Kluit (Recurvirostra avocetta). 1/4 v. d. ware grootte.
De Gewone Kluit of Kluut, vroeger ook Sluijf genoemd (Recurvirostra avocetta), is op eenvoudige, maar zeer bevallige wijze geteekend. De bovenkop, de nek en de achterhals, de schouders en het grootste gedeelte van de vleugels zijn zwart, twee groote velden op de vleugels en het geheele overige vederenkleed zijn wit. Het oog is roodachtig bruin, de snavel zwart, de voet donker blauwgrijs. Totale lengte 43, staartlengte 7 cM.
Van Middel-Europa af is de Kluit bijna over de geheele Oude Wereld verbreid. Hij bewoont de kusten van de Noordzee en de Oostzee zoowel als de zoute meren van Hongarije; hij trekt van hier door Zuid-Europa en Afrika tot aan het Kaapland; van Middel-Azië naar Zuid-China en Indië. Daar waar men hem aantreft, komt hij meestal in grooten getale voor. Hij verlaat ons vaderland in Augustus of September en komt in het laatst van Maart of in het begin van April terug. In Nederland werd hij vooral op Texel, bij Calantsoog (in Noord-Holland) en aan den Hoek van Holland, doch ook op de andere eilanden, bij Vogelenzang en in Zeeland broedend gevonden.
De Kluit is een echte zeevogel: hij verlaat de zeekust zelden; wanneer hij dit al eens vrijwillig doet, geschiedt zulks met het doel om een zout- of althans brakwatermeer op te zoeken. In het binnenland behoort hij tot de zeldzaamheden. Hij is een van die zeevogels, welke ieders aandacht trekken, omdat zij een sieraad zijn van het strand. Zooals zijne zeer goed ontwikkelde zwemvliezen reeds doen vermoeden, beweegt hij zich ook op plaatsen waar het water diep is; hij zwemt met gemak en behendig en doet dit dikwijls zonder bepaalde noodzakelijkheid. Zijn fluitend stemgeluid heeft een eenigszins droefgeestigen, maar volstrekt niet onaangenamen klank: zijn loktoon klinkt ongeveer als “kwie” of “duut”, zijn paringswijsje is een klagend “klioe”, dat zoo dikwijls en zoo schielijk achtereen herhaald wordt, dat het aan “jodelen” doet denken. Aan dit geluid heeft hij zijn naam te danken.
Gewoonlijk ziet men den Kluit in ’t water staan of langzaam rondstappen en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van den kop voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van ’t water onderzoeken, waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den kop staat. Hij gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel andere wijze dan de overige moerasvogels; hij “sabelt”, gelijk Naumann zegt, “maakt tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en naar rechts en grijpt intusschen het in ’t water zwevende voedsel, dat door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt teruggehouden.” Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden van deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men, dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend of zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven, of opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn.
Korten tijd na hun terugkomst in ’t vaderland splitsen de zwermen zich in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op een met kort gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling van den grond en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er worden in den regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in gelegd; deze hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht roestgeelachtigen of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of minder groot aantal grauwzwarte en violette vlekken en stippels geteekend is. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten, zijn vol zorg voor hun broedsel, vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, die in de nabijheid van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze droog geworden zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen vinden, later naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels beginnen te gebruiken, naar de open zee.
De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun voedsel moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij kunnen dan jaren lang in de kooi in ’t leven gehouden worden.
De echte Pluvieren (Charadriinae) zijn forsch gebouwde, korthalzige, grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal kort, zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven; aan den wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde huid bekleed; de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het einde van het achterste derde gedeelte (of van de achterste helft) van den snavel, welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is, doch nader bij de spits zich weer verheft; zulk een snavel heet “kolfvormig” gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in ’t spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange, uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen en ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het winterkleed bestaat.
De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere ’s nachts het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak en snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. Zij zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook hiervoor geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, fluitende stem en brengen gedurende den paartijd tot trillers vereenigde tonen voort, die eenige aanspraak kunnen maken op den naam van gezang. Hun nest is eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden wordt het met eenige halmen bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 peer- of tolvormige, bont gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, die altijd zoo gerangschikt zijn, dat de spitsen elkander in ’t midden aanraken. De beide ouders broeden om beurten; door hen begeleid, verlaten de jongen het nest, onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen en droog geworden zijn; in den eersten tijd zoeken zij nu en dan beschutting onder de vleugels van de moeder.
Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel vervolging te verduren.
*
De Kievit, in Overijsel Kiefte, in ’t Friesch Ljiep genoemd (Vanellus cristatus), vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, dat kenbaar is aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan de vierteenige voeten, aan de stompe vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde handpen en aan de kuif, waarmede de kop versierd is. De bovenkop, de voorhals, de bovenborst en de achterste helft van den staart zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den mantel donkergroen met blauwen of purperen weerschijn, de zijden van den hals, de onderborst, de buik en de wortelhelft van de staartveeren wit, eenige boven- en alle onderdekveeren van den staart donker roestgeel; de kuif bestaat uit lange, smalle veeren, die een dubbele spits vormen. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet vuil donkerrood. Totale lengte 34, staartlengte 10 cM.
Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft men den Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. Hij is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de tusschen Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel naar de Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van alle Europeesche landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan Kieviten: zij zijn voor ons land even karakteristiek als de kanalen, de zwartbonte koeien, de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde buitenplaatsen en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet zeldzaam.
De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in ’t vaderland, als de winter er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan van andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het hoofdleger voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze worden dikwijls bitter teleurgesteld door een weersverandering. Late sneeuwvlagen maken, dat zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk worden zij door de hoop op een gunstigen keer van zaken weerhouden om terug te keeren; zij dwalen van het eene veld naar het andere, wachten en hopen, verkwijnen meer en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 tot 1888 wisselde de tijd van aankomst der Kieviten in ons vaderland af tusschen 10 Februari en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin zij vertrokken of voor de laatste maal gezien werden, van 18 September tot 6 December (gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in ’t oog worden gehouden, dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed hebben en geboren zijn, andere, uit noordelijker streken komende exemplaren doortrekken; dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele maal is het gebeurd, dat Kieviten hier den winter overbleven.
Kievit (Vanellus cristatus). 1/3 v. d. ware grootte.
Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De Kievit houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel mogelijk diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage, moerassige kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats moet voldoen, is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam geschiedt, de Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er te nestelen, kan men er vrij stellig op rekenen, dat de gewone nestplaatsen in den loop van den zomer overstroomd zullen worden. Op deze nestplaatsen nu ziet of hoort men den Kievit op iederen tijd van den dag1. Bijna voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk is de oorzaak hiervan gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder ander schepsel, misschien met uitzondering van Runderen en Schapen, voor gevaarlijk houdt. Daar hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur van zijne vleugels gebruik maakt bij het toonen van liefde zoowel als van misnoegen en voor vele spelen, welker reden ons niet volkomen duidelijk is, kan het niet missen, dat men hem opmerkt. Het drukst beweegt hij zich, zoolang er eieren in zijn nest liggen, of zijne jongen nog niet geschikt zijn om aan een naderend gevaar vliegend te ontkomen. In dezen tijd vliegen zij onder luid geschreeuw, dat als “kiewiet” klinkt, om iederen mensch heen, die in de nabijheid van hun broedplaats komt. Zij doen dit met een driestheid, die te recht verbazing wekt. De voor zijn kroost beduchte Vogel schiet dikwijls zoo dicht bij het hoofd van den mensch langs, dat deze de door ’t snelle vliegen veroorzaakte luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij vliegt voortreffelijk en siert zijn vluchtlijn als ’t ware op door velerlei zwenkingen. Alleen als de weg van den Kievit dicht over den waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen; zoodra hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten te maken, alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging uitdrukken wil. Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt, maakt hij de koenste wendingen, stort zich naar beneden tot dicht bij den grond, rijst echter dadelijk weer in steile richting omhoog, slaat nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op den bodem af, trippelt hier even rond, verheft zich opnieuw in de lucht en hervat het vorige spel. Geen der andere inheemsche Vogels vliegt zooals hij, geen hunner is in staat om op dezelfde wijze alle denkbare bewegingen met de vleugels uit te voeren. Karakteristiek voor deze wijze van vliegen is het eigenaardige gesuis en gewapper, dat door de snelle vleugelslagen ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan Kieviten, die door de lucht voorbijtrekken, in een duisteren nacht van alle andere Vogels onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en behendig; de snelheid van ’t loopen kan aanmerkelijk vermeerderd worden. Bovendien speelt deze in ’t oogloopende Vogel zoowel onder ’t vliegen als onder ’t gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in ’t eene oogenblik horizontaal neerlegt, in ’t andere hoog opricht. Van zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik; de weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde “kiewiet”, is nu eens meer, dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties hebben ieder een bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven door “chrèiët”, de paringsroep bestaat uit een reeks van nauw aaneenverbonden klanken, die men door de lettergrepen “chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet kioeïeht” ongeveer kan aanduiden.
Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager vaak teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename ervaring vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het oord, waar een zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met den felsten haat bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij grooten moed, zelfs ware doodsverachting. Woedend schiet hij neer op den snuffelenden Hond, dikwijls zoo dicht langs den kop van den verontwaardigden viervoeter, dat deze zich genoopt ziet naar den aanvaller te happen. Reintje wordt even ijverig bestookt, maar niet altijd overwonnen en verdreven; integendeel deze grijpt niet zelden een van zijne vermetelste tegenstanders en vermoordt hem voor de oogen van zijne kameraads, die vol ontzetting in alle richtingen uiteenstuiven en ver van de kampplaats gaan weeklagen over den verongelukten makker. Stoutmoedig valt de Kievit Meeuwen, Reigers en Ooievaars aan, kortom alle roofvogels, die minder goed vliegen dan hij; de gevederde roovers, die hem in bekwaamheid overtreffen, gaat hij echter voorzichtig uit den weg. De strandvogels zijn gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit doet en ontkomen door zijn voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom draagt hij bij de Grieken den zeer eigenaardigen naam van “Goede Moeder.”
Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van den Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van zijn maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken enz. genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat hij drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte.
Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest zóó, dat hunne spitsen elkander in het midden aanraken en worden door het wijfje altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het wijfje broedt de eieren in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens naar plaatsen, waar zij zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, dat zich bij naderend gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo zeer met die van den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou kunnen aanzien.
Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is men een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even ijverig vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande ijverig gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral uit Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In het laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht, zeer aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland, de prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan 15 cents per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer hooge prijzen betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland het eerste ei gemiddeld op 23 Maart gevonden (Albarda). Daar de Kievieten, welker eieren men herhaaldelijk wegneemt, in het geheel niet meer zouden broeden, het getal dezer Vogels derhalve van jaar tot jaar verminderen zou, is bij de wet bepaald, wanneer het rapen van kievitseieren moet ophouden. Hier te lande is het na den 30en April verboden; het vervoeren en verkoopen van de eieren mag nog tot den 5en Mei plaats hebben.
De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger, eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan men ze jaren lang in ’t leven houden; zij moeten echter tegen koude beschut worden, zoodra de winter aanvangt.
In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den Spoorkievit, wegens zijn geschreeuw ook Sieksak genoemd (Vanellus spinosus). Deze kenmerkt zich door een echten Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een scherpe, aan de vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse vleugels en een stompe kuif op den achterkop.
Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van het water. Hij stelt zijne eischen echter niet hoog, maar is tevreden met een veld, dat nu en dan onder water wordt gezet. Hij schijnt de zeekust te vermijden, maar komt voor aan de oevers der strandmeren, die deels brak, deels zout water bevatten.
In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten overeen, hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is.
Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van zijn inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in het midden van April, vele nog in Mei.
*
De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen, kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten, soms als geslachten worden beschouwd.
De Goudkievit, in Friesland Zeewilster, Blanke Wilster of Zilverpluvier genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale lengte 30, staartlengte 9 cM.
Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland, Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale, waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen.
De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd (Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals, den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit, de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.
De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren, kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland, Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren, die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige rangorde, evenals de Kranen.
In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel, die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af, wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als “tluïe” klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot een triller (“taluudl-taluudl-taluudl-taluudl”) verlengd. Hare zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen.
De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen, dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde.
1) Morinelpluvier (Charadrius
morinellus),
2) Goudpluvier (Charadrius pluvialis). 1/3 v. d. ware grootte.
Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en in ’t noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus) is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs.
De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig, door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede, lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM.
De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië (op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek, van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten.
De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig, bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door de klankteekens “duurr” of “duuru” ongeveer weergeven kan. Zij is lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen, om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen den grond aangedrukt hadden, geheel over ’t hoofd. Vlak voor mij lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In ’t zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij, zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk, toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte, bijna uitgeroeid is.
Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren, die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste Snippen, de voorkeur.
De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd (Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange, spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten, ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand- en grindbanken in stroomen enz.—De Bontbekpluvier is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende, breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen) met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden, witten eindrand het donkerst.
De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt, ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda).
Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere Strandpluvier, op Texel Zandlooper en Froukie, op Terschelling Gultje, op Ameland Kreuteltje genoemd [Charadrius (Aegialites) cantianus]. Totale lengte 18, staartlengte 5–1/2 cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort, een zwarten dwarsband over den krop, wel aan weerszijden daarvan een zwarte vlek; voorts zijn bij haar de snavel en de voet zwart en het voorhoofd zuiver wit; wit zijn ook de schaften van de 4 à 6 eerste pennen. Haar verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde, uitgezonderd het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt aan de zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de Roode Zee. Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September op en broedt in grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan den Hoek van Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer 1 dM. middellijn in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze, waarop deze en andere Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of 4 geheel gave, bijeen gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast in den bodem te drukken; ook om het nest liggen dergelijke groepjes2. Reeds in Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker gewesten te verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan ook in zeer menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand.
De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit; het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede, witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt; de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5–1/2 cM.
Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur, doch komt ook nu en dan aan ’t zeestrand voor. Bij ons is zij niet zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda).
Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen.
*
De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten, aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht, glad vederenkleed.
De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in ’t oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van 23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen.
Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen, die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer 15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten; deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil, om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden: zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de Kanarische Eilanden “Kinderbedrieger”, omdat onervaren knapen meenen, dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor dit doel geschikt.
Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. “Een groote, diepe schotel,” zegt Bolle, “of een andere steenen pot wordt in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt, valt de pan hem over den kop en is hij gevangen.”—
“Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt,” verhaalt Plinius in navolging van Herodotus, “komt de Vogel Trochilus aanvliegen en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog verder, opdat de “Trochilus”, als hij er uit wil, zich niet zal kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt zich in de nabijheid van ’t water op en waarschuwt den Krokodil voor den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken.” Dit verhaal, dat men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond; wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil en zijn “Wachter”, gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen.
De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep, welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek, een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel, de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig kleiner dan het mannetje.
De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom hem verdrijft.
Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen, maar vallen nog meer in ’t oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart gestreepte vleugels uitbreiden en over ’t water vliegen. Zij doen dit zeer snel, zooals men reeds bij ’t zien van de spitse vleugels zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van ’t water langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als “tsjiep tsjiep hoit”. Maar ook gedurende het zitten en rondloopen schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de “Wachter” niet alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol, die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert, heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt dezen zich naar de veilige diepte te begeven.