Kemphanen (Machetes pugnax). 1/2 v. d. ware grootte.

Kemphanen (Machetes pugnax). 1/2 v. d. ware grootte.

Het noorden van de Oude Wereld is het vaderland van den Kemphaan; enkele malen heeft men echter in Noord-Amerika afgedwaalde exemplaren van deze soort waargenomen. Op den trek bezoeken deze Vogels niet slechts alle landen van Europa en Azië, maar ook geheel Afrika; men heeft ze in het Kaapland zoowel als aan den Senegal en aan den Boven-Nijl geschoten. De groote, moerassige vlakten, die door de Kieviten als woonplaats worden gekozen, herbergen in den regel ook Kemphanen; deze zijn echter niet zoo ver verbreid als gene. Zelfs in ons land, waar deze Vogels algemeen bekend zijn, broeden zij veel minder algemeen dan de Kieviten, Grutto’s en Tureluurs; in de lage hooilanden zijn zij echter zeer gewone verschijningen. Zuid-Duitschland bezoeken zij slechts op den trek; in Noord-Duitschland broeden zij veelvuldig in de boomlooze, vochtige, met gras begroeide kuststreken van de Noordzee; hoewel men hen dikwijls in de nabijheid van de zee ziet, zijn zij geen strandvogels in den eigenlijken zin van ’t woord.

In Maart of April komen de Kemphanen in vluchten op hunne broedplaatsen hier te lande terug, om in Augustus of September weer te vertrekken. Evenals hunne verwanten reizen zij ’s nachts; altijd vormen zij troepen; deze vliegen in den regel in ∧-vormige orde, de mannetjes gescheiden van de wijfjes en de jongen; ook in de winterkwartieren bestaat ieder gezelschap uit leden van één sekse.

Evenals de Strandlooper kiest de Kemphaan steeds vlakten uit, die een vrij uitzicht in alle richtingen toelaten. Hooge moerasplanten en vooral houtgewas vermijdt hij angstvallig. Hij loopt op een bevallige wijze, meer stappend dan trippelend en met een fiere houding, die van zelfvertrouwen getuigt. Hij vliegt zeer snel, drijft dikwijls op zijne wieken en maakt vlugge en sierlijke zwenkingen. Wegens de grootere lengte van zijne pooten gelijkt zijn beweging op den grond meer, op die van de Ruiters dan op die van de trippelende en snel rennende Strandloopers; in allerlei opzichten vormt hij als ’t ware een overgang tusschen deze beide geslachten.

Eigenaardig zijn de gevechten, waaraan de Kemphanen hun naam te danken hebben. Tot aan den broedtijd kunnen zij het zeer goed met elkander vinden, toonen een gezelligen aard en blijven trouw bijeen. Evenals hunne verwanten, zijn zij reeds vóór het krieken van den dag wakker en bedrijvig, en blijven dit tot laat in den nacht, bij lichte maan zelfs gedurende den geheelen nacht; voor het slapen of rusten zijn hoogstens alleen de middaguren bestemd. Des morgens en des avonds zijn zij ijverig bezig met het zoeken van hun voedsel, dat uit zeer verschillende waterdieren, maar ook uit Insecten, die op het land leven, Wormen en velerlei zaden bestaat. Geheel anders wordt hun gedrag, zoodra de paartijd aanvangt. De mannetjes vechten dan aanhoudend, zonder dat voor hunne twisten voldoende redenen te vinden zijn. Misschien is het niet eens om de wijfjes, dat de strijd ontbrandt, maar om een Vlieg, een Kever, een Worm, een zitplaats, in ’t kort, om alles en om niets; zij vechten, zoowel wanneer er wijfjes in de nabijheid zijn, als wanneer zij deze niet kunnen zien, om ’t even of zij zich in de vrije natuur of in gevangenschap bevinden, of zij eerst voor weinige uren hun vrijheid verloren of reeds jaren lang in de kooi geleefd hebben; zij vechten op ieder uur van den dag, kortom in alle omstandigheden. In ’t open veld komen zij bijeen op bepaalde kampplaatsen (in Friesland “rid” of “haantjerid” genoemd), die in streken, waar de Vogels veelvuldig voorkomen, 500 à 600 schreden van elkander afliggen; zij worden ieder jaar weer opgezocht en gebruikt; waarschijnlijk onderscheiden zij zich van de omgeving in geen ander opzicht dan door het gebruik dat er van gemaakt wordt. De kampplaats is een iets hooger gelegen, maar toch vochtige, met kort gras begroeide plek van 1.5 à 2 M. middellijn, die iederen dag door een zeker aantal mannetjes herhaaldelijk bezocht wordt. Op dit toernooiveld, waar iedere kampioen zijn tegenstander opwacht om met hem te strijden, verschijnt de Kemphaan nooit, voordat de veeren van den kraag zich ontwikkeld hebben; zoodra zijn bruiloftskleed gereed is, komt hij er geregeld en toont van nu af een merkwaardige gehechtheid aan deze plek.

“Het mannetje, dat het eerst op het terrein aanwezig is,” zegt Naumann, “kijkt verlangend uit naar een tweeden bezoeker; als deze toevallig geen lust in ’t vechten heeft, wordt de komst van een derden, vierden enz. afgewacht; weldra vangt dan de ruzie aan. Zoodra twee Vogels twist gekregen hebben, schieten zij op elkander toe, vechten een poosje en gaan dan uitgeput terug naar hun oorspronkelijke standplaats aan den rand van het terrein, waar zij rusten om nieuwe krachten te verzamelen voor het hervatten van den strijd. Op deze wijze voortgaande krijgen zij eindelijk hun bekomst; dan verlaten zij de kampplaats, maar keeren gewoonlijk na korten tijd terug. Hun gekibbel loopt altijd uit op een tweegevecht, nooit heeft het een algemeenen strijd tusschen verscheidene Kemphanen ten gevolge. Dikwijls komt het echter voor, dat twee of drie paren te gelijk duelleeren en dat hunne vechtbanen elkander kruisen; in dit geval levert het heen en weer rennen en tegen elkander opspringen van de Vogels zulk een zonderlinge vertooning op, dat de op eenigen afstand staande toeschouwer ze allicht voor dol en bezeten zal houden. Als twee mannetjes in strijd geraken, ziet men hen trillen en met den kop knikken, terwijl zij nog rechtop staan; daarna buigen zij de borst zoo ver omlaag, dat het achterste deel van het lichaam hooger komt te liggen, richten den snavel op elkander, zetten tevens de groote borst- en rugveeren op, breiden den nekkraag bovenwaarts uit en geven aan den halskraag den vorm van een schild. Zoo uitgerust rennen en springen zij op elkander toe en gebruiken den snavel als degen; de met wratten gepantserde kophuid dient als helm, de dichte halskraag als een schild, dat de stooten opvangt; alle bewegingen hebben zeer haastig plaats. De kampioenen zijn zoo opgewonden, dat zij van woede beven, zooals duidelijk zichtbaar is in de korte pauzen tusschen de telkens weer herhaalde, snel opeenvolgende aanvallen. Het hangt van de meer of minder groote vechtlust van de beide strijders af, hoeveel schermutselingen er op één gang komen; deze wordt door een langere pauze gevolgd.

“Zij hebben geen ander wapen dan hun zachten, aan het einde kolfvormigen, doch stomprandigen snavel, een zeer zwak werktuig, waarmede zij elkander nooit kunnen kwetsen of zoo bijten, dat er bloed vloeit; slechts zelden verliezen zij bij deze vechtpartijen eenige veeren; het grootste ongeluk, dat een van de strijders overkomen kan, is, dat zijn tegenpartij hem bij de tong pakt en een poos hierbij heen en weer sleurt. Dat hun snavel bij zeer hevige stooten soms te sterk gebogen wordt, is niet onwaarschijnlijk; het kan wel zijn, dat hierdoor op de min of meer geknikte plaatsen de knobbelvormige opzwellingen of uitwassen ontstaan, welke vooral bij oude Vogels, die de woedendste vechtersbazen zijn, dikwijls aan den snavel voorkomen.”

Als de tijd van ’t eieren leggen nadert, ziet men één mannetje in gezelschap van twee wijfjes, of omgekeerd een wijfje vergezeld door verscheidene mannetjes soms ver van het strijdperk, in de nabijheid van de plaats waar later het nest gevonden wordt. Deze is zelden ver van het water verwijderd, dikwijls een iets hoogere plek in het moeras. Het nest zelf bestaat uit een ondiep kuiltje, dat met een gering aantal dorre halmpjes en grasstoppels bekleed is. Het bevat gedurende den broedtijd 4, zeldzamer 3 eieren van aanzienlijke grootte, die op olijfbruinachtigen of groenachtigen grond roodachtig bruine of zwartachtige vlekken hebben, op het dikkere einde gewoonlijk meer dan aan het spitsere. Het wijfje broedt alleen, 17 à 19 dagen lang, houdt veel van haar kroost en gedraagt zich bij haar nest geheel op de wijze van de andere Snipvogels; van de levenswijze der jongen valt hetzelfde op te merken.

Geen der Snipvogels kan gemakkelijker gevangen worden, geen geraakt spoediger aan de gevangenschap gewoon dan de Kemphaan. Zonder moeite maakt men zich van de mannetjes meester door op de kampplaats strikken te zetten; ook in het watersnippennet vangt men ze dikwijls in grooten getale. Uit Friesland worden er vele naar Engeland verzonden.—Zij schikken zich zeer goed in het leven in de kooi en eten dadelijk, wat hun hier voorgezet wordt. Twee mannetjes zullen echter, zelfs wanneer zij in een doek of net uren ver gedragen zijn, zoodra zij in een hok geplaatst worden, nog eerder aan ’t vechten gaan dan aan ’t eten. In een groote volière maken zij een allerliefste vertooning en verschaffen den toeschouwer voortdurend tijdverdrijf, althans zoolang de broedtijd duurt; iedere broodkruimel, die hun toegeworpen wordt, brengt het geheele gezelschap in opschudding. Na den paartijd leven zij in vrede met elkander, hoewel soms de eene of de andere zich laat verleiden tot het aannemen van een dreigende houding.

De eieren van de Kemphanen worden, evenals die van de Kievieten, ingezameld en gegeten. Het vleesch van deze Vogels smaakt goed.

*

De Waterloopers (Oeverloopers en Ruiters) zijn in den regel slanker dan de Strandloopers, hebben een kleineren kop, een langeren snavel en staan hooger op de pooten. De snavel is zoo lang als de kop of iets langer, van den wortel tot bij het midden zacht, aan de spits hoornachtig; de voet is verschillend van maaksel, soms hoog en dun, soms kort en krachtig, bij de meeste vier-, bij enkele drieteenig; de buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden; de vleugels zijn lang en smal, hun spits wordt door de eerste handpen gevormd; de uit 12 pennen samengestelde staart is kort, afgerond, trapvormig of wigvormig. De kleine veeren liggen glad tegen het lichaam aan, hebben zeer bescheidene kleuren en worden tweemaal ’s jaars gewisseld. Tusschen de mannetjes en wijfjes bestaat een gering verschil in grootte, weinig of geen verschil van kleur. Kenmerkend voor deze groep is het ontbreken van het tastorgaan aan de snavelspits.

Evenals de vroeger genoemde Vogels, behooren ook de Waterloopers hoofdzakelijk in ’t noorden thuis; alle soorten trekken echter geregeld en bezoeken dan de meest afgelegen landen. Zij houden zich op aan de oevers van stroomend en stilstaand water, in moerassen en broeklanden, minder vaak aan de zeekust. In de winterkwartieren vereenigen zij zich met vele andere Vogels, die dikwijls tot zeer verschillende soorten behooren, maar vormen zelden zulke groote zwermen als de Strandloopers. Hun voorkomen is bevallig, hun gang sierlijk, behendig en stappend; zij vliegen buitengewoon snel en zonder merkbare inspanning; hun stem bestaat uit aangename, hooge, fluitende, ver hoorbare tonen, die zooveel op elkander gelijken, dat de eene soort niet zelden de roepstem van de andere volgt. Het nest rust meestal op den grond, soms echter op boomen, en bevat, evenals bij de vorige groep, vier betrekkelijk groote, peer- of tolvormige eieren, die op olijfgroenen grond met bruingrijze vlekken geteekend zijn en door het wijfje uitgebroed worden. De jongen loopen de ouden reeds op den eersten levensdag na, verbergen zich, evenals hunne verwanten, bij naderend gevaar zeer behendig op den bodem of in het gras, leeren spoedig fladderen en gaan hun eigen weg, zoodra zij vliegen kunnen.

Alle Waterloopers zijn voorzichtig en schuw van aard; de groote soorten nemen daarom overal, waar zij met andere strandvogels samenleven, het leiderschap op zich. Zij zijn niet gemakkelijk te jagen; de vangst biedt eveneens bezwaren aan. Spoedig geraken zij gewoon aan ’t leven in de kooi, nemen eenvoudigen kost voor lief en kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang als gevangenen in ’t leven gehouden worden.

*

Als een overgangsvorm tusschen de Strand- en de Waterloopers kan men de Oeverloopers (Actitis) beschouwen, gekenmerkt door een rechten snavel, die den loop in lengte evenaart en een afgeronde staart, die achter de vleugelspitsen uitsteekt. De eenige soort van dit geslacht, die Europa en ook ons vaderland bewoont—de Oeverlooper of Steenvink (Actitis of Tringoides hypoleucos)—is aan de bovenzijde olijfbruinachtig met groenachtigen of purperkleurigen weerschijn, met zwarte, overlangsche en dwarse vlekken geteekend, aan de onderzijde wit; de veeren van de zijden van den kop vormen een witte streep boven en een witte plek onder het oog, doch zijn overigens bruinachtig met donkerder schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn bruinzwart; de armpennen hebben een witte wortelhelft en spits, die met de witte vlekken der handpennen op den uitgespreiden vleugel breede banden vormen; de middelste stuurpennen zijn grijsbruin met zwarte schaft en roestgele kanten en vlekken, de overige meer of minder wit met smalle, zwarte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel grauwzwart, aan den wortel lichter, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 21, staartlengte 6 cM.

Met uitzondering van het noordelijke deel van de Vereenigde Staten, van Middel- en Zuid-Amerika en van Polynesië bewoont of bezoekt deze Vogel de geheele aarde en nestelt ook bijna overal waar hij voorkomt. Hij verlaat ons in October en komt in April terug; gedurende den zomer treft men hem op de met zand of steentjes bedekte oevers van rivieren en meren aan, vooral op plaatsen, die aan de landzijde door een hoogen walkant beschut zijn; hij voedt zich met wormpjes, larven en gevleugelde Insecten, vooral met Net- en Tweevleugeligen. Deze worden van den grond opgepikt of in de vlucht gevangen, soms ook van de bladen weggenomen. Om de zittende Vliegen, Muggen, Haften en Waterspinnen te vangen, sluipt hij met ingetrokken kop en hals onhoorbaar en voorzichtig naar hen toe; door ’t plotseling strekken van den hals wordt de snavel uitgestoken en deze mist zelden zijn doel. Hij loopt schielijk, zwemt en duikt als het zijn moet, vliegt uitmuntend en laat vooral bij het opvliegen zijn stem hooren. Deze bestaat uit een fijn, helder, hoog en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als “iediedied” klinkt en in den paartijd een zacht beginnenden en eindigenden triller vormt, die zeer dikwijls herhaald wordt, doch geen onaangenamen indruk maakt. Men ziet de mannetjes dan onrustig zeer dicht langs den waterspiegel heen en weer vliegen. Het napvormige, met hooi belegde nest, dat voor een Snipachtigen Vogel zeer goed gebouwd mag heeten, rust op den grond tusschen de struiken op een plekje van den oever, dat bij hoog water droog blijft. De 4 eieren, welke in grootte met die van Patrijzen overeenkomen, hebben een somber roestgele grondkleur met groenachtigen weerschijn; zij zijn grauw, paars en roodbruin gevlekt en gestippeld.

*

Bij de Ruiters (Totanus) reiken de vleugelspitsen tot voorbij den staart. Zij zijn in ons vaderland door vijf soorten vertegenwoordigd.

De Groenpootige Ruiter of Groenpootstrandsnip (Totanus glottis), die soms als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der Strandruiters (Glottis) wordt beschouwd (en dan Glottis littoreus heet), onderscheidt zich van zijne verwanten door den vorm van den snavel, die lang en smal, aan den wortel veel hooger dan breed en van het midden af flauw bovenwaarts gekromd is. De bovenzijde is bruinzwart met witte randen om de veeren; de onderrug en de staartwortel zijn zuiver wit; de onderdeelen zijn wit met uitzondering van de borst, die met zwarte, overlangsche vlekken en strepen geteekend is; de handpennen zijn bruinzwart, hare schaften zwart met uitzondering van de eerste, die wit is, de armpennen dofbruin, op de binnenvlag met witachtige wolkjes, de middelste staartpennen grijs, de zijdelingsche wit en zwart gevlekt. In het herfstkleed zijn de kop, de achterhals en de zijden van den hals grauwzwart en wit gestreept, de mantelveeren donker aschgrauw met zwarte schaften, zwarte vlekken en witachtige kanten, de zijden van den onderhals en den krop met zwarte schaften en overlangsche strepen. Het oog is bruin, de snavel groenachtig zwart, de voet grijsachtig groen. Totale lengte 34, staartlengte 8 cM.

Deze Vogel werd in alle werelddeelen aangetroffen; zijn eigenlijk vaderland is echter het noorden van de Oude Wereld. Ons vaderland bezoekt hij op den trek in de lente en in den herfst (sommige komen in Augustus en blijven tot Mei); broedend heeft men hem hier nog niet waargenomen. Evenals zijne verwanten geeft hij aan zoetwatermeren en moerassen duidelijk de voorkeur boven de zeekust. Wel ontmoet men hem ook hier soms, maar dan in den regel op aanslibbingen en slechts gedurende korten tijd; zoo vindt men hem “in den nazomer bij Ameland en Schiermonnikoog en ook op de slibgronden in de Lauwerzee, soms in groote vluchten” (Albarda). De wintermaanden brengt hij door op verscheidene eilanden van den Griekschen Archipel of in Noord-Afrika; zijne omzwervingen strekken zich echter nog veel verder uit; hij bezoekt de landen tusschen de keerkringen en ook de gematigde gewesten van het zuider halfrond, b.v. Zuid-Australië, Tasmanië, Zuid-Afrika en de La-Plata-Staten. In zijne winterkwartieren vestigt hij zich bij strandmeren, bij rivieren, die buiten hare oevers treden, bij voorkeur echter in rijstvelden. Gewoonlijk ziet men hem hier alleen, hoewel bijna altijd omringd door verscheidene soorten van Strandloopers, Steltkluiten, Grutto’s en zelfs Zwemvogels, vooral Eenden; naar het schijnt, treedt hij bereidwillig als leider van deze Vogels op; zij volgen hem althans blindelings.

De opgewektheid, behendigheid en beweeglijkheid, die aan alle Ruiters eigen zijn, bezit hij in hooge mate; zijn houding is flink en kan zelfs fier heeten; hij stapt met waterpas gerichten romp vlug en luchtig over den vasten bodem, loopt graag in het water, trekt zwemmend over een vrij breeden plas en doet dit zelfs zonder noodzaak, duikt uitmuntend in tijd van gevaar, roeit onder water met de vleugels verder, vliegt met rassche en krachtige wiekslagen snel en behendig meestal recht op het doel af, zwenkt echter ook prachtig en schiet vóór het neerstrijken in suizende vaart omlaag tot dicht bij den grond om eerst hier door doelmatige vleugelbeweging zijn snelheid te verminderen. Zijn stem is een hoog, helder en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als “tsjiea” klinkt en een zeer aangenamen indruk maakt; hij lokt met een zacht “diek diek”, toont angst door een krijschend “kruu kruu”, en laat in den paartijd, doch uitsluitend gedurende het vliegen, een op fluitspel gelijkend minnelied hooren, waarvan de vele malen herhaalde klanken “dahudl dahudl dahudl” een voorstelling kunnen geven. Boven al zijne verwanten uitstekend door schranderheid, voorzichtigheid en schuwheid, is hij het best voor leider geschikt. Zijn loktoon wordt door al zijne verwanten en ook door de Strandloopers als een onfeilbaar teeken beschouwd, dat het oord niet veilig is; zijn handelwijze dient allen ten richtsnoer.

Zijn voedsel komt in hoofdzaak overeen met dat van de andere Waterloopers; het bestaat uit zeer verschillende waterdieren, waarschijnlijk vooral uit Insecten en hunne larven, waarvan de Haften en de Waterjuffers het eerst vermelding verdienen, voorts uit Wormen, Schaaldieren en Weekdieren, meer bepaaldelijk die, welke de zee bewonen, ook wel uit kikkerlarven en kleine Kikkers en eindelijk uit jonge Visschen van allerlei soorten. Naumann zag hen ijverig bezig met de vangst van Draaikevertjes, die zij van den waterspiegel afzochten, en ook ver in het water naliepen.

Hoewel de Groenpootige Ruiter reeds op Rugen en op de Deensche en Zweedsche eilanden broedt, doet hij dit bij voorkeur in noordelijker landen, het liefst in boomlooze gedeelten van de toendra, vooral in de nabijheid van de zee en in open plekken van wouden, zooals door mij aan den benedenloop van den Ob werd opgemerkt. Het nest wordt kunsteloos van halmen gebouwd op een met gras begroeide verhevenheid, meestal onder een struik.

De voorzichtigheid en de schuwheid van dezen Vogel maken zijn vangst moeielijk. Door het nabootsen van zijn stem tracht men, dikwijls te vergeefs, hem in het net te lokken. Men geeft zich deze moeite, omdat hij gewoonlijk gevolgd wordt door de verwante strandvogels. Jaren lang kan men hem in de kooi met het gewone voedsel der strandvogels in ’t leven houden: hij wordt spoedig tam en verschaft vooral in een door verschillende Vogels bewoonde volière veel genoegen.

De meest bekende van alle Ruiters is de Tureluur, in Noord-Holland Tuut, op Terschelling Tjuud, op Texel Tjerkje, in Groningen Tuutling, in Friesland Tjerk (in ’t Friesch Tjirk), in Zeeland Daak en Daakje, bij Oirschot Witstaart, in Limburg Roodpootige Ruiter genoemd [Totanus (Totanus) calidris]. Bij dezen is de snavel recht; de bovendeelen zijn grijsachtig bruin, de kop en de hals met kleine langwerpige, de rug en de mantel met groote, ronde, zwarte vlekken geteekend, de onderrug en de staartwortel wit, deze met zwarte dwarsbanden; de zijden van den hals en de krop zijn geelachtig grijs en, evenals de zijden van den romp, met zwarte, bruin gezoomde vlekken bezet; de overige onderdeelen zijn wit, de handpennen bruin, de eerste met witte schaft; wit zijn ook het wortelgedeelte van de binnenvlag en op de laatste pennen de spits; de armpennen, die, met uitzondering van de laatste, op de binnenvlag dwarsbanden hebben, zijn overigens bijna geheel wit, waardoor een breede spiegel wordt gevormd; de schouderveeren zijn donkerbruin met scherpe, roestroode dwarsvlekken, de stuurpennen wit met donkerbruine, grijs uitvloeiende dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel aan den wortel rood, aan de spits zwartbruin, de voet vermiljoenrood. Totale lengte 27, staartlengte 7 cM. In den winter is de bovenzijde donkergrijs met zwarte schaftvlekken, de onderzijde sterker gevlekt dan ’s zomers.

Deze Vogel broedt bij ons in groote getale in de moerassen en lage landen der kuststreken en is op onze weilanden met den Kievit de meest algemeene soort van moerasvogels; buitengewoon talrijk is hij op de eilanden. In het begin van den herfst verdwijnt hij uit het binnenland; aan de kust wordt hij bijna den geheelen winter door waargenomen. Een aantal exemplaren verlaten ons land in Augustus en September en komen in April terug. Zij reizen ’s nachts; in den herfst volgen zij langzaam en op hun gemak den loop der rivieren of de kust, dikwijls dagen lang rustend in streken, waar een overvloed van voedsel te vinden is; in de lente trachten zij schielijker het doel van hun reis te bereiken. Deze Vogel is evenmin zeldzaam in Noord-Duitschland, waar hij op alle voor hem geschikte plaatsen broedt; nergens echter komt hij zoo veelvuldig voor als in Skandinavië, Rusland, het zuiden van Siberië en Toerkestan. Zijn broedgebied omvat geheel Europa (misschien met uitzondering van IJsland en de Fär-öer), voorts Klein-, Noord- en Middel-Azië. Zijn winterreis strekt zich uit tot de Kaap de Goede Hoop en Indië met inbegrip van de naburige eilanden. In de Nieuwe Wereld werd hij nog niet waargenomen.

Zijn welluidende lokstem bestaat uit twee tonen, die men ongeveer voorstellen kan door “dzjaü” of “dzjnü”; zijn waarschuwend geschreeuw gelijkt op het vorige geluid, maar is meer gerekt; teedere aandoeningen geeft hij, evenals alle Waterloopers, te kennen door de klanken “duuk duuk”; schrik ontlokt hem een onaangenaam gekrijsch; de paringsroep, die altijd gedurende het vliegen weerklinkt, is een echt jubelgezang, dat men door de teekens “dliedl, dliedl, dliedl” ongeveer kan nabootsen. Hij is niet zeer gezellig van aard, maar komt toch schreeuwend aanvliegen, als zijne soortgenooten in gevaar en nood verkeeren, alsof hij hen helpen, raadgeven, waarschuwen wil; ook hij treedt als leider van andere strandvogels op. Hij is even schuw als de Groenpootige Ruiter, maar minder schrander en voorzichtig. Hoewel onderscheid makend tusschen een jager en een herder, een man en een kind, zal hij zich toch licht laten verschalken en bij zijn broedplaats vermetel het leven in de waagschaal stellen.

Zijn voedsel, dat in hoofdzaak wel gelijk zal zijn aan dat van den Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras; hij waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden met de insectenjacht bezig.

De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen bekleede uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant, zoo mogelijk midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen ligt. Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige aantal eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den Kievit; de gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek bruinachtigen of soms okergelen grond met talrijke, meer of minder dicht bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine stippen, vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het wijfje broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop en worden dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te vinden is; zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar leven om het hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone wijze den vijand te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen door een angstig geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid, maar verliest niet zoo vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het oog. Ongeveer vier weken na het verlaten van het ei zijn de jongen in staat om te vliegen en kort daarna ook geschikt om zich zelf te redden; na dien tijd wordt de innige band tusschen hen en hunne ouders spoedig losser.

De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals die van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt, hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op dezelfde wijze.

Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de Zwarte Ruiter [Totanus (Totanus) fuscus], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7–1/2 cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen, overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de Fär-öer. Ons vaderland en de overige landen van Middel- en Zuid-Europa bezoekt hij op den trek in het voor- en najaar; men treft hem dan en gedurende den winter, van Augustus tot Mei, vooral op de schorren en buitengronden aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterdiertjes, vooral Wormen, Insecten en kikkerlarven, die hij veelal zwemmend en met den kop onder water vangt. Zijn stem is een helder en luid gefluit. Des nachts wordt hij niet zelden in steekgarens gevangen.

Het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd [Totanus (Heliodromas) ochropus], heeft den kop en den mantel donkerbruin met bronsgroenen weerschijn en met kleine, witachtige vlekken, den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, donkerder, overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek voorkomen, den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals de kin en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn bruinzwart, de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de overigens zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft met drie of vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is donkerbruin, de snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de voet groenachtig loodgrijs. In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer klein en de zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, staartlengte 4 cM.

De Boschruiter [Totanus (Rhyacophilus) glareola], die in Friesland ook wel eens “Witgatje”, in Noord-Holland Liewietje wordt genoemd, is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 22, staartlengte 5 cM.), van welke hij zich onderscheidt door de meerdere grootte van de lichte vlekken der bovendeelen, door de witte schaft van de eerste groote handpen, door de zwarte en witte dwarsbanden van den staart, die niet alleen smaller en veel talrijker zijn, maar bovendien reeds aan den wortel aanvangen, en eindelijk door de groenachtig gele kleur van den voet.

Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. Op IJsland en de Fär-öer komen zij, naar ’t schijnt, niet voor; in alle overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. De Poolsche Snip broedt in ons land niet, maar komt hier op den najaarstrek, die van Augustus tot October (soms tot December) duurt en houdt zich dan meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar met struiken begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij hier opnieuw door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April tot Augustus en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende soortgenooten, die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen en slooten waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. Ten deele overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele Poolsche Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun reis tot aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij leiden een verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de oevers van kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid zijn; de Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, duistere woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts bij uitzondering op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de twijgen van hooge boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van dezen regel werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de gewenschte terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen.

Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol, dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers van den Boschruiter.

De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen in daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en Lijsters, zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen, in dit geval echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het water. Voor den Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer boomvogel is dan zijn naaste verwant, geldt misschien hetzelfde; voor zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten op boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den grond en legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine vlekken en paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van de Poolsche Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken, vegen en stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker groenbruin afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de jongen uit, die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en, als zij op een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich te beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe, zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun geslacht.


De Grutto’s (Limosa) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken en aan den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze onderscheiden zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten en vooral van het naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij minder groote oogen, zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en dragen een grijs winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer verschilt. Hun grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is langer dan de loop, twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde spits lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels zijn meer dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden (bij een enkele soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen is klein en niet zeer hoog aangehecht. De staart is kort.

De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond, maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten, vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier, bedaard stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine dieren bestaat, richten zich bij ’t naderen van een gevaar op, blijven, evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te “drukken”, gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, terwijl hun vijand nog ver af is.

De Grutto, in Noord-Holland ook Marel, op Terschelling Griet, in Limburg Oeversnip, in Friesland Schries, Schrier of Grieto genoemd (Limosa aegocephala), is de grootste van de beide inheemsche soorten. Het wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en 9 op den staart komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4 cM. minder. De pooten zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is vuil roodgeel, bij de jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits zwartbruin. De slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit; de staart is zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter zijn alle bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik, de stuit en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den zomer heeft het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders, den rug en de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug en de vleugels hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden.

De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen van het gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in Azië en Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in Noord-Afrika. Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar is toch in de moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den zomer. Bij ons behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en in moerassige streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt hij in het hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen behoorlijk geoefend zijn in ’t vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen tijd op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra (in September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend, dat hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den paartijd, als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in het zeer eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur, met donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij grooter dan kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij, evenals deze, ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht.

De Rosse Grutto, op Terschelling Rosse Griet, in Limburg Rosse Oeversnip, in Friesland Roode Schrier en Hooiwulp genoemd (Limosa lapponica), is op de kruin en in den nek licht roestrood met bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den hals en de onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van de borst en de onderdekveeren van den staart hebben zwarte, overlangsche vlekken, de slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd, de stuurpennen hebben grijze en witte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits grauwzwart, de voet zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM.

Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den trek bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel Zuid-Europa en Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis bezoekt hij in grooten getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. In zachte winters blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst overwinteren hier slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en aan den Hoek van Holland) heeft men deze soort broedend in ons land aangetroffen. Op hun reis verwijderen de Rosse Grutto’s zich niet gaarne van de zee, zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende zandbanken en wadden, keeren bij intredenden vloed naar het vaste land terug, zenden, als de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze hun de gewenschte tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier naar den waterkant en volgen de terugwijkende golven.

Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren, kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto’s; een grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk, zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik te maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten wij in ’t midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig is bij hen niet aanwezig.

In de gevangenschap gedragen de Grutto’s zich als de andere Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger onderscheiden en blijven jaren lang gezond.

*

De Wulpen (Numenius) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, zwak benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren langzamerhand dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de hoornachtige spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets langer dan de onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten zijn slank en hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle drie voorteenen zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de groote, spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig lange, uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. Het harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur aan dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes onderling en in de verschillende jaargetijden overeen.

Wulp (Numenius arquatus). 1/4 v. d. ware grootte.

Wulp (Numenius arquatus). 1/4 v. d. ware grootte.

De Wulp of Groote Wulp, in Noord-Holland Drupen, in Noordbrabant Heidetuter, in Gelderland Tuter en Zandtuter, Regenfluiter en Bergfluiter, in Limburg Kliet, in Groningen Wilp en Groote Wilp, in ’t Friesch Wylp en Wettergulp genoemd (Numenius arquatus), is de grootste der drie in Europa en ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte bedraagt 70 à 75 cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De veeren van de bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de benedenrug is wit met bruine schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn zwart met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan de binnenvlag wit gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken, de stuurpennen op witten grond met zwartbruine banden. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, aan den wortel van den ondersnavel olijfkleurig grijs, de voet loodkleurig grijs.

Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd, want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl hij trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en blijft er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen zeldzame verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September en broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief, wat de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht hij geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren, vlakten zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij soms naar de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier weer naar het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen verraden steeds een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard, zelfvertrouwen zoowel als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere Snipvogels, maakt hij gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens zijn waakzaamheid verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere strandvogels om hem heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis niet meer, dan hem goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle, klankrijke tonen, die men door de lettergrepen “taü taü” en “tlaüied tlaüied” kan nabootsen, volgens anderen beter door “u lu lu, u lu lu”, “keloeje keloeje” en “hoepe hoepe”. Hoewel hij ook in sommige gewesten van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke landen, en van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk broedgebied beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op den grond tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en worteltjes van planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn groot, olijfgroen en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij worden voor een groote lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de Wulpen het binnenland en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- of zandgronden aan de monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen blijven aan de kust in grooten getale den winter over en worden dan veelvuldig in zoogenaamde “stalnetten”, een soort van warflouwen, gevangen. Van beide soorten hoort men in de tweede helft van Maart bij donker, regenachtig weer de fluitende lokstem dikwijls den geheelen nacht door: vandaar hun naam.

Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden, Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook kleine Visschen en Amphibiën, voorts velerlei plantaardige stoffen, vooral bessen, vormen het voedsel van de volwassen Wulpen; de jongen eten niet anders dan Insecten en in het hooge noorden uitsluitend Muggen en hunne larven. Zij verdragen de gevangenschap goed, geraken spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel en aan hun verzorger, worden zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen van goede geestvermogens.

De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is daarbij de beste helper van den jager. De vangst levert aan de broedplaatsen de zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het watersnippennet. In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel belangstelling als de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt deze Vogel geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen.

De Regenwulp, Kleine Wulp of Regenfluiter, in Groningen Kleine Wilp en Regenwilp, in ’t Friesch Reinwylp, Wetterwylp, Litse Wylp geheeten (Numenius phaeopus), is veel kleiner dan de vorige soort (totale lengte 52, staart 11, snavel 11 cM.); zijn naar verhouding kortere snavel is sterker gekromd; zijn kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk, is somberder; de veeren van den kop zijn donkerbruin, ongevlekt, met een witachtige, overlangsche streep over de kruin; de flanken zijn wit met zwartbruine pijlvlekken en dwarsstrepen, de staartveeren witachtig grijs, aan den wortel aschgrauw, met 7 of 8 donkere, aan den rand uitvloeiende banden versierd. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs.

Deze Vogels broeden uitsluitend in ’t hooge noorden, dringen ver in de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden van Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de Fär-öer en Siberië tot zomerverblijf en begeven zich op den trek even ver zuidwaarts als hunne grootere verwanten. In den nazomer en het najaar vindt men ze bij ons in vluchten in de hooilanden, in de herfst- en wintermaanden aan de kust, in het voorjaar vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en meer stuks langen tijd op onze weilanden, waar zij soms van Maart tot December blijven rondzwerven, zonder dat hier ooit eieren van hen gevonden zijn. Gedurende het vliegen brengen zij een opmerkelijk trillenden loktoon (“hüüüüüüh”) voort.

De Dunbekwulp (Numenius tenuirostris), die in de kustlanden van de Middellandsche Zee, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op Sicilië, broedt en wiens reizen zich over een groot deel van Azië en Afrika uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar ’t noorden af; tot dusver werden 4 exemplaren van deze soort in ons vaderland (Friesland, Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte komt hij met den Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral onderscheidt door zijn aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere kleur van zijn kleed.

*

De Franjepooten (Phalaropus of Crymophilus) zijn kleine, Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige leden hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan den rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels, welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12 pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden van de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij op lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar zuidelijker landen, maar naar de open zee.

Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende Vogels. Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als in ’t water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats; aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele opzichten duister en raadselachtig voor.

De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland, broedt, is de Aschgrauwe Franjepoot, de Odinshen van de IJslanders (Phalaropus hyperboreus). De veeren van de bovendeelen zijn zwartgrijs, die van den onderrug en de schouders zwart met roestgele randen; de zijden van het achterste deel van den hals zijn roestrood, de keel en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van den romp grijs. In den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. Totale lengte van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte 5 cM.

In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland, Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer en den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja zelfs in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte, door met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag van gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt.

Op nog hoogere breedten en verder westwaarts wordt de genoemde soort vervangen door den iets grooteren Rossen Franjepoot (Phalaropus rufus). Bij dezen zijn de veeren van bovenkop, rug en schouders zwart met roestgele randen, die van den achterhals en den staartwortel roestrood; de benedenrug, de bovenste dekveeren van den vleugel en de zijden van den staart zijn aschgrauw, de onderdeelen fraai roestrood. De handpennen zijn zwartachtig grijs met witte schaften, aan den binnenrand en aan den wortel wit, de armpennen donkergrijs met witte randen, de laatste bijna geheel wit, de middelste stuurpennen zwartachtig, de volgende donker leikleurig grijs, de beide buitenste aan de spits donker bruinrood. Het oog is bruin, de snavel groenachtig geel, aan de spits bruin, de voet grijsbruin. In het herfstkleed zijn de bovenkop en de nek aschgrauw en geteekend met twee grijszwarte strepen, die langs de zijden van den achterkop zich uitstrekken; de rug- en de schouderveeren zijn blauwgrijs met donkerder schaften, de veeren van de onderzijde wit, in de flanken grijs.

Deze Vogel werd ’s winters eenige malen aan onze kust en ook enkele malen aan de oevers van binnenwateren waargenomen.


De Steltkluiten (Himantopus), zoo genoemd wegens hunne zeer hooge pooten, die ver boven het spronggewricht onbevederd zijn en waarvan de buitengewoon lange loop slechts met schilden bekleed is, hebben een langen, dunnen, alleen aan den wortel zachten, als balein buigbaren, rechten, aan de spits afgeplatten snavel, zeer lange, smalle en spitse vleugels, die voorbij den korten staart uitsteken; de buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies vereenigd, de achterteen ontbreekt.

De Gewone Steltkluit (Himantopus candidus) bewoont alle landen om de Middellandsche Zee; en is vooral in Noord-Afrika veelvuldig. Tot zijn broedgebied behooren bovendien Zuid-Rusland, geheel Middel-Azië, bezuiden de Siberische grens en Indië. In vrij grooten getale broedt hij ook in Hongarije, enkele exemplaren ook in Duitschland. In Indië, Perzië, Egypte en Noordwest-Afrika, zelfs op Sardinië is hij standvogel; in de noordelijker gedeelten van zijn broedgebied komt hij in Mei en blijft er hoogstens tot September. Op den trek doorkruist hij geheel Afrika en Azië tot het eiland Luçon. Jaren geleden (Augustus 1852) zijn twee exemplaren van deze soort in Noordbrabant (bij Middelbeers) geschoten.

In het lentekleed zijn de achterkop, een smalle streep op den achterhals en de mantel zwart, de laatstgenoemde met groenachtigen glans; de vleugels zijn zwart; de staart is aschgrauw; alle overige deelen zijn wit, op de voorzijde met een teere, rozeroode tint. Het oog is prachtig karmijnrood, de snavel zwart, de voet bleek karmijn- of rozerood. Totale lengte 38, staartlengte 8 cM.

De Steltkluiten houden zich gaarne op bij zout- en brakwater meren, zonder zich tot deze te bepalen. Zeevogels kan men hen niet noemen. Wel komen zij soms ook aan de zeekust voor in gezelschap van Kluiten en Ruiters; gewoonlijk echter ontmoet men ze in kleine vijvers of plassen gedurende den broedtijd in groote moerassen, waarvan het water zoet of hoogstens brak is. Naar het schijnt, zijn zij gezelliger van aard dan hunne naaste verwanten; bij paren ziet men ze niet anders dan gedurende den voortplantingstijd; in andere tijden van het jaar steeds bij troepen van 6 à 12 stuks en ’s winters in talrijke zwermen.

Voor zoover men weet, eten zij niets anders dan Insecten. Voortdurend houden zij zich met de vangst van deze dieren bezig, die zij van den waterspiegel afzoeken, uit de slib van den bodem wegpikken of in de lucht ophappen.

*

Nevens de Steltkluiten verdienen de Kluiten (Recurvirostra) een plaats. Deze zeer eigenaardige, hoogpootige Snipvogels hebben een forsch gebouwden romp en een langen, zwakken, smallen snavel, welks breedte de hoogte zeer overtreft, en die naar de spits aanmerkelijk dunner wordt; hij is eenvoudig naar boven gekromd of onmiddellijk voor het einde weder naar beneden gebogen, over zijn geheele lengte glad en hard. De pooten hebben een buitengewoon langen loop en zijn tot ver boven het spronggewricht onbevederd. De drie voorteenen zijn verbonden door “halve” zwemvliezen, deze strekken zich tot aan den nagel uit, maar zijn diep uitgesneden; de achterteen is klein, hooger ingeplant en reikt niet tot op den bodem. Tusschen het mannetje en wijfje en ook tusschen zomerkleed en winterkleed bestaat zeer weinig verschil.