Kokmeeuw (Larus ridibundus). 1/4 v. d. ware grootte.
Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren, vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te vertoeven. “Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa, dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen.” (Albarda).
De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen, wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans: de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen; ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen zijn. In Friesland worden in deze koloniën, “kobbevlechten” genaamd, de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda).
De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats, die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen, rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden 4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; ’s nachts zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten, maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer; in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren.
De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen, volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar niet bepaald snel en vliegt zacht, als ’t ware op haar gemak. Hoewel voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend als “krie”; “kek” en “sjerr” zijn de geluiden voor het gezellig verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend “kerrekkektek,” of een heesch “gier,” dat gewoonlijk door “krie” wordt gevolgd.
Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en ook van een kreng wordt partij getrokken.
In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze nuttelooze slachting, die onder den naam van “meeuwenschieten” als een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te verontschuldigen.
Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch gevoederd worden, maar geraken ook aan ’t eten van brood gewoon, zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en volgen hem later vliegend over ’t erf, in den tuin en ook wel naar buiten in ’t veld.
*
“Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien heeft,” zegt Holböll, “kan zich zoomin van de schoonheid als van het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte puntjes vertoonen.”—Korter en schilderachtiger drukt Faber zich uit. “Op Grimsö’s vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale, dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten, de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide rotsen in wit veranderen.”—Toen ik gereed was om een reis naar Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen, een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst, nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot, die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei, onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt, zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen, die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger.
De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop, de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit, de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin, de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM.
Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de onze (het meest vroeg in ’t voorjaar). Vooral bij stormweer en op den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend, soms ver naar het binnenland af, waar zij zich ’s winters vaker en in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust.
Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke IJszee als ’t ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen, de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald, het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert.
Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken; ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels, die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende, dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is.
*
Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw (Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë) af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep) gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM.
De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae) geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang, smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht, op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls lichtere plekken.
De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel; meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den voortplantingstijd echter in de toendra’s der kusten en eilanden. Zij loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels, maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan zij de kunst om een in ’t water waargenomen buit te vangen door er van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft, schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden, of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen haar aan, de meer beschroomde vluchten.
Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren, die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen.
De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren.
*
De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan ’t einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte 57, staartlengte 17 cM.
Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer, de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in kleinen getale zwerft hij ’s winters langs de Engelsche, Duitsche, Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea’s blijven echter ook gedurende het koude jaargetijde in ’t noorden, en zoeken hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft.
Groote Jager (Stercorarius catarrhactes). 1/5 v. d. ware grootte.
De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit, de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM.
Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen, maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde, zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in ’t binnenland af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen.
Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt snel, zwemt flink en maakt bij ’t vliegen bewonderenswaardig koene en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn stem is een diepe, als “ach ach” klinkende toon of een heesch “iïa”; bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon “hoo”. Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels, die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om hen in ’t oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen, schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid, moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven verworven buit uitspuwt.
Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte; anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde, verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot, door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels, neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. “Uit duizend kelen,” schrijft Naumann, “weerklinkt het angstgeschreeuw, wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die, luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit.”
Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen (welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin, of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart, de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart.
Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland, de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar ’t binnenland af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd.
De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die, volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren valk “wiekelt” of “bidt”; het is op eenigen afstand vaak moeielijk hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen, langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen, nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar boven terug te keeren. In ’t eene oogenblik schijnt hij afgemat en verslapt, in ’t volgende is hij als “door den duivel bezeten”; nu eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend, alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende bewegingsvormen.—Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen, maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen, om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden.
De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15 cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55, staartlengte 30 cM.
Ook deze Jager broedt in ’t hooge noorden van ’t oostelijk zoowel als van ’t westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen.
Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën verbreide, in ’t duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn, korte, smalle (bij uitzondering voor ’t vliegen ongeschikte) vleugels, een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed.
Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor ’t overige echter op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel, op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne, maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk voor ’t zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het duiken in ’t water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene koloniën in ’t zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan, indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde.
Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai (Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote, korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels in ’t oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde, korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld, alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw, de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood; het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood, aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte 31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere hoogte en ontbreekt de halskraag.
De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten voor; in ’t noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger: in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor; bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar ’t zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden, eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver- en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche “Vogelbergen”, waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd, maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg op de volgende wijze: “In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten (Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde; eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die, welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust, maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en angstig uitzien naar eenige Skoea’s (Groote Jagers) boven hen. Dan volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels; de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan, zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel, beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden, behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige “orr” van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden “rrrrrr” der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof; waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en lieten langzaam hun “orr” hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor ’t meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten zich, door schrik bevangen, in zee.”—In dezen tijd halen de bewoners van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels, laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht.
De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich ’s winters dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen.
Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven, alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen, en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast, maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan, naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten; vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij ’t zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart, of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep en gerekt als “orr orr,” volgens Faber soms ook als het geluid, dat een slaperig mensch bij ’t geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje.
Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad.
In ’t midden van April of in ’t begin van Mei, al naar de sneeuw vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde, weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan ’t werk. De nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort, dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor ’t graven zijn de snavel en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer 70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig, later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer 5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige, koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem, maar leert het ratelende “orr” van den volwassen Vogel eerst na het uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het, zoo noodig, door woedende beten met den snavel.
De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven, voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten, of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is hun het noodige voedsel te verschaffen.
*
De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd, de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits; de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen.
Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt, herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin, de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM.
Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel van de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle fjorden van Noorwegen, waar men hem ’s zomers niet ziet, verschijnt (in Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche en Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier te gelijker tijd aankomen. Boje zag een dicht opeengedrongen zwerm, welks breedte hij op 1000 schreden schatte en die zoo lang was, dat onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn boot vlogen, tienmaal zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde zee heb ik herhaaldelijk dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe diep een Alk duiken en hoe lang hij onder water blijven kan, bond men hem een zeer langen, dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot in zee. De Vogel verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 M. lange koord geheel af; na verloop van 2–3/4 minuut ongeveer verscheen hij weder aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij opnieuw onderdook.
De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als “örr” of “ar”, soms ook miauwend als “arr err kwer kweör”.
Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke groote (80 mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart donskleed met wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen toestand, na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en druk gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in zee of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in ’t water aankomt; de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren het duiken en zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich zelf te zorgen, begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te voederen.
*
Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog leeft, kan men er, zegt Newton, staat op maken, dat hij kort na zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger voorzagen de bewoners van IJsland en Groenland zich door het dooden van dezen Vogel met wintervoorraad; tegenwoordig zou het vel van den Reuzenalk tegen goud opgewogen worden.
De Reuzenalk of Pingoeïn-alk [Plautus (Alca) impennis] wordt te recht beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht. Hem kenmerken, behalve de aanzienlijke grootte, vooral de rudimentaire vleugels, die voor ’t vliegen geheel ongeschikt zijn, hoewel alle soorten van vleugelveeren, zij het dan ook in onvolkomen toestand, aan de voorste ledematen voorkomen. De snavel is langwerpig, de snavelrug maakt van den wortel tot aan de spits een flauwe bocht; de ondersnavel is ondiep binnenwaarts uitgehold; de geheele snavel zeer hoog, maar buitengewoon smal; de zijrand van den ondersnavel is nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek tot vóór het neusgat, verderop een weinig naar boven gekromd en aan de spits weer benedenwaarts gericht; de zijden van ’t voorste deel van den snavel zijn boven met 6 à 7, onder met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in maaksel met die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer 90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. De veeren van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel zwartbruin; de onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de snavel en de pooten zwart.