Hoofdstuk XXVI: De Sigurd Saga.

Het begin van het verhaal.

Terwijl het eerste deel van de Oudere Edda bestaat uit een verzameling allitereerende gedichten, die de schepping der wereld beschrijven en de avonturen van de goden en hun eventueelen ondergang, en een volledige uiteenzetting geeft van de Noorsche zedewet, bevat het tweede deel een reeks heldenliederen die de ondernemingen van het Volsunggeslacht beschrijven, en vooral van hun representatief hoofd, Sigurd, den geliefden held van het Noorden.

De Volsunga Saga.

Deze liederen vormen den grondslag van het groote Scandinavische heldendicht, de Volsunga Saga, en hebben niet alleen de stof geleverd voor het Nibelungenlied, het Germaansche epos, en voor tallooze volksvertellingen, maar ook voor Wagners beroemde opera’s, Het Rijngoud, De Walküren, Siegfried en De Godenschemering. In Engeland heeft William Morris hun den vorm gegeven die zij waarschijnlijk zullen behouden in onze letterkunde, en uit dit groote epische gedicht citeeren wij in dit hoofdstuk, daar wij het verkiezen boven uittreksels uit de Edda.

Sigi.

De geschiedenis van de Volsungs begint met Sigi, een zoon van Odin, een machtig man, en over het algemeen geëerd, totdat hij iemand uit ijverzucht vermoordde, omdat de laatste meer buit maakte, toen zij samen op jacht waren. Wegens deze misdaad werd Sigi uit zijn eigen land verdreven en vogelvrij verklaard. Maar het schijnt dat hij niet geheel Odins gunst had verbeurd, want de god voorzag hem nu van een goed toegerust schip en een aantal dappere volgelingen en beloofde hun dat de overwinning hen altijd zou vergezellen.

Zoo, door Odin geholpen, werden de strooptochten van Sigi een schrik voor zijne vijanden, en ten slotte veroverde hij het schitterende rijk van de Hunnen en regeerde vele jaren als machtig vorst. Maar op hoogen leeftijd veranderde zijn geluk. Odin liet hem in den steek, de familie van zijn vrouw overviel hem en hij werd vermoord in een verraderlijk gevecht.

Rerir.

Zijn dood werd echter spoedig gewroken, want Rerir, zijn zoon, die terugkwam van een expeditie, waardoor hij op dien tijd uit het land was geweest, bracht de moordenaars ter dood als zijn eerste daad toen hij den troon beklom. De regeering van Rerir werd gekenmerkt door alle teekenen van voorspoed, maar zijn liefste wensch, een zoon, die hem zou opvolgen, bleef vele jaren onvervuld. Eindelijk echter besloot Frigga zijn standvastig gebed te verhooren en den erfgenaam, dien hij verlangde, te beloven. Zij zond dus haar snelle bodinne Gna, of Liod, met een wonderkrachtigen appel, dien zij in zijn schoot liet vallen toen hij alleen op den heuvelkant zat. Opkijkend herkende Rerir de gezante der godin en haastte zich vol vreugde naar huis om met zijn vrouw van den appel te eten. Het kind, dat te zijner tijd werd geboren onder deze gunstige omstandigheden, was een aardige kleine jongen. Zijn ouders noemden hem Volsung, en terwijl hij nog maar een kind was, stierven zij beiden en de knaap werd heer van dat land.

Volsung.

De jaren gingen voorbij en Volsungs rijkdom en macht namen steeds toe. Hij was de fierste leider en verzamelde vele dappere soldaten om zich heen. Vaak dronken zij zijn meede onder den Branstock, een grooten eik, die midden in zijn hal stond en het dak doorboorde en het geheele huis overschaduwde.

En als in al and’re dingen ’t was een huis als geen er is,

Aan den muur hingen schoone schilden, van den roem getuigenis,

En van binnen zag men ’t mooiste, een wonder, roemrijk ding,

Want uit den vloer in het midden van de hal een boom opging,

Die spreidde zijn zegen over het dak en omkranste het wijd

Met de glorie van elken zomer en de bloesems van den tijd.

Tien sterke zonen werden Volsung geboren, en een dochter, Signy, vervroolijkte zijn huis. Zóó lieflijk was dit meisje dat, toen zij den huwbaren leeftijd bereikte, vele vrijers naar hare hand dongen, onder welken was Siggeir, de koning van de Gothen, die ten slotte Volsungs toestemming kreeg, ofschoon Signy hem nooit had gezien.

Het trouwen van Signy.

Toen de trouwdag kwam en de bruid den haar bestemden man zag, schrikte zij met smart terug, want zijn nietige gestalte en loerende blikken contrasteerden onaangenaam met de flinke figuren en open gelaatstrekken harer broeders. Maar het was te laat om zich terug te trekken—de eer der familie stond op het spel—en Signy verborg met zóó goed gevolg haar afkeer, dat niemand behalve haar tweelingbroeder Sigmund vermoedde, met welke tegenzin zij Siggeirs vrouw werd.

Het zwaard van Branstock.

Terwijl het trouwfeest aan den gang was en de vreugde op het hoogst, werd de ingang van de hal plotseling verdonkerd door de rijzige gestalte van een éénoogig man, die dicht was gewikkeld in een mantel van wolkenblauw. Zonder een woord te spreken of naar iemand in de vergadering te zien, stapte de vreemdeling naar den Branstock en stak een schitterend zwaard tot het gevest toe in zijn grooten stam. Toen, zich langzaam omkeerend keek hij de verschrikte en zwijgende vergadering aan en verklaarde dat het wapen voor den krijgsman zou zijn die het uit zijn eiken scheede zou kunnen trekken, en dat het hem de overwinning zou verzekeren in ieder gevecht. Nadat hij had uitgesproken, ging hij weg zooals hij gekomen was en verdween, terwijl hij in de harten van allen de overtuiging achterliet, dat Odin, de koning van de goden, in hun midden was geweest.

Zoo zoet klonken zijn woorden, zoo wijs ook al zijn reên,

Dat ieder zat te zwijgen, bewegen durfde geen,

Zoo doet in schoone droomen, die niet ontwaken wou.

Maar na zijn spreken ging hij weer weg uit Volsungs bouw,

En geen dorst hem iets vragen of volgen op zijn pad.

Zij wisten, het was Odin, van hem dit zwaard, die schat.

Volsung was de eerste die weer kon spreken, en zijn eigen recht om het eerst zijn kunst te beproeven opgevend, noodigde hij Siggeir, uit de eerste poging te wagen, om het goddelijke wapen uit den boomstam te trekken. De bruidegom trok en spande zich krachtig in, maar het zwaard bleef stevig vast in den eik en hij ging weer zitten met een teleurgesteld gezicht. Toen beproefde Volsung het met hetzelfde gevolg. Het wapen was blijkbaar niet voor een hunner bestemd, en de jonge Volsungprinsen werden vervolgens uitgenoodigd hun kracht te beproeven.

’k Wou zonen die ik minde, komt nu, beproeft uw kracht,

Dat Odin niet vertelle, hoe hij hier zwierf op aard

En hij den niet bedoelde wel geven moest zijn zwaard.

Sigmund.

De negen oudste zonen hadden even weinig succes; maar toen Sigmund, de tiende en de jongste, zijn sterke jonge hand op den greep legde, gaf het zwaard gemakkelijk op zijn aanraking mee, en hij trok het triomfantelijk uit den stam alsof het slechts in zijn scheede had gezeten.

Ten laatste stond bij den Branstock jonge Sigmund, Volsungs zoon,

Zijn rechter, in ’t strijden geoefend, greep het zwaard, dat Odin er liet,

’t Ging of het hem niets kon schelen, of hij telde voor niet,

Toen, plots, van den grond tot den dakspar, een luid geroep weerklonk.

Want zie in de hand van Sigmund, het naakte lemmer blonk,

Toen over zijn hoofd hij het zwaaide; want het staal was losgeraakt

Uit den greep in het hart van den Branstock, of het niet er was vastgemaakt.

Bijna alle aanwezigen waren verheugd over het succes van den jongen prins; maar Siggeirs hart was met nijd vervuld, en hij wilde het wapen hebben. Hij bood aan het te koopen van zijn jongen zwager, maar Sigmund wilde er tot geen prijs afstand van doen, zeggend, dat het duidelijk was dat het wapen door hem moest gedragen worden. Deze weigering beleedigde Siggeir zóó, dat hij heimelijk besloot de trotsche Volsungs uit te roeien, en het goddelijk zwaard te bemachtigen, terzelfder tijd waarop hij zijn haat jegens zijn nieuwe verwanten koelde.

Zijn spijt verbergend keerde hij zich tot Volsung en noodigde hem hartelijk uit zijn hof een maand later te bezoeken, samen met zijn zonen en verwanten. De uitnoodiging werd onmiddellijk aangenomen, en ofschoon Signy, die iets kwaads vermoedde, haren vader heimelijk opzocht, terwijl haar man sliep en hem smeekte zijn belofte in te trekken en thuis te blijven, wilde hij er niet van weten zijn gegeven woord terug te nemen en zoo vrees te toonen.

Siggeirs verraad.

Eenige weken na de terugkomst van het bruidspaar, kwamen dus Volsungs goed bemande schepen in het gezicht van Siggeirs kusten. Signy had angstig uitgekeken, en toen zij ze bemerkte, haastte zij zich naar de kust om hare verwanten te smeeken niet te landen, terwijl zij ze waarschuwde dat haar man verraderlijk een hinderlaag had gelegd, waaraan zij niet levend konden ontsnappen. Maar Volsung en zijn zonen, die geen gevaar kon verschrikken, zeiden haar kalm, dat zij moest terugkeeren naar het paleis van haar echtgenoot en, hun wapenen aandoende, stapten zij fier aan land.

En zacht kuste haar Volsung: “’t Spijt mij voor u, mijn schat.

Maar d’aard heeft het vernomen, wat ’k ongeboren bad,

Hoe ’k nooit mij af zou keeren van zwaard of gif of vuur,

En ’k heb dat woord gehouden—zal ’t anders zijn dit uur?

En zie op deez’ uw broed’ren, wat zijn zij groot en fier,

Wilt gij dat hen bespotten de meisjes (als dit hier

Behoort tot het verleden) omdat zij vreesden ’t lot?

Laat ons wat plicht is werken en oogsten roem voor spot,

En als de Nornen willen dat Volsungs huis bezwijk’,

’k Weet dat de daad niet omkomt, de naam duurt sterk en rijk.

Het gebeurde zooals Signy had gezegd, want op weg naar het paleis viel de dappere kleine schare in Siggeirs hinderlaag, en, ofschoon zij met heldenmoed vochten, werden zij zóó overweldigd door het grooter getal hunner vijanden, dat Volsung werd vermoord en al zijne zonen gevangen genomen. De jonge mannen werden geboeid gebracht in de tegenwoordigheid van den lafhartigen Siggeir, die geen deel aan het gevecht had genomen, en Sigmund werd genoodzaakt zijn kostbaar zwaard af te staan, waarop hij en zijn broeders ter dood veroordeeld werden.

Sigmund en het beest

Sigmund en het beest

Patten Wilson.

Signy, het wreede vonnis hoorend, kwam te vergeefs voor hare broeders op; al wat zij door hare gebeden en overredingen kon verkrijgen was, dat zij zouden worden geketend aan een omgevallen eik in het woud, om van honger en dorst om te komen als de wilde beesten hen spaarden. Dan, opdat zij hare broeders niet zou opzoeken en helpen, sloot Siggeir zijn vrouw in het paleis op, waar zij dag en nacht nauwkeurig werd bewaakt.

Elken morgen vroeg zond Siggeir zelf een bode in het woud om te zien of de Volsungs nog leefden, en elken morgen kwam de man weerom, zeggende dat een monster ’s nachts was gekomen en een van de prinsen had verslonden, niets dan zijn beenderen overlatend. Ten slotte, toen niemand dan Sigmund in leven was, dacht Signy een plan uit, en zij kreeg van een harer dienaren gedaan dat deze wat honig in het woud bracht en dien over het gezicht en den mond van haar broeder smeerde.

Toen het wilde beest dien nacht kwam, aangetrokken door den geur van den honing, likte het Sigmunds gelaat, en stak zelfs zijn tong in zijn mond. Zijn tanden er op vastklemmend hield Sigmund, zwak en gewond als hij was, het dier beet, en in zijn wilde worsteling vielen zijn boeien af, en hij slaagde er in het roofdier te vermoorden dat zijn broeders verslonden had. Toen verdween hij in het woud, waar hij verborgen bleef totdat de bode van den koning als gewoonlijk was gekomen, en totdat Signy, uit de gevangenschap bevrijd, naar het woud kwam om over de overblijfselen van hare verwanten te weenen.

Hare diepe smart ziende en wetend dat zij geen deel had gehad aan Siggeirs wreedheid, sloop Sigmund uit zijn schuilplaats en troostte haar zoo goed als kon. Samen begroeven zij toen de bleekende beenderen, en Sigmund zwoer een plechtigen eed dat hij het onrecht, zijn geslacht aangedaan, zou wreken. Deze gelofte vond groote instemming bij Signy, die echter haar broeder verzocht een gunstigen tijd af te wachten en beloofde hem hulp te zullen zenden. Toen scheidden de broeder en zuster neerslachtig, zij om weer te keeren tot haar gehaat paleis, en hij naar een verwijderd deel van het woud, waar hij een kleine hut bouwde en het beroep van smid uitoefende.

En Signy weende stil,

Toen zij ging van den laatsten der haren; toch weende zij gansch niet meer

Als zij was aan het hof van Siggeir, en zoo lieflijk als weleer

Scheen haar blik in aller oogen, en niets deed kennen haar rouw,

Noch haar vrees, noch eenig begeeren; geen die kon zeggen in trouw,

Dat zij ooit sinds dat uur heeft gelachen totdat haar sterfuur kwam.

Signy’s Zonen.

Siggeir nam nu bezit van het Volsungrijk en gedurende de eerste paar jaren sloeg hij trotsch het opgroeien van zijn oudste zoon gade, dien Signy heimelijk naar haar broeder zond toen hij tien jaar oud was, opdat Sigmund het kind zoover mocht brengen, dat hij hem zou helpen in zijn wraakoefening als hij dit zou blijken te verdienen. Sigmund nam met tegenzin de opdracht aan; maar zoodra hij den jongen op den proef had gesteld, vond hij dat hij gebrek aan moed had en zond hem dus òf terug naar zijn moeder, òf, zooals sommige overleveringen verhalen, vermoordde hem.

Eenigen tijd hierna werd de tweede zoon van Signy, met hetzelfde doel in het bosch gezonden, maar Sigmund merkte, dat hij even weinig moed had. Blijkbaar zou niemand anders dan een Volsung van onvervalschten bloede geschikt zijn voor het grimmige werk der wraak, en Signy, dit begrijpend, besloot een misdaad te begaan.

En zij mompelde eens in het donker: “Waar was dan het oud refrein

Dat de goden tweelinggeboren het dochten geen kwaad te zijn

Te paren ten dienste der wereld, waaruit de Aesir ontsprong

En de Vanir en het Dwergkind en al wat op aarde gong?

Haar besluit was genomen, en zij riep een schoone jonge heks en ruilde met haar van gestalte, waarna zij de diepten van het donkere woud opzocht en een schuilplaats zocht in Sigmunds hut. De Volsung ontdekte de vermomming van zijn zuster niet. Hij hield haar slechts voor de heks die zij scheen, en spoedig door haar coquetterie gewonnen maakte hij haar tot zijn vrouw. Drie dagen later verdween zij uit de hut, en, naar het paleis terugkeerend, nam zij hare oude gestalte weder aan, en toen zij daarop een zoon baarde, verheugde zij zich er over dat zij in zijn fieren blik en sterken bouw de belofte zag van een Volsungheld.

Sinfiotli.

Toen Sinfiotli, zooals het kind werd genoemd, tien jaar oud was, nam zij zelf een voorloopige proef van zijn moed door zijn kleed aan zijn huid vast te naaien, en het daarop plotseling af te rukken, en daar de dappere jongen geen spier vertrok maar luidkeels lachte, zond zij hem vol vertrouwen naar de hut in het bosch. Sigmund maakte spoedig aanstalten tot zijn gewone proefneming, en eer hij op zekeren dag de hut verliet, beval hij Sinfiotli meel uit een bepaalden zak te nemen en het te kneden en brood te bakken. Bij zijn thuiskomst vroeg Sigmund of zijn bevelen waren uitgevoerd. De knaap antwoordde doordat hij het brood toonde, en toen hij verder ondervraagd werd, bekende hij eenvoudig weg dat hij in het brood een groote adder had moeten kneden, die in het meel was verborgen. Verheugd te bespeuren dat de knaap voor wien hij een vreemde genegenheid voelde, met goed gevolg de proef had doorstaan die zijn broeders had afgeschrikt, stelde Sigmund hem er vrij van, het brood te eten, want ofschoon hij bestand was tegen den beet van een slang, kon hij niet, zooals zijn mentor, vergif gebruiken zonder er letsel van te ondervinden.

Want het verhaal der ouden verbaast de menschen zeer,

Dat Sigmund zoo was geschapen onder alle vorsten op aard.

Dat hij adders kon hanteeren en wat andren sterven baart,

En drinken vergif zonder letsel, maar zoo was Sinfiotli’s bouw,

Dat een beet van kruipende dieren in ’t geheel hem niet deren zou.

De weerwolven.

Sigmund begon nu Sinfiotli geduldig alles te leeren wat een krijgsman van het Noorden moest weten, en de twee werden weldra onafscheidelijke metgezellen. Op zekeren dag toen zij samen door het woud zwierven, kwamen zij aan een hut, waar zij twee mannen in diepen slaap vonden. Dicht bij hen hingen twee wolfshuiden, die onmiddellijk aangaven dat de vreemdelingen weerwolven waren, wien een wreede betoovering hun natuurlijke gedaante ontzegde, tenzij voor korten tijd. Door nieuwsgierigheid gedreven trokken Sigmund en Sinfiotli de wolfshuiden aan, en zij zwierven weldra, als wolven vermomd, door het woud, vermoordend en verslindend alles wat hun in den weg kwam.

De Weerwolven

De Weerwolven

J. C. Dollman.

Zóó wolfsch was hun aard, dat zij weldra elkander aanvielen, en na een wild gevecht viel Sinfiotli, de jongste en zwakste, dood neer. Dit ongeluk bracht Sigmund tot bezinning, en hij bukte zich in wanhoop over zijn vermoorden metgezel. Op dit oogenblik zag hij twee wezels uit het bosch komen en elkander woedend aanvallen, totdat de een dood neerlag. De overwinnaar sprong toen in het kreupelhout om met een blad terug te komen, dat hij op de borst van zijn makker legde. Toen zag men een wonder gebeuren, want op de aanraking van het tooverkruid kwam het doode dier weer in het leven. Een oogenblik later liet een raaf die over hen heenvloog een dergelijk blad vallen aan Sigmunds voeten, en hij, begrijpend dat de goden hem wilden helpen, legde het op Sinfiotli, die te gelijker tijd weer levend werd.

In vreeslijken angst dat zij elkander weer kwaad zouden doen, kropen Sigmund en Sinfiotli nu naar huis, en wachtten, tot de tijd van hun verlossing zou aanbreken. Tot hun groote verlichting vielen de huiden den negenden nacht af, en zij wierpen ze snel in het vuur, waar zij geheel verteerd werden, en de tooverkracht was voor goed gebroken.

Sigmund en Sinfiotli door Siggeir gevangen genomen.

Sigmund vertelde nu het verhaal van het hem aangedaan onrecht aan Sinfiotli, die zwoer dat, ofschoon Siggeir zijn vader was (want noch hij noch Sigmund wisten het geheim van zijn geboorte), hij hem in zijn wraakneming zou helpen. Bij het vallen van den avond dus vergezelde hij Sigmund naar de hal van den koning en zij traden ongezien binnen, terwijl zij zich in den kelder verborgen, achter de groote vaten bier. Hier werden zij ontdekt door Signy’s twee jongste kinderen, die, terwijl zij met gouden ringen speelden, welke in den kelder rolden, plotseling tegen de mannen in hinderlaag aanliepen.

Zij riepen luidkeels hun ontdekking aan hun vader en zijn gasten, maar eer Siggeir en zijn mannen de wapenen konden opvatten, nam Signy beide kinderen, sleepte ze in den kelder en beval haar broeder de kleine verraders te vermoorden. Sigmund wilde dit volstrekt niet doen, maar Sinfiotli sloeg hunne hoofden af eer hij zich keerde tegen de aanvallers, die nu op hem aankwamen.

In weerwil van alle pogingen vielen Sigmund en zijn dappere jonge makker in handen van de Gothen, waarop Siggeir hen veroordeelde levend begraven te worden in denzelfden wal, met een steenen afscheiding tusschen hen, zoodat zij elkander noch konden zien noch aanraken. De gevangenen werden dus in hun levend graf opgesloten, toen Signy kwam met een bos stroo, dien zij aan Sinfiotli’s voeten mocht werpen, want de Gothen dachten dat hij enkel eenige proviand bevatte, dat zijn doodstrijd zou kunnen verlengen, zonder dat het hem hielp ontsnappen.

Toen alles stil was, maakte Sinfiotli de schoof open, en groot was zijn vreugde, toen hij in plaats van brood het zwaard vond dat Odin aan Sigmund gegeven had. Wetende dat niets het scherpe staal van dit mooie wapen kon afstompen of breken, stootte Sinfiotli het door de steenen afscheiding, en, geholpen door Sigmund, slaagde hij er in, een opening te maken en ten slotte bewerkten beiden hun ontvluchting door het dak.

Toen in de donkre diepten stond koning Sigmund hoog,

En met zijn naakte hand hij het oorlogszwaard bewoog;

Zij trokken ’t Godsgeschenk met moeite heen en weer,

Sigmund, Sinfiotli zaagde, de steen, gekloofd, viel neer;

Toen kusten zij elkander, zij hieuwen met veel kracht,

Tot door de open spleten hun scheen de winternacht,

Toen sprongen z’ uit met vreugde, zij hadden reeds verstaan,

Eer zij ’t elkander zeiden, waarheen zij zouden gaan.

Sigmunds wraak.

Zoodra zij vrij waren, keerden Sigmund en Sinfiotli naar de hal van den koning terug, hoopten er ontbrandbare stoffen om heen op en staken die massa in brand. Toen stelden zij zich op aan beide kanten van den ingang en beletten allen behalve de nonnen den doortocht. Zij bezwoeren Signy met luider stem te ontsnappen eer het te laat was, maar zij begeerde niet te leven, en toen zij in den ingang kwam tot een laatste omhelzing, vond zij gelegenheid om het geheim van Sinfiotli’s geboorte te verraden, waarop zij terug in de vlammen sprong en met de overigen omkwam.

En koning Siggeirs dakboom dreigde laatste val,

De muren stortten samen, en wat was arm en kleen

Vermengde nu de vuurdood met ’s konings kostbaarheen.

Helgi.

De lang beraamde wraak wegens het vermoorden van de Volsungs dus volvoerd hebbende, ging Sinfiotli, die voelde dat hem nu niets terughield in het land van de Gothen, scheep, en keerde weerom naar Hunnenland, waar hij hartelijk welkom geheeten werd tot den zetel der heerschappij onder de schaduw van zijn voorvaderlijken boom, den fieren Branstock. Toen zijn gezag volkomen was gevestigd, trouwde Sigmund Borghild, een schoone prinses, die hem twee zonen schonk, Hamond en Helgi. De tweede kreeg bezoek van de Nornen toen hij in zijn wieg lag, en zij beloofden hem een rijk onthaal in het Valhalla, als zijn aardsche loopbaan zou zijn geëindigd.

De vrouw was schoon en lieflijk en schonk hem kroost, geëerd,

Zij heetten Hamond en Helgi, en, toen zij Helgi had,

Verschenen aan zijn wiegje de Nornen met veel schat,

Zij hebben hem Zonneheuvel, Scherpzwaard en Ringland genoemd,

En zeiden dat hij zou worden groot en onder vorsten beroemd.

Noorsche koningen vertrouwden de opvoeding hunner zonen meestal aan een vreemdeling toe, want zij dachten dat zij zoo minder toegeeflijk behandeld zouden worden dan thuis. Dienovereenkomstig werd Helgi opgevoed door Hagal, en onder diens leiding werd de jonge vorst zóó moedig, dat hij, toen hij vijftien jaar was, zich alleen in de hal van Hunding waagde, met wiens geslacht zijn familie in twist was. Zonder letsel en onherkend kwam hij door de hal en liet een onbeschaamde boodschap achter, die Hunding zóó vertoornde dat hij onmiddellijk er op uitging om den brutalen jongen prins te vervolgen, dien hij nazette tot het huis van Hagal. Om veilig te zijn had Helgi zich als een dienstmeisje toegerust en was bezig koren te malen alsof dit zijn gewone werk was. De vervolgers verbaasden zich eenigszins over de forsche gestalte en de gespierde armen van het meisje, maar vertrokken niettemin zonder te vermoeden dat zij zoo dicht bij den held waren geweest dien zij zochten.

Nadat hij zoo handig was ontsnapt, kwam Helgi bij Sinfiotli en, een leger op de been brengende, trokken de beide jonge mannen moedig tegen de Hundings op, tegen wie zij een groot gevecht leverden, waarover de Valkyren zweefden, wachtend om de verslagenen naar het Valhalla te brengen. Goedroen, een van de oorlogsmeisjes, werd zoo getroffen door den moed dien Helgi ten toon spreidde, dat zij hem openlijk zocht en beloofde zijn vrouw te zullen worden. Slechts een van het Hundinggeslacht, Dag, bleef in leven, en hij mocht vrij uitgaan, nadat hij beloofd had geen poging te zullen doen om den dood zijner bloedverwanten te wreken. Deze belofte werd echter niet gehouden, en Dag, Odins speer Gungnir in bezit gekregen hebbend, versloeg Helgi er verradelijk mede. Goedroen, die intusschen haar belofte om zijn vrouw te worden was nagekomen, schreide vele tranen over zijn dood, en sprak een plechtige vervloeking uit over zijn moordenaar; toen, hoorend van een harer meisjes dat haar vermoorde echtgenoot haar uit de diepte van het graf riep, trad zij zonder vrees den heuvel bij nacht binnen en vroeg hem teeder waarom hij riep en waarom zijn wonden na zijn dood bleven bloeden. Helgi antwoordde dat hij niet kon rusten wegens haar smart, en zeide dat voor elken traan, dien zij geschreid had, een druppel bloed moest vloeien.

Gij weent, goudglanzende!

Wreede tranen,

Zonlichte dochter van ’t zuid!

Eer gij slapen gaat;

Elk valt bloedig

Op ’s prinsen borst,

Nat, koud, pijnend,

Van droefenis zwaar.

Saemunds Edda.

Het vaarwel van een Held

Het vaarwel van een Held

M. E. Winge.

Om de geest van haar geliefden man tot rust te brengen, hield Goedroen van dat oogenblik op met weenen, maar zij bleven niet lang gescheiden, want spoedig nadat de geest van Helgi over Bifröst had gereden en Valhalla was binnengegaan, om aanvoerder van de Einheriar te worden, kwam Goedroen bij hem, die, opnieuw als Valkyre, haar liefdevolle genegenheid tot hem keerde. Als zij op bevel van Odin zijn zijde verliet voor tooneelen van menschelijken strijd, was het om nieuwe recruten voor het leger te zoeken dat haar heer ten strijde moest voeren als Ragnarok, de godenschemering, komen zou.

De dood van Sinfiotli.

Sinfiotli, Sigmunds oudste zoon, stierf ook vroeg; want, nadat hij in een twist den broeder van Borghild had verslagen, besloot zij hem te vergiftigen. Twee malen ontdekte Sinfiotli de poging en vertelde zijn vader dat er vergif in den beker was. Twee malen ledigde Sigmund, wien geen vergif kon deren, den beker, en toen Borghild een derde poging deed, zeide hij Sinfiotli dat hij den wijn door zijn baard moest laten loopen. De bedoeling van zijns vaders woorden verkeerd verstaande, ledigde Sinfiotli den beker onmiddellijk en viel levenloos op den grond, want het vergif was van de meest doodelijke soort.

Hij dronk toen hij sprak het woord en het gif vloeide neder dan

In een kouden vloed over zijn hart, en dood viel de sterke man

Zonder stervensklacht tot besluit, noch met stervensblik die blonk

En de vloer van de hal des Volsungs dreunde toen neer hij zonk.

Toen hieven de ouden van dagen zich op met bitteren kreet,

En beurden het hoofd van het offer; geen durfde hooren van ’t leed

Dat sprak uit zijn mond, ten minste wanneer hij woorden zei;

Ten ware die uitte Alvader toen Balder gestorven lei.

En weer als vóór den slag kwam, werd schemerig des Volsungs gewelf,

En weer scheen hij in de bosschen, waar hij sprak met zich zelf.

Sprakeloos van smart nam Sigmund teeder het lichaam van zijn zoon in zijn armen, en schreed uit de hal naar de kust, waar hij zijn kostbaren last in een bootje legde dat een eenoogige bootsman op zijn roepen bracht. Hij zou zelf ook gaarne aan boord zijn gegaan, maar eer hij dit kon doen, stiet de bootsman af en het ranke vaartuig was uit het gezicht. De beroofde vader ging toen langzaam naar huis, troost puttend uit de gedachte dat Odin zelf gekomen was om den jongen held op te eischen en met hem “naar het westen” was geroeid.

Hiordis.

Sigmund zette Borghild als zijn vrouw en koningin tot straf voor haar misdaad af, en toen hij zeer oud was, dong hij naar de hand van Hiordis, een schoone jonge prinses, dochter van Eglimi, koning van de Eilanden. Deze jonge maagd had vele vrijers, o.a. koning Lygni van Hundings geslacht, maar zóó groot was Sigmunds roem, dat zij hem verheugd aannam en zijn vrouw werd. Lygni, de versmade vrijer, was zóó kwaad over deze beslissing, dat hij onmiddellijk een groot leger verzamelde en tegen zijn gelukkigen medeminnaar optrok, die, ofschoon overweldigd door de veel grootere schare, met den moed der wanhoop vocht. Uit de diepten van een bosch, dat het oorlogsterrein bestreek, wachtten Hiordis en haar maagd angstig het verloop van het gevecht af. Zij zagen Sigmund de dooden rondom zich ophoopen, want niemand kon hem weerstand bieden, totdat ten slotte een forsch, eenoogig krijgsman verscheen, en de hevigheid van het gevecht week voor den schrik door zijn aanwezigheid.

Zonder een oogenblik te talmen richtte de nieuwe kampioen een hevigen slag op Sigmund, dien de oude held met zijn zwaard afwendde. De schok verbrijzelde het ongeëvenaarde zwaard, en ofschoon de vreemde aanvaller verdween zooals hij gekomen was, bleef Sigmund zonder verweer achter en werd spoedig door zijn vijanden doodelijk gewond.

Doch zie, door de haag van de lansen een sterke held aankwam,

Eenoogig en schijnbaar oud reeds, maar zijn aangezicht lichtt’ als een vlam,

Stralend grijs was z’n wambuis en wolkig blauw zijn hoed,

En hij droeg een groote helbaard, toen hij schreed door de pijlen vol moed,

En stond tegenover Sigmund, zijn wapen geheven ten slag,

Nog eens om het hoofd van den Volsung men het Branstock’s licht glanzen zag

Het zwaard dat kwam van Odin, en Sigmunds wilde gerucht

Ging boven het woelen der krijgers op naar de hooge lucht.

Dan stieten op elkander de sneden bij Sigmunds stoot;

En in splinters viel ter aarde de brenger van angst en dood.

Maar veranderd was Sigmunds uitzicht en de moed verliet zijn blik

Want de grauwe sterke helper was weg, en tot zijn schrik

Drong d’ ongebroken speerschacht op Volsungs leege hand

En velde neder Sigmund, het wonder van ieder land,

Op de krijgers, op de gewonden, die dien dag hij had neergeleid.

Toen het gevecht nu was gewonnen, en het geheele Volsunggeslacht vermoord, haastte Lygni zich van het oorlogsveld om bezit te nemen van het koninkrijk en de schoone Hiordis te dwingen zijn vrouw te worden. Zoodra hij echter gegaan was kroop de schoone jonge koningin uit haar schuilplaats in het kreupelhout en zocht de plek waar Sigmund zoo goed als dood lag. Zij nam den gewonden held aan haar borst in een laatste hartstochtelijke omarming en luisterde toen onder tranen, terwijl hij haar zeide, de stukken van zijn zwaard te verzamelen, en ze zorgvuldig te bewaren voor hun zoon die—voorspelde hij—spoedig zou geboren worden, en die bestemd was zijns vaders dood te wreken en veel grooter te zijn dan hij.

’k Heb eerlijk gewerkt voor de Volsungs en toch wist ik al te goed,

Dat een het zal voleinden die mij overtreft in moed:

Men zal de splinters smeden voor hem, het zal zijn mijn zoon

Die gedenkt wat ik heb vergeten en zet op mijn werken de kroon.

Elf, de Viking.

Terwijl Hiordis treurde over Sigmunds levenloos lichaam, waarschuwde haar dienstmeisje haar plotseling dat een bende Vikings naderde. Zij trokken zich nogmaals in het bosch terug, en de twee vrouwen verwisselden hare kleederen, waarop Hiordis het meisje beval vooruit te loopen en zich als de koningin te houden, en zoo gingen zij den viking Elf (Helfrat of Helferich) tegemoet. Elf ontving de vrouwen beleefd en haar verhaal van het gevecht wekte zóó zijn bewondering voor Sigmund op, dat hij de overblijfselen van den gevallen held eerbiedig naar een passende plaats liet brengen, waar zij met alle behoorlijke plechtigheden werden ter aarde besteld. Hij bood toen de koningin en haar meisje een veilig toevluchtsoord aan in zijn hal en zij vergezelden hem met vreugde over de zeeën.

Daar hij van het eerste oogenblik af beider betrekkingen onderling betwijfeld had, nam Elf de eerste de beste gelegenheid te baat—nadat hij in zijn rijk was aangekomen—om een schijnbaar onbeduidende vraag te doen opdat hij de waarheid zoude weten. Hij vroeg de eene die zich voor koningin uitgaf, hoe zij wist dat het uur was gekomen om op te staan, wanneer de winterdagen kort waren en er geen licht was om het aanbreken van den morgen te melden, en zij antwoordde, dat, daar zij altijd gewoon was melk te drinken eer zij de koeien voerde, zij altijd dorstig wakker werd. Toen dezelfde vraag aan de werkelijke Hiordis werd gedaan, antwoordde zij, met even weinig nadenken, dat zij den morgen gekomen wist, omdat op dat uur de gouden ring, dien haar vader haar had gegeven, koud werd in haar hand.

De geboorte van Sigurd.

Toen de vermoedens van Elf dus bevestigd waren, vroeg hij de voorgewende dienstmaagd ten huwelijk, terwijl hij Hiordis beloofde voor haar kindje te zorgen, een belofte die hij edelmoedig nakwam. Toen het kind werd geboren, besprenkelde Elf het zelf met water—een plechtigheid die onze heidensche voorvaderen nauwgezet nakwamen—en gaf het den naam Sigurd. Toen het grooter werd, werd het als ’s konings eigen zoon behandeld en zijn opvoeding werd toevertrouwd aan Regin, den wijsten der menschen, die alle dingen wist, zijn eigen lot zelfs niet uitgezonderd, want het was hem geopenbaard dat hij door de hand van een jongeling zou vallen.

Nog was er een dien de Helper in zijn woning bij zich had,

Baardloos en klein van gestalte, zijn gezicht gerimpeld en mat.

Zoo zeldzaam oud was Regin dat niemand zeggen kon,

Wanneer in vervlogen dagen in dit land hij te wonen begon.

Maar opgevoed had hij vorst Elf en den Helper, zeldzaam knap,

Ja en diens vaders vader, hij wist alle wetenschap

En was thuis in allerlei kunsten, behalve ’t hanteeren van ’t zwaard.

Zoo zoet was hij in zijn spreken, dat elk dacht hem ’t vertrouwen waard.

Als zijn hand de harp bespeelde vermengde hij tonen van smart

Met tonen van groote vreugde; nooit was zijn vertelling verward,

De Meester aller Meesters in de kunst van den smid was hij,

Hij kon omgaan met wind en weder en stillen het golvengetij,

En niemand kon heelkunst hem leeren, want eer het geslacht was gewrocht

En de generatie der menschen, had hij hun toekomst doorzocht.

Onder dezen leidsman nam Sigurd dagelijks in wijsheid toe, totdat weinigen hem konden overtreffen. Hij was een meester in de smeedkunst en de kunst van allerlei runen te snijden; hij leerde talen, muziek en welsprekendheid; en werd eindelijk een wakker krijgsman, dien niemand kon overwinnen. Toen hij den manlijken leeftijd had bereikt, drong Regin hem den koning om een oorlogspaard te vragen, een verzoek dat dadelijk werd ingewilligd, en Gripir, de stalmeester, kreeg in opdracht hem te laten kiezen uit de koninklijke stallen het paard dat hij het mooist vond.

Op zijn weg naar de weide waar de paarden aan het grazen waren, ontmoette Sigurd een eenoogige vreemdeling, gekleed in grijs en blauw, die den jongen man aansprak en hem vroeg de paarden in de rivier te jagen, en dat te kiezen hetwelk tegen den stroom met de grootste gemakkelijkheid op kon.

Sigurd nam den raad verheugd aan, en toen hij de weide bereikte, dreef hij de paarden in den stroom die aan den eenen kant liep. Een van hen draafde, na hem overgestoken te zijn, de weide aan den overkant rond; en, zich in de rivier stortend, kwam het naar zijn vroegere weide terug, zonder eenige teekenen van vermoeienis te toonen. Sigurd aarzelde dus niet dit paard te kiezen, en hij gaf het den naam Grane of Grijssel. Het paard stamde af van Odins achtpootig paard Sleipnir, en behalve dat het buitengewoon sterk en onvermoeid was, was het even onbevreesd als zijn meester.

Op een winterdag, toen Regin en zijn leerling bij het vuur zaten, sloeg de oude man zijn harp en op de wijze der Noorsche scalden zong of droeg hij voor, in het volgend verhaal, het verslag van zijn leven.

De schat van den dwergkoning.

Hreidmar, koning van het dwergvolk, was de vader van drie zonen. Fafnir, de oudste, was begiftigd met een dapper hart en een krachtigen arm; Otter, de tweede, met strik en net, en de macht om, als hij dat wilde, van gedaante te veranderen; en Regin, de jongste, met alle wijsheid en vlugheid van hand. Om den hebzuchtigen Hreidmar te believen maakte zijn jongste zoon hem een huis, bezet met schitterend goud en fonkelende edelsteenen en dit werd door Fafnir bewaakt, wiens vurige blikken en Aegishelm niemand durfde trotseeren.

Nu gebeurde het dat Odin, Hoenir en Loki eens in menschelijke gedaante, op een van hun gewone tochten die zij deden om de harten van de menschen te bespieden, in het land kwamen waar Hreidmar woonde.

Bij de drie was de wijze Odin, de heer van die valt in den slag

En Loki, d’ Albenijder, wien geen werk gelukken mag,

En Hoenir, de zondelooze die wrocht des menschen hoop

En zijn hart en zijn zielsverlangens, toen hij begon zijn loop,

De God die was in den voortijd en die later nog zal zijn

Als het nieuwe licht zal zenden over aard en zee zijn schijn.

Toen de goden bij Hreidmars woning kwamen, bespeurde Loki een Otter die zich koesterde in de zon. Deze was niemand anders dan de tweede zoon van den koning, Otter, die nu bezweek voor Loki’s gewone liefde tot vernieling. Het ongelukkige schepsel vermoordend wierp hij zijn levenloos lichaam over zijn schouders, denkende dat hij een goeden schotel zou geven als de tijd tot eten kwam.

Loki haastte zich daarop om zijn makkers in te halen, en Hreidmars huis met hen binnentredend, wierp hij zijn last neer op den vloer. Toen het oog van den dwergkoning op den gewonden Otter viel, brak hij in hevige woede uit, en, eer zij actieven weerstand konden bieden, lagen de goden gebonden, en hoorden zij Hreidmar zeggen dat zij nooit hun vrijheid weerom zouden krijgen, voordat zij zijn dorst naar goud konden voldoen, door hem van die kostbare stof genoeg te geven om de huid van den Otter van binnen en van buiten te bedekken.

Nu hoort naar den vloek dien ik spreke! Gij vreemden zult worden weer vrij,

Als gij schenkt de vlam van de wat’ren, ’t verzamelde zeegoud aan mij,

Dat Andvari houdt verborgen in het bleek gebied, flets als het graf,

En de heer der list zal het halen, en de hand die nooit iets gaf,

En het hart des Albenijders zal geven en toonen zijn spijt,

Zie, dit is het vonnis des wijzen, geen ander wordt u bereid.

Daar de otterhuid de eigenschap openbaarde zich tot een fabelachtige afmeting te kunnen uitrekken, was geen gewone schat voldoende om ze te bedekken, en de taak van de goden was een heel lastige. De zaak werd echter wat hoopvoller, toen Hreidmar toestond een hunner vrij te laten. De gekozene die zou gaan, was Loki die geen tijd liet verloren gaan om naar den waterval waar de dwerg Andvari woonde te vertrekken, opdat hij de daar opgestapelde schatten zou verkrijgen.

Ginds is een schrikbre woestijn aan het uiterste deel onzer aard

Waar over een muur van bergen het machtige water vaart,

Welks bron geen schepsel kent noch waar zijn monding is,

En die macht is de macht van Andvari, een Elf van de Duisternis.

Hij woont in de wolk en woestijn in het midden van ’t land alleen

En zijn werk is het sparen van schatten die hij houdt in zijn huis van steen.

In weerwil van ijverig zoeken kon Loki den dwerg niet vinden, totdat hij een zalm bespeurde, die in de schuimende wateren speelde, en het hem inviel dat misschien de dwerg deze gedaante aangenomen had. Hij leende Ran’s net en ving spoedig den visch, en kwam te weten dat het, zooals hij had vermoed, Andvari was. Bezinnend dat er niets anders op zat, bracht de dwerg nu met tegenzin zijn grooten schat te voorschijn en gaf hem geheel en al over, met inbegrip van den Helm van Schrik en een pantser van goud, terwijl hij enkel achterhield een ring die met wonderbare kracht was begiftigd en die, als een magneet, het kostbare goud aantrok. Maar de slimme Loki, die dien in het oog kreeg, lichtte hem van den vinger van den dwerg en ging lachend weg, terwijl zijn slachtoffer hem booze vervloekingen achterna schreeuwde, zeggende dat de ring altijd zou blijken het verderf voor zijn bezitter te zijn en de dood van velen zou veroorzaken.

Dat goud

Dat de dwerg bezat

Zou voor twee broeders

De oorzaak zijn van dood,

En voor acht vorsten

Van veel tweedracht,

Uit mijn schat zal geen

Iets goeds geworden.

Saemunds Edda.

Toen hij aan Hreidmars huis kwam, bevond Loki dat de geweldige schat niets te groot was, want de huid werd wijder met elk voorwerp dat er op werd geplaatst, en hij werd genoodzaakt den ring Andvaranaut (Andvari’s ring) er in te werpen, dien hij had willen bewaren om de bevrijding van zichzelf en zijn makkers te bewerken. Andvari’s vloek van het goud begon spoedig zijn kracht te doen gevoelen. Fafnir en Regin begeerden beiden een deel, terwijl Hreidmar nacht en dag over zijn schat tuurde, en er niets van wilde weggeven. Fafnir, de onoverwinlijke, ziende ten slotte dat hij niet anders aan zijn lust kon voldoen, versloeg zijn vader en nam den geheelen schat, want, toen Regin kwam om een deel op te eischen, joeg hij hem toornig weg en zeide dat hij zijn eigen kost maar moest verdienen.

Zoo verbannen nam Regin zijn toevlucht onder de menschen, aan wie hij de kunsten leerde van zaaien en maaien. Hij toonde hun hoe zij metalen moesten bewerken, de zeeën bevaren, paarden dresseeren, lastdieren temmen, huizen bouwen, spinnen, weven en naaien—kortom, alle industrieën van het beschaafde leven, die tot nu toe onbekend waren geweest. Jaren verliepen, en Regin wachtte geduldig zijn tijd af, hopend dat hij den een of anderen dag een held zou vinden, sterk genoeg om zijn onrecht op Fafnir te wreken, wien de jaren van turen over zijn schat hadden veranderd in een vreeslijken draak, den schrik van Gnîtaheid (schitterende Heuvel), waar hij zijn verblijf gevestigd had.

Toen zijn verhaal uit was, wendde Regin zich plotseling tot den aandachtigen Sigurd, zeggend dat hij wist dat de jonge man den draak als hij wilde kon dooden, en vragend of hij bereid was hem te helpen het hem geschiedde onrecht te wreken.

En hij sprak: Hebt gehoord gij, Sigurd? Wilt gij helpen een man die is oud

Zich te wreken ter wille zijns vaders? Wilt gij hebben een schat van goud

En meer zijn dan de vorsten der aarde? Verlossen de aard van een kwaad

En genezen de pijn en de droefnis die sinds tijden geen rust mij laat?