Hoofdstuk XVII: De Nornen.

De drie schikgodinnen.

De Noorsche godinnen van het noodlot, die Nornen heetten, waren in geen enkel opzicht afhankelijk van de andere goden, die noch naar hare besluiten mochten vragen, noch er invloed op oefenen. Zij waren drie zusters, waarschijnlijk afstammelingen van den reus Norvi, van wien Nott (nacht) afkomstig was. Zoodra de Gouden Eeuw voorbij was en de zonde zelfs de hemelsche woningen van Asgard binnensloop, verschenen de Nornen onder den grooten esch Yggdrasil en vestigden zich bij de Urdar-fontein. Volgens sommige bronnen moesten zij de goden waarschuwen voor toekomstig kwaad, hen op het hart binden goed gebruik te maken van het heden, en hen gezonde lessen leeren trekken uit het verleden.

De Nornen

De Nornen

C. Ehrenberg.

Deze drie zusters die Urd, Verdandi en Skuld heetten, stelden het verleden, het heden en de toekomst voor. Haar voornaamste bezigheden waren de webbe van het lot te weven, dagelijks den heiligen boom te besprenkelen met water uit de Urdar-fontein en versche aarde te leggen om zijn wortelen, opdat hij frisch en altijd groen zou blijven.

Vandaar komen de maagden

Die zeer veel weten,

Drie van de hal

Beneden den boom;

Een heette was,

D’ andre zijnde

De derde die zijn zal.

De Völuspâ.

Sommigen beweren verder dat de Nornen wacht hielden over de gouden appelen, die aan de takken van den boom des levens, der ervaring en der kennis hingen, en dat zij slechts Idoen toestonden de vrucht te plukken, de vrucht waardoor de goden konden vernieuwen hun jeugd.

De Nornen verzorgden en voedden ook twee zwanen die over het spiegelgladde oppervlak van de Urdarfontein zwommen en van die paar vogels stammen—meende men—alle zwanen op aarde af. Soms, zoo zegt men, bekleedden zich de Nornen met zwanenveeren om de aarde te bezoeken, of vermaakten zich als meerminnen langs de kusten en in verschillende meren en rivieren, waar zij van tijd tot tijd aan de stervelingen verschenen om hun de toekomst te voorspellen of hun wijzen raad te geven.

Het web der Nornen.

De Nornen weefden soms zóó groote webben dat als een van de wevers stond op een hoogen berg in het verste Oosten, een ander ver in de Westersche zee waadde. De draden van haar weefsel geleken op koorden en verschilden zeer in kleur, in overeenstemming met den aard der gebeurtenissen die zouden geschieden, en een zwarte draad, die van het Noorden ging naar het Zuiden, gold vast als een teeken van dood. Wanneer deze zusters de spoel deden wentelen af en aan, zongen zij een plechtig gezang. Zij schenen niet te weven volgens hare eigen wenschen, maar blindelings alsof zij met tegenzin den wil uitvoerden van Orlog, de eeuwige wet van het al, een oudere en hoogere macht, die blijkbaar begin noch einde had.

Twee van de Nornen, Urd en Verdandi, werden voor heel welwillend gehouden, terwijl, zooals men zeide, de derde steeds haar werk te niet deed en het dikwijls, als het bijna klaar was, toornig in flarden scheurde, terwijl zij de overblijfselen op de winden des hemels uitstrooide. Als verpersoonlijking van den tijd werden de Nornen voorgesteld als zusters van verschillenden leeftijd en karakter, terwijl Urd (Wurd, tooverkracht) heel oud en afgeleefd scheen en voortdurend omkeek alsof zij zich verdiepte in het beschouwen van voorbijgegane gebeurtenissen en volken van het verleden; Verdandi, de tweede zuster, jong, actief en zonder vrees, keek recht voor zich uit, terwijl Skuld, het type van het toekomstige, meestal afgebeeld werd als dichtgesluierd, met het hoofd gekeerd in tegengestelde richting als Urd, en vasthoudend een boek of rol, die nog niet geopend of ontrold was.

Dagelijks kregen deze Nornen bezoek van de goden, die ze gaarne raadpleegden; en zelfs Odin reed dikwijls naar de Urdarfontein om haar hulp in te roepen, want meestal beantwoordden zij zijn vragen, ’t zwijgen bewarend over zijn eigen lot en dat zijner medegoden.

Lang en heel snel reed hij heen,

Onders ’s Levens boom (waar ’t vocht

Van de heil’ge Bron welt) zocht

Urdar, Norne van ’t Verleên;

Maar haar oog, dat rugwaarts zag

Hielp hem niet op dezen dag.

Op Verdandi’s blad viel neer

Schaduw, meldend kommer meer,

Schaduw, die op Asgard hing,

Wierp er op een duistren kring

’t Geheim was niet bij deze vrouw,

Wat ’t schoone Valhall redden zou.

De jongste zuster, van wat komt

Norna, Skuld, bleef gansch verstomd.

Toen hij vroeg om toekomsts zin,

Haar somber oog sloot kommer in.

Valhalla (J. C. Jones).

Andere beschermgeesten.

Behalve de drie voornaamste Nornen, waren er vele andere, veel minder belangrijk, die de beschermgeesten der menschheid schijnen te zijn geweest, aan wie zij dikwijls verschenen, terwijl zij allerlei soorten van geschenken aan hun gunstelingen gaven, en zelden in gebreke bleven tegenwoordig te zijn bij geboorte, bij huwelijk en dood.

Veelvuldig is hun maagschap, wie zal hen noemen allen?

Zij heerschen over de menschen en der sterren rijzen en vallen.

Sigurd de Volsung (William Morris).

De geschiedenis van Nornagesta.

Eens bezochten de drie zusters Denemarken, en traden de woning binnen van een edelman, toen zijn eerste kind ter wereld kwam. Het vertrek binnentredend waar de moeder lag, beloofde de eerste Norne dat het kind flink en braaf zou zijn, en de tweede dat hij gelukkig zou wezen en een groot zanger zou worden—voorspellingen, die de harten der ouders met blijdschap vervulden. Intusschen had zich het nieuws van het gebeurde verspreid, en de buren kwamen in zóó groote menigte het vertrek binnen dat het dringen van de nieuwsgierige schare schuld was dat de derde Norne op ruwe wijze van haar stoel werd gestooten.

Boos over deze beleediging stond Skuld trotsch op en zei dat de giften harer zusters niet zouden baten, daar zij zou bepalen dat het kind niet langer zou leven dan de kaars die bij het bed stond zou branden. Deze onheilspellende woorden vervulden het hart der moeder met schrik, en bevend sloot zij haar kind vaster aan haar borst, want de kaars was bijna afgebrand en het kon niet lang meer duren of zij ging uit. De oudste Norne echter had geen plan haar voorspelling aldus te niet te laten doen; maar daar zij hare zuster niet kon dwingen hare woorden in te trekken, greep zij snel de kaars, deed het licht uit en terwijl zij het rookende eind aan de moeder van het kind gaf, beval zij haar het zorgvuldig te bewaren, en het nooit aan te steken eer haar zoon van het leven genoeg had.

In het huis was het nacht:

De Nornen kwamen

Die zouden beslissen

Over ’s prinsen leven.

Saemunds Edda.

Deze jongen werd Nornagesta genoemd ter eere van de Nornen, en groeide op tot een zoo schoonen, dapperen en begaafden man als een moeder maar kon wenschen. Toen hij oud genoeg was om den ernst van het hem toevertrouwde te verstaan, vertelde hem zijn moeder de geschiedenis van het bezoek der Nornen, en gaf hem het eindje kaars dat hij vele jaren bewaarde, terwijl hij het veiligheidshalve in de kast van zijn harp opborg. Toen zijn ouders dood waren, zwierf Nornagesta van plaats tot plaats, en nam deel aan ieder gevecht en onderscheidde zich in den oorlog, zijn heldenwijzen zingend waar hij ook ging. Daar hij van geestdriftigen en dichterlijken aard was, had hij niet spoedig genoeg van het leven, en terwijl andere helden gerimpeld en oud werden, bleef hij jong van hart en krachtig van gestalte. Hij was dus getuige van de geweldige daden der heldeneeuwen, was de trouwe makker van de oude krijgslieden, en nadat hij driehonderd jaar geleefd had, zag hij dat het geloof in de oude heidensche goden langzamerhand plaats maakte voor de prediking der Christenzendelingen. Eindelijk kwam Nornagesta aan het hof van koning Olaf Tryggvesson, die, overeenkomstig zijn gewoonte, hem schier door geweld bekeerde en hem dwong den doop te ontvangen. Wenschend zijn volk te overtuigen dat de tijd voor het bijgeloof voorbij was, noodzaakte de koning den ouden skalde de kaars voor den dag te halen en aan te steken, die hij meer dan drie eeuwen zorgvuldig had bewaard.

De Dises

De Dises

Dorothy Hardy.

Ofschoon hij pas bekeerd was, sloeg Nornagesta de flikkerende vlam angstig gade, en toen zij ten slotte uitging, zonk hij levenloos op den grond, dus bewijzend, in weerwil van den ontvangen doop, dat hij nog in de voorspelling van de Nornen geloofde.

In de middeleeuwen, en zelfs later, komen de Nornen in vele verhalen en mythen voor, en verschijnen dan als feeën of heksen, zooals, bij voorbeeld, in het verhaal van de “Schoone Slaapster”, en Shakespeare’s treurspel Macbeth.

Eerste heks.

Wanneer ’t volgend samenzijn?

Bij regen, storm of weerlichtsschijn?

Tweede heks.

Als ’t rumoeren is gedaan,

Als men hoort victorie slaan.

Derde heks.

Dat is na zonsondergaan.

Shakespeare’s Macbeth (vert. v. Burgersdijk).

De Vala.

Soms droegen de Nornen den naam Vala, of profetessen, want zij hadden de gave der waarzegging—een gave die bij alle noordelijke volken in hoog aanzien was. Zij dachten dat zij het vrouwelijk geslacht was voorbehouden. De voorspellingen van de Vala werden nooit in twijfel getrokken, en men zegt dat de Romeinsche generaal Drusus zóó verschrikt was door de verschijning van Veleda, een der profetessen, die hem waarschuwde niet de Elbe over te trekken, dat hij inderdaad het sein tot den terugtocht gaf. Zij voorspelden zijn ophanden zijnden dood, die inderdaad kort daarop plaats had door een val van zijn paard.

Deze profetessen, die ook bekend waren als Idises, Dises, of Hagedises, deden dienst in de boschtempels en in de heilige wouden, en vergezelden altijd de legers die een aanval deden. Aan het hoofd of in het midden van de schare rijdend, zetten zij de strijders krachtig tot de overwinning aan, en als de slag voorbij was sneden zij dikwijls den bloedigen arend op de lichamen van de gevangenen. Het bloed werd verzameld in groote tonnen, waarin de Dises hare naakte armen tot de schouders toe dompelden, voordat zij deel namen aan milden daad waarmee de plechtigheid eindigde.

Het is niet te verwonderen dat deze vrouwen zeer gevreesd waren. Offers werden gebracht om ze gunstig te stemmen, en eerst in latere tijden werden zij verlaagd tot den rang van heksen, en verwezen naar de duivelbende op den Brocken, of den Blocksberg, in den Valpurgisnacht.

Behalve de Nornen of Dises, die ook als schutsgodinnen beschouwd werden, schreven de Noormannen aan ieder menschelijk wezen een beschermgeest toe, Fylgie geheeten, die hem zijn geheele leven vergezelde, hetzij in menschelijke, hetzij in dierlijke gestalte, en onzichtbaar was, behalve op het oogenblik van zijn dood voor allen behalve de enkele ingewijden.

De allegorische beteekenis van de Nornen en van hun web des lots is te duidelijk om verklaring te eischen; toch hebben enkele mythologen ze tot geesten van de lucht gemaakt, en zeggen dat haar webbe het wolkenweefsel was, en dat de nevelbanden, die zij knoopten van rots tot boom, van berg tot berg, gewelddadig verscheurd werden door den plotselingen opstekenden wind. Sommige autoriteiten zeggen bovendien dat Skuld, de derde Norne, bij tijd en wijle een Valkyre was, en dan weer de godin van den dood, de schrikwekkende Hel voorstelde.

Hoofdstuk XVIII: De Valkyren.

De slagmaagden.

Odin’s speciale dienaressen, de Valkyren, of slagmaagden, waren òf zijn dochters zooals Brunhild, òf het kroost van sterfelijke koningen, maagden die het voorrecht hadden onsterflijk en onwondbaar te blijven zoolang zij den god trouw gehoorzaamden en maagden bleven. Zij en hunne paarden waren de verpersoonlijking van de wolken, hare schitterende wapenen waren de bliksemschichten. De ouden dachten dat zij naar de aarde streken op Valfaders bevel, om onder de in het gevecht gesneuvelden de helden te kiezen, die waardig waren de vreugde van het Valhalla te genieten, en dapper genoeg om hulp te verleen en aan de goden wanneer de groote slag zou bevochten worden.

Daar door een slagveld, waar de mannen sneuv’len,

Rijden zij voort, haar paarden diep in ’t bloed,

Lezen de dappersten ten doode uit,

Brengen hen thuis des avonds in den hemel,

Tot vreugd der goden en tot Valhall’s feest.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Deze maagden werden voorgesteld als jong en schoon, met verblindend witte armen en golvend gouden haar. Zij droegen helmen van zilver of goud, en bloedroode pantsers, en met blinkende speren en schilden snelden zij moedig door het gevecht op hare vurige witte rossen. Deze paarden galoppeerden door de lucht en over de sidderende Bifröst, dragende niet alleen hun schoone berijdsters, maar ook de verslagen helden, die, nadat zij den doodskus der Valkyren ontvangen hadden, dan onmiddellijk naar het Valhalla werden overgebracht.

De wolkenpaarden.

Daar de rossen van de Valkyren verpersoonlijkingen waren van de wolken, moest men natuurlijk denken dat de ruige vorst en de dauw op aarde neerdruppelden van hun schitterende manen, als zij snel af en aan stormden door de lucht. Zij werden daarom in hooge eere gehouden, want het volk schreef aan haren weldadigen invloed toe veel van de vruchtbaarheid der aarde, lieflijkheid van dal en berghelling, de pracht der pijnboomen, en de vetheid van het weideland.

Het Zwaan-Meisje

Het Zwaan-Meisje

Gertrude Demain Hammond R. I.

Zij kiezen de gevallenen.

De Valkyren werden niet enkel naar de slagvelden op aarde gezonden, maar dikwijls reden zij over de zee en namen de stervende Vikings op van hun zinkende drakenschepen. Soms stonden zij op het strand om hen er heen te wenken, een onbedriegelijke waarschuwing dat de aanstaande strijd hun laatste zou zijn, en een die elke Noorsche held met vreugde ontving.

Zij reden langzaam naar de kust,

En toen men kon zien hun heir,

Scheen elk op een machtig ros in rust

En te dragen een groote veêr,

En te wenken met zachte hand

Van het donker, rotsig strand

En te drillen een blinkende speer.

Toen kwam er vrede in zijnen geest,

Wetend wat dit beduidt,

Want hij kende den stoet der Nornen die leest

De gevallen krijgers uit.

Valkyriur lied (Mrs. Hemans).

Hun getal en hun werk.

Het getal der Valkyren verschilt veel volgens onderscheiden mythologen, loopend van drie tot zestien; de meeste bronnen noemen er echter slechts negen. De Valkyren werden beschouwd als godheden van de lucht; zij werden ook Nornen of wenschmeisjes genoemd. Men zei dat Freya en Skuld haar ten strijde voerden.

Zij zag Valkyren

Komen van ver,

Tot rijden gereed

Naar der goden stam;

Skuld hield het schild

Skaugel kwam toen,

Gunnr, Hildr, Gaundul,

En Geir-skaugul,

Zoo zijn geteld

De oorlogsnornen.

Saemunds Edda.

De Valkyren hadden, zooals wij gezien hebben, belangrijke dingen in Valhalla te doen, als zij hare bloedige wapenen hadden afgedaan en de hemelsche mee voor de Einheriar inschonken. Deze drank vervroolijkte de zielen van de pas gekomenen, en zij heetten de schoone meisjes even hartelijk welkom, als toen zij ze het eerst op het slagveld hadden gezien en hadden begrepen dat zij hen zouden brengen waar zij gaarne zouden wezen.

Nu komen in schaduw zeer rijzige gestalten,

Heur handen als sneeuwvlokken blinken in ’t maanlicht;

Zij wenken, zij fluisteren, “O! met moed omgorden,

U wachten de gasten—mee schuimt in ’t Valhalla.

Finn’s Saga (Hewitt).

Wieland en de Valkyren.

Men meende dat de Valkyren dikwijls naar de aarde vlogen in zwanenveeren, die zij afdeden als zij aan een eenzamen stroom kwamen, om een bad te nemen. Als een sterveling ze dus verraste en hare veeren wegnam, kon hij ze beletten, de aarde te verlaten en deze trotsche maagden zelfs dwingen hem ter wille te zijn, als hij dat begeerde.

Men vertelt dat drie van de Valkyren, Olrun, Alvit en Svanhvit, eens in het water speelden, toen plotseling de drie broeders Egel, Slagfinn en Völund of Wieland de smid bij ze kwamen, en hare zwanenveeren wegnemend, dwongen de jonge mannen ze op aarde te blijven en hun vrouwen te worden. De Valkyren, zoo vastgehouden, bleven bij hare mannen negen jaren, maar op het eind van dien tijd deden zij hare veêren weer aan of werd op andere wijs de betoovering verbroken, en gelukte het haar te ontvluchten.

Daar zij toefden

Zeven winters lang;

Maar in den achtsten

Greep heimwee allen;

En in den negenden

Scheidde ze ’t lot;

De meisjes smachtten

Naar ’t donker woud.

Völundlied.

De broeders voelden het verlies hunner vrouwen buitengewoon, en twee hunner, Egil en Slagfin, deden hun sneeuwschoenen aan en gingen hunne geliefden zoeken, terwijl zij in de koude en mistige streken van het Noorden verdwenen. De derde broeder Völund echter bleef thuis, wetend dat alle zoeken niets baten zou, en hij vond troost in de beschouwing van een ring, dien Alvit hem als liefdeteeken had geschonken, en hij voelde de vaste hoop dat zij zou terugkeeren. Daar hij een knap smid was en de mooiste versierselen van goud en zilver kon maken, even goed als tooverwapenen die geen slag kon breken, gebruikte hij nu zijn vrijen tijd om zeven honderd ringen te vervaardigen, die alle precies gelijk waren aan den eenen, dien zijn vrouw hem had gegeven. Toen deze klaar waren, bond hij ze samen; maar toen hij ’s nachts van de jacht thuis kwam, merkte hij dat iemand een ring had weggenomen, en zijn verwachtingen werden opnieuw aangewakkerd, want hij hield zich zelf voor, dat zijn vrouw er geweest was en spoedig voor goed zou terugkeeren.

De rit der Valkyren

De rit der Valkyren

J. C. Dollman.

Dienzelfden nacht echter werd hij verrast in zijn slaap en gekneveld en gevangen genomen door koning Nidud van Zweden die zijn zwaard in bezit nam, een prachtig wapen, met tooverkracht bedeeld, dat hij voor zijn eigen gebruik behield, en den liefdering, uit zuiver Rijngoud gemaakt, dien hij later gaf aan zijn eenige dochter Bodvild. Wat den ongelukkigen Völund zelf betrof, hij werd als gevangene weggevoerd naar een naburig eiland, waar, na lam gemaakt te zijn, opdat hij niet zou ontsnappen, de koning hem voortdurend aan het werk hield om wapenen en versierselen tot zijn gebruik te smeden. Hij liet hem ook een ingewikkeld labyrinth bouwen, en tot dezen dag is een doolhof op IJsland bekend als “Völund’s huis”.

Völund’s woede en wanhoop namen toe bij elke nieuwe beleediging, hem door Nidud aangedaan, en dag en nacht peinsde hij, hoe hij zich zou kunnen wreken. Ook vergat hij niet te zinnen op zijn ontsnapping, en als hij niet werkte, maakte hij een paar vleugels die geleken op die welke zijn vrouw als Valkyre gebruikt had, en deze wilde hij aandoen zoodra hij aan zijn wraak toe was. Op zekeren dag kwam de koning zijn gevangene bezoeken en bracht hem het gestolen zwaard om het te maken; maar Völund stelde er handig een ander wapen voor in de plaats dat zóó volkomen op het tooverzwaard geleek, dat het den koning misleiden moest als hij het kwam terug vragen. Eenige dagen later lokte Völund ’s konings zonen in zijn smidse en doodde ze, waarop hij knaphandig drinkschalen uit hun schedels vervaardigde en juweelen uit hun oogen en tanden, die hij bestemde voor hun ouders en zuster.

Maar hun schedels

Onder het haar

Zette hij in zilver,

Gaf ze aan Nidud;

En uit hun oogen

Vormde hij edelsteenen,

Die aan Nidud’s

Sluwe vrouw hij zond

Maar van de tanden

Maakte hij borsttooi,

Zond dien aan Bödvild.

Lied van Völund.

De koninklijke familie vermoedde niet, van waar zij kwamen; en zoo werden deze geschenken met vreugde aanvaard. Wat de arme jonge mannen betrof, men meende dat zij naar zee waren gedreven en verdronken waren.

Brunhild en Sigmund

Brunhild en Sigmund

J. Wagrez.

Kort daarop bezocht ook Bodvild, die haar ring hersteld wilde hebben, de hut van den smid, waar, toen zij er wachtte, zij onvoorziens een tooverdrank te drinken kreeg, die haar deed inslapen en in Völund’s macht gaf. Toen zijn laatste daad van wraak vervuld was, deed Völund onmiddellijk de vleugels aan die hij voor dezen dag in gereedheid had gebracht, en zijn zwaard en ring nemend steeg hij langzaam in de lucht. Hij vloog naar het paleis, hield zich buiten bereik en vertelde zijn misdaden aan Nidud. De koning, buiten zich zelven van woede, riep Egil, Völund’s broeder, die ook in zijn macht was gekomen, en beval hem zijn wonderlijke behendigheid als boogschutter te gebruiken om den onbeschaamden vogel neer te leggen. Gehoorzamend aan een wensch van Völund, mikte Egil op een knobbel onder zijn vleugel waar een blaas vol met het bloed der prinsen verborgen was, en de smid vloog triomfantelijk weg zonder letsel, zeggend dat Odin zijn zwaard zou geven aan Sigmund—een voorspelling die volkomen uitkwam.

Völund ging toen naar Alf-heim, waar, als men de legende mag gelooven, hij zijn geliefde vrouw vond, en weer gelukkig met haar leefde tot de godenschemering.

Maar zelfs in Alf-heim ging deze knappe smid voort met zijn handigheid te toonen, en tal van ondoordringbare rustingen, die hij zou hebben gemaakt, worden in latere heldendichten beschreven. Behalve Balmung en Joyeuse, de beroemde zwaarden van Sigmund en van Karel den Groote, zegt men dat hij Miming vervaardigd heeft voor zijn zoon Hermie, en vele andere merkwaardige wapenen.

Het is gelijk aan Miming

Aller zwaarden vorst,

En Wieland wrocht het,

Bitterfer zijn naam.

Angelsaksische Poëzie.

Er zijn tallooze andere verhalen van zwaanmeisjes of Valkyren die met stervelingen zouden hebben verkeerd; maar het meest populaire is dat van Brunhild, de vrouw van Siguro, een afstammeling van Sigmund en den meest beroemden van de Noorsche helden.

William Morris, in “het Land ten Oosten der Zon en ten Westen der Maan,” geeft een prachtige bewerking van een andere dezer Noorsche legenden. De geschiedenis behoort tot de schoonste der verzameling in “Het Aardsche Paradijs”.

Brunhild.

De geschiedenis van Brunhild vindt men in velerlei vorm. Sommige bewerkingen beschrijven de heldin als de dochter van een koning die Odin aannam om in zijn Valkyrenschaar te dienen, anderen als opperste der Valkyren en zijn eigen dochter. In Richard Wagners verhaal “De Ring van den Nibelung” geeft de groote toonkunstenaar een bijzonder aantrekkelijke, zij het ook een meer moderne conceptie van de opperste Strijd-maagd, en haar gehoorzaam zijn aan het gebod van Odin toen zij den jeugdigen Siegmund moest roepen van de zijde zijner geliefde Sieglinde naar de hallen der Gezaligden.

Hoofdstuk XIX: Hel.

Loki’s kroost.

Hel, de godin van den dood, was de dochter van Loki, den god van het kwaad, en van de reuzin Angur-boda, de voorzegster van ellende. Zij kwam ter wereld in een donkere hal in Jötun-heim tegelijk met de slang Iörmungandr en den vreeselijken Fenriswolf, en deze drie werden beschouwd als de voorstellingen van smart, zonde en dood,

Loki verschijnt, bron van al leed

Hem vloekt die mensch of Aesir heet,

De goden zullen rouwen lang,

Om, zelfs nog na der tijden gang,

Zijn laag bedrog op Asgardsburg.

En diep in Jötun-heim, zoo fel,

Zijn Fenrir, Slang en gruw’bre Hel,

Zijn kindren drie, Pijn, Zond’ en Dood,

Hij heeft ze lief en bracht ze groot,

Door hen brengt hij der wereld nood.

Valhalla (J. C. Jones).

Te zijner tijd bespeurde Odin het vreeslijke gebroed dat Loki koesterde, en hij besloot, zooals wij reeds gezien hebben, ze van het gelaat der aarde te verbannen. De slang werd daarom in zee geworpen, waar, zoo dacht men, haar gekronkel de verschrikkelijkste stormen veroorzaakte; de wolf Fenris werd in ketenen geslagen, dank den onverschrokken Tyr; en Hel of Hela, de godin van den dood, werd in de diepten van Niflheim gestort, waar Odin haar macht gaf over negen werelden.

En Hela storttet gij in Niflheim,

En gaaft haar negen duistere werelden,

Als koningin die over dooden heerscht.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hel’s Koninkrijk in Niflheim.

Dit gebied, dat,—meende men—onder de aarde lag, kon men enkel na een lastige reis over de ruwste wegen in de koude, donkere streken van het verste Noorden naderen. De poort was zóó ver van alle menschelijke woning, dat zelfs Hermod de snelle, op Sleipnir gezeten, negen lange nachten moest reizen eer hij de rivier Giöll bereikte. Deze vormde de grens van Niflheim, en over haar was een brug geslagen van kristal met gouden boog, die aan een enkel haar hing, en die steeds bewaakt werd door het grimmige geraamte Mödgud, dat elken geest een tol in bloed liet betalen, eer het hem doorliet.

De glazen brug hing aan een haar.

Over den stroom van duisternis,

De Giöll, die grens der Helle is.

Hier stond de gruwbre maagd Mödgud,

En wachtt’ als tol des geesten bloed.

Een vrouw, verschriklijk van gelaat,

Ontvleescht, met lake’ en doodsgewaad.

Valhalla (J. C. Jones).

De geesten gingen meestal over deze brug op de paarden of in de wagens die op den brandstapel met den doode tot dat doel waren verbrand, en de Noorsche volken zorgden er goed voor, dat aan de voeten van den overledene een bijzonder sterk paar schoenen werden gebonden, Helschoenen geheeten, opdat zij geen pijn zouden lijden gedurende de lange reis over ruwe wegen. Spoedig nadat de Giallar-brug was gepasseerd, bereikte de geest het IJzerbosch, waar enkel kale boomen met ijzeren bladeren stonden, en, als hij er door was, kwam hij aan de Hellepoort, waarnaast de vraatzuchtige, met bloed bevlekte hond Garm wacht hield, neergehurkt in een donker hol, dat bekend stond als de Gnipa-spelonk. De woede van dit monster kon enkel gestild worden doordat men het een Helle-koek gaf, waaraan zij nooit gebrek hadden, die altijd aan de behoeftigen brood hadden geschonken.

Luid blaft Garm,

Voor het Gnipa-hol.

Saemunds Edda.

Binnen de poort, te midden van de hevige koude en de ondoordringbare duisternis, hoorde men het zieden van den grooten ketel Hvergelmir, het rollen van de gletschers in de Elivagar en andere stroomen van de Hel, onder andere de Leipter, waarbij plechtige eeden werden gezworen, en de Slid, in welker woelige wateren steeds bloote zwaarden rolden.

De weg naar Valhalla

De weg naar Valhalla

Severin Nilsson.

Verderop in dit gruwelijk gebied was Elvidner (ellende), de hal van de godin Hel, wier tafel Honger was. Haar mes was Begeerigheid. “Luiheid was de naam van haar man, Traagheid van haar dienstmaagd, Verval van haar drempel, Verdriet van haar bed, en Brand van hare gordijnen”.

Elvidner was het huis van haar,

Met ijzren bout en muren zwaar;

Wie ’t zag ontzette zich, en daar

Was Honger haar tot leegen disch,

Begeert’ een mes, heur bed Gemis,

Brandende Angst richtt’ aan haar feest,

In botten zat er elke geest.

Pest sprak met Nood haar runen uit,

Gemengd met Wanhoops schor geluid,

Weedom ook en Stervenspijn

Zullen in Hel’s woning zijn.

Valhalla (J. C. Jones).

De godin had verschillende woningen voor de gasten, die dagelijks tot haar kwamen, want zij ontving niet enkel meineedigen en misdadigers van allerlei slag, maar ook hen, die ongelukkig genoeg waren om te sterven zonder bloed te vergieten. Ook werden naar haar gebied verwezen zij die van ouderdom of aan een ziekte stierven—een wijze van overlijden die men met verachting “strooien dood” noemde, daar de bedden van de menschen doorgaans van die stof waren.

Hun zenuwen gehard

Door storm en vorst en werk, het kroost van hen

Wier eenige vrees een bloedloos sterven was.

Thomson.

Denkbeelden aangaande het toekomstige leven.

Ofschoon de onschuldigen vriendelijk door Hel behandeld werden en een toestand van negatieve gelukzaligheid genoten, verwondert het ons niet, dat de bewoners van het Noorden terugschrikten voor een bezoek aan haar vreugdelooze woning. En terwijl de mannen zich gaarne met de speerpunt wondden, zich van een helling wierpen, of zich lieten verbranden, voordat het leven geheel was gebluscht, deinsden de vrouwen niet terug voor even heldhaftige handelwijzen. In het uiterste harer smart aarzelden zij zich niet van een berg af te storten of in het zwaard te vallen, dat haar bij haar huwelijk gegeven was, opdat haar lichamen zouden mogen verbrand worden met die van hen die zij liefhadden, en haar geesten bevrijd om hen in de blijde woning der goden te ontmoeten.

Verdere verschrikkingen wachtten echter hen, wier levens misdadig of onrein waren geweest, daar deze geesten naar Nastrond, het strand der lijken, verbannen waren, waar zij waadden in ijskoude stroomen vergif, door een hol dat van door elkaar gevlochten slangen gemaakt was, welker giftige vangarmen naar hen waren toegekeerd. Nadat zij daar onuitsprekelijke weeën hadden doorstaan, werden zij gewasschen in den ketel Hvergelmir, waar de slang Nidhug een oogenblik ophield met het knagen aan den wortel van den boom Yggdrasil, om te eten van hun beenderen.

Een hal staande

Ver van de zon

In Nâströnd;

Haar deuren zijn noordwaarts gekeerd,

Giftdruppelen vallen

Door haar spleten binnen;

Omgord is die heel

Met tal van slangen.

Zij zag er waden

Door trage stroomen

Bloeddorstige mannen

En meineedigen,

En hem die snood verleidd’

Eens and’ren vrouw.

Daar Nidhog teert

Op doode lijven.

Saemunds Edda.

Pestilentie en honger.

Men meende, dat Hel zelve soms haar afschuwelijke woning verliet om op de aarde te zwerven op haar wit paard met drie pooten, en in tijden van pest of honger, als een deel der bewoners van een streek vluchtten, zeide men dat zij een hark hanteerde, en als heele dorpen en provinciën ontvolkt werden, zooals dit het geval was tijdens de in de geschiedenis bekende epidemie van den Zwarten Dood, vertelde men dat zij met een bezem gereden had.

De Noordelijke volken meenden verder, dat de geesten van de dooden soms de aarde weer mochten bezoeken en aan hun verwanten verschijnen, wier smart of vreugde hun zelfs na hun dood ter harte ging, zooals verteld wordt in de Deensche ballade van Aager en Else, waar een doode minnaar zijn geliefde beveelt te glimlachen opdat zijn kist met rozen moge gevuld worden in plaats van met de geronnen bloeddruppels, teweeggebracht door hare tranen.

Luister nu, mijn dierbare Aager,

Bruidegom, al wat ’k behoef

Is te weten hoe het gaat u

In uw still’ en sombre groef,

Elken keer als gij verheugd zijt

En ’t geluk uw hart vermooit,

Wordt mijn stille graf met blaad’ren,

Rozenbladeren getooid.

Elken keer als, lief, gij jammert

En uw ziele tranen stort,

Weet dan, dat mijn stille grafsteen

Vol van somb’ren bloedstroom wordt.

Ballade van Aager en Else.

Hoofdstuk XX: Aegir.

De god van de zee.

Behalve Niörd en Mimir, die beiden oceaangoden waren, terwijl de een de zee voorstelde bij de kust en de ander den oorspronkelijken oceaan, waaruit, zooals men meende, alle dingen waren voortgekomen, erkenden de noordelijke volken een ander zeebeheerscher, Aegir of Hler geheeten, die òf in de koele diepten van zijn vloeibaar gebied woonde òf verblijf hield op het eiland Lessoe, in het Kattegat, of Hlessey.

Beneden het golvengeruisch

Met lichtende glorie,

In blanke victorie

Was zeegods hooge huis.

Meer blinkend dan baren en schuimen

Blonk steeds door spelonkige ruimen

Het lichtende zand van zijn vloer,

Als meervlak waar windje langs voer.

Valhalla (J. C. Jones.)

Aegir (de zee) heeft—zoo meent men—evenals zijn broeders Kari (de lucht) en Loki (het vuur) tot een oudere dynastie van goden behoord, want hij werd nooit gerekend tot de Aesir, de Vana’s, de reuzen, de dwergen, of elfen, maar werd als almachtige beschouwd binnen zijn gebied.

Men veronderstelde dat hij veroorzaakte en tot rust bracht de groote stormen die over de diepte jaagden, en hij werd meestal afgebeeld als een mager oud man, met langen witten baard en haar, en klauwachtige vingers, die zich altijd krampachtig toeknepen, alsof hij alle dingen in zijn greep wilde hebben. Wanneer hij boven de wateren verscheen, was het enkel om schepen te vervolgen en te overweldigen, en hen gulzig naar den bodem der zee te sleepen, een werk waarin hij—zoo dacht men—duivelsch genot vond.

De godin Ran.

Aegir was gehuwd met zijn zuster, de godin Ran, wier naam “roover” beteekent, en die even wreed, gulzig en onverzadiglijk was als haar echtgenoot. Haar geliefkoosd tijdverdrijf was te loeren bij gevaarlijke rotsen, waarheen zij de zeelieden lokte en daar haar net te spreiden, haar kostbaarst bezit, wanneer zij, na de menschen in zijn mazen verstrikt te hebben en hun schepen te hebben verbrijzeld op de scherpe klippen, hen kalm naar beneden trok in haar somber gebied.

In de holle rotsen,

Aan de kust die ruischt,

Bij het wilde klotsen

Als de stormwind bruist,

In de lange uren

In de fjord van ’t noord,

Zit zij stil te turen,

En zij grijpt tot moord

En zij spant haar sterk net tot haar roof.

Geschiedenis van Siegfried (Baldwin).

Ægir

Ægir

J. P. Molin.

Ran werd beschouwd als de godin van den dood voor allen die op zee omkwamen, en de noordelijke volken meenden dat zij de verdronkenen borg in haar koraalspelonken, waar hare bedden gespreid waren om hen te ontvangen, en waar de weide welig bloeide als in Valhalla. Verder meende men, dat de godin een groote liefde had voor goud, dat “de vlam van de zee” werd genoemd, en gebruikt werd om hare hallen te verlichten. Dit geloof kwam op bij de zeelieden en had zijn ontstaan te danken aan de treffende phosphoresceerende schittering van de golven. Om de gunst van Ran te winnen, zorgden de Noormannen er voor, wat goud bij zich te bergen als een of ander bijzonder gevaar hen op zee bedreigde.

Goud op verre tochten

Is vol macht en vreugde;

Die met leege handen

Tot de blauwe Ran gaat,

Kust zij koud, en wieglend

Is dan haar omhelzing—

Maar wij schenken aan de

Zeebruid goud het zuiverst.

Viking-vertelling van het Noorden (R. B. Anderson).

De golven.

Aegir en Ran hadden negen schoone dochters, de Golven, of golfmeisjes, wier sneeuwige armen en boezems, lang gouden haar, diepblauwe oogen, en slanke, bekoorlijke gestalten buitengewoon betooverend werkten. Deze meisjes hadden er genoegen in, te spelen op het oppervlak van haars vaders breed gebied, licht gekleed in doorschijnend blauwe, witte of groene sluiers. Zij waren echter zeer luimig en grillig, nu eens speelsch, dan neerslachtig en apathisch, en soms elkander bijna tot waanzin opzettend, heur haar en sluiers verscheurend, zich zorgeloos op hare harde bedden, de rotsen, werpende, elkaar met woeste haast verjagend, en luid schreeuwend van vreugd of wanhoop. Maar zij kwamen zelden spelen, tenzij haar broeder, de Wind, op het pad was, en overeenkomstig zijn stemming waren zij zacht en speelsch, of ruw en rumoerig.

Men meende doorgaans dat de Winden bij drieën rondgingen, en men zeide dikwijls dat zij speelden rondom de schepen van de Vikingen dien zij gunstig gezind waren, elke belemmering op hun pad wegnemend, en hen helpend opdat zij spoedig hun doel bereikten.

En Aegirs dochters in haar blauwe wijl,

Springen om ’t roer, en stuwen ’t bollend zeil.

Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson).

Aegirs Brouwketel.

Aan de Angel-Saksers was de zeegod Aegir bekend onder den naam Eagor, en zoo vaak een buitengewoon groote golf tegen de kust kwam donderen, riepen de matrozen, zooals de Trentschippers nog doen: “Zie, Eagor komt!” Hij was ook bekend onder den naam Helr (de hoeder) onder de Noorsche volken en Gymir (de verstopper), omdat hij altijd bereid was dingen te verbergen in de diepten van zijn gebied, en men er op aan kon dat hij de aan zijn zorg toevertrouwde geheimen niet openbaarde. En omdat, zooals men zeide—de wateren van de zee dikwijls ziedden en kookten, heette de oceaan vaak Aegirs brouwketel of vat.

De twee voornaamste dienaren van den god waren Elde en Funfeng, zinnebeelden van het phosphoresceeren der zee; zij waren beroemd om hun snelheid en zij wachtten steeds op de gasten die hij tot zijn banketten in de diepten der zee noodigde. Aegir verliet soms zijn gebied om de Aesir in Asgard te bezoeken waar hij altijd koninklijk werd onthaald en hij behagen schepte in Bragi’s vele geschiedenissen van de avonturen en daden der goden. Opgewekt door deze verhalen en ook door de tintelende mee, die er mede gepaard ging, waagde de god het eens de Aesir uit te noodigen het oogstfeest bij hem in Hlesey bij te wonen, waar hij beloofde hem op zijn beurt te zullen onthalen.

Thor en Hymir.

Verrast door deze uitnoodiging, waagde een der goden Aegir er aan te herinneren dat zij aan een lekker menu gewoon waren; daarop verklaarde de god van de zee dat, wat het eten betrof, zij niet bang behoefden te zijn, daar hij er zeker van was voor de grootste eters genoeg te hebben; maar hij bekende dat hij niet zoo gerust was wat aanging het drinken, daar zijn brouwketel vrij klein was. Dit hoorende bood Thor dadelijk aan, een goeden ketel te verschaffen en trok uit met Tyr om dien te halen. De twee goden reisden oostelijk van Elivagar in Thors geitenkar, en, deze verlatend bij het huis van den boer Egil, Thialfi’s vader, gingen zij te voet naar de woning van den reus Hymir, van wien men wist dat hij een ketel had, een mijl diep en naar verhouding wijd.

Oostwaarts woont

Van Elivagar

d’ Alwijze Hymir,

Aan ’s hemels end.

Mijn heer, trotsch van zin,

Bezit een vat,

Een grooten ketel,

Een mijl diep.

Saemunds Edda.

Alleen de vrouwen echter waren thuis, en Tyr herkende in de oudste—een leelijk oud wijf met negen honderd hoofden—zijn eigen grootmoeder; terwijl de jongere, een schoone jonge reuzin, naar het scheen, zijn moeder was, en zij ontving haren zoon en zijn makker gastvrij en gaf hun te drinken.

Na vernomen te hebben wat zij wilden, zei Thyr’s moeder dat de bezoekers zich moesten verbergen onder eenige groote ketels, die op een balk aan het eind van de hal stonden, want haar man Hymir was zeer driftig en versloeg dikwijls zijn zoogenaamde gasten met een enkelen toornigen blik. De goden volgden vlug haar raad; en zoodra zij verborgen waren, kwam de oude reus Hymir binnen. Toen zijn vrouw hem zei dat er bezoek was, keek hij zoo verschrikkelijk boos, en wierp een zóó toornigen blik naar hun schuilplaats, dat de dwarsbalk spleet en de ketels met een slag neervielen, en, behalve de groote, alle stuk waren.

Stuk vloog de pilaar

Op den blik van den reus;

De balk werd eerst

In tweeën geknakt,

Acht ketels vielen,

Maar slechts een er van,

Een harde ijzeren

Bleef ongedeerd.

Saemunds Edda.

De vrouw van den reus echter kreeg van haren man gedaan, dat hij Tyr en Thor welkom heette, en hij slachtte drie ossen om hen te verkwikken, maar groot was zijn teleurstelling, toen hij zag dat de dondergod twee er van voor zijn avondmaaltijd opat. Mompelend dat hij den volgenden morgen vroeg zou gaan visschen om een ontbijt te krijgen voor een zoo vraatzuchtigen gast, ging de reus naar bed, en toen hij ’s anderen daags in de schemering naar de kust ging, kwam Thor bij hem die zeide dat hij hem was komen helpen. De reus beval hem op zijn eigen lokaas te letten, waarop Thor kalmweg den grootsten os van zijn gastheer Himinbrioter, (hemelbreker) doodde en, zijn hoofd afhakkend, ging hij in een schip en roeide ver in zee. Te vergeefs protesteerde Hymir dat zijn gewoon vischterrein bereikt was en dat hij de verschrikkelijke Midgardslang zoude kunnen ontmoeten als zij zich nog verder waagden; Thor roeide met volharding voort, totdat hij dacht dat zij vlak boven dit monster waren.

Op donkeren bodem onder zilten vloed,

Lag neer de reuzenslang in sluimering zoet,

Er is geen macht die haar ontwaken doet.

Thors vischvangst (Oehlenschläger).

Terwijl hij den kop van den os aan den hengel sloeg, vischte Thor Iörmungandr, terwijl de reus intusschen twee walvisschen ophaalde, die hem genoeg schenen te zijn voor een vroeg ontbijt. Hij wilde dus juist voorstellen terug te keeren, toen Thor plotseling een schok voelde, en hij begon zoo hard als hij kon te rukken, want hij wist door den weerstand van zijn buit en den verschrikkelijken storm die door zijn woeste kronkelingen veroorzaakt werd, dat hij de Midgardslang aan den haak had. Bij zijn stellige pogingen om de slang te dwingen tot het oppervlak te rijzen, drukte Thor zijn voeten zóó stevig tegen den bodem van de boot dat hij er doorging en op het bed van de zee stond.

Na een onbeschrijfelijke worsteling verscheen de vergifspuwende kop van het monster en Thor, grijpende zijn hamer, zou het juist vernietigen, toen de reus, verschrikt door de nabijheid van Iörmungandr en bang dat de boot zou zinken en hij de buit van het monster zou worden, de vischlijn doorsneed en dus de slang als een steen op den bodem der zee deed terugvallen.

Daar komt het mes, en diep onder de zee

Zonk neer de slang, vermoeid door zooveel wee

En zooveel arbeid mee.

Thors vischvangst (Oehlenschläger).

Boos op Hymir omdat hij zoo van onpas was tusschenbeide gekomen, bracht Thor hem een slag toe met zijn hamer die hem over boord deed slaan; maar zonder aarzelen waadde Hymir naar het strand, en ontmoette den god toen hij van de kust terugkeerde. Hymir nam toen beide walvisschen, zijn zeebuit, op zijn rug, om ze naar huis te dragen; en Thor, die ook zijn kracht wilde toonen, nam boot, roeispanen en vischtuig op zijn schouders en volgde hem.

Toen het ontbijt gereed was, daagde Hymir Thor uit zijn kracht te toonen door zijn beker te breken; maar ofschoon de dondergod hem met onweerstaanbare kracht tegen steenen pilaren wierp, bleef hij heel en was zelfs niet gedeukt. Maar op een influistering van Tyrs moeder smeet Thor den kroes plotseling tegen het hoofd van den reus, de eenige stof die harder was, waarop hij in splinters op den grond viel.

Nadat Hymir zoo Thors kracht had leeren kennen, zeide hij hem, dat hij den ketel mocht hebben die de twee goden waren komen zoeken, maar Tyr trachtte te vergeefs hem op te tillen, en Thor kon hem enkel van den grond oplichten toen hij zijn krachtgordel had dichtgetrokken tot het laatste knoopsgat.

Tyr poogde tweemaal

Te bewegen het vat,

Maar elken keer

Bleef de ketel staan;

Toen nam Môdi’s vader

Bij den rand hem,

En liep dus

Door ’t vertrek.

Hymir-lied.

De ruk waarmede hij hem eindelijk ophief, bracht groote schade toe aan het huis van den reus, en zijn voeten gingen door den vloer. Toen Tyr en Thor vertrokken, de laatste met den grooten pot op zijn hoofd in plaats van een hoed, riep Hymir zijn broeders de vorstreuzen, en stelde voor, dat zij hun hevigen vijand zouden vervolgen en verslaan. Toen hij zich omkeerde, merkte Thor plotseling wat zij wilden, en herhaalde malen Miölnir naar de reuzen werpend, versloeg hij hen allen eer zij hem konden inhalen. Tyr en Thor aanvaardden toen de terugreis naar Aegir, den ketel bij zich waarin het bier voor het oogstfeest moest gebrouwen worden.

De naturalistische beteekenis van deze mythen is natuurlijk een onweer (Thor), een strijd met de woeste zee (de Midgardslang) en het breken van het poolijs (Hymirs beker en vloer) in de hitte van den zomer.

De goden kleedden zich nu in feestgewaad en gingen vroolijk naar Aegirs feest, en zij waren sedert steeds gewoon het oogstfeest in zijn koraalspelonken te vieren.

Vana’s en Aesir keeren zij

Van aard en lucht en Asgard, blij

Met hun godinnen, wonderbaar,

Een zeldzaam schitterende schaar,

Verzellend Odin, trokken voort

Over de zee in lichten tocht.

Valhalla (J. C. Jones).

Onbeminde godheden.

Aegir, zooals wij hebben gezien, beheerschte de zee met behulp van de verraderlijke Ran. Deze beide godheden werden als wreed beschouwd door de noordelijke volken, die veel van de zee hadden te lijden, welke, hen aan alle kanten omringende, ver in het hart hunner landen drong door de vele fjorden, en dikwijls de schepen hunner Vikingen verzwolg met heel hun oorlogsbemanning.

Andere goden van de zee.

Behalve in deze voornaamste godheden van de zee geloofden de noordelijke volken in meermannen en meerminnen, en vele verhalen worden verteld van meerminnen, die voor een tijd de zwaneveeren of robbengewaden uitdeden, die zij op de kust lieten en welke door de menschen gevonden werden, waardoor deze de schoone meisjes konden dwingen op het land te blijven.

Zij kwam door de zee toen de maan klaar scheen,

Dreef op de golven van d’ oceaan,

Zij kwam toen ik liep langs het strand alleen

Met een hart zoo licht als een hart kan slaan.

L. E. R.

Er waren ook boosaardige zeemonsters, bekend als Nicort, van wier naam het spreekwoordelijke Oude Nikker is afgeleid. Vele van de lagere watergoden hadden vischstaarten, de vrouwelijke droegen den naam Undines en de mannelijke Stromkarels, Nixies, Necks of Neckar.

Waar in moerassen de roerdompen spelen

Nicker de ziellooze zit wat te kweelen,

Zit er ontroostbaar, heeft vijand noch vrind,

Nicker de ziellooze treurt als een kind.

Uit Broeder Fabian’s Handschrift.

In de middeleeuwen geloofde men, dat deze watergeesten hun geboortestroomen soms verlieten, om te verschijnen bij dorpsdansen, waar zij herkend werden aan den natten zoom hunner kleederen. Vaak zaten zij naast de vloeiende beek of rivier, spelend op een harp, of zingend verleidende liederen, terwijl zij hun lang groen haar uitkamden.

De Neck speelt zijn harp hier in ’t glazen kasteel

En meerminnen kammen heur haren er veel,

En bleeken heur glanzende kleeren.

Stagnelius.

De Nixies, Undines en Stromkarls waren bijzonder vriendelijke en liefelijke wezens, en waren zeer verlangend herhaalde verzekeringen te krijgen van hun eeuwig heil.

De Neckan

De Neckan

J. P. Molin.

Vele verhalen worden verteld van priesters of kinderen die hen ontmoetten, spelend aan een stroom, en die hen dreigden met toekomstige verdoemenis, een bedreiging die altijd de vroolijke muziek in droevige klachten verkeerde. Dikwijls haastten priesters of kinderen, als zij hun fout ontdekten en geroerd waren door den angst hunner slachtoffers, zich terug naar den stroom en verzekerden de watergeesten met hun groene tanden, dat zij behouden zouden worden, als zij steeds weer hun blijde melodieën hervatten.

Kent gij de Nixen, blij en klaar?

Hun oogen zijn zwart, groen is hun haar

Zij toeven op helmige kusten.

Mathisson.

Riviernimfen.

Naast Elf of Elb, den watergeest die den naam gaf aan de rivier de Elbe in Duitschland, de Neck, waarnaar de Neckar heet, en ouden Vader Rijn met zijn talrijke dochters (bijrivieren), is de beroemdste van alle lagere watergoden de Loreley, het sirenenmeisje dat zit op de rots bij St. Goar aan den Rijn, en wier verlokkend lied menig schipper in den dood heeft gelokt. De legenden over die sirene zijn inderdaad zeer talrijk, een der oudste is als volgt:

Legenden van de Lorelei.

Lorelei was een onsterflijke, een waternimf, dochter van Vader Rijn; overdag woonde zij in de koele diepten der rivierbedding, maar laat in den avond verscheen zij in het maanlicht, hoog zittend op een rotspunt, in het volle gezicht van allen die den stroom op en af gingen. Soms bracht de avondkoelte eenige tonen van haar lied tot de ooren van de bootslieden, zoodat zij tijd en plaats vergetend bij het luisteren naar deze betooverende melodieën, op de scherpe en gekante rotsen dreven, waar zij wis omkwamen.

De jonkvrouw is gezeten

Daarboven wonderbaar

Hoe blinkt haar gouden keten!

Zij kamt haar gouden haar.

Met kam, de gouden, reine,

En zingt een lied daarbij,

Dat heeft een wonderfijne,

Geweldige melodij.

Den schipper bij ’t golvenklotsen

Omvat het met wild gerucht,

Hij speurt niet de scherpe rotsen,

Hij tuurt maar omhoog in de lucht.

’k Geloof, in ’t golvenbangen

Zijn schipper en boot vergaan,

Dat heeft met hare zangen

De Lorelei gedaan.

Lied, Heine.

Slechts één persoon, zegt men, heeft de Lorelei van zeer nabij gezien. Dit was een jonge visscher van Oberwesel, die haar elken avond aan den rivierkant ontmoette, en eenige genotvolle uren met haar doorbracht, hare schoonheid indrinkend en luisterend naar haar wegsleepend gezang. De overlevering vertelde, dat eer zij scheidden de Lorelei de plaatsen aanwees waar de jongeling ’s anderen morgens zijn netten moest werpen—bevelen, waaraan hij altijd gehoorzaamde en die hem steeds voordeelig waren.

Op zekeren avond zag men den jongen visscher naar de rivier gaan, maar daar hij nooit wederkeerde, ging men hem zoeken. Daar men hem niet kon vinden, vertelden de lichtgeloovige Teutonen ten slotte, dat de Lorelei hem had naar beneden getrokken naar haar koraalgrotten opdat zij steeds van zijn gezelschap zou mogen profiteeren.

Overeenkomstig een andere overlevering lokte de Lorelei, met haar wegsleepende melodieën van de scherpe rotsen zóóvele visschers ten grave in de diepten van den Rijn, dat een gewapende troep eens bij het vallen van den avond gezonden werd om haar te omringen en te grijpen. Maar de waternimf betooverde den kapitein en zijn mannen zóó, dat zij hand noch voet konden bewegen. Terwijl zij onbewegelijk rondom haar stonden, ontdeed de Lorelei zich van hare sieraden en wierp ze in het water onder zich; toen zong zij een tooverformule en liet de wateren komen tot den top van de rots waarop zij stond, en, tot verbazing van de soldaten, omsloten de golven een zeegroene kar, door rossen met witte manen getrokken, en de nimf sprong er vlug in en de tooverwagen was onmiddellijk uit het gezicht. Eenige oogenblikken later viel de Rijn tot zijn gewoon peil terug, de betoovering was gebroken en de mannen konden zich weer bewegen, en keerden terug om te vertellen dat hun pogingen vergeefsch waren geweest. Sedert dat oogenblik echter is de Lorelei niet gezien, en de boeren zeggen dat zij nog boos is wegens de haar aangedane beleediging en dat zij nooit weer hare koraalgrotten zal verlaten.