odin eens verliefd was op de schoone reuzin Grid, die woonde in een spelonk in de woestijn en dat, toen hij haar vrijde, hij van haar gedaan kreeg dat zij zijn vrouw werd. Uit deze verbintenis tusschen Odin (geest) en Grid (stof) kwam Vidar voort, een zoon die even sterk als stil was, en dien de ouden beschouwden als een verpersoonlijking van het oorspronkelijke woord of van de onsterflijke natuurkrachten.

Evenals de goden, door Heimdall, nauw verbonden waren met de zee, waren zij ook na verwant aan de bosschen en de natuur in het algemeen door Vidar, die de “zwijgende” genoemd werd en die bestemd was hun ondergang te overleven en te heerschen over een herboren aarde. Deze god woonde in Landvidi (het wijde land), een paleis versierd met groene takken en versche bloemen, gelegen in het midden van een ondoordringbaar oerwoud, waar de diepste stilte heerschte en de eenzaamheid, door hem bemind.

Overgroeid met struiken

En met hoog gras

In Vidar’s wijd land.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De oude Skandinavische opvatting van den zwijgenden Vidar is inderdaad zeer grootsch en dichterlijk en werd ingegeven door het woeste Noorsche landschap. “Wie heeft ooit gezworven door zulke wouden, vele mijlen ver, in een onbegrensde verte, zonder pad, zonder doel, tusschen hun geweldige schaduwen, hun gewijde duisternis, zonder vervuld te zijn met diepen eerbied voor de verheven grootheid der Natuur, die alle menschenwerk te boven gaat, zonder te voelen de verhevenheid der idee die den grondslag vormt van Vidar’s wezen?”

Vidar’s schoen.

Vidar wordt afgebeeld als slank, welgebouwd en schoon, gekleed in wapenrusting, omgord met een zwaard dat een breed lemmet heeft, en geschoeid met een grooten ijzeren of lederen schoen. Volgens sommige mythologen had hij deze eigenaardige voetbedekking te danken aan zijn moeder Grid, die, wetende dat hij op den jongsten dag zou moeten vechten tegen het vuur, haar als een bescherming bedoelde tegen het vurig element, zooals haar ijzeren handschoen Thor had beschut in zijn strijd tegen Geirrod. Maar andere bronnen zeggen dat zijn schoen was gemaakt van de lederreepen, die Noorsche schoenlappers hadden weggegeven of weggegooid. Daar het voornaamste was, dat de schoen groot en sterk genoeg moest zijn om de scherpe tanden van Fenrils wolf op den jongsten dag weerstand te bieden, was het een punt van religieuse verplichting onder Noorsche schoenmakers zooveel stukken en snippers leer als mogelijk was weg te geven.

De profetie van de Nornen.

Toen Vidar zijn makkers in het Valhalla ontmoette, heetten zij hem vroolijk welkom, want zij wisten dat zijn groote kracht hun van goeden dienst zou zijn in tijd van nood. Nadat zij hem vriendschappelijk hadden onthaald op de gouden meede, beval Alvader hem te volgen naar de Urdarfontein, waar de Nornen altijd bezig waren met het weven van hun web. Door Odin ondervraagd aangaande zijn toekomst en Vidars lot, antwoordden de drie zusters in orakeltaal en uitten elk een zin:

Vroeg begonnen.

Verder gesponnen.

Gedaan wat verzonnen.

Hier voegde haar moeder, Wyrd, de oorspronkelijke godin van het noodlot bij: Met vreugd nog eens gewonnen. Deze geheimzinnige antwoorden zouden volstrekt onbegrijpelijk zijn gebleven, had de godin niet verklaard dat de tijd verder gaat, dat alles moet veranderen, dat als zijn vader zou vallen in den laatsten slag, zijn zoon Vidar zijn wreker zou zijn en zou leven om over een herboren wereld te heerschen, nadat hij al zijn vijanden overwonnen had.

Daar zit Odins

Zoon op het paard;

Zal wreken zijn vader.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Terwijl Wyrd sprak, sidderden de bladeren van den wereldboom alsof zij door een koelte bewogen werden, de arend op zijn hoogsten tak klapte met zijn vleugels, en de slang Nidhug staakte een oogenblik zijn vernielingswerk aan de wortelen van den Boom. Grid, bij vader en zoon komend, verheugde zich met Odin toen zij hoorde dat hun zoon bestemd was de oudere goden te overleven en over den nieuwen hemel en de nieuwe aarde te heerschen.

Daar wonen Vidar en Vale

In de heilige verblijven,

Als het vuur van Surt is gebluscht.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Vidar sprak echter geen woord, maar keerde langzaam terug naar zijn paleis Landvidi, in het hart van het oorspronkelijke woud en, daar, op zijn troon zittend dacht hij lang na over eeuwigheid, toekomst en oneindigheid. Als hij hare geheimen peilde, maakte hij ze nooit openbaar, want de ouden verzekerden dat hij “zwijgend als het graf” was—een zwijgen, dat aanduidde dat niemand weet wat hem in het toekomstige leven te wachten staat.

Vidar was niet alleen een verpersoonlijking van de onvergankelijkheid der natuur, maar hij was ook een zinnebeeld van de opstanding en de vernieuwing, aanduidend de eeuwige waarheid dat nieuwe loten en bloesems zullen ontluiken om te vervangen die welke afgevallen zijn.

De schoen dien hij droeg zou zijn verdediging zijn tegen den wolf Fenris, die, Odin verslagen hebbende, zijn woede tegen hem zou keeren en zijn vreeslijke kaken zou openen om hem te verslinden. Maar de oude Noormannen zeiden dat Vidar den dus bekleeden voet zou uitstrekken tegen de benedenkaak van het monster, en, de bovenkaak vastgrijpend, met hem worstelen zou totdat hij hem in tweeën had gescheurd.

Daar slechts één schoen vermeld wordt in de Vidar-mythen, vooronderstellen sommige mythologen dat hij maar één been had, en de verpersoonlijking was van een waterstraal, die plotseling op den jongsten dag zou opstijgen, om het woeste vuur uit te blusschen, dat in den verschrikkelijken wolf Fenris verpersoonlijkt was.

Hoofdstuk XVI: Vali.

Het vrijen van Rinda.

Billing, de koning van de Ruthenen, was zeer teleurgesteld toen hij hoorde dat een groote macht zijn rijk zou binnenvallen, want hij was te oud om als vroeger te vechten, en zijn eenig kind, een dochter die Rinda heette, weigerde, ofschoon zij op huwbaren leeftijd was, een echtgenoot te kiezen uit hare vele vrijers, en dan haren vader de hulp te geven, die hij zoo smartelijk miste.

Terwijl Billing mistroostig nadacht in zijn hal, trad plotseling een vreemdeling zijn paleis binnen. De koning keek op, en zag een man van middelbaren leeftijd, gewikkeld in een wijden mantel, met een breedgeranden hoed over zijn voorhoofd getrokken om te verbergen dat hij slechts één oog had. De vreemdeling vroeg beleefd naar de oorzaak van zijn klaarblijkelijke neerslachtigheid, en daar er iets in zijn houding was dat vertrouwen inboezemde, vertelde de koning hem alles, en op het eind van het verhaal bood hij aan het leger der Ruthenen tegen hun vijand aan te voeren.

Toen zijn diensten met blijdschap waren aanvaard, duurde het niet lang of Odin—want hij was het—behaalde een merkwaardige overwinning, en, in triomf terugkeerend, vroeg hij toestemming om ’s konings dochter Rinda te vrijen. Ofschoon de pretendent op jaren was, hoopte Billing dat zijn dochter een gunstig oor zou leenen aan een vrijer die zich zeer bleek te onderscheiden en hij gaf onmiddellijk toestemming. Zoo vertoonde Odin, nog onbekend, zich aan de prinses, maar zij wees boos zijn voorstel af en sloeg hem ruw om de ooren toen hij haar poogde te kussen.

Genoopt zich terug te trekken, gaf Odin niettemin het plan niet op Rinda tot zijn vrouw te maken, want hij wist, dank zij Rossthiofs profetie, dat geen andere dan zij den aangewezen wreker van zijn vermoorden zoon kon ter wereld brengen. Zijn volgende poging was dus de gedaante van een smid aan te nemen, en in die vermomming kwam hij terug in Billings hal, en terwijl hij kostelijke versierselen maakte van zilver en goud, vermenigvuldigde hij zóó kunstig deze schoone bijouteriën, dat de koning gaarne zijn toestemming gaf, toen hij vroeg of hij zich tot de prinses mocht wenden. De smid, Rosterus, zooals hij zich aandiende, werd echter met even weinig plichtplegingen door Rinda afgescheept als zij dit den gelukkigen veldheer had gedaan; maar ofschoon zijn oor opnieuw suisde van haar harden klap, was hij meer besloten dan ooit haar tot zijn vrouw te maken.

Den volgenden keer toen Odin zich vertoonde voor de grillige dame, was hij vermomd als een fier oorlogsheld, want, dacht hij, een jong soldaat zou misschien het hart van het meisje treffen, maar toen hij haar weer poogde te kussen, stootte zij hem zóó plotseling terug, dat hij struikelde en op één knie viel.

Menig schoone maagd

Is voor mannen onverschillig

Als men haar kent;

Dat ondervond ik

Toen ik beproefde,

Dat stille meisje

Voor mij te winnen;

Allerlei smaad

Hoopte toen op mij

Dat luimige kind;

Niets van die schoone kreeg ik gedaan.

Saemunds Edda.

Deze derde beleediging maakte Odin zóó woedend, dat hij zijn magischen runestaf uit zijn borst trok, hem op Rinda richtte en een zóó vreeselijke bezwering uitsprak, dat zij in de armen harer dienstbaren viel, stijf en schijnbaar levenloos.

Toen de prinses weer tot zich zelf kwam, was haar vrijer verdwenen, maar de koning ontdekte tot zijn groot verdriet dat zij geheel haar verstand verloren had en zwaarmoedig krankzinnig was. Te vergeefs werden alle dokters geroepen en beproefden zij hun middelen; het meisje bleef stil en bedroefd, en haar ongeruste vader had bijna alle hoop opgegeven, toen een oude vrouw, die zich als Vecha, of Vak, aandiende, verscheen, en aanbood de prinses te genezen. De oude vrouw, die Odin was in vermomming, schreef der patiënte eerst een voetbad voor; maar, toen dit geen kennelijke uitwerking scheen te hebben, stelde zij voor met een krachtiger behandeling de proef te nemen. Tot dit doel, zei Vecha, moest de patiënte aan haar uitsluitende zorg worden toevertrouwd en stevig worden vastgebonden zoodat zij niet den minsten weerstand kon bieden. Billing, die zijn kind wilde redden, vond alles goed; en toen hij dus volledige macht over Rinda had gekregen, dwong Odin haar hem te huwen, terwijl hij haar slechts uit hare banden en hare betoovering los liet, toen zij eerlijk beloofd had zijn vrouw te worden.

De geboorte van Vali.

De voorspelling van Rossthiof was nu vervuld, want Rinda baarde een zoon, Vali (Ali, Bous of Beav) geheeten, een personifiëering van het lengen der dagen, die zóó snel opgroeide, dat hij in den loop van één enkelen dag zijn volle lengte kreeg. Zonder zelfs den tijd te nemen om zijn gezicht te wasschen of zijn haar te kammen, haastte zich deze jonge god naar Asgard, boog en pijl in de hand, om Balders dood op zijn moordenaar Hodur, den blinden god der duisternis, te wreken.

Zie, Vali komt, straft Hodur blind,

Hij zoon van ’t west en Rinda’s kind,

En Odins, in één dag volboren,

Hij gunt zich rust niet naar behooren,

Noch toeft te wasschen zich de handen

Zich ’t haar te kammen, ijlt door landen

Totdat z’n roeping is vervuld

En Hodur heeft geboet zijn schuld.

Valhalla (J. C. Jones).

In deze mythe weerstaat Rinda, een verpersoonlijking van de bevroren aardkorst, de warme liefde van de zon, Odin, die te vergeefs aanduidt dat de lente de tijd is voor oorlogsondernemingen, en die de sieraden van den gouden zomer aanbiedt. Zij geeft slechts toe, als, na een bui (het voetbad) de dooi begint. Overwonnen dan door de onweerstaanbare macht van de zon, geeft de aarde zich neer onder zijn omhelzing, wordt bevrijd van de betoovering (het ijs) die haar hard en koud maakte, en brengt voort Vali, den voeder, of Bous, den boer, die uit zijn donkere hut te voorschijn komt als de liefelijke dagen zijn gekomen. Het vermoorden van Hodur door Vali beteekent dus het “voor den dag komen van nieuw licht na de duisternis van den winter.”

Vali, die als een der twaalf goden voorkomt welke de zetels in de groote hal van Gladsheim innemen, deelde met zijn vader het huis dat Valaskialf heette, en was, reeds vóór zijn geboorte, voorbestemd om het laatste gevecht en de godenschemering te overleven, en met Vidar te regeeren over de herboren aarde.

Dienst van Vali.

Vali is de god van het eeuwige licht, zooals Vidar van de onvergankelijke stof; en daar de lichtstralen dikwijls pijlen heetten, wordt hij altijd als boogschutter voorgesteld en vereerd. Daarom wordt zijn maand in den Noorschen kalender aangeduid door het teeken van den boog, en heet Lios-beri, de lichtbrengende. Daar zij valt tusschen het midden van Januari en Februari, wijdden de eerste Christenen deze maand aan St. Valentijn, die ook een ervaren boogschutter was, en die, evenals Vali, de heraut van lichter dagen heette, en de wekker van teedere gevoelens en de beschermheer van alle minnaars.