Hoofdstuk XXIII: De Reuzen.

Jötun-heim.

Zooals wij reeds gezien hebben, meenden de Noorsche volken, dat de reuzen de eerste schepselen waren die het licht zagen tusschen de ijsbergen welke den grooten afgrond van Ginnunga-gap vulden. Deze reuzen waren van den beginne af de tegenstanders en mededingers der goden, en evenals de laatsten de verpersoonlijking waren van alles wat goed en liefelijk was, zoo stelden de eersten alles voor wat leelijk was en boos.

Hij komt—hij komt—de Vorstgeest komt! op den âam van noordenwind,

En het donkre noorsche pijnbosch boog, als ’t langs hij ging ontzind,

Met wilden vleugelslag kwam hij, waar ’t vuur op Hekla gloeit,

Op donkre lucht die boven is, en ’t ijs met glans besproeit.

J. G. Whittier.

Thor en de Reuzen

Thor en de Reuzen

M. E. Winge.

Toen Ymir, de eerste reus, levenloos op het ijs viel, door de goden verslagen, verdronk zijn kroost in zijn bloed. Eén paar slechts, Bergelmir en zijn vrouw, ontvluchtten naar Jötun-heim, waar zij gingen wonen en de voorouders werden van het gansche reuzengeslacht. In het Noorden werden de reuzen met verschillende namen genoemd, waarvan elk een bijzondere beteekenis had. Jötun b.v. beteekent “de groote eter”, want de reuzen stonden bekend zoowel om hun ontzaglijken eetlust als om hun ongewone grootte. Zij waren verzot op drinken zoowel als op eten, en daarom heetten zij ook Thurses, een woord dat volgens sommige schrijvers hetzelfde beteekent als dorst; maar anderen denken dat zij dezen naam te danken hadden aan de hooge torens (“turseis”) die zij, zooals men veronderstelde, gebouwd hadden. Daar de reuzen tegenover de goden stonden, deden de laatsten altijd hun best hen te dwingen in Jötun-heim te blijven, dat gelegen was in de koude streken van de Pool. De reuzen werden bijna altijd verslagen in hun gevechten met de goden, want zij waren zwaar en traag van verstand, en hadden enkel steenen wapenen te stellen tegen de bronzen van de Aesir. Trots deze ongelijkheid werden zij dikwijls zeer door de goden benijd, want zij waren volkomen op de hoogte van alle kennis van het verleden. Zelfs Odin was naijverig op deze eigenschap, en zoodra hij ze verkregen had door een dronk uit Mimir’s bron, haastte hij zich naar Jötun-heim om zich te meten met Vafthrudnir, den geleerdsten van het reuzenbroed. Maar het zou hem nooit zijn gelukt, zijn tegenstander in dezen vreemden strijd te verslaan, als hij niet opgehouden had met te vragen naar het verleden en een vraag aangaande de toekomst had gesteld.

Van alle goden werd Thor het meest door de Jötuns gevreesd, want hij voerde voortdurend strijd tegen de vorst- en bergreuzen, die gaarne de aarde voor goed in hun harde boeien hadden geslagen en zoo de menschen hadden verhinderd den grond te bebouwen. In het gevecht tegen hen gebruikte Thor, zooals wij reeds gezien hebben, gewoonlijk zijn verschrikkelijken hamer Miölnir.

Oorsprong van de bergen.

Volgens Germaansche legenden werd het oneffen oppervlak der aarde veroorzaakt door de reuzen, die hare gladheid bedierven door er op te loopen toen zij nog zacht en pasgeschapen was, terwijl de stroomen werden gevormd door de vele tranen, gestort door de reuzinnen, toen zij de dalen zagen, die door de groote voetstappen hunner mannen waren gemaakt. Daar dit het Teutonische geloof was, dachten de menschen dat de reuzen, die voor hen de bergen personifieerden, ongelukkige wezens waren, die zich enkel in de duisternis of den mist konden bewegen, en versteenden zoodra de eerste zonnestralen door de duisternis drongen of de wolken verspreidden.

Dit geloof bracht hem er toe, een van hun voornaamste bergketenen het Reuzengebergte te noemen. De Skandinaviërs deelden dit geloof ook, en tot dezen dag duiden de IJslanders hun hoogste bergtoppen aan met den naam Jokul, een wijziging van het woord “Jötun”. In Zwitserland, waar de eeuwige sneeuw rust op de hooge bergtoppen, vertellen de menschen nog oude geschiedenissen van den tijd toen de reuzen rondzwierven; en als een lawine van de berghelling is afgestort, zeggen zij dat de reuzen onrustig een deel van den ijslast hebben afgeschud van hun wenkbrauwen en hun schouders.

De eerste goden.

Daar de goden ook verpersoonlijkingen waren van sneeuw, ijs, koude gesteenten en onderaardsch vuur, heette het, dat zij afstamden van den oorspronkelijken Fornjotnr, dien sommige bronnen met Ymir vereenzelvigen. Volgens deze lezing van de mythe had Fornjotnr drie zonen: Hler, de zee; Kari de lucht; en Loki het vuur. Deze drie godheden, de eerste goden, vormden de oudste drieëenheid, en hun respectieve afstammelingen waren de zeereuzen Mimir, Gymir en Grendel, de stormreuzen Thiassi, Thrym en Beli en de reuzen van vuur en dood, zooals de Fenriswolf en Hel.

Daar al de koninklijke dynastieën beweerden af te stammen van een of ander mythisch wezen, verzekerden de Merovingers dat hun eerste voorvader een zeereus was, die uit de golven opsteeg in de gedaante van een os, en de koningin verraste, toen zij alleen op het zeestrand wandelde, en haar dwong zijn vrouw te worden. Zij schonk een zoon het levenslicht, die Meroveus heette, de stichter van de eerste dynastie der Frankische koningen.

Er zijn reeds vele verhalen gedaan over de belangrijkste reuzen. Zij keeren terug in vele der latere mythen en sprookjes, en vertoonen, na de invoering van het Christendom, een bijzonderen afkeer van den klank van kerkklokken en het zingen van monniken en nonnen.

De reus verliefd.

De Skandinaviërs vertellen, in dit verband, dat in de dagen van Olaf den heilige een reus, Senjemand geheeten, op het Eiland Senjen woonde, en hij was heel boos, omdat een non op het eiland Grypto dagelijks hare morgenhymne zong. De reus werd verliefd op een mooi meisje, Juterna-jesta geheeten, en het duurde lang eer hij moed vond haar te vragen. Toen hij ten slotte zijn stotterend aanzoek deed, wees de schoone dame hem toornig af, zeggend dat hij veel te oud en te leelijk was naar haar smaak.

“Ellendige Senjemand—leelijk en grauw!

Gij minnen het meisje van Kvedfiord!

Neen—een lummel zijt gij en blijft gij ook steeds.

Ballade.

In zijn boosheid, omdat hij zoo toornig was afgewezen, zwoer de reus wraak en kort daarop schoot hij een grooten steenen pijl van zijn boog op het meisje, dat tachtig mijlen ver woonde. Een ander minnaar, Torge, ook een reus, die het gevaar zag waarin zij verkeerde en haar wilde beschermen, wierp zijn hoed naar den voortsnellenden pijl. Deze hoed was duizend voet hoog en naar verhouding breed en dik, maar de pijl doorboorde niettemin den bol, bereikte echter zijn doel niet. Senjemand, ziende dat hij gemist had en den toorn van Torge vreezend, besteeg zijn paard en wilde zoo snel mogelijk wegrijden; maar de zon, die toen juist boven den horizon rees, veranderde hem in steen, samen met den pijl en Torge’s hoed; de groote massa heette Torghattenberg. Men wijst nog een obelisk aan waarvan men zegt dat hij de steenen pijl is; verder een gat in den berg, 289 voet hoog en 88 voet breed, dat heet te zijn de opening door den pijl in zijn vlucht door den hoed gemaakt; eindelijk den ruiter op Senjen-eiland, die blijkbaar een kolossaal paard berijdt en de vouwen van zijn wijden rijmantel dicht om zich heen trekt. De non, wier gezang Senjemand zoo in verwarring bracht, werd ook versteend en ontrustte nooit weer iemand met haar psalmgezang.

Thorgatten

Thorgatten

De Reus en de kerkklokken.

Een andere legende vertelt, dat een van de bergreuzen, gehinderd door het gelui van kerkklokken op meer dan vijftig mijlen afstand, eens een hooge rots nam die hij naar het heilige gebouw smeet. Gelukkig raakte zij niet en brak in tweeën. Sedert dien tijd, zeggen de boeren, komen de heksen op Kerstavond steeds het grootste steenblok op steenen pilaren zetten en er onder dansen en feestvieren. Een dame, die wilde weten of dit verhaal waar was, zond eens haar knecht naar de plaats. De heksen kwamen en boden hem gastvrij een dronk aan uit een horen met goud gemonteerd en versierd met runen. Den horen grijpende, wierp de knecht den inhoud weg en snelde er mee heen in wilden galop, op den voet gevolgd door de heksen, die hij enkel ontsnapte door te gaan door een stoppelveld en over stroomend water. Eenige harer kwamen den volgenden dag bij de dame om dezen horen terug te vragen, en toen zij weigerde er afstand van te doen, vervloekten zij haar, zeggende dat haar kasteel verbranden zou telkens als de horen van zijn plaats zou genomen worden. De voorspelling is driemaal uitgekomen en nu bewaakt de familie de reliek met bijgeloovige zorg. Een dergelijke drinkbeker, verkregen op bijna dezelfde wijze door de familie Oldenburg, wordt vertoond in de verzameling van den koning van Denemarken.

Men dacht dat de reuzen geen vast verblijf hadden maar in het donker zich bewogen, soms groote massa’s aarde en zand dragend, die zij lieten vallen hier en daar. De zandheuvels in Noord-Duitschland en Denemarken waren, meende men, aldus gevormd.

Het schip van de reuzen.

Een Noord-Friesche overlevering verhaalt, dat de reuzen een kolossaal schip hadden, Mannigfual genaamd, dat steeds rondvoer in den Atlantischen Oceaan. Zóó groot was het schip dat, naar men zeide, de kapitein het dek te paard overging, terwijl het tuig zóó uitgebreid en de masten zóó hoog waren, dat de matrozen die er als jongelingen inklommen als grijsaards naar beneden kwamen, terwijl zij gerust en zich verfrischt hadden in vertrekken, toebereid en met levensmiddelen voorzien tot dat doel in de groote blokken der katrollen.

Bij ongeluk gebeurde het eens, dat de stuurman het reusachtige schip in de Noordzee stuurde, en daar hij zoo snel mogelijk terug wilde naar den Atlantischen Oceaan en in zoo kleine ruimte niet durfde draaien, stuurde hij in het Engelsche kanaal. Verbeeld u de teleurstelling van allen die aan boord waren, toen zij den doorgang nauwer en nauwer zagen worden hoe verder zij kwamen. Toen zij aan de nauwste plaats kwamen, tusschen Calais en Dover, scheen het totaal onmogelijk dat het schip, met den stroom drijvend, zich er een weg door zou kunnen banen. De kapitein met loflijke tegenwoordigheid van geest, beval onmiddellijk zijn mannen de zijden van het schip met zeep in te smeren, en een extra dikke laag op het stuurboord te leggen, waar de puntige klippen van Dover dreigend verrezen. Nauwelijks waren deze bevelen uitgevoerd, of het schip ging de nauwe ruimte binnen, en, dank zij de voorzorgen van den kapitein, gleed het er veilig door. De rotsen van Dover schrabden er echter zóóveel zeep af, dat zij sedert steeds bijzonder wit zijn geweest, en de golven die er tegen aan slaan, hebben een ongewoon schuimig aanzien.

Deze pakkende ervaring was niet de eenige die de Mannigfual had, want wij vernemen dat zij eens, niemand weet hoe, in de Baltische zee kwam, waar het water niet diep genoeg was om het schip vlot te houden en de kapitein beval dat alle ballast overboord zou worden geworpen. Het materiaal dat dus aan beide kanten van het schip in zee werd gegooid, vormden de twee eilanden Bornholm en Christiansoë.

Prinses Ilse.

In Thüringen en in het Zwarte Woud zijn de verhalen over de reuzen legio, en een der meest geliefkoosde bij de boeren is dat van Ilse, de lieflijke dochter van den reus van den Ilsenstein. Zij was zóó bekoorlijk dat zij wijd en zijd bekend was als de Schoone Prinses Ilse, en door een aantal ridders gevrijd werd, van wie zij den Heer van Westerburg koos. Maar haar vader vond volstrekt niet goed dat zij met een eenvoudig sterveling omgang had, en verbood haar haar minnaar te zien. Prinses Ilse was echter stijfhoofdig, en in weerwil van haars vaders verbod bezocht zij dagelijks haren minnaar. De reus, woedend over haar volharding en ongehoorzaamheid, strekte ten slotte zijn groote handen uit, greep de rotsen en maakten een groote kloof tusschen de hoogte waar hij woonde en het kasteel Westerburg. Hierop ging Prinses Ilse naar de diepte die haar van haar minnaar scheidde en wierp zich roekeloos over de steilte in den kokenden stroom beneden, en werd daar in een betooverende waternimf veranderd. Zij woonde vele jaren in de heldere wateren, van tijd tot tijd verschijnend om haar betoovering op stervelingen uit te oefenen, en zelfs, zegt men, won zij de liefde van Keizer Hendrik, die vele bezoeken bracht aan haren waterval. Haar laatste verschijning was, volgens het volksgeloof, op Pinksteren, honderd jaar geleden, en de bewoners zien nog steeds uit naar de schoone prinses, die, zegt men, nog druk den stroom bezoekt en haar witte armen zwaait om de reizigers in den koelen stroom van den waterval te lokken.

Ik ben de Prinses Ilse

En ik woon in Ilsenstein;

Kom met mij naar mijn brug en

Wij zullen zalig zijn.

Uw hoofd wil ik besproeien

Met mijnen held’ren stroom,

Gij zult uw smart vergeten

In zoeten, teeren droom.

En in mijn blanke armen

En aan mijn borst gevleid

Daar zult gij liggen droomen

Van ouden zaal’gen tijd.

Heine.

Het speelgoed van de reuzin.

De reuzen bewoonden de geheele aarde voordat deze aan de menschheid gegeven was, en slechts met tegenzin maakten zij plaats voor het menschelijk geslacht, en trokken zich terug in de woeste en dorre deelen van het land, waar zij hun gezin grootbrachten in strenge afzondering. Zóó groot was de onkunde hunner kinderen, dat een jonge reuzin, van huis weggezworven, eens in een bewoond dal kwam, waar zij voor het eerst in haar leven een boer zag ploegen op den heuvelkant. Daar zij hem een aardig speelgoed vond, nam zij hem met zijn span op en deed hem in haar schort en bracht hem met vreugde thuis om hem aan haar vader te laten zien. Maar de reus beval haar onmiddellijk boer en paarden naar de plaats terug te brengen waar zij hen had gevonden, en toen zij dit gedaan had, vertelde hij haar mismoedig dat de schepselen, die zij voor niet meer dan speelgoed aanzag, eens het reuzenvolk zouden verdrijven, en heeren der aarde zouden worden.

Hoofdstuk XXIV: De Dwergen.

Kleine mannen.

In het eerste hoofdstuk zagen wij hoe de zwarte elven, dwergen, of Svart-alfar als maden gebroed werden in het vleesch van den vermoorden reus Ymir. De goden, die deze kleine vormelooze schepselen zagen, terwijl zij in en uit kropen, gaven hun gestalte en trekken, en zij werden bekend als donkere elven, vanwege hun donker uitzien. Deze kleine wezens waren zóó onaanzienlijk met hun donkere huid, groene oogen, groote hoofden, korte beenen en kraaienvoeten, dat zij het bevel kregen zich onder den grond te verbergen, en nooit zich over dag mochten vertoonen, anders zouden zij in steen veranderd worden. Ofschoon veel minder machtig dan de goden waren zij heel wat scherpzinniger dan de menschen, en daar hun kennis onbegrensd was en zich zelfs tot de toekomst uitstrekte, stelden goden en menschen beiden even gaarne vragen.

De dwergen waren ook bekend als trolls, kobolden, Huldra volk enz. overeenkomstig het land waar zij woonden.

Gij zijt de grijze Troll,

Met oogen, groen en klaar

Maar ’k min u, grijze Troll

Wijs zijt gij altegaar.

Zeg mij van ochtend ras,

Wat gij begrijpt,

Of ik geboren was

En ben gerijpt?

De legende van de kleine fee (Buchanan).

De Tarnkap.

Deze kleine wezens konden zich met wonderbare snelheid van de eene plaats naar de andere bewegen, en zij hielden er van zich achter de rotsen te verbergen, wanneer zij ondeugend de laatste woorden van gesprekken herhaalden die zij van zulke schuilplaatsen afluisterden. Wegens deze welbekende streek werden de echo’s dwergengesprekken genoemd, en de menschen meenden dat de reden waarom zij, die zulke geluiden maakten, nooit gezien werden, deze was, dat iedere dwerg de trotsche bezitter was van een kleine roode kap, die den drager onzichtbaar maakte. Deze kap heette Tarnkappe, en zonder deze durfden de dwergen na zonsondergang niet boven het oppervlak van de aarde verschijnen uit vrees dat zij zouden versteenen. Als zij ze droegen, waren zij beveiligd voor dit gevaar.

Weg! laat de zon niet zien me—

Ik moet onmiddellijk heen;

Zij zou als Elf misschien me

Verand’ren in een steen.

La Motte Fouqué.

De legende van Kallundborg.

Helva, de dochter van den heer van Nesvek, werd bemind door Esbern Snara, wiens huwelijksaanzoek echter door den trotschen vader werd afgewezen met de hoogmoedige woorden: “Als gij te Kallundborg een grootsche kerk zult bouwen, dan zal ik u Helva tot vrouw geven”.

Nu was Esbern, ofschoon van geringen stand, trotsch van hart, evenals de heer, en hij besloot, wat er van komen mocht, een weg te vinden om zijn geliefde te krijgen. Zoo ging hij tot een troll in Ullshoi Hell, en trof een overeenkomst waarbij de troll een mooie kerk zou bouwen, maar als zij klaar was moest Esbern den naam van den bouwer zeggen of zijn oogen en zijn hart verbeuren.

Nacht en dag werkte de troll voort, en toen het gebouw bijna klaar was, werd Esbern Snara, droeviger. Hij luisterde bij de spleten van den heuvel in den nacht; hij lette op overdag; hij werd als een schim door zijn angstige gedachten; hij bezwoer de elven hem te helpen. Maar het baatte allemaal niets. Geen geluid hoorde hij, niets zag hij dat den naam van den bouwer verried.

Intusschen werd de zaak bekend, en de schoone Helva, die van de leelijke overeenkomst hoorde, bad voor de ziel van den ongelukkigen man.

De tijd ging voorbij, totdat op zekeren dag aan de kerk slechts één pilaar ontbrak, en verleid door duistere wanhoop, zonk Esbern uitgeput op een bank, waar hij den dwerg den laatsten steen hoorde hameren in den harden ondergrond. “Dwaas die ik ben”, zeide hij bitter, “ik heb mijn graf gebouwd”.

Juist toen hoorde hij een lichten voetstap, en toen hij opkeek, zag hij zijn geliefde. “Ik wilde dat ik in uw plaats sterven kon”, zeide zij, door hare tranen heen, en daarop bekende Esbern dat hij uit liefde voor haar oogen zoowel hart als ziel had gewaagd.

Terwijl de troll onder den grond voorthamerde, bad Helva naast haren minnaar, en de gebeden van het meisje waren sterker dan de toovermacht van den troll, want plotseling ving Esbern den klank op van een troll-vrouw die voor haar kind zong en zeide dat het stil moest zijn, want dat, den volgenden dag, Vader Fine zou terugkeeren met de oogen en het hart van een sterveling.

Zeker van zijn slachtoffer ijlde de troll naar Kallundborg met den laatsten steen. “Te laat, Fine!” zei Esbern, en bij dat woord verdween de troll met zijn steen en men zegt dat de boeren ’s nachts het gezucht van een vrouw onder den grond hoorden en de stem van den dwerg, die luid schold.

Van den dwerg van de kerk zij zingen het lied

als de maan op de zee hare stralen giet,

en de visschers van Zeeland zij hooren zijn stem

en bij Ulshoi-heuvel het schelden van hem.

En ginds aan den zeekant waar bloeit de berk,

staat steeds nog de toren van Kallundborg kerk,

Waar d’ eerste aan ’t outer als huwend paar,

Stonden Helva van Nesvek en Esbern Snare.

J. G. Whittier.

De tooverij van de dwergen.

De dwergen, zoo goed als de elven, werden geregeerd door een koning, die in verschillende landen van Noord-Europa bekend was als Alberich, Elbegast, Gondemar, Laurin, of Oberon. Hij woonde in een prachtig onderaardsch paleis, versierd met de edelsteenen die zijn onderdanen uit den boezem der aarde gehaald hadden, en behalve onnoemelijke rijkdommen, en de Tarnkap, bezat hij een tooverring, een onoverwinlijk zwaard en een krachtgordel. Op zijn bevel vervaardigden de kleine mannen, die heel handige smeden waren, wonderbare juweelen of wapenen, die hun gebieder aan geliefde stervelingen schonk.

Wij hebben reeds gezien, hoe de dwergen Sifs gouden haar, het schip Skidbladnir, de punt van Odin’s speer Gungnir, den ring Draupnir, het zwijn met gouden borstels Gullin-bursti, den hamer Miölnir en Freya’s gouden halsketen Brisingamen maakten. Men zegt ook dat zij hebben vervaardigd den toovergordel, dien Spenser beschrijft in zijn gedicht “Faerie Queene”—een gordel, die, zooals men beweerde, de kracht had om te openbaren of hij, die hem droeg, deugdzaam was of een huichelaar.

Die gordel gaf de deugd van kuische min

En trouw aan wie haar omhad, iedereen,

Maar elk die sloeg verboden wegen in

Kon hem niet dragen om het middel heen,

Dan ging hij los of scheurd’ ook wel van een.

Faerie Queene (Spenser).

De dwergen maakten ook het mythische zwaard Tyrfing, dat ijzer en steen kon doorsnijden en dat zij aan Angantyr gaven. Dit zwaard, evenals dat van Frey, vocht uit zich zelf en kon niet in de scheede gestoken worden, nadat het eens was getrokken, voordat het bloed had geproefd. Angantyr was zóó trotsch op dit wapen, dat het met hem begraven werd; maar zijn dochter Hervor bezocht zijn grafmonument te middernacht, sprak tooverformulieren uit en noodzaakte hem uit zijn graf op te staan en haar het kostbare zwaard te geven. Zij voerde het dapper en het werd later het eigendom van een anderen der Noorsche helden.

De Toppen van de Trolls

De Toppen van de Trolls

Een ander beroemd wapen, dat volgens de overlevering door de dwergen in Oostelijke landen gesmeed werd, was het zwaard Angurvadel, dat Frithiof kreeg als een deel der erfenis van zijn vaderen. Zijn gevest was van geslagen goud, en op het staal waren runen gegrift die onzichtbaar waren, totdat het in den oorlog gezwaaid werd, wanneer zij rood vlamden als de kam van den vechtenden haan.

De held was verloren

Die vond in een nachtelijk gevecht dit zwaard met z’n vurige runen,

Wijd in het rond beroemd, het kostlijkst der zwaarden van ’t Noorden.

Tegnér’s Frithiof.

Het weggaan van de dwergen.

De dwergen waren over het algemeen vriendelijk en hulpvaardig, soms kneedden zij brood, maalden meel, brouwden bier, verrichtten tallooze huiselijke werkzaamheden en dorschten het koren voor de boeren. Als zij echter slecht behandeld werden of belachelijk gemaakt, verlieten deze kleine wezens het huis en kwamen nooit weerom. Toen de oude goden niet meer aangebeden werden in de noordelijke landen, trokken de dwergen zich geheel uit de streek terug, en een veerman vertelt hoe hij gehuurd was door een geheimzinnig persoon om zijn boot op zekeren nacht heen en weer over de rivier te sturen, en bij iederen tocht was zijn schip zóó vol geladen met onzichtbare passagiers dat het bijna zonk. Toen zijn nachtelijke arbeid gedaan was, kreeg hij een rijke belooning, en zijn klant zeide hem dat hij de dwergen over de rivier had gebracht, daar zij het land voor goed verlieten wegens het ongeloof van het volk.

Ondergeschoven kinderen.

Volgens het populair bijgeloof trachtten de dwergen, die ijverzuchtig waren op de forschere gestalte van den mensch, dikwijls hun geslacht te verheffen door menschelijke vrouwen te veroveren of door ongedoopte kinderen te stelen, en hun eigen kroost in plaats er van aan de menschelijke moeder ter zooging te geven. Deze dwergkinderen waren kenbaar aan hun kleine en schamele gestalte. Om haar eigen kind terug te krijgen en zich van het ondergeschovene te ontdoen, moest een vrouw bier in eierschalen brouwen of de zolen van de voeten van het kind met vet insmeren en ze zóó dicht bij de vlammen houden dat de dwergouders, aangetrokken door de wanhopige kreten van hun kroost, zich haastten hun eigen kind op te eischen en het gestolene weerom te geven.

Men zeide, dat de troll-vrouwen de macht hadden zich te veranderen in Mara’s of nachtmerries en te kwellen ieder dien zij wilden; maar als het slachtoffer er in slaagde het gat te stoppen, waardoor een Mara zijn kamer binnendrong, was zij geheel aan zijn genade overgeleverd en hij kon haar zelfs noodzaken hem te trouwen als hij dit verkoos. Een vrouw, die dus verkregen was, moest blijven zoolang de opening, waardoor zij in het huis gekomen was, was gesloten, maar als de prop was verwijderd hetzij bij toeval of met opzet, vluchtte zij dadelijk en kwam nooit weerom.

De Troll-pieken.

Natuurlijk zijn de overleveringen aangaande het kleine volkje overal in het Noorden veelvuldig, en vele plaatsen zijn verbonden met hun herinnering. De welbekende Troll-pieken (Trold-Tindterne) in Noorwegen zijn, zegt men, het tooneel van een strijd tusschen twee troepen dwergen, die in de hevigheid van het gevecht er niet op letten dat de zon opging, met het gevolg, dat zij in kleine rotspunten veranderd werden, die op de kammen van den berg duidelijk zichtbaar zijn.

De Elfendans

De Elfendans

N. J. O. Blommér.

Een gissing.

Sommige schrijvers hebben de gissing gewaagd, dat de dwergen, die zoo dikwijls in de oude sagen en feeënvertellingen genoemd worden, misschien de Phoenicische mijnwerkers waren, die, in de kool-, ijzer-, koper-, goud- en tinmijnen van Engeland, Noorwegen, Zweden enz. werkend, gebruik maakten van den eenvoud en de lichtgeloovigheid der oorspronkelijke bewoners en hen wijs maakten dat zij behoorden tot een bovennatuurlijk ras en altijd onder den grond woonden, in een gebied dat Svart-alfa-heim, of de woonplaats der zwarte elven heette.

Hoofdstuk XXV: De Elven.

Het gebied der Elven.

Behalve de dwergen was er een andere talrijke klasse van kleine wezens, Lios-alfan, licht- of witte elven geheeten, die het gebied der lucht tusschen den hemel en de aarde bewoonden, en in het algemeen geregeerd werden door den beschermgod Frey uit zijn paleis Alf-heim. Zij waren lieflijke, weldoende schepselen, zóó zuiver en onschuldig dat, volgens sommigen, hun naam was afgeleid van denzelfden wortel als het Latijnsche woord “wit” (albus) die, in een gewijzigden vorm, gegeven werd aan de met sneeuw bedekte Alpen, en aan Albion (Engeland) wegens zijn witte kalkrotsen, die men uit de verte kan zien.

De elven waren zóó klein, dat zij onzichtbaar konden rondzweven, terwijl zij over de bloemen, vogels en vlinders waakten, en daar zij hartstochtelijk verzot waren op dansen, gleden zij dikwijls op de aarde neer op een maanstraal om te dansen op het groen. Elkaar bij de hand houdend, dansten zij in cirkels en maakten daarbij “elvenkringen”, die men kon onderscheiden door het dieper groen en de grootere weelderigheid van het gras, dat hun kleine voeten hadden gedrukt.

Vroolijk’ elven, voeten strekkend

Op muziek uit hooge lucht,

Groene ring op heigrond trekkend,

Dansen vlot met blij gerucht.

Sir Walter Scott.

Als een sterveling in het midden van een dezer elvenkringen stond, kon hij, volgens het populair geloof in Engeland, de feeën zien en hun gunst verwerven; maar de Skandinaviërs en Teutonen beweerden, dat de ongelukkige mensch sterven moest. Ter illustratie van dit bijgeloof wordt verteld hoe Sir Olaf, die ter bruiloft reed, door de elven in hun kring werd gesloten. Den volgenden dag waren zijn vrienden in plaats van vroolijk ter bruiloft te gaan, getuigen van een drievoudige uitvaart, want zijn moeder en zijn bruid stierven ook, toen zij zijn zielloos lichaam zagen.

Heer Olaf reed uit, eer de nacht was gegaan

En kwam bij het dansende elvenvolk aan,

De dans is zoo vroolijk,

Zoo vroolijk in ’t woud.

En ’s anderen morgens eer ’t zonlicht was rood,

Vond men in zijn huis drie gestrekt in den dood.

De dans is zoo vroolijk,

Zoo vroolijk in ’t woud.

Heer Olaf het eerst, dan zijn jeugdige bruid,

Zijn moeder—zij hield het van jammer niet uit.

De dans is zoo vroolijk,

Zoo vroolijk in ’t woud.

Meester Olaf en de Elvendans.

De Elvendans.

Deze elven waren ook geestdriftige musici en hadden vooral genot in een zekere melodie, die als de elvendans bekend was, en zóó onweerstaanbaar was dat niemand ze kon hooren en zijn danslust bedwingen. Als een sterveling, die de melodie hoorde, het waagde ze na te doen, merkte hij plotseling, dat hij niet kon ophouden en verder en verder moest spelen, totdat hij van uitputting stierf, tenzij hij handig genoeg was om de melodie achterstvoren te spelen of iemand zoo goed was de snaren van zijn viool te breken. Zijn hoorders, die moesten dansen zoolang de tonen aanhielden, konden slechts ophouden als deze zwegen.

De Witte Elfen

De Witte Elfen

Charles P. Sainton, R. I.

De dwaallichtjes.

In de middeleeuwen waren de dwaallichtjes in het Noorden bekend als elvenlichten, want deze kleine geesten, vooronderstelde men, deden de reizigers verdwalen, en het volksbijgeloof hield het er voor, dat de dwaallichtjes de rustelooze geesten van moordenaars waren, die tegen hun wil werden gedwongen naar het tooneel hunner misdaden terug te keeren. Als zij elken nacht hierheen gingen, zoo vertelde men, herhaalden zij norsch met iederen stap: “Het is goed”, maar als zij terugkwamen herhaalden zij droevig: “Het is verkeerd”.

Oberon en Titania.

In latere tijden heette het, dat de feeën of elven geregeerd werden door den koning der dwergen, die een onderaardsche geest was en als een demon beschouwd werd en wellicht de toovermacht bezat, door de zendelingen aan den god Frey ontweldigd. In Engeland en Frankrijk werd de koning der feeën Oberon genoemd; hij regeerde het feeënland met zijn koningin Titania, en de grootste feesten op aarde werden in Midzomernacht gehouden. Dan kwamen al de feeën rondom hem samen en dansten zoo vroolijk.

Viert dan, blij als vogel, feest,

Iedere elf en toovergeest

Zingen saam in harmonie,

Dansen op de melodie.

Midzomernachtsdroom (Shakespeare).

Alf-blot.

In Scandinavië en Duitschland werden aan de elven offers gebracht om ze gunstig te stemmen. Deze offers bestonden in een klein dier, of een schotel honig en melk, en waren bekend als Alf-blot. Zij kwamen veel voor, totdat de zendelingen het volk leerden dat de elven slechte demonen waren; toen werden zij op de engelen overgebracht, die men lang smeekte om de vrienden der menschen te zijn en die gunstig gestemd werden door dezelfde gaven.

Vele elven, meende men, leefden en stierven met de boomen en planten waarvoor zij zorgden, maar deze mos-, woud- of boommaagden waren bijzonder schoon als men ze van voren, maar hol als een trog, wanneer men ze van achteren zag. Zij komen in vele volksvertellingen voor als welwillende en hulpvaardige geesten, want zij hielpen de stervelingen gaarne en traden gaarne in vriendschappelijke verhoudingen tot hen.

Beelden op deurposten.

In Scandinavië werden de elven, beide lichte en donkere, vereerd als huisgodheden, en hunne beelden werden gesneden op de deurposten. De Noormannen, die van huis werden gedreven door de tirannie van Harald Harfager in 874, namen hun besneden deurposten met zich op hunne schepen mee. Dergelijke snijwerken, die beelden van de goden en helden bevatten, versierden de pilaren van hun hooge zetels, die zij ook meenamen. De ballingen toonden hun vertrouwen in hunne goden doordat zij deze houten beelden overboord wierpen, toen zij de kusten van IJsland naderden en zich neerzetten, waar de golven de posten heendroegen, al scheen ook de plaats nauwelijks de meest begeerlijke. “Zoo droegen zij met zich mede den godsdienst, de poëzie en de wetten van hun ras, en op het verlaten vulkanisch eiland bewaarden zij deze herinneringen honderden jaren onveranderd, terwijl andere Teutonische volken langzamerhand den invloed ondergingen van hun omgang met de Romeinsche en Byzantijnsche Christenheid”. Deze herinneringen, zorgvuldig bewaard door Saemund den geleerde, vormen de Oudere Edda’s, het meest waardevolle overblijfsel van de Oud-Noorsche letterkunde, zonder hetwelk wij betrekkelijk weinig van den godsdienst onzer voorvaderen zouden weten.

Oude Huizen met gebeeldhouwde Posten

Oude Huizen met gebeeldhouwde Posten

De sagen vertellen dat de eerste vestigingen in Groenland en Vinland op dezelfde wijze plaats hadden, terwijl de Noormannen namelijk landden waar hunne huisgoden aan de kust dreven.